English -Dutch -   home   contact
Letter U t/m Z

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch Gebied: Sint Maarten

Illustratie: Schilderij "Tanny and the boys" van Ruby Bute (biografie bij @: Bute Ruby)

Alle letters beginnen met het  opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het  onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter U

u is de 21ste letter van het Nederlandse alphabet. Het ontstaat voorzover  bekend uit de zesde letter van het Semitische alphabet, die een klank inhield die ongeveer als wāu moet zijn uitgesproken. Hierdoor komt het, dat de drie letters u, v en w in het oude Grieks, het Latijns (de Romeinen kenden echter de letter w niet) en ook in de Middeleeuwen maar zelfs in bijvoorbeeld de hedendaagse Engelse taal geregeld door elkaar werden c.q. worden gebruikt. Op grond hiervan gebeurt het dat de u, tegenwoordig vooral een klinker, vaak als mede-klinker wordt geplaatst. Vergelijk in het moderne Engels bijvoorbeeld de woorden pool en pull (beiden spreekt men uit met de Nederlandse u van ‘moeder’) en queen (waar de uitspraak van de u een w-klank aanneemt). Het gebruik van de u is in de Engelse taal overigens nogal chaotisch (in buy krijgt de u een a-klank, in bus een o-klank, in cute een uj-klank. In build en biscuit heeft de u in feite slechts een etymologische / historische waarde – hij wordt niet uitgesproken – en let op een woord als Brougham (spreek uit als ‘brom’). Geen u-klank dus!

Het moderne Nederlands heeft niet veel last van de u, hier schrijft men in het algemeen een oe om de echte u-klank mee aan te duiden als in ‘moeder’, ‘poeder’, ‘bezoedelen’; en krijgt een enkele u dan een korte droge klank als in ‘put’, ‘zullen’, ‘nul’. Daarnaast kent het Nederlands twee u’s naast elkaar, als in ‘zuur’, ‘buur’, ‘uur’ en dit geld ook voor een enkele u gevolgd door achtereenvolgens een medeklinker en daarna weer een klinker als in ‘turen’, ‘buren’, ‘verduren’. Ook het Papiaments heeft geen problemen met de u-klank, die in het algemeen als enkele u wordt geschreven, soms als oe en in  het algemeen als in de Nederlandse oe (vergelijk ‘moeder’) wordt uitgesproken. Voor de overname van oorspronkelijk Nederlandse woorden met de dubbele u schrijft Papiamentu ü.

 

 

@: Uilen


De kerkuil, palabrúa (Tyto alba - zie foto) komt op Curaçao voor en wijkt door zijn geringe grootte en opvallend witte onderzijde, af van de kerkuilen elders op de wereld. Het lijkt noodzakelijk deze vogel, die voornamelijk van muizen, kleine vogels, vleermuizen en hagedissen leeft en die zeer zeldzaam geworden is, met zorg te beschermen. Hij houdt zich overdag op in sommige grotten, in rotsnissen en ook wel op zolders van landhuizen. Verder blijkt aanwezigheid van uilen uit de uitgebraakte prooiresten: langwerpige ballen van haren met vogelsnavels en -klauwtjes en botjes tot complete schedeltjes. Aruba heeft een speciaal eilandras van een veel kleinere soort, de grondbewonende holenuil of chogo (Athene cunicularia), die vooral van grote insekten en kleine hagedissen leeft. Zij graven zelf hun holen, maar gebruiken ook graag ijzeren pijpen e.d., die op de grond liggen.

 

@: Uitgeverijen
Vanwege het ontbreken van werkelijke uitgeverijen op de Antillen, vond het uitgeven van boeken veelal plaats in eigen beheer van de schrijver of via boekhandels en drukkerijen. Soms verschenen de uitgaven bij een voor die gelegenheid gecreeërde uitgeverij. Meestal echter werd de boekhandel of de drukkerij als uitgever vermeld; niet zelden ontbrak enige aanduiding over de uitgever. Aan het begin van de 1970ger jaren werden twee Antilliaanse uitgeverijen opgericht door in Nederland woonachtige Antillianen: Editorial Antiyano en Flamboyant/P., waarvan eerstgenoemde nu op de Antillen gevestigd is en laatstgenoemde opging in de Nederlandse uitgeverij In de Knipscheer (Haarlem). Op 12 december 1983 werd tenslotte de coöperatieve uitgeverij Kolibrí opgericht. Deze schrijverscoöperatie is op Curaçao gevestigd, haar leden zijn afkomstig van alle eilanden van de Nederlandse Antillen. In 1984 is op Aruba opgericht Charuba, een zusteruitgeverij onder de vleugels van Uitgeverij Leopold (Den Haag), die zich voornamelijk zal toeleggen op uitgaven voor de jeugd, geschreven door Arubaanse auteurs zowel in het Papiamento als in het Nederlands.

 

@: Uitlevering
is krachtens art. 3 Statuut koninkrijksaangelegenheid. Dat is begrijpelijk, omdat dat onderwerp op internationaal terrein ligt, d.w.z. dat krachtens art. 14, 1ste lid Statuut, uitlevering wordt geregeld bij *rijkswet of in de daarvoor in aanmerking komende gevallen bij algemene maatregel van rijksbestuur. Art. 4 Staatsregeling bepaalt dan ook, dat uitlevering van vreemdelingen niet dan krachtens verdragen geschiedt, waarbij de regelen in acht worden genomen, welke bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld. De voor Nederland geldende bepalingen zijn vervat in de wet van 9 maart 1967, Stb. 139, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 juni 1925 (Stbl. nr. 243). Voor de Nederlandse Antillen is dit onderwerp geregeld bij algemene maatregel van bestuur, die volgens art. 57 de staat van algemene maatregel van rijksbestuur heeft verkregen - Curaçaosch Uitleveringsbesluit 1926 (P.B. 1926, nr. 61) gewijzigd bij algemene maatregel van rijksbestuur van 21 augustus 1981 (Stbl. 80; P.B. 1981, nr. 293). Omdat het niet de bedoeling van het Statuut is de Nederlandse Antillen de bemoeienis van de Staten-Generaal op te dringen, werd in art. 14 de uitdrukking gebezigd ‘in de daarvoor in aanmerking komende gevallen bij algemene maatregel van rijksbestuur’. Uitlevering is een daad van internationale rechtshulp, waardoor personen in handen worden gesteld van een buitenlandse mogendheid ter berechting of ter voltrekking van een straf; niet voor politieke misdrijven. Nederlanders worden niet uitgeleverd. Indien zij in het buitenland een strafbaar feit hebben gepleegd, dat in Nederland of de Nederlandse Antillen als misdrijf geldt, kunnen zij in deze landen worden vervolgd.

 

@: Uitvoerrechten
zie @: Belastingen.

 

@: Uitzetting
zie @: Toelating en uitzetting.

 

@: Ulder, Christiaan Alardus
(Curaçao 9 januari 1843 - 21 augustus 1895) musicus, was kapelmeester bij de schutterij en van de militaire kapel, dirigent van het eerste symfonieorkest van Curaçao (Harmonie), fluitist, organist en componist. Ulder heeft behalve walsen, tumba’s, enz. ook semi-klassieke muziek gecomponeerd, waaronder een mis met orgelbegeleiding.

 

@: Ultimo Notisia
zie @: Pers.

 

@: Unesco
zie @: United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization.

 

@: Union
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Union di Muhé Antiano (U.M.A.)
in 1975 opgerichte vereniging met het doel de vrouwenemancipatie te bevorderen, vrouwen te stimuleren actief deel te nemen aan de strijd om te komen tot een gemeenschap vrij van discriminatie, uitbuiting en onderdrukking en samenwerking aan te wakkeren tussen alle vrouwengroeperingen (zie ook @: Vrouwenbeweging).

 

@: Union, La
zie @: Pers,

 

@: Union Nacional Arubano (U.N.A.)
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Union Patriotico Boneriano / @: U.P.B.  / @ UPB
voorheen genaamd Partido Progresista Boneriano Uni (P.P.B.U.), staatkundige partij op Bonaire, opgericht 1954. Doel: behartiging van de belangen van het Eilandgebied Bonaire in het bijzonder en die van de Nederlandse Antillen in het algemeen. Enkele programmapunten:
• handhaving van de banden binnen het Koninkrijk en nauwgezette uitvoering van het *Statuut;
• wijziging van de Eilandenregeling;
• verbeterd overleg tussen de Eilandgebieden en verbeterd contact met de omliggende landen;
• streven naar een overeenkomst in het Caribisch gebied zoals de E.E.G. in Europa;
• verlaging van de leeftijd met betrekking tot buitengewoon ouderdomspensioen van 60 op 55 jaar en verlening van ouderdomspensioen vanaf 60 jaar;
• bevordering van industrie en toerisme;
• afschaffing van gebruiksbelasting.

De P.P.B.U. is ontstaan door fusie van de Partido Progresista Boneriano en de Unie Partij. De partij haalde bij de Statenverkiezingen van 1982 een zetel en bij de eilandsraadverkiezingen van 1983 4 zetels.

 

@: Union Reformista Antillano / @: U.R.A.
zie @: Politieke Partijen.

 

@: United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (Unesco)
sinds 1947 een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties. Zij voert o.a. een campagne voor kosteloos en verplicht onderwijs en bestrijdt het analfabetisme. De Nederlandse Antillen, die in 1983 geassocieerd lid zijn geworden, hebben reeds op velerlei gebied steun ondervonden van deze organisatie, niet in de laatste plaats door de stelling ‘it is axiomatic that the best medium for teaching a child is his mother tongue’ (The use of vernacular languages in education, 1953).

 

 

@: Universiteit van de Nederlandse Antillen / @: U.N.A.
De Universiteit van de Nederlandse Antillen werd opgericht bij Landsverordening van 12 januari 1979 (P.B. 1979, nr. 27) aangeduid met Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen. Zij omvat:
a. de Juridische Faculteit;
b. de Faculteit der Geneeskunde;
c. de Faculteit der Sociale en Economische Wetenschappen en
d. de Faculteit der Technische wetenschappen.

De Universiteit telde per 1 december 1983 652 studenten, 259 in de Juridische Faculteit, 210 in de Technische Faculteit en 183 in de Sociaal-Economische Faculteit. In de Faculteit der Geneeskunde zijn nog geen docenten benoemd, noch worden er colleges gegeven. Er waren dan ook geen inschrijvingen in deze faculteit.
De Universiteit van de Nederlandse Antillen is ontstaan uit een samenvoeging van de Hogeschool van de Nederlandse Antillen (opgericht bij Landsverordening van 10 juli 1974, P.B. 1974, nr. 118) en de Antilliaanse Hogere Technische School (opgericht in 1972) die onder het bestuur van de Stichting Antilliaanse Academie voor Wetenschappen viel. De Hogeschool van de Nederlandse Antillen, die weer ontstaan was uit de Rechtshogeschool van de Nederlandse Antillen (opgericht bij Landsverordening van 6 oktober 1970; P.B. 1970, nr. 113) omvatte een Juridische Faculteit en een afdeling bedrijfskunde. In het Papiamentu wordt de U.N.A. aangeduid met Universidad Nashonal di Antiyas.

 

@: Urbina, Rafaël Simón
zie @: Geschiedenis: Curaçao (jongste periode).

 

 

@: Ursula, Zuster María
Wereldlijke naam Catharina van Hooijdonk (Terheyden, Nederland 18 maart 1813 - Curaçao 18 augustus 1882). Eerste moeder-overste van de zusters franciscanessen van Breda op Curaçao.
Wrk.: Dagboek, ms. Archief St. Elisabeth Gasthuis.

 @: Usselinx (of Usselincx), Willem

stichter van de West Indische Compagnie

Een kort overzicht van hetgeen behandeld wordt:
1. Inleidend
2. Kolonisatie en bekering
3. Een nieuw concept voor de oprichting van een W.I.C.
4. Geen bewindhebber


Willem Usselinx stichter WIC: 1. Inleidend
(Antwerpen juni 1567 - 1647?) stichter van de West-Indische Compagnie, was als gevolg van zijn protestantse godsdienst al jong een refugie. Al vroeg bekwaamde hij zich in de handel en bracht daartoe geruime tijd door in Spanje en Portugal, terwijl hij eveneens de Azoren bezocht. Hij was daardoor ooggetuige van de aankomst van de Spaanse zilvervloten en zag eveneens de rijkbeladen schepen uit Brazilië de ankers laten vallen in Lissabon en op de Azoren. In Spanje, Portugal of op de Azoren moet hij goede zaken hebben gedaan, want bij zijn terugkeer, nu naar Noord Nederland, in 1591, was hij een bemiddeld man. Hij vestigde zich aanvankelijk in Amsterdam en kreeg daar spoedig een naam als een geleerd en intelligent man, die zich bewoog in goede kringen en lieden kende als Petrus Plancius en François Francken. Ongetwijfeld besprak hij met deze mannen wat hem spoedig na aan het hart kwam te liggen: de oprichting van een West-Indische Compagnie.

Willem Usselinx stichter WIC: 2. Kolonisatie en bekering
In 1600, toen de eerste ondernemingen van de Nederlanders naar de Oost op een scherpe concurrentie tussen de vele Compagnieën van Verre waren uitgelopen en Johan van Oldenbarnevelt noodgedwongen plannen begon te smeden deze te verenigen in een algemene compagnie, begon Usselinx op schrift te stellen wat hij reeds zo vaak besproken had. Van het begin af kan men zijn plannen onderscheiden in twee punten: kolonisatie en bekering. De meest geschikte streek om met de kolonisatie in het westen te beginnen leek Usselinx de zogenaamde *Wilde Kust toe. Immers, de Spaanse koning had daar geen verdedigingswerken. Zeeuwse kolonisten hadden in deze streken en in de delta van de Amazône reeds enige versterkte handelsposten gebouwd. Om deze doeleinden te verwezenlijken achtte Usselinx een compagnie noodzakelijk, daar alleen een machtige organisatie, gesteund door de regering, met hoop op succes vestigingen zou kunnen financiëren en tegen Spaanse aanvallen verdedigen. In overeenstemming met zijn twee punten was natuurlijk het agressieve karakter van de te vestigen nederzettingen. Zij moesten de aartsvijand alle mogelijke afbreuk doen terwijl daarnaast de Nederlandse kolonist de taak werd opgelegd om de Indiaan te bekeren tot de ‘ware religie’, het calvinisme. Deze plannen legden er de nadruk op, dat niet zilver of goud maar landbouw en veeteelt de ware rijkdom van het Amerikaanse continent uitmaakten. In verscheidene pamfletten legde Usselinx zijn plannen nader uit. Hij had echter het getij tegen. De algemene wens naar vrede of een bestand stond natuurlijk de uitvoering van een organisatie als hij op het oog had in de weg terwijl de vredespartij met de dag steeds sterker werd. Als gevolg van deze ontwikkeling werden Usselinx en Van Oldenbarnevelt bittere vijanden. Usselinx’ ‘Vertoogh’, één der meest opmerkenswaardige produkten in dit genre, sorteerde weinig effect. In 1609 werd een bestand voor twaalf jaar tussen de Verenigde Provinciën en Spanje gesloten en Usselinx’ project was voorlopig van de baan.

Willem Usselinx stichter WIC: 3. Een nieuw concept voor de oprichting van een W.I.C.
Usselinx was er echter de man niet naar om gemakkelijk op te geven. Hij ging voort met zijn propaganda en beweerde zelfs dat het Bestand de stichting van een Compagnie, zoals hij zich die voorstelde, toeliet. Inderdaad, zoals Laspeyres terecht opmerkt, was zijn bedrijvigheid buitengewoon en spoedig werd hij ‘der thätigste Vertreter van de kriegerischen Compagniespartei’, daar hij alleen van een nederlaag der vredespartij heil voor zijn plannen verwachtte. Deze nederlaag liet lang op zich wachten maar kwam ten slotte in 1617 met Maurits’ reactie op de Scherpe Resolutie en de gevangenneming van de Landsadvocaat en zijn sterkste volgelingen. Nog voor Van Oldenbarnevelts val had Usselinx zijn concept voor een Compagnie gereed en richtte hij zich met een rekest tot de Staten-Generaal. Tegelijkertijd had hij reeds de weg gewezen tot het verkrijgen van de 10 miljoen gulden die hij als stichtingskapitaal noodzakelijk achtte om met succes te kunnen opereren. De Provinciale Staten van Holland en West-Friesland besloten de kwestie van de oprichting van een West-Indische Compagnie opnieuw te bestuderen. Usselinx, wiens karakter het maken van vele vrienden in de weg stond, verkreeg de steun van Jan Huygen van Linschoten en François Francken, pensionaris van Gouda en lid van de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland. De Staten-Generaal waren nu ook geïnteresseerd en kwamen spoedig met een eigen concept. Omdat dit helemaal niet naar de smaak van Usselinx was, zond hij zijn eigen ontwerp ook in. Geen van beide concepten kon de toets van een onderzoek doorstaan en een nieuw ontwerp was het resultaat. Dit vormde gedurende het jaar 1620 onderwerp van studie en discussie. Na enkele amendementen en correcties werd het ten slotte geaccepteerd. De officiële stichtingsdatum zou worden 3 juni 1621. Voor Willem Usselinx was dit concept echter een bittere teleurstelling. Zijn oorspronkelijke idee van een koloniserende onderneming met zending onder de inboorlingen van het Amerikaanse continent was nu geheel gewijzigd en in plaats daarvan was een handelsonderneming ontstaan waarin piraterij een belangrijk deel van de te verwachten winsten zou moeten leveren. Het is natuurlijk waar dat hij de winsten die de handel met Amerika zou opleveren, schromelijk, doch onwetend, had overschat. In sommige van zijn geschriften had hij erop gewezen, dat de Indianen in enkele streken van Amerika reeds een cultuurhoogte hadden bereikt die hen klanten zou maken van de Nederlandse textielindustrie. Dit was een vergissing. Dat hij echter kolonisatie zag als een uitnemend middel om de handel en industrie van het moederland te stimuleren en daardoor de wederzijdse welvaart te verhogen was een stelling waarvoor de tijd nog niet rijp was.

Willem Usselinx stichter WIC: 4. Geen bewindhebber
Er was nog een bittere pil die Usselinx moest slikken. Hij werd geen bewindhebber, ondanks zijn jarenlang ijveren voor de stichting van de Compagnie. Jameson wees er reeds lang geleden op, dat de eerste bewindhebbers op vrij onregelmatige wijze op hun stoel kwamen en zij weigerden een man als Usselinx, die zij kenden als ‘a strong man’, in hun midden op te nemen. Pogingen werden in het werk gesteld om toch zijn ervaring en kennis voor de Compagnie te reserveren. Hem werd 4.000 gulden geboden indien hij een adviserende positie wilde aanvaarden. Hij weigerde verontwaardigd en de recommendaties door Prins Maurits te zijnen behoeve geschreven, werden ter zijde gelegd. De Spaanse koning bood hem een positie aan, maar hij weigerde weer ofschoon zijn crediteuren achter hem aan zaten en zijn leven miserabel maakten. Hij verliet de Republiek, 56 jaar oud en trachtte in Zweden te verwezenlijken, wat hem in de Verenigde Nederlanden niet gelukt was. Ook daar faalde hij en er is enige grond in de opmerking van Busken Huet, dat zijn leven een reeks van mislukkingen was. Hij had inderdaad de gave om zijn projecten te presenteren op het verkeerde ogenblik en om vijanden te maken van mannen die hem toch aanvankelijk met welwillendheid benaderden. Hij zelf schreef zijn mislukkingen toe aan de obstructies van zijn vele vijanden en ofschoon hij tot op hoge leeftijd - hij stierf waarschijnlijk meer dan 80 jaar oud - rekest op rekest schreef om propaganda te maken voor zijn ideeën, was succes niet zijn deel en kon hij terecht getuigen: ‘Ick ben op sulek een wijs behandelt als ick niet geloof dat in de geschiedenis een exempel ghevonden kan worden’.


Willem Usselinx stichter WIC: Literatuur:

  • J.F. Jameson, The life of Willem Usselincx, founder of the Dutch and Danish West India Companies. Papers of the American Historical Association, III, blz. 149-382 (1887);
  • C. Ligtenberg, Willem Usselinx (1914).

 


De letter V

v is de 22ste letter van het Nederlandse alphabet. Het is de klank die men krijgt als men de onderlip plaatst tegen de onderkant van de boventandenrij en geluid produceert. Samen met de letter u en waarschijnlijk ook de w ontstaat de v voorzover  bekend uit de zesde letter van het Semitische alphabet, die een klank inhield die ongeveer als wāu of vāu moet zijn uitgesproken. Hierdoor komt het, dat de drie letters u en v met name, maar ook de w in het oude Grieks, het Latijns (de Romeinen kenden de letter w niet) en ook in de Middeleeuwen geregeld door elkaar werden gebruikt. Uiteindelijk zag men het nut van een separate klinker (u) en medeklinker (v) in en werden de letters steeds meer in hun moderne definities geplaatst, alhoewel er nog steeds allerlei onzuivere vormen voorkomen op grond van historische / etymologische elementen. In de Engelse taal (Oud Engels) treffen wij ook het variant aan, waarbij een v tussen twee klinkers vervangen werd door een f, maar dit soort grondslagen voor verwarring zijn in het moderne Engels afgeschaft en schrijft men dus tegenwoordig gewoon een v in een woord als seven (oud Engels: seofan). In het Nederlands geniet de v doorgaans een krachtige, duidelijke uitspraak, het maakt niet uit of zij aan het begin of ergens midden in een woord wordt geschreven. Het Papiamentu daarentegen worstelt vooralsnog met de krachtige v ten opzichte van de v met een zachte b-klank met name van woorden van Spaanse oorsprong die deze kenmerk in zich dragen. Daarom schrijven velen de naam van het land als Beneswela in de plaats van de Venezuela die anderen velen prefereren. Maar baka (koe; Spaans: vaca) is na jaren als zodanig te zijn gebruikt helemaal ingeburgerd, evenals bula (vliegen; Spaans: volar).
De V is een letter die toch op relatief grote schaal wordt gehanteerd. Het is de eerste letter in de naam van ons belangrijkste buurland: Venezuela. Idem voor de naam van de stadsstaat die als hoofdzetel fungeert voor wellicht de grootste godsdienst op onze wereld: Katholicisme en het Vaticaan. En hoe onstaat een ziekte? Toch wel als we met een virus worden besmet, tenzij wij natuurlijk anti-stoffen in het lichaam opslaan door middle van vitamines.

 

 

@: Vakantieregeling
De Vakantieregeling 1949 (P.B. 1949 nr. 17) kent aan iedere werknemer het recht toe op vakantie met behoud van loon na een diensttijd van een vol jaar. De wettelijk verplichte vakantie was oorspronkelijk gesteld op één week en werd in 1952 verlengd tot twaalf werkdagen. In 1981 wijzigde de wetgever de vakantieregeling in deze zin dat iedere werknemer voor ieder jaar dat hij onafgebroken in dienst is geweest van eenzelfde werkgever aanspraak kan maken op een aantal vakantiedagen dat gelijk staat aan tenminste driemaal het bedongen aantal werkdagen per week. In afwijking van het bovenstaande werd voor werknemers met een zesdaagse werkweek bepaald dat deze aanspraak konden maken op vakantie van tenminste vijftien werkdagen. De vakantie kan worden opgespaard tot een maximum aantal werkdagen dat gelijk is aan zesmaal het bedongen aantal werkdagen per week. In de praktijk komt dit voor de meerderheid van werknemers neer op 30 werkdagen. Niet genoten vakantie moet bij ontslag in geld worden vergoed. Bij bepaling van niet genoten vakantie wordt een evenredig aantal vakantiedagen berekend over het lopende dienstjaar. Onwettig verzuim kan met de vakantie verrekend worden. Bij beide berekeningen geldt dat een gedeelte van een dag beschouwd wordt als een hele dag.
Bij Landsverordening van 24 april 1969 (P.B. nr. 44) werden de aanspraken op vakantie, vakantie-uitkering en vrijstelling van dienst geregeld van Lands- en eilandsambtenaren. Deze regeling werd in 1976 (P.B. nr. 150) en in 1977 (P.B. nr. 39) gewijzigd. Het aantal vakantiedagen waarop de ambtenaar per kalenderjaar aanspraak heeft, is afhankelijk van de bezoldiging die hij geniet (19-30 werkdagen per jaar). Ingevolge art. 21 van bovengenoemde regeling heeft de ambtenaar ook aanspraak op een vakantieuitkering voor elke kalendermaand waarin hij als zodanig ten laste van de overheid inkomen heeft genoten.

 

@: Vakverenigingen

Overzicht van hetgeen behandeld wordt:

1. Inleidend

2. Vakvereninigingen Aruba

3. Vakverenigingen Bonaire

4. Vakvereninigingen Curacao

5. Vakverenigingen Bovenwindse Eilanden

Inleidend:
Reeds in de periode 1920-1940 werden pogingen gedaan om werknemers in RK-organisaties te verenigen, evenwel zonder blijvend succes. Eerst na de Tweede Wereldoorlog kwamen moderne vakverenigingen tot stand. Nederlandse adviseurs hebben er mede toe bijgedragen, dat de diversiteit in het Nederlandse vakbondswezen (N.V.V.; N.K.V.; C.N.V.) ook in de Nederlandse Antillen is overgenomen. Aan het eind van de 1960er jaren traden op Curaçao naast elkaar op het Algemeen Verbond van Vakverenigingen Curaçao (A.V.V.C.) en het Curaçaos Christelijk Vakverbond (C.C.V.). Pogingen om te komen tot een federatie van alle vakbonden van de Nederlandse Antillen zijn mislukt. In 1982 is opgericht de Kamer van Vakbonden (Kamara Sindikal) waarbij echter het merendeel van de vakbonden, die ondertussen zowel op regionaal als op internationaal niveau contacten hadden gelegd, zich niet aansloot.

 

@: Vakverenigingen Aruba
Regionaal verbonden aan de Organizacion Interamericana de Trabajadores (Orit) en internationaal aan het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (L.V.V.V.), ook wel genoemd International Confederation of Free Trade Unions (L.C.F.T.U.) zijn de General Workers Union (G.W.U.) met 300 leden en de Independent Oil Workers Union of Aruba (I.O.W.U.A.) met 900 leden. Regionaal aangesloten bij de Central Latinoamericano de Trabajadores (C.L.A.T.) en internationaal bij het Wereldverbond van de Arbeid (W.V.A.) zijn de volgende vakbonden:

  • Arubaanse Bond van Werknemers in Verplegende Instellingen (A.B.V.)met 590 leden;
  • Federacion di Trahadornan di Aru¬ba (F.T.A.) met 4.300 leden;
  • Gouvernements Arbeiders Bond Aruba (G.A.B.A.) met 990 leden;
  • Nederlands-Antilliaanse Politie Bond Aruba (N.A.P.B.) met 142 leden;
  • Sindicato di Empleadonan Publico di Aruba (S.E.P.A.) met 1.100 leden;
  • Sindikato di Maestro di Aruba (Si¬mar) met 500 leden;
  • Union di Electricistanan Arubano (U.E.A.) met 125 leden;
  • Union Portuario Aruba (U.P.A.) met 192 leden;

Niet verbonden, zogenaamde onafhankelijke bonden zijn:

  • Aruba Autobus Unie (A.A.U.) met 16 leden;
  • Vereniging Aruba Trading Compa¬ny Workers Union (A.T.C. Union) met 125 leden;
  • Aruba  Transfer Tour Taxi (A.T.T.T.) met 121 leden;
  • Hotel & Restaurant Werknemers Vereniging (H.R.W.) met 275 leden;
  • Vereniging van Werktuigkundigen Aruba (V.W.A.) met 33 leden.

 

3. Vakverenigingen Bonaire
Bij de C.L.A.T. en bij de W.V.A. zijn aangesloten Federashon di Trahadonan di Bonaire (Fedebon) met 400 leden en Sindikato di Trahadonan di Gobierno di Bonaire (S.T.G.B.) met 165 leden; bij de Orit en het I.V.V.V. de Algemene Federatie van Bonairiaanse Werknemers (A.F.B.W.) met 500 leden en de Taxi Bond Bonaire (T.B.) met 17 leden; onafhankelijke bonden zijn Sindikato di Maestronan di Bonaire (Simabo) met 45 leden en Bonaire Petroleum Workers Union (B.P.W.U.) met 108 leden.

 

@: Vakverenigingen Curaçao
De volgende vakbonden zijn verenigd in de Central General di Trahadornan di Corsow (C.G.T.C.), die regionaal aangesloten is bij de C.L.A.T. en internationaal bij het W.V.A.:

  • Algemene Curaçaosche Taxichauffeurs en overig personeel Vervoersbond (A.C.T.B.) met 149 leden;
  • Bònd di Empleadonan Bancario y Aseguro (B.E.B.A.) met 200 leden;
  • Bònd di Empleadonan di Casino (B.E.C.);
  • Bond van Haven- en Loodsboot Personeel (B.H.L.P.) met 140 leden;
  • Bònd di Empleadonan den Comercio i Industría (Boneco) met 700 leden;
  • Bònd di Trahadonan di Gobierno (B.T.G.) met 1.300 leden;
  • Christelijke Bond van Havenarbeiders en Overig Vervoers Personeel (C.B.H. / O.V.P.) met 85 leden;
  • Bònd di Trahadónan di Hotèl Restaurant i Café (Horecaf) met 1000 leden;
  • • Sindikato di Trahadónan di Seguro (S.T.S.) met 80 leden.

De volgende vakbonden zijn verenigd in de Sentral di Sindikatonan di Kòrsou (S.S.K. voorheen A.V.V.C.), die regionaal aangesloten is bij de Orit en internationaal bij het I.V.V.V.  / I.C.F.T.U.:

  • Auto Rijschool Instructeurs Curaçao (A.R.I.C.) met 17 leden;
  • Bond Officieren Sleepboot Smit International (B.O.S.S.) met 19 leden;
  • Christelijke Bond van Werknemers in Verplegende Instellingen (C.B.V.) met 1.100 leden;
  • Curaçaosche Algemene Dok en Metaalbewerkers Unie (C.A.D.M.U.) met 1.125 leden;
  • Curaçaosche Federatie van Werknemers (C.F.W.) met 3.500 leden;
  • Curaçaosche Loodsen Vereniging (C.L.V.) met 18 leden;
  • Nederlands Antilliaanse Bond voor Luchtvaartpersoneel (N.A.B.L.P.) met 925 leden;
  • Petroleum Werkers Federatie van Curaçao (P.W.F.C.) met 1.700 leden;
  • Unie van Werknemers in Water-, Gas-en Electriciteitsbedrijf (U.W.G.E.) met 325 leden.

Niet verbonden, zogenaamde onafhankelijke bonden zijn:

  • Algemene Bond van Overheidspersoneel (A.B.V.O.) met 3.500 leden;
  • Algemene Centrale Autobus Curaçao (A.C.A.C.U.) met 150 leden;
  • Algemene Haven Unie (A.H.U.) met 250 leden;
  • Asosiashon di Shell Employénan na Kòrsou (A.S.E.K.) met 580 leden;
  • Asosiashon di Maéstronan Kristian (A.M.K.) met 185 leden;
  • Bònd di Trahadónan di Spritzer & Fuhrmann (B.T.S.F.) met 110 leden;
  • Bond voor Vliegend Cabine Personeel (B.C.P.) met 100 leden;
  • Curaçaosche Bond voor Personeel in Handelsbedrijven (Cuboha) met 82 leden;
  • Nederlands-Antilliaanse Politie Bond (N.A.P.B.) met 450 leden;
  • Sindikato di Trahadó den Enseñansa na Kòrsou (S.I.T.E.K.) met 1.234 leden;
  • Sindikato di Trahadónan di Kòrsou (S.T.K.) met 200 leden;
  • Union General di Taksista Còrsow (U.G.T.C.) met 130 leden;
  • Vereniging voor Administratief Scheepvaart Personeel (V.A.S.P.);
  • Vereniging A.L.M. Staf Functionarissen (V.A.L.M.S.) met 50 leden;
  • Vereniging voor Hogere Overheidsfunctionarissen (V.H.O.) met 190 leden;
  • Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (V.N.V.).

 

5. Vakverenigingen Bovenwindse Eilanden
Bij de Orit en de I.C.F.T.U. zijn aangesloten United Federation of the Windward Antilles (U.F.A.) met 800 leden en de Windward Islands Civil Servants Union (W.I.C.S.U.) met 680 leden; bij de C.L.A.T. en het W.V.A. is aangesloten de Windward Islands Federation of Labour (W.I.F.O.L.) met 2.000 leden terwijl de United Taxi Cab Drivers Union met 90 leden een niet verbonden vakbond is.

Aan de kaderopleiding wordt de laatste jaren grote aandacht besteed. Naast contacten met het F.N.V. en het C.N.V. in Nederland mogen niet onvermeld blijven Instituto de Formación Social del Caribe (Inforscar), de Stichting Centro Edukativo i Formashon Antíano (S.C.E.F.A.) en het Instituto pa Formashon Sindical Cristian (Inforsic).

 

@: Varens
of ferns zijn planten met blad, stengel en wortel, die nooit bloemen dragen maar zich voortplanten door sporen die veelal aan onderzijde van blad in bruinachtige spore-hoopjes gevormd worden; sporen kiemen en leveren een nietgroen, onderaards plantje dat mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen produceert; bevruchte eicel groeit uit tot nieuwe varenplant; 9-tal op Benedenwindse Eilanden, o.a. lisinbein en watervarentje, met 4 blaadjes aan top van de stengel; vele soorten op Bovenwindse Eilanden.

 

@: Varkensvis
zie @: Pishiporko.


 
@: Veeartsenij
zie Diergeneeskunde.

 

@: Veen Zeppenfeldt, Mgr. Antonius van der
Kloosternaam van Jacob Lewis Thielen van der Veen Zeppenfeldt (Aruba 11 oktober 1891 - Curaçao 4 juli 1957). Was van 26 november 1948 tot zijn dood apostolisch vicaris van de Nederlandse Antillen, titulair bisschop van Acholla. Heeft in 1928 een in het Nederlands gestelde grammatica van het Papiamentu uitgegeven (zie ook Bisdom Willmstad).

 

@: Veen Zeppenfeldt, Ernest Quant van der
(Aruba 7 augustus 1893 - Curaçao 24 november 1922) semi-arts. Studeerde te Amsterdam. Schrijver eerste medisch-historisch werkje over Curaçao.
Wrk.: Geneeskunde en ziekenverpleging in Nederlandsch West-Indië, uitgave van de RK-Studenten Missieactie te Amsterdam (ca. 1920).

 

@: Veerboot
zie @: Ferry.

 

@: Veeteelt

Inhoud:

1. Geiten- en schapenteelt

2. Varkensteelt

3. Rundveeteelt

4. Pluimveeteelt


Veeteelt in de Nederlandse Antillen is op enkele uitzonderingen na een zeer extensief bedrijf, hoewel door de eeuwen heen van meer belang voor de economie dan landbouw of tuinbouw. De extensieve geitenteelt werd al door de Spanjaarden in 1534 beoefend.

 

Veeteelt: 1. Geiten- en schapenteelt
Ieder die zich verdiept in mogelijkheden en moeilijkheden van de landbouw in de Nederlandse Antillen stuit op het probleem van de loslopende geiten. De geit (kabritu) wordt op enkele grotere plantages binnen omheinde ruimten of afgerasterde veeweiden gehouden, maar de kleine veeteler stuurt zijn geiten de mondi (= bos) in, waar ze maar aan hun voedsel moeten zien te komen. Een vaste kerngroep geiten komt in de droge tijd dagelijks naar de koraal (een omheind stuk erf) om water te drinken. Deze voedselzoekende geiten, die tot in de woonwijken komen, vernielen een deel van de vegetatie en zijn daardoor indirect een oorzaak van bodemerosie. Het aantal geiten werd in 1983 conservatief geraamd op: Curaçao 50.000, Aruba 2.000, Bonaire 8.000. In 1982 werd op Curaçao 346.000 kg geitevlees en 43.000 kg schapevlees ingevoerd, omdat de bevolking voor dit vlees een bijzondere voorkeur heeft. Een intensivering van de geitenteelt is afhankelijk van de produktie van geschikte veevoedergewassen en van rasverbetering door de import van rasgeiten. De schapenteelt is thans iets intensiever dan de geitenteelt, omdat de schapen niet van het eten van bomen of heester kunnen leven, zodat ze in de droge tijd enige verzorging nodig hebben.
Rasverbetering bij de geiten en schapen heeft zich evenals bij de varkens tot dusver beperkt tot de verhoging van het slachtgewicht. Het Anglo-Nubian geiteras is ingevoerd ter verbetering van het inheemse geitetype. De Anglo-Nubians zijn herkenbaar aan hun hangoren (oréa largu). Dit vlees-melkras (dual-purpose), dat.oorspronkelijk uit de warme streken van Noord-Afrika komt, is zeer geschikt voor het warme, droge klimaat van de Nederlandse Antillen. Bij kruising met inheemse geiten kan men soms al bij de eerste generatie een verdubbeling van het slachtgewicht waarnemen. Deze kruisingsprodukten hebben ook de typische hangoren van de AngloNubian, zodat men, ook bij dieren die in de mondi lopen, direct kan zien of de kruisingspoging gelukt is. De Dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij (L.V.V.) importeert Anglo-Nubian rasgeiten, waarvan de afstammelingen tegen een geringe vergoeding ter beschikking van de veetelers worden gesteld. In 1975 werd het black belly schaperas uit Barbados geïmporteerd. Dit type schaap geeft naast verdubbeling van het slachtgewicht 2 tot 6 jongen per worp en is ook geschikt voor melkproduktie. Het vlees is qua kwaliteit te vergelijken met geitevlees. Het black belly-schaap verdringt thans de Persian blackhead en het Arabisch schaap. Op Aruba, Bonaire en Curaçao zijn op deze wijze zeer goede resultaten met rasverbetering bereikt.

 

Veeteelt: 2. Varkensteelt
De varkensteelt is sterk vooruitgegaan door de introductie van nieuwe rassen (veredeld Nederlands landvarken, Groot Yorkshire, Duroc) en nieuwe teelttechnieken. Dit voornamelijk op Aruba en Curaçao. Het Eilandgebied Curaçao heeft de Stichting Veeteelt Curaçao (Stivecu) in het leven geroepen die tot doel heeft de varkensteelt te stimuleren. Men is thans bezig met het opzetten van drie fok- en vijf mestbedrijven. Het project wordt gefinancierd uit het M.J.P. (Meerjarenplan) en zal in 1984 gereed zijn. Het ligt in de bedoeling dat met dit project in 15% van de import van Curaçao voorzien zal worden. In 1982 werd op Curaçao 2,2 miljoen kilo varkensvlees ingevoerd.

 

Veeteelt: 3. Rundveeteelt
Intensieve rundveeteelt vindt men op het ogenblik alleen op Curaçao; op de Bovenwindse eilanden wordt nog op extensieve wijze rundvee gehouden. Door de hoge voederprijzen en de concurrentie van de poedermelk is het aantal koeien op Curaçao afgenomen van 5.600 stuks in 1956 tot 220 stuks in 1983. Friese zwartbonte koeien worden door enkele lokale boeren op stal gehouden als melkkoeien. Bij gebruik van geïmporteerd krachtvoer en hooi, gecombineerd met zelfverbouwde *sorghum, is een melkproduktie van 20-30 liter per dag haalbaar. Slachtvee wordt op de Benedenwindse Eilanden bijna niet gehouden. In 1982 werd op Curaçao 3,2 miljoen kilo aan rund- en kalfsvlees ingevoerd. Op de Bovenwindse Eilanden ligt het accent meer op slachtvee van creools ras voor de lokale consumptie.

Veeteelt: 4. Pluimveeteelt
De pluimveeteelt beperkt zich tot het fokken van slacht- en legkippen. Er zijn enige pluimveebedrijven die op fulltime basis worden geëxploiteerd; de laatste jaren wordt ook de eierproduktie in meer rationele banen geleid. Thans voorzien Aruba en Curaçao geheel in de eigen produktie van eieren. De lokale produktie van slachtkippen wordt geschat op ongeveer 10% van de consumptie. Het probleem doet zich voor dat de vraag zich voornamelijk richt naar kippepoten en -borsten. De incourante delen kunnen lokaal niet verwerkt en afgezet worden. Elders worden deze verwerkt in andere produkten.

 

@: Veeziekten
zie @: Diergeneeskunde.

 

@: Venevision
Televisiestation in Venezuela dat via een relaisstation in de nabijheid van Coro op Curaçao, Aruba en Bonaire wordt ontvangen.

 

@: Venezolanen
Op de Benedenwindse Eilanden treft men een kleine kolonie Venezolanen aan. Bij de volkstelling in 1981 bleek 0,34% van de bevolking van Curaçao uit Venezolanen te bestaan (508 personen) en 0,74% van de bevolking van Aruba (448 personen). Dit was een halvering in vergelijking met 1960, dus een drastische achteruitgang in 20 jaar tijd. Op Curaçao is een consul-generaal van Venezuela en op Aruba en Bonaire een consul. Door de frequente huwelijken tussen Antillianen en Venezolanen is er verder een groot aantal Antillianen, dat behalve een Nederlands, ook een Venezolaans paspoort bezit (zie Bevolking).

 

@: Verdelingsverdrag van Sint Maarten
Verdrag, afgesloten op 23 maart 1648 op de berg bijgenaamd Concordia (au mont surnomme des Accords), tussen Robert de Lonvilliers, Gouverneur van het eiland Saint Martin, namens de Koning van Frankrijk, en Martin Thomas, Commandeur van het eiland Sint Maarten, namens de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Bij dit verdrag werd overeengekomen dat het noordelijk deel van het eiland aan Frankrijk zou toebehoren en het zuidelijk deel aan de Nederlandse Republiek. Verder regelde het verdrag onder meer het gezamenlijk gebruik van de zoutpannen, baaien en havens, het bewaren van onzijdigheid in geval van oorlog tussen de moederlanden, het verlenen van wederzijdse bijstand indien een vijandelijke mogendheid één van beide gedeelten zou aanvallen en de uitlevering over en weer bij gepleegde misdrijven.
De originele exemplaren van het verdrag zijn niet meer aanwezig in de Franse, Antilliaanse of Nederlandse archieven. Wel bestaan er nog 18de-eeuwse afschriften, terwijl de tekst van het verdrag in 1667 is gepubliceerd in het standaardwerk van J.B. du Tertre:, Histoire générale des Antilles habitees par les François (deel I, pp. 412-414). Ofschoon men niet heeft kunnen vaststellen of het verdrag van 1648 is bekrachtigd door de principalen van de ondertekenaars, en meerdere bepalingen waarschijnlijk nimmer naar de letter zijn uitgevoerd, kan historisch gezien worden geconcludeerd dat de doelstellingen van het verdrag in de praktijk vrijwel steeds zijn nageleefd. In 1839 is een nieuw verdrag gesloten ter vervanging van de concrete bepalingen van dat van 1648; de basis (le fond) van het oorspronkelijke verdrag wilde men echter uitdrukkelijk in stand laten. Aangezien het verdrag van 1839 voor zover bekend aan Franse zijde niet is bekrachtigd en het dientengevolge niet in werking is getreden, heeft het Verdrag van Concordia in feite tot op heden zijn waarde voor de beide gemeenschappen op Sint Maarten behouden.

Literatuur:

  • West-Indisch Plakaatboek dl. 3 (Nederlandse Antillen, Bovenwinden),
  • Publikaties en andere wetten betrekking hebbende op St. Maarten, St. Eustatius, Saba 1648/1681-1816, uitg. door J.Th. de Smidt en T. van der Lee (1979), pp. VII, 3-6 (alwaar ook bronvermelding).
  • Onderzoek in de Franse, Antilliaanse en Nederlandse archieven door W.W. Timmers (verslag uitgebracht aan Sticusa in 1979).

 

@: Verdragen
zie @: Internationale overeenkomsten.

 

@: Verenigde Naties Organisatie (V.N.O.)
Een internationale organisatie tot handhaving van orde en veiligheid, opgericht te San Francisco op 26 juni 1945 ter vervanging van de Volkenbond. John Horris Sprockel heeft als volwaardige afgevaardigde van de Nederlandse Antillen in de Nederlandse delegatie aan de oprichting deelgenomen. De V.N.O. is een instelling tot vrijwillige samenwerking tussen soevereine staten. De organen bestaan over het algemeen uit vertegenwoordigers van regeringen, die beogen vriendschappelijke betrekkingen tussen de volken tot ontwikkeling te brengen op grond van eerbied voor het beginsel van gelijke rechten en zelfbeschikking van deze volken. Bovendien wordt getracht internationale samenwerking te verwezenlijken bij het oplossen van internationale vraagstukken van economische, sociale, culturele en humanitaire aard. De V.N.O. opereert via de volgende hoofdorganen, die geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten maar slechts instrumenten zijn door middel waarvan de organisatie functioneert:

  • de Algemene Vergadering (in 1983 alle 157 leden);
  • de Veiligheidsraad (15 leden);
  • de Economische en Sociale Raad (Ecosoc) (54 leden);
  • de Trustschapsraad (5 leden);
  • het Internationale Gerechtshof (15 leden);
  • het Secretariaat.

De organisatie zelf bezit wél rechtspersoonlijkheid. Aangezien alleen het Koninkrijk der Nederlanden in zijn geheel volkenrechtssubject is en het lidmaatschap van de V.N. O slechts toegankelijk is voor soevereine staten, kunnen de Antillen alleen maar deelnemen als deel van de Koninkrijksdelegatie, als waarnemer (bijvoorbeeld Organization for American States, O.A.S.) of als geassocieerd lid (bijvoorbeeld, * E.E.G., E.C.L.A., C.D.C.C.,Unesco: United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization - UNESCO).
Lit.: H. Meijers, Volkenrechtelijke aspecten van Antilliaanse onafhankelijkheid (1980); Ministerie van Buitenlandse Zaken, Suriname en de Nederlandse Antillen in de Verenigde Naties (1952 nr. 28, 1954 nr. 36. 1956 nr. 41 met Engelse en Spaanse tekst van Statuut en toelichting).

  

@: Verenigde Nederlands-Portugees-Israëlitische Gemeente Mikvé Israël - Emanu-El
zie @: Joodse Gemeenten.

 

@: Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao (V.P.G.)
De in 1825 ontstane Verenigde Protestantse Gemeente (door vereniging van de Lutherse en Hervormde Gemeente) vloeide in 1959 samen met de Protestantse Gemeente Emmastad. Het aantal leden bedroeg in 1982: 6.000, met 4 predikanten en 4 kerkgebouwen: Fortkerk, Emmakerk (gebouwd in 1940), de Ebenezerchurch (gebouwd in 1943) en de Tamarijn-kerk (1980). De gemeente is in 4 wijken ingedeeld, die alle een uitgebreid jeugdwerk hebben. De gemeente is volledig zelfstandig, maar sinds 1961 in Unie-verband met de Protestantse Gemeenten van Aruba en Bonaire. De voertaal is hoofdzakelijk Nederlands. Daarnaast wordt nu regelmatig ook het Papiamentu gebezigd. Bovendien is er een Engelssprekende afdeling rond de Ebenezerchurch. (Zie ook @: Protestantisme).

 

@: Vereniging Bedrijfsleven Curaçao / @: V.B.C. / @: VBC
zie @: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van.

 

@: Vereniging en vergadering
De uitoefening van het recht van vereniging en vergadering kan krachtens art. 10 Staatsregeling in het belang der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, aan regeling en beperking bij landsverordening onderworpen worden. Het is één van de fundamentele mensenrechten en vrijheden waarvan de zorg tot de taak van de landen hoort, maar waarvan het waarborgen koninkrijksaangelegenheid is. (art. 43 *Statuut). Het oprichten van een vereniging staat vrij: geen voorafgaande goedkeuring is nodig. Verboden is de vereniging, welke in strijd is met de openbare orde. Om als rechtspersoon te kunnen optreden behoeft de vereniging (wettelijke) erkenning. Ook het houden van vergaderingen is in beginsel vrij, ook van openbare. De politie heeft bij deze laatste vrije toegang. Voor openbare vergaderingen in de open lucht is vergunning nodig.

 

@: Vereniging voor Veilig Verkeer


In 1950 werd de Vereniging voor Veilig Verkeer opgericht met als doelstelling het publiek bewust te maken van de noodzaak van een verantwoorde deelname aan het toenemende verkeer teneinde de veiligheid van het verkeer in meest algemene zin te bevorderen. Allereerst legde men zich toe op het organiseren van schoollessen in verkeersveiligheid welke afgesloten werden met een verkeersexamen dat bij goed gevolg bekroond werd met een verkeersdiploma. In 1982 werd voor de 31ste maal op de basisscholen het verkeersexamen afgelegd. In totaal namen op Curaçao 77 scholen deel, wat gelijk stond aan 139 klassen van in totaal 3.327 leerlingen. Hiervan behaalden 2.820 leerlingen (84.76%) het diploma. In totaal werden in de afgelopen 31 jaar 75.943 diploma’s uitgereikt.
De vereniging beheert sinds 1965 het * jeugdverkeerspark waar praktische verkeerslessen gegeven worden aan de deelnemende schoolkinderen. Met financiële en materiële steun van het bedrijfsleven met name Shell Curaçao N.V. en van verschillende particuliere organisaties zoals de Lions en de Federatie Jeugdzorg alsmede van de eilandsoverheid organiseert de vereniging ieder jaar opnieuw cursussen en acties teneinde een veilig verkeer te bevorderen. Begin 1983 hadden 30 scholen op Curaçao een verkeersbrigade met in totaal 200 vaste verkeersbrigadiertjes en 100 hulpbrigadiertjes die de schoolkinderen iedere dag opnieuw begeleiden bij het oversteken op straat. In samenwerking met de verkeerspolitie werd in 1982 wederom een cursus georganiseerd voor hulpchauffeurs waarvoor 89 personen slaagden. De tabel geeft enkele statistische gegevens weer voor wat betreft de verkeerssituatie op Curaçao.

 

@: Verffabriek N.V.
zie @: Antilliaanse Verffabriek N.V.

 

@: Verfhout
zie @: Brasía.

