English -Dutch -   home   contact
Letter Q t/m T

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch Gebied: Sint Eustatius

Illustratie: Schilderij "Jean's House" van Wendy j Collins (biografie bij @: Collins Wendy J)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het  opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het  onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter Q 

q is de zeventiende letter van het Nederlandse alphabet en ook voor haar is een lijn te  trekken naar een Semietische oorsprong (hun letter qôp, mogelijk ook qaw wat 'wol' of 'koord' schijnt te hebben betekend) met daarachter een Egyptische hyrogliefe. Voor de Semieten was de qôp een stemloze plosief, die vanuit het mondgehemelte werd uitgesproken, gelijk de klank die de q tot in onze tijd heeft behouden. Het was een veel voorkomende klank in de Semietische talen echter afwezig in Indo-Europese talen zoals het oud-Grieks. Op grond daarvan ontwikkelden de Grieken de qôp in hun spreekwijze tot de letter Qoppa met een uitspraak die vanuit de gehemelte meer op de lippen werd gecentreerd, waardoor de Qoppa een meer k-achtige klank kreeg dan de qôp. Desondanks schijnen de Grieken niet veel gebruik voor de Qoppa te hebben gehad, waardoor zij haar later een nadrukkelijker p en ph klank gaven op grond van nieuwere ontwikkelingen op klankgebied die zij ervaarden, waardoor zij op een gegeven ogenblik de Qoppa in twee aparte tekens transformeerden: De cijfer Qoppa ter vertegenwoordiging van het getal 90 en de letter Phi, die de ph klank werd meegegeven voor het uitspreken van de f-klank in het Moderne Grieks van de Attische en Ionische alfabetisten. Dit vormde de oorsprong voor de creatie van woorden als philosophie, philantropie, waarvan wij sommigen nog steeds in de taal gebruiken. Overigens zijn niet alle wetenschappers ervan overtuigd,  dat de Qoppa en de Phi een relatie met elkaar hadden, zoals het voorgaande doet geloven. Het is heel goed mogelijk, dat de Griekse alfabetisten de Qoppa gewoon terzijde hebben laten liggen behalve het gebruik ervan voor de aanduiding van de cijfer 90 en de Phi als een geheel aparte letter hebben ontwikkeld.
In de Etruskische beschaving schijnt men de q alleen maar in combinatie met de v (mogelijk de u) te hebben gebruikt, mogelijk omdat deze de wijze was, waarop men de u-klank probeerde weer te geven voordat de Romeinse (Latijnse) alleenstaande u als letter werd aangenomen. Dit Etruskisch gebruik heeft zich kennelijk in veel moderne talen laten opnemen en handhaven onder andere in het Engels met woorden als
queen (oorspronkelijk in Oud Engels cwen) en quick (cwicu).
Het gebruik van q in de moderne Westerse talen, ook het Nederlands en zeker in het Papiamentu, is heden ten dage bijzonder schaars. Hij wordt ook tegenwoordig meestal nagegaan door de letter u in met name woorden van Latijnse oorsprong. In deze encyclopedie is zij de op één na minst gebruikte letter; alleen de x is nog minder frequent (let op de volgorde van de letters q en u in dit woord). Landen of streken met een q als voorletter zijn schaars en relatief onbekend. Om te beginnen is daar het rijke Arabische olieland Qatar, gelegen aan de Perzische golf, ten oosten van Saudie Arabië. Dan heb je de Canadese provincie Quebec, met als hoofdplaats de gelijknamige stad Quebec. De provincie is met haar ruim 1.5 miljoen vierkante kilometers oppervlakte veel groter dan Venezuela of Colombia. Tenslotte is daar de Australische staat Queensland, ook een enorm groot gebied eveneens met een oppervlakte van ruim 1.5 miljoen vierkante kilometers. Met een Q als eerste letter heb je tenslotte de naam van de hoofdstad van de Filippijnen Quezon City (en dus niet Manila, zoals de meesten denken), alhoewel Quezon City nagenoeg in het grote metropool gebied van Manila ligt.

 


@: Quadirikiri
zie @: Grotten.

 

@: Quadrille
(Papiamentu:
kuadría), een groepsdans, die - mede door de invloed van immigranten uit Venezuela - in de tweede helft van de 19de eeuw op Curaçao een bloeitijd beleefde. Nu wordt zij nog gedanst door Grupo Folkloriko.


 
@: Quaker blossom
(Plumbago capensis) of
isabella catolica, isabella segunda, viudita, plantesoort uit de familie der Plumbaginaceae, afkomstig uit Zuid-Afrika; veel gekweekt. Sterk vertakte, hoge heester, bladeren tot 5 cm lang; lichtblauwe bloemen in rijkbloemige schijnaren; kelk met duidelijke, kleverige klieren; kroon smal-buisvormig met 5-slippige zoom. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Quill, The
Uitgedoofde vulkaan - vrijwel geheel bestaande uit losse gesteentefragmenten, vooral vulkanische as - in zuidoost St. Eustatius, met wijde, diepe krater. (zie Geologie).

 

 
De letter R

r is de achttiende letter van het Nederlandse alphabet. De r-klank is misschien wel één van de meest populaire die door de mensheid wordt geuit. Het is van oorsprong een Semietische letter, die waarschijnlijk geïnspireerd is door één van de Egyptische hiëroglyfen voor hoofd. De Semieten hadden een ander teken voor hoofd, die later in de Griekse letter p evolutioneerde. De Semietische r ontwikkelde zich in die richting mogelijkerwijs op grond van additionele bewerkingen door de Grieken en de Etrusken, die additionele klanken bijvoegden ten einde de oorspronkelijke r te onderscheiden van de oorspronkelijke p.

 

@: Raadhuis
op Curaçao werd in 1858-1860 gebouwd door de
luitenant-ingenieur Schut. De symmetrische helften ter weerszijden van de midden-peristyle waren bedoeld voor de Koloniale Raad en het Hof vanJustitie; de gevangenis vond een plaats in de strakke onderbouw. Het door pilasters gelede classicistische gebouw herinnert aan een Noord-Amerikaans kapitool. Het linkergedeelte wordt gebruikt zowel voor de vergaderingen van de Staten als die van de Eilandsraad.
De forse kolommen in de hal achter de peristyle moesten een - nooit uitgevoerde - toren schragen.

 

@: Raad van Advies
Vóór 1948
Raad van Bestuur geheten, (art. 28-36 Staatsregeling) is een college van ten minste vijf leden, waarvan één ondervoorzitter (de gouverneur is de voorzitter), voor niet langer dan vijf jaren benoemd door de gouverneur (maar tersrond herbenoembaar). Een lid kan niet tegelijk lid van de Staten zijn. De gouverneur kan buitengewone leden benoemen. Allen leggen in handen van de gouverneur een *eed af. De gouverneur kan zo dikwijls hij dit nodig oordeelt met raadgevende stem het voorzitterschap bekleden. De Raad van Advies moet door de gouverneur gehoord worden in de gewichtige gevallen van wettelijke regelingen en in alle aangelegenheden, waaromtrent dit in de Staatsregeling is voorgeschreven. De Raad kan ook eigener beweging van advies dienen. Hij mag niet weigeren desgevraagd zijn gevoelen schriftelijk aan de gouverneur mede te delen. Ambtenaren, geen lid van de Raad zijnde, wonen op verzoek van de gouverneur de vergadering bij tot het geven van inlichtingen. De werkzaamheden worden geregeld in een reglement van orde. Volgens regels bij landsverordening te stellen, kan de Raad rechtsmacht verkrijgen in geschillen van bestuur.

 

@: Raad van advies in Londen
Zie @:  Buitengewone raad van advies.

 

@: Raad van Kerken op Curaçao
Dit is een contactorganisatie van de
Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao, de *Methodist Church, de *Evangelische Broedergemeente, de *Gereformeerde Kerk en de RK Kerk. Zij bevordert het overleg tussen de kerken, coördineert gezamenlijke acties, organiseert samenkomsten en bijzondere kerkdiensten. Zij is aangesloten bij de Caribbean Conference of Churches (C.C.A.), een regionale afdeling van de Wereldraad van Kerken.


 
@: Raad van ministers van de Nederlandse Antillen
zie @: Ministerraad van de Nederlandse Antillen.

 

@: Raad van ministers van het Koninkrijk
zie @: Ministerraad van het Koninkrijk.

 

@: Raad van politie
Art. 121 van het
Regeringsreglement van Curaçao van 1865 bepaalde dat er op de eilanden buiten Curaçao een Raad van Politie zou zijn, bestaande uit de gezaghebber en de landraden van het eiland. De raad had de bevoegdheid plaatselijke keuren te maken, de huishouding van het eiland betreffende, en de belangen van het eiland voor te staan bij de Kroon, de Staten-Generaal, de gouverneur en de Koloniale Raad. De bevoegdheid tot het maken van plaatselijke keuren voor het eiland Curaçao behoorde aan de Koloniale Raad (zie ook Bestuursregeling: geschiedenis).

 

@: Raad van State van het Koninkrijk
is één van de
koninkrijksorganen bedoeld in art. 5 Statuut, waarvan de regeling aan de Grondwet is overgelaten, voor zover het Statuut zelf daarin niet voorziet. Betreffende de Raad van State van het Koninkrijk bevat art. 13 Statuut enige bepalingen over de mogelijkheid van uitbreiding van het college met een lid voor de Nederlandse Antillen. Dit geschiedt door de Koning alleen op verzoek van en in overeenstemming met de regering van het betrokken land. Het ontslag geschiedt na overleg met die regering. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen ten opzichte van deze leden andere voorschriften worden vastgesteld dan voor de Nederlandse leden gelden. De Staatsraad voor de Nederlandse Antillen neemt aan de werkzaamheden van de Raad deel voor zover koninkrijksaangelegenheden aan de orde zijn, waarbij de Nederlandse Antillen betrokken zijn. In de Grondwet zijn de bepalingen over de Raad te vinden in artt. 73-75. De Koning is voorzitter van de Raad en benoemt de leden. De samenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet (Stbl. 1976 nr. 231). De Raad wordt gehoord over alle ontwerpen van wet en van algemene maatregelen van bestuur (dus ook van rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur), over de internationale overeenkomsten, waarvan de goedkeuring van de Staten-Generaal vereist is en over alle zaken waarin dat nodig geoordeeld wordt.

 

@: Rabbijnen
zie @: Joodse gemeenten.
  

 

Het volgende artikel is opgemaakt in de Engelse taal: 

@: Rademaker Philip Antonio / @: Philip Rademaker

is both a professional and traditional artist of Curacao. Professional on account of his working career. Traditional because of the fact of his pursuit for artistic expression on a non monetary level. Philip was born and has mainly lived and worked in Curaçao, and is a teacher by training; he attended after graduating from the Radulphus College. He left education for a position as investment consultant at the Maduro & Curiel’s Bank, while moonlighting as a commercial artist. After eight years in investments he changed to full-time advertising with K&E/CPV Advertising International in Curaçao and Trinidad & Tobago for eight more years during which he ran the gamut from layout artist to illustrator to photographer and filmmaker to art director to account executive to creative director. Then followed a stint of six years as director of international advertising and public relations for the Curaçao Tourism Authority, directing local tourism awareness and supervising campaigns in the US and Canada, South American and Caribbean countries and Europe; seventeen years as a partner and creative director of Kode Advertising & Public Relations and two years as creative director of BlueC advertising. Since 1998 his intimate knowledge of the idiosyncrasies of the local population is often tapped by local PR and advertising agencies, while he also acts as a free-lance consultant on campaign strategies for government agencies, political parties, public service organizations, utilities and communications companies, as photographer, book illustrator and copywriter, cartoonist and caricaturist.

His professional experience in creativity has also brought him in contact with the traditional artistic expressions. Philip now paints every day, in both abstract and representative styles. He has exhibited internationally and his paintings can be found in collections in the islands of the Netherlands Antilles, Aruba, Cuba, Holland, Belgium, Venezuela, Mexico, Italy, France and the U.S.A. He has been a stage actor since 1964, winning several international prizes, has acted in a number of TV series and movies, Dutch, Venezuelan and North American, directed many plays and is a co-founder of the Thalia Theater Group. For more than 30 years until 1990, he was the premier designer of costumes and floats in Curaçao’s carnival.

Philip Rademaker speaks Papiamento, Dutch. English, Spanish, French and Brazilian Portuguese and has published essays, short stories and poetry.

On a more personal level, Philip grows bonsai, collects edged weapons, cooks, reads voraciously and studies the phenomenons of language and religion. He is a Freemason (zie @: Vrijmetselarij), member of the English Constitution, the Royal Arch, the Mark Lodge and the Royal Ark Mariners, and under the East of the Netherlands of the Consistorie (Scottish Rite) and the “Hoofkapittel der Hoge Graden”. He is married to Rita Charlotte Soliana and they have two children, Philip Charles and Cristina Dolores.

 

@: Rademaker Philip Antonio / @: Philip Rademaker

is both a professional and traditional artist of Curacao. Professional on account of his working career. Traditional because of the fact of his pursuit for artistic expression on a non monetary level. Philip was born and has mainly lived and worked in Curaçao, and is a teacher by training; he attended after graduating from the Radulphus College. He left education for a position as investment consultant at the Maduro & Curiel’s Bank, while moonlighting as a commercial artist. After eight years in investments he changed to full-time advertising with K&E/CPV Advertising International in Curaçao and Trinidad & Tobago for eight more years during which he ran the gamut from layout artist to illustrator to photographer and filmmaker to art director to account executive to creative director. Then followed a stint of six years as director of international advertising and public relations for the Curaçao Tourism Authority, directing local tourism awareness and supervising campaigns in the US and Canada, South American and Caribbean countries and Europe; seventeen years as a partner and creative director of Kode Advertising & Public Relations and two years as creative director of BlueC advertising. Since 1998 his intimate knowledge of the idiosyncrasies of the local population is often tapped by local PR and advertising agencies, while he also acts as a free-lance consultant on campaign strategies for government agencies, political parties, public service organizations, utilities and communications companies, as photographer, book illustrator and copywriter, cartoonist and caricaturist.

His professional experience in creativity has also brought him in contact with the traditional artistic expressions. Philip now paints every day, in both abstract and representative styles. He has exhibited internationally and his paintings can be found in collections in the islands of the Netherlands Antilles, Aruba, Cuba, Holland, Belgium, Venezuela, Mexico, Italy, France and the U.S.A. He has been a stage actor since 1964, winning several international prizes, has acted in a number of TV series and movies, Dutch, Venezuelan and North American, directed many plays and is a co-founder of the Thalia Theater Group. For more than 30 years until 1990, he was the premier designer of costumes and floats in Curaçao’s carnival.
Philip Rademaker speaks Papiamento, Dutch. English, Spanish, French and Brazilian Portuguese and has published essays, short stories and poetry.

On a more personal level, Philip grows bonsai, collects edged weapons, cooks, reads voraciously and studies the phenomenons of language and religion. He is a Freemason (zie @: Vrijmetselarij), member of the English Constitution, the Royal Arch, the Mark Lodge and the Royal Ark Mariners, and under the East of the Netherlands of the Consistorie (Scottish Rite) and the “Hoofkapittel der Hoge Graden”. He is married to Rita Charlotte Soliana and they have two children, Philip Charles and Cristina Dolores.

 

 

@: Radio Adviesraad
door de Landsregering ingesteld ten einde deze gevraagd en ongevraagd van advies te dienen inzake radio-omroep en televisie-aangelegenheden. De raad is sinds de jaren zeventig van de 20ste eeuw niet meer actief.

 

@: Radio-amateurisme
werd in de Nederlandse Antillen officieel toegestaan in 1951. Door Landsradio werden in de loop der jaren zo’n 130 zendvergunningen uitgereikt. Er bestaat op Curaçao een amateurzendvereniging onder de naam
Verona terwijl Aruba de Aruba Amateur Radio Club kent. Ter bevordering van het toerisme worden speciale faciliteiten aan buitenlandse amateurs verleend, maar slechts dan indien er reciprociteit bestaat in dezen tussen het land van herkomst van de toerist en de Nederlandse Antillen.

 

@: Radio Caracas Television
Televisiestation, in Caracas, dat via een relaisstation in de nabijheid van Coro, Venezuela, op Curaçao, Aruba en Bonaire kan worden ontvangen.

 

@: Radio Carina
Omroepstation op Aruba (zie @: Radioomroep).

 

@: Radiodienst
zie @: Landsradio - Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen.

 

@: Radio-Holland
vestigde in 1934 op Curaçao een zgn. Inspectiekantoor; daaronder ressorteerde sedert 1964 een servicedepot op Aruba alsmede een depot op St. Maarten dat in 1971 werd opgericht. In 1974 werd de vestiging op Curaçao omgezet in een Antilliaanse N.V., terwijl in 1978 het servicedepot op Aruba een zelfstandig bedrijf werd nv.
Radio Holland Aruba N.V. De vestiging op St. Maarten bleef ressorteren onder Radio-Holland Caribbean N.V.
Het moederbedrijf, Radio-Holland N.V., werd in 1916 in Nederland opgericht door een aantal belangrijke Nederlandse reders, die tevens de aandeelhouders en de voornaamste klanten zijn. De activiteiten van Radio-Holland omvatten oorspronkelijk o.m. de verhuur van radio’s met bedienend personeel, alsmede verkoop van deze apparaturen met een onderhoudscontract. Voor de internationale scheepvaart zijn de vestigingen op de Nederlandse Antillen thans belangrijke servicedepots waar men reparaties uitvoert aan radiocommunicatie- en elektronische navigatiesystemen; deze systemen maken thans meer en meer gebruik van speciaal daartoe gelanceerde satellieten. Tevens verricht Radio-Holland servicewerkzaamheden aan elektronische, hydraulische dan wel pneumatische alarm- en bedieningssystemen in machinekamers van schepen.
De combinatie van scheepsreparatie door de
Curaçaosche Dok Mij. N.V. en de serviceverlening door Radio-Holland vormt voor de haven van Curaçao een belangrijke aantrekkingskracht voor de scheepvaart. Naast de scheepvaartactiviteiten neemt Radio-Holland een belangrijke plaats in op het gebied van landcommunicatie; men vertegenwoordigt het Amerikaanse bedrijf Motorola bij de verkoop, onderhoud en reparatie van mobilofoons, handietalkies en zogenaamde pageboys. Door het verlenen van juist die specialistische technische diensten, waaraan in het gehele Caribische gebied, alsmede in grote delen van Zuid-Amerika grote behoefte bestaat, vervult Radio-Holland vanuit Curaçao een brugfunctie en draagt daarmee bij aan de dienstverlenende sector van de Nederlandse Antillen.

 

@: Radio-medische adviezen
zie @: Curaçao Radio.

 

@: Radio-navigatiehulpmiddelen
van de Nederlandse Antillen bestaan uit op Curaçao een
Dual Non Directional Beacon (N.D.B.) met een vermogen van 1 kW, een Visual Omnidirectional Range (V.O.R.), een D.M.E. en radarinstallatie; op Aruba een V.O.R. en een Locator Beacon; op St. Maarten een N.D.B. met een vermogen van 300 Watt; de andere eilanden beschikken niet over radio-navigatiehulpmiddelen.

 

@: Radio Nederland Wereldomroep (R.N.W.O.)
Gesticht op 15 april 1947 te Amsterdam, heeft tot doel door middel van dagelijkse korte-golfradio-uitzendingen het contact met land- en rijksgenoten te onderhouden en tevens Nederland in het buitenland te presenteren. Van 1947 af worden speciale programma’s uitgezonden gericht op en bestemd voor de Nederlandse Antillen, terwijl sinds 1950 ook vele transcripties voor de overzeese rijksdelen worden verzorgd. In samenwerking met de
Sticusa en de N.O.S. heeft van 1960 af regelmatig toezending van filmmateriaal plaats aan de televisiestations in de Nederlandse Antillen. R.N.W.O. heeft op Bonaire sinds 1969 een zenderpark met twee korte-golfzenders van elk 300 kW. Dit zenderpark dat een relay-functie heeft en geen eigen programma’s maakt heeft een bezetting van veertig personen.

 

@: Radio-omroep
Tot 1954 was de
Curom de enige omroep in de Nederlandse Antillen. In 1950 werden door enkele inwoners van Curaçao en Aruba verzoeken aan de regering gericht om eigen omroepstations te mogen exploïteren. Hierop stelde de regering in 1951 een commissie in onder voorzitterschap van de toenmalige directeur van de Landsradio- en Telegraafdienst R.C.H. van Haaren, die tot taak had advies uit te brengen inzake een toekomstig radiobestel in de Nederlandse Antillen. Het advies van deze commissie, steunende op een meerderheid, luidde: het stichten van een sterke centrale omroep met ruime financiële steun van de regering. Een minderheid in de commissie adviseerde het particulier initiatief een kans te geven zonder steun van de overheid. De regering volgde het minderheidsadvies op en verleende tussen 1954 en 1962 aan verschillende personen en/of organisaties vergunning.
Er zijn thans elf radio-omroepstations en twee televisiestations in de Nederlandse Antillen. Aan
Radio Nederland Wereldomroep is bovendien vergunning verleend om op Bonaire een wereldomroepzendercomplex te bouwen. De omroepstations in de Nederlandse Antillen hebben in meerderheid een commercieel karakter. Zij zenden reclame uit om te kunnen bestaan, zijn van gering vermogen (1 tot 10 kW) en moeten door hun beperkte reikwijdte worden beschouwd als plaatselijke stations. In maart 1984 is Radio Hoyer begonnen met een uitzending op de FM-band waarbij een nieuwe zender werd gebruikt, die op zonne-energie werkte. Zender en zonne-panelen zijn geplaatst op de Tafelberg op Curaçao. Radio Hoyer was daarmee het eerste station ter wereld dat voor de uitzending van programma’s volledig gebruik maakt van zonne-energie. De volgende stations hebben alle eigen zenders en studio’s: Curom (1937) AM, 10kW, Curaçao; Radio Hoyer I (1954) AM, 1 kW, Curaçao; Radio Hoyer II (1959) AM, 1 kW, Curaçao; Radio Korsow FM (1976) FM, 1 kW, Curaçao; Radio Kelkboom (1954) AM, 1 kW, Aruba; Voz di Aruba (1954) AM, 1 kW, Aruba; Radio Victoria (1957) AM, 10 kW, Aruba; Antilliana (1959) AM, 1 kW, Aruba; Radio Carina (1978) FM, 2,5 kW, Aruba; Radio Hoyer III (1961) AM, 1 kW, Bonaire; PJD 2 (1961) AM, 1 kW, St. Maarten en Voice of Saba (1971) AM, 1 kW, Saba.

In 1984 moest Radio Caribe (1954) AM, 1 kW Curaçao de uitzendingen staken; Radiostatia, AM, 1 kW St. Eustatius, geregistreerd als P JE-3 kwam in de lucht.

 

@: Radiovergunning
Voor het in bezit hebben of gebruiken van een radiozendinstallatie is ingevolge de
Telegraaf- en Telefoonverordening een vergunning benodigd.

 

@: Radio Victoria
werd in 1958 op Aruba gebouwd door de
Evangelical Alliance Mission als radiostation voor religieuze en culturele uitzendingen. Deze zender bereikt o.a. de Caribische eilanden en de noordkust van Venezuela en Colombia.

 

@: Radiowetgeving
Zie @: Telegraaf- en Telefoonverordening.

 

@: Radulphus College
is een RK school voor h.a.v.o./v.w.o. op Curaçao, voor zowel jongens als meisjes (zie verder Onderwijs).

 

@: Radulphus, Frater María
(
Adrianus Hermus: Moerdijk 3 juni 1869 - Vught 22 April 1961), trad in 1886 toe tot de Congregatie der Fraters van Tilburg (zie @: Bisdom Willemstad) en vertrok in 1890 naar Curaçao, waar hij met een onderbreking van slechts enkele jaren verbleef tot 1959. Kwam in 1907 aan het hoofd van het RK onderwijs te staan; organiseerde het St. Vincentiusgesticht op Scherpenheuvel als ambachtsschool. Was een groot organisator. Als bisschoppelijk inspecteur van de missiescholen strekten zijn activiteiten zich niet alleen uit over het onderwijs, maar ook over de bouw van scholen, waarvoor hij vaak architect, aannemer en uitvoerder was. De in 1954 ingewijde middelbare school werd als de Radulphus College naar hem genoemd.


Lit.: M. Realino Janssen, In memoriam frater M. Radulphus 1869-1961, in: Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 41 (1961).

 

@: Rasmenging
In de oude slavenmaatschappij had, door het frequent seksueel verkeer van de meester met de slavinnen, veel rasverrmenging plaats. Op 1 januari 1833 bestond de bevolking van Curaçao uit 2.602 blanken, 6.531 vrije lieden en 5.894 slaven. Van de vrije lieden waren er 2.701 die werden aangeduid als ‘gekleurd’. De huidige bevolking van de Nederlandse Antillen draagt sterk het stempel van deze menging (zie ook @: Nederlandse Antillen).

 

@: Raspa
of
raspu, instrument gemaakt van een koehoorn of van een gedroogde kalbas largu, heeft dezelfde functie als de wiri.


 
@: Rat
zie @: Djaka.


 
@: Raton di anochi
bats (in de volksmond rear-mice) zijn zoogdieren waarbij zich aan de hand een grote vlieghuid ontwikkeld heeft. Tot nu toe zijn van de Nederlandse Antillen 13 soorten vleermuizen bekend. Het aantal soorten is echter voor ieder eiland verschillend. Zo zijn er op Curaçao 8 soorten, maar op Saba slechts 1, terwijl op St. Eustatius nog geen vleermuizen zijn verzameld. De grotten van Curaçao zijn bekend om hun grote aantallen Glossophaga elongata (long tongued bat) en Mormoops megalophylla (leaf-chinned bat).
Glossophaga, gekenmerkt door een zeer lange tong en een klein driehoekig neusblad op de punt van de snuit, is het voorbeeld van een vleermuis die zich voedt met rijpe vruchten, pitvruchtjes en nectar. Bloemen van
kalbas rondó, kapokboom, pita’s en aloë worden druk bezocht; ook de kleine insekten die bij het likken van de bloemen aan de lange tong blijven vastkleven, worden gegeten. Mormoops daarentegen is een uitgesproken insektenjager. Een merkwaardige soort is de Noctilio leporinus (hazelip of bulldog bat), die herkenbaar is aan de lange oren en de snuit die lijkt op die van een haas of van een buldog. Ofschoon Noctilio een insekteneter is, schijnt deze soort bij voorkeur kleine vissen te eten. De visjes worden met de lange klauwen van de achterpootjes tijdens het vliegen over water vastgegrepen en tijdens de vlucht al opgegeten of later op een rustig plekje. Vleermuizen kunnen een rol spelen bij het overbrengen van de vleermuizenlyssa, een vorm van hondsdolheid, die in het neotropische gebied al heel wat slachtoffers heeft gemaakt onder mensen, vee en huisdieren, maar deze gevreesde ziekte is nimmer in de Nederlandse Antillen waargenomen.

 

@: Realino, frater María
Wereldlijke naam
Frederikus Johannes Antonius Janssen (Zwolle, 18 november 1889 -Tilburg, 18 februari 1977) één van de eersten, die als onderwijzer aan het St. Thomas College reeds in de jaren dertig van de 20ste eeuw, de noodzaak inzag van de ‘Antillianisering’ van het onderwijs. Auteur leerboekjes aardrijkskunde en plantkunde.
Wrk.: Plantkunde van Curaçao (1935, 1947); De Nederlandse Antillen en de overige eilanden van de Caraïbische Zee, Venezuela en Colombia (1938).

 

@: Rechterlijke macht
zie @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad.

 

@: Rechterlijke organisatie
zie @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad.

 

@: Rechtskundige bijstand
(kosteloos) zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Rechtspraak
Uitspraken van de rechtsprekende colleges zijn aanvankelijk gepubliceerd in het
Antilliaans Juristenblad, uitgegeven door de Vereniging van Advocaten der Nederlandse Antillen, dat van 1951 tot en met het 2de kwartaal van 1975 verschenen is en vervolgens ook in het van 1965 tot en met 1972 verschenen Justicia, rechtsgeleerd periodiek voor de Nederlandse Antillen, een uitgave van de Stichting tot bevordering van de Rechtswetenschappen in de Nederlandse Antillen. Sedert september 1980 verschijnt het Tijdschrift voor Antilliaans Recht, uitgegeven door de gelijknamige Stichting, die nauw aan de * Universiteit van de Nederlandse AntiIlen gelieerd is; ook dit blad bevat een jurisprudentie-rubriek, evenals het sinds begin 1981 herverschenen "Justicia". Alle genoemde periodieken zijn kwartaaltijdschriften. Voorts zijn op initiatief van het Hof van Justitie de bundels Civiele Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en van de Gerechten in Eerste Aanleg over het jaar 1979 en over het jaar 1980 uitgegeven. De Stichting Tijdschrift voor Antilliaanse Recht en de Universiteit brachten gezamenlijk de door mr. K. Bongenaar samengestelde bundel Nederlands-Antilliaanse Jurisprudentie uit de 1970er jaren, deel I en deel II, banden 1 en 2, uit; dit werk bevat ook een overzicht van de in Nederlandse periodieken gepubliceerde Nederlands-Antilliaanse jurisprudentie uit die jaren. Voor het strafrecht is er het alleen korte uittreksels bevattende Overzicht van de Antilliaanse Rechtspraak: Strafrecht, verzameld door (prof.) mr. W.R. Boom, delen I (1918-1948), II (1949-1958), III (1959-1968) en IV (1969-1978), uitgegeven door De Curaçaosche Courant N.V. (losbladig).
Als nr. 13 van de serie uitgaven van de Universiteit verscheen in 1981
Antilliaanse Staats- en Administratiefrechterlijke Jurisprudentie van de hand van mr. W.A. Luiten. De losbladige uitgave van de Algemeen Nederlands-Antilliaanse Ambtenarenbond Aruba van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en Rechtspraak, tenslotte, die door H.Th. Lopez bewerkt is (2de druk, 1978), bevat vele excerpten van uitspraken van de (ambtenaren)rechter. (Zie verder @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad).

 

@: Rechtsvordering
zie @: Burgerlijke rechtsvordering.

 

@: Rechtswetenschappen in de Nederlandse Antillen, Stichting tot bevordering van de
Opgericht in 1965 met als doel de bevordering van de studie in de rechtswetenschappen. De stichting geeft het driemaandelijks tijdschrift
Justicia uit. Redactie: mr. P.V. Sjiem Fat, H.Th. Lopez en R.F. Gibson.

 

@: Recife
(Pernambuco), zie @: West-Indische Compagnie, Eerste.

 

@: Reclassering
Op Aruba en Curaçao fungeren stichtingen als particuliere reclasseringsinstellingen. Op de overige eilanden geschiedt rapportage en toezicht, indien nodig, door de secretaris van de *Voogdijraden. De taken van de stichtingen zijn:

  • het uitbrengen van voorlichtingsrapporten betreffende delinquenten aan de rechterlijke macht;
  • het uitoefenen van toezicht op bij vonnis ondertoezichtgestelden;
  • de nazorg en arbeidsbemiddeling van ex-delinquenten.

De resocialisatie van ex-delinquenten komt zeer moeilijk van de grond gezien de heersende omvangrijke werkloosheid alsmede gezien het toenemende analfabetisme onder de te reclasseren personen. Ook de enorme toename van de criminaliteit heeft ertoe geleid dat werkgevers steeds dwingender een bewijs van goed gedrag eisen bij tewerkstelling. De reeds geruime tijd durende onderbezetting van de bureaus van de stichting maakt het onmogelijk een goede opvang en begeleiding te organiseren. In het kader van een planmatige opzet van de criminaliteitsbestrijding en -preventie worden door een hiertoe in 1981 ingestelde stuurgroep voorstellen uitgewerkt om o.m. ook de reclassering op een betere wijze te organiseren.
Lit.: Jaarverslag 1980 Stichting Reclassering Curaçao.