 

@: Verkeer en vervoer
Het verkeer te land wordt - vooral op Aruba en Curaçao - gekenmerkt door het grote aantal personenauto’s. Door het geaccidenteerde terrein, de hoge temperaturen en de noordoost-passaat wordt er betrekkelijk weinig gefietst. Het aantal bromfietsen is gering. Treinen hebben er in de Nederlandse Antillen nooit gereden; trams slechts in het verleden (zie Tram). Naast de autobussen van Autobusbedrijf Curaçao N.V. en Arubus rijden er zgn. ‘busjes’, die bepaalde routes en vaste stopplaatsen hebben en in het algemeen van / naar de Willemstad stadscentra Punda of Otrobanda uitwaaieren. In het verre verleden werden er voor dit systeem van openbaar transport grote Amerikaanse personenauto’s met de nummerplaataanduiding AC (gevolgd door het nummer), gebruikt. Deze voertuigen hadden veelal de mogelijkheid tot het vervoer van vijf a zes passagiers en het waren doorgaans auto's met gasolinemotoren. Sinds het begin van de 1990 jaren zijn minibussen veelal van Japanse makelij en uitgerust met dieselmotoren, populair geworden. Deze bussen, met het veelzeggende nummerplaat BUS, kunnen in vergelijking met de Amerikaanse auto's zelfs tot negen passagiers meenemen.
Het meeste personenvervoer op Curacao geschiedt echter per privevoertuig. De eerste auto, een Ford, werd op Curaçao in 1910 geïmporteerd. In de 1930ger jaren en daarna is het aantal auto’s op het eiland zeer sterk toegenomen, zoals uit onderstaande tabel blijkt. De verharde wegen zijn vrijwel alle van een bitumineus wegdek voorzien. De bewegwijzering werd in 1954 door de A.N.W.B. verzorgd; mede in verband met de toeristische ontwikkeling wordt deze voortdurend verbeterd. Enerzijds door het goede wegennet, anderzijds door een in het algemeen grote hoffelijkheid van de weggebruikers was het aantal verkeersongevallen minder onrustbarend dan in vele andere landen met een vergelijkbare verkeersdichtheid. Dit is met name in de jaren van de 21ste eeuw sterk aan verandering onderhevig. Desalniettemin, wordt aan de opvoeding van de weggebruikers veel aandacht besteed; zo heeft men op Curaçao naast de Vereniging voor Veilig Verkeer een Jeugdverkeerspark, waar schoolkinderen praktisch verkeersonderricht genieten. Aangezien het verkeer te land eilandszaak is, heeft ieder eilandgebied zijn eigen verkeerswetgeving; deze is gebaseerd op het verdrag van Geneve van 19 september 1949 betreffende het wegverkeer. De verkeerstekens wijken niet veel af van die in andere bij het verdrag aangesloten landen. Periodieke keuring van motorrijtuigen is verplicht evenals een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid. De verschuldigde wegenbelasting voor particuliere personenauto’s is afhankelijk van het bouwjaar, van het gebruik ervan (taxi, busje of persoonlijk gebruik) en van de brandstof (benzine, dieselolie of gas). Door het intensieve autoverkeer is filevorming onvermijdelijk en ontstaan er aanzienlijke parkeerproblemen.

 

@: Verkeersbrigade
zie @: Vereniging voor Veilig Verkeer.

 

@: Verkeersdiploma
zie @: Vereniging voor Veilig Verkeer.

 

 

@: Verkeersrecht
is geregeld bij eilandsverordeningen, voor Curaçao in de Wegenverkeersverordening Curaçao (A.B. 1957 nr. 12) en voor Aruba in de Wegenverkeersverordening Aruba (A.B. 1957 nr. 1). Landelijk zijn regelen van burgerrechtelijke aard gesteld bij botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 van de Nederlandse Wegenverkeerswet (zie voor geldende tekst P.B. 1957 nr. 75). In laatstgenoemde verordening zijn tevens regelen gesteld met betrekking tot de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

 

@: Verkenners, Katholieke
zie @: Jeugdbewegingen.

 


@: Verkiesbaarheid
zie @: Kiesrecht.

 

@: Verkiezingen
zie @: Kiesrecht.

 

@: Verkopingsbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Vernietiging van wettelijke regelingen en beslissingen
zie @: Gezaghebber; @: Gouverneur; @: Koning.

 

@: Verordeningen
zie @: Eilandsverordeningen; @: Landsverordeningen.

 

@: Verriet, Petrus Innocentius
(Venray 1 november 1875 - Aruba 10 maart 1948) apostolisch-vicaris (1931-1948), besteedde met behulp van de vroeg gestorven pater Irenaeus de Bruyn - als moderne vormen van apostolaat - grote aandacht aan jeugd- en sportorganisaties (RK-Verkenners, Jonge Wacht, Katholieke Sport Centrale), aan bouw (kerk Jan Dorèt, volkshuisvesting), aan pers (dagbladen La Union en Amigoe di Curaçao) en radio, aan politiek (oprichting van RK-partijen op Curaçao en Aruba) en aan cultuur (kerkgeschiedenis, de verenigingen voor jongeren St. Thomaskring en Veritas). Door zijn innemend gedrag wist hij zich algemeen geliefd te maken. Hij werd ‘patroon’ van het in 1945 opgerichte, naar hem genoemde, instituut voor gebrekkige kinderen: Mgr Verriet Instituut.


 
@: Verriet Instituut, Mgr. P.I.
zie @: Geneeskunde.

 

@: Vertegenwoordiger van Nederland voor Ontwikkelingshulp aan de Nederlandse Antillen (V.N.O.N.A.)
is een in 1971 door de Nederlandse regering op Curaçao gevestigd instituut, dat tot taak heeft de afhandeling te verzorgen van de projecten die uit het Fonds voor sociale en educatieve projecten worden gefinancierd. Sinds 1976 financiert dit fonds ook culturele projecten. Vóór een project kan worden goedgekeurd moet een verklaring van geen bezwaar worden afgegeven door de regering van de Nederlandse Antillen en door het Bestuurscollege van het eilandgebied waar het project gelokaliseerd is. Voor verkrijging van financiering uit dit fonds zijn niet de beheers- en bestuursregels van toepassing die gelden voor financiering uit Meerjarenplan fondsen; andere regels zijn hiervoor neergelegd in de zgn. Instructie Vertegenwoordiger. De omvang van het fonds wordt in eerste instantie vastgesteld door de Tweede Kamer. Ten laste van het fonds worden uitsluitend projecten gefinancierd van niet-commerciële organisaties en van Nederlands-Antilliaanse overheden. Deze laatste projecten verlopen niet via de Vertegenwoordiger maar via de gebruikelijke kanalen: Bestuurscollege - Minister voor Ontwikkelingssamenwerking - Gevolmachtigde Minister - Minister voor Nederlands-Antilliaanse Zaken. Voor financiering uit het fonds wordt een eigen inbreng van de aanvrager vereist, die in de meeste gevallen 25% dient te bedragen: deze inbreng kan bestaan uit contanten, waarden van grond, materiaal of arbeid.

 

@: Vertegenwoordiging van Aruba
Deze dienst van het Eilandgebied Aruba is in april 1982 in ‘s-Gravenhage in het leven geroepen met het oogmerk de belangen van Aruba in de ruimste zin van het woord in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder te behartigen. Naar analogie van het Antillenhuis (zie Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen) wordt deze dienst in de volksmond ook wel Arubahuis genoemd.

 

@: Verwaarlozing
zie @: Eilandgebieden: onbestuurbaarheid.

 

@: Verwantschap
Behalve de familieverhoudingen (zie Familierelaties; Gezin) bestaan er rituele verwantschaps-relaties tussen individuen, tot stand gekomen door het katholieke gebruik van peter (meter)schap bij doopsel, communie, vormsel en huwelijk. Deze verwantschap wordt veelal aangeduid met compadrazgo. Volgens voorschrift van de katholieke kerk moet een nieuw lid bij zijn initiatie in de kerk bijgestaan worden door een peter, een padrino en een meter, een madrina. Door hun petekind (ihá - Spaans ahijado/a) worden zij met deze termen aangesproken of (gemoedelijker) met òm (afkorting van peetoom) en met pepe. De ouders en de peetouders noemen elkaar kompader en komader. Frequent wordt ook gebruikt gemaakt van de Franse terminologie kompèr en komèr, terwijl, vooral in de buitendistricten sprake is van kompa(i) en koma(i). (Op de Bovenwindse Eilanden worden de godfather en godmother parein en nènèn genoemd.) De keuze van de peetouders heeft de kerkelijke beperking dat alleen rooms-katholieken als zodanig mogen optreden omdat zij zich verplichten zorg te dragen voor de religieuze opvoeding en begeleiding van het kind, vooral waar de ouders in gebreke blijven of komen te overlijden. Deze functie wordt meestal ook uitgebreid tot het materiële welzijn van het kind. Bij de keuze van de peetouders lieten de ouders dan ook economische en culturele overwegingen een rol spelen. (Vergelijk María van Lamoen: Rond het kraambed van toen, 1983). Bij het doopsel verzorgde de madrina meestal het doopkleed van haar petekind, droeg bij in de kosten voor het feest in de vorm van gebak en gaf bovendien een cadeau. Zij wordt als de belangrijkste peetouder beschouwd omdat zij bij overlijden van de moeder deze wel eens zou moeten vervangen. De financiële verplichtingen van de padrino waren veel groter: hij moest doopkaartjes laten drukken, hij moest diep in de portemonnee tasten voor kostbare geschenken (gouden ring of ketting aan petekind, gouden tientje of medaille aan de moeder en aan de madrina). De yaya verwachtte van hem een ritselende handdruk en de kerk rekende op een kleine financiële bijdrage. Tenslotte moest hij ook nog zorgen voor drank bij het feest (in extreme gevallen nam hij ook de muzikanten voor zijn rekening). Het is duidelijk, dat de boven omschreven verplichtingen met zich meebrachten dat er een accumulatie van peterschapsfuncties bij bepaalde categorieën van de bevolking ontstond met uitsluiting van andere. Hoewel de kerk de verhoudingen petekind-peetouders als de belangrijkste beschouwt, verwateren deze in de loop der tijd terwijl de kompader-relaties vaak zo hecht worden, dat zij beschouwd worden als een uitbreiding van de genealogische verwantschap. Na 1966 is de peter/meter bij het Heilig Vormsel afgeschaft; bij het kerkelijk huwelijk is het nog mogelijk over een padrino en madrina te beschikken.

Literatuur:

  • N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977);
  • O.A. de Palm, Peterschap en compadrazgo (scriptie 1969).

 

@: Verwijdering
zie @: Toelating en uitzetting.

 

@: Vespucci, Amerigo


(Florence 9 maart 1451 - Sevilla 22 februari 1512) koopman en avonturier. Zoon van notaris Nastagio Vespucci. Een oom, Fra Giorgio Antonio Vespucci trok zich de opvoeding van zijn jonge neef aan en na enig onderricht in filosofie, astronomie en aardrijkskunde kreeg Amerigo een bescheiden betrekking als klerk in het grote handelshuis van de Medici te Florence. Omstreeks 1492 werd hij overgeplaatst naar het Spaanse filiaal te Sevilla en schijnt daar een goede reputatie te hebben opgebouwd. Na de dood van de Florentijnse koopman Juanoto Berardi, die de tweede tocht van Columbus naar de Nieuwe Wereld had helpen uitrusten, werd Vespucci belast met de afwikkeling van dit contract. Nadat in april 1495 de capitulación van Columbus was herroepen en particuliere ondernemingen mogelijk werden, zeilde hij in 1499 als piloto uit met Alonso de Ojeda op diens reis naar het Caribisch gebied waarbij o.a. Curaçao en Aruba werden ontdekt. Vespucci zelf beweert dat dit niet zijn eerste reis naar de Nieuwe Wereld was, maar dat hij 10 mei 1497 reeds aan een reis naar Brazilië had deelgenomen, die hem zelfs langs de oostkust van Zuid-Amerika in de Grote Oceaan zou hebben gebracht. Om onbekende redenen geraakte Vespucci’s schip gedurende de reis met Alonso de Ojeda langs de Venezolaanse kust van diens eskader verwijderd. Of dit vóór of na de ontdekking van de Islas de los Gigantes heeft plaatsgevonden, staat niet vast. Onhoudbaar is echter de stelling dat Vespucci de ontdekker van deze eilanden zou zijn. Zijn beweringen, voor zover bekend uit het beperkt aantal brieven dat van hem bestaat, worden door vele historici als onbetrouwbaar beschouwd. Die brieven zijn:
1. de zgn. Mundus Novus, een Latijnse vertaling van een brief, oorspronkelijk geschreven in maart of April 1503 aan Piero Francesco de Medici, het hoofd van de firma waarvoor Vespucci gewerkt had;
2. een brief geschreven aan zijn vriend Piero Soderini, gonfaloniere te Florence, geschreven omstreeks september 1504; deze brief is eveneens bekend in een Latijnse en Franse vertaling.

De Latijnse versie van deze laatste brief geraakte in handen van Martin Waldseemüller, hoogleraar in de kosmografie aan de universiteit van St. Die in Lotharingen die haar gebruikte voor zijn Cosmographiae Introductio en de naam America suggereerde voor de nieuw ontdekte streken ‘omdat Americus ze ontdekte’. Sinds de: publikatie van Alexander von Humboldts Examen critique de l'histoire de la geographie du nouveau continent, welk werk in 1837 verscheen, wordt aangenomen dat Vespucci’s reis van 1497 niet heeft plaatsgevonden, ofschoon enkele historici als F.A. Varnhagen en R. Levillier het bestaan van deze onderneming verdedigen.


Lit.: De literatuur over Amerigo Vespucci is talrijk en van controversiële aard. Tot de bekendste werken mogen worden gerekend: R. Levillier, America, la bien llamada (z.j.); A. Magnaghi, Amerigo Vespucci (1924); F.J. Pohl, Amerigo Vespucci, Pilot Major (1945); F.A. de Varnnagen, Amerigo Vespucci (1865); H. Vignaud, Americ Vespuce (1917). In de Nederlandse taal is over hem geschreven door C.Ch. Goslinga, Ojeda en Vespucci, aantekeningen bij een onrdekking, in: Voor Rogier (1964); J. Hartog, Aruba (1953); W.R. Menkman. Vespucci en Ojeda in de geschiedenis van Curaçao, West Indische Gids, XVIII (1937).

 

@: Vestiging
De regelen omtrent de vestiging van Nederlanders en vreemdelingen worden bij landsverordening vastgesteld, evenals die voor toelating en uitzetting (art. 5 Staatsregeling). Met vestiging wordt niet bedoeld ‘vestiging metterwoon’, maar beroeps- en bedrijfsuitoefening. Dit onderwerp wordt in tegenstelling met toelating en uitzetting niet als koninkrijksaangelegenheid aangemerkt. Wel is in art. 37 Statuut de beroeps- en bedrijfsuitoefening van Nederlanders opgenomen onder de aangelegenheden, waaromtrent de landen zoveel mogelijk overleg plegen, omdat hun belangen erbij betrokken zijn. De regelen hebben ten doel overbezetting van bedrijven te voorkomen en te waarborgen dat alleen voor hun taak berekende personen een bedrijf vestigen.

 

@: Vestigingsregeling voor bedrijven
Krachtens P.B. 1946 nr. 43 is voor het vestigen, drijven, overnemen en voortzetten, verplaatsen, of van aard wijzigen van een zaak een vergunning nodig. Deze vergunning wordt verleend door het Bestuurscollege van de verschillende eilandgebieden. De vergunning kan worden geweigerd om politionele redenen of omdat naar het oordeel van de instantie die de vergunning verleent het algemeen belang zulks vordert. Onder ‘zaak’ wordt in deze landsverordening verstaan ‘elke onderneming waarin enig bedrijf, door wie ook wordt uitgeoefend’. Tevens wordt echter bepaald dat geen vergunning behoeven zaken:


  • toebehorende aan publiekrechtelijke lichamen;
  • welke uitsluitend worden uitgeoefend in of op openbare markten of als straatventerij op de openbare weg;
  • waarbij het bedrijf van land-, tuinbouw of visserij wordt uitgeoefend;
  • toebehorend aan ambachtslieden.
  • Ook in de Nederlandse Antillen geboren personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, behoeven geen vergunning.

 

@: V.G.K.S.  / @: Vereniging van Geëmployeerden der Koninklijke Shell,

opgericht in 1944 te Emmastad, Curaçao met het doel de culturele, stoffelijke en sociale belangen van haar leden te behartigen. Zij stimuleert en ondersteunt de ontplooiing van plaatselijk talent op cultureel gebied. Steunt naar vermogen het organiseren van culturele evenementen, met name op het gebied van toneel en muziek, maar ook andere vormen van kunstuitingen en activiteiten van educatieve aard. Zij biedt haar leden faciliteiten, onder andere bij het doen van collectieve aankopen en bij het afsluiten van verzekeringen.

 

@: Victoria, Radio
Omroepstation op Aruba (zie @: Radioomroep).

 

@: Vincentiuskring, St,
zie @: Harmoniekorps.

 

@: Vishandel


In vroeger jaren vond de verkoop van vis op Curaçao vrijwel uitsluitend plaats via mercadera’s, visvrouwen die de vis bij de baaien opkochten en in de stad verder verhandelden. Door de betere verbindingen op het eiland en de schaarste aan vis is het nu zo dat de visser op het strand al zijn vangst aan gretige kopers kwijt kan en er dus weinig behoefte aan heeft om via een visvrouw te verkopen. Terwijl de visvrouwen in het eind van de 1950er jaren de markt beheersten en zij konden bepalen welke prijs zij voor de vis wilden geven, is deze situatie in een tiental jaren geheel veranderd. Thans verkopen de visvrouwen hoofdzakelijk vis van de Venezolaanse barkjes, vaak hebben zij moeite om aan voldoende vis te komen voor de verkoop. Op Curaçao is de bovenverdieping van de Centrale Markt voor de verkoop van vis ingericht. Op Aruba geschiedt de verkoop evenals op Curaçao bij de vaartuigen en wordt ook veel direct aan de hotels verkocht. Op Bonaire is er een afslag bij de pier te Kralendijk terwijl de verkoop op de Bovenwinden voornamelijk via tussenhandelaren en aan de diverse hotels plaatsvindt.

 

@: Vissen
zijn, naar hun milieu, te onderscheiden in zoetwatervissen en zeevissen. In de Nederlandse Antillen komen geen echte zoetwatervissen voor: alle vissen in het zoete water kan men ook aantreffen in met zeewater gevulde lagunen: aal, tandkarpers, harders, enz. Onder de zeevis is een deel pelagisch, d.w.z. niet aan de bodem, dus ook niet aan de kust gebonden: vliegende vissen, tonijn, makreelachtigen, balaú, horsmakrelen, dradu, enz. Andere soorten zijn aan de bodem van niet te diep water gebonden; zij zitten dus in het algemeen meer nabij de kust: groupers, lipvissen, papegaaivissen, koraalvissen, brant, enz. Door ontwikketing van de duiktechniek is in de afgelopen jaren veel vordering gemaakt met de kennis van de bodemvissen. Ook de Nederlandse Antillen hebben aan deze kennis bijgedragen, o.a. door het werk op het Carmabi met ladronchi’s, lipvissen, tandkarpers e.d. Wat de nomenclatuur betreft worden in deze encyclopedie de Latijnse namen toegevoegd, zoals deze gebruikt worden in een gemustreerd boek over Caribische vissen van J.E. Randall )Caribbean Reef Fishes), waarin ook materiaal van de Benedenwinden verwerkt is.

Literatuur:

  • F. Cervigon, Los peces marinas de Venezuela, 2 dln (1966);
  • J. Metzelaar, Over tropisch Atlantische visschen (diss. 1919); W. Nagelkerken, Piska di ref di koral (Coral reef fishes), (1980);
  • J.E. Randall, Caribbean Reef Fishes, T.F.H. Publ. (1968);
  • P. v. Venla, Papiamentse visnamen (1954);
  • J.S. Zaneveld, Index to the vernacular names of the fishes of the Neth. Antilles, Carmabi Call. Pap. nr. 16 (1959).

 

@: Vissersvaartuigen
Op de Antillen zijn verschillende modellen vissersvaartuigen te onderscheiden:

De kanoa is vrijwel gelijk aan de zgn. Portugese dory. Het is een betrekkelijk lang en smal model met een hoge voor- en achtersteven met een kleine spiegel. Dit type wordt vooral gebruikt voor het vervoer van reda-netten. De kanoa, die meestal met pagaaien wordt voortbewogen, wordt thans nauwelijks meer gemaakt.

De boto, een algemeen model met afgeplatte achtersteven, ronde bodem en stevige kielbalk is geheel aangepast aan het gebruik van buitenboordmotoren; deze boten zijn meestal 3-5 meter lang en worden aangedreven door motoren van 6 tot ongeveer 25hp. De grootste modellen hebben vaak een kap voor en soms een motor tot 40hp. Op Curaçao heeft zich vanuit dit type een groter model ontwikkeld met binnenboord dieselmotor. Deze schepen hebben meestal een lengte van 7-10 meter en een motorvermogen van 70-120hp. Vooraan bevindt zich een cabine en stuurhuis met zonnekap, het zgn. ‘kabinet’. Deze schepen worden vrijwel uitsluitend gebruikt voor de sleepvisserij en zijn zeer zeewaardig. In het Caribisch gebied is dit type uniek; op Barbados, waar een soortgelijke visserij bestaat, heeft zich ook een dergelijk type schip ontwikkeld maar met een andere rompvorm.

Het is thans gebruikelijk de schepen reeds bij de bouw aan de buitenzijde met fiberglass te bekleden en daarna zowel binnen als buiten met epoxyverf af te werken. Op Bonaire zijn thans enige vissersschepen in gebruik die op Curaçao gebouwd zijn volgens het traditionele model maar met een ander type romp, geheel van fiberglass.

Op Aruba wordt een open type boot gebruikt, vaak met een klein kapje voor en vrijwel steeds met dubbele voortstuwing door 2 buitenboordmotoren. Deze schepen zijn wat breder en hebben een zwaardere achtersteven dan het open boot type op Curaçao.

De bark’i bela, een type houten zeilschip met binnenboordmotor, ziet men nog wel op Bonaire en in de St. Michielsbaai (Curaçao). Deze wordt thans niet meer gemaakt.

 

@: Visserij

Bedrijfstak, die de vangst, verwerking en verhandeling van organismen uit het zoete, brakke en zoute water omvat. Visserij heeft niet alleen betrekking op vis, maar ook op karkó, kreeft en schildpad. Zoetwatervisserij wordt door het ontbreken van natuurlijke zoetwatersystemen noch op de Benedenwindse Eilanden noch op de Bovenwindse Eilanden uitgeoefend. Ook brakke estuariumgebieden ontbreken in de Nederlandse Antillen.

Hoewel in binnenbaaien en lagunes kleine hoeveelheden vis worden gevangen, vindt de Nederlands-Antilliaanse visvangst vrijwel uitsluitend plaats in de directe omgeving van de eilanden. Op de Benedenwindse Eilanden heeft de traditionele visserij zich vrij sterk weten te ontwikkelen. Langs de kust wordt gevist vanuit kleine open boten (de boto), die met een buitenboordmotor aangedreven worden; deze boten zijn meestal ongeveer 3-5 meter lang en worden aangedreven door motoren van 6 tot ongeveer 25hp. Vanuit deze bootjes wordt met handlijnen gevist.

Daar het kustplateau rond de eilanden erg smal is en het diepe water al snel begint, is de zône waar men vist erg smal en dus vrij snel ‘leeggevist’. Alleen bij Aruba is dit kustplateau wat groter. Op Curaçao en Bonaire heeft zich een sleepvisserij ontwikkeld waarbij met grotere schepen, meestal van 7-9 meter lengte, op open zee wordt gevist. Meestal worden deze schepen met een dieselmotor aangedreven. Er worden zo vooral zgn. pelagische vissen gevangen (zie ook Visserijontwikkeling). Met dit soort schepen worden verschillende soorten tonijn (buni of bonito) gevangen, alsook dradu, mulá(to) en grastèlchi di laman. Deze sleepvisserij is veel produktiever dan de echte kustvisserij; de meeste vis (waarschijnlijk rond de 80%) wordt hier op deze wijze gevangen. Er bestaan op de Nederlandse Antillen geen adequate visserijstatistieken. In 1968 werd gedurende 3 maanden een survey gehouden en na extrapolatie van de gegevens, die op deze wijze werden verkregen, werd de produktie dat jaar geschat op 310 ton voor Curaçao, 273 ton voor Aruba en 100 ton voor Bonaire. In 1978 en 1979 werden nieuwe schattingen gemaakt die het volgende resultaat opgeleverd hebben: Curaçao 850 ton, Aruba 770 ton en Bonaire 160 ton, totaal dus ongeveer 1.800 ton. De toename van de produktie over de periode 1968-1978 is waarschijnlijk een reële toename en niet het gevolg van foutieve schattingen. In deze periode heeft ook het aantal schepen zich meer dan verdubbeld.

Op de Bovenwindse Eilanden vormt de Saba-bank het belangrijkste potentieel. De bank heeft een oppervlakte van ongeveer 2.200 km² (0-200m interval). Er wordt voornamelijk vanuit Saba op het noordelijke deel van de bank gevist. In het noordoostelijke deel van de bank bevindt zich de zgn. Copperbank. Dit is een oostwaarts uitstekend gedeelte van de Saba-bank, waar niet gevist wordt omdat de vis daar bij de consument soms ciguatera (visvergiftiging) veroorzaakt. Het centrale gedeelte van de bank bestaat uit onproduktieve zandvlaktes. Rond St. Eustatius komt veel ciguatera-vis voor; de plaatselijke visserij richt zich dan ook voornamelijk op soorten zoals bijvoorbeeld de silk snapper (Lutjanus vivanus) die ciguateravrij zijn. Vanuit St. Eustatius wordt soms, wanneer het zeer kalm weer is, op het zuidoostelijke deel van de Saba-bank gevist.

De bootjes die thans gebruikt worden zijn echter te klein om er regelmatig mee op de bank te kunnen vissen. De totale produktie van Saba en St. Eustatius bedraagt in 1981 waarschijnlijk niet meer dan 60 ton per jaar. Vanuit Puerto Rico, U.S. Virgin Islands, St. Kitts, Anguilla en Venezuela wordt ook op de bank gevist. De totale vangst van deze schepen wordt geschat op minimaal 500 ton per jaar (zie verder Visserijontwikkeling).

 


@: Visserijmethoden
nabij de kust der eilanden worden bepaald door de kuststructuur (o.m. stranden, binnenbaaien), zee- en bodemcondities ter plaatse, vissoort, en type en formaat van de vissersvaartuigen. De volgende methoden worden uitsluitend in ondiep water toegepast:

1. Reda of strandzegen,

een rechthoekig katoenen of nylon net van ca. 50 x 5 m, waarvan de bovenpees voorzien is van drijvers van kurk en de onderpees verzwaard is met loden gewichtjes. De maaswijdte varieert, maar bedraagt meestal ca. 3 cm. De netten worden in stukken van ca. 20m lang verhandeld; vaak worden meer stukken aan elkaar geknoopt. De reda wordt gebruikt voor de vangst van scholen kleine pelagische vis, met name masbangu, moulo, boka largu en saldinchi. De scholen worden vaak met het blote oog vanaf een hoger gelegen uitkijkpost ontdekt, waarna zij met behulp van bootjes door het net worden omsingeld. Bij een vlakke bodem langs zandstranden wordt de reda vaak direct aan beide uiteinden aan de wal getrokken. Bij grote scholen bewaart men de ingesloten vis soms enige dagen in het net om ze in kleinere hoeveelheden vers te kunnen verkopen. De opbrengst wordt door middel van een ingewikkeld aandelensysteem tussen reda-eigenaar(s), booteigenaar(s) en medewerkers verdeeld.

2. Trai of castnet

is een klein nauwmazig cirkelvormig werpnet van ca. 2,5 m doorsnede, aan de omtrek voorzien van loden gewichtjes en in het centrum bevestigd aan een lijn. Dit zelfgeknoopte vistuig wordt in zeer ondiep water langs de kust en vooral in binnenbaaien of lagunes gebruikt voor de vangst van o.m. aldu, karmou, kabekuchi, barbí, anchok(s) en saldinchi. De trai wordt door één man gehanteerd, die het net met een zwaaiende beweging uitwerpt, waarbij de cirkel van loden gewichtjes om de prooi heen zinkt. Soms wordt een bootje gebruikt, meestal gaat de visser te voet.

3. Kanaster of fishpot is een kooivormige fuik, veelal geconstrueerd met een geraamte van betonijzer (soms hout) en rechthoekige wanden van gegalvaniseerd nauwmazig kippegaas. Afmeting ca. 125 x 120 x 55 cm; grond- en bovenvlak hebben een stompe V-vorm. In één der opstaande zijkanten bevindt zich een trechtervormige opening, waardoor de vis gemakkelijk naar binnen, maar moeilijk naar buiten zwemt. Sommige Z-vormige modellen hebben twee van dergelijke openingen. De kanaster wordt voorzien van *aas en uitgezet in water van niet meer dan ca. 75 m diep. Met dit weinig selectieve vistuig worden veel vissoorten uit de koraalrifpopulaties en kreeften gevangen. Het uitzetten en ophalen van de kanaster geschiedt met handkracht vanuit een bootje.

4. Dieplijn of handline is een handlijn, die aan het uiteinde is verzwaard met een gewicht en voorzien van een of meer (meestal 4 á 6) haken, die geaasd worden. Vaak zijn de haken bevestigd aan onafhankelijk draaibare dwarslijntjes van dun staal- of koperdraad, die met een wartel aan de hoofdlijn bevestigd zijn. Arrangement van gewicht en haken kan verschillen. Dit simpele vistuig wordt toegepast bij de vangst van bodemvissen (snappers, groupers), veelal op een diepte van 50 tot 150m.

5. Harpoen, gebruikt bij spearfishing. De ontwikkeling van de duiksport heeft speciaal in heldere tropische zeeën geleid tot sportvisserij met speciaal ontworpen harpoeneergerei. Hierbij wordt de vis geschoten met een van weerhaken voorziene speer. De stuwkracht wordt geleverd door een rubber veer, die ontspant bij het overhalen van een trekker. De trefkans neemt o.m. door de weerstand van het water snel af bij toename van de afstand tussen schutter en prooi. Toch is de ongecontroleerde speervisserij met veel beoefenaars in dichtbevolkte gebieden zoals Curaçao de oorzaak van een snelle achteruitgang van de visstand van koraalriffen. Schildpad en kreeft dienen hierbij beslist genoemd te worden (zie Overbevissing). Het speervissen is op Bonaire en Curaçao (1983) bij de wet verboden.

De volgende methoden worden toegepast in diep, open water buiten de kust:

1. Bij trolling worden één of meer lijnen (meest 2 of 3) door het water gesleept voor de vangst van verschillende soorten pelagische vis, zoals dradu, mulá, buní, balaú enz. Gewoonlijk wordt aan de oppervlakte gevist, maar soms wordt een gewicht gebruikt om het aas iets dieper onder de golven te doen lopen. De haken zijn met een leaderwire van dun staaldraad aan de hoofdlijnen bevestigd. Toepassing van een draaiwartel voorkomt dat het aas in het water gaat tollen. Afstand tot de kust, vaarsnelheid, lengte en dikte van de hoofdlijn, type aas, enz. zijn van betekenis voor de resultaten. Men gebruikt zowel kleinere vaartuigen met buitenboordmotoren als grotere (zeil)schepen met binnenboordmotoren bij deze populaire sleeplijnvisserij.

2. Longline is een tot ca. 100 km lange lijn, samengesteld uit onderdelen (baskets) van ca. 400m lengte, die aan boeien in zee hangen en voorzien zijn van dwarslijnen met haken (5 á 6 per basket). Het is een voornamelijk door Japanners en Koreanen in alle oceanen der wereld beoefende, pelagische methode voor de vangst van tonijn- en balaúsoorten.

 

@: Visserij nederzettingen
zijn plaatsen langs de kust, waar activiteiten van vissers zijn geconcentreerd. Sint Michiel op Curaçao is het enige dorp van de Nederlandse Antillen, waarvan de bewoners grotendeels van oudsher (zie Zimmerman, Christiaan) bij de vangst (mannen) en verkoop (vrouwen) van vis betrokken zijn. Roeiboten worden bij het dorp op de wal getrokken, grotere boten gaan voor anker in de kalme baai. Op tal van kleinere en grote stranden (playa’s) aan de lijzijde van de eilanden zijn bootjes, vissershutjes en vistuig (kanaster, reda) gestationeerd. Bekende playa’s van Curaçao vindt men bij Westpunt, Lagun, Sta. Cruz en Daaibooi. Thans is de Caracasbaai de grootste vissershaven. De havens van Willemstad en Oranjestad (Aruba) herbergen een aantal vissersvaartuigen. Op Aruba bestaan visserijnederzettingen nabij Hadicurari en San Nicolas; op Bonaire te Kralendijk, Lac en Playa Frans; op St. Maarten te Simpson Bay.

 

@: Visserijonderzoek
is toegepast wetenschappelijk onderzoek dat (adviserend) gericht is op een efficiënte exploïtatie en een doelmatig beheer van voedselbronnen in het water. Boeke (in 1905) en Van Breemen (van 1908 tot 1913) waren de eersten, die wetenschappelijk verantwoorde aandacht schonken aan de visserij der Nederlandse Antillen. In 1955 en 1957 werden door de Food & Agricultural Organization (F.A.O.) der Verenigde Naties Organisatie  in Caribisch verband visserij-statistische gegevens verzameld, waarbij ook de Nederlandse Antillen werden betrokken.

In de jaren 1967/68 vond een U.N.D.P./ F.A.O.-project plaats waarbij verschillende vismethoden uitgetest werden. Dit project was een regionaal project en een follow-up die meer specifiek op het Antilliaanse zeegebied gericht is, is nog steeds noodzakelijk. In de F.A.O./ W.E.C.A.F.-visserijontwikkelingsplannen is tevens in deze follow-up voorzien.

 

@: Visserijontwikkeling
De visserijontwikkeling is primair gericht op vervanging van de import. De Nederlandse Antillen beschikken niet over visgebieden, die visserij op industriële schaal mogelijk maken. De visserijontwikkeling zal zich dan ook moeten richten op het uitbouwen en verbeteren van de bestaande visserij, de zgn. artisanal fisheries. Hiermee wordt bedoeld visserij op niet-industriële schaal. In de jaren 1967/68 heeft er in het Caribisch gebied een onderzoeks- en trainings project plaats gevonden waarbij met een drietal multipurpose-schepen vele vismethoden uitgetest werden. Thans wordt getracht om kleinere visserijprojecten op te zetten, die met kleine maar modern uitgeruste schepen nieuwe methoden kunnen introduceren en ter plaatse bemanningen kunnen trainen. Er bestaan thans uitgewerkte plannen voor dergelijke projecten op de Saba-bank, rond Aruba en voor het zeegebied Curaçao-Bonaire (F.A.O./W.E.C.A.F.-rapporten no. 32, 33 en 39).

Visgronden zijn zeegebieden waar visvangst wordt bedreven. Op de Nederlandse Antillen wordt voornamelijk in de directe omgeving van de eilanden gevist. Men kan daarbij een onderscheid maken tussen de visserij op pelagische en die op demersale soorten. Een pelagische vis is een vis die in de open zee thuishoort en die voor zijn onderhoud niet afhankelijk is van de kustgebieden. Bij de pelagische visserij rondom de eilanden kan men niet van visgronden spreken daar het hier vissen betreft die zich snel door het hele zeegebied verplaatsen en zich niet lang in een bepaalde zône ophouden.

Demersale vissoorten zijn soorten die aan kustgebieden of banken gebonden zijn. De visgronden voor deze soorten zijn afhankelijk van de grootte van het betreffende kustplateau. Dit verschilt aanmerkelijk van eiland tot eiland. Aruba ligt op het continentale plat van Zuid-Amerika en is in zuidelijke en westelijke richting door ondiep water (50 á 75m) van Venezuela en Colombia gescheiden, hoewel parallel aan de zuidwestkust een diepere geul (200m) aanwezig is. Bonaire en Curaçao zijn slechts omgeven door een smal, met koraal begroeid onderwaterterras, steil afhellend naar de diepte. St. Maarten ligt aan de westrand van een zandige bank (50m diep) met rotsen koraalformaties, waarop ook Anguilla en St. Barthelemy zijn gesitueerd. St. Eustatius ligt aan de noordzijde van een zandig plateau (50m diep) en de oude vulkaantop Saba is slechts door een smalle strook ondiep water omgeven. Zuidwest van Saba ligt de Saba-bank (20 á 50m diep) met een bodemoppervlakte van ca. 1.800km², bestaande uit kalkzand, steenblokken en koraalformaties.
De gebieden met rifzônes en de diepere delen langs de randen van deze zônes vormen de produktieve gebieden waar commercieel belangrijke hoeveelheden vis (snappers, groupers) gevangen kunnen worden. De zandige zônes zijn weinig produktief. Aan de loefzijde van de eilanden kan vaak geen bodemvisserij plaatsvinden als gevolg van de ruwe zeecondities en sterke stroom.

 

@: Vissoep
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Vissoorten van commercieel belang

Op Curaçao en Bonaire zijn de pelagische vissoorten het belangrijkst, vooral de buni of bonito (tuna) en de mulá of mulato (wahoo). Voorts: dorado (dradu), billfishes (balaú), rainbow runner (grastèlchi di laman) en vliegende vissen (buladó, flerchi). Op gewichtsbasis gerekend omvatten deze soorten rond 80% van de totale vangsten. Daarnaast worden ook rifvissen gevangen. De voornaamste zijn barakuda (snuk, pikú), snappers en groupers. Op Aruba, dat op het continentale plat ligt, worden vooral rifvissen gevangen: snappers en groupers (pargo, mero) barakuda en almaca jack (brazil) zijn de belangrijkste soorten. De mulato wordt ook op Aruba veel gevangen. De pelagische vissen trekken ten noorden van Aruba langs en mijden het continentale plat (met uitzondering van dolfin, sailfish en wahoo). Opvallend is dat op Aruba soorten als almaco jack, king fish en tilefish algemeen zijn, terwijl zij op Curaçao en Bonaire vrijwel niet gevangen worden.

Op de Bovenwindse Eilanden is de silksnapper (Lutjanus vivanus), die ciguatera-vrij is, de belangrijkste vissoort, voorts worden veel andere snappers en groupers gevangen waaronder de blacksnapper die daar greysnapper genoemd wordt en de Nassau grouper. Verder omvatten de vangsten ook tuna’s (voornamelijk blackfin) en jacks. Hierbij volgt een overzicht van de namen van de belangrijkste soorten van commercieel belang.

Over de bescherming en het rationeel gebruik van zeedieren schreef in 1907 J. Boeke zijn Rapport betreffende een voorloopig onderzoek naar den toestand van de Visscherij en de Industrie van Zeeproducten in de kolonie Curaçao (o.a. zeeschildpadden en kreeften). Dergelijke rapporten werden - in opdracht van het Caraibisch Mariën-biologisch Instituut, Curaçao (Carmabi) - samengesteld door H.E. Coomans in 1959 (Rapport betreffende het economisch gebruik van weekdieren van de Nederlandse Antillen) en I.J. Hermans in 1961 (Schildpadden en hun betekenis voor de Nederlandse Antillen) (zie ook Visserijonderzoek).

Een ontwerp-kreeftenverordening 1950 werd door de Staten van de Nederlandse Antillen niet aangenomen. In 1961 kondigde Bonaire een Eilandsverordening (nr. 15) af met betrekking tot de bescherming van ondermaatse kreeften (Panulirus) en van eieren en nesten van zeeschildpadden; gewijzigd wat betreft de maat van kreeften in Eilandsverordening 1964 (nr. 3). Voorts geldt voor Bonaire de Eilandsverordening 1963 (nr. 11), ter vervanging van de keur 1918 (nr. 25), houdende verbod van het vissen met treknetten van te geringe maaswijdte en, wat de pier van Kralendijk en het Lac betreft, met nader aangeduide vismiddelen. De Eilandsverordening 1963 (nr. 7) en het Eilandsbesluit 1963 (nr. 10) van het eiland Sint Maarten beschermen ondermaatse kreeften en regelen de vangmethode.

 

@: Visverwerking

is de behandeling, die gevangen vis ondergaat vóór het produkt de consument bereikt. Gebruik van ijs of toepassing van andere conserveringsmethoden (diepvriezen, pekel) treft men bij de lokale vangst en verkoop van vis zelden aan. Door nat houden tracht men soms snel bederf aan boord tegen te gaan. Het schoonmaken van de vis geschiedt zowel aan boord als aan de wal. Grotere vissoorten (dradu, mulá) worden op de markt per moot verkocht. Op de Centrale Markt op Curaçao zijn thans koel- en vriescellen en een scherfijsmachine beschikbaar.

 

@: Vitteüs, Fredericus

Eerste protestantse voorganger in de Nederlandse Antillen, in 1635 op Curaçao gevestigd (zie Protestantisme: geschiedenis).


@: Vlag

De regeling van de vlag van het Koninkrijk is in art. 3 Statuut als koninkrijksaangelegenheid genoemd; dit laat de mogelijkheid open, dat de landen ook een eigen landsvlag kunnen voeren. De Vlagverordening van de Nederlandse Antillen dateert van 1959 (P.B. nr. 162 j. nr. 173 en 175). Op 16 maart 1976 heeft de Eilandsraad van het Eilandgebied Aruba besloten een eigen vlag te gaan voeren; het Eilandgebied Bonaire heeft op 11 december 1981 dit voorbeeld nagevolgd; de vaststelling van de Eilandsverordening Curaçaosche vlag vond plaats op 2 juli 1984.

De vlag van Aruba

heeft de vorm van een rechthoek en heeft naast de overheersende kleur blauw ook nog de kleuren geel, rood en wit. De kleur blauw (U.N.-blue) wijst op de zee, die het eiland omringt terwijl geel (Bunting yellow) de kleur is van de overvloed, verwijzend naar vroegere en huidige industrieen; bovendien komt in de flora van Aruba deze kleur zeer nadrukkelijk tot uiting (quibrahacha, brazil, bonchi di strena, curahao, tuturuto en wanglo). De vierpuntige ster (links boven) symboliseert de vier streken van het kompas verwijzend naar de meer dan 40 landen van waaruit mensen naar het eiland zijn gekomen en een samenleving hebben opgebouwd. De kleuren rood en wit verzinnebeelden de liefde en de zuiverheid.

De vlag van Bonaire

heeft de vorm van een rechthoek met schuin oplopende kleurbanen in geel, wit en blauw: geel voor de zon en voor de overheersende kleur in de flora van Bonaire, wit voor de vrijheid en de vrede, blauw voor de zee. In de witte baan is een zwarte cirkel met vier pijlpunten, een scheepskompas, aangebracht om aan te geven, dat Bonairianen van oudsher zeevarend zijn geweest. Binnen in de cirkel is een zespuntige rode ster: de Bonairiaanse bevolking is immer verspreid geweest over de zes traditionele dorpen.

De vlag van Curaçao

heeft de vorm van een rechthoek met daarin van boven naar beneden drie horizontale banen: blauw, geel, blauw met in de broektop twee vijfpuntige, witte sterren. De kleur blauw is ultramarijn (Pantone 280) en de kleur geel is citroengeel (Pantone 102). De bovenste blauwe baan verwijst naar de hemel, de onderste naar de zee, die het eiland omringt. De kleur geel symboliseert de felle zon. De grote ster staat voor het eiland Curaçao, de kleine voor Klein-Curaçao. De vijf punten ervan hebben betrekking op de vijf continenten, die bijgedragen hebben tot de vorming van de verschillende bevolkingsgroepen op Curaçao; wit is het symbool voor de vrede en het geluk.

 

@: Vlaun, Reginald (Bobby)

(St. Maarten 9 februari 1948) studeerde aan de conservatoria van Amsterdam en Arnhem (trompet en piano); muziekleraar; leider van de Philipsburg Community Brassband.


 

@: Vleermuizen
zie @: Raton di anochi.

 

@: Vleeskeuring

Zowel op Curaçao als op Aruba bevinden zich gouvernementsslachthuizen annex koel- en vrieshuizen. Op Aruba mogen runderen, varkens, geiten en schapen slechts op het abattoir geslacht worden, waar het vlees door bevoegde keurmeesters voor menselijke consumptie wordt gekeurd. Op Curaçao gelden dezelfde regels alleen voor de keurkringen Willemstad en Barber; in de buitendistricten mogen particuliere slagerijen thans alleen slachten indien zij een vergunning van het eilandgebied bezitten, waaruit blijkt dat de slacht- en verkoopplaats aan bepaalde eisen op hygiënisch gebied voldoen. Begin 1968 werden te Barber een moderrne markt en een slachthuis geopend, waar het vlees ook van gouvernementswege gekeurd wordt. De veterinaire dienst houdt ook toezicht op de kwaliteit van vlees, vleesprodukten, melk en melkprodukten. Vis wordt door de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (G.G.D.) gekeurd. Op Curaçao en Aruba worden vrijwel alle slachtrunderen uit Zuid- en Midden-Amerika ingevoerd. De sterke daling in 1980 is veroorzaakt doordat vanaf 1979 hoofdzakelijk geslacht vee werd ingevoerd: het wordt als gekoeld vlees ingevlogen en als ‘vers’ vlees verkocht.

 

@: Vliegen
of muskita behoren, evenals de muggen (sangura), tot de orde der tweevleugelige insekten (Diptera). Over de vliegen van de Nederlandse Antillen is veel minder bekend dan over de muggen. In huis is de kosmopolitische huisvlieg, muskita (Musca domestica) algemeen. Bekend zijn ook de bij overrijp fruit aan te treffen soorten bananenvliegjes (Drosophila) of lèmbèlèmbè. Een geel en zwarte, wespachtig uitziende roofvlieg, behorend tot de familie der Asilidae, ziet er gevaarlijk uit, maar bijt noch steekt de mens. Onder de vleesvliegen (Sarcophagidae), is vooral de schroefwormvlieg (Cochliomyia hominivorax) bekend geworden door de succesrijke bestrijdingsproeven op Curaçao, waarbij van gesteriliseerde mannetjes gebruik gemaakt werd (zie Diergeneeskunde). Aan sommige baaien wordt men belaagd door onmerkbaar zich neerzettende maar pijnlijk stekende dazen (Tabanidae) of praga. De uiterst hinderlijke zandvliegjes wampiri / wimpiri of sandflies (Culicoides) in de nabijheid van zoutmoerassen bij de zeekant zijn geen vliegen maar muggen. Vergeleken bij het vasteland is het aantal soorten zweefvliegen (Syrphidae) niet talrijk. Over deze groep is een kleine publikatie verschenen, evenals over de merkwaardige parasitaire vleermuisvliegen (Nycteribiidae). Als bloemenbezoekers ziet men enkele soorten van dicht behaarde hommelvliegen (Bormbyliidae). De zoutvlieg (Ephydra cinerea) en zijn larven zijn van groot belang als voedsel voor vele steltlopers en de flamingo.

Lit.: P.H. van Doesburg sr., Syrphiden-allerlei, in: Entom. Ber. 18, blz. 41-46 (1958); idem, Records of Syrphidae (Diplera) from the Lesser Antilles, in: Studies Fauna Curaçao 34 (1970).

 

@: Vliegende vissen
of flying fish (fam. Exocoetidae) komen rondom de Nederlandse Antillen in vele soorten voor. De meeste soorten blijven klein, maar enkele bereiken een verhandelbare grootte: de flerchi (Hirundichthys affinis) en de buladó (Cypselurus spec.). Zij vliegen alleen als zij iets ontvluchten willen, bijvoorbeeld als een dradu, een bonito of ook een boot komt aanzetten. Vóór het opvliegen wrikken zij snel (50 x per sec.) met hun asymmetrische staart door het water, waarbij zij een vaart van 70km per uur ontwikkelen. Zodra zij boven het wateroppervlak uitkomen, spreiden zij borst- en buikvinnen uit en zweven totdat zij, bij een snelheid van 40km per uur, weer in het water terugvallen. Na het neerkomen kunnen zij onmiddellijk weer vaart zetten voor een volgende vlucht. Per vlucht leggen zij tot 50m af; meestal zijn ze 2 tot 5 sec. in de lucht.

Zij zetten hun eieren af in moss, dat is drijvend sargassowier. Ook zetten zij graag af in drijvend netwerk, een eigenschap, waarvan de vissers van Barbados gebruik maken: zij zetten kleine stukken drijvend want uit, dat de paailustige flerchi’s aantrekt, die dan met hun kop in de mazen komen vast te zitten. Een poging deze kieuwnetvisserij op Curaçao te introduceren (in 1961) mislukte, vermoedelijk omdat de populatiedichtheid van rijpe flerchi’s er niet groot genoeg is. Een goed gefileerde flerchi wordt hoog gewaardeerd als consumptievis.

 

@: Vliegenvangers
(Tyrannidae) zijn vogels waarvan de kleinere soorten vaak para bobo en de grotere pimpiri heten. Over het algemeen zitten vliegenvangers op een takje of telefoondraad uit te kijken om plotseling in grillige, fladderende maar uiterst behendige vlucht voorbijkomende insekten te grijpen. Ook worden sappige vruchtjes gegeten. Heel algemeen op de Benedenwindse Eilanden is de pimpiri (Myiarchus tyrannulus), hoewel men hem meer zijn naam hoort roepen dan dat men hem ziet. Kenmerkend zijn het kuifje op de kop en de roestbruine staart. Hij vergrijpt zich nogal eens aan honingbijen als hij de kasten ontdekt heeft. Veel luidruchtiger is de kabes grandi of chincherry (Tyrannus dominicensis) van de Beneden- en Bovenwindse Eilanden, die de grootte heeft van een chuchubi en van grote kevers, cicaden en libellen leeft. Bij het nest zijn ze zelfs tegen mensen zeer agressief.

 

@: Vliegvelden
zie @: Luchthavens.

 

@: Vlinders
zie @: Barbulètè.

 

@: Vlindervissen
(Chaetodon, 6 spec.) chamba, makamba of butterflyfish behoren tot de meest opvallend gekleurde verschijningen op de riffen. De scherp contrasterende bandtekening en de opvallende oogtekening op de staartwortel hebben vele speculaties opgeleverd over de functie op het gebied van camouflage, misleiding, schrikwerking, enz. Er zijn echter nog geen experimenten gedaan die licht werpen op de functie van de tekening ten aanzien van de sterk uiteenlopende achtergrond, waartegen men de vissen ziet zwemmen: het rif, de zeegrasvelden, vlakke bodem alsook het troebele water van binnenbaaien. Zij leven van kleine organismen. In het aquarium zijn ze niet gemakkelijk te houden.

 

@: Vloot, Koninklijke Nederlandse Vereniging Onze
Curaçaosche afdeling opgericht 30 april 1907, Arubaanse afdeling 6 november 1956 met het doel waardering voor marine en koopvaardij te versterken.

 

@: Voedingsgewoonten
Evenals de taal, de bevolking en de muziek is de Antilliaanse keuken het resultaat van het samengaan van verschillende volkeren met verschillende culturen. Daardoor heeft de kushina kríoyo een eigen karakter hoewel de samenstelling van de gerechten onder Spaans/ Afrikaanse invloed is gebleven, gezien de tropische vissoorten, de groenten, de vruchten en het overvloedig gebruik van kruiden en specerijen. Bij de hoofdmaaltijd, die doorgaans ‘s middags wordt genuttigd, neemt funchi op de eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao dezelfde plaats in als in Nederland de aardappelen en in Suriname de rijst. Deze uit maïsmeel bereide brij heeft veel weg van de Italiaanse polenta (zie ook Sorghum). Bij het eten van vis of bonen hoort nu eenmaal de funchi, die ook gegeten kan worden met een klontje boter en wat basterdsuiker erop of - in plakken gesneden - gebakken en/of belegd met kaas, al of niet met gebakken bananen.

De voornaamste gerechten waarbij de funchi ook onontbeerlijk is zijn:

Guiambo (Hibiscus esculentus), een gebonden soep, die op het eerste gezicht op haaievinnesoep van de Chinees lijkt maar waarin men o.a. gezouten vlees, varkensstaart, vis, garnalen en karkó (zie Slakken) kan aantreffen (zie voorts Hibiscus).

Stobá, een gestoofde schotel van geite- of schapevlees;

Mondóngo, een schotel bereid van magen - triep - en hoeven van de koe of  de geit;

Sòpítu, soort bouillabaise van in kokosmelk gekookte vis, gezouten vlees en vele andere ingrediënten, die - in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden (sòpítu = soepje) - niet als zodanig gegeten wordt.

Op alle Antillen kent men overigens wel de soep als ‘hoofdmaaltijd’ met vlees, groenten en aardappelen erin gekookt. Een typisch voorbeeld van een soep als hoofdgerecht is de sankócho, die behalve bovengenoemde ingrediënten ook nog bananen, knollen en maïskolven bevat. Bekend zijn ook de vissoep, in de wandeling aw’e playa (awa di playa) en de vruchtensoepen (bereid uit guyaba of uit tamarein), die in het algemeen niet als hoofdgerecht worden geserveerd. Van funchimeel, bonen, zout vlees en (bruine) suiker wordt de grote hongerstiller tutu gemaakt; op de Engelssprekende eilanden jug jug genoemd. Een specialiteit van de Arubaanse keuken is wel de Pan batí, van sorghum-, tarwemeel en melk gemaakt terwijl de Bovenwindse Eilanden de Johnny Cake (oorspronkelijk journey cake), een platte, in hete olie gebakken dikke pannekoek, kennen; beide kunnen in plaats van brood gegeten worden. Op Bonaire, dat het grootste gebruik van geitevlees kent, wordt de salòn, gezouten en gedroogd geitevlees, alle eer aangedaan. Op Aruba en Curaçao wordt dit gerecht yòrki genoemd. De keuken van de Bovenwindse Eilanden vertoont veel overeenkomst met die van de omliggende Engelse eilanden waar veel sweet potato, yams en knoedels worden gebruikt; bekend is ook rice and peas.

Het ontbijt is op de Nederlandse Antillen overigens vrij eenvoudig: een kop koffie of thee, een boterham en soms ook wel een ei. Later op de morgen wordt weer wat koffie gedronken, veelal aangekleed met een hartig hapje als pastéchi, een met vis of vlees gevuld pasteitje of empaná, een halvemaanvormig pasteitje van maïsmeel, ook met vulling. De kala, een kroketje, gemaakt van sterk gekruide fijn gemalen bonen (bonchi wowo pretu) staat hoog aangeschreven en wordt evenals de pastéchi en de empaná in hete olie gebakken.

‘s Avonds kan er weer warm gegeten worden. Degenen, die een broodmaaltijd gebruiken, fleuren deze op met een struif, een kroket of een eventueel restje van het middagmaal. In de late avond wil men op Curaçao wel eens zijn toevlucht nemen tot een van de vele zogenaamde truck di pan, sta-caravans, die de hele nacht door specifiek Caribische gerechten verkopen.

Twee typische delicatessen mogen niet onvermeld blijven: de ayaka (Spaans hallaca), bereid met wit maïsmeel met gestoofd kippe- en varkensvlees, pruimen, olijven e.a. en verpakt in een bananeblad, dat wel meegekookt maar niet opgegeten wordt en de keshi yená, een uitgeholde Edammer kaas met vlees- of visvulling en andere bestanddelen waaronder kappertjes, rozijnen, pruimen en olijven. De Antilliaan is ook een zoetekauw, getuige de vele soorten cakes, de tert (te vergelijken met de Limburgse vlaai), de lèter, van gemalen pinda gemaakte s-vormige koekjes, en de panlefi, een eierkoek.

Op hoogtijdagen - communiefeest, bruiloft - zal de bolo pretu (lett. zwarte taart) niet ontbreken, een zeer prijzige, bewerkelijke, donkere vruchtentaart. Deze ‘koningin’ onder de taarten vraagt erom omringd te worden door suikerwerk. Van vrijwel alle tropische vruchten wordt suikerwerk gemaakt. Vooral bekend zijn: kokada van geraspt vruchtvlees van de kokosnoot, tentalaria van geroosterde, gemalen pinda en zjozjoli, taai suikerwerk van bruine suiker en geroosterde sesamzaadjes. Vruchten worden ook tot dranken verwerkt zoals bijvoorbeeld awa di sorsaka, batido di papaya. Specifiek Bovenwinds is een drank gemaakt van boomschors, de mauby en spice, een likeur, bereid uit het sap van de guavaberry. Voedingsgewoonten zijn aan wijzigingen onderhevig: de financiën spelen hierbij uiteraard een rol. Feit is, dat de Antilliaanse vrouw de maaltijden met toewijding bereidt en veel aandacht besteedt aan sausen. Aan de groenten wordt niet zoveel belang toegekend als in Nederland, al zullen warmoes, aubergines en komkommers op menige tafel welkom zijn. In tegenstelling tot de Nederlander, die, op een vraag wat hij gegeten heeft de groente noemt, zal de Antilliaan het soort vlees of de vis vermelden!

Literatuur:

  • L. Arends-Savelkoul, J.M. van der Sar-Vuyk en E. Senior-Baiz, Uit de Curaçaosche keuken (1943, “2” 1947). De derde druk in 1957 verschenen: Uit de Antilliaanse keuken;
  • J. Fenzi, This is the way we cook (1971, “2”1972, “3”1978);
  • Sonia Garmers, Resèptnan di Nos ku Nos (1980, 1981);
  • Saida Hernandez, Resetas kushina di oro (1983);
  • Kushina di Women’s Club Meet-a-friend (z.j.);
  • Morela, Cu dela den cushina (z.j.);
  • Bunchi Römer, De Antilliaanse keuken, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
  • The Sisterhood of Mikvé Israël-Emanuel, Recipes from the Jewish kitchens of Curaçao (1982).

 

 

@: Voedselbank Curacao

De Voedselbank Curacao verstrekt reeds vele jaren voedselpakketten op Curaçao. De Voedselbank werkt zeer "low-profile" en de voedselpakketten worden verstrekt voor een tijdelijke periode, uitsluitend via sociaal- en maatschappelijk werkers van haar partner organisaties (Wit-Gele Kruis, Gezinsvoogdij Instelling, Ban Bario Bek), zodat de pakketten ook werkelijk daar terechtkomen waar de nood erg hoog is. De voedselpakketten zijn bewust zodanig van omvang, dat men er ook echt iets aan heeft. Zo zitten er zo’n 25 artikelen in een standaardpakket. De vergelijkbare winkelwaarde is ongeveer 50 tot 60 Antilliaanse gulden (=ongeveer 25 Euro). Bij het samenstellen van de pakketten denkt de organisatie niet voornamelijk aan kwantiteit, maar vooral ook aan kwaliteit. De kwaliteit komt onder andere tot uiting in het feit dat er bijvoorbeeld niet gewerkt wordt met producten waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken, of met producten met een kapotte/roestige verpakking. Een ander kwaliteitsaspect is de samenstelling van het pakket. Men tracht iedere maand een zo compleet mogelijk pakket samen te stellen die er min of meer hetzelfde uit ziet. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid dat de adressen waar de pakketten bezorgd worden niet over electrische stroomaansluiting en/of over een koelkast beschikken. Mede hierdoor worden geen dagverse producten in de pakketten gedaan. Bij de samenstelling van de pakketten zijn zo veel mogelijk alle voedingsgroepen vertegenwoordigd.

Op een aantal punten wijkt de werkwijze op Curacao af van de werkwijze zoals veel voedselbanken in bijvoorbeeld Nederland dat doen. In Nederland geldt een ondergrens van Euro 150 per maand vrij besteedbaar inkomen om in aanmerking te komen voor een pakket. Als er in dit deel van het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde grens zou worden gehanteerd, komen er naar schatting zo’n 15.000 adressen in aanmerking voor een pakket; niet alleen een trieste constatering, maar ook een nogal onwerkbare situatie. Voedselpakketten worden via sociale-, en maatschappelijke organisaties verstrekt die de persoonlijke omstandigheden van de mensen kennen en hierdoor een goede selectie kunnen maken van degenen die hulp nodig hebben. Tevens is hierdoor de mogelijkheid aanwezig om hulpvragers verdere begeleiding te geven of ze door te verwijzen naar andere hulpverlenende instellingen. Individuele aanmelding is daarom (nog) niet mogelijk.

In Nederland is soms sprake van tonnen aan voedseloverschot dat door fabrikanten beschikbaar wordt gesteld en dat middels voedselbanken verstrekt wordt. Aangezien op Curaçao verreweg het grootste gedeelte van alle voedingsmiddelen via transport over zee wordt aangevoerd, komen dergelijke productieoverschotten hier niet voor. Gesponsorde voedingsmiddelen worden veelal in wat kleinere hoeveelheden aangeboden, de rest wordt lokaal ingekocht. Van alle leveranciers wordt korting ontvangen vanwege het charitatieve karakter.

De voedselbank werkt vanuit een magazijn waar houten rekken en inpaktafels in geplaatst zijn, die in elkaar zijn gezet met behulp van professionele timmerlieden die hier op vrijwillige basis aan gewerkt hebben. Voor meer informatie over de voedselbank: www.voedselbank-curacao.org

 

@: Voedselhulp
zie @: Sociale voorzieningen: Armenzorg.

 

@: Voedselvergiftiging

(Papiamentu: Shuatamentu), een in de Nederlandse Antillen gevreesde aandoening. Wanneer de buitentemperatuur varieert van 26 tot 30 graden Celsius zal, zonder voldoende bescherming hiertegen, het voedsel een gunstige voedingsbodem kunnen zijn voor ziekteverwekkende organismen, bacteriën en toxinen, zeker wanneer een te lange periode verstrijkt tussen het klaarmaken en de consumptie. In de periode vóór gewone en deepfreeze ijskasten, dus voor de 1930ger jaren, werd vaak onder minder hygiënische omstandigheden aan huis geslacht; men kocht de ‘verse’ vis, afkomstig uit Bok’e Samí (St. Michielsbaai) of andere vissersdorpen, van de ‘visvrouwen’, die met grote bakken op het hoofd van huis tot huis gingen. Wel wist men in die tijd het voedsel op redelijk efficiënte wijze te conserveren door het te zouten (salòn of yòrki: geite- of schapevlees, vooral op Bonaire gezouten bewaard of uitgevoerd), of in het zuur te bewaren, zoals zûlt, uit varkensvlees, of skavèchi, in zuur en specerijen geconserveerde vis. De eeuwig aanwezige vliegen werden op een afstand gehouden door de etenswaren achter gaas te houden, of met gazen deksels af te sluiten: insekten brengen immers ziektekiemen over. Ook is gebleken, dat hagedissen besmet kunnen zijn met paratyfus. Wat betreft paratyfus als verwekker van voedselvergiftiging, met braken en diarree: nog in deze tijd is de frequëntie van deze infecties in de Nederlandse Antillen 50 maal groter dan bijvoorbeeld in Nederland. Een bijzondere plaats neemt de visvergiftiging (ciguatera) in, een in de Nederlandse Antillen, maar vooral op de Bovenwindse Eilanden, regelmatig voorkomende ziekte. Ziekteverschijnselen kunnen optreden na het nuttigen van vis, zowel koraalrif-bewonende soorten (zoals snappers, groupers en papegaaivissen) alsook andere soorten zoals barakuda’s en jacks. Ook ná het eten van bepaalde schelpdiersoorten zijn soortgelijke ziekteverschijnselen waargenomen. De naam ciguatera kan worden afgeleid van cigua, zoals na 1492 de Spaanse conquistadores op Cuba de zeeslak Cittarium pica (Papiamentu: kiwa) noemden. De kiwa kan ook oorzaak zijn van shuatamentu.

De bekende gevallen van ciguatera hebben vooral betrekking op vissen die op zeebanken rondom St. Maarten, St. Barthelemy en Saba worden gevangen. Op de Bovenwindse Eilanden zijn vooral de barakuda en de covalli (Caranx spec.) gevreesd. Op de Benedenwindse Eilanden is de kolebra bèrdè (Gymnothorax funebris) berucht als verwekker van shuatamentu, maar dat heeft een andere oorzaak: het huidslijm van de kolebra bèrdè is giftig - vandaar dat men deze vis altijd vóór consumptie de huid afstroopt.

De ziekteverschijnselen van voedselvergiftiging kunnen in drie groepen worden onderscheiden:

  • die van het maag-darmstelsel: hardnekkig braken en diarree;
  • die van het zenuwstelsel met prikkelende sensaties in handen en voeten, en
  • die van omgekeerde temperatuurszin, waarbij het slachtoffer in een warme omgeving een gevoel van koude en in een koude omgeving een gevoel van warmte ervaart; niet alleen de huid maar vooral ook de tong is in dit opzicht gevoelig.

 

Verdere symptomen: zwaktegevoel in de benen, afwezigheid van reflexen en een enkele keer de hik. Deze verschijnselen, die het gevolg zijn van beschadiging van de perifere zenuwen, hebben soms maanden tot een jaar nodig om zich te herstellen. In ernstige gevallen is het hart en vaatstelsel aangedaan: de patiënt raakt in shock, met abnormale lage, bijna niet te meten bloeddruk met extreem lage polsfrequëntie, onregelmatige hartactie en intracardiale geleidingsstoornissen (hartblok). Ook gevallen met chronische stoornissen zijn bekend. 

 Van de Nederlandse Antillen zijn geen gevallen met dodelijke afloop bekend maar wel recent (1981) van Puerto Rico, waar een man en een vrouw na het eten van een vers gevangen barakuda overleden. Ook op Jamaica zijn dodelijke gevallen gemeld. Over de oorzaak van ciguatera zijn de laatste jaren belangrijke ontdekkingen gedaan. De Franse onderzoeker Bagnis, werkend op Tahiti, legde in 1977 het verband tussen het voorkomen van een bepaalde alg, een dinoflagellaat en het optreden van ciguatera. Deze algen vindt men vooral in de begroeiing van riffen bedekt met recent afgestorven koraal. Adachi en Fukuyo (1977) beschreven deze giftige alg en gaven deze de wetenschappelijke naam Gambierdiscus toxicus, naar het eiland Gambier waar deze alg voor het eerst werd gesignaleerd. Volgens Bagnis komt dezelfde alg ook voor in de Caribische zee met de grootste frequëntie en dichtheid in het gebied tussen Puerto Rico, de Maagdeneilanden, St. Maarten, St. Barthelemy en Guadeloupe. Een hoge dichtheid werd gevonden tussen de Saba-bank en St. Thomas, matige dichtheid rondom St. Maarten, Philipsburg en Tantamarra (Frans St. Maarten). Hij vond twee gifstoffen, het gif ciguatoxine en een tweede gif maitotoxine, beide gevormd door deze eencellige algen. Zij zijn niet giftig voor de vis zelf, die deze opneemt, maar wel voor de mens, die deze vis weer eet. De concentratie van het ciguatoxine is het hoogst in de kop en in de lever van de vis, zodat de liefhebbers van vissoep het meeste risico lopen.

Literatuur:

  • R. Bagnis, These de Doctorat d’Etat en Biologie Humaine, ‘Gambierdiscus toxicus’ (1981);
  • J. Ghigliotti, Death at the Dinner Table. San Juan Star Magazine, 4 Oct. 1981, Caribbean Epidemiology Center (Carec) (1981);
  • D. Moffie en G.T. Haneveld, Ciguatera. Ned. Tijdschr. v. Geneesk. (1964) 108, 988-991;
  • J. Morice, Catalogue descrip¬tif des poissons venemaux du Banc de St. Barthelemy. Rev. Trav. Inst. Poches Mar. (1965), 29, 3-130;
  • J.E. Randall, A Review of Ciguatera. Bull. Mar. Sci. (1958) 8, 236-267.

 

@: Vogels

Vergeleken bij de rijkdom aan vogelsoorten op het continent hebben de eilanden der Nederlandse Antillen maar weinig soorten vogels, waarvan dan nog het grootste deel doortrekkers of wintergasten zijn. Aruba heeft 174 soorten, waaronder 50 inheemse broedvogels, Curaçao heeft 168 soorten waarvan 51 broedvogel, Bonaire 181 soorten waarvan 51 broedvogel, St. Maarten 107 soorten waarvan 40 broedvogel, Saba 58 soorten waarvan 26 broedvogel, en St. Eustatius 54 soorten waarvan 25 broedvogel. In totaal zijn er van de Nederlandse Antillen 252 vogelsoorten bekend, waarvan 72 broedend zijn aangetroffen.

De broedvogels van de Bovenwinden wijken niet af van de vogels, die men elders in die regio aantreft. Op de Benedenwinden daarentegen zijn er vele soorten, die zo sterk afwijken van die van de buureilanden of van het naburige vasteland, dat ze tot aparte, endemische ondersoorten gerekend kunnen worden. Duidelijk zijn bijvoorbeeld bij de parkieten van de drie Benedenwinden onderling verschillen in de kleur van kop, borst en buik te zien. De uilen van Aruba en Curaçao wijken sterk af van die van het continent: ze zijn kleiner van stuk en bleker van kleur. Kleine verschillen zijn ook te zien bij de lora, kinikini, chuchubi, nachtzwaluw, gele trupial, enkele vliegenvangers, barika hel, chonchorogai, mòfi en para di misa. Dat deze verschillen bestaan, duidt er op, dat er heel weinig uitwisseling tussen de populaties van de eilanden en het toch zo nabij gelegen vasteland is. Merkwaardig is de aanwezigheid van de palabrúa (Margarops fuscatus bonairensis) of witoogspotlijster op Bonaire: zijn naaste verwant vindt men niet in Venezuela, maar op de Bovenwinden, daar thrush geheten. De meest spectaculaire broedvogel van de Nederlandse Antillen is ongetwijfeld de flamingo; de hele flamingo-populatie van de kust tussen Suriname en Colombia trekt naar Bonaire om daar te broeden. Deze broedkolonie aan het Pekelmeer is als sanctuary goed beschermd. Onder de trekvogels bevinden zich uiteraard geen endemische vormen. Trekvogels doen de eilanden soms zelfs massaal aan, in het najaar vaak op weg naar het zuiden en in het voorjaar dan weer terug naar de broedgebieden in het noorden. Vaak leiden de trekroutes via landengten of eilandenreeksen; het verschijnsel van trek is op de Bovenwindse Eilanden dan ook duidelijker te zien dan op de Benedenwindse Eilanden. Toch is nog ca. 40% van de op de Benedenwindse Eilanden aangetroffen trekvogelsoorten afkomstig uit Noord-¬Amerika. Andere soorten zwerven na de broedtijd in allerlei richtingen uit het broedgebied weg (zwerfvogels) en belanden zo in de Nederlandse Antillen. Verscheidene kleinere soorten zangvogels bereiken volkomen uitgeput de Benedenwindse Eilanden na een rechtstreekse vlucht over de Caribische Zee; zij blijken daarbij tot de helft van hun normale gewicht te kunnen verliezen. Vooral de geelsnavelkoekoek (Coccyzus american us) en de zwaluwen (zie Souchi) treft men stervend op de wegen aan. Zeker komt een groot aantal onderweg om, vooral wanneer er orkanen over het zeegebied passeren.

Enkele vogelsoorten zijn wettelijk beschermd. Het is wel beschamend, dat vogels, die bijvoorbeeld in de Verenigde Staten absolute bescherming genieten, op de Nederlandse Antillen ‘vogelvrij’ zijn (zie Natuurbescherming). Maar het is nog veel erger, dat endemische ondersoorten of vormen, die nergens elders ter wereld voorkomen, hier geen effectieve bescherming genieten, zoals uilen, die nu werkelijk op uitsterven staan.

Lit.: K.H. Voous, Birds of the Netherlands Antilles (1983).

 

@: Voice of Saba

Omroepstation op Saba (zie @: Radioomroep).

 

@: Voice of St. Maarten
Omroepstation op Sint Maarten (zie @: Radioomroep).

 

@: Volksgeneeswijzen

Vóór of terwijl men zich tot een dokter wendt, proberen velen ook genezing te vinden bij ‘mensen met ervaring’ of lieden ‘met bijzondere krachten’. Men dient echter, wat deze volksgenezers aangaat, onderscheid te maken tussen een kurioso en een hasidó di brúa. Een kurioso is een man of een vrouw die bijzondere ervaring heeft in het aanwenden van kruiden, poedertjes en overgeleverde huismiddelen, bona fide zijn werk verricht en er niet meer dan een redelijke vergoeding voor vraagt. Geheel anders van aard zijn de kwakzalvers en magische genezers die beweren buitennatuurlijke krachten te bezitten om kwalen te genezen: hasido di brúa oftewel brúa-makers. Brúa is een verzamelwoord voor toverij, kwakzalverij en geheimzinnige praktijken. De meeste van deze brúa-makers laten zich zwaar betalen. Hun aantal is groot en toont geen neiging te dalen. In de laatste jaren worden ook veelal vodun-praktijken vanuit Haïti ingevoerd.

De gewone huismiddeltjes alsook de praktijken van de kurioso zijn in de regel van onschuldige aard. De diagnose is bijzonder simplistisch, de dosering van de geneesmiddelen willekeurig. Op de Bovenwindse Eilanden wordt een groot aantal huismiddeltjes aangeduid met de verzamelnaam bush-teas. (Zie ook Geneeskrachtige kruiden en giftige planten).

 

@: Volkshuisvesting


Met de komst van de olieindustrie brak ook voor de stadsontwikkeling en de woningbouw op Aruba en Curaçao een nieuwe tijd aan. Nieuwe wijken verrezen en de oude stadsgrenzen van Willemstad breidden zich uit. Op Aruba ontstond in San Nicolas de zgn. Village en later Esso Heights. De bouw van houten en krotwoningcomplexen werd in de hand gewerkt door het algemeen gevolgde systeem van eenvoudige verhuur van gronden waarbij het de huurder werd toegestaan een woning te bouwen zonder zorg te dragen voor wegenaanleg, hygiënische voorzieningen e.d. Om meer regelend te kunnen optreden kwam in 1935 de Bouw- en Woningverordening tot stand, waarin eisen werden opgenomen o.a. ten aanzien van de bouw, de situering, de afvoer van faecaliën en het uiterlijk van de gebouwen. De poging van de RK-Volksbond om in de 1920er jaren huizen te bouwen voor lagere inkomensgroepen moest spoedig worden gestaakt: te duur.

Wat de volkswoningbouw betreft kon het particulier initiatief niet voldoende in de behoeften voorzien. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is deze bouw van gouvernementswege krachtig aangepakt. Er werd aanvankelijk een beperkt aantal standaardtypen geïntroduceerd, nl. de een-, twee- en driekamervolkswoning. Later werden de tweegezinswoning en de verdiepingswoning voor meer gezinnen gebouwd. De doorgangswoning, gebouwd in een rijencomplex, doet dienst als overgangswoning voor gezinnen komend uit krotten, dus als noodwoning.

De totale woningvoorraad blijkens de woningtelling in 1981 bedroeg voor de Nederlandse Antillen 56.006, hetgeen overeenkomt met een gemiddelde woningbezetting van 4,11 personen per woning. De samenstelling van het aantal vertrekken per woning zag er als volgt uit: 32% heeft 1-3 vertrekken, 65% 4-7 vertrekken en 3% 8 of meer vertrekken. Het woningbestand op Curaçao en Aruba was respectievelijk 33.981 en 14.925 woningen, hetgeen overeenkomt met een gemiddelde bezetting van respectievelijk 4,3 en 4,0 personen per woning. Bonaire en de Bovenwindse Eilanden hebben een lagere gemiddelde bezetting: respectievelijk 3,9 en 3,1 personen per woning. De verdeling naar aantal vertrekken was op Curaçao: 1-3 vertrekken 29%, 4-7 vertrekken 68% en meer dan 8 vertrekken 3%. Voor Aruba waren deze percentages resp. 32%, 65%en 3%. Voor Bonaire gold resp. 22%, 74%en 4%. Voor de Bovenwindse Eilanden waren deze percentages resp. 61%, 36% en 3%.

Het aantal woningen dat door de eigenaar zelf bewoond werd was 65% van het aantal woningen. Voor Curaçao gold een aandeel van 67%, Aruba 65%, Bonaire 54% en de Bovenwinden 48%. Wat de voorzieningen in de woningen betrof (aansluiting op het elektriciteits- en het waterleidingennet) de volgende cijfers:

Nederlandse Antillen 96%, Aruba 97%, Bonaire 94%, Curaçao 96% en de Bovenwinden 95% voor wat betreft aansluiting op het elektriciteitsnet.

Van aansluiting op het leidingwaternet zijn nog geen cijfers beschikbaar.

Op Curaçao had 74% van de woningen stenen buitenmuren, op Aruba 88%, op Bonaire 93% en op de Bovenwinden 79%. In het kader van het Meerjarenplan zijn sinds 1962 ca. 3.500 volkswoningen gerealiseerd. Mede door de inschakeling van deskundigen van de Nationale Woningraad in Nederland functioneren thans op de Benedenwindse Eilanden goed toegeruste eilandelijke woningstichtingen. Deze stichtingen vervullen een centrale rol in nieuwbouwprogramma’s en in het beheer van volkswoningen, de programma’s voor zelfbouw en wijkverbetering.

De Fundacion Cas pa Comunidad Arubano (F.C.C.A.) op Aruba is uitgegroeid tot een organisatie met 50 personeelsleden; de Nederlandse bijstand zal uitsluitend nog gericht zijn op de begeleiding van de projecten in Village en Esso Heights. In de eerste vijf jaren van haar bestaan heeft de stichting door middel van een financiëringssysteem tegen de 600 hypothecaire leningen verstrekt en daardoor zelfbouwwoningen mogelijk gemaakt met behulp van familieleden, vrienden en kleine aannemers. Door een centrale inkoop van bouwmaterialen en het verschaffen van hulpmaterieel zoals betonmolens, mallen enz. is de stichting erin geslaagd de particuliere bouwkosten met circa 20% te drukken.

De Fundashon Cas Boneriano (F.C.B.) op Bonaire heeft het project van 100 woningen te Amboina opgeleverd gekregen. In het zelfbouwprogramma waren eind 1982 100 aanvragen goedgekeurd en reeds 50 woningen volledig afgebouwd.

De Fundashon Kas Popular (F.K.P.) (www.fkp.an) op Curaçao heeft de afgelopen jaren jaarlijks 300 á 400 nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Thans houdt men zich, naast nieuwbouw en wijkverbetering, ook bezig met een regeling voor particuliere woningbouwverbetering. Het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao heeft daarvoor in 1982 NAf 800.000 beschikbaar gesteld.

Ook de volkswoningbouw op de Bovenwindse Eilanden wordt vanuit de ontwikkelingshulp ondersteund. Op Sint Eustatius is een begin gemaakt met de bouw van 25 volkswoningen terwijl op Sint Maarten de aankoop van gronden ten behoeve van volkswoningbouw is gefinancierd.

Men wil de woningnood ook bestrijden door middel van de bouw van huurwoningen. Voor de toewijzing van de huurwoningen is een urgentiesystematiek ontwikkeld. Deze let op de volgende criteria:

  • De sociale urgentie,
  • de medische urgentie,
  • de technische staat van de woning, de wachttijd,
  • de leeftijd,
  • het inwonen (bij derden),
  • dakloosheid,
  • een tekort aan slaapruimte

worden gemeten en in punten vertaald. Voor de huren van de woningen wordt het inkomen in aanmerking genomen: ieder betaalt huur naar draagkracht. Een uitgekiend huursubsidie-systeem is geïntroduceerd. Men onderscheidt de objectsubsidie (= subsidie op de woning) en de subjectsubsidie (= extra subsidie voor de betrokken huurder).

Lit.: Hoofdstuk IV van de Rijksbegroting voor het jaar 1984; Volkstelling 1981.

 

@: Volkslied

De compositie van J.B.A. Palm, die oorspronkelijk het licht zag als Himno Boneriano, is sedert 1963 - vooralsnog zonder officiële tekst - het volkslied van de Nederlandse Antillen; hoewel in 1977 een prijsvraag voor een tekst is uitgeschreven, is hierover nog geen beslissing gevallen (zie ook Himno di Kòrsou; Himno nacional di Aruba).

 

@: Volkstelling
zie @: Bevolking: registratie en publikatie der gegevens. De laatste volkstelling werd gehouden in 1981.

 

@: Volksvertegenwoordiging
zie @:Staten; @: Staten-Generaal.

 

@: Voogdij en Wezenzorg, RK-

De zusters van Roosendaal begonnen in 1853 in de Consciëntiesteeg te Willemstad een klein weeshuis voor meisjes dat 10 jaar later in het Landhuis Habaai werd gevestigd totdat in de 1920er jaren het werk door de zusters van Schijndel werd overgenomen. In 1885 begon pastoor Frie een jongensweeshuis (Huize St. Jozef) te Santa Rosa dat in 1917 aan de fraters van Tilburg werd overgedragen. Het is toen verhuisd naar Scherpenheuvel onder de naam Sint Vincentius Gesticht. Tot 1973 werd Huize St. Jozef geleid door de zusters van Schijndel. Daarna werden de werkzaamheden overgedragen aan de Stichting Bon Futuro. (Zie ook @: Welzijnswerk).

 

@: Voogdijraad

De Voogdijraden in de Nederlandse Antillen zijn per 1 december 1905 ingesteld bij besluit van de gouverneur van 13 november 1905 ter uitvoering van art. 3793, laatste lid van het Burgerlijk Wetboek voor de kolonie Curaçao. Doelstelling:

  • 1. voorwaarden scheppen en aanvullend bezig zijn met betrekking tot het bevorderen van het welzijn van de minderjarige en zijn naaste omgeving, voorzover het de belangen betreft van minderjarigen in gezags- en opvoedingssituaties;
  • 2. het helpen van minderjarigen die met geestelijke of lichamelijke ondergang worden bedreigd.

De belangrijkste taken binnen de Voogdijraden zijn:

  • het treffen van maatregelen in gevallen die kunnen leiden tot onder toezicht stellen, ontheffing, ontzetting, verlenging en schorsing van de ouderlijke macht of voogdij, de incasso van alimentatiegelden, de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen of beschikkingen, betrekking hebbende op minderjarigen en hun onderhoudsuitkering en het toezicht op de besteding van deze gelden;
  • het eventueel voeren van processen zoals vaderschaps- en onderhoudsacties.

 

@: Voorlichtingsdienst
zie @: Persdienst.

 

@: Voz di Aruba
Omroepstation op Aruba (zie @: Radioomroep).

 

@: Vrouwenarbeid

Voor vrouwen is het evenals voor jeugdige personen verboden nacht- of gevaarlijke arbeid te verrichten (P.B. 1952 nr. 93, art. 17). De nacht wordt in de Arbeidsregeling 1952 bepaald door de tijd volgende op 20.00 uur ‘s avonds en voorafgaande aan 7.00 uur ‘s ochtends. Deze tijdsbepaling kan door de bevoegde autoriteit voor bepaalde bedrijven onder voorwaarden verschoven worden tot uiterlijk de tijd volgende op 22.00 uur en voorafgaande aan 9.00 uur ‘s ochtends (P.B. 1961 nr. 150). Een wettelijke vaststelling van gevaarlijke arbeid als hierboven bedoeld heeft nog niet plaatsgevonden.

 

@: Vrouwenbeweging

Het streven van de vrouw naar het verbeteren van haar positie in de samenleving en naar gelijkberechtiging ten opzichte van de man is in de Antillen pas goed op gang gekomen met de oprichting op 15 oktober 1974 van de vereniging Steering Committee Curaçao die ongeveer 60 organisaties telde. Op elk van de overige eilanden heeft daarna een dergelijke steering committee het licht gezien.

Veel energie is gestoken in het inventariseren van de wetten, die voor de vrouw in de Nederlandse Antillen discriminerend werkten. Door in de wijken lezingen te organiseren kon gesproken en gediscussieerd worden over de acties, die ondernomen moesten worden om de gelijke ontwikkeling van man en vrouw te bevorderen. In 1975 resulteerde deze emancipatiedrang in het wettelijk opheffen van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. Het Landelijk Comité waarin vertegenwoordigsters van alle eilanden - dat inmiddels door minister-president J.M.G. Evertsz was geïnstalleerd, organiseerde in 1975 op Curaçao een Caribisch Vrouwencongres, waaraan meer dan 400 vrouwen uit de regio en uit de Verenigde Staten deelnamen. In 1978 volgde The Caribbean Congress on Prostitution op Bonaire en in 1979 het Caribisch Kindercongres op St. Maarten. Een Antilliaanse delegatie heeft de grote Vrouwenconferentie van Kopenhagen (1980) bijgewoond; twee jaar daarna werd deelgenomen aan een conferentie op St. Kitts, georganiseerd door de Cariwa (The Caribbean Women Association) met als thema Women on the move.

De vrouwenbeweging op de Antillen neemt in omvang toe; zowel bij vrouwen als bij mannen is een mentaliteitsverandering te constateren. In organen en commissies, waarin vroeger alleen mannen zitting namen, worden door de regering thans ook vrouwen benoemd, die geaccepteerd en gerespecteerd worden. De tientallen organisaties, die bij de vrouwenbeweging zijn aangesloten, bewegen zich op velerlei terreinen zoals o.a. in het vakbondswezen, in de politiek, in service-clubs en in buurthuiswerk. Ook worden diverse projecten, die door de vrouwengroepen worden voorbereid, door de Steering Committees eilandelijk gecoördineerd (o.a. budgettering en family-planning, opvang en begeleiding van jonge, ongehuwde moeders, zorg voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten).

Sinds 30 december 1982 heeft de vrouwenbeweging op Curaçao een Vrouwencentrum (Seroe Fortunaweg 8) met een dienstverlenende en vormende functie zowel voor georganiseerde als voor niet georganiseerde vrouwen.

 

@: Vruminga

(Formicidae) zijn een familie van in staten levende vliesvleugelige insekten (Hymenoptera), waarvan vele soorten in huizen lastig kunnen zijn, omdat ze verlekkerd zijn op zoete stoffen. Met de naam badjaga of carpenter wordt een grote, donkerbruine mier, behorend tot de Formicinae, aangeduid, die nogal agressief is en die vaak te vinden is onder uitgedroogde stammen, wortels, lakken, enz.; de ‘eieren’ (eigenlijk ‘poppen’) zijn tamelijk groot en licht van kleur. De groep van bladsnijders of parasolmieren (Attidae) is berucht door het beschadigen van tuinplanten. Meestal ziet men alleen de zgn. ‘werksters’, die buiten het nest fourageren en het vaak in de grond uitgegraven nest in- en uitlopen. Vlak voor regenbuien ziet men ook wel de gevleugelde mannetjes en wijfjes ‘s avonds op het licht afkomen; bij enkele soorten zijn massale volksverhuizingen, met medeneming van larven en cocons, geen zeldzaamheid. Er bestaat nog geen goed overzicht van de in de Nederlandse Antillen voorkomende soorten, waarvan het aantal zeker enkele tientallen zal belopen.

 

@: Vrije zônes

Bij Landsverordening van 13 juni 1956 (P.B. 1956 nr. 63) zijn regelen vastgesteld krachtens welke het mogelijk is in de Nederlandse Antillen vrije zônes in te stellen. Bij eilandsverordeningen zijn in 1957 op Curaçao en Aruba vrije zônes ingesteld. Daarna zijn bij Landsverordening Vrije Zônes 1975 (P.B. 1975 nr. 211) nieuwe regelen vastgesteld terzake van de instelling van vrije zônes. Onder een vrije zône wordt voor de toepassing van de landsverordening sedertdien verstaan: één aan een eilandgebied toebehorend en als zodanig aangewezen terrein, waar goederen kunnen worden opgeslagen, verpakt, bewerkt, gemonteerd, tentoongesteld en uitgeslagen, dan wel andere behandelingen kunnen ondergaan.

Op goederen in-, op- en uitgeslagen in c.q. uit een vrije zône zijn geen invoerrechten verschuldigd zolang deze goederen niet naar het binnenland van de Nederlandse Antillen worden geleverd. Voorts is de winst van ondernemingen die tot een vrije zône zijn toegelaten en aldaar hun bedrijf uitoefenen, voorzover deze winst niet is verkregen uit verkoop naar het binnenland, tot het boekjaar dat aanvangt na 30 juni 1999 onderworpen aan een belasting van 2% (inclusief eilandelijke opcenten). Voor winsten verkregen uit verkoop op de binnenlandse markt geldt het normale winstbelastingtarief.

Verkoop van goederen op de binnenlandse markt is toegestaan tot maximaal 25% der totale omzet na door de eilandelijke overheid gegeven vergunning. Het doel van de vrije zônes is om werkgelegenheid te bevorderen en om de Nederlandse Antillen uit te bouwen als internationaal distributiecentrum. Eind 1982 is door een commissie ter herziening van belastingfaciliteiten een voorstel gedaan aan de Centrale Regering, inhoudende onder meer wijziging van de Landsverordening Vrije Zônes 1975, in die zin dat ook industriële activiteiten in een vrije zône worden toegestaan.

De vrije zône van Curaçao is gesitueerd op het Koningsplein aangrenzend aan de Brionwerven. De totale oppervlakte is 271.572m². Het aantal gevestigde bedrijven is 46 met een totale werkgelegenheid van 450 man. De goederenomzet in 1982 bedroeg NAf 131 miljoen. De vrije zône van Curaçao wordt beheerd door de Curaçao Industrial & International Trade Development Company (CURINDE), een overheids N.V. Gewerkt wordt aan een uitbreiding.

De vrije zône van Aruba wordt beheerd door de Dienst Economische Ontwikke¬ling. Zij beslaat een oppervlakte van 3,3 ha en is gesitueerd aangrenzend aan het haventerrein in Oranjestad. Ook hier wordt gewerkt aan een uitbreiding, in dit geval nabij Bus¬hiri, op korte afstand van het havenge¬bied Oranjestad. Het totaal aantal werknemers bedroeg in 1980 68. De goederenomzet bedroeg in datzelfde jaar ruim NAf 50 miljoen.

 

@: Vrijhaven

Vanwege de lage invoerrechten worden de Nederlandse Antillen vaak een vrijhaven genoemd; eigenlijk zijn alleen de Bovenwindse Eilanden vrijhavens; daar worden in het geheel geen invoerrechten geheven.

 

@: Vrijmetselarij

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Geschiedenis
Sectie 1: Toelichting vooraf
Sectie 2: St. Eustatius
Sectie 3: St. Maarten
Sectie 4: Curaçao
Sectie 5: Aruba
Sectie 6: Bonaire

Hoofdstuk 3: Overige maçonnieke groeperingen

Hoofdstuk 4: Liefdadigheid en sociaal werk

Hoofdstuk 5: Ledental


En nu volgt de behandeling van het onderwerp

Vrijmetselarij Hoofdstuk 1: Inleiding

Vrijmetselarij of maçonnerie (Engels: Freemasonry), ontstaan uit Britse middeleeuwse corporaties van steenhouwers (masons) - in haar moderne niet-ambachtelijke vorm als wereldbroederschap voortgekomen uit de eerste, in 1717 te Londen gestichte grootlôge - belichaamt niet zozeer een geestelijke stroming of sekte, als wel een ideeël en praktisch streven, tegen een achtergrond van bepaalde traditionele vormen en gebruiken, naar gezamenlijke en persoonlijke bezinning op de levenshouding. Zij beoefent in haar werkplaatsen of lôges ‘levenskunst’ en zoekt te zijn ‘het middelpunt van vereniging en de bron van trouwe vriendschap tussen mensen die anders in een voortdurende verwijdering van elkaar zouden zijn gebleven’, daarbij in godsdienstig opzicht ‘hun bijzondere meningen aan henzelf overlatende’, aldus het eerste maçonnieke wetboek (1723). De huidige beginselverklaring van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden zegt daarover, dat zij streeft ’naar de veelzijdige en harmonische ontwikkeling van mens en mensheid’, opzoekt ‘wat mensen en volken verenigt en tracht weg te nemen wat de geesten en gemoederen verdeelt’. Dit streven vond in de Nederlandse Antillen van de 18de eeuw met haar in alle opzichten zo heterogene bevolking aanstonds een vruchtbaar arbeidsveld. In de loop van ruim twee eeuwen werd hier een dertigtal lôges gesticht, waarvan sommige om nader te noemen redenen niet lang hebben bestaan. Daarnaast ontstonden enkele organisaties voor zogenaamde Hoge Graden, die onder het hoofd Overige maçonnieke groeperingen hierna besproken zullen worden.

 

Vrijmetselarij Hoofdstuk 2: Geschiedenis

  • Sectie 1: Toelichting vooraf

Door onvoldoende documentatie is de 18de-eeuwse geschiedenis van de vrijmetselarij in de Nederlandse Antillen nogal vaag. Veeltaligheid ter plaatse heeft bij historici tot naamsverwarring geleid, waardoor meer lôges genoemd worden dan er in feite bestonden. Het overgaan van een lôge van het gezag van de ene grootmacht naar dat van een andere vertroebelde mede het beeld.

Over het geheel loopt de ontwikkeling van de vrijmetselarij in de Nederlandse Antillen parallel met de economische geschiedenis. Vandaar dat het Bovenwindse eiland St. Eustatius reeds in 1747 een lôge kende, terwijl op het Benedenwindse eiland Aruba pas na het opkomen van de olie-industrie, omstreeks 1920, maçonnieke activiteiten een aanvang namen. Dezelfde St. Eustatius weergeeft een ander voorbeeld van de verbondenheid tussen economie en maçonnieke activiteiten: toen de economie aldaar instortte, hielden de lôges op te bestaan.

  • Sectie 2: St. Eustatius 

Negen jaar vóór de Republiek een soevereine grootlôge bezat, tien jaren voordat in het voormalig Nederlands Indië een lôge tot stand kwam, werd op St. Eustatius door de Gouverneur van het Brits-Caribisch gebied, William Matthew, die door de Engelse Grootlôge tot provinciaal grootmeester was benoemd, aan veertien Engelsen een stichtingsbrief of constitutie verleend onder de naam Lodge of Free and Accepted Masons of Sta. Eustatia. Voorzitter van deze lôge werd Edward Gilliard, die later (1754) tot gedeputeerd provinciaal grootmeester werd aangesteld. In 1757 ontving William Crawford met vijftien anderen vanuit Holland een constitutie onder de naam Lôge St. Pieter en in 1758 verkreeg Nic. Huet Duplessis samen met een aantal andere vrijmetselaren toestemming om de Lôge Les Parfaits Maçons op te richten. In het jaar daarop werd Jacobus Meykell als eerste aangewezen als Hollands provinciaal grootmeester voor St. Eustatius. De oude Engelse lôge schaarde zich daarop onder het Nederlandse gezag en kreeg de naam van St. Jan de Doper. Nic. Heyliger volgde toen Meykell op. Onderlinge twist zal mogelijk aanleiding zijn geweest dat deze lôge onder Engels gezag terugkeerde als Union Lodge. Een jaar later, in 1773, werd de Lôge Deugd Beloond of Virtue Rewarded met een provinciale constitutie opgericht. Omdat Les Parfaits Maçons inmiddels was opgeheven, bestonden op de Golden Rock - zoals St. Eustatius destijds werd genoemd - drie lôges toen in 1776 het incident met de Andrea Doria plaats vond. De garnizoenscommandant Abr. Ravené, die bevel gaf tot het historische saluut, behoorde tot de stichters der laatste lôge. De strafexpeditie van Rodney in 1781, gevolgd door het Franse bestuur, overigens onder Charles Chabèrt uit de lôge van Huet Duplessis, zal de lôges volledig uiteengeslagen hebben.

Tien jaar na deze ramp verleende de Nederlandse provinciaal grootmeester J.P. Heyliger aan B. Watson en zes anderen een voorlopige constitutie onder de naam Unity Lodge, waarschijnlijk dezelfde die in 1793 een constitutie uit Holland kreeg onder de naam Concordia, terwijl daarnaast eveneens in 1793 de Lôge Willemstad zou zijn opgericht. Deze beide zullen op dat moment de enige lôges op St. Eustatius zijn geweest. In 1800 werd op de jaarvergadering van de Orde in Den Haag gewag gemaakt van de stichting van de Lôge Reunion, waarvan de naam - zo hier niet in feite gedeeltelijk de gelijknamige lôge te Curaçao uit dat jaar is bedoeld - de vereniging van de beide vorige doet vermoeden. Kort na het eind van de Engelse overheersing ontving de Nederlandse grootmeester prins Frederik bericht dat R. ‘t Hoen, de boekhoudergeneraal, als zeer ijverig maçon hem over de toestand van de vrijmetselarij op het eiland zou kunnen inlichten. Om nader te noemen redenen ging de prins hier niet op in. Zo bleef ook de aanvraag in 1818 van de Gouverneur Abr. de Veer en achttien anderen tot oprichting van de Lôge De Eendracht onbeantwoord, hetgeen met de economische neergang, het einde betekende van de reguliere vrijmetselarij op St. Eustatius.

  • Sectie 3: St. Maarten

Van maçonnieke activiteit op de andere Nederlandse Bovenwindse Eilanden, die mede onder het gezag stonden van de provinciaal grootmeester op St. Eustatius, is bekend dat er omstreeks 1800 op St. Maarten twee lôges hebben bestaan, respectievelijk genaamd Unie No. 3 en Charity. Voorzitter van de eerste was toen de koloniaal secretaris A. van Heyningen Jr. Uit een brief blijkt voorts dat deze lôge reeds in 1797 bestond. Na 1816 ging de vrijmetselarij hier echter dezelfde weg als die op St. Eustatius, alhoewel het niet onmogelijk is dat er omstreeks 1835 nog korte tijd de Lôge Justitia heeft bestaan. Daarna heeft het lange tijd geduurd voordat er op St. Maarten een lôge werd opgericht. Pas in 1979 begon Union Lodge no. 266, die in hetzelfde jaar door de toenmalige provinciaal H.M. Perret-Gentil op Aruba was geconsacreerd, haar activiteiten in Philipsburg.

  • Sectie 4: Curaçao

Eerst tien jaar na St. Eustatius werd op Curaçao in 1757 een lôge gesticht, namelijk De Vriendschap, waarvoor een constitutiebrief uit Holland werd meegebracht door de als provinciaal grootmeester aldaar aangestelde Hendrik Rietveld. Jacobus Buys was de eerste voorzitter. Selectiviteit verhinderde waarschijnlijk de groei van de lôge en als in 1774 Is. Gouverneur en Jacobus van Schagen de leiding hebben, komen er moeilijkheden met een Engelse herbergier, John Jones. Deze had van de Engelse provinciaal grootmeester in Jamaica een constitutie voor een tweede lôge verkregen, genaamd L ‘Union, die op Jones’ verzoek door Holland werd geratificeerd. Nadat dit was gebeurd, berichtte L ‘Union dat zich op Curaçao vele vrijmetselaren bevonden: Engelse, Franse, Hollandse, Italiaanse, Spaanse en Amerikaanse, ‘die de Broederschap vermag te verenigen als in de boezem van een gezin en in een vaderland’. Van een aaneensluiting op grotere schaal blijkt echter geen sprake. John Jones was overigens in 1774 tevens als provinciaal grootmeester aangesteld, daar De Vriendschap niets meer van zich had laten horen. Als Jones in 1785 aan de secretaris van de Raad, P.B. van Starkenborgh en twaalf anderen een voorlopige constitutie uitreikt, is de Lôge De Vergenoeging geboren. Wrijving met Jones deed Van Starkenborgh ratificatie in Holland aanvragen, welke in 1787 werd verleend. Politieke en andere verschillen hebben ertoe bijgedragen dat beide lôges nagenoeg geen contact met elkaar hebben gehad. In 1798 gaat L ‘Union ‘in ruste’. Jones bleef echter provinciaal grootmeester. De Vergenoeging betrok in 1799 een nieuw gebouw, maar Jones stichtte in 1800 een nieuwe lôge door aan officieren van het Franse fregat ‘La Vengeance’ een constitutie te verlenen onder de naam La Réunion des Coeurs. Het schip vertrok nog in hetzelfde jaar, maar Jones richtte in 1804 onder Nederlands gezag een tweede lôge voor Fransen op, La Parfaite Sincérité, waarvan de Gouverneur Changuion in 1806 erelid werd. Met de Fransen zou deze lôge verdwenen zijn.

In 1808 kwamen met de Engelse bezetting leden van de Engelse lôge Second B. Eighteenth Royal Irish Regiment of Foot over, die tot 1815 op Curaçao zijn gebleven. Daarnaast werd onder Engelse constitutie opgericht de Union Lodge No. I. Van Starkenborgh, die na een onderbreking, sinds 1801 weer De Vergenoeging voorzat, besloot tenslotte wegens interne moeilijkheden tot samengaan met de Engelsen. Jones was voorzitter van de Union, maar als deze zich met De Vergenoeging verenigt in 1811 en onder de naam Lodge of Contentment and British Union verder wordt gewerkt, krijgt Van Starkenborgh de leiding met de Engelse gouverneur Layard als zijn gedeputeerde.

Na het vertrek van de Engelsen blijft hun lôge nog tot 1821 bestaan. Uit een briefwisseling met prins Frederik blijkt dat Van Starkenborgh het provinciaal grootmeesterschap voor zich opeiste en dat hij om formele redenen De Vergenoeging tenietgegaan achtte. Hij vroeg dan ook een nieuwe constitutie. De prins kon echter op deze verzoeken niet ingaan omdat de lôges in de West geplaatst waren onder het gezag van België. De aanvragers van Curaçao zouden er aanvankelijk niets voor gevoeld hebben om hun verzoek aan het nieuwe gezag te richten, met alle gevolgen van dien. In 1819 trad Van Starkenborgh tenslotte teleurgesteld af. De koloniaal secretaris William Prince nam nu de leiding van de gecombineerde lôge en maakte in 1821 beide weer zelfstandig. Alhoewel dit waarschijnlijk de tijd van haar grootste maatschappelijke invloed is geweest, deed toch de economische neergang kort daarna het voorlopige einde van de vrijmetselarij naderen. Last met de huisvesting der lôges bemoeilijkte daarbij de bijeenkomsten. In 1831 ging De Vergenoeging, zij het tijdelijk, ‘in ruste’ en kort daarna beeindigde Union voorgoed haar activiteiten. Toch waren er actieve krachten, zoals Josuah Naar, die met tien anderen een lôge, La Perfecta Igualdad onder de Grootlôge van Nieuw Granada - het tegenwoordige Colombia - stichtte en deze werkplaats op 13 januari 1850 consacreerde. Een meningsverschil in deze lôge leidde tot een splitsing onder de leden, als gevolg waarvan de ene partij verkoos zich bij de leden van De Vergenoeging te scharen, die een heractivering van de lôge in ruste beoogden, terwijl de andere partij zich tot Engeland wendde om een constitutiebrief. Zo kwam de Igualdad Lodge No. 653 E.C. op 28 oktober 1855 tot stand, waarin veel leden van Curaçaose Joodse families naast Engelsen en Amerikanen werden opgenomen.

Reeds in de 18de eeuw werden de vrijmetselaarslôges - wegens haar doelstellingen - terecht gezien als een middel tot emancipatie. De vermaarde P.C. Leon, herhaaldelijk voorzitter van Igualdad, was een strijder voor de belangen van de minderheden. Hierdoor kwamen nieuwe groepen van de bevolking met de vrijmetselarij in aanraking. Soms leidde dit tot mislukkingen: zo bij de Lôge Acacia, in 1869 gesticht onder het Grootoosten van Nieuw Granada, die slechts een tiental jaren bestond alsmede bij de - eveneens zo genoemde Lôge Acacia die in 1919 werd opgericht onder de Grootlôge van Venezuela en in 1954 ‘in ruste’ ging. In tegenstelling tot de in 1921 opgerichte Lôge Humanitatis Vinculum, die in 1935 ophield te bestaan, vertoont de in 1960 gevormde Lôge Phoenix No. 227, die door D. van der Ree, H.M. Perret Gentil, W.R. Boom, A.J.C. Bakhuizen, A.A. van der Meulen, E. Dankmeijer en J. Breedijk werd opgericht een gestage groei om terug te keren tot De Vergenoeging: door Antony Beaujon en anderen werden pogingen gedaan een nieuwe Nederlandse lôge op te richten. Deze leidden ertoe dat in 1854 de oude Vergenoeging heropend werd. Tot gedeputeerd grootmeester voor de kolonie Curaçao werd in 1859 Beaujon benoemd, nadat sinds 1839 deze kolonie onder de gedeputeerde te Paramaribo had geressorteerd. Anthony Beaujon werd in 1864 opgevolgd door P. Is. Beaujon. Daarna benoemde het hoofdbestuur der Orde als vertegenwoordigers in de Kolonie Curaçao (later Nederlandse Antillen) respectievelijk de volgende vrijmetselaren:

  • G.A.L. Ferguson van 1888-1912;
  • F.W.P. Winkel van 1912-1945;
  • J.H.P. Schrils van 1945-1951;
  • C. Winkel GAz. van 1951-1962;
  • W.A. Winkel van 1962-1969;
  • J.C. de Vries van 1969-1976;
  • H.M. Perret Gentil van 1976-1980 en
  • S. van Trigt sedert 1980.