 

@: Regen
zie @: Neerslag .

 

@: Regenmeter
zie @: Neerslag.

 

@: Regentijd
is de periode van het jaar, waarin de regenval per maand aanzienlijk groter is dan in voorafgaande en volgende maanden. Normaal gesproken zijn nabij de evenaar jaarlijks twee regen- of natte tijden aan te wijzen en als gevolg daarvan ook twee droge of relatief droge tijden. Op grote afstand van de evenaar schuiven de regentijden steeds dichter naar elkaar toe tot door samenvloeiing slechts één regentijd overblijft. Hoewel de regenval in de Nederlandse Antillen van maand tot maand en van jaar tot jaar zeer wisselvallig kan zijn, geeft het verloop van de gemiddelde regenhoeveelheid en de gemiddelde regenfrequentie aan dat de periode oktober t/m januari duidelijk als regentijd voor de Benedenwindse Eilanden kan worden aangemerkt. Over het algemeen kenmerkt het begin van de regentijd daar zich door wat minder frequente, maar zwaardere buien, terwijl later in de regentijd de buienactiviteit wat meer frequent wordt, maar de intensiteit van de buien minder is. Voor de Bovenwindse Eilanden is de regentijd minder duidelijk aan te geven, hoewel de gemiddelde regenval in de ‘natte’ maanden september tot november 2 á 3 maal zo hoog uitkomt als in de ‘droge’ maanden februari t/m april. (Zie @: Klimaat).

 

@: Regeringsraad
is de term die in de Staatsregeling 1950 gebruikt werd voor het orgaan dat thans de naam draagt van de Ministerraad van de Nederlandse AntiIlen.

 

@: Regeringsreglement
zie @: Bestuursregeling; @: Staatsregeling.

 

@: Regeringsvoorlichtingsdienst
zie @: Persdienst.

 

@: Registratierecht
zie @: Belastingen.

 

@: Reglement voor de gouverneur
zie @: Gouverneur.

 

@: Rei di laman
(Equetus spec.) of
ribbonfish komt in drie soorten voor. Volwassen dieren vallen op door hun scherpe zwart-witte tekening, door hun puntig toelopende staart en hun omhoog stekende eerste rugvinstralen; bij de jonge dieren zijn deze rugvinstralen haast zolang als het lichaam en zijn ze sikkelvormig achterwaarts gebogen. Naarmate de vis groeit wordt deze rugvin relatief steeds korter. De rei di laman is een van de sierlijkste en opvallendste verschijningen langs de kust. In een goed geoutilleerd aquarium zijn zij lang houdbaar. Het zijn alleseters, die echter een voorkeur voor kleine aasgarnaaltjes (Mysidae) hebben.

 

@: Reiger
familie Ardeidae. Van de 10 soorten die in de Nederlandse Antillen zijn aangetroffen, zijn er slechts enkele broedvogel. Het meest algemeen is de kleine
groene reiger (Butorides striatus), galiña di awa of green heron. Men ziet hem vaak langs binnenbaaien, in mangrovebomen, langs de zeekant maar ook aan zoetwater. Zijn voedsel bestaat uit visjes en waterinsekten. Het nest wordt gemaakt in mangroven, soms in nissen in steile kalkrotsen boven het water en bevat enkele blauwgroene eieren. Op de Benedenwindse Eilanden broedt de witbuikreiger (Egretta tricolor), die wat groter is en goed te herkennen aan zijn witte buik en verder grijze en purperen tinten (vandaar tricolor). Vrij algemeen langs de waterkant is de kleine zilverreiger (Egretta thula), egret, heron of garsa blanku, die op de Benedenwinden regelmatig broedend is aangetroffen. Typerend zijn de gele voeten aan de zwarte poten - vandaar de naam Lady with the golden slippers. Ze komen vaak in troepen voor en vliegen wel gezamenlijk van de voedsel- naar de slaapplaatsen. Met de naam garsa blanku wordt ook de grote zilverreiger (Egretta alba) aangeduid. Twee soorten nachtreigers of krabechi (Nyetanassa en Nyetieorax) of crabeater ziet men regelmatig in de Nederlandse Antillen. Verder komen twee blauwe en een roodbruine reigersoort voor, die ook in een witte kleurfase zijn waargenomen. Een recente kolonist uit de Oude Wereld is de koereiger (Bubuleus ibis), tickpicker, white gaulin of cattle egret, die het eerst in 1962 op St. Eustatius werd gezien; hun naam danken zij aan het feit, dat zij steeds het gezelschap van rundvee zoeken. ‘s Nachts verzamelen zij zich in bepaalde ‘slaapbomen’.

 

@: Reina Beatrix Aeropuerto Internacional / @: Reina Beatrix International Airport
zie @: Luchthavens

 

@: Rekencentrum
In 1968 is besloten dat het bestuur van het Eilandgebied Curaçao en de regering van de Nederlandse Antillen in het kader van de samenwerking tussen het land en het eilandgebied op het terrein van administratieve automatisering van des lands- en eilandsdiensten zullen overgaan tot oprichting van een
Rekencentrum, waarvan alle overheidsdiensten en in bepaalde gevallen derden, naar behoefte gebruik kunnen maken. Het Rekencentrum is op 14 april 1969 opgericht in de vorm van een stichting. Het heeft behalve een computer en de bijbehorende hulpmachines, een afdeling interne côntrôle en planning alsmede een ponsafdeling. Het personeel bestaat uit door de regering en het eilandsbestuur ter beschikking gestelde ambtenaren.

 

@: Rekening
Van het Land
De verantwoording van de ontvangsten en uitgaven voor elk dienstjaar afzonderlijk wordt de rekening genoemd. Deze wordt door de regering bij de
Staten ingediend; het slot der rekening wordt bij landsverordening vastgesteld.
 
Van de Eilandgebieden
Het slot van de rekening van het eilandgebied wordt bij
eilandsverordening vastgesteld. Ter wille van de uniformiteit worden voorschriften over de inrichting van de rekening bij landsverordening gegeven, na overleg met alle Bestuurscolleges en met de Rekenkamer (zie ook Begroting).

 

@: Rekenkamer
@:
Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen is als onafhankelijk côntrôleorgaan ingesteld bij Landsverordening van 6 April 1956 (P.B. nr. 35) ingevolge art. 134 Staatsregeling. Daarbij werd de côntrôle voorlopig in handen gesteld van de Nederlandse Algemene Rekenkamer. Bij Landsverordening van november 1959 (P.B. nr. 176) werd een eigen Antilliaanse Rekenkamer ingesteld bestaande uit een voorzitter en twee leden. Zij zijn geen ambtenaren, verrichten hun taak als nevenfunctie en genieten daarvoor een bepaalde vergoeding. De Rekenkamer is belast met de côntrôle op het geldelijk en materieel beheer zowel van het Land als van de eilandgebieden. Zij brengt daarvan jaarlijks verslag uit aan regering en Staten onderscheidenlijk aan gezaghebber en Eilandsraad. Het reglement van orde werd openbaar gemaakt bij Landsbesluit van juli 1960 (P.B. nr. 142).

 

 

@: Remora
of
sei (pega) (fam. Echenaidae) heeft achter zijn kop een langwerpige plaat met dwarsribben, die als zuignap fungeert, waarmee hij zich aan dolfijnen, schildpadden, haaien, roggen en andere grote vissen vastzuigt. De zuignap is zo gebouwd, dat men de vis wel vooruit, maar niet achterwaarts van zijn plaats kan trekken. Remora’s zuigen zich vast zowel tegen de buik als tegen de rug van hun gastheer. Hun eigen buik en rug zijn zo gelijk van kleur en vorm, dat het moeilijk te zien is wat boven en onder is. Als hun gastheer eet, bewegen zij zich naar zijn bek en grijpen brokken die de gastheer laat schieten. Jonge remora’s nemen soms een duik onder de kieuwdeksels en pakken hun gastheer het voedsel direct uit de mondholte. Naast de methode van zich vast te zuigen hebben vooral de jonge dieren nog een tweede methode van liften: zij houden zich zwevende op enkele cm boven de borstvin van bijvoorbeeld een haai, waarbij zij profiteren van de boeggolf ter plaatse, zodat zij zonder te zwemmen als het ware meezweven.
Volgens oude geschriften (Martyr 1504) maakten de Arowakken destijds van remora’s gebruik voor het vangen van zeeschildpadden. Zij hielden hun
Guaiacanum in ondiepe vijvers en namen ze dan met een lijn aan de staart, mee de zee op. Tot in de vorige eeuw werd deze methode hier en daar in het Caribisch gebied nog af en toe gebruikt.

 

@: Renovatie
houdt in het aanpassen van bestaande stadsgedeelten aan de huidige eisen ten aanzien van infrastructuur, woon- en andere stedelijke functies en voorzieningen. Aan stadsrenovatie is in het verleden weinig gedaan. Bekend zijn de afbraakprojecten te
Fleur-de-Marie en Otrobanda, waar in het eerste geval een stadswoonwijk, en in het tweede geval een stadswijk met gemengde stedelijke functies het veld moest ruimen voor het grote brugproject. De oorspronkelijke bewoners zijn in nieuwbouwwijken aan de rand van Willemstad ondergebracht.


Op Aruba is in 1981 het eerste renovatieproject van de Nederlandse Antillen van start gegaan: de renovatie van de ruim vijfhonderd woningen tellende stadswoonwijk
Village te San Nicolas, waar het project voorziet in een mengeling van vernieuwbouw, reparatie en aanleg van nieuwe infrastructuur. Voor Curaçao staat op stapel de renovatie van de woonwijken Coronèt en Montevèrdè. Voorts is te voorzien dat de renovatie van het zeer aantrekkelijke en historisch waardevolIe woon- en zakendistrict Otrobanda spoedig ter hand zal worden genomen. Gezien de historische en toeristische waarde van zowel de Lower Town als de Upper Town van Oranjestad te St. Eustatius, zal ook voor dit gebied op korte termijn een renovatieproject kunnen worden verwacht.

 

@: Repa
Platte koek, te vergelijken met de pannekoek, bereid uit zgn. kleine maïs (
sorghum), of soms ook van de pampuna. De pannekoek van rijst gemaakt heet reskuk.

 

@: Reptielen
(Reptilia) omvatten hagedissen, krokodillen, schildpadden en slangen.

 

@: Restauratie
in de zin van deskundig herstel is noodzakelijk voor een groot deel der nog aanwezige oudere bebouwing van betekenis op de eilanden. Van groot belang is daarbij zoveel mogelijk van het bestaande werk te behouden, ten einde de authenticiteit en aantrekkelijkheid van het betrokken bouwwerk niet te verspelen. Het werken in aansluiting aan de vroeger toegepaste technieken is belangrijker dan ‘aanvulling in stijl’, die licht het doel voorbijschiet (zie @: Architectuur).

 

@: Retributie
Overheidsheffing voor een door de overheid als zodanig geleverde prestatie; wijze van heffing door leges of zegels. Voorbeelden:
Landingsrecht op de luchthavens geheven ten behoeve van de eilandgebieden. De wetgeving geschiedt door het Land.
Loodsgelden door de eilandgebieden geheven voor de diensten van een loods. De tarieven zijn afhankelijk van de scheepstonnage. Speciale lage tarieven voor toeristenschepen en bunkerschepen.
Zegelrecht op paspoorten, daarnaast wordt ten behoeve van het eilandgebied ook leges geheven.

 

@: Reuzen-eilanden
zie @: Geschiedenis - Hoofdstuk 2: Benedenwindse Eilanden - Sectie 1: Spaanse Periode.

 

@: Rif
zie @: Koraal.

 

@: Rigaud
zie @: Tula.

 

@: Rincon-formatie
Een op Bonaire nabij Rincon voorkomende serie kalkstenen en conglomeraten van Boven-Krijt-ouderdom (zie @: Geologie).

 

@: Risibimentu
Rondom de
eerste heilige communie zijn vele gebruiken ontstaan om de belangrijkheid en het feestelijk aspect van dit gebeuren te markeren. De voorbereidingen nemen soms maanden in beslag. De communicantjes (meisjes in een meestal kostbaar bruidstoilet, jongens in een wit of donker pak), gaan paarsgewijze in een stoet van de school naar de kerk. Wanneer een kind samen met anderen de eerste heilige communie doet, spreekt men daarom van risibi na par. Thuis wordt daarna het meer profane gedeelte van het feest voortgezet; familie, vrienden en kennissen komen het kind en de ouders gelukwensen. Er is dan eten en drinken in overvloed, vooral taarten, die in een aparte kamer, de kamber di bolo, staan uitgestald. De meeste mensen gaan al hun kennissen af om de communicantjes geluk te wensen, een gebruik dat met piki punta wordt aangeduid. Soms worden de feestelijkheden herhaald op de eerste zondag na de dag van de eerste communie, de zgn. dumingu di risibimentu.

 

@: Robèki
zie @: Grunt.

 

@: Rode Kruis
zie @: Geneeskunde.

 

@: Roggen
chuchu of rays (orde Batoidei) zijn, evenals de haaien, kraakbeenvissen (Elasmobranchii). Hun skelet is dus kraakbenig. Op hun kaken staan enige dichte rijen emaille tanden en ook op de huid kunnen tanden en stekels staan. De tanden zijn zo hard dat men ze vaak als fossiel in oude afzettingen aantreft. Bij de mannetjes is het mediane deel der buikvinnen vergroeid tot grote copulatieorganen, met behulp waarvan de wijfjes inwendig bevrucht worden. De meeste rogsoorten uit het Caribisch gebied brengen levende jongen ter wereld, die vrijwel geheel het uiterlijk van de volwassen rog hebben.
De
pijlstaartrog (Dasyatis americana), chuchu rog of sting ray is berucht vanwege zijn scherpe, van weerhaakjes voorziene staartstekel met aan de basis een gifklier. Als men deze rog beetpakt, zwaait hij met staart en stekel in het rond en kan diepe, ernstige wonden toebrengen, die vooral bij personen met allergische aanleg onmiddellijk behandeling vereisen; er dient aan toegevoegd te worden, dat de rog zijn stekel niet als aanvalswapen gebruikt.
Vanwege hun enorme grootte beroemd zijn de
arendsrog (Aetobatis marinari), chuchu aquila of spotted eagle ray, die vooral van kleine bodemdieren zoals schelpen leeft, en de manta (Manta birostris), sedi of devil ray, die vooral uit het open water met zijn grote muil visjes en andere kleine dieren opschept.
De
zaagvis (Pristis pectinatus), zaag of sawfish woelt met zijn lange zaag zijn prooi uit losse bodem te voorschijn en valt er niet mee aan, zoals men vaak ten onrechte meent.

 

@: Roi Catochi
zie @: Landhuizen.


 
@: Rojer, Nicolaas
(Curaçao 2 februari 1808 - 11 december 1888). Medische studie te Leiden. Nam deel aan de
Tiendaagse Veldtocht tegen Belgie. Vanaf 1838 op Curaçao: Lid eerste Geneeskundige Commissie van Quarantaine Dienst en Toezichtuitoefening burgerlijke Genees- en Heelkunde op Curaçao, Aruba en Bonaire (1838-1872). Was lid van de Koloniale Raad.


 
@: Römer, Raúl Gervasio
(Curaçao 19 juni 1923) Hispanist en Papiamentist, studeerde Spaanse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, aan welke instelling hij Spaanse en Papiamentse taalkunde doceert. Als Papiamentist heeft hij zich vooral beziggehouden met de fonologie van het Papiamentu, in het bijzonder het tonale systeem (zie Papiamentu: structuur). Van zijn hand is ook een bewerking in het Papiamentu van het Middeleeuwse spel
Mariken van Nieumeghen, onder de titel Marí di Malpaís.


Werken:

  • Marí di Malpaís (1955; Antilliaanse Cahiers V 1967);
  • De studie van het Papiamentu tot nu toe, Christoffel I (1956);
  • Geheimen van het Papiamentu, in: De Nederlandse Antillen in de actualiteit, H. de Wit en J. van de Walle red. (1958);
  • Polarization phenomena in Papiamentu, Amsterdam Creole Studies I (1977);
  • De taalstudie op de Nederlandse Antillen, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen, R.A. Römer red. (1977);
  • Prodisis y endisis en una lengua tonal: algunas comparaciones entre el Papiamento y el Español, in: Dialogos Hispanicos I (1980);
  • Papiamentu tones - how speakers use them and how they bind speakers, in: Papiamentu - problems and possibilities, E. Muller red. (1983).

 

 

@: Römer, Rene Antonio / @: Rene Römer
(Willemstad, Curaçao, 2 juli 1929) studeerde sociologie aan de
Katholieke Universiteit te Nijmegen waar hij in 1956 cum laude voor het doctoraal examen slaagde. Van 1959-1974 heeft hij leiding gegeven aan het Departement van Cultuur en Opvoeding waarna hij docent Sociologie van het Caribisch gebied werd aan de Hogeschool van de Nederlandse Antillen. Hij is één van de eerste Antilliaanse hoogleraren aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen, waarvan hij ook Rector Magnificus is geweest, voordat hij in 1983 werd benoemd tot Gouverneur van de Nederlandse Antillen. Naast zijn professionele carriëre is vaak een beroep op hem gedaan om in diverse commissies zitting te nemen. Zo was hij o.a. voorzitter Commissie 30 mei 1969, lid Koninkrijksdelegatie Unesco, Parijs, lid Adviesraad voor Culturele Samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk (voorzitter Antilliaanse sectie), lid Gemengde Nederlands-Antilliaanse - Nederlandse Commissie Integraleplanning (voorzitter Antilliaanse sectie). Van zijn vele andere functies moeten o.a. nog genoemd worden voorzitter Carmabi, voorzitter Stinapa, commissaris Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V.

Werken: Ruim 25 publikaties, w.o.:

  • Ons samenzijn in sociologisch perspectief (1964);
  • Naar de voltooiing van de emancipatie. Beschouwingen naar aanleiding van het verschijnsel 30 mei (1974);
  • Un pueblo na kaminda (diss. 1977);
  • Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (red.) (1977);
  • Samenleven op een Caribisch eiland (1981);
  • samen met A.F. Marks, Family and kinship in Middle America and the Caribbean (1978).

 

@: Romondt, Everhardus Jacobus van
(Curaçao 11 september 1908 – ‘s Gravenhage 25 februari 1960). Vestigde zich na medische studie als huisarts op Curaçao. Was politiek actief (
Curaçaosche Onafhankelijke Partij). Was minister van Sociale en Economische Zaken in 1953/1954 en daarna tot 1960 Inspecteur Volksgezondheid der Nederlandse Amillen.

 

@: Romondt, George Illidge van
(St. Maarten 9 december 1809 - 25 juni 1854) medicus. Hij studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Leiden, maakte deel uit van het
Korps Leidsche Vrijwilligers Jagers en deed als zodanig mee aan de 10-daagse veldtocht tegen België in 1831. Op 7 augustus 1834 promoveerde hij te Leiden op het proefschrift: Rationem, qua system a cutaneum, hepaticum at nervosum in regionibus tropicis affici possunt et morbos praecipuos exinde oriundos. Waarschijnlijk het eerste proefschrift over tropische ziekten uit de Nederlandse Antillen. Na het voltooien van zijn medische studie keerde hij terug naar St. Maarten en was tot zijn dood praktizerend arts in Philipsburg.

 

@: Romondt, Wouter R. van
(Voorburg (Z.H.) 13 november 1944) is na de middelbare school op Aruba in de periode 1963-1968 tot tekenleraar opgeleid aan de
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag; voorts heeft hij in Brussel en Parijs gestudeerd. Op Aruba is hij vanaf 1968 als tekenleraar werkzaam tot 1976, in welk jaar hij naar Nederland terugkeert. In de Arubaanse periode maakt hij werk dat vooral is geïnspireerd door de aardkleuren en vormen van Arubaanse indianentekens. Later ontwikkelt hij zich naar een geheel vrije abstractie. Zijn vormtaal is een schematisme van punten en elkaar snijdende lijnen, uiterst spaarzaam van kleur; deze wordt veelal monochroom aangebracht. Het werk vertoont invloed van de Nederlander Anton Heyboer.
Belangrijkste uitdrukkingswijze: monotype.
Exposities: Aruba (1967 en 1971): Curaçao (1972) en verder Nederland (1972, 1973, 1979 en 1981). Zijn werk is in verschillende collecties opgenomen, o.m. van het Curaçaosch Museum, van Sticusa en van het Museum of Contemporary Art in Massachusets U.S.A.

 

@: Ronde Klip
1. Heuvel van 131m hoogte, gelegen in de oostelijke helft van Curaçao met, vanuit het noorden, een enigszins ronde vorm.
2. Voormalige plantage in het noordoosten van Curaçao met een in redelijke staat verkerend landhuis dat door een padvindersbeweging beheerd wordt. Er wordt ook wat landbouw en veeteelt, zij het op weinig systematische wijze, beoefend op bepaalde delen van het voormalige landgoed door particuliere landbouwers.

 

@: Ronde Tafel Conferentie
is een gebruikelijke benaming om aan te duiden dat de deelnemers als aan een ronde tafel, waaraan alle plaatsen gelijk zijn, gelijkgerechtigd zijn. Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen hebben ter voorbereiding van het
Statuut drie conferenties gehouden: in 1948, 1952 en in 1954. In de conferentie van 1948 werden 17 resoluties en 2 moties aangenomen, die door een redactiecommissie in een ontwerp-rijksgrondwet werden verwerkt. In afwachting van de totstandkoming van deze nieuwe rechtsorde heeft de Nederlandse regering ten spoedigste in 1950 in een Interimregeling voorzieningen getroffen tot toekenning van autonomie aan de Nederlandse Antillen, zomede een regeling met betrekking tot de gemeenschappelijke aangelegenheden met Nederland. Bovendien bleek de totstandkoming van een Eilandenregeling urgent. Toen eenmaal de beslissing genomen was dat de constructie van de ontwerp-rijksgrondwet onhanteerbaar was, werd aan de Landsregeringen van Suriname en van de Nederlandse Antillen een schets voor een Statuut aangeboden. Na gepleegd overleg in beide landen werd deze schets op een in 1952 bijeengeroepen conferentie uitvoerig besproken. Het was echter niet mogelijk tot overeenstemming te komen. De conferentie werd op 29 mei 1952 verdaagd. Na velerlei onderhandelingen werd zij op 20 mei 1954 voortgezet. Deze conferentie eindigde op 3 juni 1954 met de aanvaarding van het Statuut, dat per 15 december van dat jaar ingaat en het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de drie autonome landen Nederland, Nederlandse Antillen en Suriname doet ontstaan. Per 25 november 1975 wordt het Statuut ten aanzien van Suriname beeindigd, als dat land volledig onafhankelijk wordt en op grond daarvan het Koninkrijk verlaat. Hierna volgen de ontwikkelingen naar de creatie van de zogenaamde status aparte van Aruba.

Bij Koninklijk Besluit van 2 december 1978 nr. 75 (Ned. Stcrt. 1978 no. 248; P.B. 1979, nr. 21) werd een werkgroep ingesteld die tot taak zou hebben mogelijke relaties te inventariseren en te onderzoeken tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen onderling, tussen de eilanden en de Nederlandse Antillen, tussen de eilanden en Nederland alsmede tussen de Nederlandse Antillen en Nederland. De instelling van de werkgroep was door de Koninkrijksregering voorgesteld tijdens een op 19 en 20 april 1978 te Willemstad gehouden bespreking tussen vertegenwoordigers van de Koninkrijksregering, van de Regering van de Nederlandse Antillen en van de Eilandsraad van Aruba. Deze bespreking was een uitvloeisel van de besprekingen tussen de Koninkrijksregering en een delegatie uit de Eilandsraad van Aruba, welke in 1977 hadden plaatsgevonden als gevolg van een beroep van de Eilandsraad op artikel 26 van de Eilandenregeling.
De werkgroep bracht op 30 augustus 1980 haar rapport uit, onder de titel
Naar nieuwe vormen van samenwerking. In februari 1981 werd te ‘s-Gravenhage een Ronde Tafel Conferentie gehouden bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland, met het doel aan de hand van het rapport van de werkgroep overleg te plegen over nieuwe onderlinge verhoudingen. Ter conferentie werd over een aantal voorlopige punten consensus bereikt. In de eerste paragraaf wordt het zelfbeschikkingsrecht van elk der eilanden van de Nederlandse Antillen formeel erkend: De conferentie onderschrijft het recht van de bevolking van elk eiland om zelf haar politieke toekomst te bepalen. Geen der aan de conferentie deelnemende landen of eilanden zal zich tegen de uitoefening van dit zelfbeschikkingsrecht verzetten.

In september 1981 ontstond een breuk in de Antilliaanse regeringscoalitie tussen de Arubaanse Partij M.E.P. en de overige coalitie-partners M.A.N., D.P. en U.P.B. (zie @: Politieke Partijen). De binnen twee dagen nieuw gevormde coalitie (zonder Aruba) gaf op 4 september 1981 een verklaring uit, waarin onder meer werd gesteld dat het noodzakelijk is dat er duidelijkheid en zekerheid ontstaat op het gebied van de staatskundige ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en in het bijzonder met betrekking tot de toekomstige positie van Aruba en dat op de meest korte termijn stappen (moeten) worden genomen ter realisering van een topgesprek op Koninkrijksniveau.
Het in oktober 1981 gehouden overleg tussen de Nederlandse Regering en de Antilliaanse Regering, waarbij tevens door de beide regeringen overleg werd gevoerd met een delegatie uit de Eilandsraad van Aruba en met delegaties van de andere eilanden, resulteerde in de instelling bij Koninklijk Besluit van 14 januari 1982 nr. 8, van een
Gemengde Commissie toekomst Antillen (de zogenaamde Commissie van Zeven), welke commissie tot taak zou hebben te rapporteren over de vraag welke gevolgen de onafhankelijkheid van Aruba kon hebben voor de Nederlandse Antillen, voor Aruba zelf, voor de andere eilanden van de Nederlandse Antillen en voor de verhouding met Nederland. De commissie, onder voorzitterschap van mr. B.W. Biesheuvel bracht op 12 november 1982 rapport uit. Vervolgens werd van 7 tot en met 12 maart 1983 te ‘s-Gravenhage een Ronde Tafel Conferentie gehouden van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland. Uitgaande van het recht op zelfbeschikking van elk der eilanden, aanvaardde de conferentie het besluit van Aruba om gebruik te maken van zijn zelfbeschikkingsrecht door definitief te kiezen voor de onafhankelijkheid, te realiseren in 1996. De conferentie stemde er verder mee in dat Aruba als overgangsperiode naar de onafhankelijkheid, voor een periode van tien jaar, ingaande 1 januari 1986, een ‘status aparte’ wordt verleend, d.w.z. een volwaardige positie van land binnen het Koninkrijk op de grondslag van het Statuut. Gedurende de periode waarin Aruba de status heeft van land binnen het Koninkrijk zullen de Nederlandse Antillen en Aruba een samenwerkingsverband hebben in de vorm van een Unie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Per 1 Januari 1986 wordt het Statuut nogmaals veranderd als Aruba een autonome status c.q. de status van apart land in het Koninkrijk krijgt, die daarmee alweer uit drie autonome landen bestaat. Aruba realiseert echter haar onafhankleijkheid niet in 1996, maar blijft als apart land, los van de Nederlandse Antillen, deel uitmaken van het Koninkrijk, dat daarmee dus uit drie landen blijft bestaan. Per november 2006 wordt in Den Haag een akkoord bereikt terzake de ontmanteling van de zogenaamde Antillen van 5; de Nederlandse Antillen zonder Aruba. Dit akkoord is het zogenaamde slotakkoord, die tegelijkertijd het ontstaan behelst van de Koninkrijkslanden Curacao en Sint Maarten. Voor de op dat ogenblik als de BES-eilanden bekend staande Nederlands-Antilliaanse eilandgebieden (Bonaire; Sint Eustatius; Saba) staat een toekomst als overzeese gemeenten van Nederland voor de boeg. Anno 2008 zijn de besprekingen en onderhandelingen over de nieuwe vorm van het Koninkrijk der Nederlanden nog in volle gang met de verwachting dat de nieuwe orde per januari 2010 zal ingaan en daarmee het Koninkrijk met het grootste aantal landen ooit werkelijkheid zal worden.

Ook ter bereiking van de nieuwe constructie worden een aantal Ronde Tafel Conferenties georganiseerd. De eerste hiervan vindt plaats in november 2005 op Bonaire en staat bekend als de start Ronde Tafel Conferentie.


@: Roofvogels


of stootvogels - orde Falconiformes. Op de Benedenwindse Eilanden vinden wij als zeldzame soort de
witstaartbuizerd (Buteo albicaudatus), falki of gabilan, die in jeugdkleed zwartbruin, als volwassen vogel van onderen wit is met een grijswitte staart. Men ziet de vogel in grote kringen rondzweven op de opstijgende luchtstromen nabij heuvels. Het voedsel bestaat o.a. uit blousana’s (hagedissen) en totolika’s (vogeltjes), ook wel uit aas. Het nest wordt gemaakt in grote zuilcactussen en tegen steile rotswanden. Deze soort moet streng beschermd worden, want vooral op Aruba en Bonaire zijn nog slechts weinige broedparen aan de uitroeiing ontkomen. Op de Bovenwindse Eilanden wordt zijn plaats ingenomen door de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis), chicken hawk, die ook bijna uitgeroeid is.

Nog vrij talrijk op de Benedenwindse Eilanden is de warawara (Polyborus plancus), die men als een voornamelijk aasetende valk zou kunnen karakteriseren. Hij is in de vlucht onmiddellijk te onderscheiden van de falki door zijn langere nek en staart en door de lichte plekken vóór de donkere vleugeluiteinden. Zittend op een boom of zuilcactus is de opgerichte houding kenmerkend. Het is een echte opruimer van kabrietenkadavers; ook doet hij zich tegoed aan (doodgereden) hagedissen. Gezamenlijke aanvallen op jonge lammetjes en geitjes zijn - zij het bij uitzondering - waargenomen. Ook pluimvee is voor deze valk niet veilig. Hij wordt daarom sterk vervolgd. Desondanks moet de warawara beslist tot de nuttige soorten gerekend worden. Het nest bevindt zich vrijwel onbereikbaar in hoge zuilcactussen.

Met uitzondering van Bonaire is overal de kinikini (Falco sparverius) of killy-killy een betrekkelijk algemene soort, vooral in open, laagbegroeide terreinen. Men ziet hem vaak op de uitkijk zitten in cactussen of kale boompjes, of snel laag langs de grond vliegen. Met zijn klauwen grijpt hij zijn prooi, zoals hagedissen en grote sprinkhanen, maar ook kleine vogels en muizen. Deze soort is absoluut niet schadelijk en verdient beschermd te worden.

Onder de wintergasten is de visarend (Pandion haliaetus), gabilan piskadó of osprey of fish hawk uit Noord-Amerika een opvallende verschijning. Hij zweeft boven kalme zee bij de kust en boven binnenbaaien, duikt dan plotseling met een plons in het water, grijpt een vis, komt weer boven, schudt het water uit zijn veren en draagt zijn prooi in de klauwen naar een rustige zitplaats, waar het neerstrijken met gevulde klauwen nog wel eens moeilijkheden oplevert.

.  