Bij de oprichting van de Provinciale Grootlôge voor de Nederlandse Antillen in 1963 werd de functie van gedelegeerde van het hoofdbestuur gewijzigd in die van provinciaal grootmeester voor de Nederlandse Antillen.

  • Sectie 5: Aruba

In 1921 werd op aanvrage van L.J.M. Henriquez en zeven anderen de Lôge El Sol Naciente onder het Grootoosten der Nederlanden gesticht. Naast Arubanen waren in verhouding vele Amerikanen van de Lago Oil Company bij deze lôge aangesloten. Door een veranderd personeelsbeleid na het jaar 1960 nam hun aantal sterk af, hetgeen ook in de lôge merkbaar werd.

King Solomon’s Lodge, de tweede lôge op Aruba, werkte aanvankelijk onder de Grootlôge van Maryland, maar kwam in 1947 onder Nederlands gezag. King Solomon’s Lodge bestond grotendeels uit op Aruba werkende mannen afkomstig van de Engelse Antillen. Ook hier heeft het veranderd personeelsbeleid van de Lago zijn invloed gehad op het ledenbestand van deze lôge.

Op Aruba is een derde lôge, Hiram No. 102, werkende onder Venezolaans gezag.

  • Sectie 6: Bonaire

Op dit eiland heeft slechts kort een lôge bestaan. In 1876 werd door G.M.D. Fock van Coppendaal en zes anderen, onder wie de landeigenaren C.S. Boom, Ch.B Debrot en J.K. de Haseth, een aanvraag gedaan om een lôge op te richten. Hun werd in 1877 een constitutie verleend onder de naam De Harmonie, maar de stormramp van dat jaar verhinderde de installatie vanuit Curaçao, zodat de consecratie pas in 1878 kon plaats vinden. Haar ledental steeg niet boven 17 en in 1884, na het vertrek van Van Coppendaal, ging zij ‘in ruste’.

 

Vrijmetselarij Hoofdstuk 3: Overige maçonnieke groeperingen

Naast de tot dusver genoemde lôges, die werken in de oorspronkelijke graden van leerling, gezel en meester, bestaan er autonome organisaties, waartoe meester-vrijmetselaren kunnen toetreden. Reeds in 18de-eeuwse Curaçaosche documenten treft men graden als Royal Arch, Excellent Master en Knight Templar. Zo blijkt uit een briefwisseling met St. Maarten dat daar in 1798 een zogenaamde Royal Arch kapittel moet hebben bestaan.

De eerste corporatie in de Kolonie Curaçao werkende onder het gezag van het Hoofdkapittel der Hoge Graden in Nederland werd in 1867 opgericht en kreeg de naam Kapittel De Vergenoeging. Voorzitter daarvan is nu B. Kooijman. Een tweede kapittel, El Sol Naciente, werd in 1959 op Aruba geïnstalleerd. Voorzitter daarvan is momenteel F.W. Perotte. Gedeputeerd grootmeester van de Hoge Graden voor de Nederlandse Antillen is sedert 1980 W.R. Boom. Zijn broer J.I. Boom is lid van het Opperbestuur.

Kort na de oprichting van het eerste kapittel vond in 1876 door leden van Igualdad de stichting plaats van een lôge van Mark Master Masons genaamd Perseverance No. 184, vallende onder het gezag van de Grand Lodge of Mark Master Masons of England, een werkwijze die in Nederland pas sedert 1958 wordt beoefend. Daarna werd in 1953 aan de Lôge Igualdad een zogenaamde Royal Arch Chapter verbonden, ressorterend onder het Engelse Grand Chapter. Voorzitters van de Perseverance en het Igualdad Chapter zijn thans respectievelijk F.A.S. van Romondt en C.D. Kroon.

Tenslotte kwam als vijfde werkwijze in 1953 de stichting van de Areopagus De Vergenoeging door de Opperraad van de Schotse Ritus voor Nederland, welke de graden boven de achttiende beoefent. De areopagus op Curaçao werd in 1979 omgezet in een consistorie, waarvan E. Dankmeijer voorzitter werd. Met het toenemen van de belangstelling voor deze werkwijze werd het wenselijk geacht ook op Aruba een consistorie te vestigen. De installatie hiervan geschiedde in 1983 door de Soeverein Groot Commandeur B.J.D. Alberts. Voorzitter van dit consistorie, genaamd Solomon’s Wisdom, werd H.M.T. Steenhuisen. Vertegenwoordiger van de Nederlandse Opperraad in de Antillen is thans J.C. de Vries. Verder is het van belang te vermelden dat sedert 1955 de Areopagus General Santiago Marino No. 13, werkende onder Venezolaans gezag, op Aruba is gevestigd. Deze recruteert zijn leden voornamelijk uit het Kapittel Montes de Olivos No. 55, die eveneens onder Venezolaans gezag werkt.

Leden van Nederlandse en Engelse lôges werken over en weer in de genoemde organisaties met als doel levensbeschouwelijke verbreiding en verdieping, terwijl hier tevens de banden tussen de leden van de verschillende lôges worden versterkt.

 

Vrijmetselarij Hoofdstuk 4: Liefdadigheid en sociaal werk

Krachtens haar beginselen ziet de Orde van Vrijmetselaren het o.m. als taak ‘te bevorderen alles, wat geestelijke armoede, zedelijke en stoffelijke ellende kan doen verkeren in zedelijke rijkdom en stoffelijke welstand’. Behalve een zekere maatschappelijke invloed en bepaalde initiatieven in culturele richting ondernomen - typerend is de oprichting van een afdeling van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen in 1817 zijn er ook tastbaarder blijken gegeven. Zo werd bij incidentele rampen door de verschillende lôges hulp geboden. Van blijvender aard is echter geweest een aantal fondsen, verenigingen en stichtingen, dat, opgericht in een tijd toen er op de eilanden van de Nederlandse Antillen van overheidswege geen sociale voorzieningen bestonden, zeer goed werk heeft verricht. Met betrekking tot De Vergenoeging mogen worden genoemd het Fonds Frederik der Nederlanden (1876), bestemd voor schoolgelden van kinderen en wezen van minvermogende vrijmetselaren; het sinds 1889 werkzame, in 1917 in een vereniging omgezette Bedelaarsfonds, dat wekelijkse ondersteuning gaf aan ouden van dagen die gebrek leden, waardoor het bedelen werd beperkt; de eveneens reeds lang werkzame, maar in 1917 gevormde Vereniging Armenzorg, die fondsen bijeenbracht om de nood van armen van alle gezindten te lenigen; de Vereniging Fonds tot leniging van armoede (1932), die armen van alle gezindten in tijden van dringende nood steun verleende; daarnaast de Vereniging tot verschaffing van slaapplaatsen aan daklozen, die in 1908 twee gebouwen tot dat doel bestemde. Bij het 150jarig bestaan van de Lôge De Vergenoeging werd tenslotte nog opgericht het Jubileumfonds 1935 voor meer intern gebruik. AI deze fondsen nu zijn in 1956 tot één enkel fonds samengevoegd, de Maçonnieke Stichting Jubileum 1956, waardoor het beheer van kapitalen eenvoudiger werd en het rendement voor ondersteuning, mede door vereenvoudigde administratie, toenam.

Op maatschappelijk terrein is intussen bijzonder werkzaam geweest de Lôge Igualdad. Reeds in 1867 stichtte zij de maçonnieke begraafplaats Universelle om een waardige rustplaats te verschaffen aan hen die om geloofsovertuiging of levensomstandigheden niet elders begraven konden worden. In 1872 volgde de stichting van een school waar behoeftige kinderen gratis onderwijs ontvingen. Bestond deze slechts korte tijd, in 1897 richtte de lôge het Victoria fonds op met het doel aan minvermogenden kosteloos onderwijs in de Engelse en Spaanse taal te verschaffen, gevolgd in 1901 door de Vereniging tot bevordering van het onderwijs op Curaçao, welke zich meer algemeen de bevordering van het neutrale onderwijs ten doel stelde. Oppositie van rooms-katholieke zijde deed toen een heftige schoolstrijd ontbranden. Deze eindigde met de opening in 1934 door Gouverneur Van Slobbe van de Willem de Zwijgerschool, die in 1949 aan de overheid werd overgedragen. In 1940 heeft Igualdad nog gesticht het Sir Colville Smith Fonds om jongelui hulp te bieden voor verdere studie buiten Curaçao.

Van belang is verder te vermelden dat Igualdad in 1892 de vereniging Entierro Masónico oprichtte, die in 1920 overgegaan is in Asistencia Mutua, met als doel bijstand te verlenen aan behoeftige leden en hun familie bij ziekte en overlijden. In 1913 volgde de Sociedad Maçónica de Seguros Perpetuos ‘La Equidad’, die bij overlijden van een lid een bepaald bedrag benevens een polis met dezelfde rechten kosteloos aan een begunstigde verstrekt. In 1939 kwam tenslotte tot stand het G.J.J. Wouters Instituut voor blinden en doofstommen, dat steun verleent in de kosten bij oog- en gehoorkwalen. In 1955, een jaar voor De Vergenoeging daartoe over ging, heeft ook Igualdad haar fondsen geconcentreerd in een stichting Igualdad Centenary Benevolent Foundation.

De loges op Aruba bezitten sedert 1938 het Liefdadigheidsfonds F.W. P. Winkel, dat eveneens zeer actief is op charitatief en sociaal gebied.

 

Vrijmetselarij Hoofdstuk 5: Ledental

Het is niet mogelijk een statistisch overzicht te maken van het aantal lôgeleden in de Nederlandse Antillen, omdat daarvoor onvoldoende gegevens bestaan. Volstaan moge worden met de volgende cijfers.

  • Van St. Eustatius, dat in 1747 met 14 leden begon, zijn enkele ledenlijsten bewaard gebleven, waarvan slechts die van St. fan de Doper eenmaal het aantal van 42 leden vermeldt. Het totaal aantal leden op dit eiland zal waarschijnlijk nooit veel hoger dan 100 zijn geweest.
  • Een ledenlijst van St. Maarten uit het jaar 1797 vermeldt het aantal van 33 leden. In 1983 bedroeg het aantal leden van Union Lodge No. 266, dat in het jaar 1979 werd opgericht, 17. Begonnen werd met 15 leden.
  • Bonaire, aangevangen met 7 leden, bereikte in 1882 een maximum van 17 leden; twee jaar later hield de lôge aldaar op te bestaan.
  • Op Aruba, in 1920 begonnen met 9, springt dit aantal in 1935-1936 van 17 op 103, blijft daarna langzaam stijgen, met na de oorlog een nieuwe opleving van 111 in 1946 tot 167 in 1961. Dan volgt een wisselende daling tot 144 in 1983.
  • Tenslotte Curaçao: uit de 18de eeuw bestaan slechts sporadisehe gegevens. De hoogste opgave is die van De Vergenoeging in 1786, namelijk 66 leden. De 19de eeuw gaf een duidelijk beeld: bij de heropening in 1854 waren er 28 leden; in 1867 en 1872 toppen van 75 leden; daarna volgt een vermindering. Het dieptepunt werd in 1902 bereikt, toen het ledental daalde tot 32. In 1916 kwam de olie-industrie op Curaçao. Vele employées werden lid van De Vergenoeging. Reeds in 1919 telde deze loge 103 leden en in 1929 was het aantal 126. Anders dan op Aruba brengt de wereldcrisis hier een daling tot 103 in 1939. In 1958 is het aantal 120. In de 1960er jaren en daarna vindt er bij Shell Curaçao een sterke inkrimping van het uitgezonden personeel plaats, met als gevolg dat van de employés uit Nederland die lôgeleden waren, het grootste gedeelte repatrieert. In 1983 telde De Vergenoeging 56 leden die in de Antillen wonen en 11 leden die in het buitenland gevestigd zijn.
  • De Lôge Phoenix, die in 1960 met 20 leden begon, breidde zich gestadig uit en telt momenteel 51 leden. Igualdad heeft tijden gekend dat zij 150 leden had. Thans telt zij 75 leden. In totaal zijn er in 1983 in de Nederlandse Antillen 325 vrijmetselaars.

  

Vrijmetselarij Hoofdstuk 6: Literatuur:

  • Adresboek van de lôges, werkende onder het Grootoosten der Nederlanden (1982-1983);
  • E.A. Boerenbeker, De resolution van de Grote Lôge 1756-1798;
  • H. Castellon, Quien es quien en la Masonería Venezolana (1974);
  • Gedenkboek 150-jarig bestaan der Lôge De Vergenoeging, Curaçao (1935);
  • Gedenkboek ter gelegenheid van het 175-jarig jubileum van de Lôge De Vergenoeging, Curaçao (1960);
  • J. Hartog, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen, dl. II-IV (1957-1964);
  • J.V. van der Linde, History of Igualdad Lodge No. 653 E.C. Curaçao, (1979);
  • P.J. van Loo, Geschiedenis van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden (1967);
  • G.F.E.W. Lowenstein, Lijst van lôges (1962);
  • H. Maarschalk, Geschiedenis van de Orde van Vrijmetselaren (1872);
  • Oranje en de zes Caraïbische Parelen (1948);
  • Th.G.G. Valette, The Island of St. Eustatius and its Lodges (1931).

 

@: Vrijmoedige, De
Periodiek op Curaçao (1875-1920) (zie @: Pers).

 

@: Vrijwilligers Korps Curaçao / @: V.K.C. / @: VKC

Opgericht 23 juni 1929 onder de indruk van de gewapende overval door Urbina en de zijnen. De leden verbinden zich om in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of binnenlandse onrust op daartoe strekkende oproeping van de gouverneur onder de wapenen te komen ter verdediging van het eiland Curaçao of ter handhaving van het openbaar gezag.

 

@: Vrijzinnige Israëlitische Gemeente ‘Emanu-El’
zie @: Emanu-El.

 

@: Vijg
zie @: Figo.

 

@: Vijlvis
zie @: Pishiporko.

 


 

De letter W

w is de 23ste letter van het Nederlandse alphabet. In de Engelse taal wordt dit een double u genoemd en dat is precies wat de w in feite is, zowel in de oorsprong als voor wat betreft de schrijfwijze. Het is naar alle waarschijnlijkheid een inventie van het (oud) Engels, die ongeveer in de zevende eeuw A.D. door schrijvers van die taal in het algemeen als twee naast elkaar staande u’s werd neergepend. De Romeinse (Latijnse – ook de Romeinen schreven regelmatig twee u’s naast elkaar) invloed is mogelijk. Na verloop van tijd schijnt men in het Engels naar een manier van schrijven te zijn ontwikkeld, die de double u als een soort aan elkaar geplaatste paar v’s werd geschreven, met name de Gothen, die een sierlijke schrijfwijze tentoonstelden. Zodoende was de schrijfwijze van de double u zo omstreeks 1300 A.D. een heel eind richting de volledige w te zijn geëvolutioneerd. Desalniettemin sprak men nog steeds van een double u. Op grond van het Romeinse keizerrijk, kwamen Europese talen in contact, waardoor het geschiedde, dat de woorden in die andere talen, die zich op basis van het Latijns ontwikkelden, de klinkers dubbel u na verloop van tijd tot de medeklinkers v en soms b lieten verworden. De Romeinen noemden de betrokken rivier in Oost Europa bijvoorbeeld de Danuuius (de Donau), wat de Engelse taal en de Fransen uiteindelijk transformeerden in Danube (let op de b) uiteraard ieder met hun eigen specifieke uitspraak. Een ander voorbeeld: De Romeinse coruus (raaf) verwerd uiteindelijk in het Engels tot corvus (hier een v) en in de Franse taal corbeau (een b). In het Latijns van later tijdstip herrees het gebruik van de dubbele u maar toen als antwoord op de incorporatie van Germaanse of Engelse woorden met een w. Hierdoor kwam het te geschieden, dat de Romeinen, die aanvankelijk de w niet in hun Latijnse alphabet kenden, in later jaren toch de introductie van deze letter in hun taal meemaakten. Maar het is heden ten dage nog steeds zo, dat de talen die direct op basis van het Romeins zijn ontwikkeld geworden, veelal de letter w niet kennen en deze bijna uitsluitend gebruiken voor de bijvoeging van oer Engelse en Germaanse woorden. Doorgaans wordt de w dan met een hele nadrukkelijke v-klank uitgesproken; vergelijk de uitspraak van wagon in het Frans (vagon!). Deze v-vorming van de w vindt ook regelmatig in het Duits plaats! In het Engels zelf gebruikt men de w alternerend zowel als klinker (bijvoorbeeld low; few) of als medeklinker (bijvoorbeeld west; work), terwijl zij in een aantal woorden wel in de spelling is opgenomen, maar alleen op grond van de historische ontwikkeling van dat woord (bijvoorbeeld two; write – bij deze laatste woord wordt overigens toch een w gesproken, maar dan een hele zachte).

In het Nederlands is de uitspraak van de w meestal heel duidelijk en in het algemeen spreekt ook de Papiamentstalige persoon een zware w.

 

 

@: Waaigat

(Laman chikí) in open verbinding met de Sint Annabaai staande inham op Curaçao, tussen de wijken Punda-Pietermaai en Scharloo te Willemstad. De ingang van het Waaigat met het aangrenzende deel van de Sint Annabaai biedt ligplaats aan de vele (Venezolaanse) fruitbarkjes, welke de drijvende markt van Willemstad vormen. Aan de landzijde van het Waaigat staat het herdenkingsmonument voor de gevallenen van de Tweede Wereldoorlog, ontworpen door de architect Fred. Carasso, in 1957 onthuld. Een groot gedeelte van het Waaigat is in de loop der jaren gedempt. Door het gebrek aan parkeerruimte in de binnenstad is o.m. een groot parkeerterrein hier aangelegd. Rondom het Waaigat is in steeds toenemende mate een functieverandering opgetreden: de vestiging van banken en andere financiële instellingen, overheidsdiensten e.a.

 

@: Wabi

(Acacia tortuosa) of dutch casha, hobada, obada, plantesoort uit de familie der Mimosaceae. Boom met 2 grote grijze doornen aan voet van de bladsteel; bladeren dubbelveervormig samengesteld; bloemen geel, in bolvormige hoofdjes; peul zwart. Benedenwindse Eilanden, St. Eustatius en St. Maarten. Op de Bovenwindse Eilanden worden alle acaciasoorten casha of cusha genoemd. Zeer algemeen in doornig kreupelhout.

 

@: Wagenaar Hummelinck, Pieter

(Vlaardingen 13 januari 1907) oprichter Carmabi, Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen en Natuurwetenschappelijke Werkgroep Nederlandse Antillen; redacteur van diverse series wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke publikaties betreffende het Caribische gebied (zie verder @: Biologisch onderzoek in de Nederlandse Antillen).

 

@: Wahlen O.P., Pater Raymundus Joannes Clemens

(11 januari 1871-?) redigeerde de Amigoe di Curaçao van 1901 tot 1918, vervolgens La Cruz tot 1940 (zie @: Pers).

 

@: Walbeeck, Johannes van

(1601?-1649?) de eerste directeur van Curaçao, was vermoedelijk Amsterdammer van geboorte. Hij studeerde voor enige tijd aan de Leidse universiteit en monsterde als jongeman van omstreeks 22 jaar aan op de zogenaamde Nassause vloot, een onderneming waar de West-Indische Compagnie buiten stond (zie West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis). Van Walbeeck was werkzaam op het admiraalsschip de Amsterdam als navigator en waarschijnlijk ook als cartograaf.

In 1627 zette hij zijn studies aan de Leidse universiteit voort - in wis- en natuurkunde - maar tegen het einde van hetzelfde jaar brak hij deze wederom af om in een ondergeschikte positie met Laurens Reaal naar Denemarken te reizen. Bij zijn terugkomst in Nederland monsterde Van Walbeeck aan op een vloot naar Indië. Twee jaar later bevond hij zich wederom in Nederland. In 1629 verwisselde hij de dienst in de Oost-Indische voor die in de West-Indische Compagnie. Van Walbeeck monsterde aan op de Neptunus als onder-commandeur. De Neptunus maakte deel uit van de vloot die klaar lag voor een (tweede) Braziliaans avontuur onder Hendrik Cornelisz Loncq. Terwijl Loncq reeds begin februari 1630 voor Pernambuco verscheen, kwam Van Walbeeck daar ruim twee maanden later aan. Aan de verovering van de stad nam hij dus geen deel. Reeds een dag na zijn aankomst werd hij geïnstalleerd als lid van de Politieke Raad, het hoogste bestuurscollege van de nieuw veroverde kolonie. Deze politieke carriëre sloot geenszins zijn militaire af. In Loncqs instructies was duidelijk geformuleerd dat hij door verscheidene ondercommandanten expedities zou laten uitvoeren naar het zuiden: Rio de Janeiro en Buenos Aires en, vanzelfsprekend, ook langs de Noord-Braziliaanse kust. Een van die zuidelijke expedities zou geschieden onder bevel van Van Walbeeck die de titel voerde van Admiraal op de kust van Brazilie. Reeds in hetzelfde jaar dat Loncq Pernambuco veroverde zeilde Van Walbeeck met een smaldeel naar het zuiden voor verkenningsdoeleinden. Deze tochten werden na Loncqs vertrek voortgezet. Waarschijnlijk verhinderde zijn promotie tot president van de Politieke Raad in 1632 hem om aan verdere expedities deel te nemen. Trouwens, reeds in maart 1633 vertrok Van Walbeeck met de gouverneur van de nieuwe kolonie, Dierick van Waerdenburgh naar Nederland om daar besprekingen te voeren. Dat toen reeds plannen bestonden voor de vestiging van een Nederlands steunpunt op een der Benedenwindse Eilanden is niet waarschijnlijk. Minder dan een jaar later waren echter de besprekingen der Heeren XIX in zulk een vergevorderd stadium geraakt, dat zij uitzagen naar een bekwaam leider voor hun nieuwe project; zij meenden die gevonden te hebben in Johannes van Walbeeck.

In een uitvoerige instructie werden de plannen van de Heeren XIX neergelegd die Van Walbeeck kreeg uit te voeren. De gehele onderneming slaagde naar wens en Van Walbeeck werd aldus de eerste ‘directeur’ van de Curaçao-eilanden, een functie die hij tot 1639 bekleedde. De West-Indische Compagnie benoemde hem daarop tot assessor van de in dat jaar ingestelde Hoge Raad van Brazilië waar hij tot 1642 verbleef. In dit laatste jaar bevond hij zich wederom in Nederland met het oog op het geven van advies inzake de voorgenomen expeditie van Hendrick Brouwer naar Chili, ‘in die quartieren gereijst hebben¬de’. Daarna moet hij teruggegaan zijn naar Brazilië. In 1647 wordt hij genoemd als ouderling van de Gereformeerde Kerk aldaar. Hij overleed, vermoedelijk in 1649, in Nederland. Evenals Petrus Stuyvesant behoorde Johannes van Walbeeck tot de kleine kring van ambtenaren in dienst van de eerste West-Indische Compagnie die een universitaire opleiding genoten hadden, of schoon hij evenmin als Stuyvesant deze voltooide. Hij miste de standvastigheid, was echter een ontwikkeld en bekwaam man die waarschijnlijk meer diplomatieke tact en souplesse bezat dan Stuyvesant. Zijn bekwaamheden werden door de Heeren XIX spoedig op hun juiste waarde geschat en men achtte hem zeker niet minder dan Stuyvesant geschikt voor de verantwoordelijke positie van directeur-generaal van Nieuw Nederland. Waarschijnlijk miste hij deze kans doordat niet hij maar Stuyvesant op het juiste moment in Nederland aanwezig was. (Zie verder Geschiedenis: Nederlandse periode.)

Lit.: Ondanks het feit dat in het archief van de eerste W.I.C. nogal wat correspondentie van de hand van Van Walbeeck aanwezig is, is er tot dusver nog geen studie over hem verschenen. Zie voor Van Walbeeck:

  • G.J. van Grol, De grondpolitiek in het West-Indische domein der Generaliteit (3 dln., 193447, 1980):
  • N. de Roever, Kiliaen van Rensselaer en zijn Kolonie Rensselaerswijck, Oud-Holland, VIII (1890):
  • Nicolaes van Wassenaer, Historisch Verhael alder Ghedenckweerdichste Geschiedenissen, deel V (21 dln., 1622-35);
  • Gedenkboek NederlandCuraçao 1634-1934 (1934).

 

@: Wals, Antilliaanse

Bepaalde Curaçaosche walsen vertonen een duidelijke Europese oorsprong (Schubert). De eerste Antilliaanse walsen rond 1850 waren nog niet onder invloed van de Iberische dansen van het vasteland, in tegenstelling tot de tumba en de danza, die de Afrikaanse invloed in het Caribisch bekken reflecteren. Door bepaalde ritmische accenten wordt het polyritmische effect gesuggereerd, dat de Antilliaanse wals van haar Europese voorbeeld onderscheidt.

 

@: Walvissen

(Cetacea) zijn zoogdieren, die geheel zijn aangepast aan het leven in de zee. De walvissen worden in twee groepen verdeeld, namelijk de tandwalvissen (Odontoceti) en de baardwalvissen of bayena (Mysticeti). In het Caribisch gebied zijn een dozijn tandwalvissoorten en een vijftal baardwalvissoorten bekend. De meeste van deze soorten zijn hier echter slechts af en toe gezien. De tropische zeeën zijn minder rijk aan soorten en aantallen walvissen dan de arctische en de antarctische wateren. Het is mogelijk dat de grotere rijkdom aan plankton in de koudere zeeen hiervan de oorzaak is; voor de baardwalvissen die van plankton leven, is dit zelfs meer dan waarschijnlijk. Over het voorkomen van walvissen bij de Nederlandse Antillen is weinig bekend. Strandingen op de kusten alsook waarnemingen op de open zee komen helaas niet altijd ter kennis van het Carmabi of van andere bevoegde instanties.

Onder de tandwalvissen van de Nederlandse Antillen is Flipper, de tuimelaar (Tursiops truncatus) of bottlenosed dolphin ongetwijfeld de meest voorkomende soort. Soms ziet men troepen van vele tientallen tuimelaars langs de eilanden trekken. Regelmatig komt elk exemplaar enige malen achtereen aan de oppervlakte om adem te halen en blijft dan weer minutenlang onder water. Soms kan men van de wal af de tuimelaars zien spelen en jagen, waarbij zij hoog het water uit kunnen springen. Bij de paring komen zij rechtop boven het water uit en dansen dan, al wrikkend met hun staart, gedurende enkele seconden over het wateroppervlak. Het jong wordt onder water geboren, na een draagtijd van ongeveer een jaar, en moet dan dadelijk naar de oppervlakte komen, wil het niet stikken. Het jong zoekt de onder de oksel gelegen melkklier op, waarna de moeder hem de melk in de mond spuit. Tuimelaars leven hoofdzakelijk van vis. Zij kunnen een lengte van 3,75 m bereiken. Hun leervermogen is groot, zoals te zien is in dolfinaria.

Van Kol vermeldt, dat hij bij Curaçao bruinvissen heeft waargenomen; dat was stellig de hierboven genoemde tuimelaar.

De potvis (Physeter macrocephalus), cachelot of sperm whale, de grootste tandwalvissoort, wordt af en toe in de Antilliaanse wateren gesignaleerd. Zij zwemmen in een kleine kudde bestaande uit een grote bull met twee of drie kleinere koeien. De stieren zijn gemiddeld 15-18m lang, de koeien gemiddeld 11m.

Van de baleinwalvissen is tot nu toe slechts één stranding in de Nederlandse Antillen bekend. Op 12 juli 1959 werd er één drijvend aangetroffen in de baai van Wacao, wat een Balaenoptera brydei (bryde’s whale) bleek te zijn. De totale lengte van het dier was omstreeks 13,50m; de schedel en enige skeletdelen worden bewaard in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden.

Literatuur:

  • De verschillende walvissoorten zijn te determineren met: W.F.J. Marzer Bruyns, Field Guide of Whales and Dolphins (1971).
  • P.J.H. van Bree geeft een lijst van in de Nederlandse Antillen waargenomen of te verwachten soorten: Stud. Fauna Curaçao 48 (1975).
  • H. van Kol, Naar de Antillen en Venezuela (1904);
  • G.J. Simons, Beschrijving van het eiland Curaçao, uit verschillende bronnen bijeenverzameld (1868, 1968).

 

@: Wama
zie @: Guano.

 

@: Wandu

(Cajanus cajan) of pigeon pea, plantesoort uit de familie der Fabaceae. Hoge heesterachtige plant; bladeren handvormig 3-tallig; bloemen geel of rood, in okselstandige trossen, peul zachtharig met lange punt en scheeflopende groeven tussen de zaden. Gekweekt. Afkomstig uit Afrika. Peulen en boontjes worden gegeten. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Wantsen

vormen de grote orde Heteroptera der insekten, die in de Nederlandse Antillen met honderden soorten vertegenwoordigd is. Typisch is vooral de zuigsnuit, die in planten, maar bij de roofwantsen in dieren wordt gestoken, om vervolgens plantesap of bloed op te zuigen. De voorvleugels zijn deels hard, deels vliezig en liggen kruiselings over elkaar over het meestal platte achterlijf. Er zijn behalve landbewoners ook oeverwantsen en waterwantsen. Een enkele soort vindt men zelfs met honderden bijeen op het zeeoppervlak: Trochopus plumbeus. Op het zoete water vindt men o.a. Microvelia longipes, het mannetje met zeer lange poten. De grootste soort, Letocerus spec., is een roofwants uit het water, die mogelijk van het Zuid-Amerikaanse vasteland komt overgevlogen. Zeer algemeen, vooral op de Otaheiti is Dysdercus julvoniger subspec. modestus; de nymfen zijn opvallend rood, de volwassen dieren hebben bruinzwarte voorvleugels. Schadelijk voor de Berenheinplant (aubergine) is de grasgroene Arvelius atropunctatus, die aan weerszijden een scherpe punt heeft aan het borststuk. Berucht is Triatoma maculata (fam. Reduviidae), die ook mensen steekt en in Zuid-Amerika overbrenger is van de ziekte van Chagas (verwekker hiervan is Trypanosoma cruzi). Zeer fraai zijn de netwantsjes (fam. Tingidae), die, met de loep bekeken, vleugeltjes als van kantwerk lijken te hebben.

Lit.: In de Studies Fauna Curaçao staan vele groepen wantsen beschreven.

 

@: Wapen

Voor het vaststellen van het wapen geldt hetzelfde als voor de vlag. Het wapen van de Nederlandse Antillen is in 1964 vastgesteld (P.B. nr. 161): ‘in goud zes sterren van azuur geplaatst in de vorm van twee kepers, het schild omzoomd van keel en gedekt met de Koninklijke Kroon. Wapenspreuk: Libertate unanimus met Latijnse letters van azuur op een lint van goud’.

Wapen Aruba:

Bij eilandsbesluit van 15 november 1955 werd een wapen voor het Eilandgebied Aruba vastgesteld. Door een wit kruis, dat devotie en geloof verzinnebeeldt, wordt het schild in vieren verdeeld. Links boven symboliseert een aloëplant de eerste bron van Aruba’s welvaart terwijl linksonder de handdruk de vriendschapsbanden met andere landen en volkeren aangeeft; de rode kleur van de beide handen geeft aan de edelmoedigheid, bescheidenheid, moed en werklust waarop die band gebaseerd is. Rechts boven is de Hooiberg het symbool van Aruba, rijzend uit de zee terwijl de groene kleur is gekozen om de blijdschap om de verkregen autonomie aan te geven. Rechtsonder wijst het rad op de industrie: de belangrijkste levensbron van het eiland. De leeuw boven het schild staat voor kracht en grootmoedigheid, benadrukt door de rode kleur terwijl de lauwerkrans het symbool is van vrede en vriendschap.

Wapen Curacao:

 

Voor het Eilandgebied Curaçao werd op 24 juli 1964 bij eilandsbesluit een wapen vastgesteld: een groot gekroond schild waarin een klein Hartschild van keel verticaal doorsneden wordt met een balk van sabel waarin drie St. Andrieskruisen van azuur. Met de gouden kroon op het grootschild en de varende kogge wordt de herinnering hoog gehouden aan de historische verbondenheid met Amsterdam. Het varende schip op een zee van azuur symboliseert de grote betekenis van de zee en de zeevaart voor het eiland terwijl de volgeladen Oranjeboom op de rechterhelft van het grootschild op de aarde van sinopel wijst op de rijpe vruchten die in figuurlijke zin zullen kunnen worden geplukt.

Lit.: L.H. Daal, Tua res agitur, kanttekening bij het wapen van het Eilandgebied Curaçao, in; KristOf VI, I (1982).

 

@: Warawara
zie @: Roofvogels.

 

@: Warmus

(Beta vulgaris) of roibit wordt geteeld als rodebiet (rubra) en als snijbiet (warmoes), waarvan de bladeren als groente worden gegeten.

 

@: Warmwaterbron

De enige bekende warmwaterbron van de Nederlandse Antillen is die nabij Ladder Point, zuidwest Saba; post-vulkanisch verschijnsel (zie @: Geologie).

 

@: Waru
zie @: Hibiscus.

 

@: Washikemba-formatie

De oudst bekende formatie van Bonaire, grotendeels bestaande uit vulkanische gesteenten; Boven-Krijt (zie @: Geologie).

 

@: Watakeli

(Bourreria succulenta) of bèshi di lora, guana, shimaruku di baka, watakeri, white chank, plantesoort uit de familie der Boraginaceae. Kleine boom met glimmende bladeren van variabele vorm; bloemen wit, geurig, ca. 2 cm doorsnede, in pluimvormige bloeiwijzen; vrucht een geel-oranjerode steenvrucht. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen.

 

@: Watapana

  • (1) zie Dividivi.
  • (2) Taal- en letterkundig tijdschrift dat van 1968-1972 is verschenen. De Arubaanse dichter Henry Habibe is als oprichter en redacteur de stuwende kracht hierachter geweest. Het blad besteedde veel aandacht aan het Papiamentu; twee themanummers zijn geheel in het Spaans verschenen (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).
  • @: Watapana shimaron

zie @: Mata galiña.

 

@: Waterlelie
zie @: Leli di awa.

 

@: Waterman, Nathaniel

(Rotterdam 17 maart 1883 - Amsterdam 31 januari 1961) Nederlands medicus, in 1916 benoemd tot eerste directeur van de in dat jaar opgerichte Openbare Gezondheidsdienst op Curaçao.

Werken: o.a.

  • Eenige hygiënische vraagstukken voor de Nederlandse Amillen, in: Ned. Tijdschr. v. Geneesk. 64 (1920), dl. I, biz. 1303-1316;
  • Hygiëne op Curaçao, in: T. Natuur en Mensch, 1934, 1-5 en verder 150 binnen- en buitenlandse wetensch. publikaties.

Literatuur:

  • Ph.H. Hartz, Geneeskunde, in: Oranje en de zes Caraibische Parelen (1948);
  • J. Straub, M. Waterman-Rippe en L. Boot, Biografie van N. Waterman, in: Elfde jaarboek van kankeronderzoek en kankerbestrijding in Nederland (1961).

 

@: Waterplantages
zie @: Watervoorziening.

 

@: Watersubsidie
zie @: Sociale voorzieningen: Armenzorg.

 

@: Watervoorziening

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Korte inleiding

Hoofdstuk 2: Geschiedenis

  • Sectie 1: Vóór de ontdekking
  • Sectie 2: Na de Nederlandse verovering in 1634
    Paragraaf 1: Direct na de verovering: waterplantages en labadera’s
    Paragraaf 2: Weidegronden voor vee; recognitiegeld en verzilting
    Paragraaf 3: Prijsvraag over watergebrek en economische stilstand en groei
    Paragraaf 4: Amerikaanse windmolens i.p.v. handpompen; dammenproject
    Paragraaf 5: S.E.L. Maduro & Sons’ putwaterdistilleerbedrijf
  • Sectie 3: De eerste helft van de 20ste eeuw
    Paragraaf 6: De komst van de olie-industrie en acute watervoorzieningsproblemen
  • Sectie 4: Huidige situatie:
    Paragraaf 7: Waterverbruik en waterwinning
    Paragraaf 8: Waterdistributie en waterprijzen

 

Hoofdstuk 3: Waterproductie en –distributie per eilandgebied

  • Sectie 5: Curaçao
  • Sectie 6: Aruba
  • Sectie 7: Bonaire
  • Sectie 8: Bovenwindse Eilanden

 

En nu volgt de behandeling van dit onderwerp

Watervoorziening Hoofdstuk 1: Korte inleiding
 

Vroeger lag het grondwaterpeil veel hoger dan tegenwoordig, waardoor de watervoorziening in het algemeen veel gemakkelijker was. Twee factoren zouden hiervan de oorzaak hebben kunnen zijn:

  • a. het ontbreken van bemaling en
  • b. een weelderiger ondergroei van cacteeën en gras, die de erosie tegenging en de neerslag in de bodem vasthield, waardoor er minder water bovengronds naar zee wegvloeide.

 

Watervoorziening Hoofdstuk 2: Geschiedenis

  • Sectie 1: Vóór de ontdekking

Primitieve volkeren zijn geneigd hun nederzettingen te stichten op reeds eerder bewoonde plaatsen, waar meestal water te vinden is. De dorpjes van de Curaçaosche Indianen lagen verspreid langs de baaien van de zuid- en oostkust. Zij legden er tuintjes aan, die uit de naaste omgeving van water moesten worden voorzien. De enige levende bronnen van het eiland, op Hato en San Pedro, lagen te ver weg, zodat zij zeer waarschijnlijk putten in de zachte grond langs de baaien hebben gegraven. Op de kaarten uit de Spaanse tijd staan deze verschillende xaguey’s (waterputten of kuilen) vermeld. Met behulp van een moderne topografische kaart van Curaçao kan men gemakkelijk hun juiste ligging bepalen. Deze xaguey’s zullen grotendeels slechts natuurlijke scheuren of holten in de kalksteenbodem aan de kust zijn geweest, zoals bijvoorbeeld de put van Careotavo (Carietabo) naast het oude landhuis van Pos di Rei op Steenrijk, beoosten Maripompun. De andere moeten gegraven putten of kuilen zijn geweest, en hebben grotendeels aan de oevers der baaien gelegen. Tegenwoordig treft men op de plaats van deze putten in het geheel geen begroeiing aan of een armoedige flora, die zout water voor lief neemt.

 

  • Watervoorziening Sectie 2: Na de Nederlandse verovering in 1634
    Paragraaf 1: Direct na de verovering: waterplantages en labadera’s

Uit de Spaanse getuigenverklaringen was gebleken, dat de bodem in de naaste omgeving van de versterking aan het Schottegat (bij het latere Pos Kabai) goed drinkwater bevatte (tegenwoordig vindt men er brak water of zelfs zeewater). Van daar werd het in ‘pijpen’ (watervaten) per boot naar De Punt (Punda) vervoerd (1635). Toen de stad zich uitbreidde, loste men het probleem van de watervoorziening op door overal waar mogelijk putten te laten slaan langs de oever van het Schottegat. Het vervoer van het water uit deze putten geschiedde in platboomde vaartuigen. Zo ontstonden de zogenaamde waterplantages. In dezelfde tijd begon men op wat grotere schaal regenputten (op het eiland altijd regenbakken genoemd) aan te leggen, oorspronkelijk alleen voor eigen gebruik, later ook voor de verkoop van regenwater aan anderen. Aangezien dit water zachter is dan bronwater gebruikte men het spoedig algemeen als drinkwater. Het putwater daarentegen kwam vooral voor de was en ander huishoudelijk gebruik in aanmerking. Dit vormde de oorsprong van de labadera’s (wastuinen), waar de was tegen betaling werd gedaan. Later is deze benaming eigennaam geworden.

  • Paragraaf 2: Weidegronden voor vee; recognitiegeld en verzilting

Reeds vóór 1680 was een deel van de weidegronden (savanna’s) van de Compagnie door de planters ‘ingezerkt’ (van een omheining voorzien), waarbinnen zij hun vee lieten weiden. Op deze gronden bevonden zich echter putten, die daardoor niet meer door anderen gebruikt konden worden om hun vee te drenken. In 1723 deden de Heeren X uitspraak in de geschillen, die over deze kwestie waren gerezen. Zij bepaalden, dat alle putten op de ingezerkte gronden eigendom van de West-Indische Compagnie waren en door de eigenaren van de omliggende plantages gebruikt mochten worden, tegen betaling van recognitiegeld. Het onderhoud van de putten zou door compagniesslaven geschieden. Directeur en Raden namen dit besluit over, echter met de gewijzigde bepaling, dat de putten door de gebruikers zelf moesten worden onderhouden. Op den duur nam de vraag naar water vanwege de groeiende stadsbevolking zodanig toe, dat men in de tweede helft van de 18de eeuw putwater ging betrekken van meer landinwaarts gelegen plantages. Het transport geschiedde met ezels, die aan elke kant van hun rug een vat droegen.

Bovendien verzoutten de terreinen langs de oevers van de baaien, met name die langs het Schottegat. Een groot gedeelte van de begroeiing aan de oever werd namelijk gekapt, zoals de mangelbomen (waarmee men kalk brandde) en de mansaliñabomen. De begroeiing was essentieel voor het erachter liggende land, daar de wortels van de bomen als het ware een barriere vormden voor het ondergronds stromende water, zodat de zee niet naar binnen kon dringen. Daaraan werd echter destijds niet gedacht. Een goed voorbeeld is de put op Pos Kabai (toen een gedeelte van het Ruyters Kwartier). De eigendom van deze put met een strook tot de rand van het Schottegat, had de West-Indische Compagnie lange tijd aan zich gehouden. In 1766 echter kwam de eigenaar van het terrein, waarop de put lag, in het bezit van de kuststrook, begroeid met mangelbomen e.d. Het gevolg was, dat begin 19de eeuw deze put werd dichtgegooid met toestemming van de overheid, omdat het water brak was geworden. Om deze en andere redenen, zoals het verwaarlozen van de vroeger aangelegde dammen (ter voorkoming van daling van het grondwaterpeil) moesten de putten aan de baaien worden vervangen. In het binnenland leverden de putten voldoende water op om in de eigen behoefte en die van de stad te voorzien. Er was zelden meer dan één put in een hofje van ongeveer één hectare.

  • Watervoorziening Paragraaf 3: Prijsvraag over watergebrek en economische stilstand en groei

Een prijsvraag van het Departement der Maatschappij tot Nut van het Algemeen in 1818 met als onderwerp de vraag, welke de geschiktste middelen waren om de inwoners van Curaçao voor watergebrek te behoeden, had geen verder gevolg. In 1838 poogde men een artesische put te boren in het Fort Amsterdam, maar men stootte slechts op zeewater en de put werd dichtgegooid.

De watervoorziening van de stad bleef bij het oude. Dit is niet verwonderlijk, aangezien Curaçao destijds een periode van economische stilstand, zo geen achteruitgang, doormaakte. Toen echter de toestand op politiek terrein in de naburige Zuid-Amerikaanse republieken zich stabiliseerde, werd Curaçao tussenstation en overscheephaven voor goederen van en naar Venezuela. Hierdoor steeg het aantal inwoners en de vraag naar drink- en spoelwater werd groter. De particulieren gingen meer regenbakken bouwen voor de verkoop van water. Daarnaast werden omstreeks 1860 de eerste door ezels getrokken waterkarren ingevoerd. Pogingen om het debiet van de putten te vergroten door het vervangen van het putrad door een handpomp mislukten, daar de conservatieve plattelandsarbeiders er niet mee wilden werken en wegbleven. Uit het feit dat men een handpomp gebruikte, blijkt weer, dat de grondwaterspiegel destijds hoger lag.

  • Watervoorziening Paragraaf 4: Amerikaanse windmolens i.p.v. handpompen; dammenproject

Omstreeks 1890 begon men ten behoeve van de irrigatie Amerikaanse windmolens met pompen te importeren. Hierdoor konden niet alleen hoger gelegen terreinen in cultuur worden gebracht, maar ook konden er oranjerieën worden aangelegd: de wortels van de oranjeboom gaan niet zo diep de grond in. Spoedig gingen de waterplantages ook van windmolens gebruik maken. Het algemeen grondwaterniveau daalde echter niet in deze periode. Wanneer er ergens een daling optrad, was het meestal bij de putten, die ook de stad van water voorzagen. Dit kon men evenwel verhinderen door het aanleggen van enkele dammen bovenstrooms van de put. Het evenwicht in de ondergrondse waterhuishouding werd dus niet verstoord. Het gouvernement gaf in 1893 een concessie aan de Amerikaan Smith om naar artesisch water te boren en een distributiesysteem voor Willemstad aan te leggen. Zijn boringen mislukten echter en, hoewel er leidingen werden aangelegd, liet slechts een enkeling zich aansluiten. Onder Gouverneur De Jong Van Beek en Donk (1901-1909) werd ter bevordering van land- en tuinbouw en veeteelt een veelomvattend plan ontworpen. Het doel was het grondwaterniveau te doen stijgen, althans bij toenemend verbruik verdere daling te voorkomen. Hiertoe moesten er over het gehele eiland volgens een van tevoren uitgedacht systeem dammen aangelegd worden, ten einde het bovengronds wegstromen naar zee van de neerslag te voorkomen. Daarnaast was het nodig dat het bestaande plantenkleed beschermd en zo mogelijk uitgebreid werd. Dit prachtige project is evenwel slechts uitgevoerd voor het valleisysteem Cas Cora-Sapate, waarvan in 1909 de bedamming gereedkwam. In de volgende jaren beperkte het bestuur zich tot het onderhoud van de bestaande en het incidenteel aanleggen van nieuwe dammen.

  • Watervoorziening Paragraaf 5: S.E.L. Maduro & Sons’ putwaterdistilleerbedrijf

Ondertussen was de concessie van Smith overgegaan op de firma S.E.L. Maduro & Sons, die naast het leveren van drinkwater vooral de schepen van water voorzag. Voor het laatste brachten de bestaande en door hen nieuw gegraven putten op betere terreinen niet genoeg op. De waterplantages, die bovendien over zachter water beschikten, kregen toen de leveranties. Daarop besloot de firma een klein distilleerbedrijf op te richten voor putwater. In 1911 begon dit bedrijf te draaien. Het putwater dat zij betrok, had echter een te hoog kalkgehalte, zodat het bedrijf na korte tijd de produktie wegens te sterke afzetting in de ketels moest staken.

  • Sectie 3: De eerste helft van de 20ste eeuw
    Paragraaf 6: De komst van de olie-industrie en acute watervoorzieningsproblemen

De komst op Curaçao van de mijningenieur G.J.H. Molengraaf  bracht vergroting van de belangstelling voor de watervoorziening van stad en haven (1921); het waterprobleem was door de enorme uitbreiding van de in 1916 op Curaçao gevestigde olie-industrie acuut geworden. Deze industrialisering van Curaçao en ook Aruba (sedert 1924) en de daardoor gestimuleerde secundaire nijverheid, handel en scheepvaart deden aan de andere kant de reeds geringe belangstelling voor de eigen bodem, de landbouw en de veeteelt sterk afnemen, hetgeen onder meer resulteerde in verval en doorbraak van de dammen in de rooibeddingen en toeneming van water- en grondverlies. De hofjes in en nabij de in de 1930er jaren sterk uitgebuite grondwaterwingebieden verdroogden en verziltten. In en na de Tweede Wereldoorlog kwamen de problemen van grond en water weer sterk in de belangstelling, hetgeen leidde tot een grootscheepse aanleg, in 1943-1952, van waterconserveringswerken op de Benedenwindse Eilanden. De rapporten van de commissie-Radulphus inzake minder gebruik van grondwater ten behoeve van de Watervoorzieningsdienst op Curaçao (1945), van het Hoofd van de Landswatervoorzieningsdienst (1946), van de directeur van het Departement Watervoorziening, Landbouw, Veeteelt en Visscherij (1946), voorts het Rapport voor de Stichting Welvaartsplan Nederlandsche Antillen (1946) door D. Dresden en J. Goudriaan (1947) alsmede het Voorloopig rapport inzake de waterhuishouding van Curaçao, Aruba en Bonaire door W.F.J.M. Krul (1947) bereidden successievelijk de weg voor een in 1948 op Curaçao en Aruba uitgevoerd veldonderzoek door laatstgenoemde hoogleraar, G. Santing en W.C. Visser. Over de resultaten daarvan werden in 1949 door het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening in ‘s-Gravenhage, gepubliceerd: Rapport inzake de waterhuishouding van Curaçao en Aruba (Krul), Nota inzake de hydrologie van Curaçao en Aruba (Santing), Nota betreffende de landbouw van Curaçao en Aruba (Visser) en Beschouwingen over de regenval (Visser). Een Engelse samenvatting van het eerste rapport verscheen in een publikatie van de Caribische Commissie, de Caribbean Economic Review van 1949 onder de titel Survey of water supplies in the Caribbean Netherlands West Indies, terwijl G. Santing en W.C. Visser hun nota’s tot artikelen herschreven, respectievelijk De waterhuishouding op de Nederlandse Antillen in de laatste tien jaren (1951, Jaarboek Studiekring 1948-1951) en Een onderzoek naar de waterhuishoudkundige grondslagen van de landbouw op de Benedenwindse Eilanden (1951, Landbouwkundig Tijdschrift). J. Beijering schreef over Waterconservatie en erosiebestrijding op de Nederlandse Antillen (1949, Landbouwkundig Tijdschrift) en Het vraagstuk van het behoud van het water op Curaçao (1950, De West-Indische Gids), terwijl van N. van Meeteren verscheen Grondwaterpeil en watervoorziening op Curaçao, voorheen en thans (1950, De WestIndische Gids). Een uitvoerig overzicht in vraag-en-antwoord-vorm over Problems relating to hydrology, water conservation, erosion control, reforestation and agriculture in Curaçao verscheen in 1962 van de hand van P.C. Henriquez (1962, Nieuwe West-Indische Gids). Enkele jaren daarna publiceerde hij Curaçao: will it be another man-made desert? (1965, T.K.N.A.G.).

  • Watervoorziening Sectie 4: Huidige situatie:
    Paragraaf 7: Waterverbruik en  waterwinning

Het gemiddeld huishoudelijk waterverbruik in liters/inwoner / dag is thans voor Curaçao ca. 65, Aruba ca. 63, Bonaire ca. 100 en de Bovenwindse Eilanden ca. 20. De methode voor waterwinning op de eilanden is ondermeer afhankelijk van de bodemgesteldheid (poreus of waterhoudend), de regenval en de waterbehoefte. Daar waar de bodem regen- en grondwater kan vasthouden zonder dat dit noemenswaard naar zee terugloopt, kunnen putten worden geboord. Met door windmolens of elektrisch gedreven pompen wordt dan het grondwater naar boven gebracht voor verder gebruik, zoals voor was- en sproeiwater. Ook wordt het regen water vaak in regenbakken opgevangen en als huishoudwater gebruikt. Door het bouwen van dammen kan het regenwater, zoals op Curaçao, worden verzameld en bijvoorbeeld voor agrarische doeleinden worden gebruikt.

Is de totale waterwinning op een bepaald eiland niet toereikend, dan kan water met tankers uit een naburig eiland worden geïmporteerd. Dit brengt echter hoge kosten met zich mee. Het hoofdaandeel van de waterleverantie op de Benedenwindse Eilanden wordt thans verkregen door de produktie van drinkwater uit zeewater door middel van een speciaal distillatieproces, de reeds verouderde zogenaamde multi-effect verdampers met ondergedompelde verhitterelementen en een moderner type, de zogenaamde meertrapsontspanningsverdamper. Bij dit laatste type wordt het ingedikte zeewater (pekel) eenmaal opgewarmd en daarna diverse malen (Curaçao 36x ; Aruba 36x en Bonaire 28x) verdampt in de ontspanningsruimten (trappen). Nadat de damp in iedere verdampingstrap de zogenaamde waterafscheiders is gepasseerd, wordt hij afgekoeld en gecondenseerd door de pekel, die als koelwater aan de binnenkant van koelpijpen wordt gebruikt. In de condensorsecties wordt zeewater als koelwater gebezigd. Het gevormde condensaat, dat hier distillaat wordt genoemd, wordt met ingenieuze opvanginstallaties verzameld en langs een goot afgevoerd voor verpomping naar de reinwaterinstallatie. Bij deze ontspanningsverdampers is gebruik gemaakt van het feit, dat het kookpunt van het water wordt verlaagd door reductie van de druk boven het wateroppervlak.

Het distillaat, dat uit de verdamper komt, is nog te zuiver, waardoor de smaak nog niet goed is; bovendien is het te corrosief voor de transportleidingen. Het wordt daarom eerst door kalkfilters geleid om de smaak te verhogen en de corrosiviteit te verminderen; daarna gaat het water door koolfilters om fenolen e.d. die met het distillaat zijn meegekomen, te verwijderen. Hierna is het gereed als drinkwater.

Watervoorziening Paragraaf 8: Waterdistributie en -prijzen

De waterdistributie op de eilanden geschiedt afhankelijk van lokale omstandigheden door middel van gietijzeren en/of stalen pijpleidingen, indien een distillatie-installatie aanwezig is. De waterdruk bij de verbruikers wordt voornamelijk in stand gehouden door op heuvels geplaatste tanks en/of watertorens. Op de eilanden is de grootste zorg van de waterdistributie om het lekverlies en ongeregistreerd verbruik zoveel mogelijk te beperken daar de produktie-kostprijs nog hoog is. Voor nog niet op de waterleiding aangesloten woningen in bepaalde gebieden zijn er openbare tapplaatsen, waar leidingwater met behulp van watertrucks en waterbakken kosteloos wordt verstrekt. Ook brengen waterventers met particuliere trucks tegen betaling het benodigde water aan huis.

De waterprijzen op de eilanden zijn NAf 4,55/m3 voor een bepaalde vastrechthoeveelheid, waarbij voor een meerverbruik prijzen van NAf 7,20/m3 worden berekend. Voor bepaalde industrieën en hotels geldt een tarief van NAf 7,65/m3.

 

Watervoorziening Hoofdstuk 3: Waterproductie en –distributie per eilandgebied

  • Sectie 5: Curaçao

Op Curaçao werd voor de produktie van drinkwater uit zeewater reeds in 1928 een zeewaterdistillatie-inrichting met een capaciteit van 50 á 60 m3/etmaal opgericht. Regelmatige uitbreidingen hadden sindsdien plaats. In 1948 werden op Mundo Nobo zes nieuwe eenheden voor zeewaterdistillatie geplaatst. In 1959 en 1963 volgden wederom uitbreidingen, maar gekoppeld aan opwekking van elektrische energie. Op 26 september 1975 werd opgericht Kompanía di Awa i Elektrisidat (K.A.E.), een overheids-N.V., (alle aandelen zijn in handen van het Eilandgebied Curaçao) die de produktie van elektriciteit en water heeft overgenomen. De produktiecapaciteit bedraagt voor elektrische energie 130 megawatt, voor drinkwater 38.000m³ per dag; het gemiddelde waterverbruik beloopt 25.000m3 per dag. Het hoofdtransportleidingnet heeft een totale lengte van 580 km. Voor de distributie is de N.V. Kodela verantwoordelijk (zie Elektriciteitsvoorziening).

  • Sectie 6: Aruba

Op Aruba werd de eerste verdamperinrichting met een produktiecapaciteit van 200m3/dag in 1933 te Balashi in bedrijf gesteld. Voordien werd water gewonnen door enkele met windmolens gedreven diepwelpompen, en door het opvangen van regenwater. Regelmatige uitbreidingen vonden sindsdien plaats en de huidige produktiecapaciteit bestaat uit vijf eenheden van 2.000m3/dag elk en een eenheid van 3.000 m3/dag. Het distributie-leidingnet heeft een totale lengte van ca. 200 km. De transportleiding voor industriewater bestaat uit een aluminium pijpleiding van 9,2 km lengte en een van een speciale kunststofsoort (p.v.c.) met een lengte van 3 km.

  • Watervoorziening Sectie 7: Bonaire

Op Bonaire werden in 1948 acht waterputten geboord in verschillende delen van het eiland. Door windmolens werd het water naar boven gepompt en langs leidingen gedistribueerd. Op diverse plaatsen is echter het grondwater inmiddels brak geworden en de hoeveelheid ontoereikend. In 1963 is daarom een meertrapsontspanningsverdamper geplaatst met een capaciteit van 500m3/dag. Voor de waterproduktie maakte deze verdamper gebruik van de warmte van de uitlaatgassen van de naastgelegen elektrische dieselcentrale. In 1972 werd een vapour compression zeewaterontziltingsinstallatie van 60m3/etmaal geplaatst. Deze installatie werd in 1975 uit bedrijf genomen; twee meertrapsontspanningsverdampers van elk 500m³/dag werden geplaatst. De totale produktiecapaciteit bedraagt 1.500m3/etmaal (1981).

  • Sectie 8: Bovenwindse Eilanden

Hier was het wegens de hogere gemiddelde regenval tot voor kort mogelijk om voor drinkwater goeddeels gebruik te maken van regenwater, dat op daken en gecementeerde berghellingen wordt opgevangen in bovengronds gebouwde regenbakken. Op St. Maarten is de waterbehoefte in de laatste jaren echter dermate gestegen, dat het aanvullende drinkwater met een tanker moet worden ingevoerd. In 1970 werd de eerste zeewaterontziltingsinstallatie geplaatst. Het betrof een meertrapsontspanningsverdamper met een capaciteit van 500m3/etmaal. De totale lengte van het hoofd- en transportleidingnet bedraagt 41,9 km. Voor Saba en St. Eustatius is een studie ter hand genomen om de watervoorziening voor de toekomst te verzekeren. Op deze Bovenwindse Eilanden is er nog vrijwel geen distributienet. Binnen afzienbare tijd wordt op St. Eustatius de bouw van de eerste waterfabriek verwacht, die drinkwater uit zeewater zal produceren.

 

@: Wathey, Albert Claudius / @: Claude Wathey

(Philipsburg, St. Maarten, 24 juli 1926) is sinds 1951 tot heden lid van de Eilandsraad en sinds 1962 lid van de Staten van de Nederlandse Antillen. Voor hij aan zijn politieke carriëre begon was hij werkzaam bij de firma van zijn familie (luchtvaart, scheepvaart, verzekeringen, reisbureaus enz.). In 1983 werd hem een ere-doctoraat rechten verleend door de universiteit Santa Maria in Caracas (Venezuela).

 

@:  Waya di awa
zie @:  Koraal.

 

@: Wayaká

(Guaiacum officinale) of lignum vitae (Bovenwindse Eilanden), soort uit de familie der Zygophyllaceae. Lage boom met gladde, vaak zeer dikke stam en donkergroene kroon; bladeren 2-3 jukkig, glanzend; bloemen in schermvormige bloeiwijzen in de vertakkingen van de jongste twij¬gen, licht blauw; vrucht 2-hokkig, oranje, met 5 rode zaden. Algemeen. Hout is zeer hard en wordt elders gebruikt voor het maken van linialen, draaischijven, katrollen enz. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Wayiki
zie @:  Klederdrachten.

 

@:  Waymouth, Josiah Charles

(St. Maarten 6 augustus 1852 - 29 april 1935) advocaat en journalist (St. Maarten Day by Day, New Life), lid van de Raad van Politie, heeft vooral bekendheid gekregen door zijn zogenaamde Los van Curaçao-beweging, die beoogde voor de Bovenwindse Eilanden een eigen rechterlijke macht te verkrijgen en een rechtstreekse band met Nederland aan te knopen. In zijn strijd werd hij bijgestaan door William Labega en de schrijver-politicus Anthony Reynier Waters Gravenhorst Brouwer (1892-1939), beter bekend als Broochie (Broertje) Brouwer, die in zijn weekblad Slag om Slag de misstanden in de kolonie Curaçao aan de kaak stelde, wat hem een gevangenisstraf opleverde.

Wrk.: Memories of Saint Martin 1852-1926 (z.j.).

 

@: Wea di funchi .

Grote ijzeren pot die gebruikt wordt voor het bereiden van de funchi en ook voor het bakken in hete olie (zie @: Voedingsgewoonten).

 

@: Weduwen- en wezenverzekering
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Weekdieren

(Mollusca) of schelpdieren omvatten de inktvissen, de slakken, de keverslakken, de olifantstandjes en de tweekleppigen. Bijna alle weekdieren hebben een uitwendige of soms inwendige schelp, maar deze kan ook gereduceerd zijn of zelfs afwezig zijn, zoals bij de Octopus en de naaktslakken. Over de samenstelling van de weekdierfauna van St. Maarten publiceerde Coomans drie artikelen. Een totaaloverzicht van de weekdieren van de Nederlandse Antillen is in bewerking. Uit de publikaties van Baker en Wagenaar Hummelinck blijkt het unieke karakter van de landweekdieren van de Benedenwinden als gevolg van langdurige isolatie (zie @: Slakken). Over de naaktslakken van de Antillen publiceerden Marcus c.s. Voor het determineren van schelpdragende weekdieren uit de zee kan men het werk van Warmke c.s. gebruiken, voor die uit zoetwater en van het land de dissertatie van Wagenaar Hummelinck. De volksnamen van de weekdieren van Boven- en Benedenwinden vindt men genoemd bij Coomans (1967).

In pre-colombiaanse tijd speelden weekdieren een rol als voedsel, zoals blijkt uit de op vele plaatsen aanwezige schelpafvalhopen (zie voor de determinatie van dit materiaal Coomans 1963). Heden ten dage is deze betekenis gering.

Literatuur:

  • R.T. Abbott, American Seashells (1974);
  • H.B. Baker, Land en Freshwater Molluscs of the Dutch Leeward Islands. Occ. Pap. Mus. Zool. Michigan Nr. 152 (1924);
  • H.E. Coomans, Rapport betreffende het economisch gebruik van Weekdieren van de Ned. Antillen (1959);
  • Idem, The Marine Mollusca of St. Martin, Lesser Antilles, collected by H.J. Krebs. Stud. Fauna Curaçao dl. 16 (1963);
  • Idem, De eerste schelpenfauna van Curaçao, in Simons’ beschrijving van dit eiland, 1868, Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 43 (1963);
  • Idem, The non-marine Mollusca of St. Martin (Lesser Ant.). Stud. Fauna Curaçao dl. 24 (1967);
  • Idem, Volksnamen voor Weekdieren op de Nederlandse Antillen, N.W.I. Gids, jrg. 47 (1970);
  • E. Marcus c.s., Stud. Fauna Curaçao dl. 19 (1963);
  • P. Wagenaar Hummelinck, Stud. Fauna Curaçao dl. I (1940);
  • G.L. Warmke en R.T. Abbott, Caribbean Seashells (1961).

 

 

@: Weersatelliet

is een kunstmaan, die speciaal voor meteorologische doeleinden is geconstrueerd en hetzij in een (meestal) circumpolaire baan (satellieten van Meteor- en Tiros-N-serie) dan wel geostationair boven een vast punt op aarde (satellieten van de Goes- en Meteosat-serie) in de ruimte is gebracht. Onder de belangrijkste waarnemingen, die met behulp van de weersatelliet worden verkregen, vallen de visuele en/of infrarood beelden van het aardoppervlak met de zich daarboven bevindende wolkenformaties. Deze beelden - en vele andere metingen van het aardoppervlak en de atmosfeer - worden radiografisch aan grondstations doorgegeven.

De Meteorologische Dienst van de Nederlandse Antillen beschikt op Curaçao over een eigen satellietgrondstation en kan de beelden van de verschillende weersatellieten direct en rechtstreeks ontvangen. In het kader van het World Weather Watch programma van de Wereld Meteorologische Organisatie is het systeem van weersatellieten zover geperfectioneerd, dat ontwikkelingen in de atmosfeer over praktisch het gehele aardoppervlak vrijwel continu gevolgd kunnen worden. Hierdoor is het o.a. mogelijk wolkenformaties te observeren en te volgen boven uitgestrekte gebieden als oceanen en woestijnen, waarvan vroeger door het vrijwel ontbreken van waarnemingen ternauwernood gegevens beschikbaar waren. Op deze wijze is reeds vele malen door weersatellieten orkanen in een vroeg stadium van ontwikkeling ontdekt en kon de ontwikkeling en verplaatsing daarvan van dag tot dag worden gevolgd. Weersatellieten worden tegenwoordig ook gebruikt als zogenaamde Data Collection Platforms voor verzameling van meetgegevens van geautomatiseerde weerstations in afgelegen gebieden, op vrij drijvende of verankerde boeien, alsook van daartoe uitgeruste commerciële vliegtuigen en schepen.

 

@: Wega
zie @: Pers.

 

@: Wekker, De
Periodiek op Curaçao, zie @: Pers.

 

 

@: Welzijnswerk

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleiding:

  • Sectie 1: Afschaffing slavernij leidt tot desorganisatie economisch leven
  • Sectie 2: De vestiging van de olieraffinaderijen
  • Sectie 3: De eerste geslaagden van de sociale academie en hun welzijnswerk
  • Sectie 4: Continue werk

Hoofdstuk 2: Welzijnswerk per eilandgebied

  • Sectie 5: Aruba
    Paragraaf 1: De zorg van centrale en eilandelijke overheid
    Paragraaf 2: Maatschappelijke dienstverlening en Jeugdzorg
    Deel 1: Stichting Reclassering
    Deel 2: Particuliere stichtingen
  • Paragraaf 3: Sociaal-cultureel werk
  • Paragraaf 4: Opbouwwerk
  • Sectie 6: Bonaire
  • Sectie 7: Curaçao
    Paragraaf 5: Landsregering en eilandelijke overheid hebben de zorg voor welzijnwerk
    Paragraaf 6: Antilliaanse Jeugdzorg en aangesloten instellingen voor maatschappelijk hulp
    Paragraaf 7: Sociaal-cultureel werk
  • Sectie 8: Sint Maarten

En nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Welzijnswerk - Hoofdstuk 1: Inleiding:

  • Sectie 1: Afschaffing slavernij leidt tot desorganisatie economisch leven

Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft, bracht de trek naar de stad en het verdere verval van de toch al kwijnende plantages een desorganisatie van het economisch systeem met zich mee. Een groot gedeelte van de ‘vrijen’ verviel tot armoede. In 1865 kwam het Reglement op het beleid der regering in de Kolonie Curaçao tot stand. In art. 183 werd bepaald dat het toezicht op het armenwezen en de nodige voorzieningen daaromtrent bij koloniale verordeningen en plaatselijke keuren werden geregeld. Het beginsel dat bijzondere en kerkelijke liefdadigheid prevaleerde, werd bevorderd. Pas op 30 maart 1921 kwam op grond van deze staatsrechtelijke bepalingen een verordening tot stand tot regeling van het armenwezen. Nog voor de inwerkingtreding hiervan, die op 1 januari 1922 was bepaald, werd bij gouvernements-beschikking van 8 december 1921, nr. 1.925 (P.B. 1921, nr. 80) dez e regeling ingetrokken. Bij de Interimregeling 1950 werd opnieuw vastgelegd hoe de zorg voor de armen door de overheid diende te geschieden. De uitvoering van deze armenzorg werd uiteindelijk aan de eilandgebieden overgedragen (zie @: Sociale voorzieningen).

  • Welzijnswerk - Sectie 2: De vestiging van de olieraffinaderijen

Na de vestiging van de olieraffinaderijen werden de samenlevingen van Curaçao en Aruba dynamischer door een vergrote economische ontwikkeling en een versnelde sociale mobiliteit, acculturatie en bevolkingstoename. Dit betekent echter niet dat de ontwikkeling van het sociaal welzijn gelijke tred heeft gehouden met de economische groei. Een aantal krottenwijken ontstond rondom het industriecentrum. De immigranten-arbeiders lieten hun gezinnen achter en kwamen ook in deze krottenbuurten terecht. De gezinsstructuur, deels door het slavensysteem gedesorganiseerd, veranderde niet. De ongehuwde moeder bleef een sociaal getolereerd verschijnsel. De bevolkingstoename ging gepaard met een verhoogd percentage onwettige kinderen. Het particulier initiatief, dat voornamelijk in handen lag van de Kerk, bleef vasthouden aan begrippen van maatschappelijke hulpverlening, die thuishoorden in de oude standenmaatschappij.

  • Welzijnswerk - Sectie 3: De eerste geslaagden van de sociale academie en hun welzijnswerk

In de jaren vijftig van de 20ste eeuw deden de eerste geslaagden van de sociale academie hun intrede in het werk. Zij moesten uitvoering geven aan de maatregel van armenzorg maar werden ook met de problemen van immateriële aard geconfronteerd. Nadat in de 1960er jaren verschillende sociale voorzieningen tot stand kwamen, kon een begin gemaakt worden met het welzijnswerk.

Het welzijnswerk beoogt:

  • in de eerste plaats de samenleving leefbaar te maken,
  • ten tweede bij de mensen weerbaarheid aankweken en hen leren voor hun eigen belangen op te komen,
  • ten derde trachten een klimaat te scheppen waarin of waardoor ieder lid van de samenleving gelijke kansen krijgt om zich optimaal te ontplooien zowel in materiële als in immateriële zin.

Het welzijnswerk omvat maatschappelijke dienstverlening, sociaal-cultureel werk en opbouwwerk.

In maatschappelijke dienstverlening zit een duidelijk element van sociale nood en van hulpverlening aan in nood verkerende individuen ter voorkoming of bestrijding van sociale, materiële en immateriële noden. Het maatschappelijk werk richt zich op het voorkomen, opheffen of verzachten van de maatschappelijke moeilijkheden van individuen of van bijvoorbeeld een gezin, mede in hun relatie met andere levensverbanden zoals huwelijk, woon- en werksituatie, school of maatschappij. De maatschappelijk werker beschikt over een lange lijst van methoden zoals crisisinterventie en taakgericht casework. De opleidingen worden nog voornamelijk in Nederland gevolgd al is er de laatste tijd een tendens waarneembaar om in de regio onderricht te worden.

Sociaal-cultureel werk vertoont duidelijk een vormend en emancipatoir karakter, het is ook preventief gericht.

Onder opbouwwerk verstaat men ‘het met en door de bevolking en ten behoeve van het welzijn van alle burgers (of burgers  in een desbetreffende groep) doelbewust en methodisch bevorderen van een zo bevredigend mogelijk functioneren van samenleving, buurt of ‘setting’. Schoolopbouwwerk tracht het gezamenlijk functioneren van school, ouders en buurtgroepen zodanig te beïnvloeden dat dit het functioneren van het kind in de school bevordert.

 

  • Welzijnswerk - Sectie 4: Continue werk

Het welzijnswerk is een continue zorg van zowel overheid als particulier initiatief. De centrale overheid zorgt voor sociale wetten om de levensomstandigheden van de mensen te verbeteren (zie @: Sociale voorzieningen). Onder die centrale overheid ressorteren Bureau Cultuur en Opvoeding (waaronder de eilandelijke Voogdijraden, het Gouvernements Opvoedingsgesticht (G.O.G.) en de stichtingen voor Kinderbescherming), het gevangeniswezen, de justitiële kinderbescherming, het Pedagogisch-didactisch bureau, Politie (kinder- en zedenpolitie) en Voogdijraad. De eilandgebieden hebben door eilandsverordeningen en -besluiten regelingen getroffen ter uitoefening van de maatschappelijke zorg.

Het particulier initiatief beweegt zich onder anderen op het gebied van jeugdzorg, zorg voor gehandicapten, buurthuiswerk, volwasseneneducatie en sportorganisaties.

 

Welzijnswerk - Hoofdstuk 2: Welzijnswerk per eilandgebied

  • Sectie 5: Aruba
    Paragraaf 1: De zorg van centrale en eilandelijke overheid

Het welzijnswerk op Aruba valt zowel onder de zorg van de centrale als van de eilandelijke overheid terwijl een aanzienlijk deel ervan door particuliere organisaties wordt gedaan. De overheidszorg en subsidie aan het particulier initiatief wordt gefinancieerd vanuit de eigen landelijke of eilandelijke begrotingen. Het particulier initiatief (vooral de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening) is voor de dekking van de exploitatiekosten grotendeels op subsidie van het eilandsbestuur aangewezen (internaatswerk, bejaardenzorg, gehandicaptenzorg, medisch-sociale zorg). Daarnaast wordt ook vaak financiering aangevraagd in het kader van de ontwikkelingshulp. Men is ook aangewezen op particuliere fondsen, donaties en eigen fondswervingsactiviteiten. De financiering van het sociaal-cultureel werk door de eilandelijke overheid uit de eigen begroting is daarentegen gering. Het werk wordt gekenmerkt door een tekort aan kader, een tekort aan financiële middelen en een gemis aan een integraal ontwikkelingsplan. Desondanks is er op de terreinen van het welzijnswerk een groot aantal stichtingen werkzaam.

  • Paragraaf 2: Maatschappelijke dienstverlening en Jeugdzorg
    Deel 1: Stichting Reclassering

De Stichting Reclassering en Kinderbescherming biedt hulp aan personen die in conflict met de justitie zijn geraakt of dreigen te komen door samen met hen te zoeken naar problemen in hun sociaal functioneren om deze - zo mogelijk op te lossen. Tot de taken van de afdeling Kinderbescherming behoren onder anderen:

  • het uitbrengen van voorlichtingsrapporten ten behoeve van de justitie over minderjarigen, die een strafbaar feit hebben gepleegd,
  • het verlenen van tijdelijke materiële hulp aan kinderen en de ouders van die kinderen en
  • het behandelen van problemen met minderjarigen van wie de ouders op geheel vrijwillige basis bij de Reclassering om raad hebben gevraagd.

 

  • Welzijnswerk - Sectie 5 - Paragraaf 2 - Deel 2: Particuliere stichtingen

De Stichting Sint Martinus is een voogdijinstelling, die het voogdijschap uitoefent over minderjarigen.

De Stichting Imeldahof te Noord staat evenals kinderdagverblijf ‘Te Aworo’ te San Nicolas (1962) onder leiding van de zusters van Bethanie.

De Stichting Cas pa Hubentud (1973) is meer bestemd voor kinderen met een algemene levensbeschouwing.

Voor meer algemeen maatschappelijk werk kunnen nog genoemd worden: Stichting Favi; Stichting voor slechthorenden; Stichting De Geestelijk Gehandicapten. Deze stichting, opgericht in 1964, is verantwoordelijk voor 4 instituten:

  • 1. Pasadía Bibito Pin met 3 groepen met in totaal 36 kinderen tussen 3-16 jaar;
  • 2. School Dunaman voor zeer moeilijklerende kinderen, bestaande uit 4 klassen met in totaal 48 kinderen tussen 8 en 18 jaar;
  • 3. Pasadía pa adulto (Piedra Plat / Brazil) voor personen boven de 16 jaar;
  • 4. Centro Sjabururi, een begeleidingscentrum voor volwassenen bestaande uit 72 personen in de leeftijd van 18 jaar en ouder, die enig werk verrichten.

 

  • Welzijnswerk - Sectie 5 - Paragraaf 3: Sociaal-cultureel werk

De Stichting Osticeba (Organisashon pa Stimulashon di Centronan di Bario) is het overkoepelend orgaan van de buurtcentra onder anderen te Noord, Dakota, Brazil, Playa Pabou, Lago Heights, Sabaneta, Ajo i Becindario en Tanki Leendert. De Osticeba stelt zich ten doel ‘op een niet religieuze noch politieke basis de ontwikkeling op het morele, sociale en fysieke vlak te bevorderen bij de bevolking op Aruba’. Het buurtwerk omvat tal van projecten zoals het opzetten van coöperaties, sanerings- en schoonmaakprojecten en manifestaties. Vormingsactiviteiten buiten buurtcentra om zijn o.a. cursussen voorbereiding huwelijk, naai- en kookcursussen, studieweekeinden. Cultuurbevorderende activiteiten omvatten ondermeer exposities, beeldende kunst, zang, toneel, dans, leerbewerken, keramiek en archeologie.

  • Paragraaf 4: Opbouwwerk

De Fundacion Desaroyo Ecologico Aruba (D.E.A.) heeft ten doel het bevorderen en stimuleren van sociaal-culturele milieu-werkgelegenheid in overeenstemming met een economisch en ecologisch harmonieuze ontwikkeling van Aruba voor meer self-reliance, self-sufficiency, self-supporting en werkelijke onafhankelijkheid. Zij tracht dit doel o.a. te bereiken door het opzetten en onderhouden van een alternatief bureau voor werkgelegenheid en het bevorderen van de Arubaanse agrarische cultuur.  

 

  • Welzijnswerk - Sectie 6: Bonaire

De Landsregering onderkende in 1977 de behoefte om de welzijnszorg op het eiland te bevorderen en stelde daarom een kracht op h.b.o.-niveau (h.b.o. = hoger beroeps opleiding en houdt in een deskundige die een graad minder dan op universitair niveau is opgeleid). beschikbaar. Na een orientatie onder de welzijnswerkers kon het Bureau Welzijnszorg in 1980 aanvangen met activiteiten op het terrein van de jeugdzorg, bejaardenzorg, sociale positie van de vrouw en gehandicaptenzorg. Het particulier initiatief kon gecoördineerd worden. De lokale instanties voor welzijnszorg worden bijgestaan en samenwerkingsverbanden worden tot stand gebracht. Op het gebied van de jeugdzorg wordt nauw samengewerkt met de sociaal-culturele werkers en met de buurtcentra; ook wordt medewerking verleend aan de hernieuwde stichting Reclassering. Het Maria Mazarello Paviljoen heeft de zorg over 24 voogdij- en weeskinderen. Door het toenemen van het aantal jonge ongehuwde (soms schoolgaande) moeders wordt aandacht besteed aan het project Mama soltera. De economische ontwikkeling van Bonaire brengt sociale problemen met zich mee, die alleen opgelost kunnen worden door een gezamenlijke aanpak van lands- en eilandsoverheid. In verband met de decentralisatie zal de bijdrage van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Bonaire aan het welzijnswerk intensiever worden.  

 

  • Welzijnswerk - Sectie 7: Curaçao
    Paragraaf 5: Landsregering en eilandelijke overhead hebben de zorg voor welzijnwerk

De Landsregering en de eilandelijke overheid hebben de zorg voor het welzijnswerk. De zorg van de laatste wordt in hoofdzaak beheerst door de eilandsverordening Regeling Maatschappelijke Zorg Curaçao (A.B. 1966, nr. 69). Onder de Minister van Welzijnszorg, Jeugdzaken, Sport, Cultuur en Recreatie ressorteert het op Curaçao gevestigde Gouvernements Opvoedingsgesticht (G.O.G.), een Landsinternaat voor jongens, die op grond van een rechterlijk vonnis (kinderrechter) geplaatst worden. Het doel van het internaat is een opvoedingssituatie te scheppen voor jongens in de leeftijd van 10 tot 14 jaar. Deze kinderen kunnen op grond van sociale en justitiële indicaties niet meer in het eigen gezin of eventueel pleeggezin opgevoed worden omdat zij dreigen af te glijden door het vertonen van een maatschappelijk negatief gedrag. Het G.O.G. wil hen helpen de moeilijkheden te overwinnen en hen weer op de goede weg brengen door hen te begeleiden in hun verdere geestelijke en lichamelijke ontplooiing.

  • Paragraaf 6: Antilliaanse Jeugdzorg en aangesloten instellingen voor maatschappelijk hulp

Instellingen voor maatschappelijke hulp, aangesloten bij de Antilliaanse Jeugdzorg, waaraan geldelijke steun wordt verleend, zijn o.a.:

  • a. Huize St. Jozef (1971), een tijdelijke opvang van kinderen die op de één of andere wijze vastgelopen zijn in hun ontwikkeling en in hun eigen milieu niet meer of onvoldoende geholpen kunnen worden. Er wordt gewerkt met het verticale systeem waar oudere kinderen de zorg krijgen voor de jongere. Jongens en meisjes zijn in co-educatief groepsverband. Tijdens de weekends gaan de kinderen zoveel mogelijk naar het gezin of pleeggezin terug. De bezettingscapaciteit van het internaat dat onder het bestuur van Stichting Bon Futuro ressorteert, is bedoeld voor 164 jongeren. De leiding berust bij 5 personen terwijl het personeel uit ± 55 personen bestaat waaronder 30 leidsters, die direct betrokken zijn bij het opvoedingsproces;
  • b. Stichting meisjestehuis ‘Casa Manita’ waar kinderen in de leeftijd van 2 tot 14 jaar die in hun eigen milieu geen ontwikkelingsmogelijkheid meer kennen zowel op sociale als op juridische indicatie kunnen worden geplaatst. Casa Manita biedt plaats aan ongeveer 60 kinderen;
  • c. Huize San Fernando waar voor 96 jongens in de leeftijd van 7 tot 13 jaar een gezonde gezinsvervangende opvoedingssituatie wordt geschapen;
  • d. Huize Rose Pelletier, bestemd voor het verschaffen van een passend tehuis voor werkende en studerende meisjes voor wie het verblijf in eigen milieu wegens maatschappelijke omstandigheden niet mogelijk of niet wenselijk is. Tijdens het verblijf in het tehuis worden de meisjes begeleid bij hun terugkeer naar de maatschappij. Bezettingscapaciteit: 22 meisjes. Jaarlijks ontvangt Huize Rose Pelletier een subsidie ten bedrage van het exploitatietekort. De werkende meisjes betalen 50% van hun inkomsten aan het tehuis tot een maximum van f 210,- per maand afhankelijk van de hoogte van hun inkomen; voor de studerende meisjes wordt een financiële regeling getroffen met de desbetreffende eilandelijke overheid of, zo mogelijk, met de ouders zelf;
  • e. Kinderhuis Hebron, het onder de stichting Jubia Bendita ressorterende protestants-christelijk tehuis voor de opvang van verwaarloosde en met ondergang bedreigde kinderen in de leeftijd van 0-6 jaar.

Binnen het kader van het onderwijsbeleid van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao is het Project Jeugdwerk in de wijk opgezet. Het project richt zich in principe op kinderen in de leeftijd van 6 tot 18 jaar die in wijken wonen waarin een groot aantal huishoudens in slechte sociaal-economische toestand verkeert. Ook het particulier initiatief kan door de landelijke en eilandelijke overheid gefinancieerd worden: Stichting Reclassering Curaçao (1947), Fundashon ‘Zorg voor geestelijk gehandicapten’, Vereniging van ouders en vrienden van geestelijk gehandicapten (Totolika).

Er zijn ook stichtingen, die gefinancieerd worden door donateurs, stichtingen, die zich inzetten tot het lenigen van sociale nood in de ruimste zin van het woord. Zo helpt de Stichting Ayudo Social Corsow (opgericht 1963) mensen, die zo weinig inkomen hebben dat zij honger moeten lijden en/of niet in staat zijn voor een behoorlijk onderhoud en behuizing te zorgen. Naast de wekelijkse voedselhulp betaalt Ayudo Social in bepaalde gevallen huishuur, schoolboeken en andere onkosten aan gezinnen. De stichting, die over 125 medewerksters beschikt, heeft ongeveer 200 gezinnen onder haar hoede: moeders met 6 tot 10 kinderen. In mei 1984 heeft de stichting tezamen met het Prinses Wilhelmina Fonds de beschikking gekregen over het door Maduro & Curiel’s Bank gerenoveerde pand Scharlooweg 52-54.

 

  • Welzijnswerk - Sectie 7 - Paragraaf 7: Sociaal-cultureel werk

Sinds 1960 kent men op Curaçao in verschillende wijken het buurtcentrumwerk waarin activiteiten ten behoeve van de jeugd en van volwassenen (o.a. volksontwikkelingswerk) ontplooid worden. In 1973 is een federatie opgericht, die 11 buurtcentra omvat.

In april 1980 werd onder auspiciën van Cebemo (thans Cede Antiyas) een congres georganiseerd waaraan 78 sociaal-culturele welzijnsorganisaties deel hebben genomen. Het thema luidde: ‘De plaats van het Particulier Initiatief in de ontwikkeling van Curaçao’. Uit de toen samengestelde werkgroep werd op 3 september 1981 opgericht de vereniging Inisiativa Partikular Korsow met o.a. als doelstellingen het bevorderen van onderling begrip binnen het particulier initiatief in het welzijnswerk, samenwerkingsverbanden te versterken om beleidslijnen uit te stippelen en - in duurzaam overleg met de overheid een eenvormig en consequent beleid uit te voeren.  

 

  • Welzijnswerk - Sectie 8: Sint Maarten

Maatschappelijke zorg, opbouw- en buurthuiswerk worden door stichtingen bevorderd. De community councils zijn hiermee belast. De in 1978 opgerichte Youth Rescue Foundation richt zich hoofdzakelijk op de jeugd terwijl de St. Maarten Cultural Group Foundation op een wijder vlak opereert.

 

@: Wenkel di pader
zie @: Coöperatieve Vereeniging en Nijverheid.

 

@: Wereldomroep
zie @: Radio Nederland Wereldomroep.

 

@: Werkboekje
zie @: Arbeidsregistratie.

 

@: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van

De Vereniging Bedrijfsleven Curaçao (V.B.C.), voorheen de Curaçaosche Vereniging voor Handel en Nijverheid, werd op 24 juli 1944 opgericht door een groep handelaren, die in de crisisjaren tijdens en onmiddellijk volgend op de Tweede Wereldoorlog hun belangen in verenigingsverband behartigd wilden zien. Zij heeft zich ontwikkeld tot een gezonde organisatie, die representatief is voor alle sectoren van handel, industrie en commerciële dienstverlening. Einde 1982 telde zij circa 300 leden-bedrijven. De vereniging heeft tot doel de belangen van het bedrijfsleven te bevorderen, onder andere door het voorstaan van de belangen van haar leden en van het bedrijfsleven bij de autoriteiten, de bevordering van de economische ethiek, het bewerkstelligen van een gezonde verhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder het ter beschikking stellen van materiaal aan haar leden bij het onderhandelen met vakbonden. De vereniging geeft samen met de Kamer van Koophandel een maandblad uit onder de naam Newsletter. Het bestuur wordt jaarlijks in een algemene ledenvergadering gekozen.

De Arubaanse vereniging voor handel en industrie (Aruba Trade and Industry Association, A.T.I.A.), voorheen geheten de Vereniging van Handelaren op Aruba, werd opgericht op 18 juni 1945. Ontstaan, doelstelling en ontwikkeling zijn nagenoeg parallel aan die van de V.B.C. Per maart 1984 telde de vereniging 219 leden.

 

  • Organisaties van Ondernemers

Voornamelijk op het eiland Curaçao zijn er een aantal organisaties ontstaan die enerzijds beogen de algemene, dan wel de specifieke belangen van hun leden-ondernemers voor te staan, anderzijds kennis en voorlichting over een gespecialiseerde branche van het ondernemerschap te verspreiden. Tot de eerste groep behoren:

  • de Kamers van Koophandel en Nijverheid van Curaçao, Aruba, Bonaire en St. Maarten,
  • de V.B.C.,
  • de A.T.I.A.,
  • de uit deze zes gevormde enigszins overkoepelende Contactcommissie Bedrijfsleven N .A.,
  • voorts de Vereniging van Importeurs en Groothandelaren in Levens- en Genotmiddelen (V.I.G.L.E.G.),
  • de Curaçaosche Aannemersbond (C.A.B.),
  • Offshorebanken Nederlandse Antillen,
  • de Netherlands Antilles Automobiles Dealers Association (N.A.A.D.A.),
  • de Associatie van Benzinepompstationhouders,
  • de Metaalbewerkersbond,
  • de Bakkerij Bond,
  • de Bankiersvereniging,
  • de hotelassociatie Curacao Hotel & Tourism Association (C.H.SA.T.A.),
  • de  Supermarketsvereniging,
  • de Bond van limonadefabrikanten,
  • alsmede de Scheepvaartverenigingen.

Tot de tweede groep behoren: de Netherlands Antilles Public Relations Association (N.A.P.R.A.), de Curaçao Chapter International Advertising Association (I.A.A.), de Sales and Marketing Executives of Curaçao (S.A.M.E.), het Instituut voor Efficiency Bevordering in de Nederlandse Antillen (I.V.E.N.A.).

 

@: Werklieden
zie @: Ambtenaar.

 

@: Werkliederen

Om de arbeid te verlichten werden er vroeger onder het werk liederen gezongen, met een sterk ritmisch karakter. In deze liederen kwamen veel woorden voor die van Afrikaanse oorsprong heetten te zijn (gueni of guene).

 

@: Werkloosheid
zie @: Economie; Industrialisatie.

 

@: Werknemers, Organisaties van
zie @: Vakverenigingen.

 

@: Werkstaking

Op het teweegbrengen van een werkstaking - vroeger een strafbaar feit - stond een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van ten hoogste f 1.000,-. De eerste grote staking onder scheepssjouwers en kustmatrozen van de Koninklijke West-Indische Maatschappij (K.W.I.M.) voor hogere lonen werd dan ook resoluut gebroken door de ontevredenen te ontslaan en te vervangen door arbeiders uit Venezuela en St. Thomas. Ook de staking van Venezolaanse arbeiders bij de Shell in oktober 1926 werd in vier dagen bedwongen: 200 Venezolanen konden repatriëren. Toen echter tien jaar later door een belangrijk loonconflict bij de Shell massaal werd gestaakt, moest de hulp van een landsdivisie (soldaten) van Hare Majesteits ‘Johan Maurits van Nassau’ (een oorlogsschip) worden ingeroepen om deze staking te breken.

Eerst in 1956 werd artikel 138bis van het Wetboek van Strafrecht ingetrokken (P.B. 1956, nr. 66). Van het toen verkregen recht van staking is aanvankelijk weinig gebruik gemaakt hoofdzakelijk door een deficiënte organisatie van de arbeiders. Men herinnerde zich te goed hoe een massale staking van 1.200 havenarbeiders in 1946 na twaalf dagen opgeheven moest worden bij gebrek aan stakingsfondsen al werd deze gesteund door de mijnwerkers van Nieuwpoort. Toch moet vermeld worden, dat onder de Curaçaosche werknemers de groep havenarbeiders de onrustigste is geweest. Reeds in 1922 deed Feliz Chacuto als stakingsleider van zich spreken toen men in opstand kwam tegen een voorgenomen loonsverlaging van 20 á 25%. Na de Tweede Wereldoorlog waren er korte stakingen in 1945, 1946 en 1947. Op Aruba kwam het in de jaren vijftig van de 20ste eeuw tot stakingen bij de Lago met als inzet de 8-urige werkdag.

Pas toen de vakbonden goed georganiseerd waren, konden zij een vuist maken en in de 1960er jaren door staking bij de C.A.O.-onderhandelingen erkenning als partij afdwingen. Een conflict bij de Wescar veroorzaakte eind mei 1969 stakingen en demonstraties die voor Curaçao zware gevolgen hebben gehad (zie @: Dertig mei).

 


@: Werkvergunning

Een werkvergunning in formele zin bestaat niet op de Antillen. Wel worden in een door de Gezaghebber afgegeven verblijfsvergunning voor vreemdelingen krachtens de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1962 nr. 60 zoals gewijzigd) een aantal bepalingen opgenomen waarin tewerkstelling onder bepaalde omstandigheden wordt toegestaan. Deze betreffen:

  • 1. het bedrijf waar gewerkt mag worden,
  • 2. de functie die uitgeoefend mag worden, en
  • de tijdsduur van de tewerkstelling.

Omdat de toelating van vreemde arbeidskrachten een onderdeel vormt van het arbeidsmarktbeleid wordt het bedrijf dat om toelating verzoekt ook vaak de verplichting opgelegd om een Antilliaan als counterpart in dienst te nemen die na afloop van het contract met de buitenlander diens functie kan overnemen. In 1981 werden op Curacao ruim 1.250 vreemde arbeidskrachten toegelaten. De Gezaghebber wordt in deze geadviseerd door de Dienst voor Arbeidszorg en het Centraal Arbeidsbureau.

 

@: Wespen

is de naam voor diverse families van angeldragende vliesvleugelige insekten; ze zijn in de Nederlandse Antillen met vele soorten vertegenwoordigd. Slechts enkele opvallende soorten zullen worden genoemd. Wat meestal met maribomba wordt bedoeld is Polistes versicolor (fam. Vespidae), die kleine staten vormt; het begin wordt gevormd door een of enkele wijfjes, die een aan een steeltje hangende horizontale raat van een papierachtig materiaal maken; men vindt deze raten vooral in leegstaande huizen, onder plafonds, ook aan planten en boomtakken en onder overhangende rotsen. Het steeltje heeft een voor mieren afschrikwekkende geur, wat de raat beveiligt tegen mierenvraat. Op de Bovenwindse Eilanden worden de Polistes-soorten jack spaniards genoemd. Hoewel ze bij verontrusting pijnlijk steken, zijn ze toch nuttig, aangezien de werksters als voedsel voor de larven nogal wat plantenetende insekten vangen. Onder de solitair levende soorten is de zwart met gele metselwesp of potter wasp (Sceliphron figulus) algemeen, die een langwerpig, buisvormig nest van klei bouwt; dit nest vult hij met spinnetjes, die hij eerst met een steek verlamt; vervolgens legt hij een ei. De larf voedt zich met de verlamde spinnetjes. De pottebakkerswesp Eumenes (fam. Eumenidae) maakt urnvormige kleinestjes en vult deze met verlamde rupsjes; deze wesp is geel met bruin. De mamondengue is klein en glimmend zwart, en heeft een driehoekig bijlvormig achterlijf, dat steeds op en neer bewogen wordt; deze soort parasiteert op eierpakketten van de Amerikaanse kakkerlak. Op zandige plaatsen graaft green bee Monedula (fam. Bembicidae), een zwarte wesp met groengele halvemaanvormige vlekken op het achterlijf en 'groengeel gestreept borststuk, een nest in de grond, dat hij van verlamde vliegen voorziet. Men ziet deze soort nogal eens aan het strand neerstrijken op pas opgedoken stukken koraal. Een prachtige soort behoort tot de familie Scoliidae: het wijfje is blauw met rood en heeft 'berookte' vleugels, het mannetje is slanker en zwart met groengele banden; de volwassen insekten bezoeken bloemen en de wijfjes graven in de grond naar een slachtoffer om daar een ei op te leggen.

 

@: West-End Theater

Voormalig bioscoop op Curacao, gelegen aan de oostelijke rand van het Molenplein; ten zuiden van het bekende Brionplein in Otrobanda. Zij was gedurende lange tijd de meest populaire bioscoop op het eiland en deelde daarna alweer voor een lange periode die populariteit met de Roxy Theater op Pietermaai. De bouw van het West-End begon in 1938; in 1941 werd zij geinaugureerd. Na een lange periode van bloei, moest de bioscoop tegen het einde van de 1970er jaren haar poorten sluiten als gevolg van het feit, dat de video-cassette de strijd om de aandacht van de film-kijker in haar voordeel had beslist. Het na verloop van tijd bouwvallig geworden gebouw werd in het begin van de 1980er jaren neergehaald. De plannen om haar te restaureren vanwege de unieke zogenaamde art-deco bouwstijl vonden uiteindelijk geen doorgang evenmin als de doelstelling om op de vrijgekomen plek een nieuw bioscoop project te realisren.

 

@: Westermann, Jan Hugo

 

(Nieuw-Loosdrecht 1 juni 1907 - Hilversum 10 mei 1981) geoloog met een grote kennis van de biologie. Heeft zijn leven gewijd aan het daadwerkelijk bezig zijn met het behoud van de natuur op aarde. Publiceerde vele studies over de geologie en bodemgesteldheid en tevens over natuurbescherming op de Nederlandse Antillen. Verrichtte hierbij belangrijk pionierswerk, waarop anderen konden voortbouwen. Was enige tientallen jaren achtereen, in het kader van Wosuna,Wotro, Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen en andere stichtingen, actief betrokken bij de uitzending van vooral jongeren voor onderzoek en ander werk in de Nederlandse Antillen. In de zogenaamde Flamingo Commissie heeft hij hard en met succes meegestreden voor het behoud van de flamingo's op Bonaire.

Enige werken:

  • The geology of Aruba (diss. 1932);
  • Overzicht van de geologische en mijnbouwkundige kennis der Nederlandse Antillen (1949);
  • Conservation in the Caribbean (1952);
  • Nature preservation in the Caribbean (1953);
  • Photo-geological observations and land capability & land use survey of the island of Bonaire (samen met J.I.S. Zonneveld, 1956);
  • The geology of Saba and St. Eustatius (samen met J.H. Kiei, 1961);
  • Om het voortbestaan van de flamingo's van Zuid-Bonaire 1957-1967 (1969).

 

Foto: West Indische Compagnie kantoor te Amsterdam 

@: West-Indische Compagnie / @: W.I.C. / @: WIC

Inhoudsopgave

  • Hoofdstuk 1: Eerste West-Indische Compagnie
  • Sectie 1: Inleiding: De stamvaders
  • Sectie 2: Organisatie en interne geschiedenis
  • Sectie 3: Octrooi
  • Sectie 4: Kamers
  • Sectie 5: De Heeren XIX
  • Sectie 6: Werkzaamheden en supervisie in het begin
  • Sectie 7: Participanten
  • Sectie 8: Financiën
  • Sectie 9: De val van de compagnie
  • Sectie 10: Militaire operaties
  • Paragraaf 1: De eerste acties: Philip van Zuylen; Pieter Schouten
  • Paragraaf 2: Verovering en verlies Bahía: Eerste heldendaad Piet Heyn
  • Paragraaf 3: Acties in het Caribisch gebied:
  • Deel 1: Piet Heyn verovert een zilvervloot
  • Deel 2: Admiraal Adriaensz Jansz Pater
  • Paragraaf 4: Nieuwe aanval op Brazilië
  • Deel 3: Verovering Olinda
  • Deel 4: Zeeslag te Pernambuco
  • Paragraaf 5: Verovering Curaçao
  • Sectie 11: Literatuur WIC I
  • Hoofdstuk 2: Tweede West-Indische Compagnie
  • Sectie 11: Ontbinding WIC I; oprichting WIC II
  • Sectie 12: Organisatorische bijzonderheden WIC II
  • Deel 5: Karakteristieken van de handel: uitholling monopolie
  • Deel 6: Karakteristieken van de organisatie: Heren X
  • Deel 7: Karakteristieken van de koloniale bezittingen: De Bovenwinden
  • Deel 8: Karakteristieken van de koloniale bezittingen: De Benedenwinden
  • Deel 9: Einde octrooi: Einde WIC II
  • Sectie 13: Literatuur WIC II

 

Nu volgt de behandeling van het artikel:

Illustratie: Willem Usselincx, stichter van de WIC

Geschiedenis West Indische Co Hoofdstuk 1: Eerste West-Indische Compagnie

  • Sectie 1: Inleiding: De stamvaders

De oprichting van de Eerste West-Indische Compagnie (WIC I) is nauw verbonden met de activiteiten van Willem Usselinx. Van de andere beijveraars moeten worden genoemd: Petrus Plancius, François Francken, het bekende lid van het Hof van Holland en pensionaris van de stad Gouda, de koopman Salomon Janssen en Frederic l'Hermité (of l'Hermitte) over wie weinig meer bekend is dan dat hij de schrijver was van een anoniem pamflet Fin de la Guerre en evenals Usselinx sinds ongeveer 1600 de autoriteiten rekest na rekest zond om hun aandacht op deze zaak te richten.

  • Sectie 2: Organisatie en interne geschiedenis

Nadat in 1617 de remonstrantse vredespartij de nederlaag had geleden met het verzetten van de wet door Prins Maurits namen de contra-remonstranten de kans waar voor de oprichting van een oorlogsinstrument - en als zodanig werd ondanks Usselinx’ bedoelingen de West-Indische Compagnie (W.I.C.) gezien - ofschoon de Staten van Holland en speciaal de West-Friese steden minder enthousiast schenen. Ook de Heeren XVII der Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) waren niet al te gunstig gestemd ten opzichte van een nieuwe monopolistische onderneming waarin zij ondanks de verschillen in octrooi alleen maar concurrentie vreesden.

  • Sectie 3: Octrooi

In maart 1620 werd een ontwerp voor een octrooi voorlopig door de Staten-Generaal goedgekeurd met de wens ‘dat dit grote werk moge beginnen in de Naam van God’. Er was een voorwaarde: het aanvangskapitaal moest ten minste vier miljoen gulden bedragen. Een laatste beslissing werd uitgesteld wegens de moeilijkheden die rezen met de West-Friese steden die de zoutvaart buiten het octrooi wilden houden. Een aanbod van de sultan van Marokko, die een haven in zijn land aanwees waar de Nederlanders zout konden halen, bracht geen bevredigend compromis en ten slotte werd besloten de zoutvaart op Punta Araya buiten het nieuwe octrooi te houden (zie @: Zout: zoutvaart). Deze oplossing bracht voorlopig voldoening en de datum van oprichting werd gezet op 3 juni 1621, nog geen twee maanden na de afloop van het Twaalfjarig Bestand. Toen de oorlog tegen Spanje weer begon, waren er twee monopolistische compagnieën van een protestantse mogendheid: De V.O.C. en de W.I.C.

Het octrooi dat de Staten-Generaal de W.I.C. meegaven bleef ongewijzigd tot het jaar 1674. In dat jaar werden zoveel wijzigingen aangebracht, dat men in feite van een nieuw octrooi kan spreken. Men onderscheidt dus in de geschiedenis van de W.I.C. de periode van haar oprichting tot 1674, de tijd van de Oude Compagnie en die van 1674 tot aan het einde van de 18de eeuw, de tijd van de Nieuwe Compagnie (zie West-Indische Compagnie, Tweede).

‘Een schoone blinckende starre' werd zij genoemd en hoog waren de verwachtingen van deze schepping der contra-remonstranten. Zij was niet gegroeid, zoals haar Oost-Indische zuster, uit vele zogenaamde compagnieën van verre, of schoon de participanten in de Compagnie van Nieuw Nederland en van de Guinea Compagnie deelnamen in de nieuwe onderneming en de bezittingen van deze compagnieën in Noord-Amerika en op de West-Afrikaanse kust (Fort Nassau) door de W.I.C. werden overgenomen.