 

@: Rooi
(Antilliaans-Nederlands voor het Papiamentse
roi), stroombedding die alleen gedurende en kort na regen val water voert (vgl. Spaans arroyo). Algemeen voor droge dalen op de Benedenwindse Eilanden. Verschillende rooien zijn met name op Curaçao, dicht bij de uitmonding aan de kust afgedamd, om zodoende de grondwaterstand hier te verhogen c.q. spaarbekkens te vormen voor regenwater. Op deze plaatsen was aldus tuinbouw mogelijk (zie Dammen; Hofje).


 
@: Rooi Fluit
Diep ingesneden rooi, uitmondende in de
Boca Ketu aan de noordkust van Aruba. Hier werd in 1924 het eerste goud op Aruba gevonden.

.

@: Rooi Frances
Rooi op Aruba, deel uitmakende van het dalstelsel van het
Spaans Lagoen. Bij de uitmonding is door verticale erosie in de kalksteen een karakteristiek kloofdal gevormd van ongeveer 10m diepte (zie @: Geologie: Aruba).

.

@: Rooi Lamunchi
(1) Ingesneden rooistelsel aan de zuidkust van Aruba.
(2) Streek in Zuid-Bonaire; zeer laag en vlak kalksteengebied.

.

@: Rooy, Felix R. de  / @: Felix de Rooy
(Curaçao 3 november 1952). Deze zoon van de dichter-beeldhouwer
René A. de Rooy is een veelbelovend en veelzijdig talent dat zich door middel van verscheidene technieken uit, in het platte vlak met verf op doek, pen en zeefdruk. Daarnaast maakt hij ook plastische werken, ontwerpt hij decors en houdt hij zich bezig met film. Zijn opleiding heeft hij genoten aan de Vrije Academie te Den Haag (begin 1970er jaren) en aan de New York University waar hij filmregie studeerde (1981-1983). Zijn spirituele kunst doet qua vormtaal realistisch aan maar is louter vanuit de innerlijke wereld van de kunstenaar geïnspireerd; hijzelf spreekt van ‘psychisch realisme’. Zijn beste zeefdrukken herinneren aan de lineaire tekenstijl van Ed Marcano. Van 1977 tot 1979 is hij tekenleraar geweest aan het Peter Stuyvesant College en aan de Academie van Beeldende Kunsten op Curaçao. In dat laatste jaar valt hem de Cola Debrot-prijs voor de beeldende kunst ten deel.
Exposities o.a. in Amsterdam (1971), Den Haag (1972); Paramaribo (1970), Jamaica (1975) en op Curaçao (1974, 1975, 1976 en 1977). In de collectie van Sticusa is zijn werk vertegenwoordigd.

.

@: Rooy, René André de


(Paramaribo 1 oktober 1917 - Guadalajara, Mexico 17 oktober 1974) heeft het grootste deel van zijn leven op Curaçao doorgebracht, waar hij aan de meeste eigentijdse tijdschriften -
De Stoep (pseudoniem Marcel de Bruin), Simadan (pseudoniem Andres Grimar), Antilliaanse Cahiers en Watapana heeft medegewerkt door zowel in het Nederlands als in het Papiamentu poëtische bijdragen met een romantische inslag te leveren. In 1954 ontving hij een literaire prijs van het Cultureel Centrum Curaçao voor zijn tragikomedie op rijm Juancho Picaflor, geënt op de Don Juanfiguur van Tirso Molina en Cyrano de Bergerac van Edmond Rostand. (Zie Beeldende kunsten; Letterkunde in de Nederlandse Antillen).


Werken:

  • Juancho Picaflor - un tragicomedia di cinco acto rima - (met inleiding van Cola Debrot 1954);
  • Verworpen Vaderland (postuum 1979).

 

@: Rosario, Guillermo Estilito / @: Guillermo Rosario
(Puerto Cabello, Venezuela 6 januari 1917) geboren uit Antilliaanse ouders. Papiamentstalige schrijver van sociaal-realistische romans met een radicale ondertoon, die soms ook tot boventoon aanzwelt. Werd in 1954 onderscheiden met een culturele prijs voor literatuur van het
Cultureel Centrum Curaçao en in 1976 met een letterkundige prijs van de Sticusa. Naast veel proza heeft hij ook gedichten geschreven en enkele toneelstukken geproduceerd. (Zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

Proza: o.a.

Un drama den hanch’i Punda (1943);

E trahador di den Klip (1958);

Kwater As (1964);

Tambú (z.j.);

E raís ku no ke muri (1969);

Amor i sakrifisio (1974);

E angel pretu (1975).

Poëzie:

Anto Dyos tin bo koló! (1968);

Legría (1969);

Algun bista di mi tera (1969);

Mi nigrita Papyamentu (1971).

Toneel:

Balor di un sèn;

Esta un Yaya;

Esaki ta mi mama;

E baridó di kaya.

 @: Rosenstand, Ernesto Enrique
(Sta. Marta, Colombia, 4 maart 1931). Deze Arubaan is vooral bekend door zijn kinderverhalen en zijn activiteiten op toneelgebied. Verbonden aan de toneelgroepen
Mascaruba, Teatro Experimental Arubiano en Chi-ku-Cha heeft hij buitenlands werk in het Papiamentu vertaald en een aantal originele toneelstukken in de landstaal geschreven (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).


Werken:

Jeugdboeken: Cuéntanan Rubiano (1961); Cuéntanan pa un i tur (z.j .).

Kindertoneel: Wantapa! tapa! ... Ha! ... Ha! ... Ha! (1981); Kudawecha a keda sheu (1982).

Toneel: Bo felicidat ta serca mi (z.j.); Un anochi di Pascu (1970); Macuarima (1972); Wadirikiri (musical 1976); Alameda (1978); Pa nan por ta nan (1979); Kiko ta di nos? (1982); Nami 5 minüt (1982).

Poëzie: Un anhelo sin fin (1982).

Proza: Tur cos a keda atras (1965).

 

@: Rotaryclub
Zie @: serviceclubs.

.

@: Rotstekeningen


Het merendeel van de rotstekeningen in de Nederlandse Antillen is aangetroffen op de Benedenwindse Eilanden, in grotten, abri’s of holtes in steenblokken. Zij zijn geschilderd met witte, rode en zwarte verfstof. Naast geverfde tekeningen komen ook in de rots ingeslepen voorstellingen voor bij
Hato op Curaçao en bij Siribana op Aruba. De afbeeldingen zijn meestal non-figuratief. Een veel voorkomend motief bestaat uit groepen concentrische cirkels, verbonden door bundels parallelle lijnen. Maar er zijn ook andere vormen: soms lijken mens-, schildpad-, vogel-, vis- of slangfiguren herkenbaar. De motieven van de rotstekeningen sluiten in het geheel niet aan bij die van versierd aardewerk. Wel zijn bij verschillende grotten en abri’s met rotstekeningen, althans op Aruba, losse scherven en karkópunten aangetroffen. Waarschijnlijk is dus een deel van de rotstekeningen toe te schrijven aan de Dabajuro-indianen, maar uit te sluiten is niet dat meso-indianen ook al rotstekeningen maakten (zie voor deze groepen: Prehistorie). Fraaie rotstekeningen zijn te zien bij Onima en in Spelonk op Bonaire, in Savonet op Curaçao en bij Fontein en Arikok op Aruba. Ondanks verschillende beschermende maatregelen, hebben de Antilliaanse rotstekeningen door erosie, maar vooral door recente vernielingen, sterk geleden.

Op de Bovenwindse Eilanden is er van één plaats een melding van rotstekeningen: gedurende de bouw van het Concord Hotel (thans: Maho Beach Resort) op St. Maarten in 1967 werd een grot ontdekt waarin zowel ingeslepen als geschilderde rotstekeningen werden aangetroffen. Deze grot werd enkele uren na de ontdekking vernietigd door explosieven en daarop volgende cementstorting.


Literatuur:

  • C.N. Dubbelaar, A study on South American and Antillean Petroglyphs (diss. 1984);
  • P. Wagenaar Hummelinck, Rotstekeningen van Curaçao, Aruba, Bonaire. I: W.I.G. 34, nr. 2-3: 173-209 (1953); II: W.I.G. 37, nr. 2-4: 93-124 (1956/57); III: N.W.I.G. 41, nr. 2: 83-126 (1961/62); IV: N.W.I.G. 49, nr. 1-2: 1-66 (1972). N.B.: (N.)W.I.G.: (Nieuwe) West-Indische Gids.

 

 

@: Round Table International
zie @: Serviceclubs.

.

@: Rouwgebruiken
Aan de traditionele rouwgebruiken wordt nog vrij sterk de hand gehouden. Er bestaan zeer gedetailleerde voorschriften ten aanzien van de
rouwkleding, in het bijzonder van de vrouw. Voor de moeder moet zij twee jaar zware en negen maanden lichte rouw dragen, voor de vader één jaar zwaar en negen maanden licht, voor een zuster of een broer: één jaar zwaar en drie maanden licht; voor een oom of tante: drie maanden zwaar en drie maanden licht. De zware rouwkleding van de vrouw bestaat uit geheel zwarte kleding, de lichte rouw uit grijs of zwart-wit.

De rouwkleding van de man bestaat uit een zwarte das en een zwarte band om de arm of een hartje van zwarte stof op de mouw.

Van iemand, die zwaar in de rouw is, zegt men e ta na rou; licht in de rouw heet na avel.

.

@: Rozendal, Sylvius Gerard Marie (Boy) / @: Boy Rozendal
(Curaçao 4 juli 1928) behaalde in 1957 zijn licenciaatsdiploma in de Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Genève. Heeft voor de
Democratische Partij (D.P.) verschillende functies bekleed als eilandsraadslid, gedeputeerde, Staten-lid en als minister. Van 1970 tot 1971 minister van Financiën en vice-minister-president. Van 1971 tot 1973 was hij Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag. Van 1977 tot 1979 minister-president. Richtte in 1982, na een breuk met de D.P., Union op, echter zonder succes. Thans politiek non-actief.

.

@: Ruba
Zie @: Politieke Partijen.

.

@: Rudía
(1) knie;
(2) een lap die met hulp van de knie wordt opgerold. Deze lap legt men op het hoofd bij het dragen van manden, bakken enz., waardoor deze steviger komen te staan.

@: Ruimtelijke ordening
In de tweede fase van het
Meerjaren(ontwikkelings)plan (1967-1971) zijn voor de conservering van natuurlijke hulpbronnen en natuurterreinen vooral van belang de posten voor grondaankopen ten behoeve van de ruimtelijke ordening, alsmede voor praktisch-wetenschappelijk onderzoek. Zulk een onderzoek werd in 1966-1967, met regeringssteun, gedaan door de Grondverbetering- en Ontginningsmaatschappij N.V. (Grontmij) en het Franse ingenieursbureau Société grénoblaise d'Etudes d'Applications Hydrologiques (Sogreah); daaraan namen bovendien deel deskundigen van de Landbouwhogeschool te Wageningen, de Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, en het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Groningen. Deze zeer uitgebreide survey werd uitgevoerd met het oog op een water and land resources development plan for the islands of Aruba, Bonaire and Curaçao en omvatte bodemkundig, bodemgeschiktheids-, geohydrologisch, hydrologisch, klimatologisch en economisch onderzoek. Uit de verkregen gegevens is een ontwikkelingsplan vastgesteld voor landbouw, tuinbouw, veeteelt, erosiebestrijding, bodem- en waterconservering, bebossing, toerisme en recreatie. Thans is het zover, dat de ruimtelijke ordening behoort tot de regulerende overheidstaken in de Nederlandse Antillen. Organisatorisch is Curaçao het best toegerust om deze taak uit te voeren. De in de 1970ger jaren opgerichte Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting (D.R.O.V.) heeft sindsdien een aanzienlijke groei doorgemaakt van zowel capaciteit als niveau. Sinds oktober 1983 is voorts de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (E.R.O.C.) van kracht, die het juridisch kader vormt voor de ruimtelijke ordening.

Begin 1980ger jaren heeft Aruba studies laten verrichten die zijn uitgemond in een aantal planvoorstellen voor de ruimtelijke ontwikkeling van het eiland. Tevens is een eilandsverordening op de ruimtelijke ontwikkeling in de maak. Voor de kleinere eilanden zijn na 1975 verscheidene planningstudies opgesteld. Geen van deze eilanden bezit echter de vereiste wetgeving, noch het apparaat, benodigd voor een planmatige uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingsplannen. De verwachting is dat na 1985 de ruimtelijke ordening zover is gevorderd, dat alle eilanden, voorzien van de nodige wetgeving, planinstrumenten (of de vereisten bijstand hiervoor) en ruimtelijke ontwikkelingsplannen, een periode zullen ingaan van doelmatig gebruik van de beschikbare ruimte. Afzonderlijke vermelding verdient het feit dat Saba een ruimtelijke ontwikkeling voorstaat die sterk gericht is op het behoud van zowel het natuurlijk als het bebouwd milieu.

.

@: Ruku
1. (Bixa orellana)
orleaan, anatto, orellan, is een boompje behorend tot de familie der Bixaceae; het heeft een hartvormige doosvrucht met veel zaden omgeven door rood moes. Het moes bevat kleurstof waarmee levensmiddelen worden gekleurd. Wordt vooral op de Bovenwindse Eilanden geteeld.

2. Tijdschrift zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

.

@: Rups
zie @: Vlinders.

.

@: Ruyters, Dierick

ook bekend als Dierick Ruiters; Dirck de Ruyter
(17de eeuw) publiceerde in 1623 zijn
Toortse der Zeevaert, dat een aantal herdrukken beleefde. In 1631 verschijnt zijn De Platte ofte Pleynschael Verclaert. Het Rijksarchief te ‘s-Gravenhage bezit verscheidene door hem getekende kaarten van de Braziliaanse kust en andere kusten.
De Toortse der Zeevaert, ofschoon enige tijd later overschaduwd door het bekende werk van
Ioannes de Laet, De Nieuwe Wereldt ofte Beschrijvinge van West-Indiën, is een merkwaardig en uiterst interessant werk, dat inlichtingen verschafte omtrent de navigatie ten zuiden van de kreeftskeerkring. Deze studie, gebaseerd op eigen ervaring en aangevuld met Portugese beschrijvingen, is bovendien zeer betrouwbaar. Een groot deel van het werk houdt zich bezig met Afrika, een kleiner deel met Brazilië en slechts enkele bladzijden met de grote Golf Occidentalis, die vroeger de Nieuwe Wereld werd genoemd en nu West Indië. In kort bestek zet de schrijver hier uiteen welke de navigatieroutes waren die de Spanjaarden in dit gebied volgden en dus verschafte hij de Nederlandse zeelieden in dit gebied waardevolle inlichtingen. Ruyters maakte verscheidene reizen als kapitein in dienst van de West-Indische Compagnie naar West-Afrika en de Amerikaanse wateren. Het is onbekend, wat Ruyters daarna in dienst van de West-Indische Compagnie heeft volvoerd. Na enige tijd verdwijnt zijn naam uit de documenten. Zowel zijn geboorte- als-sterfjaar is onbekend. (Zie verder West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis).


Literatuur:

Ioannes de Laet, Iaerlijck Verhael ed. S.P. L’Honoré Naber (1931-1937, 4 delen);

Dierick Ruyters, Toortse der Zeevaert, ed. S.P. L’Honoré Naber (1913).

 

.

@: Rijgersma, Hendrik Elingsz. van
(Lemsterland, Friesland 5 januari 1835 - Sint Maarten 4 maart 1877). Vanaf 1863-1877 werkzaam als gouvernementsarts op Sint Maarten. Zond belangrijke verzamelingen vogels, vissen, reptielen, mollusken, crustaceae en fossielen naar het museum van de
Academy of Natural Sciences te Philadelphia - waarvan hij corresponderend lid was - en naar het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden.
Lit.: H.E. Coomans, Life and malacological work of Hendrik Elingsz van Rijgersma (1835-1877); (1974).

.

@: Rijk
is de afkorting van Koninkrijk, in casu het Koninkrijk der Nederlanden. Van oudsher werden in Nederland tientallen louter Nederlandse zaken met dit woorddeel aangeduid; men spreekt van rijksbegroting, rijksarchief, rijksgebouwendienst, enz. enz. Dat sinds de totstandkoming van het Statuut het Koninkrijk mede Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en vanaf 1 januari 1986 Aruba omvat, heeft niet tot enige misvatting aanleiding gegeven; de afkorting Rijk blijft alleen op Nederland betrekking houden, uitgezonderd in de woorden
rijksconferentie, rijksdeel, rijkswet, *algemene maatregel van rijksbestuur.

.

@: Rijksconferentie
is de naam van de conferentie, die door
koningin Wilhelmina tijdens de Tweede Wereldoorlog bij verschillende gelegenheden officieel is aangekondigd en waarin na de bevrijding van het moederland vertegenwoordigers van de verschillende delen van het Koninkrijk gezamenlijk zouden overleggen over een voor de veranderde omstandigheden passende bouw van het Koninkrijk. Deze conferentie is nooit gehouden, omdat de in het toenmalige Nederlands-Indië uitgebroken revolutie na vele bilaterale onderhandelingen geleid heeft tot volledige onafhankelijkheid van Indonesië, terwijl in vreedzaam overleg met Suriname en de Nederlandse Antillen na enige Ronde Tafel Conferenties het Statuut tot stand is gekomen.

.

@: Rijksdeel
Eén der drie delen van het Koninkrijk der Nederlanden. Vóór 1940 was de algemeen gebezigde term ter aanduiding van de buiten Europa gelegen Koninkrijksdelen, gebiedsdelen. Later was enige tijd de term staatsdeel in zwang.

.

@: Rijksgrondwet
is de naam, die toegedacht was aan de
grondwet van het Koninkrijk nieuwe stijl, gevormd door de drie landen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Als resultaat van de Ronde Tafel Conferentie van 1948 stelde een redactiecommissie een ontwerp-rijksgrondwet voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op, waarin de ter conferentie aangenomen 17 resoluties en 2 moties waren verwerkt. Ofschoon de conferentie in de mening verkeerde, dat de resultaten van de conferentie de instemming van de toenmalige Nederlandse regering hadden, bleek tenslotte dat dit niet het geval was geweest en dat de ontworpen constructie in de praktijk onuitvoerbaar was. Het ontwerp is dan ook niet verder behandeld en ook niet gepubliceerd. De inmiddels opgetreden nieuwe Nederlandse regering heeft naar een meer eenvoudige en doelmatige oplossing gezocht, hetgeen tenslotte geleid heeft tot het Statuut.

.
 
@: Rijkswetten
zijn de wettelijke regelingen betreffende koninkrijksaangelegenheden door
Koning en Staten-Generaal gezamenlijk tot stand gebracht, met medewerking van de Staten van de Nederlandse Antillen. Het ontwerp van een rijkswet wordt in de ministerraad van het Koninkrijk behandeld; de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen en sinds 1986 ook Aruba, neemt aan de beraadslaging deel (artt. 8, 10-12 Statuut). De Koning zendt het ontwerp gelijktijdig met de indiening bij de Staten-Generaal aan de Staten van de Nederlandse Antillen c.q. Aruba. De Staten zijn bevoegd vóór de openbare behandeling in de Tweede Kamer schriftelijk verslag uit te brengen (art. 16 Statuut). De gevolmachtigde ministers zijn betrokken bij de opstelling van de memorie van antwoord eventueel met intern appel en heeft in de Staten-Generaal grote bevoegdheden. Is tenslotte overeen- stemming bereikt, dan draagt de regering van het Koninkrijk zorg voor de afkondiging. Zij geschiedt in Nederland in het Staatsblad en in de Nederlandse Antillen in het Publicatieblad. De regering van de Nederlandse Antillen verleent daartoe de nodige medewerking. Zij treden in werking op het in of krachtens de rijkswetten te bepalen tijdstip (art. 22 Statuut).

.

@: Amfibiewet
is de - niet officiële - benaming van een rijkswet, waarin zowel bepalingen omtrent koninkrijksaangelegenheden als omtrent eigen landsaangelegenheden voorkomen. Het is natuurlijk het meest normale de regeling van die verschillende aangelegenheden gescheiden te houden, maar als er goede redenen zijn - bijvoorbeeld de zeer nauwe samenhang van de stof - beide regelingen te doen samenvallen, behoeft daartegen geen bezwaar te bestaan. Het betoog dat een dergelijke amfibiewet onmogelijk zou zijn, wordt weerlegd door het Statuut zelf, dat in art. 57 bepaalt, dat wetten, die in de Nederlandse Antillen gelden, de staat van rijkswet verkrijgen, met dien verstande dat zij, voor zover zij ingevolge het Statuut bij landsverordening kunnen worden gewijzigd, de staat van landsverordening verkrijgen. Verschillende wetten van vóór 29 december 1954 zijn dus amfibiewetten geworden: Nederland en de Nederlandse Antillen mogen ieder de bepaling betreffende de eigen aangelegenheden wijzigen of intrekken. Tijdig overleg tussen de twee regeringen is in dergelijke gevallen gewenst voor het vinden van de meest praktische weg. Het Statuut laat hiertoe zeer veel ruimte.

.


De letter S
s
is de negentiende letter van het Nederlandse alphabet. In deze encyclopedie is het de op twee na meest gebruikte letter. Zijn oorsprong is Semietisch, die in hun taal heel vaak van de sis- of aanverwante klanken gebruik maakten (ss; sh; ch), die zij op gedetailleerde wijze van elkaar onderscheidden en zelfs schijnen te hebben gebruikt om iemands achtergrond mee te achterhalen (zie voor een aanverwante relaas hierover de Bijbel in Richteren 12: 1-6). In de Griekse alphabetten die op deze basis voortbouwden werd na enige tijd alleen de s en x klanken behouden, waarna de s zich in het Romeinse alphabet ontwikkelde tot de schrijfwijze en klank die wij nu kennen.

.

@: Saba

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Algemene geografische beschrijving
Sectie 1: Een uitgedoofde vulkaan met diepe kloven
Sectie 2: Het klimaat en natuurlijke begroeiing

Hoofdstuk 2: Bevolking
Sectie 3: Evenwicht maar scheiding blank en zwart
Sectie 4: Godsdienst en onderwijs

Hoofdstuk 3: Ruimtelijke ordening: Belangrijkste plaatsjes
Sectie 5: Hoofdplaats The Bottom en Fort Bayhaven
Sectie 6: Saint John’s
Sectie 7: Windwardside
Sectie 8: Hell’s Gate
Sectie 9: Begraven op eigen erf

Hoofdstuk 4: Agrarisch bodemgebruik
Sectie 10: Gering landbouwareaal; changework; Irish-potatoes; kitchen gardens en beperkte veestapel
Sectie 11: Tuinbouw land;Land- en Tuinbouwproject en Horticul¬ture Foundation

Hoofdstuk 5: Het gouvernement
Sectie 12: De grote werkgever
Sectie 13: Wegenaanleg
Sectie 14: Andere projecten
Sectie 15: Private sector

Hoofdstuk 6: Autonoom eilandgebied


Nu volgt de behandeling van het artikel

Saba: Hoofdstuk 1: Algemene geografische beschrijving
Sectie 1: Een uitgedoofde vulkaan met diepe kloven


Saba is het kleinste eiland (hoofdplaats:
The Bottom) behorende tot de groep der Bovenwindse Eilanden van de Nederlandse Antillen, gelegen tussen 63° 13' en 63° 15' W.L., en 17° 37' en 17° 39' N.Br. op ca. 50 km ten zuiden van Sint Maarten. Saba is een steil uit zee oprijzende, uitgedoofde pleistocene vulkaan met een oppervlakte van circa 13 km²; het hoogste punt, de Mountain Scenery, verheft zich 870,4m boven de zeespiegel. Verwering en erosie hebben het oude vulkaanlichaam sterk versneden: langs talrijke radiaal verlopende diepe kloven, ghauts genaamd, zoekt na regenbuien het water in snelle vaart zijn weg naar zee. Van de voornaamste kloven worden hier genoemd Ladder Ghaut, Well’s Ghaut, Island en Deep Ghaut, Cove Ghaut, Spring Bay Ghaut, Plump en Core Ghaut en Wash Ghaut, Tom’s Ghaut en Compagnie’s Ghaut. Hiertussen liggen verheffingen als Troy (586m), Mary’s Point Mountain (566m), Pirate Cliff, Old Booby Hill (223,7m), Booby Hill (447m), Peter Simon’s Hill (557m), Peak Hill (401m), Fort Hill (137m), Bunker Hill (378m) en Great Hill (422,7m). Werkelijk vlak terrein is op Saba nagenoeg niet te vinden, de meest vlakke delen zijn de vallei, waarin het hoofdplaatsje The Bottom ligt en het in noordoostelijke richting vooruitspringende 38m hoge Flat Point, waar een vliegveld is aangelegd.


De wanden van het vulkaaneiland worden gestadig door de zee ondermijnd en zijn als gevolg daarvan zeer steil tot loodrecht. Een natuurlijke haven kent Saba dan ook niet, slechts op enkele plaatsen was het mogelijk met kleine sloepen op het eiland aan wal te gaan.
Fort Bay en Ladder Bay, respectievelijk aan de zuidkust en de westkust, werden de landingsplaatsen van het eiland. Grote schepen moesten ook hier echter enige honderden meters uit de kust blijven. De overige baaien hebben voor de scheepvaart geen betekenis en geven geen of moeilijk toegang tot het binnenland. Waar de rotswanden niet onmiddellijk uit zee oprijzen, ligt veelal een smal puinstrand, zandstranden kent Saba niet.


Het vulkanisch verleden van Saba blijkt o.a. uit het voorkomen van gestolde lavastromen zoals in de nabijheid van Flat Point en uit de 4 tot 6 meter dikke zwavel- en gipsformaties bij
Hell’s Gate. Een postvulkanisch verschijnsel is voorts de warmwaterbron aan de voet van Great Hill; hier komt aan de kust zwavelhoudend water met een temperatuur van 57° C te voorschijn.

Saba Hoofdstuk 1; Sectie 2: Het klimaat en natuurlijke begroeiing


Het klimaat van Saba wijkt over het algemeen niet af van dat der overige Bovenwindse Eilanden, maar vertoont als gevolg van het relief plaatselijk iets hogere neerslagwaarden; de top van het eiland is dikwijls in mist gehuld. De hoogte van het eiland heeft uiteraard ook invloed op de temperatuur, die vooral ‘s nachts aangenaam koel kan zijn. De wind die door de kloven van Ladder Bay en Fort Bay verkoeling brengt in The Bottom, wordt door de bewoners The Doctor genoemd. De verwarming van The Bottom wordt bovendien getemperd door de schaduw van de omliggende bergen, waardoor het aantal uren zonneschijn met ongeveer vier uur per dag verminderd wordt.
De natuurlijke begroeiing van Saba vertoont een grote verscheidenheid en neemt in het algemeen met de hoogte toe. De top van de Mountain Scenery wordt gekenmerkt door een rijke vochtig-tropische vegetatie waarin o.a. mahoniebomen, palmbomen, boomvarens, orchideeën en verschillende mossoorten voorkomen.

Saba: Hoofdstuk 2: Bevolking

Eind september 1982 telde Saba 1.013 inwoners, administratief over een viertal nederzettingen verdeeld: The Bottom 37%, St. John’s 11%, Windwardside 33% en Hell’s Gate 19%. Anders dan
op de overige Bovenwindse Eilanden waar het negroide volksdeel ver overheerst, is de getalsverhouding tussen blank en gekleurd op Saba ongeveer gelijk. Dit wijst op een relatieve toeneming van het negroide volksdeel, omdat dit in de vorige eeuw nog in de minderheid was. Saba had immers in het verleden geen grote aantallen slaven nodig aangezien op dit kleine, sterk geaccidenteerde eiland geen plantages van enige omvang aangelegd konden worden en arbeid van blanke kolonisten ook niet stuitte op klimatologische bezwaren. Het gevolg was dat een omvangrijke negroide immigratie zoals op de andere eilanden, hier achterwege bleef. In 1817 telde het eiland 462 slaven op een totaal van 1.145 inwoners, in vergelijking met de omliggende eilanden een gering aantal (40% der totale bevolking, tegen 72% op Sint Maarten en 70% op Sint Eustatius). In 1862 bedroeg het percentage slaven van de totale bevolking op Saba 38, tegen 57 op St. Maarten en 58 op St. Eustatius. Het vertrek van vele blanken in de afgelopen decennia en het hogere geboortenoverschot van het negroide volksdeel vormen samen de oorzaken van de gewijzigde getalsverhouding tussen de beide rassen. Het contact tussen de bevolkingsdelen blijft overigens beperkt, met name worden interraciale huwelijken vermeden.

Niet alleen sociaal maar ook ruimtelijk bestaat er scheiding tussen de rassen: Windwardside wordt hoofdzakelijk door Europiden bewoond, het hemelsbreed twee km verder gelegen The Bottom overwegend door negroiden; het gehucht English Quarter is overwegend negroide, het nabijgelegen Upper Hell’s Gate daarentegen weer overwegend blank.

Saba Hoofdstuk 2; Sectie 4: Godsdienst en onderwijs
Tweederde van de bevolking is rooms-katholiek, van de overigen behoort het grootste deel tot de Anglicaanse Kerk. De bevolking van Saba was van 1967 (1.021 inwoners) tot 1982 (1.013 inwoners) zeer stabiel. In 1974 waren er 951 inwoners, het laagste aantal in die periode. Het ontbreken van groei komt door de emigratie. Het gebrek aan voldoende werk en betere kansen buiten Saba doen elk jaar weer Sabanen vertrekken. Doordat er tot 1981 geen scholen waren voor voortgezet onderwijs, gaan ook veel jongelui hun vervolgopleiding op de Benedenwinden of op Sint Maarten genieten (54 jongelui in januari 1982). Van 1966 tot 1976 kwam gemiddeld 56% van de schoolverlaters niet terug op Saba. Van 1977 tot 1980 steeg dit zelfs tot 75%. Vele Sabaanse gezinnen zien op deze wijze één of meer kinderen op 13jarige leeftijd verdwijnen. Om hier enigszins een eind aan te maken is in 1981 een m.a.v.o.-klasje van start gegaan, het jaar daarop gevolgd door een lagere technische school-klas en een huishoudschool-klas. De m.a.v.o. had in 1982 twee leerjaren. Deze drie schooltypen zijn tesamen in 1982 ondergebracht in het voormalige ziekenhuis te St. Johns. Het ziekenhuis werd in 1980 in The Bottom gevestigd aangrenzend aan het in 1978 gebouwde Old People’s Home. Saba heeft een lagere school waarvan de klassen 1, 2 en 3 in The Bottom staan en 4, 5 en 6 in Windwardside. Hierdoor krijgt een ieder een gelijk aandeel in het naar school gaan met de gouvernementsbusjes en wordt de ruimtelijke scheiding van de twee hoofdkernen voor de jeugd opgeheven.