Het octrooi beperkte de activiteiten van de W.I.C. tot de westkust van Afrika tussen de Kreeftskeerkring en Kaap de Goede Hoop, de oost- en westkust van Amerika vanaf Terra Nova (New Foundland) zuidwaarts tot aan de Straat Magalhaen, Le Maire of andere straten en doortochten, en daarbij gerekend het Australisch of Zuidland. Met andere woorden, dat deel van de wereld dat niet begrepen was in het octrooi van de Oost-Indische Compagnie. De (W.I.) Compagnie was gerechtigd in de landen liggende binnen de limieten van haar octrooi handel te drijven en bezittingen te verwerven. Zij kon overeenkomsten sluiten met de inlandse vorsten aldaar, oorlog voeren en vrede sluiten al naar haar belangen dit vorderden. Met haar Oost-Indische zuster mag men haar terecht, zoals Van Rees doet, een oorlogvoerende mogendheid noemen. Deze verstrekkende volmachten sloten echter niet uit, dat de Staten-Generaal zich invloed en soms zelfs een beslissende stem hadden voorbehouden in de politiek die de Compagnie wenste te volgen. Alle traktaten die de Compagnie sloot, moesten worden aangegaan in de naam van Hunne Hoog Mogenden en aan deze worden medegedeeld. De benoeming van gouverneurs en gouverneurs-generaal vereiste de goedkeuring van de Staten-Generaal. De officieren in dienst van de Compagnie moesten niet alleen de eed van trouw afleggen aan de Compagnie maar ook aan de Prins van Oranje en aan de Staten-Generaal. Eenzelfde bepaling gold voor scheepskapiteins en hogere officieren bij de zeemacht die de Compagnie zou onderhouden. De Staten-Generaal beloofden bijstand in de vorm van troepen en schepen, mits de Compagnie een gelijk aantal troepen en schepen hier tegenover zou stellen, en waren bereid in het aanvangskapitaal deel te nemen met een miljoen gulden, te investeren in vijf gelijke jaarlijkse termijnen. Het octrooi werd gegeven voor de duur van vierentwintig jaar.

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 4: Kamers

Het octrooi regelde niet alleen de subtiele verhouding van de W.I.C. tot de Staat maar ook haar inwendige organisatie. In het algemeen volgde men hier de organisatie van de Oost-Indische Compagnie met als voornaamste verschil, dat nu ook de beide noordelijke provincies Groningen en Friesland gezamenlijk in de nieuwe organisatie werden betrokken. Evenals bij de Oost-Indische Compagnie het geval was, stond het belang dat de investeerders in de onderneming hadden op de voorgrond. Dat betekende niet alleen een zo gunstig mogelijke gelegenheid tot geldbelegging, maar ook een ruime mogelijkheid om door het deelnemen in haar bestuur en het doen van leveranties het eigen inkomen te vermeerderen. Hoewel door de slechte ervaringen opgedaan met de V.O.C. het aanvankelijk de bewindhebbers verboden was leveranties aan de Compagnie te doen, werd dit verbod in het hierna te noemen ‘Accoordt’ met de hoofd-participant spoedig - zij het tijdelijk - opgeheven terwijl er later de hand mee gelicht werd.

De directie van de nieuwe Compagnie was verdeeld over vijf Kamers, die van Amsterdam, de Maas, Zeeland, het Noorderkwartier en de combinatie Groningen / Friesland. De provincies die geen afzonderlijke Kamer hadden konden verzoeken in één van de bestaande Kamers te worden vertegenwoordigd. Deze vertegenwoordiging vond plaats door een bewindhebber. De bewindhebbers werden door de plaatselijke magistraat uit de hoofd-participanten gekozen en vertegenwoordigden een investering van hun Kamer van f 100.000. Aan elk van de Kamers werd een bepaald aandeel in het bedrijf van de Compagnie toegekend, afhankelijk van het ingebrachte kapitaal, van de invloed die de desbetreffende Kamer uitoefende en van de speciale handelsbelangen die deze Kamer vertegenwoordigde; het aandeel van Amsterdam was daardoor 4/9, van Zeeland 2/9 en van de overige drie Kamers elk 1/9. Behalve de Kamer van Amsterdam waren de andere Kamers samengesteld uit verscheidene steden. De Kamer van de Maas bestond uit drie steden: Rotterdam, Delft, Dordrecht, die van Zeeland eveneens uit drie: Middelburg, Vlissingen, Veere. Deze organisatie had tot gevolg zowel onderlinge naijver tussen de Kamers als tussen de steden binnen eenzelfde Kamer. De invloed van zulk een stad in de Kamer stond in verhouding tot het ingebrachte kapitaal en over het algemeen kan men zeggen dat hoe kleiner deze invloed, des te naijveriger de stad waakte dat die invloed gehandhaafd bleef. In de eerste plaats werd die invloed gemanifesteerd in het bezetten van een bewindhebberspost. Ook gebeurde het soms, dat een stad haar eigen organisatie met eigen personeel en eigen magazijnen opbouwde en dat haar bewindhebbers vergaderden en beslissingen namen zonder zich al te veel aan andere beslissingen gelegen te laten liggen.

De bewindhebbers hadden zitting voor de tijd van zes jaar, terwijl om de twee jaar een derde gedeelte aftrad. Dit garandeerde een zekere continuïteit in de politiek van de Compagnie en verhinderde plotselinge wijzigingen in het beleid. Zij genoten geen vast salaris hoewel Usselinx daar sterk voor was geweest - doch 1% provisie van alle uitgaande en inkomende koopwaar, van goud en zilver ½  %. Usselinx had de vrees geuit dat dit systeem van provisie - hij vond de genoemde percentages te hoog - een vruchtbare bodem zou leveren voor corruptie. Dit was de droeve ervaring met de Heeren XVII van de V.O.C. en hetzelfde zou geschieden met de Heeren XIX van de W.I.C. Niet alleen vrees voor corruptie bracht Usselinx tot zijn standpunt, maar ook de overtuiging dat door dit systeem het bestuur van de Compagnie nodeloos kostbaar werd. Men bedenke dat er vierenzeventig (74) bewindhebbers waren: twintig (20) van Amsterdam, twaalf  (12) van Zeeland, terwijl de overige Kamers ieder veertien (14) hadden. Een ander nadeel in deze organisatie, dat op de lange duur zeer sterk gevoeld werd, was dat van een versnippering van krachten analoog met die in het bestuursapparaat van de Verenigde Provinciën, hetgeen één der oorzaken van het verval van de Compagnie is geworden.

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 5: De Heeren XIX

De centrale leiding van de West-Indische Compagnie berustte bij een college van negentien bewindhebbers, gewoonlijk de Heeren XIX of kortweg de XIX genoemd. Dit college, dat beurtelings vier jaar te Amsterdam en twee jaar te Middelburg zitting hield, was samengesteld uit acht leden van de Amsterdamse Kamer, vier van de Kamer van Zeeland, terwijl de overige Kamers ieder twee leden leverden. Het negentiende lid, dat de Staten-Generaal vertegenwoordigde, werd door deze benoemd.

 

  • Sectie 6: Werkzaamheden en supervisie in het begin

In het begin waren de werkzaamheden veelal beperkt tot de militaire ondernemingen van de Compagnie. Op financieel en commercieel gebied beperkte de invloed van de Heeren XIX zich veelal tot de vaststelling van het uit te keren dividend. Dit dividend was voor alle inleggers van de Compagnie hetzelfde, ondanks het feit dat de acties bij een bepaalde Kamer stonden ingeschreven. De Heeren XIX hadden aanvankelijk ook het oppertoezicht over de bezittingen van de Compagnie op Afrika’s Westkust, in Brazilië, in het Caribisch gebied en in Noord-Amerika. In 1628 ging men er echter reeds toe over om bepaalde bezittingen onder de supervisie van een bepaalde Kamer te brengen, waardoor de taak van de Heeren XIX aanmerkelijk werd verlicht. Zo kwamen de meeste bezittingen in de Guyana’s aan de Kamer Zeeland, die zich weldra een soort van monopolie in deze streken aanmatigde. In het Caribisch gebied kwamen Curaçao, Aruba en Bonaire onder het toezicht van de Kamer Amsterdam, terwijl de Bovenwindse Eilanden spoedig onder de Kamer Zeeland kwamen te ressorteren. De belangrijkste bezittingen op de Afrikaanse Kust bleven onder het rechtstreekse bestuur van de Heeren XIX die de voordelige handel in slaven, goud en ivoor aan zich hielden. In de verdeling van de verschillende koloniën speelden vanzelfsprekend oude handelsbetrekkingen een belangrijke rol. Zeeland had reeds factorijen op de zogenaamde Wilde Kust vóór de oprichting van de W.I.C., Amsterdam had belangen in Nieuw Nederland en toonde zich later geïnteresseerd in de Curaçao-eilanden.

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 7: Participanten

Participanten werden genoemd degenen die hun geld investeerden in de Compagnie. Zij werden onderscheiden in hoofd-participanten en gewone participanten. Hoofd-participant was iemand die met een bepaald minimum bedrag deelnam in het kapitaal van de Compagnie. Dit minimum bedrag was voor de Kamer Amsterdam f 6.000 en voor de andere Kamers f 4.000. De door de participanten ingelegde bedragen varieërden van meer dan f 35.000 tot de zeer bescheiden som van f 50. Een derde gedeelte van deze bedragen moest contant worden betaald, de rest in twee termijnen. Met de bedragen varieerden de beroepen of de status van de inleggers. Het is waarschijnlijk dat zowel vanwege haar stichters als vanwege haar inleggers de W.I.C. een contra-remonstrantse instelling mag worden genoemd. Ongetwijfeld was zij meer dan de V.O.C. een populaire onderneming in die zin dat haar inleggers voor een groter deel behoorden tot de midden- en lagere klassen van de bevolking.

De gewone participanten hadden weinig of geen invloed in het bestuur van de Compagnie. In een ‘Accoordt’ van juni 1623 werd vastgesteld, dat rekening en verantwoording door de bewindhebbers alleen zou geschieden aan een commissie bestaande uit hoofd-participanten, die dan op hun beurt de overige hoofdparticipanten zouden inlichten. Over gewone participanten werd niet gerept. Evenals eertijds bij de V.O.C. deden corruptie en intrige weldra hun intrede in het bestuur van de Compagnie; de geringe controle maakte dit mogelijk, wat de val ervan mede heeft veroorzaakt.

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 8: Financiën

Als beginkapitaal werd een minimum van 7 miljoen noodzakelijk geacht, hoewel Usselinx de som van ten minste 10 miljoen had gesuggereerd. De Staten-Generaal schreven brieven naar de Provinciale Staten, naar de gerechtshoven en de vroedschappen ‘om met courageuse en liberale teekening de ingezetenen vóór te gaan en een goed exempel te geven’. Ondanks deze aanmoediging en het feit dat in sommige steden, zoals in Amsterdam, de bewindhebbers de intekening per plakkaat propageerden, verliep de intekening niet zo vlot als verwacht was. Ongetwijfeld waren de moeilijkheden in de V.O.C. met de zogenaamde ‘dolerende participanten’ mede schuldig aan deze aarzelende houding van de investeerder; belangrijker was echter het feit dat de Nederlandse zakenman aarzelde zijn goede geld te steken in een onderneming die piraterij en oorlogvoering om ‘de magt des vijandts des te meer te verzwakken, te knakken en af te wenden’ als voornaamste doel had.

De langzame gang van zaken was echter niet naar de zin van Hunne Hoog Mogenden en dus vatten zij, ondanks het protest van de West-Friese steden, hun oorspronkelijke plan op om de zoutvaart op Punta Araya binnen de limieten van het octrooi te brengen. Dit geschiedde in juni 1622. Inderdaad vlotte de inschrijving nu beter en spoedig bedroegen de eerste beleggingen de som van f 4.300.000, bijna tweederde van het vastgestelde minimum.

De aandelen van de Compagnie hadden niet een bepaalde grootte, terwijl geen minimum bedrag als inleg was vastgesteld. Deze onbeperkte mogelijkheid om in de nieuwe onderneming deel te nemen werd gezien als een correctief tegen het monopolie van de Compagnie. De moeilijkheden waarvoor de Compagnie zich spoedig geplaatst zag werden nog vermeerderd door onoordeelkundige dividenduitkeringen. In 1629 en 1630 keerde zij na de successen van Ita en Piet Heyn dividenden uit van 50% en 25%, in plaats van deze gelden te reserveren voor haar ondernemingen in Brazilië en het Caribisch gebied. Haar uitgaven voor de eerste zestien jaar waren 45 miljoen gulden: 806 schepen (gemiddeld 50 per jaar; 4 per maand; een behoorlijk intensieve nijverheid) waren in die periode door haar uitgerust met een totale bemanning in zeelieden en soldaten van 67.000. Van deze 45 miljoen waren 18 miljoen besteed aan salarissen en lonen. De schade aan Spanje berokkend werd door De Laet geschat op 118 miljoen gulden, bestaande uit het verlies aan schepen en ladingen. Dit betekende echter niet dat deze 118 miljoen in de kas van de Compagnie waren terechtgekomen: waarschijnlijk minder dan de helft.

In 1636, het jaar waarin De Laets schatting eindigt, stegen haar uitgaven door de Braziliaanse conqueste zo enorm dat zij omstreeks 1640 de ongehoorde schuld van 18 miljoen gulden had.

In de jaren dertig daagde nog een probleem op: de kwestie van open (vrije) en gesloten handel. Het werd ten dele veroorzaakt door het feit dat de Compagnie weldra niet bij machte bleek te zijn haar Braziliaanse conqueste van het nodige te voorzien (een feit dat natuurlijk niet onopgemerkt bleef door de talrijke interlopers, die een profijtelijke sluikhandel waren begonnen). Spoedig waren de Staten-Generaal bij dit probleem betrokken. Reeds onmiddellijk na de inname van Pernambuco door Loncq hadden zij een provisionele regeling, voorgesteld door de Heeren XIX, goedgekeurd waarbij onder bepaalde voorwaarden de vaart op de nieuwe gewesten werd opengesteld, natuurlijk tegen betaling van de vereiste recognitie. In 1633 werd dit experiment uitgebreid tot het Caribisch gebied.

De opkomst en de val van de W.I.C. worden waarschijnlijk het beste geïllustreerd door het koersverloop van haar aandelen op de Amsterdamse beurs. In november 1628, kort voordat het grote nieuws van Piet Heyns vangst in de Lage Landen arriveerde, stonden deze op de bescheiden hoogte van 115%. Twee maanden later en met Piet Heyn thuis waren zij gestegen tot 206%. Toen evenwel een herhaling van Matanzas uitbleef en voortdurende onderhandelingen met Spanje verscheidene malen op een wapenstilstand of vrede dreigden uit te lopen, terwijl de Braziliaanse uitgaven meer opliepen, begonnen de aandelen te kelderen.

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 9: De val van de Compagnie

Niet alleen uitwendige oorzaken (de vrede met Spanje, de Portugese opstand en de Braziliaanse conqueste) veroorzaakten de ondergang van de Compagnie. Er waren meer factoren die hiertoe medewerkten. Genoemd zijn reeds de gedecentraliseerde organisatie en de corruptie. Ook het feit dat de door de provincies beloofde subsidies slechts zeer gedeeltelijk binnenkwamen, moet worden gerekend tot een der oorzaken van haar val. De achterstallige subsidies waren in 1649 opgelopen tot de enorme som van meer dan 6½ miljoen gulden.

Een middel om de financiële situatie te verbeteren was een verhoging van het kapitaal van de Compagnie: onmiddellijk na de successen van Ita en Heyn in het Caribisch gebied was het kapitaal met 33 1/3 % verhoogd; mede hierdoor kon het Braziliaanse avontuur op touw worden gezet. De Braziliaanse opstand vernietigde echter de hoop op een permanente Nederlandse vestiging aldaar en Jol slaagde er niet in Piet Heyns avontuur te herhalen. Toen een vrede met Spanje nagenoeg zeker was, verkreeg de W.I.C. alleen een verlenging van haar octrooi, omdat Zeeland anders weigerde aan de vredesonderhandelingen deel te nemen; de omstandigheid dat de V.O.C. eveneens een verlenging van octrooi hangende had, bracht verscheidene proposities op het tapijt betreffende een eventuele combinatie. De Heeren XIX waren hier ten sterkste voor, de Heeren XVII - en de oude Usselinx - waren er echter tegen; de V.O.C. kreeg haar zin door in de schatkist van de W.I.C. de som van f 1.500.000 te storten.

Deze subsidie bewerkstelligde verlenging van de respectieve octrooien van beide Compagnieën, maar betekende voor de W.I.C. slechts uitstel van executie. Het tijdperk van 1647 tot 1674 zag geen grote acties. De W.I.C. ontwikkelde zich in die jaren van een oorlogvoerende tot een handelsonderneming met als voornaamste artikel slaven (zie @: Slavenhandel).

Ondanks de geringe hoogte van haar aandelen na 1648 ging de Compagnie tot aan het begin van de Tweede Engelse Oorlog voort met het uitbetalen van enig dividend. Dit werd in 1656 teruggebracht op 2% en hield geheel op na het verlies van Nieuw Nederland. Daarna geraakte haar boekhouding geheel in wanorde en is het onmogelijk de ware toestand van haar financiën te kennen. De 8 miljoen gulden, betaald door Portugal als vergoeding voor het verlies van Brazilië was slechts gedeeltelijk in contanten en te gering om de Compagnie te redden. Eindelijk, in apri1 1674, met het einde van de Tweede Engelse Oorlog, besloten de Staten-Generaal de Oude Compagnie op te heffen en een nieuwe organisatie onder dezelfde naam te stichten. Het kapitaal voor deze zogenaamde Nieuwe Compagnie werd verkregen door de participanten van de Oude Compagnie als actionarissen in de Nieuwe op te nemen, indien zij hierin tot 8% van hun oorspronkelijke inleg in de Oude Compagnie wilden storten. Bovendien zou dan tot 15% van de nominale waarde van hun oorspronkelijke inleg als inleg in de Nieuwe Compagnie worden erkend, terwijl nieuwe subsidies werden toegezegd, misschien bedoeld als afkoop van vroeger beloofde en gevoteerde, maar nooit betaalde bedragen (zie @: West-Indische Compagnie, Tweede).

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 10: Militaire operaties
  • Paragraaf 1: De eerste acties

Onmiddellijk na haar stichting werd de West-Indische Compagnie door de Staten-Generaal uitgenodigd om deel te nemen in de uitrusting van de zogenaamde Nassau-vloot die onder bevel van Jacques L’Hermitte via de Straat van Magalhaen naar Oost-Indie zou zeilen en zou trachten Spanje zowel op Amerika’s oost- en westkust als in de Filippijnen afbreuk te berokkenen. De Heeren XIX weigerden na enige aarzeling. De langzame voortgang van de inschrijvingen en de geringe kans op een snel succes van genoemde vloot - indien er al successen zouden worden behaald zouden deze eerst na twee á drie jaar in het moederland bekend worden - waren de meest klemmende argumenten voor deze houding. Toen na de incorporatie van de zoutvaart op Punta Araya de inschrijvingen wat vlotter verliepen, besloten zij een tweetal eskaders uit te rusten voor verkenningsdoeleinden: daarnaast bestond grote aandacht voor de Bahia de Todos os Santos in Brazilië, misschien dank zij de publikatie van een pamflet door een zekere Jan Andries van Moerbeeck, getiteld ‘Redenen waeromme de West-Indische Compagnie dient te trachten het Landt van Brazilië den Coninck van Spaignien te ontmachtigen’. De juist genoemde expedities, bestemd voor verkenning van Afrika’s Westkust en het Caribisch gebied, stonden onder het bevel van respectievelijk Philip van Zuylen en Pieter Schouten. Zij bewijzen dat, ofschoon vanaf de aanvang de Compagnie het oog op Brazilië geslagen had, de gedachten ook reeds uitgingen naar een eventuele verovering van de belangrijkste Portugese slavenhandelcentra in Afrika, terwijl nadere informatie betreffende het Caribisch gebied vooral geëist werd in verband met het tijdschema en de routes van de zilvervloten. Philip van Zuylen beging de blunder de haven van Sao Paulo de Luanda - het voornaamste centrum van de Portugezen op de West-Afrikaanse kust - onvoldoende te blokkeren: hoewel hij de plaatselijke gesteldheid uit ervaring kende, verliet hij daarna zijn post om zich meer naar het zuiden te begeven. Hierdoor liep hij een vereniging met Piet Heyns vloot die vanaf de Bahía naar Angola zou zeilen, mis. De expeditie van Pieter Schouten daarentegen was zeer voorspoedig, niet alleen uit een oogpunt van verkenning, maar ook in financieel opzicht.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Paragraaf 2: Verovering en verlies Bahía: Eerste heldendaad Piet Heyn

Inmiddels was de Compagnie haar Braziliaans avontuur begonnen, ondanks een sterk afwijzend advies van Willem Usselinx: ‘De reis is te lang, de kosten zijn te hoog’, protesteerde deze. Leiders van de Braziliaanse expeditie waren Jacob Willekens, een voormalige haringkoopman met ervaring in Oost-Indië, die tot admiraal werd benoemd, en Pieter Pietersz Heyn, die vice-admiraal van de onderneming werd. Vooral dank zij het stoutmoedig optreden van de laatste, slaagde de aanval op de Bahía naar wens. Een enorme buit, vooral in suiker, werd behaald en de Compagnie had haar eerste succes geboekt. Zij beging echter de strategische fout om de vloot in drie eskaders te verdelen. Willekens zeilde met een groot deel van de schepen huiswaarts. Piet Heyn zeilde naar West-Afrika en slechts een zwak eskader bleef achter om de baai en de stad Sao Salvador te verdedigen. Eerst enige tijd later rustten de Heeren XIX een nieuwe vloot uit om het nu Nederlandse Bahía bijstand te verlenen. Deze vloot, een van de machtigste die ooit door de West-Indische Compagnie werd uitgezonden, stond onder bevel van Boudewijn Hendricksz. Ongunstige winden en strenge vorst verhinderden een tijdig uitzeilen. Toen zij eindelijk voor Bahía verscheen, was het  te laat: een Spaans-Portugese vloot had de baai reeds in bezit genomen en ofschoon van de forten van Sao Salvador de Nederlandse vlag nog wapperde, waagde Hendricksz het niet de machtige Iberische armada in de betrekkelijk nauwe baai aan te tasten. Hij bleef voor de ingang kruisen, totdat Hij de tijding ontving van de overgave van de stad. Daarna verdeelde hij zijn vloot in tweeën - de instructies van de Heeren XIX volgende -, zond een kleiner deel onder admiraal Veron naar West-Afrika en zeilde met het restant, achttien schepen sterk, noordwaarts om het tweede punt van zijn instructie uit te voeren: zijn strooptocht in het Caribisch gebied.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Paragraaf 3: Acties in het Caribisch gebied:
  • Deel 1: Piet Heyn verovert een zilvervloot

De strooptocht van Boudewijn Hendricksz veroorzaakte ongetwijfeld grote verwarring en schrik onder de Spaanse en Indiaanse kustbevolking van vele eilanden en het vasteland. De Nederlandse vloot miste echter niet alleen haar hoofddoel, maar was evenmin succesvol in andere aanvallen. De plotselinge dood van Hendricksz bracht deze vloot thuis zonder noemenswaardige winsten te hebben behaald.

De Heeren XIX besloten voor het jaar 1627 slechts kleinere expedities uit te rusten. De Kamer Zeeland zond een vloot uit onder het bevel van Hendrick Jacobsz Lucifer, terwijl de Kamer Amsterdam een paar jachten naar het Caribisch gebied stuurde onder het commando van Dirck Symonsz van Uytgeest. Beide eskaders ontmoetten elkander in de West-Indische wateren en sloten zich aaneen. Hun succes was zo bemoedigend voor de Heeren XIX, dat zij begin 1628 wederom grote plannen koesterden voor het Caribisch gebied. In januari van dat jaar verliet een vloot van twaalf schepen onder bevel van Pieter Adriaensz Ita - wellicht een oudere broeder van Michiel Adriaensz de Ruyter - de Nederlandse havens en begon na half maart in West-Indië te opereren. Het succes van deze vloot culmineerde in augustus in een succesvolle aanval op de ‘Hondurasschepen’ die in het gezicht van Havana werden aangevallen. Toen Ita’s vloot het Caribisch gebied verliet, maakten de Spanjaarden de vergissing te veronderstellen dat alle Nederlandse schepen het Caribisch gebied verlaten hadden. Piet Heyn was echter met een grote vloot naar dit gebied gezeild met de uitdrukkelijke instructie een der Spaanse zilvervloten te nemen. Hij slaagde erin deze grootste daad van piraterij tot tevredenheid van de Heeren XIX, tot grote vreugde van alle Nederlanders en tot verbazing van Europa te volbrengen.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Paragraaf 3 - Deel 2: Admiraal Adriaensz Jansz Pater

Nog voor de goede afloop van Piet Heyns expeditie in het vaderland bekend was, hadden de energieke Heeren XIX reeds tot een nieuwe expeditie besloten onder bevel van admiraal Adriaensz Jansz Pater die half augustus met zijn vloot in zee stak. Pater had dezelfde opdracht als Piet Heyn: vang de zilvervloot. Hij slaagde er echter niet in enige buit van betekenis te behalen. De Spanjaarden waren op hun hoede en de zilvervloten verlieten Cartagena en Vera Cruz niet. Paters verblijf in het Caribisch gebied werd aanmerkelijk verlengd doordat de Heeren XIX hem de beloofde versterkingen en voldoende provisies zonden om een langdurige blokkade van Cuba uit te voeren, die daar verwarring en interne moeilijkheden veroorzaakte. Ook zijn strooptochten langs de Tierra Firme en stroomopwaarts de Orinoco, waar hij de stad San Thomé brandschatte, hadden een dergelijke uitwerking, doch ofschoon zij de Spanjaarden veel schade berokkenden, brachten zij de W.I.C. niet veel voordeel.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Paragraaf 4: Nieuwe aanval op Brazilië
  • Deel 3: Verovering Olinda

In 1630 werd Paters vloot versterkt door eskaders die vanuit Pernambuco naar het noorden gezonden waren. De Heeren XIX hadden namelijk voor de tweede maal besloten een poging te doen om Brazilië te bemachtigen, en met de door Piet Heyn veroverde schatten was hun schatkist voldoende gesterkt om zulk een avontuur te kunnen wagen. Onder bevel van admiraal Hendrick Cornelisz Loncq zeilde een enorme vloot, bestaande uit meer dan vijftig schepen en jachten naar Brazilië en nam na een korte strijd de stad Olinda in Pernambuco. Dit verzekerde de Compagnie van een uiterst belangrijk strategisch steunpunt in Zuid-Amerika en van een goede suikerproduktie. Hoewel het waarschijnlijk de bedoeling van de Heeren XIX geweest was, dat Loncq na de verovering van Pernambuco en de consolidatie van de Nederlandse positie daar, naar het Caribisch gebied zou zeilen om, verenigd met Pater, een nieuwe kans te wagen om de zilvervloot te bemachtigen, stuurde Loncq een klein eskader van zes schepen onder bevel van Dierick Ruyters naar West-Indië. Ruyters arriveerde echter te laat. Pater, tevergeefs wachtend op versterkingen en nieuwe provianderingen, had ten einde raad besloten huiswaarts te zeilen zonder buit.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Parafraaf 4 - Deel 4: Zeeslag te Pernambuco


Inmiddels stroopte Dierick Ruyters’ eskader de kusten van het Caribisch gebied af. Zijn kleine macht werd spoedig verenigd met eskaders onder
Ita en Booneter. Het ‘principale dessein’, de verovering van nog een zilvervloot, werd echter niet bereikt. Intussen had de Compagnie al haar krachten nodig om Pernambuco te beveiligen. De Iberische aanval, of schoon uitgesteld, kwam in het jaar 1631 en de Heeren XIX, op hun hoede, hadden hun beste admiraal, Pater, daarheen gezonden om hun nieuwe bezit te verdedigen. In een hevige zeeslag die dicht bij Pernambuco plaatsvond tussen de vloot van de West-Indische Compagnie onder Pater, sterk zestien (16) schepen, en de Spaanse vloot van zesenvijftig (56) zeilen onder Antonio de Oquendo, verloor Pater het leven. Beide partijen schreven zich de overwinning toe, maar de Spaanse vloot trok zich terug en liet in feite het meesterschap ter zee aan de Nederlanders.

In het Caribisch gebied was inmiddels ook Booneter als laatste in mei 1631 huiswaarts gezeild. Voor het eerst na zeven of acht jaar was dit gebied vrij van een vloot van de West-Indische Compagnie en speciaal het eiland Cuba kon enigszins herademen.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 10 - Paragraaf 5: Verovering Curaçao

In 1632 arriveerde echter opnieuw een Nederlandse vloot in het Caribisch gebied, afkomstig van Brazilië en onder bevel van Maarten Thijsz (Thijssen). Dit eskader kwam in mei 1632 te Barbados, ververste daar en werd versterkt met enige schepen die van het moederland rechtstreeks naar de Caribische wateren waren gezeild. Thijsz verbleef zes weken te Bonaire, vanwaar hij verscheidene jachten voor verkenningsdoeleinden uitzond. In augustus kwam deze vloot, vermoedelijk achtentwintig of dertig schepen sterk, aan bij de Dry Tortugas, de traditionele jachtgrond voor de zilvervloot. Maar deze had, geheel in strijd met het normale tijdschema, reeds in februari onder admiraal Tomas de Larraspuru zee gekozen. In 1634 werd besloten het eiland Curaçao met de bijbehorende eilanden Aruba en Bonaire te bezetten (zie @: Geschiedenis: Nederlandse periode), een operatie die vlot en zonder veel strijd verliep. Curaçao werd een steunpunt waarvan de Compagnie grote verwachtingen had. Korte tijd daarna, in 1636, werd het bestuur van Pernambuco geplaatst onder de bekwame Graaf Johan Maurits van Nassau en zag de toekomst van deze kolonie er gunstig uit. Het voortdurende geldgebrek van de Compagnie verhinderde echter een ruime ontplooiing van de mogelijkheden in Brazilië en het ondernemen van een nieuwe, grootscheepse poging om de Spaanse zilvervloten te onderscheppen voor geruime tijd. Strooptochten op kleine schaal, onder nomen door stoutmoedige zeelui als Jol en Roosendael moesten de enorme uitgaven dekken en waren daartoe vanzelfsprekend niet voldoende. In 1638, toen eerstgenoemde de beschikking over een grotere vloot kreeg om daarmee de begeerde zilvervloot te veroveren, liep zijn treffen met de Spaanse vlootvoogd De Ibarra onbeslist af. (Zie ook @: Koloniërs; Patroonschap).

 

  • Geschiedenis West Indische Co Sectie 11: Literatuur WIC I
  • Lit.: Ioannes de Laet, Iaerlyck Verhael van de Verrichtinghen der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie in derthien Boecken (1644), heruitgegeven door S. P. I’Honore Naber. Linschoten Vereeniging, XXXIV, XXXV, XXXVII en XL, (1931-1937);
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast 1580-1680 (1971);
  • zie verder onder West-Indische Compagnie, Tweede.

 

Geschiedenis West Indische Co Hoofdstuk 2: Tweede West-Indische Compagnie

  • Sectie 12: Ontbinding WIC I; oprichting WIC II


Bij plakkaat van 20 september 1674 ontbonden de Staten-Generaal de met schulden bezwaarde eerste West-Indische Compagnie en verleenden octrooi aan een nieuwe Compagnie, die het bedrijf op veel bescheidener voet zou voortzetten. De schulden van de oude onderneming, voor zover niet door uitstaande vorderingen gedekt, moesten uitsluitend door recognitiegelden uit de West-Indische handel aangezuiverd worden. Deze financiering toont al aan, dat het bedrijf van de Tweede W.I.C. een ander karakter droeg dan dat van haar voorgangster: kaapvaart en andere krijgsbedrijven behoorden tot het verleden, nieuw grondgebied werd evenmin veroverd, terwijl het monopolie aanzienlijk werd beperkt.

 

  • Sectie 13: Organisatorische bijzonderheden WIC II
  • Deel 5: Karakteristieken van de handel: uitholling monopolie

 De Compagnie behield voorlopig de alleenhandel op de Westkust van Afrika, in Essequibo, en op de Benedenwindse Eilanden. De vaart op alle andere plaatsen binnen het vroegere octrooigebied werd tegen betaling van recognitie voor de kooplieden van de Republiek opengesteld. Alleen de slavenhandel op de West-Indische bezittingen bleef geheel aan de Compagnie. De Staten-Generaal behielden zich het recht tot stichting van koloniën voor binnen het octrooigebied. Het octrooi van 1674 werd verlengd in 1700, 1730 en 1762, de laatste maal tot 31 december 1791. Tussentijdse wijzigingen resulteerden in een steeds verdergaande uitholling van het monopolie, zodat de Compagnie ten slotte niet meer was dan een administratiekantoor van enkele West-Indische bezittingen, dat inkomsten trok uit recognitiegelden en in die koloniën geheven belastingen.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 13 - Deel 6: Karakteristieken van de organisatie: Heren X

De organisatie bleef in hoofdzaak gelijk aan die van de oude Compagnie; het centrale bestuur werd van 19 tot 10 leden teruggebracht en het aantal bewindhebbers, met bescheidener bezoldiging en nu voor het leven aangesteld, werd verminderd tot de helft. Het centrale bestuur, de Vergadering van Heeren X bestond uit vier leden van de Kamer Amsterdam, twee van Zeeland en een van ieder der drie overige Kamers, terwijl de Staten-Generaal het tiende lid aanwezen. Bij staking van stemmen beslisten de Staten-Generaal. Deze scheidsrechterlijke taak werd na 1748 ook vervuld door de stadhouders Willem IV en Willem V als erfelijke opperbewindhebbers, onder meer tijdens de conflicten tussen Amsterdam en Zeeland over het beheer van Essequibo en de Bovenwindse Eilanden, omstreeks 1770. De Kamer Amsterdam, altijd de invloedrijkste, neigde naar openstelling van de West-Indische handel, terwijl Zeeland, bevreesd voor de zuigkracht van de grote koopstad, in het monopolie een waarborg zag van de Zeeuwse belangen. Vooral uit Zeeland kwamen dan ook protesten bij de opheffing van de W.I.C.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 13 - Deel 7: Karakteristieken van de koloniale bezittingen: De Bovenwinden

De Benedenwindse Eilanden waren ten tijde van de oprichting van de nieuwe Compagnie in Nederlandse handen. St. Eustatius en Saba waren tijdens de Derde Engelse Oorlog door de Engelsen bezet, St. Maarten was in 1672 onder Frans gezag gekomen. Het patroonschap van de Vlissingse familie Lampsins over St. Maarten eindigde in feite in 1672. In 1703 nam de commandeur van St. Eustatius het sedert 1690 onbeheerde eiland voor de Compagnie in bezit. De patroons van St. Eustatius en Saba, de Zeeuwse families Van Pere en Van Rhee, verkochten ten slotte hun aandeel aan de Tweede W.I.C., toen de eilanden door Engeland waren teruggegeven. De erfgenaam van Van Rhee, de Middelburgse predikant Cornelis Demetrius, ging hiertoe over in 1681, Isaak van Pere volgde zijn voorbeeld in 1683. De verkoopprijs bedroeg in beide gevallen f 3.140.

 

  • Deel 8: Karakteristieken van de koloniale bezittingen: De Benedenwinden

De Benedenwindse Eilanden stonden onder beheer van de Kamer Amsterdam, de Bovenwinden onder de Kamer Zeeland tot 1773, daarna onder de Kamer van de Maas (Rotterdam, Delft, Schiedam). De haven van Curaçao werd bij resolutie van de Staten-Generaal in 1675 opengesteld voor de handel met alle naties, hetgeen slechts de legalisering van een reeds lang bestaande toestand betekende. Tot 1713, toen het asiënto van de slavenhandel in Engelse handen raakte, was het eiland een belangrijk slavendepot, waarheen de W.I.C. slaven aanvoerde, die door de asiëntisten naar de vaste wal werden doorverkocht. Hiertoe sloot de Compagnie contracten met de agenten van het asiënto; in 1689 stelde zij op Curaçao een open slavenmarkt in. In de loop van de 18de eeuw, toen de handel op Afrika werd opengesteld, liet de W.I.C. de slavenhandel meer en meer aan particulieren over, uiteraard tegen betaling van recognitie. De talrijke ‘lorrendraaiers’ (smokkelaars) ontnamen haar echter een belangrijk deel van deze inkomsten. Nadat het hoogtij van de Nederlandse slavenhandel voorbij was, leverde de heffing op de goederenhandel van Curaçao en St. Eustatius nog het één en ander op, maar omstreeks 1780 was het einde in zicht. De geringe kracht van het bedrijf wordt weerspiegeld door de lage dividenden die aandeelhouders ontvingen: gemiddeld 2½% per jaar in de periode 1676-1720. (Ter vergelijking diene het dividend van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in dezelfde periode: gemiddeld 30% per jaar). De koers van de ‘actien’ was vrijwel voortdurend beneden pari, na 1762 hoogstens 36% en in de laatste jaren 15-20%. Toen in 1792 de aandelen werden omgezet in staatsobligaties van 30% van de nominale waarde van de aandelen, betoonden de meeste participanten zich uiteraard zeer tevreden.

 

  • Geschiedenis West Indische Co - Sectie 13 -  Deel 9: Einde octrooi: Einde WIC II

Na het aflopen van het octrooi op 31 december 1791 ging het bestuur van de West-Indische koloniën over op de Staten-Generaal (voorlopig met uitzondering van Suriname en Berbice met hun afzonderlijke directies). In 1792 begon de Raad der Coloniën zijn werkzaamheden, waarbij er voorlopig organisatorisch niet zoveel veranderde: de Raad vestigde afdelingen (departementen) in de gewezen Kamersteden (zie @: Bestuursregeling). De overname wekte niet veel verzet, omdat de Staat in de afgelopen eeuw al sterk zijn stempel op het beleid had gedrukt, met name op de defensie in West-Indië.

 

  • Sectie 14: Literatuur WIC II
  • S. van Brakel, De Hollandsche handelscompagnieën der zeventiende eeuw. Hun ontstaan, hunne inrichting (1908);
  • Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1917, “2”1981);
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast, 1580-1680 (1971);
  • G.J. van Grol, De grondpolitiek in het West-Indische domein der Generaliteit (3 din., 1934-1947, “2”1980);
  • J.H.J. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische eilanden (1901-1909, “2”'1979);
  • A.J.M. Kunst, Recht, commercie en kolonialisme in West-Indië (1981);
  • W.R. Menkman, De West-Indische Compagnie (1947);
  • P.M. Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd (1888);
  • N.H. Schneeloch, Das Grund- und Betriebskapital der zweiten Westindischen Compagnie, in: Economisch- en Sociaal-Historische Jaarboek (1971);
  • Idem, Die Bewindhebber der Westindischen Compagnie in der Kammer Amsterdam, 1674-1700, in: idem (1973);
  • J. Tak, Historia legum de coloniis latarum (1841;
  • Ned. vertaling: Geschiedenis van de koloniale wetgeving der Staten-Generaal van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, in: Bijdragen van het Koninklijk lnstituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1932);
  • P.J. van Winter, De West-Indisehe Compagnie ter Kamer Stad en Lande (1978).

 

@: West-Indische eigendom

Inhoudsopgave van het behandelde:

  • Hoofdstuk 1: Definities
  • Hoofdstuk 2: De grond in cultuur brengen
  • Hoofdstuk 3: Onrechtmatige toeeigeningen
  • Hoofdstuk 4: Curacao
  • Hoofdstuk 5: Aruba
  • Hoofdstuk 6: Bonaire
  • Hoofdstuk 7: Bovenwindse eilanden
    Paragraaf 1: De patroonschappen, 1636-1682
    Paragraaf 2: St. Maarten, 1703-1816
  • Sluitstuk: Literatuur

Nu volgt de behandeling van het artikel:

West-Indische eigendom Hoofdstuk 1: Definities

Onder West-Indische eigendom wordt een bijzonder bezitsrecht op een stuk grond verstaan in de periode vóór de invoering van het Antilliaanse Burgerlijk Wetboek (1869). Vergeleken bij de huidige ‘volle’ eigendom verschilde de West-Indische eigendom daarvan feitelijk beschouwd niet veel; alleen was de West-Indische eigendom aan enkele formele beperkingen onderworpen. Krachtens oorlogsrecht en als gevolg van de doorwerking van het Europese middeleeuwse rechtsbeginsel ‘nulle terre sans seigneur’ (geen grond zonder rechthebbende) kwam de eigendom van alle grond in de West-Indische koloniën in beginsel toe aan de souverein, d.w.z. in de 17de en 18de eeuw aan de Republiek der Verenigde Nederlanden en vanaf 1814 aan het Koninkrijk der Nederlanden, tot aan het moment waarop de toenmalige Kolonie Curaçao rechtspersoonlijkheid verwierf.

De Staten-Generaal hebben als drager van de souvereiniteit in de octrooien aan de Eerste (1621) en de Tweede West-Indische Compagnie (1674), alsmede in de door hen vastgestelde ‘Ordre van Regieringe’ voor de koloniën en bezittingen overzee (1629) uitgebreide bevoegdheden op het gebied van bestuur en rechtspraak overgedragen aan de West-Indische Compagnie (W.I.C.). Hieronder viel ook de uitgifte van grond aan particulieren.


West-Indische eigendom Hoofdstuk 2: De grond in cultuur brengen

Degenen die van de Compagnie - als draagster van de actuele soevereiniteit en ‘profytelijk eigenaar’ (de Republiek bleef eigenaar-in-beginsel) - grond in bezit hadden verkregen, hadden echter de plicht de grond in cultuur te brengen en blijvend te bebouwen. Indien de verkrijger hier niet aan voldeed kwam het land weer aan de Compagnie. Daarnaast moest de bezitter belasting betalen, hetzij in geld, dan wel in natura, of beide (hoofd- en familiegeld). Van Grol noemt dit ‘het uitgeven van grond in (W.I) eigendom’. In de 17de en 18de eeuw zelf werd veelal gesproken over ‘concessie’. Met de invoering van het Burgerlijk Wetboek in de Nederlandse Antillen (1869) kwamen de nog formeel bestaande beperkingen voor de bezitters in (W.I) eigendom te vervallen.

 

West-Indische eigendom Hoofdstuk 3: Onrechtmatige toeeigeningen

Iedere planter kreeg in principe niet meer grond in (W.I) eigendom dan hij kon bebouwen, hetgeen varieerde naar gelang van het hoofdprodukt van de plantage. Een gedeelte van het land dat niet was uitgegeven diende als weidegrond voor het compagnievee. Bovendien mochten de plantagebezitters hier vanouds hun vee drenken bij de putten van de W.I.C. en het daar laten weiden. Naderhand meenden de planters aan dit privilege zekere rechten op deze weidegrond te kunnen ontlenen, hetgeen tot grote geschillen met de plaatselijke overheid leidde, in het bijzonder in verband met de zogenaamde ‘ingezerkte’ gronden. Hieronder verstond men het onrechtmatig, d.w.z. zonder toestemming van de West-Indische Compagnie, uitbreiden van particuliere plantages en terreinen. In de eerste helft van de 18de eeuw is er op Curaçao zelfs sprake van ‘ingezerkte’ bossen en waterputten. Hoewel het bestuur heeft gepoogd hiertegen op te treden, op een bepaald moment zelfs met enig resultaat, bleek het ongedaan maken van de inbezitneming uiteindelijk ondoenlijk: na verloop van jaren waren de stukken weer verkocht, vererfd en onder de families verdeeld. Hoogstwaarschijnlijk werd om die reden tenslotte legalisatie van het onrechtmatig bezit toegestaan, door betaling van de getaxeerde waarde. Een dergelijk geval deed zich in 1796 nog voor bij de plantage Wacao.

 

West-Indische eigendom Hoofdstuk 4: Curaçao

Omstreeks 1650 is er al sprake van de ‘Compagnies- of negertuinen’, die voornamelijk in en bij het ‘Ruyterskwartier’ (het tegenwoordige Pos Kabai) en op Hato waren gelegen. De Raad der Coloniën verkocht in 1796 ter versterking van de Curaçaosche kas alle negen Compagniesplantages. De kopers kregen de grond in (W.I.) eigendom. De Staten-Generaal openden het eiland Curaçao in 1650, in overeenstemming met de Compagnie, voor vrije kolonisatie en patroonschappen. Voor ‘vrije lieden’ die zich op het eiland wilden vestigen en compagniesdienaren die hun tijd hadden uitgediend, werd de mogelijkheid geopend om land in (W.I.) eigendom te verkrijgen.

Naast het grootgrondbezit kwam er ook reeds in de 18de en het begin van de 19de eeuw kleingrondbezit voor op Curaçao. De bezitters waren deels kleine planters, die ermee in hun levensonderhoud voorzagen, deels stadsbewoners die graag een buitenverblijf hadden. Van 1841 af beschermde het gouvernement de kleingrondbezitters die onrechtmatig op openbare gronden waren gevestigd. Zij kregen het land in (W.I.) eigendom tegen betaling van een jaarlijkse grondbelasting.

 

West-Indische eigendom Hoofdstuk 5: Aruba

De eerste uitgifte van grond als concessie door de W.I.C. op Aruba dateert van 1754. Daarna vonden er vrijwel geen uitgiften meer plaats tot ongeveer 1780. Eerst vanaf dat jaar kan men spreken van echte vestiging van particulieren op het eiland, zij het op kleine schaal. Deze stichtten kleine plantages op de hun uitgegeven gronden, die evenwel rechtstreeks eigendom van het gouvernement bleven. Als tegenprestatie moesten de bezitters tweemaal per week herendiensten verrichten, terwijl handeldrijven hun niet was toegestaan. De concessie was wel erfelijk.

In 1823 kwam een nieuwe regeling van het grondbezit op Aruba tot stand. De in vergunning bezeten gronden zouden in (W.I.) eigendom worden afgestaan tegen betaling van 2% der getaxeerde waarden. Het land dat niet bij het gouvernement in gebruik was, zou worden verkocht. Anderzijds waren de bezitters verplicht de grond gedurende de eerste drie jaar te bebouwen, op straffe van het terugvallen van het land aan de overheid. Het reglement werd evenwel al in 1824 opgeschort wegens de ontdekking van goud op het eiland. In het bijzonder ten behoeve van de kleingrondbezitters werd in 1839 het grondbezit nader geregeld. Alle gronden, die men krachtens vergunning bezat of waarvan men het vruchtgebruik genoot, stond het gouvernement in (W.I.) eigendom af. Wel zou voortaan een grondbelasting geheven worden. Deze uitgifte in (W.I.) eigendom, nog steeds concessie geheten, werd tot 1894 voortgezet. Het onderscheid tussen concessie en eigendom in de zin van het Burgerlijk Wetboek dat steeds meer vervaagde, verdween ook in formele zin krachtens een verordening van 10 december 1924.

 

West-Indische eigendom Hoofdstuk 6: Bonaire

Het eiland Bonaire is - met een korte onderbreking gedurende de tweede Engelse tijd (1807-1816) - van de 17de eeuw tot de emancipatie van de slaven (1863) een gouvernementsplantage geweest. In 1868 verkocht het gouvernement echter geheel Bonaire aan twee particulieren, behalve de streek om Rincon van zee tot zee en de zuidelijke helft van het eiland. Zo raakte Bonaire, buiten de domeingronden, verdeeld in twee grote plantages. Op initiatief van gouverneur Van den Brandhof (1882-1890) werden in 1883 de braakliggende gouvernements-gronden in kleine percelen tegen een lage prijs verhuurd. Bij regelmatige bebouwing gedurende enige jaren kon men het land in (W.I.) eigendom verkrijgen.

 

West-Indische eigendom Hoofdstuk 7: Bovenwindse eilanden

  • Paragraaf 1: De patroonschappen, 1636-1682

Evenals op Curaçao werden op St. Eustatius, St. Maarten en Saba gronden uitgegeven aan particulieren, die zich op één van de eilanden kwamen vestigen. Het verschil was echter dat hier de uitgifte geschiedde door middel van de patroons, als leenmannen van de W.I.C. Van hen verkregen de kolonisten het land in (W.I.) eigendom. Op deze gronden legden zij reeds voor 1650 plantages aan. Het feit, dat St. Eustatius en Saba in 1683 rechtstreeks onder het bestuur van de W.I.C. kwamen, bracht nauwelijks verandering in de positie van de planters: de rechten en plichten van de patroon waren zonder meer teruggevallen aan de W.I.C.

  • Paragraaf 2: St. Maarten, 1703-1816

(Zie voor de periode 1672-1703 @: Geschiedenis: Bovenwindse Eilanden, Nederlandse periode). Het capitulatieverdrag van 1703 bepaalde onder meer dat de inwoners hun plantages zouden blijven bezitten. Verscheidene lagen op dat ogenblik onbeheerd. Commandeur Doncker verzocht de bewindhebbers der W.I.C. in 1715 de erfgenamen van deze plantages te mogen dagvaarden. Indien deze niet verschenen, zou het land verkocht mogen worden ten bate van de Compagnie. Omstreeks 1720 kwam de zogenaamde ‘acte van etablissement’ tot stand, die met enkele aanvullingen de gehele 18de eeuw gegolden heeft. Evenals op St. Eustatius werd grond voor ontginning in (W.I.) eigendom uitgegeven, met een tienjarige vrijstelling van hoofdgeldbelasting. In beginsel kreeg iedere planter niet meer land dan in overeenstemming was met zijn slavenmacht en dat hij kon bebouwen. Voor een suikerplantage bijvoorbeeld werd tweemaal zoveel grond uitgegeven als voor een katoen- of gemberplantage. Commandeur Philips (1735-1736 en 1737-1746) trad krachtig op tegen de ‘landhongerigen’, degenen die gronden hadden geusurpeerd. Ook hield hij strak de hand aan de ‘acte van etablissement’. Nog in 1748 namen bewindhebbers een resolutie over dit onderwerp aan.

 

West-Indische eigendom Sluitstuk: Literatuur

  • Archivalia W.I. Archieven (Alg. Rijksarehief te ‘s-Gravenhage): O.J. van Orol, De grondpolitiek in het West-Indische domein der Generaliteit, 3 dln. (1934-1947, “2”1980);
  • J.H.J. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische eilanden (1901; 1909, “2”1979);
  • L. Knappert, Geschiedenis van de Nederlandsche Bovenwindsche Eilanden in de 18de eeuw (1932, “2”1979);
  • A.J.M. Kunst, Recht, Commercie en Kolonialisme in West-Indië (1981);
  • E.J. Prins, Ontstaan en overzicht van de rechten op de gronden op Aruba (stencil, 1955).

 

@: West-Indische Gids, De

Tijdschrift waarvan de eerste jaargang verscheen in 1919 onder redactie van H.D. Benjamins, J. Boeke, D. Fock en  C.A.J. Struycken de Roysancour. Het motief voor het in het leven roepen van dit periodiek was dat Suriname en de Nederlandse Antillen minder in de belangstelling van het Nederlandse volk stonden dan het toenmalige Nederlands Oost-Indië. De uitgave werd ononderbroken voortgezet tot 1960; het niveau van de bijdragen stempelde het tijdschrift tot een voortreffelijke bron van informatie op velerlei terrein. In 1960 werd de uitgave gestaakt en kwam de Nieuwe West-Indische Gids tot stand. Bij die gelegenheid werden de redacties van het inmiddels opgeheven Surinaamse tijdschrift Vox Guyanae en het Antilliaanse periodiek Christoffel met de redactie van de voormalige W.I.G. verenigd. Met ingang van 1982 is besloten in het tijdschrift slechts bijdragen te publiceren op het terrein van de sociale wetenschappen en humaniora, die als regel in de Engelse taal zijn gesteld; het periodiek wordt daarom ook als New West Indian Guide aangeduid.