Saba: Hoofdstuk 3: Ruimtelijke ordening: Belangrijkste plaatsjes

De hoofdweg van Saba slingert van het plaatsje The Bottom over Crispeen, St. John’s en Windwardside naar Hell’s Gate, en sinds 1960 van daar met een twintigtal bochten steil naar het vIiegveld op Flat Point. Tot in de 1940ger jaren was deze o.m. door de daarin voorkomende trappen slechts begaanbaar voor voetgangers en lastdieren, thans is zij berijdbaar voor motorvoertuigen, waarvan de chauffeurs overigens vanwege de veelvuldige scherpe haarspeldbochten en de hier en daar enorm steile gradiënt uiterst behoedzaam moeten rijden.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 5: Hoofdplaats The Bottom en Fort Bayhaven


The Bottom - waarvan de naam afkomstig is van het Zeeuwse woord voor kom - is het hoofdplaatsje van Saba. In de ongeveer 220m hoog gelegen, besloten vallei liggen de vriendelijke, door bloementuintjes omgeven huizen. Hier zijn het administrateurskantoor, de politiewacht, het postkantoor, enz., er staan een RK en een Anglicaans kerkgebouw en men vindt er een lagere school en een kleuterschool. The Bottom is met Fort Bay verbonden door een zeer steile weg, die over een afstand van 1.150m een hoogteverschil van 200m overbrugt. In 1972 werd te Fort Bay met behulp van op Sint Maarten gebouwde caissons de Leo Chance-pier aangelegd. De pier functioneert tegelijkertijd als zeedijk zodat een redelijk beschutte haven ontstaan is. Door deze beschutting ontstond in de rustige hoek van de haven een zandstrand waardoor er goed gezwommen kan worden. De verzanding gaat echter ten koste van de diepte in de haven zodat deze van tijd tot tijd leeg gezogen moet worden. Waar voorheen passagiers en vracht per roeiboot door de branding heen op het strand gezet werden, kunnen nu kleine vrachtschepen en jachten veilig afmeren. Na de aanleg van de haven werden geleidelijk aan de havengebonden activiteiten uitgebreid. In 1973 werd de nieuwe elektriciteitscentrale te Fort Bay in gebruik genomen, naast de opslagtanks van de Shell.
Ten oosten van de haven begon een steenbreker het vulkanisch gesteente te verwerken tot zand en grind, dat, dankzij de haven, kan worden uitgevoerd naar Sint Maarten en andere eilanden. De vraag ernaar is groot. Het
landingsvaartuig Daisy zorgt voor het transport. In 1981 werd het nieuwe havengebouw in gebruik genomen waardoor het oude vrijkwam waarin nu het toeristenduikbedrijf Saba Deep gevestigd is. Vanaf 1978 geeft dit bedrijf toeristen de gelegenheid om te snorkelen, te vissen of te duiken op één van de ongerepte plekjes rond het eiland.

De enige regelmatige vracht- en passagiersverbinding die Saba kent wordt uitgevoerd door de Brianne-C, een voormalige Amerikaanse trawler. Hij is eigendom van de gebroeders Hassel van Saba. Het schip vaart naar Sint Maarten, Sint Eustatius en St. Kitts. In de beschutting van de pier liggen ook de vissersboten voor anker. Zes fulltime vissers met boten van 5-9 meter vissen voornamelijk op de Saba-bank en verkopen hun vis op Sint Maarten. Vijftien part-time vissers vissen met kleine bootjes rond het eiland.
Het aantal bezoekers dat Saba per schip aandoet is vrij groot vergeleken bij het aantal per vliegtuig. Het veertiendaagse bezoek van het
cruiseschip Polynesia zal ongetwijfeld het leeuwedeel van de bezoekers voor haar rekening nemen, aangevuld met bezoekers afkomstig van jachten.

Ladder Bay: De verbinding tussen The Bottom en Ladder Bay is nog niet gemoderniseerd: via The Gap daalt de voetganger als vanouds de 524 treden tellende trap (The Ladder) af naar de baai.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 6: Saint John’s
St. John’s ligt op ongeveer 350m hoogte en ziet uit op zee. Daarom staat hier het seintoestel waarmee men door middel van grote schijven de politiewacht in The Bottom waarschuwde dat een schip in aantocht was, zodat maatregelen voor de ontscheping konden worden getroffen. In 1969 werd het seintoestel voor het laatst gebruikt.

Saba Hoofdstuk 3;Sectie 7: Windwardside


Windwardside ligt op ongeveer 400m hoogte aan de oostzijde van het eiland en is met zijn smetteloos geschilderde groen-witte huisjes aan de nauwe straatjes al even knus als The Bottom. Door de vroeger vooral zo moeilijke verbinding met de hoofdplaats zijn er in Windwardside eveneens een postkantoor, politiewacht, enz., een RK en een Anglicaanse kerk alsmede een lagere school en een kleuterschool.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 8: Hell’s Gate
Na English Quarter komen Upper- en Lower Hell’s Gate, gelegen op resp. 450 en 300m hoogte; de huizen zijn hier als vogelnestjes tegen de steile wanden langs de weg gebouwd en onderling door voetpaden en trappen verbonden. Hier eindigde vroeger de bewoonde wereld van Saba, maar in 1960 werd op Flat Point het later zo genoemde Juancho Yrausquinvliegveld aangelegd met een start- en landingsbaan van ongeveer 400m, geschikt voor kleine vliegtuigen. Sinds 1963 wordt door de Windward Islands Airways een geregelde dienst op Saba onderhouden. Tussen Hell’s Gate en het vliegveld kwam een nieuwe weg tot stand, die in 1964 de naam van Drs. H.A. Korthalsroad kreeg, en over een afstand van ongeveer 2,5 km een hoogteverschil van 400m overwint. Het afgelegen Hell’s Gate werd door de nieuwe verkeersverbinding nu het eerste dorp waar de luchtreiziger die Saba bezoekt, binnenkomt terwijl The Bottom ten opzichte van het vliegveld min of meer achteraf is komen te liggen. Vermelding verdient nog het vroegere gehucht Mary’s Point, dat bijna onbereikbaar in de noordwestelijke hoek van het eiland lag; de 32 personen tellende bevolking hiervan werd in 1934 op last van de overheid om redenen van veiligheid en volksgezondheid overgebracht naar The Bottom. Hier woont zij thans in de wijk Promised Land, maar heeft in vele opzichten haar isolement bewaard.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 9: Begraven op eigen erf


Een merkwaardig, hoewel niet algemeen gebruik is op Saba nog steeds in zwang: velen begraven hun overleden bloedverwanten op hun eigen erf; de geringe beschikbare ruimte voor meer algemene begraafplaatsen is hier ongetwijfeld de oorzaak van. Dit gebruik neemt nu wat af in verband met de toename van de verkoop van huizen waardoor de graven het gevaar lopen vernietigd te worden.

Saba: Hoofdstuk 4: Agrarisch bodemgebruik
Sectie 10: Gering landbouwareaal;
changework; Irish-potatoes; kitchen gardens en beperkte veestapel

Het agrarisch bodemgebruik op Saba wordt uiteraard door het aanwezige grote reliëf uitermate beperkt: van de 1.300 ha die het eiland beslaat komt slechts 216 ha voor akkerbouw en/of veeteelt in aanmerking. Dit geringe landbouwareaal maakte het in het verleden onmogelijk dat Saba een rol kon spelen in de export van tropische plantageprodukten. De kolonisten die het eiland sinds ca. 1640 bevolkten, legden zich dan ook toe op de zelfvoorzieningslandbouw en men deed dat, zoals reeds vermeld, met een gering gebruik van slavenarbeid. In overeenstemming hiermee bestond en bestaat op Saba een systeem van wederkerig hulpbetoon, changework genoemd, waardoor de landbouwers occasioneel kunnen voorzien in de behoeften aan arbeidskracht. De Sabaanse bedrijfjes zijn zeer klein en versnipperd, de landbouwmethoden waren tot kort geleden primitief. Rond 1900 was de situatie zo slecht, dat een Nederlandse parlementariër die het eiland bezocht, adviseerde de gehele bevolking maar te evacueren naar Sint Eustatius. De jaren daarna brachten een kleine opleving: in 1911 exporteerde men 30.000kg aardappelen en 15.000kg uien naar Curaçao; 2.500 mensen werkten toen in de landbouw. Sindsdien is het met de landbouw echter steeds meer achteruitgegaan door het vertrek van vele Sabanen naar elders en de onmogelijkheid tegen concurrerende prijzen te exporteren. Veel akkerland werd in de steek gelaten en momenteel is nog slechts ongeveer 64 ha grond voor landbouwdoeleinden in gebruik, dat is dus minder dan een derde van het potentieel bruikbare areaal. Men verbouwt zgn. Irish potatoes (dat zijn de gewone Europese consumptie-aardappelen) die het vooral boven de 500-m hoogtelijn goed doen, voorts zoete aardappelen, yams, tajers, bonen, groenten en vruchten als bananen, meloenen, citrus, mango’s, avocado’s, broodvruchten, ananassen en kokosnoten. Moestuinen (kitchen gardens) worden algemeen gehouden. De veestapel omvat vooral runderen, geiten en varkens, maar is beperkt. Het rundvee wordt dikwijls in een soort open potstallen gehouden, de aldus verkregen mest dient voor de bemesting van de aardappelveldjes. De Sabaan heeft doorgaans een uitgesproken agrarische mentaliteit. Dit komt tot uiting in de leeftijdsopbouw van de boeren. Waar deze op de omringende eilanden meestal hoog is vanwege het gebrek aan belangstelling van de jongeren, zien we op Saba tamelijk veel jonge mensen onder de boeren, die zo'n twee tot drie uur per dag agrarisch werk verrichten. Twee boeren zijn geheel afhankelijk van de landbouw.

Saba Hoofdstuk 4; Sectie 11: Tuinbouw land;Land- en Tuinbouwproject en Horticulture Foundation
Van de 146 ha goed tuinbouwland zijn 20 ha in gebruik. 80% van de grond is eigendom, 15% usufruit d.w.z. dat de eigenaar éénderde van de opbrengst krijgt. De overige 5% is pacht. Het gouvernement heeft te weinig landbouwland om te verpachten. Slechts ongeveer 15% van Saba is gouvernementsgrond. Ongeveer éénderde van de waarde van de lokale consumptie van landbouwprodukten wordt op Saba verbouwd.
De laatste jaren zien we kwantitatief en kwalitatief een vooruitgang in de landbouw op Saba. Belangrijke stimulansen zijn de gegroeide exportmogelijkheden en het Land- en Tuinbouwproject. Dit project heeft zijn in 1981 gebouwde hoofdkwartier in English Quarter, waar zaden, kunstmest en insekticiden verkocht worden en produkten ingekocht. Regelmatig worden overschotten aan Sint Maarten en Sint Eustatius verkocht. Het transport van groente en fruit gaat meesta1 per vliegtuig. Vier experimentele tuinen geven een goed voorbeeld aan de Sabaanse boeren hoe moderne tuinbouw het beste kan worden uitgevoerd. Op Booby Hill en in The Bottom wordt gebruik gemaakt van
druppel-irrigatie. Ondermeer wordt het regenwater opgevangen door middel van het wegoppervlak. Een 0,4 ha thijm-tuin levert de kruiden per vliegtuig aan Curaçao en Aruba. Een kiwi-tuin ging in 1983 van start en de verwachting is dat er na een jaar de vruchten van kunnen worden geplukt. Het Land- en Tuinbouwproject staat onder leiding van een Nederlands deskundige en heeft zes Sabanen in dienst. De boeren zijn verenigd in de Horticulture Foundation.

Saba: Hoofdstuk 5: Het gouvernement
Sectie 12: De grote werkgever

Als grote werkgever op Saba treedt het gouvernement op, dat wegen liet aanleggen en verbeteren en de bouwactiviteiten stimuleerde. Van de beroepsbevolking van 346 personen in 1981 werkte er 64% bij de overheid (Land en Eiland). Hiervan was een kwart echter niet in vaste dienst. Dit zijn de zgn. quincena workers, zo genoemd omdat zij tweemaal per maand betaald worden. Zij werken mee aan gouvernementsprojecten. Als het werk klaar is worden zij niet ontslagen maar te werk gesteld om wegen te repareren, gebouwen te onderhouden en vuilnis op te halen. Deze vorm van werkverschaffing, die in 1981 46 personen omvatte, zorgde er voor dat er vrij weinig werkloosheid op Saba was nl. 7% (6 mannen en 23 vrouwen). Zonder dit systeem zou de werkloosheid tot ca. 20% stijgen.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 13: Wegenaanleg
Na de aanleg van de weg naar het vliegveld in 1960 is de overheid doorlopend bezig met wegenaanleg. Hierbij moet voor ogen gehouden worden dat alle wegen van een hoogwaardige betonconstructie zijn, dat ze voor het grootste deel met de hand worden aangelegd en dat daardoor alleen een continue werkploeg voor goede resultaten zorgt. Zo werd vanaf het vliegveld een weg naar Cove Bay aangelegd, waar de bevolking haar strandgenoegens beleeft. In alle dorpen werden nieuwe wegen aangelegd. De wegen op Booby Hill zorgden voor het ontstaan van een luxueuze woonwijk waar zowel Sabanen als Noord-Amerikanen huizen bouwen. Het meest in het oog lopende project is de nieuwe weg die rond de top van de berg wordt aangelegd. Hiermee worden goede landbouwgronden gemakkelijk bereikbaar en komen meer terreinen vrij voor huizenbouw. De nieuwe weg naar Well Bay gaat een tot nu toe volledig onbereikbaar stuk Saba ontsluiten. De economische mogelijkheden in dit gebied zijn waarschijnlijk vrij groot: haven en toerisme.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 14: Andere projecten
De reeds vermelde projecten zoals lucht- en zeehaven, elektriciteitscentrale, havengebouw, land- en tuinbouwstation, ziekenhuis, scholengemeenschap, konden in 1976 worden aangevuld met een volledig nieuw radiotelefonie- en telefoonsysteem en jeugdcentra in The Bottom en Windwardside. Het architectonisch fraai aangepaste nieuwe gouvernementsgebouw werd in 1982 opgeleverd en herbergt o.a. de openbare bibliotheek. Eind 1983 zou met de bouw van een zwembad in Windwardside begonnen worden. Het tekort aan volkswoningen wordt in Saba op unieke wijze opgelost. In plaats van nieuwe volkswoningen te bouwen worden oude, houten, typisch Sabaanse woningen gerenoveerd. Zo werden rond 1983 dertig woningen opgeknapt waarvan er drie opnieuw werden opgebouwd.
Saba laat niet veel aan het toeval over: een bestuursfunctionaris ‘klaagde’ erover dat hij zoveel tijd kwijt was met het ontvangen en begeleiden van allerlei studiegroepen. Een van de studies betreft het probleem van het huisvuil dat voorlopig nog gestort wordt in een ravijn bij St. Johns. In de zeventiger jaren van de 20ste eeuw werd een plan gemaakt ter verbetering van het vliegveld. De geraamde kosten waren echter zo hoog dat een nieuw plan ontwikkeld werd: een nieuw, veel groter vliegveld kan voor hetzelfde geld langs de kust bij Gile’s en Fence Quarter worden aangelegd. Nederland toonde zich in 1983 bereid om de financiering ervan te regelen.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 15: Private sector
De werkgelegenheid in de private sector bereikte in 1981 36% (125 personen). Van de industrie werd de steenbrekerij reeds genoemd. Saba Ranger N.V. (1980), een fabriek die leren en canvas kwaliteitsriemen maakt, staat naast het vliegveld en geeft aan 13 personen, vooral vrouwen, werk. De Saba Artisan Foundation (1981), ook wel de Silk Screen Factory genoemd, bedrukt T-shirts en stoffen, maakt er kleding van en produceert Saba Spice, een lokale likeur. Dit alles wordt tezamen met kunstnijverheidsprodukten van andere eilanden in de eigen winkel verkocht. De uitbreiding van de produktie is afhankelijk van de afzet op andere eilanden. Het toerisme neemt geleidelijk aan toe. Vele op Sint Maarten verblijvende toeristen maken een dagtochtje naar Saba, waarvan Winair, taxichauffeurs, restaurants, toeristenwinkeltjes en het museum profiteren.
Het Sabaanse kant wordt in toenemende mate verkocht en vele vrouwen houden zich dan ook bezig met de produktie ervan. Toeristen die langer willen blijven kunnen in drie kleine hotels en een
guesthouse terecht. Dankzij Saba Deep neemt het duiktoerisme toe. Stinapa legde in 1983 een aantal natuurpaden aan waardoor het wandelen door de prachtige natuur een verblijf op Saba extra aantrekkelijk maakt. Op de top van Mountain Scenery verrees in 1973 een zendmast van de Britse firma Cable and Wireless die de radioverbindingen tussen de eilanden in het Caribisch Gebied geheel automatisch onderhoudt. Het gouvernement zorgde voor de bouw van twee T.V.-relaisstations zodat Sint Maarten en St. Croix op Saba te volgen zijn. Het radiostation PJF-1: The Voice of Saba, zorgt op eigen wijze voor het lokale nieuws en wordt door de Sabanen nauwgezet beluisterd. De Saba Herald becommentarieert het weekgebeuren in de enige lokale krant. Twee stichtingen, de Saba Development Foundation en de Harry L. Johnson Memorial Foundation, houden zich bezig met respectievelijk de ontwikkeling van de gemeenschap en culturele activiteiten.

Saba: Hoofdstuk 6: Autonoom eilandgebied

Op 1 april 1983 werd Saba een autonoom eilandgebied. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en twee gedeputeerden. De Eilandsraad telt vijf leden. Bij de verkiezingen in juni 1983 behaalde de Windward Islands People’s Movement (W.I.P.M.) vier zetels en de Saba United Party (S.U.P.) één zetel.

(Zie verder o.m. Archeologie; Architectuur; Bevolking; Bovenwindse Eilanden; Geologie; Geschiedenis; Klimaat; Landbouw; Mijnbouw).

Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

.

@: Sabadía
(Leonotis nepetifolia) of
pòmpòn, yerba di kèrkòf, a nase di kerkóf, (adonis abbot), plantesoort uit de familie der Lamiaceae. Stevig kruid met vierkante stengel; bladeren langgesteeld, hartvormig met grof-gekartelde rand; opvallend door de grote, oranje bloeiwijze, die bestaat uit zittende, bolvormige schijnkransen om de stengel. Algemeen op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

.

@: Saba Foundation for Culture and Art
ontplooit evenals de andere culturele centra in de Nederlandse Antillen diverse activiteiten op cultureel gebied, vaak in samenwerking met het eilandsbestuur of met andere organisaties op Saba.

.

@: Saba Herald
zie Pers.

.

@: Sábalo
zie Tarpon

.
 
@: Sabana
(savanne), Papiamentu voor gouvernementsweidegrond op de Benedenwindse Eilanden. Komt in vele samenstellingen voor, zoals
Sabana Bèrdè, Sabana Morto, Sabana Grandi enz. (zie Plantages: geschiedenis)

.
 
@: Sabaneta
Dorpje van ca. 6.000 inwoners aan de zuidkust van Aruba. Het dorp, gelegen aan de
Commandeursbaai, was tot het einde der 18de eeuw de standplaats van de commandeurs of bewindvoerders van Aruba, waarna deze functie werd overgenomen door Oranjestad. In Sabaneta ligt het kampement van de op Aruba gelegerde eenheden van het Korps Mariniers. (Zie ook @: Architectuur).

.
 
@: Saba Radio
Roepnaam van het
Marine-VHF-kustradiostation op Saba. Opgericht in 1978, verzorgt dit station radiotelefoongesprekken rondom de Bovenwinden met alle bestemmingen ter wereld. Verder speelt het een belangrijke rol in de beveiliging van mensenlevens op zee ten behoeve van de vele jachten die de Caribische wateren bevaren. Het station is een onderdeel van Landsradio.

.

@: Saba United Party (S.U.P.)
Staatkundige partij op Saba onder leiding van
mevr. Carmen Simmons-Nicholson; bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 behaalde zij 1 zetel.

.

@: Sage
(Lantana camara) Engelse naam voor op de Benedenwindse Eilanden voorkomende
flor di sanger, plantesoort uit de familie der Verbenaceae. Heester waarvan twijgen ruw aanvoelen en vaak met stekels bezet zijn; stengels vierkant en bladeren tegenoverstaand; bloemen geel, geel-oranje, geel-rood of rood, in afgeplatte bolvormige bloeiwijzen aan het einde van de twijgen; vrucht blauw-zwarte steenvrucht. Zeer algemeen beneden 300m, vooral in de heestervegetaties op kalkplateaus. Boven- en Benedenwindse Eilanden. Nationale bloem St. Maarten. De rock sage (Lantana involucrata) heeft witte of licht-lila bloempjes.

.

@: Sakristan
lekepriester, die vroeger op de plantages de RK-priester hielp of verving bij het bekeren en bij het houden van godsdienstige bijeenkomsten (zie ook @: Begrafenisgebruiken).

.

@: Salas, David Dario
(Curaçao 22 juli 1872 - 22 augustus 1937) behoort tot de veelzijdige exponenten van de Spaanstalige literatuur (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). 
Wrk.:

Poezie: In Memoriam (1894); Rimas (1911);

Toneel: Los Eseollos (Drama en tres actos y verso 1911);

 Romans: Raúl (Novela sicologica); Josefina (Novela basada en un hecho historico 1910).

Lit.: J. Terlingen, Lengua y literatura Españolas en las Antillas Neerlandesas (1956).

.

@: Salazar, Astrid
(Curaçao 25 april 1939) balletdanseres, opgeleid aan de
Rotterdamse Dansacademie, thans directrice van Simadanza op Aruba.

.

@: Saldinchi
sprat (familie Clupeidae) is de naam voor verschillende kleine haringachtigen behorend tot de geslachten
Harengula en Jenkinsia. Zij leven in scholen. Het zijn eters van plankton, die zelf door vele roofvissen gegeten worden en daardoor een belangrijke schakel in de voedselketen in zee vormen. In de Nederlandse Antillen worden zij in ondiep water met de reda gevangen en vinden bij de bevolking gerede aftrek. Bovendien worden zij als aas gebruikt.

 

.
@: Saliña
(1) vlakke gebieden nabij de kust of langs binnenbaaien, soms onder water in de regentijd. De naam wordt ook gebruikt voor sommige binnenbaaien zelf. De
saliña’s zijn van de open zee gescheiden door een strandwal. Vooral in het zuid-westelijk deel van Bonaire worden verschillende salina’s gebruikt. Hier wordt vanaf 1972, door de International Salt Company, door verdamping van zeewater in zoutpannen, zout gewonnen. Jaarlijks wordt hier gemiddeld 400.000 ton ruw zout geproduceerd (zie @: Bonaire).


(2) Naam van een wijk op Curaçao die heden ten dage steeds meer een commercieel centrum en soort tweede stad op het eiland is geworden.

.

@: Saliña di Cerca
Deel van de lage alluviale slikgronden langs de westkust van Aruba, ontstaan door sedimentatie van verweringsmateriaal afkomstig van het oudere gedeelte van het eiland.

.

@: Salle, Frères de la
zie @: Bisdom Willemstad.

.

@: Salle, Stichting Jeugdcentrale La
Opgericht in 1953, met als doelstelling bij te dragen tot de vorming van de mannelijke jeugd op Aruba, in de geest en naar de beginselen van de RK-Kerk, is een overkoepelend orgaan van verschillende jeugdclubs. Zij geeft aan die clubs algemene richtlijnen en wat financiële steun. Destijds was de leiding vooral in handen van mannelijke religieuzen. Nu ook meisjes lid zijn van deze clubs is het streven de clubs zelfstandig te laten functioneren onder leiding van plaatselijke leiders en leidsters. Aangesloten zijn thans (1983): te
Santa Cruz de St. Jozefbond (zaal- en buitensporten), te Oranjestad De Trupialen (zang, toneel, poppenkast en het leren bespelen van instrumenten) en te Sabaneta Rapid (vooral volleybal). De Don Bosco-club te San Nicolas is in 1981 zelfstandig geworden.

.

@: Salòn
Bonairiaanse naam voor gerecht, dat op Aruba en Curaçao
yòrki wordt genoemd (zie @: Voedingsgewoonten).

.

@: Salvia
Plantengeslacht uit de familie der Lamiaceae. Heesterachtige plantjes, vierkante stengel; tegenoverstaande bladeren; bloemen in onderling op vrij grote afstand geplaatste schijnkransen, met tweelippige kelk en kroon; twee meeldraden.
Rabbit meat (Salvia occidentalis); bladeren met wigvormige voet en duidelijk met spitse punten gezaagde bladrand. Bovenwindse Eilanden vrij algemeen onkruid.
Cat nip (Salvia seratina); bladeren aan onderzijde dicht viltig, met hartvormige voet en onduidelijk gekarteld-gezaagde bladrand. Bovenwindse Eilanden onkruid.

.

@: Sam
1. (vergelijk Nederlands samen) Systeem van wederzijds hulpbetoon dat zijn basis vond in een sterk levend saamhorigheidsgevoel.
Spaarsysteem waarbij een bepaald aantal (meestal vrouwelijke) personen overeenkomen om gedurende een paar weken of maanden een bepaald bedrag te storten bij de sam-houdster. Het aantal malen dat wordt gestort is één meer dan het aantal deelneemsters. Volgens een van tevoren afgesproken volgorde krijgt iedere deelneemster het totaal gestorte bedrag van de week of maand. De sam-houdster krijgt echter de eerste pot, ook als zij zelf niet deelneemt. Is zij zelf deelneemster dan krijgt zij de pot twee keer.

 
2. Oud jongensspel: op een gevulde hand werd onder het uitroepen van ‘sam’ een klap gegeven; wat op de grond viel (snoep, knikkers) verwisselde van bezitter.

Lit.: H. Hoetink, Curaçao en Thorstein Veblen, in: Mens en Maatschappij, jrg. 31 (1956).

.

@: Sambarku
zie Klederdrachten

.

@: Sambo
werd in de 18de en 19de eeuw op Curaçao gebruikt ter aanduiding van een persoon geboren uit een mulat en een negerin.

.

Het artikel dat nu volgt is in het Papiamentu:

@: Samson Luti / @: Luti Samson / Ludwig ”Luti” Richard Samson

Su nòmber artistiko ta Luti i ela nanse na Kòrsou dia 8 di mart 1933. Komo mucha di Buena Vista na edad di 13 pa 14 aña el a kuminsá su karera musikal den un banda di bleki. Na aña 1950 su chèns pa bira músiko a presentá na momentu ku su primu, Carlino Snijders, a introdusi’é serka defuntu Gachi Supriano komo guarachero. Luti a drenta na lugá di Wilfrido Valerian den Estrellas del Caribe. Huntu ku Alejandro Frans i Jose Cassares e tabata forma un bon delantero di e kampionnan di ritmo Conjunto Estrellas del Caribe. Luti tabata kanta estilo Daniel Santos, pero músikonan grandi manera Augusta Bolijn i tata di Gachi Supriano a instrui’é pa e kanta segun su mes estilo. Na momentu ku ela sigui e konsego aki, pueblo a asept’é. Aparte di ta kantante Luti ta kompositor i ta konosí pa su partisipashon na Festival di Tumba (di karnaval). Debí ku na hopi okashon e tabata serka di e titulo, pueblo a koron’é komo Rei sin Korona i tambe ela bin haña e nòmber di kariño El Eterno Segundón. Pero na 1982 Luti a kibra ku esaki ora ku el a sali Rei di Tumba ku e tumba Kologá. E tumba aki tabata un komposishon di su ruman René Samson. Banda di esei Luti a komponé tres (3) piësa pa dia di mama Luna di Mei, Dia di Mama i Fiësta di Mama, kualnan ta piësanan ku bolbe kada aña di nobo. Aktualmente Luti ta usa su talento di kanta i komponé pa alabá nos Kreador i pa aportá na kultura di Dushi Kòrsou.

.

@: San Juan
Voormalig geëxploiteerde plantage met het hofje van
St. Jansbaai op Curaçao, waar een landhuis van 18de-eeuws karakter ligt. Vooral in de afgelopen jaren heeft San Juan te kampen gehad met een steeds dalend grondwaterpeil en toegenomen verzilting (zie @: Curaçao).

.

@: San Nicolas (Aruba)


Nabij de zuidoosthoek van Aruba ligt het stadje
St. Nicolaas, beter bekend als San Nicolas. Vóór 1926 was deze plaats een gehucht waarvan de weinige bewoners van visvangst en maïsbouw leefden; de winning van fosfaat bij Ceru Colorado en Ceru Culebra (1881-1914) had geleid tot vestiging van enkele eilandbewoners in deze voordien verlaten uithoek van Aruba. Nadat in 1926 de Lago Oil and Transport Company hier zijn raffinaderij bouwde, groeide de nederzetting snel uit tot een levendig stadje. Deze groei werd hoofdzakelijk veroorzaakt door vestiging van buitenaf en niet door binnen-eilandelijke immigratie, al vond deze uiteraard op kleinere schaal wel plaats. Men heeft indertijd voor San Nicolas weleens de term boom-town gebruikt waarmee dan een zeer snel in omvang en betekenis toenemende stad werd bedoeld. Het snelle ontwikkelingsproces leidde tot een vooral in de oorlogsjaren - duidelijk zichtbaar frontier karakter van de nederzetting. In materieel opzicht komt dit neer op een grote kloof tussen de demografische groei en de daarvoor benodigde voorzieningen. Hier en daar vertoont San Nicolas nog duidelijk sporen van de shanty town, die het ooit geweest is al is er in de naoorlogse jaren veel verbeterd en gesaneerd. In eerste instantie activeerde de Lago via de Home Building Foundation de bouw van geschikte volkswoningen; nieuwe wijken als Lago Heights, Essoville en Lagoville ontstonden, het stratennet en overige publieke voorzieningen werden uitgebreid en verbeterd maar men heeft niet kunnen voorkomen dat daarnaast een wijk bleef bestaan, opgebouwd uit houten hutten, opgetrokken met kistenhout, bedekt met platgeslagen petraleumbussen: The Village. Het voortbestaan hiervan (tot heden) heeft ertoe geleid, dat de overheid door middel van het plan renovatie Village en Esso Heights onder supervisie van de F.C.C.A. (zie @: Volkshuisvesting) tot een degelijke aanpak van het krottenprobleem is overgegaan.

De achteruitgang in de scheepvaart in de haven van San Nicolas tezamen met de daling van het aantal zeer koopkrachtige bewoners van de Amerikaanse Lago-Colony en niet te vergeten de huidige recessie in de werkgelegenheid hebben tot gevolg gehad, dat de uitgebreide winkelnering van weleer sterk geleden heeft; de stad heeft hierdoor haar indertijd vooraanstaande plaats in dit opzicht verloren ten gunste van Oranjestad. De bevolking vertoont nog steeds een bonte mengeling van uiteenlopende herkomst en godsdienstige gezindheid. Naast de rooms-katholieken, die in de meerderheid zijn, treft men vrij sterke groepen van methodisten en anglicanen aan maar ook kleinere sekten. Het Engels, dat vroeger door de vele bewoners afkomstig van de Bovenwinden en Engelse Antillen, de belangrijkste voertaal is geweest, heeft veel terrein verloren aan het Papiamentu, de moedertaal van Aruba.

.

@: Sansevieria
Plantengeslacht uit de familie der Liliaceae. Kruidachtige planten met oranje wortelstok en stijve, lijnlancetvormige tot 1m lange, rechtopgroeiende, aan onderzijde sterk gootvormige en van grijswitte dwarsbanden voorziene bladeren; bloemen wit, 4 cm lang, in een lange niet vertakte tros.
Yerb’i kolebra (Sansevieria thyrsiflora) of yerba di sinta, rhamni, snakeplant, met donkergroene bladeren. Gekweekt Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Ore’i buriku (Sansevieria zeylanica var. Laurenti), met lichter gekleurde bladeren voorzien van een tamelijk brede gele rand. Gekweekt.

.

@: Santa Barbara
Eén van de oudste gecultiveerde plaatsen van Curaçao; de vrijwel intact zijnde plantage is thans eigendom van de hier zetelende
Mijnmaatschappij Curaçao. Het prachtig gelegen landhuis was hoofdzakelijk in de 18de en begin 19de eeuw gegroeid tot een haakvormige aanleg van twee verdiepingen met open voorgelegen galerijen op pijlertjes, om een terras met ondergelegen magazijnen en zijopgang. Bij de vernieuwing in 1954/55 is alleen het oudste massieve eindgedeelte van de noordelijke vleugels overeind gebleven (waarin wel eens de romp van het eerste RK-kerkje uit de 16de eeuw wordt gezien), overigens is de vroegere toestand in grote lijnen gevolgd.

.

@: Santa Cruz
dorp van ca. 9.000 inwoners in het centrale deel van Aruba;
zie @: Landhuizen.

.

@: Santa Martha Baai
Baai aan de zuidkust van Curaçao. Hier is het
Coral Cliff Hotel gebouwd.

.

@: Santa Rosa
Woonwijk op Curaçao, oostelijk van het Schottegat en tegenwoordig aansluitend bij het verstedelijkt gebied, oostwaarts van Willemstad (zie @: Willemstad).

.

@: Sapatu di lareina
(Clitoria ternatea) of
blòmchi di kokolishi, bonchi di palomba, yamani tabaku, butterfly weed, plantesoort uit de familie der Fabaceae. Lange klimplant, houtig aan de basis, blad 5-7-tallig; bloemen in armoedige tros, licht- tot donkerblauw; peul lang, 6-10 zadig. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen,vooral op ruderale plaatsen beneden 300 m. Verwilderd; afkomstig uit Indonesië.

.
 
@: Sapu
zie @: Dori.

.
 
@: Sar, Arie van der
(Zwartewaal 13 april 1907) internist op Curaçao (1937-1969) en op St. Maarten (1970-1978), studeerde in Leiden en Rotterdam. Onder zijn leiding heeft het
St. Elisabeth Hospitaal zich ontwikkeld tot één van de beste ziekenhuizen in het Caribisch gebied met vrijwel alle specialismen, bevoegdheid B voor Interne Geneeskunde en een affiliatie met de Universiteit van Groningen voor de opleiding van co-assistenten. Dankzij zijn inspanning zijn de infectieziekten op Curaçao teruggedrongen. Hij heeft ruim 70 publikaties op zijn naam staan. Medewerker aan het Leerboek der tropische geneeskunde, lid van de American Trudeau Society, vaste medewerker van het tijdschrift Documenta de Medicina Geographica et Tropica en contributing editor van de Journal of Tropical Pediatrics. Als waardering ontving hij in 1982 een hoge onderscheiding voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de tropengeneeskunde, de Eijkman-medaille.

Wrk.: The occurrence of carriers of abnormal haemoglobin Sand C on Curaçao (diss. 1959); Publikaties o.a. over sikkelcelziekten en over de G6PDdeficiëntie.

.

@: Sardinchi
zie Saldinchi.

.
 
@: Sargassumvissen


zumbifes, frogfish, komen in de Nederlandse Antillen in vele soorten (Antennarius spec. en Histrio spec.) voor. Door hun variabele kleur en grillige vorm kunnen zij vrijwel onzichtbaar zijn tegen een achtergrond van wier of steen. Zij kunnen zich urenlang doodstil houden en volgen dan met hun kraaloogjes vissen die in hun buurt komen. Indien de prooivis ergens in de buurt blijft scharrelen, besluipen zij hem met behulp van hun tot pootjes vergroeide borst- en buikvinnen, die bijna onzichtbaar langzaam verplaatst worden. Daarbij bezit de vis nog een hengeltje op zijn kop, een draadvormige vinstraal die bij naderen van een visje opgezet wordt (antenne) en die aan het eind nog een bungelend kwastje of worpje heeft zitten, waarop soms inderdaad vissen afkomen. Ten slotte schiet hij toe en weet met zijn geweldige muil vissen op te happen, die zijn eigen lengte hebben en die dan dubbelgevouwen in de elastische maag worden gestouwd.

.

@: Sassen, Willem K.C.Jz.
(‘s-Hertogenbosch 26 januari 1817- Brussel 29 december 1877) van 9 juni 1870 tot 1 oktober 1871 procureur-generaal in de
Kolonie Curaçao en als zodanig middelpunt van de zgn. affaire Sassen. Wrevel over het voortijdig en gedwongen ontslag van zijn vriend gouverneur De Rouville - een wrevel door vele Curaçaosche ingezetenen gedeeld -, gemengd met teleurstelling over de keuze van diens opvolger, gouverneur Wagner, bracht Sassen tot een conflict met deze laatste, dat spoedig tot het ontslag van de procureur-generaal leidde. Dit ontslag bracht heftige beroering teweeg onder het katholieke - overwegend niet-blanke - bevolkingsdeel van het eiland, dat in Sassen blijkbaar een medeslachtoffer zag van vermeend antikatholicisme en tevens een medestander in de strijd voor sociale en economische vooruitgang der negroide bevolking. Sassen, wiens uiterst heftige uitlatingen hem overigens al spoedig de steun van de RK-geestelijkheid deden verliezen, kwam aan de sympathie van de armste bevolkingsgroep tegemoet door te pleiten voar het toekennen van gouvernementsgronden aan geëmancipeerden. Zo kreeg een aanvankelijk zuiver persoonlijke wrijving tussen de twee hoogstgeplaatste ambtenaren ten slotte de vorm van een sociaal conflict met godsdienstige, economische en raciale accenten. Demonstraties en opstootjes leidden in november 1871 tot het inschakelen van de militaire macht, waarbij een dode en verscheidene gewonden vielen. Eind mei 1873 vertrok Sassen naar Nederland, zonder het door hem gezochte eerherstel te hebben ontvangen en zonder dat duidelijk was geworden of hem inderdaad iets verstrekkenders dan een persoonlijke rehabilitatie voor ogen had gestaan. Onder het volk bleef hij papachi (vadertje) Sassen heten.

Lit.: C.Ch. Goslinga, Papachi Sassen drie onrustige jaren op Curaçao: 1870-1873, Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 46 bIz. 105-149 (1968).

.

@: Satelliet-grondstation Vredenberg
Ontvangststation voor televisiesignalen via de
Intelsat V communicatiesatelliet en ontvangst-zendstation voor telefonische communicatie met de Verenigde Staten en Europa. Dit station werd in 1978 in gebruik genomen met een schotelantenne gericht op de Major Path satellite. In 1980 werden de ontvangstmogelijkheden uitgebreid door plaatsing van een tweede schotelantenne gericht op de Primary Path satellite.

.

@: Savonèt
zie @: Landhuizen.

.

@: Savonetapel
(Sapindus saponaria) of
soap berry, plantesoort uit de familie der Sapindaceae. Boom met 2-3-jukkige samengestelde bladeren; blaadjes tot IS bij 6 cm; bladsteel gevleugeld; bloemen inrijkbloemige pluimen, gelig-wit, 2,5 mm in diam.; vrucht 2 cm in diam., uit 2 kogelvormige deelvruchten. Zaden gebruikt voor vervaardiging van halssnoeren; vruchtvlees gelatine-achtig, gebruikt ter vervanging van zeep. De savonetapel wordt op Curaçao gekweekt.

.

@: Schaakbond, Nederlands Antilliaanse (N.A.S.B.)
aangesloten bij de
Federation Internationale d’Echec (F.LD.E.). Bij de N.A.S.B. zijn vier schaakverenigingen aangesloten: S.V. Capablanca, S.V. Curaçao en S.V. Janwe op Curaçao en S.V. Oranjestad op Aruba. De N.A.S.B. is lid van de Confederación de Ajedrez del Caribe y Centro America (Concacaf). Jaarlijks wordt in één der aangesloten landen een landentoernooi georganiseerd, waaraan elk land met 4 spelers. deelneemt.

.

@: Schabel S.J., Pater Michaël Alexius
zie @: Bisdom Willemstad.

.

@: Scharloo


Wijk van
Willemstad aan de overzijde van het Waaigat tegenover Punda en Pietermaai. De weinige oudere, soms in oorsprong nog 18de-eeuwse huizen liggen aan de Van den Brandhofstraat, de Werfstraat en de Scharlooweg. Naast nr. 12 De vijf zinnen en nr. 154 trekt in het bijzonder de aandacht nr. 150 / 152, bekend als Kas di Pachi De Sola. Het pand, eigendom van de Stichting Monumentenzorg, is na restauratie (architect G.J. Manders) in gebruik genomen als Bureau Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Verkiezingen van het Eilandgebied Curaçao. Bij dit huis met verdieping van vroeg 19de-eeuws uiterlijk is de gebruikelijke plattegrond uitgebreid met een van een peristyle voorziene voorbouw aan de wegkant aansluitend bij een centrale vestibule; aan de Waaigatzijde leidt een dubbele trap naar de geopende bogengalerij met bekroonde voluutgevel tussen dakkapellen met puntgevels. Aan de Scharlooweg ligt ook een aantal ruim gesitueerde, deftige blokvormige huizen uit het eind van de 19de eeuw, al dan niet met verdieping en soms met haakse achtervleugels, die karakteristieke details tonen voor de tijd van ontstaan. Scharloo is helaas geschonden door de oprit naar de Koningin Julianabrug.

Lit.: M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959).

.

Scheepsregistratie
Op Curaçao is gevestigd het
Hoofdkantoor der bewaring van Scheepsbewijzen, dat is ondergebracht bij de Dienst Bewaring van Hypotheken, Kadaster en Scheepsbewijzen. Dit houdt een centraal register bij, waarin de gegevens van de scheepsboekhoudingen van elk der eilandgebieden worden opgenomen. Eén en ander is geregeld in het Scheepsregisterbesluit (P.B. 1938 nr. 73). Zeeschepen kunnen naar vrije keuze van de reder op elk van de zes eilanden van de Nederlandse Antillen worden geregistreerd. Het overschrijven van een eiland naar een ander is echter niet mogelijk. Het scheepsregister kent maar één soort vaartuig, namelijk: zeeschip. Hieronder vallen ook jachten, sleepboten, lichters, boortorens etc. Schepen die in de Nederlandse Antillen staan geregistreerd moeten de Nederlandse vlag voeren en voldoen aan de Antilliaanse veiligheidseisen, die fundamenteel gelijk zijn aan de Nederlandse. Om geregistreerd te kunnen worden, moeten de vaartuigen een bruto inhoud van tenminste 20 kubieke meter (ca. 7 registertonnen) hebben. De kosten van een registratie variëren tussen US$ 1.500 en US$ 3.500. Uitschrijving uit het register kost US$ 1.000.


Teneinde een schip in de Nederlandse Antillen te registreren dient men eerst aan de rechter drie stukken over te leggen, nl. een bewijs dat eigenaresse een Nederlands-Antilliaanse firma is ingevolge het
Zeebrievenbesluit; de bijlbrief (koopakte van het schip) en de meetbrief afgegeven door de Inspecteur voor de Scheepvaart in zijn hoedanigheid van Hoofd van de Scheepsmetingsdienst van de Nederlandse Antillen. Op grond van deze stukken kan de rechter verklaren, dat het schip een Antilliaans schip is. Met de verklaring van de rechter kan men van de hypotheekbewaarder, hoofd van het Hoofdkantoor der bewaring van Scheepsbewijzen een voorlopige verklaring verkrijgen dat het schip in zijn register als Antilliaans schip is ingeschreven. Daarop wordt het schip een brandingsnummer toegewezen, dat door de Scheepsmetingsdienst wordt ingehakt. De brandmerking wordt doorgegeven aan de hypotheekbewaarder. Eerst dan kan hypotheek op het schip worden ingeschreven. Daarna geeft de gouverneur de zeebrief af en worden roepletters toegewezen. De Inspecteur voor de Scheepvaart kan daarop het certificaat afgeven, waarmee de registratie compleet is.

Eén van de oorzaken, die tot grote vermeerdering van het aantal schepen in het jaar 1983 heeft geleid, is de registratie van een groot aantal lash-bakken behorende bij het t.s. Bilderdijk.

.

@: Scheepvaart
Historisch zijn de Nederlandse Antillen ten nauwste verbonden met de scheepvaart. De relatieve belangrijkheid en welvaart van deze kleine eilanden zijn in hoge mate te danken aan de goede natuurlijke havens. Daarbij wordt in de eerste plaats gedacht aan
het Schottegat, de grote en diepe binnenbaai van Curaçao - verbonden met zee door het natuurlijke kanaal, de St. Annabaai die zich tot één van de voornaamste zeehavens heeft ontwikkeld. Hier liggen de schepen rustig, door de natuur beschut en bovendien vrij van orkanen, die in het noordelijker gedeelte van het Caribisch gebied zo gevaarlijk kunnen zijn. De ligging van de Benedenwindse Eilanden vlak voor de kust van Venezuela heeft er voorts in hoge mate toe bijgedragen, dat scheepvaart en handel tot bloei konden komen. In Venezuela zelf ontbraken lange tijd goede havens en dit land was voor de internationale handel derhalve in niet geringe mate afhankelijk van Curaçao.
Aan het begin van de 20ste eeuw werd Curaçao ook belangrijk als bunkerhaven voor het innemen van kolen. In 1910 deden in totaal 1588 schepen Curaçao aan met een tonnage van 839.806 ton.
Ofschoon hiervan nog 1.269 zeilschepen waren, vertegenwoordigden de overige 319, stoomschepen, een tonnage van 2.241.726 ton. Omstreeks deze tijd kregen de plannen om een kanaal te graven door de landengte van Panama gestalte en aangezien men hiervan zowel op de Benedenwindse als Bovenwindse Eilanden een aanmerkelijke uitbreiding van de scheepvaart verwachtte, kwamen vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog verschillende projecten tot uitvoering ter verbetering van de havens. Op Curaçao heeft echter niet zozeer de opening van het Panamakanaal als wel de komst van de
Shell in 1916 tot een verdere uitbreiding van de scheepvaart bijgedragen. Voor Aruba was dit de komst van de Lago in 1925. Speciaal Curaçao werd zeer belangrijk als bunkerhaven, waar bunkerolie tegen lage prijzen te verkrijgen was. Er waren zelfs jaren waarin de tonnage van de Curaçao bezoekende schepen die van de haven van Amsterdam overtrof. De zeilschepen werden langzamerhand ook in aantal door de motor- en stoomschepen overtroffen en gaandeweg begonnen ook de eigenlijke toeristenschepen Curaçao te bezoeken.

De zeilschepen, die thans de Benedenwindse Eilanden aandoen, zijn voornamelijk barkjes, die verse vruchten en groenten aanvoeren vanuit Venezuela. Deze bootjes vormen op Curaçao de zo beroemde en toeristisch aantrekkelijke drijvende markt.
Van de motorschepen nemen de tankers een voorname plaats in, vooral in tonnage uitgedrukt. De havens van de Benedenwindse Eilanden zijn dan ook steeds aangepast aan de schaalvergroting van de schepen. De andere motorschepen zijn vracht- en passagiersschepen. Het aantal regelmatig bezoekende schepen in een lijndienst is in de afgelopen jaren sterk verminderd. Door de ontwikkeling en concurrentie van de luchtvaart, zijn er behalve de
ferry (Almirante Luis Brion), die passagiers vervoert tussen de Benedenwindse Eilanden en Venezuela, vrijwel geen schepen meer, die passagiers vervoeren van en naar de Nederlandse Antillen. Door de sneIle opkomst van het containervervoer, is het arbeidsintensieve stukgoedvervoer ook aanzienlijk verminderd. De enige, thans nog bestaande lijndienst van en naar Europa, wordt onderhouden door grote containerschepen van de Caribbean Overseas Lines (Carol), een gezamenlijke onderneming van meerdere rederijen, zoals de Nedlloyd, Hapag-Lloyd, Harrison Line en de Compagnie Générale Maritime et Financière (C.G.M.F.). Voorts wordt vracht uit Europa aangevoerd door schepen van de Nederlandse Nedlloyd Lijnen B.V. en van de Spaanse Marasia S.A. Door diverse andere rederijen wordt vracht aangevoerd vanuit het Verre Oosten. Kleinere containerschepen en roll-on-roll-off (roro)-schepen van diverse rederijen onderhouden container-vrachtdiensten tussen Miami in de U.S.A. en havens in de Caribische Zee, waaronder de havens van de Benedenwindse Eilanden. De ferry, die passagiers vervoert tussen Venezuela en de Benedenwindse Eilanden, vervoert ook als roro-schip vracht, geladen in trucks. Voorts zijn er speciale ‘autoboten’, die zendingen nieuwe automobielen aanvoeren vanuit Japan, Korea, Rusland en Brazilië. De betekenis, die vooral Curaçao in het verleden had als overscheephaven, mag door de hoge laad- en loskosten in de haven geen naam meer hebben. Mogelijk zullen er weer meer overscheepladingen komen wanneer de containerhaven in gebruik is genomen.

De havens van Curaçao, Aruba en Sint Maarten hebben grote betekenis gekregen als aanloophaven van toeristenschepen, waarvan de meeste cruises maken in het Caribisch gebied. Ook de haven van Bonaire wordt wel eens aangelopen door een toeristenschip. Deze schepen komen meestal ‘s ochtends vroeg binnengevaren en vertrekken weer dezelfde avond. De grootste passagiersschepen ter wereld, zoals de Queen Elizabeth II en de Rotterdam, behoren tot deze toeristenschepen. In 1982 werd op Curacao een toeristen-terminal gebouwd, die de faciliteiten biedt om de toeristen in te schepen en te ontschepen, wanneer een toeristenschip Curaçao gebruikt als afvaart- en eindhaven van de cruise. Door de ontwikkelingen van de oliemarktprijzen hebben Curaçao en Aruba minder betekenis gekregen als bunkerhaven. Door de aanwezigheid van goede dok- en reparatiefaciliteiten in de haven van Curacao, heeft zij grote betekenis gekregen als reparatiehaven. In 1972 werd het grote gegraven Antiliadok in gebruik genomen. In dit dok van 120.000 ton kunnen zeer grote schepen worden drooggezet. Voorts heeft de haven van Curacao een marinebasis, die dient als station van een Nederlandse oorlogsbodem.

De scheepvaartverbindingen tussen de zes eilanden van de Nederlandse Antillen zijn bijna steeds gebrekkig geweest. Na de Tweede Wereldoorlog werd een scheepvaartverbinding onderhouden tussen de eilanden met kleine schepen, zoals de Kralendijk, die echter op 3 oktober 1948 bij Bonaire zonk. Daarna heeft de Willemstad 6 jaren de dienst onderhouden, opgevolgd door de Antilia, die na jaren dienst in 1975 werd verkocht en korte tijd werd opgevolgd door de Mar Antil, die deze dienst niet lang heeft volgehouden. Thans is er geen regelmatige scheepvaartverbinding meer tussen de Benedenwindse en de Bovenwindse Eilanden; wel wordt er met kleine motorscheepjes - Isodel 1 en Isodel 3 - een regelmatige verbinding onderhouden tussen Curaçao en Bonaire. Tussen de Bovenwindse Eilanden wordt een enigszins regelmatige scheepvaartverbinding onderhouden door het Sabaanse particuliere motorschip de Brianne-C..

.

@: Scheepvaart Inspectie der Nederlandse Antillen
is gevestigd te Curaçao. Het Statuut stelt dat de veiligheid van de vaart ter zee een
koninkrijksaangelegenheid is. De Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te Den Haag is derhalve een koninkrijksambtenaar. Voor wat betreft de Nederlandse schepen is de Inspecteur voor de Scheepvaart hoofd van het district Nederlandse Antillen en als zodanig rapporteert hij rechtstreeks aan de Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart. Voor andere schepen geniet de inspecteur echter een grotere zelfstandigheid binnen het gebied van de Nederlandse Antillen. Hij wordt benoemd door de gouverneur en is tevens hoofd van de Scheepsmetingsdienst. Nederland en de Nederlandse Antillen zijn beide aangesloten bij de International Maritime Organization (I.M.O.) met hoofdkantoor te Londen. De I.M.O. heeft onder haar beheer verscheidene internationale verdragen, waarvan het voornaamste is Safety of life at sea. Op grond van deze verdragen kan de inspecteur in de Nederlandse Antillen certificaten afgeven aan schepen van de contracterende landen, mits hun regeringen daarom hebben verzocht.
Juist door de aanzienlijke mogelijkheden tot scheepsreparatie (
Radio Holland, Curaçaosche Dok Mij, Peter’s Diving Underwater Cleaning en Aruba Shiplift) kunnen naast het nationale certificaat (het certificaat van deugdelijkheid) allerlei internationale certificaten worden afgegeven (zoals uitwatering, veiligheidsconstructie, uitrusting, radiotelefonie en telegrafie, I.O.P.P.  - International Oil Pollution Prevention) certificaat.

Kustbewaking
Onder de inspectie vallen ook het toezicht en onderhoud van de kustverlichting (o.m. 12 vuurtorens), zijnde maatregelen ten behoeve van de veilige navigatie voor de internationale scheepvaart. De kustverlichting dient dan ook aan internationale maatstaven te voldoen (havenverlichting ressorteert daarentegen onder de
havenmeesters der diverse eilandgebieden).

 

@: Scheepvaart, Raad voor de
De
Commissie van Onderzoek ingevolge art. 26 bis van de Schepenwet is de Nederlands-Antilliaanse tegenhanger van de Raad voor de Scheepvaart in Nederland. Indien de commissie van onderzoek van mening is dat er aanleiding bestaat tot het ontnemen van een bevoegdheid of tot het uitspreken van een berisping, wordt de zaak verwezen naar de Raad voor de Scheepvaart; alle overige gevallen worden door de Commissie zelf afgehandeld. De Commissie is gevestigd te Willemstad en wordt benoemd door de Gouverneur.

 

@: Scheepvaartschool Alonso de Ojeda
Op 11 november 1966 op Curaçao geopend, moest per 1 augustus 1982 gesloten worden omdat de
Stichting Scheepvaartonderwijs, die de school bestuurde, met ingang van die datum haar activiteiten staakte (zie verder Onderwijs).

 


@: Scheepvaartverenigingen
zijn werkgeversverenigingen, die zich tot doel stellen de belangen van de aangesloten scheepscargadoorsbedrijven te bevorderen. Zij sloten ook collectieve arbeidsovereenkomsten af met vakbondsorganisaties van het personeel, werkzaam in de haven. Op Aruba werd in 1960 een scheepvaartvereniging opgericht. Deze werd in 1982 opgeheven in verband met een ingrijpende reorganisatie van de havenstructuur. De scheepvaartvereniging op Curaçao dateert van 1958, nadat zij vanaf 1950 in de vorm van een stichting had gewerkt. Door reorganisaties in het havenbedrijf sluit zij geen C.A.O.’s meer af. Dit werd in 1975 overgenomen door de
S.H.B. (Samenwerkende Havenbedrijven). Zij bevordert thans nog de belangen van haar leden in de meest algemene zin. Het voorzitterschap wordt bij toerbeurt uitgeoefend door één der aangesloten scheepscargadoorsbedrijven.

 

@: Schelp
zie @: Heremietkrabben; Slakken; Tweekleppigen.

 

@: Schelp, De
Opgericht in 1947, met als doel jeugdwerk onder de Shell-gemeenschap op Curaçao. Het ledental bedraagt ongeveer 200 kinderen en 20 leid(st)ers. Een klein percentage kinderen buiten de Shell neemt aan de cursussen (o.a. figuurzagen, naaien, rietvlechten en solderen) deel.

 

@: Schelpdieren
zie Weekdieren.


 
@: Schenkingsrecht
zie Belastingen.

 

@: Scherpenheuvel, Internaat
Een vroeger jongensinternaat op Curaçao, ressorteerde onder de
Stichting St. Thomas College en stond onder leiding van de Fraters van Tilburg. Omdat de toenemende kosten niet meer gedragen konden worden en de overheid niet in staat bleek het internaatswerk voort te zetten, heeft het internaat op het eind van de 1960er jaren van de 20ste eeuw zijn deuren moeten sluiten.

 

@: Schildpadden


(Chelonia) omvatten drie groepen, namelijk de
landschildpadden, de moerasschildpadden en de zeeschildpadden.

  •  Landschildpadden, morkoi en tortoises, komen in de Nederlandse Antillen niet voor, maar wel worden verschillende soorten vanuit het continent ingevoerd en als huisdier verhandeld.
  • Moerasschildpadden zijn in de Nederlandse Antillen evenmin inheems, maar vooral een soort, Pseudemys scripta, met zijn felgekleurde strepen, wordt veel uit Florida ingevoerd als aquarium- en vijverbewoner.
  • De zeeschildpadden, turtuga of turtles, onderscheiden zich van de beide andere groepen al op het eerste gezicht door hun poten, die de vorm van roeispanen (flippers) hebben.

Zeeschildpadden blijven zowat hun hele leven in zee. Zij foerageren op de zeebodem, en wanneer de buit niet groter is dan dat de mond daarbij gesloten kan worden, slikken zij die ook onder water door. Grotere prooi nemen zij mee naar het wateroppervlak. Zij zijn omnivoor; behalve van wier en zeegras leven zij vooral van ongewervelde dieren, tot en met stekende zeeappels en prikkelende kwallen. Zij paren ook in zee. Daarna trekt het wijfje ‘s nachts het strand op, graaft er een kuil en deponeert daarin enige tientallen eieren, zo groot als een ping-pongbal. De eischaal is taai en is niet verkalkt. Na het leggen maakt het wijfje de nestkuil weer dicht en keert naar zee terug. Twee weken later kan zij opnieuw eieren afzetten, en dat herhaalt zich nog één of twee keer per seizoen. De eieren komen na 1½ á 2 maanden uit. De jongen werken zich uit het zand en kruipen naar zee. De eerste weken drijven zij nog hoog op het water en duiken alleen om voedsel te bemachtigen. Na twee maanden blijven zij langer onder water en komen slechts nu en dan boven om adem te halen. In tegenstelling tot de legendarisch traag groeiende landschildpadden groeien zeeschildpadden snel. Bij hun geboorte hebben zij een lengte van ongeveer 5cm, gemeten over het rugschild. De soepschildpad bereikt bij goede voeding, in gevangenschap, na 1 jaar een gewicht van ongeveer 2,6 kg, na 2 jaar 11,3 kg, na drie jaar 18,9 kg en na 4 jaar 28,7 kg.
De grootste zeeschildpad is de vrij zeldzame
lederschildpad, drikil, sea horse (Dermochelys coriacea), die wel 2½m lang kan worden; deze soort is kenbaar aan zijn leerachtig pantser en aan de 5 kielen overlangs aan de bovenzij van het pantser. In de Nederlandse Antillen is de meest voorkomende soort de soepschildpad, turtuga blanku, green turtle (Chelonia mydas), waarop elders in het Caribisch gebied - vooral in de Golf van Mexico - intensief gevist wordt, ofschoon nu minder dan voorheen, nu schildpadden in de V.S. beschermd zijn. Bij de Nederlandse Antillen worden tegenwoordig haast alleen nog maar kleine exemplaren tot ca. 50 cm gezien. De karet, hawks bill (Eretmochelys imbricata) is bekend om zijn prachtig gevlamde schild. De kawama, loggerhead (Caretta caretta) heeft een zware kop en heeft zoveel kracht in zijn kaken dat hij ook flinke schelpen kan kraken.
De hier genoemde zeeschildpadden komen in alle tropische zeeën voor. Door ongebreidelde jacht, door het afslachten van wijfjes die op het land komen en door het uitgraven van de eieren zijn de zeeschildpadden in de meeste gebieden schaars geworden; de omgeving van de Nederlandse Antillen maakt daar geen uitzondering op. Terwijl aan het begin van de 20ste eeuw nog regelmatig grote exemplaren gevangen werden, is dat nu een uitzondering geworden. Hier en daar, bijvoorbeeld in Lac (Bonaire), wordt nog met warnetten op schildpadden gevist, maar dat is niet meer van veel betekenis. Ook worden op de zandstranden steeds minder legsels aangetroffen. Overal in het Caribisch gebied worden thans beschermingsmaatregelen genomen (zie @: Natuurbescherming). Ook tracht de
Brotherhood of the Green Turtle, die de dichte broedplaatsen op Costa Rica onder zijn toezicht gekregen heeft, van daaruit pasgeboren soepschildpadjes te distribueren naar plaatsen waar ze zeldzaam geworden zijn. Het uitzetten van zulk broed heeft echter alleen zin indien de diertjes het eerste jaar worden beschermd tegen roofvissen e.d.; men moet deze diertjes dus in een omheind gebied uitzetten, maar dan doet zich de moeilijkheid voor, dat zij nogal eens last van huidzweren krijgen, waarbij de aangetaste dieren door hun soortgenoten worden gebeten. Na het eerste jaar zijn zeeschildpadjes zo groot dat zij niet veel last meer hebben van belagers - afgezien van de mens.

 

@: Schink O.F.M., Pater Jacobus
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Schoolbestuur, RK
Tot 1955 was het apostolisch vicariaat van de Nederlandse Antillen het
RK Schoolbestuur. Een daartoe gemachtigd bisschoppelijk inspecteur oefende het feitelijke bestuur uit. In 1955 werd de RK Onderwijsraad voor Curaçao en Bonaire opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de zelfstandig geworden schoolbesturen, de onderwijsvakvereniging en de ouders der leerlingen. Voorzitter is de diocesaan vertegenwoordiger, aangewezen door de bisschop. Aruba en de Bovenwindse Eilanden kregen hun eigen onderwijsraden. Op 1 januari 1970 sIoten de schoolbesturen van Curaçao zich aaneen tot het RK Centraal Schoolbestuur. De onderwijsraad, waarin alle instanties die bij het RK onderwijs betrokken zijn vertegenwoordigd zijn, vormt het centrale orgaan van het RK onderwijs (zie ook @: Onderwijs).

 

 

@: Schoolbezoek
Van de 6- t/m 14-jarigen op de NederIandse Antillen gaat 98,6% naar school. Met andere woorden, ondanks het ontbreken van een leerplicht gaat van de groep 6- t/m 14-jarigen slechts 1,4% niet naar school.

Leeftijd bij eerste inschrijving voor de basisschool
Het overgrote deel der kinderen op Curaçao gaat ‘op tijd’ d.w.z. met de juiste leeftijd naar de eerste klas van de basisschool. In cijfers: 91% komt met 6 jaar de eerste klas binnen, een zeer kleine groep (0,4%) met 5 jaar, de overige kinderen (8,6%) zijn iets ouder, te weten 7, 8 of 9 jaar.

Opleidingsniveau
Van de niet schoolgaande bevolking van 15 jaar en ouder van de Nederlandse Antillen heeft 55% een opleidingsniveau dat minder is dan of overeenkomt met alleen lager onderwijs. Voor 30% van de bevolking kan gesteld worden dat deze groep als eindniveau heeft voortgezet onderwijs (l.b.o., m.u.l.o., m.a.v.o., h.a.v.o., v.w.o. etc.) terwijl 15% van de bevolking een hoger opleidingsniveau heeft (m.b.o., h.b.o., w.o.).

 

@: Schoolconcerten
Op alle eilanden wordt de belangstelling voor muziek onder de jeugd gestimuleerd door het geven van schoolconcerten. Zo treden vele door de
Sticusa uitgezonden Nederlandse kunstenaars voor de Antilliaanse jeugd op. Lokale organisaties zoals het Comite Jeugdconcerten op Curaçao, de Stichting Culturele Vorming in schoolverband op Aruba, de muziekscholen en de culturele centra op de verschillende eilanden zijn op dit gebied actief.

 

@: Schoolgelden
Op de meeste eilanden wordt geen of slechts voor het middelbaar en/of technisch onderwijs schoolgeld geheven. Vroeger was er bij het lager onderwijs wel sprake van scholen waar schoolgeld werd geheven -
skol di plaka - en scholen waar dit niet het geval was, skol di pòrnada, waar het peil van het onderwijs dan ook lager was. De naam van frater María Richardus (Wirtz) zal altijd verbonden blijven aan de door hem gestichte skol di pòrnada St. Vincentiusschool, die vroeger bij het St. Elisabeth Hospitaal stond. Hij wordt terecht beschouwd als de grondlegger van het volksonderwijs. Onvergetelijk is gebleven zijn streven om intelligente leerlingen kosteloos door privélessen voor te bereiden op het voortgezet onderwijs of een betere functie in de maatschappij.