 

@: Westpunt

nederzetting gelegen aan Westpuntbaai in het noordelijk uiteinde van Curaçao. Westpunt is niet alleen van belang als vissersplaats; in steeds toenemende mate heeft zij een recreatieve functie gekregen. Dit in hoofdzaak lokale recreatieoord wordt niet alleen gebruikt als badplaats maar er verrijzen ook steeds meer zogenaamde weekendhuizen in en rond het centrum.

 

@: Wet

is in formele zin de benaming voor een wettelijke regeling gezamenlijk door Koning en Staten-Generaal tot stand gebracht (artt. 81-88 Grondwet). Een wet in deze zin is dus een verordening in Nederland (het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden) van toepassing. Sinds het Statuut zijn er geen wetten die ook in de Nederlandse Antillen gelden (alhier spreekt men van landsverordening); vóór het Statuut wel, al dadelijk de Staatsregeling, de wet op het Nederlanderschap en verscheidene andere. Krachtens art. 57 Statuut verkregen alle wetten, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Statuut in de Nederlandse Antillen golden, de staat van rijkswet, met dien verstande, dat zij, voor zover zij ingevolge het Statuut bij landsverordening kunnen worden gewijzigd, de staat verkregen van landsverordening. In materiële zin wordt wel het woord ‘wet’ gebruikt voor alle algemene, de burgers bindende, regelen, dus ook de verordeningen van het Land en de eilandgebieden; de Staatsregeling gebruikt daarvoor de uitdrukking ‘wettelijke regelingen’.

 

@: Wetgeving
zie @: Eilandsbesluiten; @: Eilandsverordeningen; @: Landsbesluiten; @: Landsverordenmgen.

 

@: Wettelijke regelingen

is de algemene benaming voor voorschriften van verbindende aard voor de ingezetenen. Art. 2 Staatsregeling geeft een volledige opsomming van de soorten van wettelijke regelingen die in de Nederlandse Antillen geldig zijn.

  • Lit.: C. E. Dip, Enige beschouwingen rond artikel 2 van de Antilliaanse Staatsregeling, Antilliaans Juristenblad, derde kwartaal 1973.

 

 

@: Wettiging

Art. 320 van het Publicatieblad nr. 26 (21 febr. 1966) tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen bepaalt dat onwettige kinderen door het huwelijk van hun ouders worden gewettigd, indien de vader hen vóór of op de dag van het huwelijk heeft erkend. Indien deze erkenning achterwege werd gelaten, maar na het huwelijk plaatsvindt, kan een verzoek tot de Gouverneur worden gericht om brieven van wettiging (art. 321).

 

@: Wever, Rufo Inocencio

(Aruba 8 december 1917 - 30 december 1977). Arubaans pianist en componist van Antilliaanse muziek, die op alle eilanden grote bekendheid genoot. Hij was één van de weinigen die componeerde voor de Ka’i oru of ca’i orgel, zoals de Arubaan dit instrument noemt en de kunst verstond van de juiste plaatsing van de spijkers op de cilinders ervan. Samen met Padú Lampe heeft hij muziek en tekst verzorgd van het Arubaanse volkslied, Aruba Dushi Tera.

 

@: White black

is een uitdrukking gebruikt door kleurlingen op de Bovenwinden voor iemand van hun eigen ras, die sociaal, economisch en/of politiek succes heeft gehad; iemand die een leidinggevende positie heeft bereikt. Het dringt de gedachte op, dat men zijn plaats behoort te weten. Het schijnt te moeten worden toegeschreven aan een samengaan van een minderwaardigheidsgevoel met jaloezie van de kant van degenen, die de uitdrukking gebruiken. Op de Benedenwindse Eilanden gebruikt men er wel eens de term makamba pretu voor; deze laatste term houdt ook een veroordeling van een te sterke (culturele) ‘vernederlandsing’ in.

 

@: White cedar

(Tabebuia pallida) Plantesoort uit de familie der Bignoniaceae. Hoge boom met enkelvoudige of handvormig samengestelde bladeren; bloemen groot, afgeplat trompetvormig, lila-paars, in korte trossen bij elkaar; boom komt in bladerloze toestand in bloei. Bovenwindse Eilanden, vooral in heestervegetaties maar ook in het bos. Benedenwindse Eilanden gekweekt.

 

@: White Wall-formatie

Laat-pleistocene afzetting van kalkige en vulkanische gesteenten, ontsloten in White Wall en Sugar Loaf, St. Eustatius (zie Geologie).

 

@: Wieren

Inhoudsopgave van hetgeen behandeld wordt

  • Hoofdstuk 1: Inleiding
  • Hoofdstuk 2: Wiergroepen
  • Hoofdstuk 3: Eencellige en meercellige wieren
  • Hoofdstuk 4: Leefplaats wieren
  • Hoofdstuk 5: Sargasso-wier
  • Hoofdstuk 6: Wiervegetaties binnenbaaien of lagunes
  • Hoofdstuk 7: Economische betekenis
  • Ter afsluiting: Literatuurlijst


Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

 

Wieren Hoofdstuk 1: Inleiding

of algen (Algae) zijn eencellige of meercellige planten, die voornamelijk in het water voorkomen. Ze worden in verschillende groepen onderscheiden op grond van hun kleurstoffen, die specifiek voor de groep kunnen zijn, dan wel in een bepaalde combinatie of hoeveelheid voorkomen. Deze kleurstoffen zitten in de cel in bepaalde lichaampjes, de chloroplasten, geconcentreerd. Zij zijn van grote betekenis, aangezien de wieren door middel van deze kleurstoffen onder invloed van het zonlicht organische stoffen kunnen opbouwen (primaire produktie). De wieren dienen weer tot voedsel voor talloze diersoorten (secundaire produktie) en ze vormen dus een belangrijke schakel in de voedselketen in het water.

 

Wieren Hoofdstuk 2: Wiergroepen

De belangrijkste wiergroepen worden aangeduid met namen, die laten uitkomen, welke kleurstoffen overheersend zijn. Zo worden onder meer onderscheiden de groenwieren (Chlorophyceae), de bruinwieren (Phaeophyceae), de roodwieren (Rhodophyceae) en de blauwwieren (Cyanophyceae). De bruin- en roodwieren zijn overwegend meercellig en komen vrijwel uitsluitend voor in zout water. Bij de andere groepen komen ook veel eencellige vormen voor. In zoet water treft men vooral groen- en blauwwieren aan. Draden van groenwieren kunnen soms drijvende flapmassa’s (lima) vormen, die met name in niet-overdekte waterputten hinderlijk kunnen zijn. Kiezelwieren of diatomeeën zijn microscopisch kleine wieren, die in hun celwanden grote hoeveelheden kiezelzuur opslaan. Zij komen vaak massaal voor in het plankton zowel van het zoete als van het zoute water. In zee zijn zij zeer belangrijke producenten van organische stof.

 

Wieren Hoofdstuk 3: Eencellige en meercellige wieren

Over de kleine, eencellige wieren van de Nederlandse Antillen is nog slechts weinig bekend, over de met het blote oog waarneembare, meercellige wieren daarentegen meer. In de baaien en langs de rotskusten zijn ongeveer 300 verschillende soorten gevonden. De verspreiding van deze wieren hangt nauw samen met de milieuvoorwaarden: de meeste soorten hebben een vaste ondergrond (bijvoorbeeld een rotskust) nodig om zich te kunnen vestigen, andere soorten worden aangetroffen op de steltwortels van mangroven; maar wieren zijn ook in staat zich in een losse zand- of slikbodem te vestigen, veelal samen met zeegrassen.

 

Wieren Hoofdstuk 4: Leefplaats wieren

De rijkste ontwikkeling van wieren treedt doorgaans op in de zône van de kust, waar de golven steeds uiteenslaan. Daar vormt zich een dikke, mosachtige begroeiing, waarin vele soorten dicht dooreen vervlochten voorkomen. Boven deze spoelzône is doorgaans geen wiergroei te vinden. Slechts onder overhangende rotsen, buiten de directe invloed van de zonnestraling, kunnen enkele soorten wat hoger voorkomen. Ook in de rotspoeltjes, waarin gedurende laag water het water achterblijft, kunnen wieren - vooral draadvormige groenwieren - worden aangetroffen. Doordat de kust tengevolge van de overheersende oostelijke winden aan de oostzijde der eilanden veel sterker aan de golfslag blootgesteld is dan aan de luwgelegen westkust, zijn er opvallende verschillen tussen de wiervegetaties aan de loefzijde en de lijzijde van de eilanden. Aan de loefzijde zijn onder invloed van de golfslag en schommelingen in het zeeniveau vaak verschillende terrassen ontwikkeld. Het op zeeniveau gelegen terras wordt steeds door de golven omspoeld. Enkele grote bruinwieren kunnen daar regelmatig worden aangetroffen, bijvoorbeeld Turbinaria turbinata, een wier met driehoekige, konische, bladachtige structuren. Ook verschillende soorten van het geslacht Sargassum groeien juist hier. Onder iets minder geëxponeerde (aan het licht blootgestelde) omstandigheden kunnen fraaie Padina-soorten (Kolo di laman) een zône vormen. Dit bruinwier heeft een bladachtig thallus, dat voorzien is van een aantal evenwijdig verlopende rijen van haren en sporen, die aan de plant een zeer kenmerkend uiterlijk geven. De buitenrand van het kustterras wordt voor een belangrijk deel opgebouwd uit kalk-incrusterende roodwieren (Lithothamnia). Deze kalkroodwieren zorgen voor de stevigheid van het terras. Andere kalkroodwieren kunnen losse, bolvormige en dichtvertakte planten vormen, die in grote aantallen in zeer ondiepe kustgedeeIten, samen met koralen, worden gevonden, zoals op de drempel die Lac (Bonaire) van de zee scheidt.

 

Wieren Hoofdstuk 5: Sargasso-wier

Sargasso-wier of mos wordt vaak in grote hoeveelheden los drijvend aangetroffen. De Sargassozee dankt zijn naam aan dit wier. Het betreft twee verschillende Sargassum-soorten die nooit vastgehecht gevonden worden en die dus duidelijk verschillen van de hierboven genoemde soorten.

Onder overhangende rotsen aan de lijzijde der eilanden wordt vaak bij het hoogwaterniveau een donkere band van wieren gevonden, waarin enkele soorten opvallen. Het zijn Polysiphonia howei en Bostrychia tenella, beide behorende tot de roodwieren en voorzien van een strak over de rotsen kruipend gedeelte, waar vanuit rechtopstaande takken worden gevormd. Op lagere niveaus, steeds omspoeld door de golven, groeien meest vele soorten dooreen. Opvallend zijn onder meer Caulerpa-soorten, heldergroene wieren, die met lange uitlopers over de rotsen kruipen en met talrijke rhizoïden zitten vastgehecht. Vooral Caulerpa sertularioides en Caulerpa racemosa zijn zeer algemeen. De eerstgenoemde is gekenmerkt door fraaie geveerde, bladachtige takken, de tweede bezit druiventrosachtige takken. Caulerpa racemosa kan op vrij geëxponeerde plaatsen voorkomen, Caulerpa sertularioides groeit meestal in rustiger water.

In de mosachtige wiervegetaties vallen verder op Polysiphonia ferulacea, een bijna zwart gekleurd roodwier, dat vaak hele oppervlakten bedekt, en vertakte kalkroodwieren van de geslachten Amphiroa en Jania.

Op rotsachtige bodems voor de klifkust, die dus permanent onder water blijven, groeien eveneens wiersoorten, maar vrijwel nergens vormen zij een gesloten vegetatie. Aan de lijzijde van de eilanden zijn plaatselijk vegetaties van bruin- en roodwieren te vinden; aan de loefzijde lijken helemaal geen wieren voor te komen, maar in plaats daarvan een koraalrif. Hierin komen wel wieren voor, maar die vallen niet op omdat ze kort gehouden worden door een intensieve begrazing door grazende vissen en zeeappels. Deze begrazing is noodzakelijk voor de handhaving van de koraalstructuur. Korstvormige kalkroodwieren zorgen voor het samenkitten van de rifelementen, en daarmee voor de nodige stevigheid. Waar goed ontwikkelde wier-vegetaties voorkomen, kunnen kalkroodwieren en jonge koralen zich niet vestigen.

 

Wieren Hoofdstuk 6: Wiervegetaties binnenbaaien of lagunes

De wiervegetaties van de binnenbaaien of lagunen zijn zeer karakteristiek. Vaak worden de lagunen omzoomd door dichte mangrove-vegetaties. Op de steltwortels van de rode mangrove heeft zich vaak een soortenrijke wiervegetatie ontwikkeld. Onder de bladerkronen is ook in de getijdezone wiergroei mogelijk en daar worden dichte, mosachtige begroeiingen van voornamelijk Bostrychia-soorten gevonden. Deze wiervegetatie wordt ook overal elders in de tropen onder deze voorwaarden aangetroffen.

Op de steltworteis beneden het waterniveau groeien weer vele wiersoorten dooreen, vaak dezelfde soorten als bij de rotskusten op dit niveau. Zowel op de steltwortels als ook op koraalfragmenten in ondiep water wordt soms Valonia aangetroffen, die zeer opvallend is door zijn groene, bolvormige blazen, die een doorsnede van wel 3 of 4 cm kunnen bereiken en die desondanks maar uit één enkele cel bestaan; indien men in de glanzende, harde blaas prikt, zodat de celinhoud wegvloeit, houdt men slechts een ragdun celhuidje over. Op de zandige, slikrijke bodem van de lagunen is een goed ontwikkelde vegetatie van algen en zeegrassen aanwezig, rijk aan individuen, maar arm aan soorten. De algen, die hier worden aangetroffen, zijn in twee groepen te verdelen. Allereerst zijn er vormen die met lange uitlopers over de bodem kruipen en zich met fijnvertakte wortelachtige delen in de bodem vasthechten (voornamelijk soorten van het geslacht Caulerpa); daarnaast zijn er vormen, die met een dichte bundel fijnvertakte rhizoiden in de bodem verankerd staan, zoals de volgende groenwieren: de penseelvormige Penicillus, de waaiervormige Udotea en Halimeda. De vertegenwoordigers van deze geslachten zijn geïncrusteerd met kalk en dragen in belangrijke mate bij tot de vorming van de bodem der lagunen, die vaak voor een belangrijk deel uit de thallusleden van Halimeda bestaat, daar dit wier zeer dichte kussens kan vormen. Penicillus kan soms ook vrij zuivere vegetaties vormen, waarbij de ‘penselen’ zo dicht op elkaar staan dat de bodem vrijwel niet meer te zien valt. Op de steltwortels van de mangroven en op koraalfragmenten treft men soms veldjes van het parapluwier, piteseli di laman (Acetabularia) aan, dat heel sterk verkalkt is.

Op alle grotere wiersoorten, en ook op de zeegrassen, kunnen vaak talrijke kleinere wieren als epifieten zitten vastgehecht. Langs zandige stranden bestaat de zeebodem meestal eveneens uit zand. Wanneer de zeebodem niet al te veel in beweging is, worden daarop vegetaties van wier en en zeegrassen aangetroffen, die geheel vergelijkbaar zijn met die van de zandige bodems in lagunen. In lagunen, die van de zee zijn afgesloten en daardoor sterk ingedampt zeewater bevatten, is de bodem soms overdekt met een dikke slijmige oranje-bruine, soms zwartachtige laag, die uit blauwwieren blijkt te bestaan.

 

Wieren Hoofdstuk 7: Economische betekenis

De economische betekenis van zeewier is in de tropen over het algemeen gering. Op enkele van de Grote AntiIlen, vooral op Cuba, worden pogingen ondernomen de wiervegetaties economisch ten nutte te maken, maar in de Nederlandse Antillen zijn nergens exploïtabele hoeveelheden wier te vinden, hetgeen samenhangt met de geringe hoeveelheid voedingszouten in de Antilliaanse wateren. In gematigde streken ligt dit anders. Daar zijn in de getijdenzône vaak brede gordels van één of enkele wiersoorten, die gemakkelijk te verzamelen zijn. Gedroogd en gemalen wordt zeewier in veevoer verwerkt. Uit roodwieren wordt jodium en kalium gewonnen. Uit verschillende grote bruinwieren worden alginen bereid, een belangrijke grondstof voor de plastic- en textielindustrie. Uit enkele roodwieren wordt agar-agar gewonnen, een stof die onder meer gebruikt wordt in de levensmiddelenindustrie.

 

Wieren Ter afsluiting: Literatuurlijst

  • W.R. Taylor, Caribbean Marine Algae. Rep. Allan Hancock At. Exp. 2 (1942);
  • Idem, Caribbean Marine Algae of the Eastern Tropical and Subtropical Coasts of the Americas (1960);
  • M. Vroman, The marine algal vegetation of St. Martin, St. Eustatius and Saba (Netherlands Antilles), Stud. Flora Curaçao 2 (1968);
  • J.S. Zaneveld, A Lithothamnion Bank at Bonaire (N.A.) Blumea Suppl. 4, Carmabi Coll. Pap. 10 (1958);
  • C. van den Hoek, J.B.W. Wanders, A.M. Cortel-Breeman, Het koraalrif bij Curaçao, Natuur en Techniek 43 (6) (1975);
  • C. van den Hoek, A.M. Breeman, R.P.M. Bak, G. van Buurt, The distribution of algae, corals and gorgonians in relation to depth, light attenuation, water movement and grazing pressure in the fringing coral reef of Curaçao (Netherlands Antilles), Aquatic Botany 5 (1978).

 

@: Wierook
zie @: Sensia.

 

@: Wilde kust

Naam in de periode van de West-Indische Compagnie gegeven aan de streek tussen Orinoco en Amazone (zie @: Ita, Pieter A.; @: Koloniërs).

 

@: Wilhelminabrug, Koningin
zie @: Bruggen.

 

@: Willemstad

 

Overzicht van hetgeen hierbij behandeld wordt:

  • 1. Algemeen
  • 2. Groei bevolking en uitbreiding
  • 3. Verbinding Punda – Otrobanda: Koningin Emmabrug; meer uitbreidingen
  • 4. Krottenwijken en volkswoningen
  • 5. De Schottegatverbindingswegensysteem
  • 6. Administratieve indeling
  • 7. Het oude centrum als shoppingcenter
  • 8. Ontwikkeling als economisch centrum

 

Nu volgt de behandeling van het artikel:

  • Geschiedenis Willemstad 1. Algemeen

Hoofdstad van zowel het land de Nederlandse Antillen als het eilandgebied Curaçao, gelegen op Curaçao. Willemstad is ontstaan als nederzetting De Punt bij het Fort Amsterdam, dat Johan van Walbeeck in 1635 liet bouwen aan de uitmonding van de Sint Annabaai, het verbindingskanaal tussen het daarachter gelegen Schottegat en de zee, om deze baai en het Schottegat te kunnen verdedigen. De naam De Punt wijst op de vorm van het uiteinde van de smalle landengte, die behoort tot één van de vele koraalriffen voor de kust. Later kreeg de nederzetting zijn huidige naam, vermoedelijk naar stadhouder Willem II. Nog veel later zou deze eerste benamimg evolutioneren in de aanduiding Punda. De strategische ligging van Punda (De Punt) werd nogmaals bevestigd door de sterke omwalling van het Waterfort en die van het Riffort aan de westzijde van de havenmond, die later werd opgetrokken, waardoor de haveningang goed beveiligd was. Aanvankelijk bleef de militaire functie de boventoon voeren, totdat in 1675 de haven een internationale status kreeg, waardoor schepen uit allerlei landen hier terecht konden. Door haar gunstige, beschermde ligging aan diep vaarwater, nam Willemstad als handels- en verkeerscentrum in betekenis toe, waarbij in de 17de en 18de eeuw smokkel- en slavenhandel zeer belangrijke activiteiten waren.

 

  • Geschiedenis Willemstad 2. Groei bevolking en uitbreiding

Eén van de gevolgen van deze ontwikkeling was de groei van de bevolking, met een eerste duidelijke uitbreiding van de stadsbebouwing in de richting van het huidige Pietermaai en Scharloo ten oosten en noordoosten van de oorspronkelijke vestiging en het huidige Otrobanda, aan de andere kant van het water van de Sint Annabaai. Het ging aanvankelijk om woningen van rijkere ingezetenen (handelslieden e.d.). Later werd de nederzetting uitgebreid met volkswijken als Fleur de Marie en Berg Altena. In de 19de eeuw werd ook een ruimtelijke functiesplitsing zichtbaar. Fort Amsterdam kreeg een administratieve functie, Punda bleef het zakencentrum en vooral Pietermaai en Otrobanda kwamen op als woonwijken. In tegenstelling tot Pietermaai en Scharloo, kreeg Otrobanda steeds meer het karakter van een stadsdistrict met een duidelijke sociale gelaagdheid. 

 

  • Geschiedenis Willemstad 3. Verbinding Punda – Otrobanda: Koningin Emmabrug; meer uitbreidingen

Door de bouw van de Koningin Emmabrug, een schipbrug, kwam in 1888 de eerste vaste verbinding tussen Punda en Otrobanda tot stand, in 1939 werd deze brug vernieuwd. Na de vestiging van de olie-industrie aan de noordzijde van het Schottegat en de daarmee gepaard gaande toestroming van arbeidskrachten, breidde het bebouwde oppervlak zich snel uit. In de omgeving van het grote industriecomplex van de Shell Curaçao ontstonden nieuwe woonwijken zoals Negropont en Groot-Kwartier, Surinamedorp en Suffisant maar ook Emmastad. De eersten ontstonden vooral ter huisvesting van de gewone arbeiders van de olie-industrie; zij werden zo opgezet dat van integratie van nationaliteiten en sociale klassen geen sprake kon zijn. Voor de Shell-employés, voor het grootste deel Europese Nederlanders, verrezen o.a. de ruime, moderne, goed uitgeruste villawoonwijken Emmastad en Julianadorp. Uitbreiding van het bebouwde oppervlak vond ook plaats langs de uitvalswegen richting Saliña en Sta. Rosa. Ten westen van het stadscentrum kwam de uitbreiding ten noorden van de Roodeweg en op Mundo Nobo/Zjaro.

 

  • Geschiedenis Willemstad 4. Krottenwijken en volkswoningen

De trek naar de stad leidde tot het ontstaan van verschillende krottenwijken aan de periferie zoals: Dòmi, Colon, Marchena, Wishi, Coronèt, Fleur de Marie e.a. Deze wijken vertoonden  - en doen dit nog steeds - de karakteristieke problemen van krottenwijken elders. Om deze situatie te saneren en om te voorzien in de steeds toenemende woningbehoefte is de overheid, vooral na 1945, overgegaan tot de bouw van volkswoningcomplexen o.a. te Steenrijk, Brievengat, Koraal Specht, Ser’i Dòmi en Tera Corá. Naarmate de stad zich uitbreidde, ontwikkelden de oude stadskernen Punda / Pietermaai en Otrobanda zich steeds meer tot de zakenwijken van Willemstad. Dit proces van cityvorming schreed geleidelijk vanaf de Sint Annabaai naar twee zijden voort. Tussen de city en de nieuwe woonwijken aan de noordzijde van het Schottegat vormden zich verbindende stadsdelen, waarin reeds bestaande wijken organisch werden ingevoegd. Op deze wijze groeide Willemstad tot ver buiten zijn oude grenzen uit tot een stedelijk gebied, dat het Schottegat nagenoeg omsluit. Van een werkelijk planmatige aanleg van de stad is hierbij nimmer sprake geweest; het gevolg hiervan is dat oud en nieuw nogal chaotisch gemengd zijn.

 

  • Geschiedenis Willemstad 5. De Schottegatverbindingswegensysteem

De voornaamste verbindingsweg rondom het Schottegat wordt gevormd door de Schottegatweg, waarvan de deelbenamingen – Schottgatweg West, Noord, Oost en Zuid – de algemene locatie ten opzichte van het voor Curaçao zo belangrijke binnenwater aangeeft en de Rijkseenheidboulevard. Tot 1974 vormde de pontonbrug over de Sint Annabaai een zwakke schakel in het verkeer, zowel op kortere als langere afstand. Met het gereedkomen van de vaste oeververbinding, de Koningin Julianabrug, is de verkeerssituatie belangrijk verbeterd. Het drukke scheepvaart- en autoverkeer vindt nu voortgang zonder elkaar te hinderen (zie @: Bruggen).

 

  • Geschiedenis Willemstad 6. Administratieve indeling

Volgens de bestuurlijke indeling van Curaçao vormt het deel van het eiland ten zuiden van het Schottegat het zogenaamde 1e district; dit is dus bij benadering de oude stad tot ongeveer 1925. De jongere woonwijken behoren administratief tot het 2e district, waartoe echter eveneens delen van het platteland behoren. Het is duidelijk dat deze indeling verouderd is. Bij de volkstelling van 1960 werd een poging gedaan de grens te bepalen tussen het stedelijk en het verstedelijkt gebied rond het oude Willemstad en het platteland. Daartoe onderscheidde men behalve de plattelandsdistricten, de districten ‘stad’ (het oude 1e district) en ‘uitbreiding stad’, waartoe echter ook woonwijken als Sta. Rosa, Julianadorp en zelfs Luchthaven Hato met de tussenliggende gebieden worden gerekend. Geografisch voldoet deze indeling evenmin.

 


  • Geschiedenis Willemstad 7. Het oude centrum als shoppingcenter

Het meest karakteristieke deel van de stad is het oude centrum aan weerszijden van de Sint Annabaai, waar vele oude huizen zijn gebouwd in een typisch Hollands-koloniale stijl (zie @: Architectuur). De Handelskade biedt zodoende een zeer fraai waterfront. Ook de wirwar van straten en steegjes zowel in Punda als in Otrabanda bergen stedebouwkundige en architectonische schatten, jammer genoeg echter dikwijls weggedrukt en vervallen. In de verschillende van deze voor een voormalige vestingstad begrijpelijk smalle straten, rijgen de winkels zich aaneen tot een waar shopping center voor de eilandbewoner en vooral voor de toerist. De afgelopen decennia echter is een belangrijk deel van deze verzorgende functie overgenomen door het gebied Saliña / Ceritu. Dit gebied manifesteert zich steeds duidelijker als een nieuw regionaal (winkel)centrum.

 

  • Geschiedenis Willemstad 8. Ontwikkeling als economisch centrum

In de ontwikkeling van Willemstad als economisch centrum kunnen drie fasen worden onderscheiden, die elkaar gedeeltelijk overlappen:

  • a. vanaf ongeveer 1650 tot het midden van de vorige eeuw lag de betekenis van de stad vooral op het terrein van de doorvoerhandel;
  • b. de stoomvaart verlegde het zwaartepunt naar de bunkerbedrijvigheid, scheepsreparatie en allerlei vormen van scheepsleveranties. Bovendien nam het handelsverkeer toe door de gewijzigde politieke en economische situatie in de regio;
  • c. sinds 1920 werd Willemstad een wereldcentrum voor de raffinage van aardolie met de daaruit voortvloeiende scheepvaart en bedrijvigheid.

Het stuwend effect van de olie-industrie leidde o.a. tot krachtige uitbreiding van de in fase b genoemde activiteiten, terwijl ten aanzien van de verwerkte aardolie in zekere zin van ‘doorvoer’ sprake is. Ruimtelijk had deze ontwikkeling, zoals vermeld, de grote uitbreiding van het stadsgebied en een aanzienlijke toeneming van de bevolking tot gevolg. Ook de haven zelf werd enige malen verbeterd door uitdiepen, verbreden, aanleg van kaden, loodsen enz. In 1920 reeds werd de diepte van de haveningang gebracht op 10,80 m en later enige malen vergroot; in 1954 kwam de Nieuwe Haven in het oostelijk deel van het Schottegat gereed en in 1984 hoopt men er klaar te zijn met de aanleg van faciliteiten die voldoen aan de eisen van het moderne containervervoer. De marinebasis van de Koninklijke Marine op het schiereilandje Parera laat zien dat Willemstad de oude functie van marinehaven nog steeds heeft behouden. (Zie ook @: Curaçaosche Dok Maatschappij N.V.; @: Havens).

 

@: Wind
zie @: Klimaat.

 

@: Windward Islands’ Airways International N.V. / @: Winair

Winair werd op 24 augustus 1961 opgericht door de heren George Greaux, Hippolyte E. Ledee en Norman C. Wathey, met het doel Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius met elkaar door de lucht te verbinden. Het eerste toestel was een vierzits Piper Apache. In 1962 begon de eerste lijndienst (naar Sint Eustatius) en werden landingsrechten voor St. Barths verkregen. Toen in 1963 het vliegveld op Saba geopend werd, was de aanschaf van een STOL-vIiegtuig (Short Take-of & Landing) een noodzaak, dit werd een zevenzits Dornier 28. In 1965 werden St. Kitts, Anguilla, St. Barths en Guadeloupe in het vluchtschema opgenomen; twee jaar later werd een De Havilland Canada 6 Twin Otter in gebruik genomen, geschikt voor 19 passagiers. Tussen 1972 en 1974 breidde Winair zich sterk uit, waardoor gevlogen kon worden op Puerto Rico, Antigua, Dominica, Martinique en Montserrat. Nadat zij door de centrale overheid werd overgenomen, werd de luchtvaartmaatschappij winstgevend.

 

@: Windward Islands’ Bank Ltd.
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Windward Islands People’s Movement / @: W.I.P.M. / @: WIPM

Staatkundige partij op de Bovenwindse Eilanden, in 1970 opgericht door * Camille Baly, Ralph Berkel, ArneIl Brown, Will Johnson, Julian Lynch, Carol Richardson en Mervin Scot ter vervanging van de Windward Islands People’s Party (W.I.P.P.), die na de slechte resultaten van de eilandsverkiezingen in 1967 - de Democratische Partij behaalde alle 15 zetels - werd opgeheven. Op St. Maarten wordt de partij geleid door Mervin Scot, op St. Eustatius door Ralph Berkel en op Saba door Vernon Hassel nadat Will Johnson na 12 jaar aftrad. Bij de eilandsverkiezingen van 1983 behaalde de partij op Saba 4 zetels en op St. Eustatius 2; op St. Maarten behaalde de Sint Maarten Patriotic Movement (S.P.M.) waarmee de W.I.P.M. was gefuseerd, 2 zetels.

 

@: Windwardside

Schilderachtig tegen de berghelling gebouwd dorp op Saba (zie @: Architectuur).

 

@: Winkel, Willem Hendrik

(Curaçao 4 maart 1885 - 1 oktober 1943) Studie te Amsterdam; gevestigd als huisarts te Willemstad, kreeg in 1916 de leiding van de eerste kliniek voor venerische ziekten op Curaçao; was één der oprichters en eerste voorzitter van de afdeling Curaçao van het Nederlandse Rode Kruis.

 

@: Winstbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Wiri

Instrument gemaakt van een stuk ijzer, koper of staal dat in de lengte wordt gebogen tot een hele of halve cilinder. Dwars over de cilinder worden over de gehele lengte gleufjes ingevijld waarover bij het bespelen met een dun ijzeren staafje ritmisch wordt gestreken. De wiri wordt gebruikt in kleine orkesten en bij de Ka’i òru of caha di òrgel (Aruba) ter begeleiding van de wals, danza, mazurka en de tumba.

 

@: Wit-gele Kruis
zie @: Geneeskunde.

 

@: Wolfschoon, Adolfo A.

(Curaçao 12 maart 1863 - 12 juni 1889) behoort tot de vooraanstaande exponenten van de Spaanse literatuur (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

  • Wrk.: Poesías (1894).
  • Lit.: J. Terlingen, Lengua y literatura Españolas en las Antillas Neerlandesas (1956).

 

@: Women’s International Zionist Organization / @: W.I.Z.O. / @: WIZO

De Curaçaosche afdeling van W.I.Z.O. werd in 1948 opgericht. Zijn voornaamste taak is het inzamelen van gelden voor humanitaire arbeid in Israël en het organiseren van op Israël gerichte culturele manifestaties.

 

@: Wooncultuur
zie @: Meubilair en wooncultuur.

 

@: Woordenboek
zie @: Papiamentu: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden.

 

@: Wormen

is de verzamelnaam voor een aantal verschillende diergroepen: aardwormen, lintwormen, spoelwormen, enz. Het Papiamentse woord bichi omvat bovendien nog rupsen e.a.

Regenwormen (familie Lumbricidae) komen daar voor, waar de grond regelmatig vrij vochtig is. Men merkt hun aanwezigheid aan hun uit gekronkelde slangetjes aarde bestaande uitwerpselen; in regenplassen vindt men vaak hun lijken. In de droge tijd kunnen deze regenwormen dicht ineen gekronkeld en met een dikke laag slijm omgeven soms wel maandenlang in de kurkdroge aarde in leven blijven.

Aardwormen (Oligochaeta) zitten vooral in enigszins vochtige, humusrijke grond. Op de Benedenwinden vindt men ze vooral in enkele hofjes, in regelmatig besproeide tuinen en in plantenbakken. In het zoete water vindt men andere groepen van Oligochaeten, zoals de kleine slibwormen (Tubificidae).

Borstelwormen (Polychaeta) komen vrijwel alleen in zee voor, maar een enkele soort zit ook in het zoete water. In zee is het meest bekend de grote harige zeerups (Hermodice spec.) of lisinbein di awa, waarvan de zijige borstels als glashaar in de huid blijven zitten en jeuk veroorzaken als men de dieren in de hand neemt. Hij leeft van vrij grote prooi en kan met zijn zware kaken, bij beetpakken, ook door de huid heen bijten. Zij stulpen zich ook over de uiteinden van koraaltakken heen en consumeren dan het levende koraalweefsel.

Kokerwormen komen in zee in vele vormen voor; zij bouwen zich een koker, waaruit alleen hun mooie tentakelkrans te voorschijn komt. Bij gevaar trekken zij zich bliksemsnel in hun koker terug. De prachtige, grote waaierwormen (Sabellidae) zitten in hun slib-kokers tot op heel ondiep water tussen stenen, mangrovewortels en algen. Kalkkokerwormen (Serpulidae) zitten met hun kokers veelal in het levende koraal ingebouwd en steken hun stel fel gekleurde tentakelkransjes naar buiten.

Bloedzuigers (Hirudineae) komen in de Nederlandse Antillen in ten minste twee soorten (Helobdella spec.) in het zoete water voor; zij leven van ongewervelde dieren. De zakvormige zandwormen (Echiuridae en Sipunculidae) zitten in zee, ingegraven in het koraalzand of onder platte stenen en in rotsholten. De gele of grijze Echiuriden bereiken een lengte van ca. 10 cm, de roze-rood gestreepte Sipunculiden worden wel 30 cm lang.

Snoerwormen (Nemertini) vindt men eveneens in het zand en onder stenen in zee. Sommige soorten lijken wel veters en kunnen een meter lang zijn. Zij zijn erg contractiel en bij aanraking snoeren zij zich vaak in en vallen dan in vele losse stukken uiteen.

Draadwormen of spoelwormen (Nematoda) vindt men in grote aantallen in de grond en in het water. Bekend zijn vooral de parasitaire soorten bij planten en bij dieren. In vrijwel elke diersoort, van de walvis tot het kleinste kwalletje, kan men spoelwormen vinden. Onder natuurlijke omstandigheden brengen zij hun gastheer meestal weinig schade toe, maar bij het in cultuur brengen van plant en dier wordt dat anders.

Trilwormen of flukes (Trematoda) zijn doorgaans veel schadelijker voor hun gastheer. In plassen en lagunen in de Nederlandse Antillen kunnen vissen soms massaal blind worden als gevolg van de trilworm-infectie wormstaar, die meestal de dood tot gevolg heeft. Trilwormen bezitten een generatiewisseling, waarbij de verschillende levensfasen in heel verschillende gastheren worden doorgebracht. De trilworm namelijk doorloopt zijn cydus in vogel-slak-vis; in de vogeldarm worden eieren gelegd, die met de faeces in het water komen; de larven, die uit de eieren komen, boren zich in een waterslak; binnenin de slak vermeerderen de larven zich massaal en zwermen naar buiten en zoeken een vis op. In de vis werken zij zich naar de ogen en de hersenen; de vis wordt blind en wordt daardoor een gemakkelijke prooi voor vele vogels, waarmee de kringloop gesloten is. Onder de talloze trilwormen in zee zijn er ook, waarvan de zwemmende stadia de huid van mensen kunnen binnendringen en dan een aandoening veroorzakwen: swimmer’s itch. Deze infectie heeft echter geen nadelige gevolgen voor de mens. Andere soorten, vooral in het zoete water, kunnen wel gevaarlijk zijn. Voor parasitaire wormen bij vee, zie @: Diergeneeskunde.

 

@: Wotro Stichting

Afkorting van Stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen, op 3 juli 1964 te ‘s-Gravenhage opgericht, heeft tot doel het bevorderen en coördineren van Nederlands zuiver en toegepast-wetenschappelijk onderzoek van de tropen, in het bijzonder in Suriname en de Nederlandse Antillen. Zij tracht haar doel te verwezenlijken door het verlenen van subsidies aan wetenschappelijke werkers en instellingen voor het verrichten van onderzoek en/of voor het maken van studiereizen. De financiële middelen beliepen in 1982 rond 3,7 miljoen Nederlandse guldens, beschikbaar gesteld uit subsidies van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O.) en van het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking voor ontwikkelingsrelevant onderzoek.


@: Wijkverpleging
zie @: Geneeskunde.

 

 

De letter X

x is de 24ste letter van het Nederlandse alphabet en het lijkt een letter die ten dode lijkt te staan opgeschreven; hij wordt nauwelijks meer in de taal gebruikt wat onder andere blijkt uit haar voorkomen als beginletter in deze encyclopedie met slechts één enkel woord. Maar niet alleen in deze encyclopedie komt de x als beginletter maar weinig voor; ook in andere werken van dit type is zij één van de minst gebruikte beginletters. Degene die op onderzoek gaat naar de oorsprong van de x zal heel snel tot de conclusie willen komen, dat zij door de Grieken is ontworpen, maar de vorm en positie in het alphabet geven een duidelijke verbinding aan met één van de verscheidene Semitische sis-klanken (sāmekh in dit geval). Opgemerkt dient te worden, dat er onderzoekers zijn die dit betwijfelen omdat zij geen duidelijk overtuigende x-klank in de Semitische uitspraak hebben kunnen traceren. Het schijnt dat de verschillende Griekse stadstaatjes op deze basis de x-klank verder op hun eigen bijzondere manier hebben ontwikkeld; de Romeinse (Latijnse) x-klank spruit bijvoorbeeld voort uit de West Griekse versie op grond van woorden die men van dit gebiedsdeel overnam. De Romeinen schijnen verder niet veel eigen woorden met de x-klank te hebben ontwikkeld, evenmin als de Fransen en de Engelsen, die de x vooral gebruiken voor van oorsprong Griekse woorden. In beide talen kunnen daarom het aantal x-woorden bij wijze van spreken op de vingers van een hand worden geteld. En in andere talen is het al ook niet beter gesteld ermee.

De x is hoe dan ook een bijzondere letter, die toch redelijk makkelijk vervangbaar is met andere letters of combinatie van letters uit het alphabet. Als zij bijvoorbeeld aan het begin van een woord wordt gebruikt, heeft de x een gecombineerde sz-klank als bijvoorbeeld in het woord xenophobie. Is het dan moeilijk om de schrijfwijze szenofobie of zelfs senofobie voor te stellen en de verwijdering van de x uit het alphabet ten einde haar op een handige 25-letter aantal te brengen? Want ook als de x ergens binnen in een woord wordt gebruikt, waarbij zij dan een ks-klank aanneemt (extra; examen wordt ekstra; eksamen) is vervanging met de desbetreffende letters uit het alphabet mogelijk. Het Nederlands is op dit gebied kennelijk niet klaar met de beslissing, getuige het feit, dat men bijna alle woorden die van oorsprong een x ergens middenin gebruiken ook als zodanig schrijft (exotisch, exposant, expressie, extraneus). In het Papiamentu is hierbij kennelijk de definitieve handelswijze nog niet voorgeschreven. Velen van wat als de fonologische school omschreven kan worden geven de voorkeur aan de vervanging van de x door de ks combinatie. Dus ekstra in plaats van extra en eksotiko in plaats van exotiko. Een andere wellicht even grote groep prefereert echter vooralsnog de etymologische zienswijze. Het lijkt voor de x een strijd op leven en dood. Is het denkbaar dat deze strijd wellicht wel door een zogenaamde x-stralen machine beslecht zal dienen te worden, met de mogelijkheid die zij biedt om het voortbestaan van de x tot op de botten te herleiden voor de besluitname?

 

@: Xerofyten

 Foto (boven): De agave en de verschillende cacti - oa de bolcactus of  milon di seru (foto beneden) zijn voorbeelden van xerofyten

zijn landplanten die bestand zijn tegen regelmatig optredende grote droogteperioden. Hierbij zijn drie hoofdtypen te onderscheiden:

  • 1. planten waarbij levensfuncties gedurende die tijd latent worden, bijvoorbeeld korstmossen, luchtwieren, sommige mossen;
  • 2. succulenten, planten die gedurende of na neerslag snel veel water kunnen opnemen; in de droge tijd zijn zij door een sterk ontwikkelde cuticula tegen uitdrogen beschermd, bijvoorbeeld cactussen en agave;
  • 3. sclerofyten, planten met aanpassingen (xeromorfe structuur) zoals harde, vaak leerachtige bladeren, groot, oppervlakkig of diep wortelstelsel; plant kan uit vrij droge bodem nog water opnemen; in tegenstelling tot succulenten is verlies van water door verdamping vaak zeer groot.

 


De letter IJ / de letter Y

ij / y  is de 25ste letter van het Nederlandse alphabet en zij is in het Nederlands althans, de enige tweevoudige letter: De lange ij opgebouwd uit een combinatie van de i en de j en de zogenaamde Griekse y, die in feite ook uit twee aparte letters is opgebouwd (zie hieronder) en oorspronkelijk in feite geen Griekse maar een Semitische letter is. De oorspronkelijke voorouder van de Griekse y is namelijk de Semitische uitdrukking wāu die ook de uiteindelijke stamvader is van de f, u, v en w. In het oude Grieks vertegenwoordigde de Ypsilon aanvankelijk de u en later de y. De Romeinen namen dit over als de letter v ten einde zowel de klinker u als de medeklinker v (w?) mee aan te duiden, maar later, toen de Griekse Ypsilon definitief als de y-vorm was aangenomen, namen de Romeinen ook deze vorm over als een y, de v met haar pootje, speciaal in verband met de Griekse woorden en namen die men overnam. Ook het Oud Engels kwam op een gegeven moment in het gebruik van de y als een v met poot, al dan niet onder invloed van de Romeinen - de Oud Engelsen beroepen zich namelijk op een onafhankelijke ontwikkeling hierbij. Heden ten dage is het wel of niet bestaan van een interrelatie moeilijk met zekerheid vast te stellen, alhoewel de uitgestrektheid van het Romeinse keizeerijk zo’n wisselwerking sterk aannemelijk maakt. De y was dus technisch een v (dus u) bovenop een i geplaatst en naar het schijnt werd ernaar door zowel de Romeinen als de Oud Engelsen (kennelijk dus toch een interrelatie; de overeenstemmende handelswijze is te eenzelvig om een toevallige omstandigheid te zijn) gerefereerd als een u-i (spreek uit ju-ai) en hij werd gehanteerd als zowel een klinker als een medeklinker. Naarmate de u (v) meer als een klinker gehanteerd werd en op grond van de Engelse Klinker Modificatie ontstond uiteindelijk de onafhankelijke letter y; Griekse y in het Nederlands, Y Griëga in het Spaans en i-Grèc in het Frans, vanwaar ook de benaming in het Papiamentu van de letter  afkomstig is. In het Duits, het Portugees en het Italiaans wordt nog steeds de oorspronkelijke Griekse naam gebruikt: Ypsilon.

Ook het gebruik van de y heeft heden ten dage sterk aan regelmaat ingeboet. Haar gebruik als beginletter is intensiever dan dat van de x en ook de q, maar een snelle raadpleging van deze of andere encyclopedieen of woordenboeken laat zien, dat het aantal woorden die met een y beginnen nogal beperkt is. Ook de y is een letter die gemakkelijk met een andere letter uit het alphabet vervangen kan worden. Aan de ene kant is daar de vervanging als medeklinker met de j. Het Nederlands heeft daar in principe geen problemen mee, maar het Papiamentu zou moeten letten op woorden van Spaanse oorsprong, die weliswaar met een j worden geschreven, maar met een g-klank worden uitgesproken (juquete – speelgoed: spreek ongeveer uit als goekiti met de "i" van wip; consejo – raad: spreek uit als konsego; jefatura - politiestation: spreek uit als gifatoera ook hier met de "I" van wip). De y als klinker kan natuurlijk gemakkelijk worden vervangen met de i, ei of uiteraard de ij. Zijn wij op weg naar een alphabet bestaande uit slechts 24 letters i.p.v. de huidige 26?

 

 

@: Ijklandsverordening

1956 (P.B. 1956 nr. 38). Deze landsverordening houdt in de bepalingen betreffende de maten en gewichten die in het handelsverkeer gebruikt mogen worden, die alle tot het metrieke stelsel behoren. In de praktijk treft men ook veel Engelse / Amerikaanse maten en gewichten aan, hetgeen verband houdt met de omstandigheid dat vooral veel levensmiddelen in verpakte vorm uit de V.S. en Engeland worden ingevoerd. De volksmond bezigt nog vaak verscheidene de oude maten en gewichten, alhoewel zij niet langer als maatstaf dienen bij koop en verkoop.

 

@: Ijsvogel

(Ceryle alcyan) kabés grandi of kingfisher is een trekvogel uit Noord-Amerika, die van september tot in april kan worden waargenomen. Dan is deze grijsblauwe vogel met forse kuif regelmatig aan stille baaien te zien. Het mannetje heeft een grijsblauwe, het wijfje bovendien een roodbruine band over de borst.

 

@: Yakumènchi
zie @: Poor white.

 

@: Yakupeper
zie @: Grouper.

 

@: Yam
zie @: Dioscorea.

 

 

@: Yambo

Het Arubaanse en Bonairiaanse equivalent voor guiambo zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Yaru
zie @: Horsmakrelen.

 

@: Yatu
zie @: Cactussen.

 

@: Yaya

noemt men de traditionele kinderverzorgster bij de blanke Antilliaanse families. De figuur van de yaya heeft door het veelal affectieve contact met de kinderen van de shon steeds een belangrijke rol gespeeld in hun opvoeding. Zij kan beschouwd worden als de affectieve schakel tussen blank en zwart en een gewichtige factor in de ontwikkeling van veel Antilliaans cultuur-eigen.

In de lagere strata van de bevolking is de yaya de figuur van de oude vrouw, die het te dopen kind op de armen naar de kerk draagt. Hoewel zij geen verdere duidelijke functie bij de doop vervult, dient het kind haar gedurende haar leven bijzonder te eerbiedigen (zie ook @: Verwantschap).

 

@: Yerba di glas
zie @: Ipomoea.

 

@: Yerba di hole

(Ocimum gratissimum) Kruid, behorend tot de familie der Labiatae, wordt als specerij gekweekt.

 

@: Yerba di leba

(Waltheria indica) of marsh mellow, plantesoort uit de familie der Sterculiaceae. Heestertje met dicht viltige twijgen en bladeren; bloemen geel, in dichte, gedrongen, kluwenvormige bloeiwijzen in de bladoksels. Algemeen, in heestervegetaties. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Yerba di lechi
zie @: Euphorbia.

 

@: Yerba stinki
zie @: Datura.

 

@: Yeye / @: Yeye di awa
zie @: Zangcicade; @: Libellen.

 

@: Yola
zie @: Vissersvaattuigen.

 

@: Yòrki
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Yrausquin, Juan Enrique / @: Juan Yrausquin

 

(Aruba 3 december 1904 - Curaçao 20 juni 1962). Antilliaans politicus en oprichter van de Partido Patriotico Arubano (P.P.A.). Hij begon zijn loopbaan in het bankwezen en werd in 1947 lid van de Staten van de Nederlandse Antillen. Vanaf 1951 was hij gedurende enkele jaren lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Aruba. Hij maakte deel uit van de Antilliaanse delegatie naar de Ronde Tafel Conferenties van 1948 en van 1952-1954. Op 1 April 1956 werd hij benoemd tot minister; hij beheerde tot aan zijn overlijden de portefeuilles van Financiën en van Welvaartszorg. In Oranjestad is een plein naar hem, genoemd en is daar een standbeeld voor hem opgericht.

 

@: Yrausquin Luchthaven, Juancho E.
Luchthaven van Saba, zie @: Luchthavens.

 

@: Yubia Bendita

Deze stichting is opgericht in 1970 door Stromen van Kracht (ook bekend als Igelsia Bida Nobo). De doelstellingen van de stichting zijn:

  • Het uitdragen van het Evangelie van Jezus Christus door middel van evangelisatie-activiteiten, o.a. wekelijkse samenkomsten voor kinderen, jeugd en ouderen. In 1982 had de stichting een gemeente met 120 vaste bezoekers, een jeugdgroep van ± 60 jonge mensen en enkele kindersamenkomsten met ca. 100 kinderen.
  • Het opvangen van mensen in moeilijke omstandigheden, vooral mensen die bereikt worden door het evangelisatiewerk van de stichting.

Momenteel exploiteert de stichting een kinderhuis op de plantage Mount Pleasant waar 45 kinderen permanent zijn ondergebracht. De kinderen blijven tot de omstandigheden zodanig verbeterd zijn, dat zij weer naar huis kunnen gaan, in de praktijk zal dit betekenen dat de meeste kinderen blijven tot zij zelfstandig zijn. De stichting werkt zonder subsidies van de overheid.

 

@: Yúana
zie @: Hagedissen.

 

@: Yuana Man

Koosnaam van Wendell Sluis, een Curacaoenaar, die er zijn beroep van heeft gemaakt met een drietal door hem gedomesticeerde yuana's (leguanen) als toeristische atractie in de binnenstad van Willemstad (Punda en Otrobanda) rond te lopen. Toeristen kunnen tegen betaling foto's van hem of met hem en zijn yuana's maken als een bijzonder aandenken aan het eiland.

In 2008 ondergaat Sluis een speciale avontuur, als hij door het echtpaar Steve en Christy Cone - Steve is kapitein van het gigantische cruiseship (toeristenboot) Adventure of the Seas, die Curacao wekelijks (in de zogenaamde season) of tweewekelijks (off-season) aandoet - voor een maandlange vakantie in Amerika wordt uitgenodigd. Het echtpaar neemt hierbij ook de reis- en verblijfskosten van Sluis en zijn leguanen voor hun rekening en verlenen op deze manier de Curacaoenaar de gelegenheid om zichzelf te vertonen in de beroemde Yankee Stadium (baseball / honkbal stadion van de eveneens zeer bekende New York Yankees) en wat promotie te doen voor Curacao.