 

@: Schorpioen
(Papiamentu:
skòrpion) behoort tot een orde van spinachtigen, heeft een paar van grijpscharen voorziene palpen en een smal achterlijf met een verdikte stekel, waar aan de top een gifklier uitmondt. Twee soorten zijn bekend van de Benedenwindse Eilanden, een donkerbruine met dikke korte palpen en een slanker lichaam (Didymacentrus spec.) en een lichtgeelbruine met slanke scharen (Centruroides hasethi). Op de Bovenwindse Eilanden komen diverse andere soorten voor. Ze leven verscholen onder stenen, in dode cactussen en achter losse boomschors. De steek is pijnlijk, maar niet gevaarlijker dan een wespesteek. Merkwaardig is bij deze dieren, dat de wijfjes hun eieren beschermen en de uitgekomen jongen aanvankelijk op de rug meedragen. Ze leven van insekten.

 

@: Schorsing
van wettelijke regelingen en beslissingen, zie @: Gezaghebber; @: Gouverneur; @" Koning.

 

@: Schottegat.
Handvormige binnenbaai op Curacao, door een smal natuurlijk kanaal van 1.280m lengte, de
Sint Annabaai, met de zee verbonden (voor het ontstaan zie @: Geologie: Curaçao). Het Schottegat vormt met de Sint Annabaai vanouds de uitstekende natuurlijke haven van Willemstad, met een oppervlakte van ongeveer 10km² en een diepgang van min. 20m. Het was juist de aanwezigheid van deze baai, die voor de West-Indische Compagnie in 1634 de aanleiding vormde voor de bezetting van het eiland Curaçao. Sindsdien hebben de handelsactiviteiten van de Nederlanders op het westelijk halfrond zich eeuwenlang in sterke mate rondom het Schottegat geconcentreerd. In de periode 1915-1919 werd Willemstad o.m. dank zij de ligging aan het Schottegat de vestigingsplaats van de Koninklijke Shell en de door haar opgerichte nevenbedrijven aan de baai van Asiento. Naast haveninstallaties voor de tankervloot vindt men hier vele faciliteiten voor vracht- en passagiersschepen. Het Schottegat is in verschillende baaien onderverdeeld zoals de Buscabaai, de Baai van Valentijn en de Baai van Versali. Een deel van het Schottegat werd afgesloten voor de aanleg van de Rijkseenheidboulevard, een onderdeel van de grote vierbanige autoweg (Tegenwoordig Ringweg genaamd) die om de gehele baai voert. Aan weerszijden van de Rijkseenheidboulevard bestaat er in steeds toenemende mate een ontwikkeling van haven-, handels- en industriële activiteiten: de Curacaose Dok Mij, de Vrije Zone, de Containerhaven en Ferry-terminal.
 


@: Schouwburg
zie @:Centro Pro Arte.

 

@:Schroefworm
zie @: Diergeneeskunde.

 

@: Schutterij
Kort na de inval van de Duitsers in Nederland werd in de Nederlandse Antillen bij
Schutterijverordening 1940 in juli de schutterij opgericht. Het spreekt vanzelf, dat de schutterplichtigen niet ingenomen waren met dit novum maar achteraf hebben zij moeten toegeven dat de schutterij in de jaren 1940-45 een basis van discipline en orde heeft gelegd waarover de generatie 1918/1926 met waardering spreekt. De verantwoordelijkheid van de schutters voor de bewaking van Fort Amsterdam, Shell, Bullenbaai, Caracasbaai en de kusten is voor hun karakter van vormende waarde geweest: verschillende officieren hebben in het burgerlijk leven een leidinggevende positie. De schutters werden ingeschakeld bij de bouw van torpedoboten op Parera, zij hielpen bij het graven van sleuven voor de waterleiding, bij het binnenhalen van de oogst op Santa Martha, namen deel aan oefeningen met andere geallieerden, werden ingezet bij de bewaking van het interneringskamp op Bonaire en maakten deel uit van een detachement op St. Maarten. (Zie ook @: Geschiedenis: jongste periode Aruba, Bonaire, Curaçao).

 

@: Schijndel, Zusters van
zie @: Bisdom Willemstad.


@: Secessierecht
Het recht van een deel van een staatsgebied om zich af te scheiden van het geheel. De tweede
Ronde Tafel Conferentie met de West die op 3 april 1952 van start ging, werd op 29 mei geschorst omdat de Surinaamse delegatie in de preambule tot uitdrukking wilde zien gebracht dat het Statuut niet in de weg stond aan een verdere staatkundige ontwikkeling naar een eventuele onafhankelijkheid. De Nederlandse delegatie meende hieraan niet tegemoet te kunnen komen, omdat zulk een permanent recht van secessie het bestaan van het Koninkrijk op losse schroeven zou zetten (zie @: Zelfbeschikkingsrecht).


 
@: Secretaris van het eilandgebied
is een ambtenaar die de
Eilandsraad, het Bestuurscollege en de Gezaghebber in alles, wat het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam is. De secretaris wordt door de eilandsraad benoemd, geschorst en ontslagen. Het Bestuurscollege dient voor de benoeming een aanbeveling in. De secretaris ondertekent mede alle stukken die van de Raad en van het Bestuurscollege uitgaan. Zijn bezoldiging wordt bij eilandsverordening vastgesteld (zie @: Eilandsraad: secretaris).

 

@: Sedreifi
zie @: Dreifi.


 
@: Sefardische gemeenten
zie Joodse Gemeenten.

 

 

@: Segmentarische maatschappij
Het begrip segmentarische maatschappij is afgeleid van de door de
econoom J.S. Furnivall ingevoerde karakterisering van de Nederlands-Indische koloniale samenleving, die hij een plural society noemde. Hieronder verstond hij a society comprising two or more elements or social orders which live side by side, yet without mingling, in one political unit. Iedere groep behoudt zijn eigen godsdienst, zijn eigen cultuur en taal, zijn eigen ideeën en levensgewoonten. Deze groepen zijn echter niet alleen in dit opzicht van elkaar te onderscheiden, maar gewoonlijk ook in raciaal opzicht.
R.A.J. van Lier introduceerde dit begrip in de sociologie en paste het toe op het Caribisch gebied; hij noemde Suriname een meervoudige maatschappij waar groepsvorming op basis van ras en cultuur de aandacht trekt. De Antillen vormen met hun etnische meervoudig samengestelde bevolkingen meervoudige of segmentarische maatschappijen. Van Lier (1950) maakte een onderscheid tussen gesegmenteerde of pluralistische en segmentarische of plurale maatschappij. Viel de laatste samen met de meervoudige samenleving, de eerste term verwees veeleer naar een maatschappij die vanuit haar oorspronkelijke culturele kern een in klassen en subgroepen gedifferentieerde opbouw ontwikkeld heeft. Deze terminologie is vervolgens door Hoetink overgenomen in zijn studie van het rassenprobleem, in het bijzonder in het Caribisch gebied. Aan de hand van de beschouwingen van genoemde schrijvers kan het begrip segmentarische maatschappij worden omschreven als een samenleving, ontstaan uit het samenspel van twee of meer bevolkingsgroepen (segmenten) die oorspronkelijk verschillen in ras en cultuur; deze segmenten hebben een eigen plaats in de sociale rangorde van het maatschappelijk geheel. Door acculturatie vervagen de culturele verschillen, terwijl uit de biologische menging een mengras ontstaat, dat in cultureel en sociaalstructureel opzicht een eigen plaats gaat innemen. Door de sociale betekenis die de raciale (somatische) kenmerken behouden, ondanks een groeiende culturele homogeniteit, blijft een dergelijke maatschappij in vele opzichten gespleten van aard (zie @: Somatisch normbeeld). De Jamaicaanse socioloog M.G. Smith ziet echter het segmentarische karakter van deze maatschappijen primair als een functie van de culturele en niet van de raciale verscheidenheid.

In latere geschriften zijn de elementen cultuur en ras in een nog ander licht gesteld. De gedachte van culturele of raciale groepen als segmenten suggereert naar het inzicht van verschillende auteurs (o.a. M. Cross en A.F. Marks) een gelijkheid die er in werkelijkheid niet is. Noch cultuur, noch ras kunnen als elementen verantwoordelijk gesteld worden voor de posities van boven- en onderschikking die verschillende groepen op categorieën als blanken en negers, bijvoorbeeld, in de maatschappij innemen. Daarvoor is de factor macht van een groep over één of meer andere groepen nodig. Langdurig contact tussen groepen met sociaal, economisch en politiek ongelijke posities doet een mengcultuur ontstaan waarin de evaluerende beginselen, waarden en normen van de bovenliggende groepering in het gehele sociale leven van alle betrokken groepen een doordringende rol gaan spelen. Zo ontstond in het verleden de schaamte voor het eigen ras en de eigen cultuur, die in de loop van de 20ste eeuw met het proces van sociale, economische en politieke emancipatie van grote bevolkingsgroepen thans vergaand verdwenen is.
Het begrip
yu di tera is een bindende rol ten aanzien van blank- en donkergekleurd gaan spelen. Wat deze categorieën betreft is er tot op zekere hoogte sprake van een gesegmenteerde of pluralistische maatschappij. Andere etnische groepen als Chinezen, Portugezen e.d. geven de samenleving evenwel een segmentarisch of pluraal karakter.

Literatuur:

  • J.S. Furnivall, Netherlands India: a study of plural economy (1939);
  • H. Hoetink, De gespleten samenleving in het Caribisch gebied (1962);
  • Idem, The two variants in Caribbean race relations (1967);
  • R.A.J. van Lier, Samenleving in een grensgebied (1949, 1971, 1977);
  • Idem, Ontwikkeling en karakter van de West-Indische Maatschappij (1950);
  • M.G. Smith: The plural society in the British West Indies (1965).

 

 

 

Segregatie
Wettelijke segregatie is in de Nederlandse Antillen onbekend. Enige ruimtelijke gescheidenheid der sociale groepen op basis van economische omstandigheden, deels samenvallend met raciale verschillen, kan worden waargenornen.

 

Sei
zie Remora.


 
@: Sekou, Lasana Mwanza / @ Harold Lake
pseudoniem voor
Harold Lake (Aruba 12 januari 1959), uit wiens Engelstalige poëzie een sterke betrokkenheid met het Afrikaanse verleden van zijn voorouders spreekt.
Wrk.: Moods for Isis (1978).

 

@: Señora
Respectvolle aanspreekwijze voor de gehuwde vrouw.

 

@: Sensia
Nog steeds bestaat het gebruik om wierook te branden om een huis en zijn bewoners voor onheil te behoeden. Dit gebeurt vooral op oudejaarsavond. Men gaat dan met de brandende wierook het hele huis door (
sensia kas).


 
@: Sentebibu
zie @:Aloë.


 
@: Sentro Kultural Kòrsou
zie @: Cultureel Centrum Curaçao (C.C.C.) / @: CCC

 

@: Sentro Pro Arte
zie @: Centro Pro Arte

 

@: Separacion
zie @:Zelfstandigheidsstreven van Aruba.

 

@: Serashi machu
(Trichilia trifolia) of
shimaruku machu, plantesoort uit de familie der Meliaceae. Boompje of heester waarvan takken voorzien zijn van lichtgekleurde streepjes (lenticellen); bladeren 3-tallig met groter eindblaadje; bloemen in korte trosjes in bladoksel, wit; de helmdraden zijn tot een buis vergroeid; vrucht klein, geligbruin, met 3 kleppen openspringend; zaadje met oranje arillus. Vrij algemeen buiten het kalksteengebied op Curaçao.

 

@: Serenade
Rond de eeuwwisseling was het de gewoonte om aan een geliefd persoon - meestal ‘s avonds - een muzikale huldiging te brengen. Thans her en der door lokale trio’s opnieuw tot leven gebracht.

 

@: Sergeant majoortje
zie Ladronchi.

 

@: Ser’i Ararat / @: Seru di Ararat
zie @: Ararat

 

@: Ser’i kueba
Heuvel van 94m hoogte in noordwest Curaçao, deel uitmakende van een groter kalksteengeheel; geologisch belangwekkend, fossielvindplaats van eocene organismen (zie @: Geologie: Curaçao).

 

Seru
Papiamentu (Curaçao) voor heuvel. Aruba spreekt doorgaans van
cero.


 
Seru Domi-formatie
Naam voor jong-tertiaire en mogelijk oud-quartaire kalksteenafzettingen van Curaçao, Aruba en Bonaire; oorspronkelijk alleen voor Curaçao gebruikt (genoemd naar Curaçaosche
Ser’i Domi).

 

Seru Treinchi
87m hoge kalksteenheuvel zuidoostelijk van
landhuis Savonèt op Curaçao. De afzettingen hier hebben de geologische naam van Seru Teintjekalksteen gekregen (zie @: Geologie).

 

@: Service clubs
In de Nederlandse Antillen heeft men onderafdelingen en districten van:
Rotary International, Toastmasters International, de Lions International, de Kiwanis, de Round Table International en de Soroptimist International. Van bovengenoemde serviceclubs is de Joint Shell Curaçao N.V. Service Club Curaçao het overkoepelend orgaan van de op het eiland gevestigde clubs.

 

@: Sesam
zie @: Zjozjoli.

 

@: Seter
Begrafenisvereniging (Benedenwindse Eilanden). Aan een ‘fatsoenlijke’ begrafenis wordt in het algemeen bijzonder veel waarde gehecht. Vooral in de buitendistricten vindt men verenigingen met als doel het vormen van een fonds waaruit de begrafenis van hun leden bekostigd kan worden. De verenigingen dragen godsdienstige namen als
San Pedro, San Hose, Birgen di Rosario enz.

 

@: Seú
1. Oogstfeest op Curaçao, op Bonaire simadan genaamd; het binnenhalen van de maïsoogst ging met veel feestelijkheden (muziek, dans en zang) gepaard. Nadat de maïs was gesneden en de vrouwen de manden met kolven hadden gevuld, trok men al dansend en zingend in optocht naar de schuur (magasina). Dit dansend voortbewegen op de maat van de muziek wordt wapa simadan en wapa (mentu) tras di seú (dansend in oogststoet meetrekken) genoemd. De muziek bestond uit de tambu, de kachu, de agan of de wiri. Hierbij speelt de tokadó di kachu (hoornblazer) een belangrijke rol. Wanneer twee stoeten elkaar ontmoetten, vond er een schijngevecht plaats tussen de twee aanvoerders. Degene die hier als overwinnaar uittrad, kreeg de titel toro mansinga (of ook wel mansinga), de overwonnene werd toro mansebu genoemd. Dit gevecht herhaalde zich meermalen. De toro mansinga werd ook wel rei di maíshi (maïskoning) genoemd. De liedjes die tijdens het voorttrekken van de optocht werden gezongen, waren van geslacht op geslacht overgeleverd. De betekenis ervan is niet meer te achterhalen; in de volksmond heet het guene te zijn, de zogenaamde ‘Afrikaanse taal’ der slaven (zie @: Kanta guene). De mogelijkheid van een Afrikaanse oorsprong is uiteraard niet uitgesloten. Wanneer de stoet bij de schuur aankwam, werden de manden met kolven dansend in de magasina gestort onder het zingen van At’e ko t’ei ka, at’e ko t’ei ka. Daarna bleef men gezamenlijk het heuglijk feit van de oogst vieren.

Lit.: H. Hoetink, Over de simadan (Christoffel, I, 9, april 1956); N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977).

2. Instrument dat tijdens het oogstfeest en bij andere bijzondere gelegenheden werd bespeeld (voor een beschrijving hiervan zie @: Bastel). De seú was te zwaar om bij optochten gebruikt te worden en werd bij het oogstfeest dan ook bespeeld vóór of ná het binnenhalen van de oogst en niet tijdens de dans-optocht van het veld naar het landhuis. De seú wordt met twee stokken bespeeld.

 

@: Shaarei Tsedek, Curaçaosche Ashkenazische Israëlitische Gemeente
zie Joodse Gemeenten.

 

Shell Curaçao N.V.


behoort tot de
Koninklijke Shell groep; vóór 21 maart 1959 was de naam van het bedrijf  N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (in de volksmond Cepim). Tot de eigendommen behoorde o.a. de petroleumraffinaderij op Curaçao.

Op 31 juli 1914 werd het veld Mene Grande bij de zuidoostkust van het Meer van Maracaibo te Venezuela ontdekt door de Caribbean Petroleum Company, de voorgangster van de Companía Shell de Venezuela; de keuze voor de vestiging van een overlaadstation viel op Curaçao. Op 20 mei 1915 begon de Bataafsche Petroleum Maatschappij N.V. haar activiteiten en besloot nog datzelfde jaar over te gaan tot de bouw van een raffinaderij, die in mei 1918 in bedrijf werd gesteld. Inmiddels had de Bataafsche Petroleum Maatschappij N.V. op 13 jan. 1917 haar eigendommen overgedragen aan de op 20 oktober 1916 te ‘s-Gravenhage opgerichte N.V. Curaçaosche Petroleum Maatschappij, die op haar beurt weer overging in de op 9 maart 1925 te Curaçao opgerichte N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij. Eerst met deze oprichting te Curaçao kon met recht gesproken worden van een lokale maatschappij.
De eerste opbouwperiode duurde van 1918 tot 1924, in welk jaar meer dan 1 miljoen ton ruwe olie uit Venezuela werd aangevoerd. In 1924 begon een tweede constructieperiode. De jaren 1930-1934 werden gekenmerkt door een diepe inzinking; ultimo 1931 was het aantal werknemers reeds gedaald tot 2.648, na in 1930 gemiddeld 7.887 te hebben bedragen. Na 1935 ving een derde bouwperiode aan, waarin de activiteiten voornamelijk werden gericht op de constructie van installaties die een verdere raffinage tot produkten met een hogere waarde - betere kwaliteiten benzine en smeerolie - mogelijk maakten. In deze tijd werden ook de hulpbedrijven en de verschepings- en bunkerinstallaties uitgebreid, waardoor een sneller transport mogelijk werd. In 1938 bedroeg de aangevoerde hoeveelheid ruwe olie ruim 11 miljoen ton. Na een korte inzinking in het begin van de Tweede Wereldoorlog als gevolg van het wegvallen van afzetmarkten werd spoedig op oorlogscapaciteit gedraaid en zou later de gehele oorlogsmacht van de geallieerden in Noord-Afrika op olie uit Curaçao draaien.

De vierde bouwfase, die tijdens de oorlog was begonnen als gevolg van de grote vraag, werd daarna voortgezet met  zowel het verbeteren als het uitbreiden van de installaties. Zo kwam o.a. in 1957 een katalytische kraakinstallatie (Cat-cracker) gereed, waarmee motorbenzine van zeer hoge kwaliteit kan worden verkregen. In 1965 kwam men gereed met de bouw van een ruwe-oliedestillatie-installatie met een capaciteit van 130.000 barrels per dag, één van de grootste ter wereld. In november 1967 werd een hydrodesulphurizer-fabriek met de daarbij behorende platformer en hydrotreater in bedrijf gesteld welke installatie van primair belang is voor de handhaving van de positie op de wereldoliemarkt.

In de 1970ger jaren werden alle investeringen gericht op vervanging van verouderde, inefficiënt geworden installaties en vergroting van de flexibiliteit van het bedrijf. De gelegenheid werd tevens aangegrepen om belangrijke verbeteringen aan te brengen in het milieubeheer. Achtereenvolgens werden in bedrijf genomen een nieuwe High Vacuum Unit (in 1970) voor bereiding van voeding voor de smeerolie-fabricage, een Light Destillate Hydrotreater en een LVI Luboil Hydrofinisher (in 1971), beide voor waterstofbehandelingsprocessen, een Furfural Extraction Unit voor de fabricage van hoogwaardige smeerolie, een HF Alkylatie Unit voor de produktie van Alkylaat (een hoogwaardige component voor vliegtuigbenzine), en een Crude Distiller (de laatste in 1973). Het laatste nieuwbouwproject dat is uitgevoerd betreft de bouw van een nieuwe Thermal Cracker Unit, welke in de tweede helft van 1983 gereed kwam ter vervanging van enkele verouderde installaties. Een soortgelijke kraakinstallatie werd eind 1976 in bedrijf genomen.

Door de laatste jaren sterk verminderde vraag naar olieprodukten, voortvloeiende uit de verminderde economische activiteit, toenemende besparing en vervanging van olie door andere energiebronnen, kampt ook Shell Curaçao N.V. met een onderbezetting van haar raffinagecapaciteit, welke sinds enkele jaren voor slechts ± 60% wordt benut. Een verbetering op korte of zelfs middellange termijn van de huidige situatie is niet waarschijnlijk en het bedrijf heeft voor de komende jaren een drastisch bezuinigingsprogramma opgesteld teneinde de kosten te verlagen.
De primaire destillatie op Curaçao beweegt zich de laatste jaren rond 180.000 barrels per dag (10 miljoen ton per jaar). Een groot gedeelte van hetgeen daarbij wordt geproduceerd ondergaat een verdere verwerking. De raffinaderij is bij uitstek en uit noodzaak gericht op de export. Door haar flexibiliteit en de mogelijkheid tot ‘diep raffineren’, kan aan een sterk variërende vraag met een grote reeks produkten worden voldaan.
De raffinaderij met een oppervlakte van 440 ha ligt aan het Schottegat en heeft een primaire destillatie-capaciteit van 362.000 barrels per dag. Voorts bezit Shell Curaçao nog bunkerstations te
Emmastad en aan de Caracasbaai.
Met ingang van 1 januari 1961 werd de verkoop van petroleumprodukten op de Benedenwindse Eilanden overgedragen aan
Shell Nederlandse Antillen Verkoop Maatschappij N.V. (S.N.A.V.). Per 1 juli 1983 waren er 2.468 personen werkzaam bij de Shell Curaçao N.V., de S.N.A.V. en de N.V. Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij, waarmee de Koninklijke Shellgroep de grootste particuliere werkgever is van de Nederlandse Antillen (zie ook @: Petroleumindustrie).

 

@: Shell Nederlandse Antillen Verkoop Maatschappij N.V. (S.N.A.V.)
ontstond op 31 december 1960 door naamwijziging van
N.V. Arend Petroleum Maatschappij en nam op 1 januari 1961 de verkoop van olieprodukten en chemicaliën op de Benedenwindse Eilanden over van Shell Curaçao N.V. Sinds augustus 1981 verkoopt de S.N.A.V. niet meer op de Arubaanse markt (wat motorbenzine betreft). De omzet van olie-produkten is op Curaçao relatief hoog als gevolg van het verhoudingsgewijze hoge welvaartspeil en omdat het eiland een knooppunt is van belangrijke lucht- en zeewegen. Het totale verbruik van motorbenzine op Curaçao en Bonaire bedroeg in 1982 ruim 124 miljoen liter.

 

@: Shi María
Zie (Kuentanan di) Nanzi.

 

@: Shimaruku
(Malpighia punicifolia) of
cherry, plantesoort uit de familie der Malpighiaceae. Boompje of heester met langwerpige tot omgekeerd eivormige bladeren, met ronde of spitse top; bloemen in okselstandige bundeltjes van 35, lila, 5-tallig; kelk met klieren bezet; steenvrucht afgeplat-bolvormig, geribd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen in het wild voorkomend, vooral buiten het kalkgebied. Vrucht eetbaar, met hoog gehalte aan vitamine C. Tot hetzelfde geslacht hoort shimaruku machu (Malpighia glabra), met elliptische tot lancetvormige bladeren met zeer spits toelopende top en donkerrode, niet geribde vrucht.

 

@: Shiwa
Joods rouwgebruik, dat sterke gelijkenis vertoont met de
ocho dia (zie Begrafenisgebruiken).

 

@: Shon
(heer), oorspronkelijk de aanspreektitel van de
meester in de slaventijd. Werd de slaaf altijd met zijn voornaam aangesproken, hij moest de meester, zijn familieleden en alle personen van diens sociale rang met shon aanspreken, meestal gevolgd door de voornaam. Later werd shon de aanspreektitel voor alle personen die men respecteert en als van hogere sociale rang erkent. De Gouverneur werd met Shon Grandi (grote heer) aangeduid.

 

@: Shon Arei
Zie (Kuentanan di) Nanzi.

 

@: Shuata (mentu)
zie Voedselvergiftiging.

 

@: Simadan
1. Bonairiaanse naam voor oogstfeest en -dans, pendant der Curaçaosche
seú. Simadan wordt in tegenstelling tot seú, ook in symbolische zin gebruikt om het groeiende en bloeiende te kenschetsen;

2. Letterkundig tijdschrift, in 1951 op initiatief van: Nicolás Piña opgericht als forum voor Papiamentse schrijvers (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

 

@: Simadanza Skol di Ballet i Baile Folklorico,
opgericht in 1975 op Aruba door
Astrid Salazar, Diana Wever-Antonette en Ina Profeet, oud-leerlingen van de Rotterdamse Dansacademie, heeft als doelstelling belangstelling voor de danskunst te kweken. Op educatieve wijze tracht men een eigen techniek en stijl te ontplooien en de leerlingen voor te bereiden voor een professionele dansgroep. Naast klassiek, modern en jazzballet wordt vooral les gegeven in Antilliaanse folklore. Uit de balletschool, die 300 leerlingen telt, is door de directrice Astrid Salazar in 1976 Grupo di Baile Simadanza opgericht. Typisch folkloristische dansen in een gestileerde stijl worden regelmatig in lokale hotels gebracht. Ook in het buitenland (Venezuela, Dominicaanse Republiek, Amerika) is de dansgroep met succes opgetreden.

 

@: Sint Annabaai
Zie @: Havens, Schottegat.

 

@: Sint Christoffelberg


Hoogste heuvel van Curaçao (375,4m), vooral bestaande uit de zogenaamde Knip-lagen (zie @: Geologie: Curaçao). Ligt in het heuvelgebied van het noordwestelijk deel van het eiland en is ondermeer bekend om zijn bijzondere vormen van plantaardig leven, onder anderen orchideeën. Vanwege het natuurschoon - en de landschappelijke waarde - werden omstreeks 1970 door de overheid hier vier (4) plantages aangekocht, namelijk
Savonèt, Zorgvliet, Zevenbergen en een deel van Knip. Dit gebied omvat 1.860 ha en werd op 30 juni 1978 uitgeroepen tot natuurpark, het St. Christoffelpark. Dit natuurreservaat valt onder beheer van Stinapa: Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen.

 

@: Sint Eustatius


 

 

Inhoudsopgave

1. Geografische en geologische beschrijvingen

2. Water

3. Natuurlijke begroeiing

4. Agrarische mogelijkheden

5. Grondeigendom

6. Bevolking

7. Ontwikkelingsprojecten

8. Economische activiteiten - toerisme en olieoverslag - en communicatie

9. Autonoom Eilandgebied

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Sint Eustatius - 1. Geografische en geologische beschrijvingen

Sint Eustatius is een der Bovenwindse Eilanden van de Nederlandse Antillen, behorende tot de groep der Kleine Antillen (hoofdplaats: Oranjestad). Het eiland - ook wel Statia genoemd - ligt op 17,5° N.Br. en onmiddellijk ten oosten van de meridiaan van 63° W.L.; het heeft een lengte van 4,5 km, de oppervlakte bedraagt circa 21 km²'. Men kan Sint Eustatius in drie landschappen verdelen: in het noordwesten en zuidoosten twee vulkanische massieven, gescheiden door een in noordelijke richting afhellende vlakte. Het noordelijke landschap - plaatselijk ook wel de Little Mountains genaamd - wordt gevormd door de resten van een oud-quartaire vulkaan; het is thans een door verwering en erosie sterk versneden en heuvelachtig gebied: een echte vulkaanruïne. De hoogste verheffingen in dit gebied zijn: Boven (294m), Signal Hill (233,6m), Bergje (227m), Pisga (ook wel Pafia 188,5m), Mary’s Glory (187m), Little Mountain (179m) en Gilboa Hill (177m). In het zuidoosten van het eiland ligt een 600m hoge uitgedoofde jong-quartaire strato-vulkaan, waarvan de regelmatige, hoewel afgeknotte kegelvorm het silhouet van het eiland beheerst. Dit is * The Quill (een verbastering van het Nederlandse woord ‘kuil’), welke naam eigenlijk slechts toekomt aan de diepe steilwandige krater in deze oude vulkaan. De oostelijke kraterwand en tevens het hoogste punt draagt de naam Mazinga. De krateropening heeft een omtrek van 2 km, de steile wanden reiken 322m omlaag tot 278m boven zeeniveau. Zowel de wanden als de kraterbodem zijn dicht begroeid met tropisch regen- en nevelwoud. Aan de zuidrand van de vulkaan rijzen steil uit zee op de geologisch zeer merkwaardige Sugar Loaf en White Wall (zie @: Geologie); hier ter plaatse komt het puimsteen voor waarvan de winning reeds enkele malen is gesuggereerd.
De noordelijke helling van The Quill gaat over in de
Cultuurvlakte, welke het 80-30m hoge middendeel van het eiland vormt. In feite is deze vlakte de zeer brede voet van de Quill-vulkaan en zij is dan ook opgebouwd uit betrekkelijk vruchtbare vulkanische verweringsgronden; de oppervlakte van dit gebied bedraagt ongeveer 6 km². Als een natuurlijk bolwerk steekt de 155m hoge Round Hill in de vlakte vooruit, deze verheffing is vermoedelijk een oude bijkrater van The Quill.

Sint Eustatius heeft een steile klifkust, die hier en daar, met name in de baaien enige ruimte laat voor smalle zand- en puinstrandjes. Vanuit het noorden rondgaande om het eiland, zijn de voornaamste baaien: Boven Bay, Fontaan Bay, Venus Bay, Zeelandia Bay, Concordia Bay, Schildpadden Bay, Compagnie Bay, Back-off-Bay, Kay Bay, Gallows Bay, Oranjestad Bay, Tumbledown-Dick Bay (afgeleid van Tommelendijk-baai) en Jenkin’ Bay. Door sommige geologen is het vermoeden uitgesproken dat Sint Eustatius in dalende beweging verkeert, hiervan zou een versnelde afbraak van de kust het gevolg zijn. Op de stranden komt door een natuurlijk sorteringsproces veel uit vulkanische gesteenten afkomstig titaan- en ijzerhoudend materiaal voor, waardoor het zand plaatselijk zeer donker gekleurd is; met name is dit het geval in Compagnie Bay en Oranjestad Bay.

Sint Eustatius - 2. Water

Evenals op Sint Maarten zijn de neerslagwaarden op Sint Eustatius onvoldoende voor het ontstaan van permanente riviertjes. Slechts na hevige regenbuien kunnen zich tijdelijk snelstromende beken vormen, die een sterk eroderende werking hebben. Zo zijn vooral in het noordelijk heuvelland en op de hellingen van The Quill de ghauts ontstaan, diep ingesneden dalen en kloven waarlangs het water na regenbuien zijn weg omlaag zoekt.
De regenval is van jaar tot jaar zeer ongelijk: vochtige jaren wisselen af met zeer droge. Berucht in dit opzicht waren de jaren 1952/1953 en 1982/1983 toen het zo lang droog bleef dat bijna al het vee omkwam, de landbouwproduktie zonder irrigatie bijna tot stilstand kwam en dat drinkwater van elders moest worden aangevoerd.
In de waterbehoefte van mens en dier wordt op St. Eustatius in de eerste plaats voorzien door het opvangen van regenwater in bakken (
cisterns) bij de huizen. De overheid heeft bovendien vier putten onder haar beheer waarvan drie voorzien zijn van elektrische pompen en één van een windmolen. Het streven is om de drie eerste ook door windmolens te vervangen. Op de Cultuurvlakte moeten de putten ten gevolge van de lage grondwaterstand zeer diep zijn, soms tot 50 á 60m. De meeste putten leveren brak water, er zijn er slechts twee die ook voor de mens geschikt drinkwater geven. Eertijds groeven de boeren kuilen in de grond om het afstromende regenwater op te vangen. De overheid heeft ook vier wateropvangconstructies met bijbehorende reservoirs. Van hieruit verkoopt zij water per tankwagen aan de bevolking.

Sint Eustatius - 3. Natuurlijke begroeiing

 

 

 

 

.

De natuurlijke begroeiing van Sint Eustatius vertoont een savannekarakter en bestaat overwegend uit struikgewas, al of niet gedoornd. Vooral waar vroegere akkergrond verwaarloosd en verlaten is, heeft zich een secundaire vegetatie ontwikkeld waarin de cactus de boventoon voert. Op de zware begroeiing van top en krater van The Quill werd reeds gewezen. Ook op Sint Eustatius - gelijk dit op alle eilanden der Nederlandse Antillen het geval is - hebben mens en dier, in combinatie met natuurlijke factoren, het proces van bodemerosie sterk bevorderd. Ontbossing onder andere ten behoeve van de houtskoolwinning, verwaarlozing en het verlaten van akkergrond en de vraatzucht van de geit die in grote aantallen over het eiland zwerft, zijn wel de belangrijkste oorzaken. Vele malen is reeds gewezen op de geweldige afspoeling welke na hevige regenbuien plaatsvindt, zoals met name bij Oranjestad waar de zee somtijds bruin gekleurd is door de grote hoeveelheden bodemmateriaal dat door het regenwater van de Cultuurvlakte wordt weggevoerd.

Sint Eustatius - 4. Landbouw mogelijkheden

De Cultuurvlakte heeft een betrekkelijk vruchtbare zandige leembodem waarop onder gunstige omstandigheden akkerbouw mogelijk is; de grond neemt echter moeilijk water op zodat spoedig uitdroging optreedt. Voor het overige belemmeren reliëf en bodemgesteldheid deze activiteit, zodat van de ruim 2.100 ha beschikbare grond slechts circa 580 ha voor akkerbouw bruikbaar is. In verhouding tot de totale oppervlakte van het eiland is het niettemin meer dan op alle andere eilanden der Nederlandse Antillen. Van het beschikbare akkerbouw-areaal wordt thans in feite slechts ongeveer een vierde deel werkelijk gebruikt. Uiteraard is voor de veeteelt meer grond aanwezig, zodat het totaal van de voor agrarische doeleinden redelijk geschikte grond op Sint Eustatius een oppervlakte beslaat van omstreeks 1.200 ha.
De agrarische geschiedenis van Sint Eustatius vertoont een wisselvallig maar zelden succesvol beeld. I n de 17de eeuw was het een plantage-eiland, dat hoofdzakelijk suikerriet leverde. Al spoedig ontwikkelde het eiland zich tot een stapelplaats van betekenis en een centrum voor de
slavenhandel. Hierdoor raakte de plantagelandbouw enigszins op de achtergrond om na de overval van Rodney, in 1781, waardoor Sint Eustatius als handelscentrum werd uitgeschakeld, weer aan betekenis te winnen. In het begin van de 19de eeuw telde men hier een veertigtal plantages en werd het beschikbare landbouwareaal vrijwel geheel gebruikt. In de 1840er jaren zette echter de teruggang in, welke nog versneld werd door de afschaffing van de slavernij. Sint Eustatius werd een eiland vol ruïnes van plantershuizen, slavenverblijven en suikermolens. Pogingen om de plantagelandbouw nieuw leven in te blazen mislukten, hoofdzakelijk door afzetmoeilijkheden en gebrek aan belangstelling bij de plaatselijke bevolking. Er zijn pogingen geweest om de suikerrietcultuur te hervatten; nieuwe cultures van katoen en in de 20ste eeuw nog sisal, werden gevestigd, maar het uiteindelijk succes bleef uit. Na de vestiging van de olie-industrieën op Curaçao en Aruba deed de aantrekkingskracht van deze eilanden het vertrekoverschot van Sint Eustatius zeer sterk toenemen en de lust tot agrarische arbeid verminderen.
In 1940 ondernam het gouvernement een poging de agrarische omstandigheden op het eiland te verbeteren door het zogenaamde
Concordia-project. Op het gebied van deze voormalige plantage werden kleine percelen goedkope grond beschikbaar gesteld en een aantal volkswoningen gebouwd met de bedoeling de bevolking terug te brengen tot het land. Het initiatief mislukte door gebrek aan belangstelling.
Vermelding verdient de vestiging van enige Nederlandse boeren op het eiland in 1949, met het doel hier enkele grote gemengde bedrijven op te zetten, waarvan de (veeteelt)produkten op Curaçao en Aruba afgezet zouden kunnen worden. Tezamen hadden zij ongeveer 1.000 ha grond in eigendom. De rampzalige droogte van de jaren 1952 en 1953 betekende voor deze jonge bedrijven nagenoeg het einde nog voor ze goed en wel begonnen waren. Aan het eind van de 1970ger jaren leeft de landbouw geleidelijk aan weer op. De eilandsoverheidstuin onder leiding van een landbouwdeskundige geeft een goed voorbeeld en hulp aan de boeren op het gebied van de tuinbouw. Bovendien zorgt de overheidstuin voor de in- en verkoop van tuinbouwprodukten der lokale boeren. Regelmatig wordt er groente aan Sint Maarten en Saba verkocht. Ongeveer twintig boeren houden zich doorlopend bezig met tuinbouw, de zogenaamde
planters. Een veertigtal doet dit periodiek. De boeren zijn verenigd in de Statia Farmers Cooperative. Enkele planters, de Farmers Corporation, hebben samen overheidsgrond gepacht en proberen zo tot een efficiëntere produktie te komen. Het aantal Statianen dat zich met de veeteelt bezig houdt is nog altijd groter dan het aantal planters, de verhouding is ongeveer 70% tot 30%. Regelmatig wordt er vee aan Saba verkocht.

Sint Eustatius - 5. Grondeigendom

Wat de grondeigendom betreft geldt voor Sint Eustatius, dat het grootgrondbezit hier niet met de plantages is verdwenen. In 1983 was van de beschikbare grond ongeveer 50% in handen van een zeer klein aantal families (particulieren?), waaronder ook het olieoverslagbedrijf; 25% was gouvernementseigendom en slechts 25% van de grond was opgedeeld onder de plaatselijke bevolking. Pacht is op Sint Eustatius dan ook regel. Een bijzondere moeilijkheid bij grondtransacties wordt veroorzaakt door het evenals in Sint Maarten veel voorkomende zogenaamde successieland; hieronder worden verstaan de tot een onverdeelde boedel behorende landerijen, waarop dikwijls een groot aantal erfgenamen rechten kunnen doen gelden. Er is weinig bereidheid deze rechten op te geven met alle nadelen van dien. Bovendien zijn de erfgenamen in vele gevallen reeds jaren van het eiland vertrokken en in den vreemde woonachtig, soms zijn zij in het geheel niet meer op te sporen.

6. Bevolking

Per 31 december 1982 telde Sint Eustatius 1.497 inwoners, merendeels Nederlands-Antillianen. De voertaal op het eiland is Engels. Bijgaande tabel toont hoe de bevolkingsomvang van het eiland na 1920 dalende was, hoofdzakelijk als gevolg van de zuigkracht van de beter bedeelde eilanden, maar dat aan deze beweging in de jaren vijftig van de 20ste eeuw een einde is gekomen. De toename in 1982 is waarschijnlijk het gevolg van het operationeel worden van het olie-overslagbedrijf in dat jaar. Hierdoor vestigde niet alleen een twintigtal gezinnen uit de V.S. zich op St. Eustatius, maar ook kwamen er uit de overige eilanden van de Nederlandse Antillen mensen om te werken bij het zich geleidelijk uitbreidend overheidsapparaat en bedrijfsleven.
Van een duidelijke remigratie was in 1983 nog geen sprake. Behalve de Amerikanen die bij de olie-overslag werken, heeft ook een twintigtal gepensioneerde Amerikaanse gezinnen zich op Sint Eustatius gevestigd, waardoor het totaal aantal
U.S.-citizens medio 1983 op ongeveer 85 kwam.
Van de bevolking van Sint Eustatius zijn ongeveer 350 vrouwen afkomstig uit St. Kitts. Zij zijn gehuwd met op Sint Eustatius geboren mannen. Veel jongelui verlaten na de basis school het eiland om op Sint Maarten of op de Benedenwindse Eilanden voortgezet onderwijs te volgen. In de grote vakantie komen vele van hen weer terug, wat dan duidelijk in het straatbeeld opvalt. Ook om deze reden is het jaarlijkse carnaval naar de maand juli verplaatst.
De Statiaanse bevolking is vrijwel geheel in Oranjestad, aan de westkust van het eiland gelegen, woonachtig. Dat is niet altijd zo geweest; het eiland telde, zoals bekend, in de vorige eeuw nog een veertigtal plantages met talrijke opgezetenen. Na de vrijverklaring van de slaven, in 1863, trokken deze geleidelijk naar Oranjestad, waardoor het platteland ontvolkt raakte. Als reden hiervoor kan genoemd worden het feit dat het de voormalige slaven in het algemeen niet mogelijk was land in eigendom te verwerven door het zich handhavende grootgrondbezit. Omstreeks 1900 was dit migratieproces zo goed als voltooid.
Reeds vermeld is het ontstaan van de (volkswoning)wijk
Concordia, die zich uitbreidde o.a. door de aanleg van het vliegveld. Vrijwel aangrenzend werd in 1974/75 de volkswoningwijk Golden Rock gebouwd, die na uitbreiding in 1983 78 woningen zal tellen. Een gebied met wijd verspreide luxe villa’s is Upper Round Hill, waar voornamelijk Amerikanen wonen. Ongeveer de helft van de bevolking behoort tot de Methodistengemeente, een vierde deel tot de RK-Kerk.

7. Ontwikkelingsprojecten
Vanaf ongeveer 1965 geraakt Sint Eustatius steeds sneller uit zijn isolement. Een lijst van uitgevoerde projecten geeft een indruk van de veranderingen:

• 1965: de eerste elektriciteitscentrale door Prins Bernhard geopend;
• 1968: Golden Rock school, RK-basisschool;
• 1969: Zeelandia’s Road en Roads to English Quarter;
• 1971: luchthaven: startbaan en stationsgebouw;
• 1976, Telefoonnet;
• 1976: Grote pier;
• 1978: Nieuw ziekenhuis;
• 1979: Restauratie Fort Oranje;
• 1980: Restauratie Nederlands Hervormde Kerk;
• 1981: Restauratie Fort de Windt;
• 1983: Nieuwe bibliotheek;
• 1984: Nieuwe elektriciteitscentrale.

Deze, voor een belangrijk deel infrastructurele, overheidsprojecten vormden een basis voor initiatieven van zowel Statianen als buitenlanders. De Sint Eustatius Historical Foundation zorgde dank zij haar inspanning ter verfraaiing van het historische stadsbeeld, haar museum en restauraties, voor een nieuwe image van Sint Eustatius als waardevol historisch eiland met als één van de gevolgen een sterke opleving in het toerisme.

Sint Eustatius - 8. Economische activiteiten - toerisme en olieoverslag - en communicatie

.

Het toerisme is een hoofdstuk apart van de ontwikkeling van het eiland. Het aantal hotels nam toe tot 7 met een totaal van 79 kamers medio 1983. Daarnaast beschikt de overheid over een voormalig hotel van 40 kamers waarin onderdak verschaft wordt aan groepen die om culturele of sportieve redenen het eiland bezoeken. Van de drie luxe hotels is het meest bekende het in 1972 gestarte Old Gin House, smaakvol gehuisvest in voormalige pakhuizen van de benedenstad.
Van grote betekenis zijn ook de ‘olie’ activiteiten van St. Eustatius. De komst van het olie-overslagbedrijf
Statia Terminals N.V. heeft grote invloed op aIle aspecten Van het Statiaanse leven. In de periode 1980 tot medio 1982 waren zoveel mensen nodig bij de bouw van de opslagtanks en de pier dat de werkloosheid te verwaarlozen was. Medio 1983 hadden 80 personen er vast werk waarvan 66 lokaal en 14 buitenlanders.


Vanaf 1980 is er een duidelijke toename in de activiteiten van de particuliere ondernemers te bespeuren: groot- en kleinhandel breiden zich uit. Een klein maar veelbelovend bedrijf is de
Golden Rock Artisan Foundation, een door de Verenigde Naties gesteunde onderneming die o.a. kwaliteitsmeubelen in oud-Caribische stijl maakt. De afzet van de produkten vormt nog een probleem, maar verschillende meubelen hebben hun weg al helemaal naar Nederland gevonden.
De werkloosheid, in 1977 90 personen (19,6%) is dus gedaald naar 45 personen in 1983 (8,2%).
Ongeveer tien vissers hebben hun beroep als hoofdinkomen terwijl nog zo’n 15 personen als bijverdienste vissen. Het aantal schepen dat in 1982 Sint Eustatius aandeed was 472, waarvan 36 motorvrachtschepen en 100 jachten. De overige schepen zijn lokale zeilvrachtscheepjes en het
toeristenzeilschip Polynesia, een fraaie viermaster dat iedere twee weken Sint Eustatius aandoet met maximaal 200 toeristen. De passagiersbewegingen op de luchthaven waren in 1982: inkomend 11.386, uitgaand 11.535, in transit 10.847. De vaste verbindingen door de lucht werden vijf maal per dag verzorgd door de Winair vanaf de Franklin D. Roosevelt-luchthaven.
Hoewel er tot 1983 geen vaste scheepvaartverbindingen waren, was er toch sprake van een regelmatige aanvoer van goederen uit Sint Maarten, St. Kitts en Puerto Rico.
Het Sabaanse particuliere motorschip de
Brianne-C toonde in 1983 aan dat het in staat is om zonder subsidie een enigszins regelmatige scheepvaartverbinding tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten te onderhouden.

De 1970ger jaren luidden een periode in van toenemende sociaal-culturele activiteiten. Werden voorheen vrijwel uitsluitend grote infrastructurele werken met behulp van Nederland uitgevoerd, thans ontstaat een verschuiving naar vrij kleine, sterk sociaal gerichte projecten die ook vaak door particuliere fondsen worden gefinancierd. Medio 1973 waren verschillende projecten in uitvoering o.a. restauratie van oude huizen van minder bemiddelden door vrijwilligers (Stichting Drecha Kas afkomstig uit Curaçao), uitbreiding van het buurtcentrum (community center) en een peuterschool ten gerieve van werkende moeders. De Sint Eustatius Historical Foundation treedt op als gastheer en coördinator voor wetenschappelijk onderzoek: vanaf 1980 komt jaarlijks een groep archeologen en studenten van de universiteit van William and Mary uit Williamsburg, Virginia, historisch-archeologisch onderzoek doen. Deze Archaeological Field School, die nauw samenwerkt met het Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen (A.A.I.N.A.), doet opgravingen in de ruïnes van de beneden- en bovenstad en bij plantage-complexen om de ongeschreven geschiedenis in de 17de en 18de eeuw te kunnen vastleggen. Daarnaast wordt veel tijd besteed aan een nauwkeurige kartering van alle ruïnes op het eiland en wordt ook antropologisch werk gedaan (het noteren van de mondeling overgeleverde geschiedenis). De Stinapa heeft in samenwerking met de Historical Foundation in 1983 twaalf natuurpaden aangelegd die de bezoekers in de gelegenheid stellen te voet de mooiste delen van het eiland op hun gemak te bekijken. Op cultureel gebied verdient Ellis Lopes een aparte vermelding.

Sint Eustatius - 9. Autonoom Eilandgebied

Per 1 April 1983 werd Sint Eustatius een autonoom eilandgebied. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en twee gedeputeerden. De eilandsraad telt 5 leden waarvan na de eilandsraadverkiezingen in 1983 de Democratische Partij 3 zetels behaalde en de Windward Islands People’s Movement (W.I.P.M.) 2. (Zie verder o.m. @: Archeologie; @: Architectuur; @: Bevolking; @: Bovenwindse Eilanden; @: Geologie; @: Geschiedenis; Joodse gemeenten; @: Klimaat; @: Landbouw; @: Mijnbouw; @: Plantages).

Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

 

@: Sint Eustatius Gazette
zie Pers.

 

@: Sint Eustatius Historical Foundation
opgericht in 1974; wil door het laten uitvoeren van tal van projecten de historische erfenis van het eiland conserveren. De drijvende kracht is ongetwijfeld voorzitter
Ishmael Berkel. (Zie @: Sint Eustatius; zie ook @: Musea).

 

@: Sint Eustatius Social and Welfare Work Organization (S.S.W.W.O.)
fungeert als het culturele centrum van het eiland St. Eustatius en ontplooit, vaak tezamen met andere eilandelijke organisaties, diverse sociale en culturele activiteiten, die zich voor een groot deel afspelen in het in 1982 aanzienlijk uitgebreide
Community Center, dat als een dochterstichting van S.S.W.W.O. valt te beschouwen.

 

@: Sint Jorisbaai
Handvormige binnenbaai aan de noordkust van Curaçao. De baai wordt geheel omgeven door particuliere vroegere plantagegronden, thans gedeeltelijk nog in gebruik voor enige, voornamelijk extensief bedreven, veeteelt en landbouw. Op
Plantage Klein St. Joris vindt men het grootste tuinbouwbedrijf op Curaçao. Hier wordt tuinbouw op moderne en intensieve wijze uitgeoefend. De St. Jorisbaai is in de Antilliaanse geschiedenis bekend geworden door het huzarenstukje van Pedro Luis Brion, die in 1804, toen de zuidkust door Engelsen werd geblokkeerd, kans zag de baai binnen te zeilen, lading te lossen en de baai weer te verlaten.

 

 

@: Sint Maarten


Sint Maarten is het grootste van de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (hoofdplaats: Philipsburg) maakt deel uit van de noordelijke groep der Kleine Antillen. Het ligt onmiddellijk ten westen van de meridiaan van 63° W.L. en op de parallel van 18° N.Br. Het eiland heeft een oppervlakte van ca. 86km², waarvan het grootste deel tot het Frans-Caribisch gebied behoort. Het zuidelijke en kleinste deel, ca. 34km², behoort tot het grondgebied der Nederlandse Antillen. De internationale grens loopt dwars over het eiland. Deze verdeling kwam tot stand in 1648, 300 jaar later werd precies op de grens tussen Cole Bay en het Franse Marigot een monument opgericht, dat dit feit herdenkt (zie @: Verdelingsverdrag St. Maarten).

Sint Maarten is zeer heuvelachtig met uitzondering van de vlakke Lowlands (Terres Basses) in het westen; dit lage kalksteengebied raakte door holocene vorming van zandbanken (tombolo’s) met het hoofdeiland verbonden. Het Nederlands-Antilliaanse deel van Sint Maarten kan landschappelijk als volgt worden onderverdeeld:

a. de oostelijke heuvelrug van kaap Point Blanche tot Oyster Pond, waartoe o.a. de 296m hoge Naked Boy Hill (Oostenberg) behoort;

b. de westelijke heuvelrug van Little Bay naar Pic du Paradis (424m) in het Franse deel, waarin heuvels als Cole Bay Hill (218m), Sentry Hill (341m), St. Peter’s Hill (316m) en Mount Concordia (280m) worden aangetroffen;

c. tussen beide bovengenoemde ruggen gaat een derde heuvelrug vanuit het centrale deel van het eiland in de richting van de Great Salt Pond, waartoe onder anderen de Flagstaff (391m) en de 264m hoge Mount William behoren;

d. tussen a. en c. vindt men een lager gedeelte, Upper en Lower Prince’s Quarter, van elkaar gescheiden door de Middle Region (175m);

e. tussen b. en c. ligt Cul-de-Sac, een klein en schilderachtig dal, in het noorden afgesloten door het massief van de Flagstaff, in het zuiden overgaande in Fresh Pond;

f. tussen de meest westelijke heuvelrug en het Simpson Bay Lagoon vinden we de vlakte van Cole Bay-district en Diamond;

g. de westelijke begrenzing van Simpson Bay Lagoon ten slotte wordt gevormd door de reeds genoemde Lowlands.

De kust van Sint Maarten vertoont een groot aantal baaien, lagunen, zandbanken en zandstranden. Van de baaien kunnen van oost naar west genoemd worden Oyster Pond, Guana Bay, Point Blanche Bay, Great Bay en Great Salt Pond, Little Bay, Cay Bay, Cole Bay, Simpson Bay en Simpson Bay Lagoon, Mullet Pond Bay en ten slotte Mullet Pond en Flamingo Pond, alle op het Nederiands-Antilliaanse deel van het eiland.

De neerslaghoeveelheid van Sint Maarten is weliswaar groter dan die van de Benedenwindse Eilanden, maar mede door de grote verdamping in het algemeen niet voldoende voor het doen ontstaan van tropisch regenwoud; het eiland heeft dan ook in hoofdzaak een savanne-vegetatie. Ten aanzien van de begroeiing spelen het reliëf en de ligging ten opzichte van de passaatwind een grote rol: in de lagere en meer beschutte dalen is de boomgroei weelderiger dan op de hogere en meer aan de wind blootgestelde hellingen; hier overheerst het struikgewas. Op grotere hoogte kan als gevolg van de grotere neerslag de boomgroei plaatselijk weer toenemen. De Lowlands hebben eveneens een dichte struikbegroeiing. De neerslag is van jaar tot jaar zeer ongelijk en langdurige droogte-perioden behoren op Sint Maarten niet tot de uitzonderingen. Er zijn dan ook geen permanente bronnen, beekjes of rivieren; de waterbehoefte van mens en dier werd gedekt door een twintigtal gouvernements- en particuliere putten en door gemetselde regenbakken, de zogenaamde cisterns. Sinds 1969 zorgt een zeewaterdestillatiefabriek voor drink water. I nmiddels is meer dan de helft van de woningen aangesloten op deze fabriek. Door ontbossing, onoordeelkundige bewerking, verwaarlozing van het land, overbeweiding, wegenaanleg en afgravingen heeft het afstromende regenwater op dit reliëfrijke eiland zeer veel schade aan de bodem toegebracht; door het ontbreken van bodemconserveringsmaatregelen gaat dit vernielingsproces nog steeds verder. Vele hellingen zijn als gevolg van de bodemerosie overdekt met een menigte afgeronde rotsblokken, qua ontstaan en samenstelling vergelijkbaar met de blokvelden op Aruba. Betere en diepere bodems treft men aan in de dalen, met name in de Cul-de-Sac en in het Cole Bay district.

In het verleden was Sint Maarten een plantagegebied; aan het einde van de 18de eeuw telde men er 92 plantages, waarvan ongeveer een derde deel suikerriet produceerde. De suikerrietteelt is als gevolg van verschillende omstandigheden in de loop van de 19de eeuw te gronde gegaan, evenals de teelt van katoen en andere tropische handelsgewassen. De sporen ervan zijn echter in het landschap nog niet geheel verdwenen. Er zijn verscheidene oude plantershuizen, waarvan de meeste tot ruïnes zijn vervallen, met uitzondering van het landhuis Mary's Fancy in Cul-de-Sac, dat als hotel is ingericht, Belvedere, dat met het bijbehorende land het best bewaarde plantagecomplex is en Union Farm uit de 17de eeuw, dat één van de oudste plantagehuizen moet zijn. Een overblijfsel van de vroegere suikerrietcultuur zijn ook de lange smalle, veelal braakliggende percelen land, door losgestapelde stenen muurtjes van elkaar gescheiden, die zich vanuit de dalen tot hoog tegen de hellingen uitstrekken. De in het verleden zo belangrijke zoutwinning van Sint Maarten (zie @: Zout) is eveneens geheel teloor gegaan; in de Great Salt Pond - met een oppervlakte van omstreeks 225 ha - vindt men nog vele sporen van deze vroegere bedrijvigheid, zoals de verwaarloosde dammetjes die eertijds de verschillende kleinere zoutpannen moesten scheiden.
Van de ruim 3.000 ha beschikbare grond op het eiland is slechts 1.250 ha werkelijk geschikt voor akkerbouw en/of veeteelt. Van het potentiële akkerbouwareaal ter grootte van 688 ha is bijna niets in gebruik. De zogenaamde
kitchen gardens, kleine akkertjes waarop voedselgewassen voor eigen gebruik zoals zoete aardappelen, yams, boontjes, mais en groenten worden gekweekt, komen nog maar sporadisch voor. De akkerbouw speelt op Sint Maarten dus een zeer ondergeschikte rol. Men kan het eiland ook moeilijk een veeteeltgebied noemen, in de zin dat dit bestaansmiddel ook maar enigermate een stuwende functie in de eilandshuishouding zou betekenen. Men houdt vrij veel vee: rundvee, geiten, schapen, varkens en pluimvee, maar de zorg die men eraan besteedt, is minimaal. Het rendement is dan ook laag: zelfs de melk- en vleesbehoefte der plaatselijke bevolking kan hieruit niet gedekt worden. Een kwalijke omstandigheid is dat men het vee in het algemeen los laat weiden, waardoor enerzijds goede akkerbouwgronden niet als zodanig benut kunnen worden, anderzijds de bodemerosie op de voor veeteelt minder geschikte gronden sterk wordt bevorderd. Door de enorme toename van de woningbouw vanaf de 1960ger jaren verdwijnt er veel weide- en akkerland, vooral in de vallei van Cul-de-Sac. Aan dit proces komt vooralsnog geen einde.

De meeste grond op Sint Maarten is in handen van particulieren, er is slechts weinig gouvernementsgrond. Deze gronden zijn evenwel als erfpachtgronden intensief in gebruik genomen voor bewoningen: St. Peter, South Reward, Point Blanche, Saunders, Simpson Bay Lagoon, Simpson Bay, The Corner en Fort William Hill. Hoewel er grotere bezittingen in één hand voorkomen, overweegt het kleingrondbezit. Vooral na het verdwijnen van de plantages zette een proces van grondversnippering in, dat typerend is voor de bodemeigendom op Sint Maarten. Merkwaardig is, dat ondanks de jarenlange verwaarlozing van de bodem als agrarisch produktiemiddel, grondbezit toch op hoge prijs wordt gesteld. Dit blijkt ondermeer. uit het veelvuldig voorkomen van zogenaamde successieland (zie @: Sint Eustatius). Juist deze gehechtheid aan de grond, waardoor men er moeilijk afstand van doet ondanks het feit dat men hem niet of niet volledig gebruikt, vormt een reële belemmering voor vele pogingen tot sanering van de agrarische toestanden op Sint Maarten. Anderzijds zorgen de successieproblemen voor een gedwongen conservering van het landschap, waardoor enkele gebieden nog gevrijwaard zijn van woningbouw.

Het aantal personen dat de landbouw als hoofdbedrijf uitoefent, is zeer klein; in 1983 waren het er drie. Daarnaast zijn er ongeveer 15 part-time farmers. De geringe belangstelling voor de landbouw op het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van Sint Maarten is duidelijk te wijten aan de werkgelegenheid in de toeristenindustrie. De eilandelijke overheid en een tweetal verenigingen, beide in 1983 opgericht (St. Maarten Agriculture Foundation en St. Maarten Growers Foundation) proberen de landbouw nieuw leven in te blazen.

Uit het nederzettingspatroon van het Nederlands-Antilliaanse deel van Sint Maarten blijkt dat, evenals op de Benedenwindse Eilanden, ook hier de bevolking sterk verspreid woont. Philipsburg en Simpsonbay Village, de oudste woonkernen, zijn beide gelegen op lange en smalle zandbanken, die resp. de Great Salt Pond en het Simpsonbay Lagoon afsluiten. De overige oudere woongebieden: Cole Bay, Lower Prince’s Quarter, Middle Region en Upper Prince’s Quarter worden geleidelijk aan vol gebouwd. Geheel nieuwe woonwijken ontstonden als gevolg van verkavelingsplannen; Saunders (na 1963), Cay Hill (een dal), Point Blanche en Simpson Bay Lagoon (alle na 1967), St. Peters en South Reward (na 1970). De vallei van Cul-de-Sac (omvat de wijken Cay Hill, Cul-de-Sac, Mary’s Fancy, Saunders, St. Peters en South Reward), vóór 1960 nog een agrarisch dal, is nu het dichtst bevolkte deel van de Nederlands-Antilliaanse kant van Sint Maarten, wellicht van het hele eiland. Twee grote supermarkten, verschillende grote winkels, drie scholen voor lager onderwijs en twee middelbare scholen (één Engels en één Nederlands) zijn toonaangevend in de verzorging van deze vallei. Een volkswoningbouwproject in vergevorderd stadium is ook in deze wijk geprojecteerd (te South Reward) evenals moderne sportfaciliteiten. Het meest voorkomende huizentype is het van cementblokken opgetrokken zogenaamde bungalowtype, zoals men dit ook bouwt op Curaçao en Aruba. De oorspronkelijke houten, orkaanbestendige Sint Maartense woning verdwijnt snel. Nog minder zijn daarbij de zogenaamde shingles aanwezig, kleine houten plankjes die als dakpannen functioneren.

Het bevolkingscijfer van Sint Maarten (Nederlands-Antilliaanse gedeelte) werd in de afgelopen zestig jaar aanvankelijk zeer sterk beinvloed door de economische opbloei van Curaçao en Aruba. Tot in de jaren vijftig van de 20ste eeuw was er een krachtige migratiestroom naar deze laatste eilanden te constateren, die thans, als gevolg van het daar bestaande grote arbeidsaanbod, weer is weggeëbd en zelfs in het tegendeel is verkeerd. In de 1960ger jaren begon het toerisme op Sint Maarten zich in snel tempo te ontwikkelen. De daarbij ontstane werkgelegenheid had een grote aantrekkingskracht op de omringende eilanden en de Benedenwinden. De toevloed van personen van de andere eilanden is van grote invloed op de samenstelling van de bevolking. Op 1 februari 1981 (volkstelling) was het percentage op Sint Maarten geboren Sint Maarteners nog maar 41%. De op de overige eilanden van de Nederlandse Antillen geborenen 20%, buitenlanders 39%. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de identiteit en de cultuur van de oorspronkelijke Sint Maartener. Qua levensstijl is er een sterke gerichtheid op de Noord-Amerikaanse levenswijze. De aanwezigheid van de vele toeristen uit dit werelddeel, maar ook de vrijwel geheel op de Verenigde Staten gerichte media (T.V., video’s, tijdschriften) dragen hiertoe bij. De bevolkingsgroei dwingt tot het stimuleren der eilandelijke economie. Hierbij streeft men vooral naar bevordering van het toerisme en het aantrekken van industriële bedrijvigheid; bepaalde infrastructurele maatregelen zijn hiervoor nodig.
In 1964 werd de
A.C. Wathey-pier bij Point Blanche in gebruik genomen, waardoor er afmeergelegenheid kwam voor grote zeeschepen. De zeediepte bedraagt ruim 10m. In 1972 werd een kade gebouwd voor de kleinere schepen en het toenemend aantal roll-on-roll-off-containerschepen. Door het heuvelachtig terrein bij de haven is er een schrijnend tekort aan parkeerruimte voor containers. De weg van de haven naar de stad wordt dan ook geflankeerd door containers. De plannen voor een verdere uitbreiding van de haven zijn in een vergevorderd stadium. St. Maarten heeft regelmatige scheepvaartverbindingen met Miami, Nederland en Puerto Rico. In 1983 deden 583 vrachtschepen de haven aan, 190 cruiseschepen brachten in 1982  92.865 toeristen aan land. De meeste cruiseschepen gaan voor anker en brengen hun passagiers per tender bij de kleine pier, in het hartje van Philipsburg, aan land. Het zeilende cruiseschip Polynesia, een prachtige viermaster, heeft Sint Maarten als thuishaven en maakt weektrips naar de omringende eilanden, zij vervoert zo’n 5.000 toeristen per jaar. In 1983 meldden 1.437 jachten zich bij de immigratie op Sint Maarten aan. De meeste gaan voor anker in Great Bay bij Philipsburg. Twee jachthavens leveren hun diensten aan de jachten. Zo heeft Bobby’s Marina een scheepshelling, in 1983 aangevuld met een moderne rijdende scheepslift met bijbehorend parkeerterrein voor jachten, waar druk gebruik van wordt gemaakt. In het orkaanseizoen zoeken vele jachten een veilige ligplaats in het Simpson Bay Lagoon, dat sinds 1970 bereikbaar is voor schepen dank zij de constructie van een kanaaltje door de zandbank en een draaibrug. Langs de noordoever van het lagoen ontwikkelen zich nu verschillende jachthavens op het door de overheid aangewonnen land. Dit land kon worden opgespoten met zand uit het lagoen. Voor privé doeleinden werd recht tegenover de brug een klein zandeilandje opgeworpen, bijgenaamd Snoopy Island, waarvan het eigendomsrecht een juridische vraag is.