 

@: Yúan’e awa / @: Yúana di awa

of lizard fish (Synodus spec.) is een bruin-grijs gekleurde bo¬demvis met een zodanige band- en stip¬peltekening dat de dieren haast niet af¬steken tegen de bodem, waarop ze liggen. Ze leven van garnaalachtigen en kleine vis.

 

@: Yu di tera

Door de instroming van vreemdelingen als gevolg van de economische ontwikkeling op basis van de olie-industrie werd bij de Antillianen het gevoel van landskinderen of yu di tera te zijn versterkt. Het begrip werd nooit juridisch vastgelegd, al werden allerlei juridische onderscheidingen wèl uitgewerkt. Zo hebben ingevolge art. 17 van de Vestigingsregeling voor bedrijven (P.B. 1946, nr. 43) in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders geen vestigingsvergunning nodig terwijl de Regeling Toelating en Uitzetting (P.B. 1966, nr. 17) niet op deze groep van toepassing is. Voor de volksklasse betekende de ingrijpende demografische verandering als het ware een stukje collectieve stijging op de maatschappelijke ladder.

 

 

 

De letter Z

z is de laatste letter van het Nederlandse alphabet; nummer 26 in de rij. Last but not least (de laatste maar niet de minste) zegt dat gevleugelde Amerikaanse gezegde en het blijkt weer eens waar te zijn, want de z is niet alleen een letter die nog met goede regelmaat gebruikt wordt, maar alles wijst erop, dat zij ook niet zomaar door een andere letter vervangen kan worden, al komt de s daar natuurlijk bij in de buurt. Maar de z-woorden zijn onmiskenbaar. De z vloeit voort uit de Griekse zeta met als uiteindelijke achtergrond de zesde letter van het Semitische alphabet (zayin mogelijk hun woord voor wapen). De Romeinen (het Latijns), die hun alphabet weliswaar op het West Grieks grondvestten, hanteerden oorspronkelijk de z niet. In het oer-Latijns ontwikkelde de z-klank zich aanvankelijk in een r-klank en kwam het in het gewone Latijns zelfs voor, dat de z-klank werd vervangen door een b-klank (Romeinse baptidiare versus Griekse baptiziare = dopen). Rond 300 vóór Christus werd zij dan ook door de censor Appius Claudius Caecus uit het alphabet gehaald en vervangen door een g. Later (in ongeveer de eerste eeuw vóór Christus) werd de z-klank toch in het Latijns hersteld vanwege de Griekse leenwoorden, die hiervoor òf met de s (aan het begin van een woord) of met de ss (middenin) werd vervangen.  Met het vorderen van de tijd gebeurde het dat de Romeinen uiteindelijk toch de z voluit in hun alphabet incorporeerden. Z is trouwens één van de twee letters (de andere is de Ypsilon / y) die de Romeinen direct van het Grieks hebben overgenomen.

Het gebruik van de z lijkt in het Nederlands niet aan gevaar onderhevig, noch als beginletter (zon, zwijgen, zigeuner, Zanzibar) en ook niet midden in een woord (azijn, Azteken – let wel op, dat de z in de benaming van deze hoogstaande Mexicaanse indianenstam als een s en niet met de zware z-klank wordt uitgesproken -   bezwaar, gezond, lozen). Het Papiamentu lijkt met de z enige moeite te hebben: Vele z-woorden van hetzij Nederlandse (zeeappel – séapel) of Spaanse oorsprong (Spaans: azotar – Papiamentu: suta = pak slag geven) worden met een s vertaald. Het is echter niet duidelijk of het een algemene tendens is (let op bijvoorbeeld Papiamentu: zòt = zot) en dat daarmee de z in onze taal gevaar loopt.

 

 

@: Z ’86 / @: Zèt ochentiseis

Omroepstation op Curaçao (zie @: Curom; zie ook @: Radio-omroep).

 

@: Zaagvis
zie @: Roggen.

 

@: Zakpijpen

(Ascidia) behoren, evenals de salpen, tot de manteldieren (Tunicata). De planktonische larven hebben een chorda, zoals ook de gewervelde dieren die in aanleg hebben. De larven vestigen zich en krijgen (bij sommige soorten) de vorm van een zak, die aan de bovenzijde twee ventilatieopeningen heeft. Zakpijpen kunnen solitair blijven, maar vele soorten kunnen zich vegetatief tot plakkaatvormige kolonies vermeerderen. Er zijn soorten die schitterend rood van kleur zijn.

  • Lit.: Een overzicht van 35 soorten van de Nederlandse Antillen vindt men bij R.H. Miller, Stud. Fauna Curaçao, vol. 13 (1962).

 

@: Zandafgraving

Door ongecontroleerde zandafgraving is ernstige schade toegebracht aan stranden, in het bijzonder van Curaçao; verscheidene van deze stranden zijn beschouwd als mijnen waarvan het zand op grote schaal kon worden weggegraven en verkocht. De plannen om het Lac op Bonaire als wingebied voor zand te exploiteren, zijn door het eilandsbestuur bij herhaling afgewezen.

 

@: Zangcicade

(Ariasa nigrovittata) of yeye, behoort tot de orde Homoptera, familie Cicadidae, een groep van insekten, die met een rechte zuigsnuit planten aanboren en sap zuigen. Vooral overdag is het snerpende, abrupt eindigende geluid van de mannetjes een kenmerkend bewijs van hun aanwezigheid. Bij het tsjirpen wordt het achterlijf sterk opgeblazen en dient dan als klankbodem. Op het moment, dat de cicade zijn zang beëindigt, ziet men het achterlijf ineenschrompelen. De jeugdstadia leven ondergronds, waarschijnlijk vele jaren lang en men vindt de afgeworpen laatste larvehuid soms tegen boomstammen gehaakt.

 

@: Zangkoren

De belangstelling voor koorzang is groot. Zowel katholieke als protestantse kerken beschikken doorgaans over een koor. Daarnaast zijn er ook concertkoren. Op Aruba zijn vooral bekend Vivons en chantant onder leiding van Rufo Odor en het Arubaans gemengd koor, op Bonaire Ars cantandi (dirigent George Cooper) met het traditionele kerstconcert (met werk van o.a. Handel) en Kanta Orkidia, dat onder leiding van Benita Balentin zich te Rincon vooral toelegt op autochtone liederen. Curaçao kent o.a. Orfeon Crescendo en Orfeon Alegro.

Orfeon Crescendo, opgericht op 7 oktober 1960, door zijn huidige dirigent, Frank Davelaar, aanvankelijk begonnen met ca. 20 personen, telt nu 45 leden. Zijn kerstconcerten zijn een traditie ge.worden. Op het repertoire staan behalve werken van Bach, Beethoven, Brahms, Cimarone, Handel, Haydn, Mozart ook werken van modernere componisten als Benjamin Britten. Het koor heeft zich ook gewijd aan operaprogramma’s en aan populaire liedjes. Op Aruba, Bonaire en in Cali (Colombia) is met succes opgetreden.

Orfeon Alegro, opgericht door de huidige dirigent Rignald Yankey bestond aanvankelijk uit leerlingen van het M.I.L. (María Immaculata Lyceum). Later traden ook oudere leden toe, die de zangkunst niet helemaal beheersten maar aan wie Yankey de gelegenheid wilde bieden zich verder te ontplooien. Het repertoire bevat zowel klassieke als populaire liederen. Het koor treedt bij voorkeur buiten Willemstad op ten gerieve van de bewoners uit de buitendistricten. Orfeon Alegro is het eerste koor op Curaçao dat zich door een steelband liet begeleiden.

Op St. Maarten verdient speciale vermelding Deo Gloria Chorate van de Zevende Dagse Adventisten onder leiding van Glen Richardson (met werken van Handel, Mendelssöhn, Vivaldi).

 

@: Zeeanemonen
(Actiniaria) zijn nauw verwant met de koraaldieren (zie Koraal), waarmee zij zijn samengevoegd in de subklasse der Anthozoa van de holtedieren. De zeeanemonen hebben geen enkel skelet. Sommige soorten leven verscholen in het zand of in koraalspleten, andere soorten staan open en bloot op de zeebodem te wuiven. Zij bezitten zowel kleef- als netelcellen, die hun bescherming verlenen en tevens een functie hebben bij het bemachtigen van prooidiertjes. Er zijn maar enkele soorten waarvan het netelgif zo sterk is, dat het pijnlijk aandoet. De kleverigheid daarentegen is vaak duidelijk voelbaar, o.a. bij de grote soort Condylactis gigantea, die met zijn dikke, 10 cm lange tentakels overal op ondiep water te vinden is. Zoals de meeste soorten zeeanemonen kan ook deze zijn tentakels intrekken. Zij leven vooral van plankton, dat vastgekleefd raakt en verdoofd wordt en dat vervolgens door de tentakels naar de mond gebracht wordt.

 

@: Zeeappels

(Papiamentu: séapel) of zeeëgels, sea urchin, sea eggs (Echinoidea) behoren evenals bijvoorbeeld de zeesterren tot de stekelhuidigen. Sommige soorten leven in het zand, zoals de grote, hoog gewelfde Brissus brissus, en de veel kleinere, uiterst platte kuki di laman (Meltita sexiesperforata) of sanddollar, die men vooral in schoon zand aantreft. Veel talrijker, zowel in soorten als in individuental(?), zijn de zeeappels die niet ingegraven leven. De meest beruchte soort is wel de zwarte zeeappel, séapel pretu of pakapel (Diadema antillarum), die de baders zo pijnlijk kan treffen met zijn lange, vlijmscherpe, brokkelige naalden; overigens zijn juist de stekels van deze soort zo broos, dat zij na korte of lange tijd volledig door het bloed worden opgelost zonder dat verzwering pleegt op te treden. Tussen de stekels in staan de zeer beweeglijke zuigvoetjes en de stijve, scharnierende tangetjes van velerlei vorm (pedicellariën), waarmee zij zich beveiligen en schoon houden. Met behulp van deze zuigvoetjes en tangetjes weten sommige soorten zich bij fel licht als het ware te camoufleren met allerlei stukken schelp, koraal, enz. De functie van het afschermen tegen het licht is nog niet duidelijk, ondanks veel onderzoek.

Ingegraven soorten zijn in hoofdzaak detrituseters; de andere soorten leven van algen of raspen zeepokken, kokerwormen e.d. van de stenen. Er zijn maar weinig dieren die zeeappels op hun menu hebben staan. Schildpadden en trekkervissen zijn echter in staat met hun sterke kaken het kalkpantser van zeeappels te kraken. De séapel blanku (Tripneustes esculentus), kenbaar aan zijn zwart-paarse huid en witte stekels, wordt op vele Caribische eilanden maar niet in de Nederlandse Antillen gegeten. Op enkele eilanden (Barbados o.a.) is de consumptie zelfs zodanig dat men aldaar een ‘vangmoratorium’ heeft ingesteld.

 

@: Zeeëgel
zie @: Zeeappels.

 

@: Zeegrassen

zijn ondergedoken waterplanten met een grasachtig uiterlijk. Ze behoren tot verschillende families der hogere planten, maar bezitten zeer gereduceerde bloemen, die slechts uit enkele meeldraden of vruchtbeginsels bestaan, terwijl bloembekleedselen bij de meeste soorten ontbreken. De zeegrassen kunnen grote oppervlakten van de zandige en slikrijke bodems van baaien en lagunen bedekken. In de Nederlandse Antillen worden de volgende soorten in grote getale aangetroffen: Thalassia testudinum (yerba di kaña), Syringodium filiforme (in oudere literatuur vaak aangeduid met de naam Cymodocea manatorum), Halodule wrightii en H. beaudettei.

De planten vormen lange wortelstokken, waaraan bij Thalassia dichte bundels bladeren tot 60cm lengte en ongeveer 1cm breedte. Bij Syringodium en Halodule zijn de bladeren ongeveer even lang maar sleehts 1-2 mm breed. De losgeslagen bladeren van zeegrassen worden soms in een dikke wal op het strand geworpen. Zeegrassen spelen een belangrijke rol bij het vastleggen van de zand- en slikbodem. Tussen de bladeren komen de bodemdeeltjes tot rust en geleidelijk kunnen banken worden gevormd, die wel een halve meter boven de omringende zeebodem kunnen uitsteken. In de zeegras-vegetaties worden ook verschillende wieren aangetroffen en verder een rijke bodemfauna. De bladeren van de zeegrassen zijn vaak dicht bezet met dunne kalkkorstjes van het rode wier Fosliella farinosa. Ook talrijke andere wiersoorten kunnen als epifyt worden aangetroffen.

In slikrijke bodems van lagunen worden soms nog andere zeegrassoorten aangetroffen: Halophila baillonis en H. decipiens, plantjes met kleine elliptisehe bladeren.

Literatuur:

  • C. den Hartog, The seagrasses of the world (1970);
  • R.C. Phillips & C.P. McRoy, Handbook of Seagrass Biology, an ecosystem perspective, Garland STPM Press (1980).

 

@: Zeekat

(Papiamentu: sekat) zie @: Inktvissen.

 

@: Zeekomkommer
zie @: Lol’i awa.

 

@: Zeelandia

was een buitengoed met een in twee gedeelten tot stand gekomen huis op Curaçao uit de tweede helft van de 18de eeuw, waarvan de langgerekte kern tussen voluutgevels geheel omringd werd door een open kolonnade. Bij verkaveling is het huis met omgeving gekomen aan de in 1935 gestichte protestantse vereniging voor liefdadigheid en maatschappelijk werk, die vóór de inrichting tot Koningin Wilhelmina-tehuis voor ouden van dagen, in de dwarsas haakse vleugels in gelijke stijl heeft doen aanbouwen, waaromheen de kolonnade is doorgetrokken.

 

@: Zeelelies

(Crinoidea) behoren evenals bijvoorbeeld de skèr tot de stekelhuidigen. Zij zijn op de Benedenwinden schaars vertegenwoordigd. Een soort, die men regelmatig tussen koralen en op sponsen tegenkomt, is de sierlijke Nemaster grandis, waarvan de 20 cm lange, geveerde armen waaiervormig uitstaan, vermoedelijk als planktonzeef. De kleur is variabel, bijvoorbeeld geel, of wit-zwart gestreept. Een klein garnaaltje, dat precies het kleurpatroon van de zeelelie heeft, leeft als meeëter verborgen tussen de armen. Nemaster verplaatst zich kruipend, maar er zijn andere soorten, die sierlijk met behulp van hun armen zwemmen. De zeelelies leggen eieren, waaruit larven komen, die enige weken een planktonisch leven leiden.

 

@: Zeemanshuizen

Nadat in 1926 de Vereniging ‘Apostolaat ter Zee’ was opgericht, werd op Curaçao in 1931 een RK-Zeemanshuis geopend; op Aruba in 1932. Later openden ook het Leger des Heils en de Noorse Zeemanskerk zeemanstehuizen die druk bezocht werden. Wegens grote veranderingen in het havenbedrijf - de afhandeling van schepen verkortte de ligduur sterk - waren steeds minder zeelui in staat om de zeemanshuizen te bezoeken. Overnachtingen kwamen nagenoeg niet meer voor. Om die redenen moesten enkele jaren geleden het RK-Zeemanshuis en het Zeemanshuis van het Leger des Heils gesloten worden.

 

@: Zeenaalden
zie @: Anguiu.

 

@: Zeeonderzoek
zie @: Carmabi; @: Visserijonderzoek.

 

@: Zeepaardje
zie @: Kabai di awa.

 

@: Zeepok

barnacle (Balaniden e.a.) is een kreeftachtige, die er echter uitziet als een schelpje. Men vindt de meestal ivoorkleurige pokken vooral op ondiep water of in de getijzône op steen, mangrovewortels en tegen steigers, alsook op kreeften, levende schelpen, enz. Bepaalde soorten zitten op schildpadden of op walvissen, andere zitten op of in levend koraal. Het zijn hermafrodieten, en met de lange penis kunnen zij elkaar bevruchten. Uit de eieren komen larven, die als eenogig vlokreeftje door het water zwemmen. Na metamorfose via een mosselkreeft-stadium vestigen zij zich als pok en vormen een kalkskelet, van waaruit hun pootjes een ritmisch maaiende beweging door het water maken, waardoor ze ademhalingswater en voedsel naar binnen halen. In het voedselarme water van de Nederlandse Antillen ontwikkelden zeepokken zich minder massaal dan elders. Tevens vinden zij hier relatief veel vijanden, zoals purperslakken, zeeappels, papegaaivissen en andere knabbelaars. Zeepokken zijn berucht bij de scheepvaart wegens hun rol bij de aangroei (fouling) van schepen.

 

@: Zeepvis
zie @: Habón.

 

@: Zeevonk
zie @: Luminescentie.

 

@: Zegelbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Zelfbeschikkingsrecht

van een land is het recht om over eigen lot te beslissen, bijvoorbeeld door een volksstemming. Een land kan vrijwillig besluiten een meer of minder nauwe band met één of meer andere landen aan te gaan. Er zijn tal van federaties, waarin ieder deelnemend land een deel van zijn onafhankelijkheid prijsgeeft ter wille van de verbondenheid met andere landen. De vrijwilligheid van de beslissing is de maatstaf. Bij de totstandkoming van het Statuut is de vrijwilligheid van ieder der landen tot het aanvaarden van een nieuwe rechtsorde voorop gesteld. Bij de voorbereiding van het Statuut is veel getheoretiseerd over de vraag of zelfbeschikkingsrecht het secessierecht (recht tot uittreden) impliceert. Eenstemmigheid daaromtrent bestond allerminst. Het werd ten slotte beschouwd niet te zijn opgesloten in dat woord en zelfs het woord zelfbeschikkingsrecht dat aanleiding gegeven had tot verschillende interpretaties, werd vermeden. Uit het communique van de Ronde Tafel Conferentie van 1961 blijkt, dat die conferentie zich eveneens gesteld heeft op de grondslag van het zelfbeschikkingsrecht. Op de Ronde Tafel Conferenties van 1981 en 1983 werd het zelfbeschikkingsrecht van de eilanden van de Nederlandse Antillen uitdrukkelijk erkend (zie ook Ronde Tafel Conferentie).

 

@: Zelfbestuur
zie @: Decentralisatie.

 

@: Zelfstandigheid
zie @: Onafhankelijkheid.

 

@: Zelfstandigheidsstreven

  • Van St. Maarten: zie @: Waymouth, Josiah Charles
  • Van Aruba

De reeds lang bestaande animositeit tussen Curaçao en Aruba leidde er vooral na de Tweede Wereldoorlog toe, dat stelselmatig de wens van Aruba tot uiting kwam zich van de overige eilanden van de Nederlandse Antillen af te scheiden en in rechtstreekse verbinding met Nederland te komen. Aruba meende de eigen zaken geheel zelfstandig te kunnen regelen en was de afhankelijkheid van het centrale, op Curaçao gevestigde gezag moe. Op initiatief van de Raad van Politie op Aruba werd daartoe op 13 augustus 1947 de zogenoemde afscheidings-commissie in het leven geroepen. In de oorlogsjaren had reeds een onder voorzitterschap van A.S. Oppenheim ingestelde commissie ter bestudering van staatkundige aangelegenheden een rapport ingediend met een ontwerplandsverordening, waarbij bevoegdheden van het centrale gezag aan het bestuur van de eilanden zouden worden overgedragen. Dit ontwerp ondervond in februari 1946 in de Staten zoveel tegenkanting, dat het in oktober 1948 werd ingetrokken. Intussen was geprobeerd aan de wensen van Aruba tegemoet te komen: bij de Staatsregeling van 1948 werden aan Aruba evenveel zetels in de Staten toegekend als aan Curaçao. Bovendien werd na een ter zake op de Ronde Tafel Conferentie aangenomen motie in juni 1948 een commissie Aruba-Curaçao ingesteld om gegevens te verzamelen. Deze commissie onder voorzitterschap van G.A. van Poelje bracht reeds een maand later rapport uit. Het rapport stelde voor een federatie van de zes eilanden van de Nederlandse Antillen met de volgende grondlijnen:

  • zelfstandigheid voor elk eiland der Nederlandse Antillen;
  • samenwerking in geordend verband, waar de belangen van de eilanden dit vereisen, en
  • verbondenheid met Nederland in het kader van het zich ontwikkelende Verenigd Koninkrijk.

De commissie ging van de gedachte uit dat elk eiland een eigen volksvertegenwoordiging zou krijgen, volksraad genoemd. Het karakter van samenwerking van de zelfstandige eilanden moest tot uiting komen in de samenstelling en bevoegdheid van de Federale Raad der Verenigde Nederlandse Antillen. De Federale Raad zou bestaan uit vijftien leden. De volksraden van Aruba en Curaçao zouden elk vijf leden kiezen; de volksraad van Bonaire twee leden en de volksraad van ieder der Bovenwindse Eilanden één lid. Het plan-Van Poelje is in de Nederlandse Antillen niet aanvaard omdat dit niet paste in de inmiddels voortgeschreden onderhandelingen van de conferentie, waarbij een driedelige koninkrijksconstructie werd gehandhaafd. Aldus ook art. 209 bij de grondwetsherziening van 1948: Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen vormen één Koninkrijk (thans neergelegd in de preambule van het Statuut en art. 1 van de Grondwet). In de in 1951 tot stand gekomen Eilandenregeling Nederlandse Antillen is toen getracht de desiderata van het rapport Van Poelje zoveel mogelijk te verwezenlijken. Nadat Aruba een grote mate van zelfstandigheid bij deze regeling had verkregen, kon in de Interimregeling van 1950 een redelijker zetelverdeling voor de Staten worden neergelegd.

Aruba hield echter vol: de wens tot groter zelfstandigheid werd herhaaldelijk ter sprake gebracht in de Eilandsraad van Aruba. Medio der 1970er jaren werd in de Staten tweemaal een motie aangenomen waarin het beginsel werd onderschreven, ’dat het een onvervreemdbaar recht van iedere volksgemeenschap is en derhalve van elk der eilanden van de Nederlandse Antillen om de eigen staatkundige toekomst te bepalen’.

De Nederlandse regering heeft zich tijdens de Ronde Tafel Conferenties van 1981 en 1983 bij het standpunt van de Staten (en van de Antilliaanse regering) aangesloten en het zelfbeschikkingsrecht van elk der eilanden erkend (zie verder @: Ronde Tafel Conferentie en @: Zelfbeschikkingsrecht).

Literatuur:

  • G. Benthem van den Bergh, O. Braun, J.G.M. Hilhorst en A.J.M. van de Laar, Aruba en onafhankelijkheid: achtergronden, modaliteiten en mogelijkheden; een rapport in eerste aanleg (1978);
  • W.H. van Helsdingen, Aruba en de separacion, in: West-Indische Gids, jrg. 35 (1954);
  • J.H. van der Kuyp en H.R. Fingal, Witboek over de ‘Status Aparte’ (1975);
  • Rapport van de Gemengde Commissie Toekomst Antillen (1982);
  • Stenografisch verslag van de conferentie van de Nederlandse AntiIlen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland (RTC) (1983);
  • E. Verhey en G. van Westerloo, De heilige strijd van een verheven volk. Bijvoegsel Vrij Nederland, no. 26 (1978).

 

@: Zeppenfeldt, Carel Anton

(Curaçao 1 september 1853 - 3 augustus 1918) gouvernementsarts te Willemstad. Nam in 1914 het initiatief tot oprichting van het sanatorium Het Groene Kruis, dat 17 juli 1917 geopend werd.

 

@: Zetelverplaatsing

Met name in verband met oorlog, oorlogsgevaar e.d. zijn regelen gesteld met betrekking tot verplaatsing van de statutaire zetel van rechtspersonen. Enerzijds is dit geschied bij Landsverordening Zetelverplaatsing derde landen (P.B. 1965 nr. 31), welke met ingang van 1 maart 1966 in werking is getreden (P.B. 1966, nr. 61). Deze verordening houdt regelen omtrent verplaatsing van de zetel van rechtspersonen, die buiten het Koninkrijk zijn gevestigd, naar de Nederlandse Antillen.

Een rechtspersoon, die als zodanig is erkend door het recht van de staat waar hij is opgericht en waar zijn statutaire zetel zich bevindt, kan deze zetel naar de Nederlandse Antillen verplaatsen, indien het recht waaraan die rechtspersoon onderworpen is dit toelaat of zich daartegen niet verzet. De verplaatsing komt tot stand door de goedkeuring bij beschikking van de Minister van Justitie van een daartoe strekkend besluit van de rechtspersoon.

Anderzijds regelt de Rijkswet vrijwillige zetelverplaatsing van rechtspersonen (Stb. 1967, nr. 161; P.B. 1967, nr. 69, gewijzigd bij Stb. 1981, nr. 75; P.B. 1981, nr. 145) de overbrenging van de plaats van vestiging door wijziging van de akte van oprichting van een in Nederland of de Nederlandse Antillen gevestigde naamloze vennootschap of van een andere rechtspersoon naar een ander deel of binnen een deel van het Koninkrijk. De wijziging is onderworpen aan goedkeuring of bekrachtiging door de Minister van Justitie van het deel van het Koninkrijk, waar de vennootschap is gevestigd respectievelijk het deel van het Koninkrijk, waarheen de plaats van vestiging der vennootschap is overgebracht. De Rijkswet Zetelverplaatsing door de overheid van rechtspersonen en instellingen (Stb. 1967, nr. 162; P.B. 1967, nr. 68, gewijzigd bij Stb. 1981, nr. 75; P.B. 1981, nr. 145) regelt de overbrenging van de plaats van vestiging van één of meer in Nederland of de Nederlandse Antillen gevestigde rechtspersonen of daarmee gelijkgestelde instellingen naar een andere plaats binnen het Koninkrijk. De verplaatsing komt tot stand door gezamenlijke beschikking van de Minister van Justitie en van Financiën in Nederland.

In tegenstelling tot de Landsverordening Zetelverplaatsing derde landen vinden de Rijkswetten slechts toepassing indien er sprake is van oorlog, onmiddellijk oorlogsgevaar, revolutie of daarmee vergelijkbare buitengewone omstandigheden. Beide Rijkswetten zijn met ingang van 1 juni 1967 in werking getreden (Stb. 1967, nr. 257; P.B. 1967, nr. 81).

 

@: Zevende Dags Adventisten

De Antilliaanse zending der adventkerk van het kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten vestigde zich in 1926 in de Nederlandse Antillen en heeft thans 18 gemeenten (Curaçao 11, Aruba 5, Bonaire 2) met een totaal van ongeveer 2400 ‘zielen’. Ook op Sint Eustatius is een gemeente (± 200 zielen). Elke gemeente heeft een eigen kerkgebouw, weldadigheidsafdeling, jeugdwerk en een predikant. De voertaal is Nederlands of Engels, en er is een uitgebreide lectuurverspreiding in het Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans.

 

@: Ziekenhuizen
zie @: Geneeskunde.

 

 
@: Ziekteverzekering (verplichte)
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Zimmerman, Christiaan

(Zeeland ? - Curaçao 1867). Zeeuws militair, die omstreeks 1850 als wacht dienst deed op het Fort Boca San Michiel en als de stamvader van een groot gedeelte van de bewoners van dit vissersdorp wordt beschouwd. Hij stimuleerde de visserij vooral door introductie van de reda (zie ook @: Visserijmethoden).

 

@: Zjozjoli

(Sesamum indicum) of sesam, plantesoort uit de familie der Pedaliaceae. Kruid, met dichtbehaarde, stomp-vierkante stengel; bladeren variabel in grootte en vorm, de onderste gelobd of handvormig ingesneden; bloemen alleenstaand in bladoksel, wit, lila of rood; doosvrucht met talrijke zaadjes. Zaad sterk oliehoudend (sesamolie), in India vooral gebruikt als spijsolie; daar belangrijk uitvoerprodukt voor verwerking in zeepindustrie; op Curaçao gebruikt voor vervaardigen van snoepgoed. Curaçao gekweekt.

 

@: Zoetwaterorganismen

zijn in de Nederlandse Antillen niet in groot aantal te vinden, hetgeen verband houdt met de geringe hoeveelheid zoet water. Toch zijn er in de Nederlandse Antillen enkele diersoorten, die niet elders gevonden werden en die dus endemisch mogen worden genoemd, bijvoorbeeld enkele kleine crustaceeën als de pissebed (Cyathura curassavica), die zijn aangetroffen in de bronnen aan de noordkust van Curaçao. Onder de vlo-kreeftjes (amphipoden) heeft elk eiland een aantal eigen (dus endemische) soorten, waarvan enkele zelfs tot endemische geslachten (genera) behoren. Sommige soorten komen alleen maar in één of twee putjes voor, en in putten wat verderop zit dan weer een andere soort. In ondiepe plassen bezit het grootste deel van de organismen kiemen, zoals zaden of eieren, die droogtebestendig zijn. Indien men in een droge periode op een plek, waar voorheen water gestaan heeft, wat droge grond verzamelt, en men doet deze grond in kiemvrij (gedestilleerd) water, dan ziet men binnen enkele dagen van alles ‘ontstaan’ bijvoorbeeld algen, waterlelies, poliepen, mosdieren, watervlooien, vlo-kreeftjes, enz. Daarentegen bezitten de grote garnaalsoorten (Macrobrachium spec.) en vissen zoals tandkarpers, brant en harders geen droogtebestendige stadia; herbevolking van deze soorten treedt pas op als tijdens overvloedige regenval de plas overstroomt, zodat water afvloeit naar putten of naar zee waarbij deze dieren vanuit de putten of vanuit zee tegen de stroom in zwemmend de plas bereiken.

 

@: Zonneschijn
zie @: Klimaat.

 

foto: zoutwinninginstallaties op Bonaire

@: Zout

Keukenzout (NaCl) komt in de natuur voor in vaste toestand en opgelost in water. Inrichtingen om zout uit zeewater af te scheiden vindt men op vele plaatsen ter wereld. Op de Benedenwindse Eilanden (met name Bonaire) en op St. Maarten wordt zeewater sinds oude tijden ingedampt in zoutpannen (Papiamentu: saliña), in dicht aan zee gelegen binnenwateren die door een smal kanaal met de zee verbonden zijn. Door dammen wordt een gedeelte van het binnenwater afgesloten, zodat het kan indampen. Tijdens de opeenvolgende fasen van indamping kan het steeds zouter wordende water verschillende rode tinten krijgen door toedoen van pekelorganismen. Nadat al het water verdampt is, schept men het ruwe zeezout uit de pan en brengt het in grote hopen op de wal, waar de resterende moederloog, rijk aan bittere magnesiumzouten, de tijd krijgt uit te zakken en weg te vloeien. Valt er regen tijdens dit proces dan gaat het zout verloren.

 

@: Zoutvaart

Inhoudsopgave

  • Hoofdstuk 1: Ca. 1590 - ca. 1650
    Sectie 1: Moeder aller commerciën
    Sectie 2: De zoutpan van Punta de Araya
  • Paragraaf 1: Zout van uitstekende kwaliteit
    Paragraaf 2: Plannen tegen de Nederlandse zouthandel
    Paragraaf 3: Het 12-Jarig Bestand en een Spaanse fort te Punta de Arraya
    Paragraaf 4: Tortuga en St. Maarten
    Paragraaf 5: Zoutpan Unare en Nederlanders aan de verliezende hand
    Paragraaf 6: Curacao en Bonaire
  • Hoofdstuk 2: Zoutvaart en de West-Indische Compagnie
  • Hoofdstuk 3: Zoutwinning
    Sectie 3: Inleidende aantekeningen
    Sectie 4: Zoutpannen St. Maarten
    Sectie 5: Zoutwinning Bonaire
  • Ter afsluiting: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp

Zoutvaart: Hoofdstuk 1: Ca. 1590-ca. 1650

  • Sectie 1: Moeder aller commerciën

De haringvisserij of grote visserij was de ‘moeder aller commerciën’. Vooral de West-Friese steden Hoorn, Medemblik en Enkhuizen leefden in de 16de eeuw van deze visserij en hadden bijgevolg zout nodig. Zo lang hun schepen dit materiaal in Spanje en Portugal konden halen was er geen zoutprobleem in de Nederlanden. Dit veranderde echter met de ‘generale arresten’ van Philips II en III. Zij veroorzaakten niet alleen consternatie en verontwaardiging in de rebelse gewesten, maar stimuleerden tegelijkertijd een tendens die reeds geruime tijd werkzaam was: het zoeken naar nieuwe, produktieve zoutpannen om niet al te afhankelijk te zijn van de Iberische. Met de nederlaag van de Spaanse zeemacht in 1588 werden ondernemingen op zoek naar zout minder riskant.

 

  • Sectie 2: De zoutpan van Punta de Araya
  • Paragraaf 1: Zout van uitstekende kwaliteit

Het is niet zeker of de eerste Nederlandse zoutvaarders de Caribische Zee rechtstreeks of via Brazilië bereikten. Omstreeks 1598 waren de zoutpannen in het Caribisch gebied en in de eerste plaats de pan van Punta de Araya - of Punta del Rey - welbekend. De resoluties van de Staten-Generaal bewijzen hoezeer de aandacht van de West-Friese steden op deze pan gevestigd was. Vanaf dat jaar regent het aanvragen om daarheen te mogen zeilen. Het is moeilijk het aantal schepen te schatten dat daar jaarlijks zout laadde, maar na 1600 is er voldoende bewijs dat dit aantal op tenminste 100 schepen mag worden geschat. Een veilige schatting voor een gemiddelde tonnage van 300 brengt de totale jaarlijkse zoutlading op 30.000 ton. Het zout van Araya was van uitstekende kwaliteit; spoedig werd dan ook een zoutcongres te Hoorn gehouden om de vaart op deze pan te reguleren. Zekere minimum-vereisten voor de bewapening werden vastgesteld, de schepen moesten in verband en onder gemeenschappelijk bevel varen en bij de pan moesten bepaalde veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen, daar de Spanjaarden maar al te vaak het verzamelen en laden van zout trachtten te verhinderen.

De zoutpan van Araya was gelegen op het westelijk uiteinde van een schiereiland, halverwege het eiland Margarita en de stad Cumaná. Dit schiereiland was ongeveer tachtig km lang en ongeveer zestien km breed. Het zout in de pan was geen zeezout. De regen waste het zout van de hellingen van de omringende heuvels en de tropische zon deed de rest. Dikke zoutlagen van uitnemende kwaliteit vormden de bodem van de pan, genoeg - volgens gouverneur Suarez de Amaya van Cumaná - om elke drie weken 1.000 schepen te laden. De Nederlanders bouwden pieren en loodsen, hakten het zout met lange ijzeren stokken in stukken die per kruiwagen naar de pieren werden gebracht en van daar in sloepen en kleine boten naar de schepen die wat verderop geankerd lagen. Daar het tropische klimaat werken gedurende de dag vrijwel onmogelijk maakte, geschiedde dit werk in de avonduren en ‘s nachts, wat natuurlijk een overval door de Spanjaarden vergemakkelijkte.

 

  • Zoutvaart: Paragraaf 2: Plannen tegen de Nederlandse zouthandel

Verscheidene plannen om deze Nederlandse invasies tegen te gaan, kwamen in Madrid in bespreking; de klachten van de gouverneurs van Cumaná, Margarita, Venezuela en Trinidad waren te welsprekend om opzij te kunnen worden gelegd. Niet alleen werd met deze zoutvaart de Spaanse souvereiniteit geschonden door rebellen, gepaard met deze schending ging een drukke smokkelhandel, de zogenaamde rescate, die zelfs de parelvisserij van Margarita niet ongemoeid liet, terwijl de scheepvaart tussen de Spaanse bezittingen werd bemoeilijkt door de aanwezigheid van zo vele Nederlandse zoutschepen, die piraterij als nevenbedrijf uitoefenden. Vier oplossingen werden gesuggereerd: het zout onbruikbaar maken door vergif, de inundatie van de pan met zeewater, het construeren van een dam die de communicatie met de zee zou verhinderen en het bouwen van een fort met een permanent garnizoen.

Terwijl zowel de gouverneurs van Cumaná als van Margarita de pan inspecteerden ten einde de beste oplossing aan te bevelen, beraadslaagde Madrid. In 1604 werd eindelijk besloten om de bekende ingenieur Juan Bautista Antoneli naar de pan te zenden ten einde deze grondig te inspecteren. Antoneli deed de opzienbarende ontdekking dat inundatie mogelijk was, daar de pan lager lag dan het zee-oppervlak. Tegenstanders van het inundatieplan hadden altijd het tegendeel beweerd. Deze ontdekking dicteerde de oplossing. De uitgaven verbonden aan de uitvoering van dit plan en het nijpend gebrek aan werkkrachten leidden tot uitstel. Daar de klachten betreffende Nederlands bezoek bleven voortduren, werd eindelijk besloten een armada naar de pan te zenden. Deze vloot stond onder bevel van don Luis de Fajardo, die Lissabon in september 1605 verliet en volkomen onverwacht voor de Nederlanders te Araya verscheen. Hij nam acht of negen zoutschepen en eveneens een aantal schepen die zich bezighielden met de profijtelijke smokkelhandel. De gevangengenomen bemanningen werden deels in koelen bloede gedood, anderen werden naar Cartagena gebracht om daar op de galeien te werken.

 

  • Zoutvaart: Paragraaf 3: Het 12-Jarig Bestand en een Spaanse fort te Punta de Arraya

De schrik duurde evenwel niet lang en spoedig werden de Nederlandse bezoeken hervat. Het Twaalfjarig Bestand bracht tijdelijk een verandering, daar gedurende deze tijd de Iberische havens voor de zouthandel openstonden, maar toen na het Bestand, in 1622, de eerste Nederlandse zoutvaarders in Punta de Araya verschenen, wachtte hun een verrassing: Spanje had er een fort gebouwd. Dit fort, Santiago del Arroyo de Araya geheten, beheerste de pan zodanig dat er van zout scheppen geen sprake meer was, ondanks enige pogingen van de Nederlanders die niet onmiddellijk een nederlaag wilden erkennen. De Nederlandse schepen moesten omzien naar een nieuwe gelegenheid.

 

  • Zoutvaart: Paragraaf 4: Tortuga en St. Maarten

Zij vonden deze op het eiland Tortuga onder de Venezolaanse kust. De pannen van dit eiland waren reeds geruime tijd bekend maar hun systematisch gebruik schijnt niet vóór 1627 te hebben plaatsgevonden. Dank zij de installaties die de Nederlanders daar aanbrachten en efficiënte arbeidsmethodes konden zij er wekelijks 12.000 fanegas laden in dertig tot veertig schepen tegelijkertijd. De installaties werden door de Spanjaarden verwoest en de pan geïnundeerd maar de Nederlanders kwamen terug, repareerden de schade en zetten hun zoutwinning voort. Spaanse klachten duurden voort tot omstreeks 1638 of 1640; de hier veroorzaakte moeilijkheden dwongen de Nederlanders tenslotte toch naar nieuwe pannen om te zien. Misschien reeds in 1627 laadden zij niet alleen zout op Tortuga maar ook op St. Maarten. Spaanse klachten betreffende deze pan en haar illegaal gebruik dateren van 1631. Het zout van St. Maarten was steenzout, zuiver wit, dat de Nederlanders voornamelijk vonden in drie pannen, gemakkelijk toegankelijk en verdedigbaar. Spaanse rapporten van 1631 meldden reeds een aantal van 80 zoutschepen onder de bescherming van drie oorlogsschepen. Meer dan vierhonderd schepen, schreef de gouverneur van Puerto Rico aan de koning, konden het gehele jaar door hier gemakkelijk laden. Hij waarschuwde de Kroon voor de gevolgen van een Nederlandse kolonie op het eiland en zijn waarschuwingen troffen doel. St. Maarten werd in 1633 opnieuw een Spaans eiland met een permanent garnizoen, dat daar gehandhaafd bleef tot aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog.

  • Zoutvaart: Paragraaf 5: Zoutpan Unare en Nederlanders aan de verliezende hand

Een vierde vindplaats van zout was de pan bij de rivier de Unare in Venezuela, ruim 38.6km west van Cumanagoto. Dit was een rijke pan van hetzelfde type als die van Punta de Araya. Een Nederlands pre-fabricated fort, daar opgericht nadat vorige versterkingen door de Spanjaarden waren verwoest, werd in 1640 echter met succes aangevallen door een gecombineerde macht van Spanjaarden en Indianen onder bevel van Juan Orpin, gouverneur van Cumanagoto. De pan werd daarop permanent onbruikbaar gemaakt door een kanaal te graven naar de Unare, zodat zij met zoet water werd geïnundeerd. Minder belangrijke pannen langs de kust werden op dezelfde wijze onklaar gemaakt. De Nederlanders waren aldus aan de verliezende hand in de strijd om Caribisch zout en gedeeltelijk uit overwegingen waarin deze grondstof een belangrijke rol speelde, werd tot de verovering van Curaçao besloten.

 

  • Zoutvaart: Paragraaf 6: Curacao en Bonaire

Nadat dit eiland in handen van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) was overgegaan met Bonaire waarvan de zoutpannen bekend waren, was één van de eerste daden van de Heeren XIX het uitzenden van een zout-expert in de persoon van de voormalige commandeur van St. Maarten Jan Claesz van Campen. De produktie van de Curaçaosche pannen viel tegen; het meeste ‘Curaçaosche’ zout dat in Nederland arriveerde, kwam van Bonaire.

Toen de Spanjaarden kort vóór de Vrede van Munster, St. Maarten - in hun ogen een isla inutil - ontruimden, namen de Nederlanders het onmiddellijk in bezit. Met het einde van de Tachtigjarige Oorlog waren zij dus in bezit van de pannen van St. Maarten en van de Curaçao-eilanden. Bovendien gaven de vredesvoorwaarden hun wederom toegang tot het Iberisch zout.


Zoutvaart: Hoofdstuk 2: Zoutvaart en de West-Indische Compagnie

Behalve deze vaak bloedige strijd om zout speelde zich er een niet minder heftige af in het moederland. Het octrooi van de W.I.C. had oorspronkelijk de zoutpan van Punta de Araya uitgesloten van zijn limieten en aldus de West-Friese steden toeschietelijker gemaakt betreffende de oprichting van de Compagnie. Toen de langzame voortgang van de intekeningen een herroeping van deze uitzondering tot gevolg had - met de zogenaamde Ampliatie vant Octroy: Waer inne de Zout vaert op Puncto del Rey buyten de Compagnie verboden wert' - begonnen de voornaamste West-Friese steden een politiek van lijdelijk verzet (zie verder @: West-Indische Compagnie, Eerste).

In 1633, toen de W.I.C. een politiek van open handel volgde in Brazilië en de West-Indische archipel, werd zout natuurlijk een gewild retour-artikel van deze streken. De Compagnie gaf daartoe zoutbrieven uit - meestal gecombineerd met de vergunning om hout te hakken en dan de hout- en zoutbrieven genoemd - die de schippers verlof gaven om deze grondstof in de genoemde gebieden te laden. Natuurlijk waren recognities en de betaling van de onderhavige gelden vereist.

De tienjarige wapenstilstand gesloten met Portugal in 1641 opende de Portugese havens voor de Nederlandse zoutvaarders en de ongunstige positie in het Caribisch gebied werd toen dus gedeeltelijk gecompenseerd. De Vrede van Munster (1648) stelde de Spaanse havens open voor de Nederlandse zoutschepen, maar de betrekkingen met Portugal verslechterden toen. Een poging van Nederlandse diplomatieke zijde om de Spanjaarden te bewegen tot een concessie voor zout van Punta de Araya faalde: de vrees van Spanje voor de vestiging van een permanente Nederlandse kolonie op het Amerikaanse vasteland was te diep geworteld.

Ook in de vredesonderhandelingen met Portugal gedurende de 1650er jaren en het begin der jaren zestig speelde zout een belangrijke rol. De schadevergoeding, die aan de W.I.C. voor het afstaan van Brazilië zou worden uitbetaald, zou gedeeltelijk worden betaald in suiker, tabak en zout. En één der voorwaarden voor vrede was, vanzelfsprekend, dat de Portugese havens zouden openstaan voor Nederlandse zoutvaarders.

 

  • Zoutvaart: Hoofdstuk 3: Zoutwinning
  • Sectie 3: Inleidende aantekeningen

Zoutwinning in de Nederlandse Antillen werd in het verleden op Curaçao, Bonaire en St. Maarten veelvuldig uitgeoefend. Door de uitbreiding van de werkgelegenheid in de 20ste eeuw raakte de zoutwinning nagenoeg in onbruik, temeer omdat men door de beschermende rechten op zout in de omliggende gebieden een moeilijke afzet vond. In de tijd van de West-Indische Compagnie diende het zout als retourvracht naar Europa en op het eiland Bonaire waren Compagnies-, later gouvernementszoutpannen, waar de zoutgaring door slaven werd verricht. Op den duur was uitvoer naar Nederland niet meer lonend. Ook de Portugezen en Noord-Amerikanen verloren hun belangstelling en geleidelijk werd de betekenis van de zoutpannen minder; na 1870 werden ze door het gouvernement verkocht. De zoutpannen van Curaçao lagen langs de zuidkust, men sprak van zoutplantages zoals de plantage Sint Nicolaas, Groot Santa Martha, Jan Kok en Hermanus. Ook langs het rif bij Otrobanda lagen eertijds zoutpannen.

  • Zoutvaart: Sectie 4: Zoutpannen St. Maarten

Op Sint Maarten werd de zoutwinning vooral uitgeoefend in de Great Salt Pond bij Philipsburg. Ter bescherming van de zoutpan tegen afstromend zoet water, werd reeds in 1792 een dijk gebouwd tussen Fresh Pond en Great Salt Pond. Om dezelfde reden bouwde een zekere Rolandus in 1853 het ruim 4m brede afwateringskanaal aan de oostzijde van deze laatste Pond. Enkele jaren daarvoor was een afvoer naar zee van de Fresh Pond tot stand gekomen. De zoutwinning had tot in onze eeuw een grote, zij het sterk fluctuerende betekenis voor de economie van Sint Maarten; het werd voornamelijk naar de Verenigde Staten uitgevoerd. Tot 1939 werd nog enig zout gewonnen, maar daarna kwam deze bedrijvigheid volkomen stil te liggen.

  • Sectie 5: Zoutwinning Bonaire

Bonaire had zoutpannen bij de Slagbaai, bij het Gotomeer, maar vooral in het zuidelijk deel van het eiland, in en nabij het Pekelmeer. Het hier gewonnen zout was van redelijk goede kwaliteit, al bleef de winning tot het begin van de 19de eeuw een soort roofbouw, aangezien men tot dan toe hoegenaamd geen technische voorzieningen trof. Pas na 1830 werden er door gebruikmaking van dammen echte zoutpannen aangelegd, terwijl bij Lacre Punt een verbindingskanaaltje met de zee werd gegraven. Omstreeks 1840 kwam de Blauwe Pan tot stand, een dertigtal jaren later de Rode of Oranje en de Witte Pan, die hun namen ontleenden aan de kleuren van de Nederlandse vlag. De zoutwinning op Bonaire was toen al geen gouvernementsbedrijf meer, maar overgegaan in particuliere handen: de Zout Exploitatie en Cultuuronderneming Bonaire.

Merkwaardige herinneringen aan het zoutbedrijf op Bonaire worden gevormd door de slavenhuisjes en de ‘piramiden’. De kleine slavenhuisjes werden omstreeks het midden van de 19e eeuw gebouwd als nachtverblijven voor de slaven, opdat zij niet elke dag op en neer behoefden te lopen naar Rincon of Tera Corá. Dit gebeurde in het vervolg slechts in de weekeinden. De stenen ‘piramiden’ bij de Oranje en de Witte Pan dienden als bakens voor de zoutschepen, die hier op de rede kwamen liggen. De zoutwinning is op Bonaire nooit geheel afwezig geweest, maar zij voorzag in de afgelopen tientallen jaren in een marginale vraag. Wanneer door tegenslag elders de vraag naar zout groter werd, leefde de zouthandel op Bonaire weer tijdelijk op. Sinds enige jaren is zoutbedrijf op Bonaire echter weer in de belangstelling gekomen: de Antilles International Salt Company, dochtermaatschappij van de International Salt Company gevestigd te Clarks Summits (V.S.) heeft een concessie verworven voor de exploitatie van de oude zoutpannen aan de Lage Westkust. De zoutpannen werden sedert 1967 uitgebreid en gemoderniseerd. Voor de stagnerende werkgelegenheid op Bonaire betekende deze bedrijvigheid een welkome verlichting. Een voorwaarde bij het verlenen van de concessie was, dat er maatregelen zouden worden genomen om het voortbestaan van de vermaarde flamingo-kolonie in het Pekelmeer te verzekeren.

Zoutvaart: Literatuur

  • Zoutvaart gegevens in: I.A. Wright en C.F.A. van Dam, Nederlandsche zeevaarders op de eilanden in de Caraïbische Zee en aan de kust van Columbia en Venezuela gedurende de jaren 1621-1648. Documenten hoofdzakelijk uit het Archivo General de Indias te Sevilla (2 dln.). Uitgegeven door het Historisch Genootschap, derde serie nrs. 63 en 64 (1934-1935);
  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the Wild Coast 1580-1680 (1971).

 

@: Zuigvis
zie @: Remora.

 

@: Zumbi

Boze geest, door velen beschreven als de ziel van een persoon die slecht heeft geleefd en geen rust heeft gevonden in het hiernamaals. Deze ziel blijft over de wereld rondzwerven en vormt een bedreiging voor de mensen. De naam zumbi komt in heel het Caribisch gebied voor in de zin van ‘boze geest’, ‘ziel van een afgestorvene’. Op Haïti wordt echter onder een zumbi (zombie) verstaan een medemens, bij wie door middel van toverkracht de ziel uit het lichaam is gebannen. Hij is dan een willoos instrument in handen van zijn opdrachtgever. Op de Bovenwindse Eilanden wordt de term jumbi gebruikt. Mock-a-jumbies zijn verklede steltlopers, die vroeger optraden bij Koninginnedag (Queen’s Birthday) en nu bij carnavalsoptochten.

 

@: Zumbifès
zie @: Sargassumvissen.

 

@: Zusters van social apostolaat
zie @: Bisdom Willemstad

 

@: Zuurzak
zie @: Landhuizen.

 

@: Zwaardvis
zie Balaú.

 

@: Zwaluw
zie Souchi.

 

@: Zwam
zie @: Paddestoelen.

 

@: Zwavel

Deze delfstof komt voor op Saba, aan de noordkust nabij Hell’s Gate, beneden Behind the ridge. Het andesietagglomeraat is hier over een grote afstand omgezet in een gesteente rijk aan zwaveladeren met hier en daar gips. Het ontginbare andesiet-zwavel-gipscomplex is ongeveer 4-6m dik; de horizontale uitgestrektheid is onbekend. De in de 19de eeuw begonnen exploitatie viel tegen en werd vrij spoedig gestaakt (1875-1876). De gevolgde procédés van smelten en distilleren waren zeer onvolmaakt en duur. Concessies werden verleend aan Mr. Every (1861), Mac-Nish Sulphur Co. en Sulphur Mining Company te Philadelphia (1876-1890); het laatste onderzoek vond plaats in 1904-1907 door de Saba Sulphur Co., Barbados.

 

@: Zwijsen, Victor

(‘s-Hertogenbosch 1858 - Coudewater 1930), als priester lid van de congregatie van de fraters van Tilburg. Was eerst werkzaam in ‘s-Hertogenbosch en Grave. Op Curaçao rector internaat Sint Thomas College (1894-1909). Redacteur La Cruz en Amigoe di Curaçao. Terug in Nederland werd hij o.a. hoofdredacteur van het dagblad De Tijd.

  •  einde van deze lettergroep; voor de voorgaande groep of de volgende  optie klikken op die groep!

 


- Dutch -