In 1943 werd de Prinses Juliana Luchthaven aan de zuidzijde van het Simpson Bay Lagoon op de zandbank aangelegd. In 1964 werd een nieuw stationsgebouw en een baanverlenging tot 1.600m verwezenlijkt. Door landaanwinning in het lagoen werd de baan tot 2.150m verlengd. Diverse uitbreidingen en verbeteringen van het platform en verschillende faciliteiten maakten in 1973 de luchthaven tot één van de modernste in de omgeving, geschikt om straalverkeersvliegtuigen rechtstreeks uit de Verenigde Staten te ontvangen. Het aantal arriverende passagiers van de laatste 20 jaar geeft een duidelijk beeld van de stormachtige ontwikkeling van de drukte op de luchthaven en van St. Maarten als toeristeneiland. Ten gevolge van de enorme toename van de drukte op de luchthaven werd eind 1983 begonnen met de uitbreiding van het stationsgebouw, het platform en vele andere faciliteiten. De uitbreiding werd gefinancierd door de Europese Gemeenschap, een begrijpelijke zaak waar het een eiland betreft dat als het ware gedeeld wordt door twee leden terwijl het derde lid (Engeland) in de vorm van het buureiland, de kroonkolonie Anguilla, er eveneens belang bij heeft. De verbindingen vanaf de Prinses Juliana Luchthaven zijn dan ook uitstekend: New York, Miami, Puerto Rico, Curaçao, Antigua, Guadeloupe, St. Barths, Anguilla, Saba en Sint Eustatius kunnen één of meermalen per dag als bestemming gekozen worden.

Een groot aantal wegen werd tussen 1963 en 1983 aangelegd. Ter illustratie enkele in het oog springende voorbeelden. I n 1964 werd de weg naar Point Blanche (vanuit Phillipsburg) aangelegd in verband met de aanleg van de grote pier. De overheid heeft hierna daar erfpachtgrond uitgeven en wel met zo’n succes dat er reeds in 1980 sprake was van een bijna volgebouwde woonwijk, waardoor de verharding van de wegen ter hand werd genomen. In 1966 ging het landaanwinningsproject in de Great Salt Pond van start dat in 1968 voltooid werd. Hierdoor kon men voortaan om Philipsburg heenrijden dank zij de Pondfillroad. In 1972 kwam een moderne verbinding tot stand tussen Philipsburg en de luchthaven, waarbij twee nieuwe weggedeelten werden aangelegd. Vermeldenswaard is dat niet alle wegen door het gouvernement werden aangelegd; zo werden Guana Bay en Oysterpond met buitenlands kapitaal door nieuwe wegen ontsloten. Ondanks alle nieuwe wegen wordt het verkeer op Sint Maarten steeds drukker zodat er vanaf 1980 zelfs sprake is van filevorming tijdens de spitsuren. Door het zware vrachtverkeer (containers) wordt het wegdek snel vernield zodat zelfs hoofdwegen regelmatig diepe kuilen vertonen.

In 1961 werd dankzij de bouw van een elektriciteitscentrale te Cole Bay levering van 24 uur elektriciteit per dag mogelijk. Op dezelfde plaats werd in 1968 een zoutwaterdestillatiefabriek gebouwd. Beide fabrieken werden inmiddels al weer uitgebreid. Om een herhaling van de overstromingsramp in Philipsburg in 1979 als gevolg van de orkanen David en Frederic te voorkomen werd in 1982 een integraal drainageproject aangepakt, dat voor een groot deel bestond uit het herstel van de waterwerken van de Great Salt Pond zodat het meeste regenwater via het oude Rolanduskanaal aan de oostzijde van Philipsburg en via de Fresh Pond aan de westzijde in de Great Bay terecht komt. Een groot vijzelgemaal met zoutwaterinlaatsluis regelt de waterstand in de Great Salt Pond. De inlaatsluis is nodig om de Great Salt Pond onder water te zetten ten tijde van grote droogte daar hij anders erbarmelijk kan stinken. Tot slot van de opsomming van de infrastructurele werken nog enkele hoogtepunten op het gebied van openbare gebouwen. In 1978 werd het nieuwe stadhuis in gebruik genomen, de Admnistration Building, in enigszins Sint Maartense stijl opgetrokken, centraal geplaatst op de Pondfill. I n 1973 de Sundial huishoudschool, eveneens op de Pondfill, in 1975 de Engelstalige middelbare school, de F.V.P.T. (Foundation for vocational and professional training), in 1976 de Nederlandstalige middelbare school, Milton Peters College en in 1978 de buitengewone lagere school, de John Larmonie School, aIle in de vallei van Cul-de-Sac. In 1969 het volkswoningproject te South Reward. Begin 1984 werd de nieuwe bibliotheek opgeleverd, een gebouw op de Pondfill, dat opvalt door een moderne aanpak en een nieuw isolatiesysteem, waardoor kostbare kunstmatige koeling overbodig werd.

Het toerisme is thans de voornaamste pijler van de economie. In 1955 werd het eerste luxueuze toeristenhotel geopend, het Little Bay Hotel. Het volgende soortgelijke hotel, Caravanserai, bij het vliegveld, werd pas negen jaar later geopend. Tussen 1955 en 1970 werden verscheidene kleine hotels en guest-houses gebouwd. I n 1970 volgde het zeer uitgestrekte resort hotel te Mullet Bay (nu Sheraton Mullet Bay Resort) en het Great Bay Beach Hotel (aanvankelijk tot 1973 St. Maarten Isle). Daarna ging er gedurende tien jaar geen jaar voorbij zonder de opening van één of meer luxe hotels of condominium complexen. I n 1983 telde de Nederlands-Antilliaanse kant van Sint Maarten 39 hotels en guest-houses met een totaal van iets meer dan 2.052 hotelkamers. Hoewel de hotelbouw eind 1983 nog niet tot stilstand was gekomen, is aan de Nederlands-Antilliaanse kant toch duidelijk een teruggang te constateren, voornamelijk als gevolg van het opraken van de gunstig liggende gronden. Aan de Franse kant gaat de hotelontwikkeling nog op volle kracht vooruit. Het aantal hotelgasten in 1981 aan de Nederlands-Antilliaanse kant bedroeg 184.890. Zij zorgden voor 785.394 overnachtingen. Al deze toeristen, tezamen met de reeds genoemde ééndags cruisetoeristen, zorgen voor een uitgebreid verzorgingsapparaat: autoverhuurbedrijven, restaurants, nachtclubs, casino’s, disco’s en luxe winkels zijn in groten getale aanwezig. Watersport-ondernemingen zorgen voor duik-en zeiltochten.

Sint Maarten biedt ook de mogeI ijkheid luxueuze villa’s te bouwen, waarvan vooral door Noord-Amerikanen gebruik wordt gemaakt. De Lowlands, Guana Bay en Oysterpond kwamen het eerst tot ontwikkeIing, later uitgebreid met in feite alle andere kustlokaties die te koop waren. Het kopen van appartementen in de zogenaamde condominiumcomplexen is vanaf 1980 opgekomen. Een verdere ontwikkeling in deze sector is nog wel te verwachten.

Van industrie is op Sint Maarten nauwelijks sprake. Door het sluiten van de Pott Rum fabriek in 1983 verdween de grootste industrie. Op Point Blanche is het hoofdkwartier van de Curaçao Pioneering Company, een Japans visserijbedrijf. Het bedrijf heeft Koreaanse vissersschepen in dienst die vanaf Sint Maarten de Atlantische Oceaan bevaren om voornamelijk op tonijn te vissen. De vis wordt op Point Blanche in grote koelhuizen opgeslagen en later doorgevoerd naar ondermeer de Verenigde Staten.

Op 1 april 1983 werd Sint Maarten een autonoom eilandgebied van de Nederlandse Antillen. Voordien vielen Saba en Sint Eustatius onder het bestuur van Sint Maarten. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en drie gedeputeerden. De eilandsraad, die vijf leden telt, zal waarschijnIijk uitgebreid worden met nog twee leden. Vanaf 1983 zal de eilandelijke overheid zich geheel kunnen wijden aan de problemen die de welvaart, als gevolg van het toerisme, met zich meebrengt. De overvolle wegen, het gebrek aan woonhuizen met als gevolg daarvan zeer hoge huren, de aantasting van het landschap door de bouwactiviteiten, de vervuiling van het milieu en de onbevredigende wijze waarap het huisvuil in de Great Salt Pond wordt opgeslagen, vragen om een snel en doortastend optreden om te voorkomen dat Sint Maarten onleefbaar wordt en het toerisme achteruit gaat.
Anno 1984 leverde Sint Maarten evenwel nog steeds het beeld op van wat op de nummerplaten vermeld staat:
The Friendly Island. (Zie verder ondermeer @: Archeologie; @: Arehitectuur; @: Bevolking; @: Bovenwindse Eilanden; @: Geologie; @: Gesehiedenis; @: Klimaat; @: Landbouw; @: Plantages; @: Visserij).
Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

 

@: Sint Maarten Patriotic Movement (S.P.M.)
Staatkundige partij op Sint Maarten opgericht op 15 december 1978 onder leiding van
Vance W. James met als doelstelling het politieke, sociale en economisehe welzijn te bevorderen van de bewoners van de Nederlandse Antillen in het algemeen en die van de Bovenwindse Eilanden in het bijzonder. Bij de Eilandsraadverkiezingen in 1983 behaalde zij 2 zetels.

 

@: Sint Maarten’s Council on the Arts
AanvankeIijk genaamd
Cultureel Centrum St. Maarten (C.C.M.) werd in 1960 opgericht en ontplooit evenals de andere culturele centra in de Nederlandse Antillen diverse activiteiten op cultureel gebied, die zich voor een groot deel afspelen in het eigen gebouwencomplex, het Cultureel Centrum.

 

@: Sint Maarten Star
zie Pers.

 

@: Sint Michiel
Nederzetting aan de zuidkust van Curaçao. Een klein deel van de bevolking leeft van de visvangst. Het sociaal verkeer van
Boka, of Boka Samí, zoals St. Michiel in de volksmond wordt genoemd, vertoont een vrij gesloten karakter. Door de grote diepgang en de beschermde ligging aan de lijzijde van Curaçao wordt het gebied regelmatig gebruikt door de Curaçaosche Dok Maatschappij N.V. om hier grotere schepen en vaartuigen een ligplaats te geven en tevens gerepareerd te worden.

 

@: Sint Nicolaas
(1) reeds begin 18de eeuw vermelde zoutplantage op Curaçao, waarvan de pannen nog aanwezig zijn, aan de oostzijde van de Santa Marthabaai. Het landhuis verkeert in redelijke staat.
(2) zie San Nicolas (Aruba).

 


@: Sint Nicolaasbaai
Ongeveer 3km lange, 500m brede, door koraalriffen gedeeltelijk afgesloten baai bij de plaats
San Nicolas aan de zuidoostpunt van Aruba. Hier liggen de pieren, de los- en laadinstallaties van de Lago-raffinaderij.

 

@: Sint Thomas College
School voor m.a.v.o. te Willemstad, in de vorige eeuw vermaard als internaat. Opgericht door
F.E. Kieckens, lange tijd door pastoor V. Zwijsen bestuurd.

 

@: Sint Willebrordus
Dorp gelegen ten noordwesten van de Bullenbaai op Curaçao met een grote laat 19de-eeuwse neogotische RK-kerk. In de nabijheid bevindt zich een aantal niet meer in gebruik zijnde zoutpannen. Via de
Saliña Sint Marie en de Boka Sint Marie bestond er eertijds verbinding met de Bullenbaai.

 

@: Sisal
zie @: Agave.

 

@: Skèr
of
brittle star (Ophiuridea) behoren evenals bijvoorbeeld de strea di laman tot de Stekelhuidigen. Zij zitten overdag meestal verborgen tussen of onder stenen, koralen, sponsen, enz. en zijn ‘s nachts actief. Dan kruipen zij met hun beweeglijke armen snel voort op zoek naar voedsel, vooral kleine bodemdieren zoals schelpjes, die in hun geheel naar binnen worden gewerkt. Een van het normale type slangster sterk afwijkende soort is het medusahoofd (Astrophyton muricatum) of basket star, die zeer sterk vertakte armen heeft en die overdag als een dichte klit tussen de koraaltakken zit. ‘s Nachts waaieren die ragfijne vertakkingen wijd uit, en met dat net zijn zij in staat plankton en kleine visjes te vangen, die door de armen naar de mond worden gebogen. Als meeëter is soms het kleine garnaaltje (Periclemenes perryae) tussen de armen aanwezig.

Lit.: De Slangster-soorten van de Kleine Antillen staan opgesomd in een samenvatting van R.E. Parslow en A.M. Clark, Stud. Fauna Curaçao, dl. 15 (1963).

 

@: Skèrchi
zie @: Fregatvogel.

 

@: Skol di diabel
In de schoolstrijd van het begin van de 20ste eeuw werd van RK-zijde de openbare school wel aangeduid met
skol di diabel (de school van de duivel).

 

@: Skol di Nichi
Curaçaosche benaming voor bewaarschool, afgeleid van de kleuterleidster
Anita Lola Brown, die in de wandeling Nichi werd genoemd; later sprak men, evenals op Aruba en Bonaire van lushi-klas of van bewarskol.


 
@: Skopapel
(Annona squamosa) of
sugar apple (Bovenwindse Eilanden), plantesoort uit de familie der Annonaceae. Hoge heester met grote bladeren; bloemen met 3 dikke buitenste en 3 zeer kleine binnenste kroonblaadjes en veel meeldraden. Schijnvrucht groot, gevormd door vergroeiing van een aantal vruchten. Eetbaar. Gekweekt en sporadisch verwilderd op Curaçao en Bovenwindse Eilanden.

 

 

@: Skopèt
Naam van 2 planten van het geslacht Ruellia uit de familie der Acanthaceae. Kruiden met tegenoverstaande bladeren, vorkachtig vertakte bloeiwijzen; bloemkroon trechtervormig met 5 lobben; 4 meeldraden.
Ruellia tuberosa, skopet, pistol, devil’s bit, fever root, heeft tot 11cm lange bladeren met grote bochten; bloemkroon 4-5 cm lang; bloemen prachtig blauw. Algemeen onkruid. Beneden- en Bovenwindse Eilanden
Ruellia nudiflora var. insularis, heeft ovale, 5-9 cm lange bladeren; bloemkroon 3-4 cm lang. Vrij zeldzaam. Curaçao.

 

@: Slagbaai
Deze baai vormt een deel van de voormalige
plantage Slagbaai. (voorheen mogelijk Slachtbaai). Zij is nu opgenomen in het grote Nationaal Park Washington / Slagbaai (zie @: Bonaire: natuurbeheer).


 
@: Slakken
of
kokolishi (Gastropoda) zijn weekdieren, meestal met een spiraalvormig gewonden, uit kalk opgebouwde schelp. De schelpgroei gaat meestal niet geleidelijk, maar schoksgewijs; in de loop van een aantal dagen wordt door de mantel, een huidplooi die binnen tegen de schelp aanligt, een vliezig dunne nieuwe winding aangebouwd. In de loop der daaropvolgende weken wordt daarin kalk afgezet, zodat het nieuwe stuk geleidelijk weer op dikte komt.
Van de Nederlandse Antillen zijn omstreeks 750 soorten uit zee bekend, een paar soorten uit het zoete water en ruim 50 soorten landslakken. Onder de zeeslakken zijn er een vijftigtal, de
Opistho branchia, die geen duidelijk, of zelfs helemaal geen slakkehuis vertonen. Vele van deze zijn rijk met mooi gekleurde aanhangsels uitgedost; de meeste zijn heel klein, maar enkele, zoals de zeehaas (Aplysia dactylomela) of porko di awa, kunnen 20cm groot worden. Vele zeeslakken zetten hun eieren in gelei- of chitine-achtige ‘kapsels’ af. Daarin ontwikkelen zich larven, die bij sommige soorten al na enkele dagen uitzwemmen, terwijl bij andere soorten de hele larvale ontwikkeling binnen het eikapsel plaatsvindt, waarna het volgroeide slakje naar buiten kruipt. De meeste zeeslakken zitten tegen of in de bodem, waar zij algen grazen, zoals de alikruiken (Littorina spec.) en de karko’s (Strombus spec.) of conchs. Andere soorten vallen levende prooi aan, zoals Cassis, die kleine dieren tot en met zeeappels letterlijk onder de voet loopt, en zoals de purperslakken, die bij andere weekdieren, vooral oesterachtigen, een gat dwars door de schelp boren en vervolgens hun prooi verlammen en verorberen. Het boren geschiedt met hun tong-rasp (radula), die op zuiver mechanische wijze een rond gaatje zelfs door dikke schelpen boort.
Er zijn onder de naaktslakken enkele groepen die kunnen ‘zwemmen’, o.a.
de grote zeehaas (Aplysia). Vele slakken kunnen zich een tijd lang onder of tegen het wateroppervlak drijvende houden, maar er is een geslacht, Janthina, dat constant aan de oppervlakte verblijft dank zij een door henzelf geproduceerd schuim-vlotje. Men vindt ze in open zee, waar zij zich dus ook met oppervlaktedieren voeden; ja zelfs de giftige kwal, het Portugese oorlogsschip, valt aan deze nietige slakjes ten prooi. Hun tere, lila schelpen spoelen dikwijls op naar het oosten gerichte kusten aan.

Terwijl de zeeslak-fauna van de Nederlandse Antillen geen uniek karakter bezit, is dat wel het geval met de landslakfauna. De Benedenwinden tellen een relatief zeer groot aantal endemische soorten en ondersoorten, d.w.z. dat deze nergens anders voorkomen. Zelfs het meest algemene slakje van Curaçao, kokolishi di kalakuna (Cerion uva), wordt nergens dan op de drie Benedenwinden gevonden. Het grote aantal van 12 endemische soorten (bijna 40%) wijst op een langdurige isolatie van deze eilanden ten opzichte van het continent.
De landslakken zijn uitermate goed aangepast aan het droge klimaat. Zij beschermen zich tegen uitdroging door de schelpopening met een dekseltje van kalk of hoorn, dan wel met een laag verhardend slijm, af te sluiten. De
kokolishi di kalakuna kan zelfs een rustperiode van meerdere jaren overleven; zodra de lucht voldoende vochtig wordt, komen de dieren te voorschijn en gaan grazen. Men vindt op de Benedenwinden op vochtige plaatsen soms een naakte slakkesoort (Vaginula spec.), die zich onderscheidt van met sierplanten binnengebrachte huisloze slakken door zijn grootte (ruim 8cm), zijn gerekte, smalle ‘voetzool’ en zijn taaie slijm, waardoor hij betrekkelijk goed tegen uitdroging bestand is. Vaak treft men, zowel op het land als in zee, slakkehuizen aan waarin geen slak maar een krab zit. Deze heremietkrabben of soldachi’s bouwen hun schelp niet zelf, maar maken zich van een leeg slakkehuis meester.
Onder de slakken gelden vooral de
kiwa of whelk (Cittarium pica) uit de getij-zone en de karko of queen conch (Strombus gigas) uit het kustwater, als goed eetbaar. Vooral Lac (Bonaire) is bekend om zijn karko’s en de grote hopen lege schelpen getuigen van de hoeveelheden die er gevangen zijn. Uit het feit dat de recent gevangen schelpen zoveel kleiner zijn dan die uit vroeger jaren, kan men afleiden dat de vangst zo intensief geworden is, dat de dieren er nauwelijks de gelegenheid krijgen om tot volle wasdom te komen. Uitsterven zullen zij er niet, want er vindt een regelmatige migratie van zee naar de baaien en vice versa plaats. Bovendien worden zij momenteel kunstmatig - in het kader van het project van Landbouw, Veeteelt en Visserij - gekweekt in een kwekerij nabij Kralendijk, om daarna op geschikte plaatsen te worden uitgezet.
Andere slakkesoorten hebben waarde omdat zij bij schelpenverzamelaars om hun schoonheid, variabiliteit of zeldzaamheid gezocht zijn:
de Cassis- en Murex-soorten, de Conus-soorten, Triton, Voluta musica, enz.

Lit.: zie opgave bij Weekdieren.

 

@: Slangen
(Ophidia), een orde van pootloze reptielen, zijn maar met enkele soorten vertegenwoordigd.
zilverslangetjes of kolebra di plata zijn bekend van Bonaire (Leptotyphlops albifrons) en van Curaçao (Liotyphlops albirostris); ze zijn bezet met heel kleine glanzende schubjes. Van de levenswijze is niets bekend. Dat geldt ook eigenlijk voor de zweepslang (Leimadophis triscaUs) of kolebra, die wel een meter lang kan worden en die voornamelijk grijsachtig van kleur is met 3 meer of minder duidelijke donkere lijnen op de rug. Het dier is volkomen ongevaarlijk, maar als het zich vertoont wordt het meestal doodgeslagen. Als voedsel dienen onder anderen kleine knaagdieren, kikkertjes en kleine hagedissen.

Op Aruba komen 2 slangen voor. De santanero (Leptodeira annulata), is net zo ongevaarlijk als de vorige soort. Berucht, vervolgd en daardoor zeldzaam geworden, is de giftige ratelslang (Crotalus durissus), culebra of cascabel. Deze slang bereikt ook een lengte van ongeveer een meter, maar heeft een bredere kop dan de zweepslang. Jonge exemplaren vertonen een variabele donkere ruitvormige rugtekening, die bij volwassen dieren vrijwel verdwenen is. De wijfjes zijn levendbarend. Na het vervellen blijft een verdroogde rest van de afgestroopte huid als een ring om de staart zitten. De ringen kunnen bij staartbewegingen een geluid veroorzaken.

Op Saba en St. Eustatius is de snake (Alsophis rufiventris) algemeen. Deze zwarte slang wordt meestal 80cm lang en wordt ten onrechte zwaar vervolgd.

 

@: Slangsterren
zie Sker.

 

@: Slavenhandel
De
transatlantische slavenhandel heeft zich ontwikkeld als gevolg van de plantagebouw (met name suikerriet) in de Nieuwe Wereld. De Portugezen brachten het suikerriet en de slaven van de Afrikaanse eilanden naar Brazilië over, welk land de belangrijkste slavenimporteur en suikerexporteur werd. Zowel Brazilië als de Afrikaanse westkust lagen binnen het gebied, dat door het Verdrag van Tordesillas (1494) aan Portugal toeviel. Spanje was voor zijn Amerikaanse koloniën derhalve afhankelijk van Portugese slavenaanvoer. De Spaanse regering sloot daartoe een asiento (de negros) af, een exclusief leveringscontract voor slaven, meestal met Portugezen of met Portugezen verbonden kooplieden. Andere naties (Engelsen, Fransen, Nederlanders) bleven hier buiten, omdat zowel de aankoop- als afzetmarkten voor hen gesloten waren.

Voordat de Nederlanders plantagekoloniën bezaten, hechtten zij daarom weinig waarde aan deze arbeidskrachten. Wanneer een Nederlandse kaapvaarder een slavenschip bemachtigde, liet men niet zelden de negers op het dichtstbijzijnde land vrij. In 1626 besloot de Kamer Zeeland van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) een schip uit te rusten voor vervoer van slaven naar de Zeeuwse kolonies aan de Amazone en de Wilde Kust, één van de vroegste voorbeelden van Nederlandse slavenhandel. I n 1629 nam dezelfde Kamer de verplichting op zich om Nieuw Nederland van slaven te voorzien. Toen Pernambuco in noordoost Brazilië was veroverd (1629), deed zich de behoefte aan slaven sterker voelen. In verband hiermee staat de verovering van het fort Elmina aan de kust van Guinea op de Portugezen, in 1637 van Brazilië uit ondernomen. De beste slavendepots lagen echter verder zuidelijk, in Kongo en Angola. Cornelis Corneliszoon Jol’s verovering van Luanda en Sao Tomé in 1642 voorzag hierin. Er ontwikkelde zich een driehoekshandel, van Nederland naar Afrika met ruilwaren (ondermeer textiel en ijzeren staven), van Afrika naar Brazilië met negers en vandaar met plantageprodukten huiswaarts. Tussen 1637 en 1645 werden door de W.I.C. ruim 20.000 slaven van Afrika naar Brazilie vervoerd. De Heeren XIX, het opperbestuur van de Compagnie, beschouwden in 1645 de slavenhandel als ‘de ziel van de Compagnie’. De vrede met Spanje stond voor de deur en dan zou van kaapvaart geen sprake meer zijn. Curaçao werd het belangrijkste centrum van de slavenhandel na de herovering van Luanda door de Portugezen in 1648 en het verlies van Brazilië in 1654. Van dit eiland uit werd een levendige smokkelhandel gedreven op de Spaanse bezittingen, meestal in schepen onder Spaanse vlag. Aangezien de Portugezen in hun vrijheidsstrijd tegen Spanje het asiento verloren hadden, waren de Spanjaarden in dit opzicht afhankelijk van Nederlanders, Engelsen en anderen. Het overschakelen van tabaks- op suikercultuur vergrootte de vraag naar slaven. Toen in 1662 Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino het asiento van het Spaanse gouvernement verkregen, kochten zij eenvoudigweg de slaven van de Nederlanders op Curaçao. Evenzo handelde de Portugese asentista Antonio García in 1670. De Amsterdamse kooplieden Balthasar en Joseph Coijmans (nauw verbonden met de W.I.C.) traden als bankiers en vertegenwoordigers van Garcia op. Van 1684 tot 1687 was Balthasar Coijmans zelf houder van het asiento.

Volgens contract met de asentistas zou de W.I.C. jaarlijks 2.000 slaven op Curaçao aanvoeren; in 1675 werd dit verhoogd tot 4.000 per jaar. Deze aantallen werden echter lang niet altijd gerealiseerd. In hetzelfde jaar werd Curaçao een vrijhaven met een open slavenmarkt, toegankelijk voor kooplieden van alle naties.
Tot 1701 bleef het asiento in handen van Spanjaarden en Portugezen, vervolgens kwam het aan de Fransen (gedurende de Spaanse Successieoorlog) en in 1713 aan de Engelsen. De bloeitijd van de Nederlandse slavenhandel met Curaçao als centrum ligt tussen 1685 en 1713 (tot dat jaar behielden de Nederlanders een aandeel in leverantie aan de asientisten). De concurrentie van de Engelsen deed zich echter al in een vroeg stadium voelen, vooral na 1673 toen de
Royal African Company werd opgericht.

I n de eerste jaren van de 18de eeuw werden ca. 3.500 slaven per jaar op W.I.C.schepen overgebracht, waarvan de meeste naar Curaçao. Het aandeel in de slavenhandel van de Tweede W.I.C. nam in de 18de eeuw echter gedurig af, met name na 1730 toen de West-Afrikaanse kust (uitgezonderd de Goudkust) voor Nederlandse handelaars werd opengesteld en slavenaanvoer op de West-Indische eilanden (tegen een recognitie van f 15 per hoofd) was toegestaan. In 1734 werd ook de Goudkust opengesteld en tevens de slavenimport in Suriname, Essequebo, Demerary en Berbice tegen een recognitie vrijgegeven. De achteruitgang van de Compagnieshandel is tevens toe te schrijven aan het optreden van lorredraaiers en aan de activiteiten van de Middelburgsche Commercie Compagnie (M.C.C.), die in 1732 een eerste slavenreis ondernam. Het hoogtij van Curaçao als slavendepot is dan al voorbij. Tussen 1743 en 1753 werden slechts 500-600 slaven aangevoerd. Het laatste slavenschip zou in 1788 op het eiland zijn aangekomen. St. Eustatius heeft de rol van Curaçao in de 18de eeuw overgenomen. Reeds omstreeks 1700 was hier een bloeiende slavenhandel door particulieren (ook illegaal) op de Franse en Deense West-I ndische eilanden. Omstreeks 1724 begon de W.I.C. hier eigen aanvoer en verkoop; een slavenhuis kwam in 1726 gereed. I n het bijzonder de eerste jaren van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog waren voor de slavenhandel op St. Eustatius zeer voordelig.

Suriname werd na ca. 1740 het belangrijkste afzetgebied voor de Nederlandse slavenhandel. In totaal hebben de Nederlanders gedurende de 17de eeuw ongeveer 100.000 negerslaven overgebracht van Afrika naar Amerika en gedurende de 18de eeuw ongeveer 400.000. Het totale aantal van 500.000 slaven betekent ongeveer 50% van de omvang van het totale Atlantische slavenvervoer.

Aan een groot deel van de West-Afrikaanse kust, van Kaap Verde tot Angola, werd handel gedreven in slaven, die de negervorsten tijdens stamoorlogen en door middel van speciale rooftochten van hun naburen verkregen. Eigen stamleden werden ook wel verhandeld, zij het bij uitzondering. De Slavenkust (Togo, Dahomey), de Beninbocht (Nigeria, Kameroen) en Kongo-Angola leverden veel slaven op. De W.I.C. haalde het merendeel van Guinea en een kleiner percentage uit Angola. De slaven uit Angola werden voornamelijk aan de planters in Nederlands Guyana verkocht; op de West-I ndische eilanden kwamen merendeels Goudkustslaven aan de markt. Op de Slavenkust kwam de Compagnie in conflict met de koning van Dahomey, die dat gebied in de jaren 1724-1728 veroverde. I n 1740 werden de Nederlanders van hun laatste handelspost aldaar verdreven. De particuliere handelaars haalden hun slaven vooral van de Bovenkust tussen Liberia en het westelijk deel van Ghana. De Middelburgsche Commercie Compagnie concentreerde zich op de Ivoorkust. De voorkeur voor uit een bepaalde streek afkomstige slaven was in de loop van de tijd aan wisseling onderhevig. Nu eens gaf men de voorkeur aan de intelligente Minase negers (van de Goudkust), genoemd naar het fort Sao Jorge da Mina (of Elmina), dan weer prees men de Angolaslaven als ijverig en gehoorzaam. Voor de W.I.C. was Elmina de voornaamste afscheephaven. De prijzen voor volwaardige slaven, aanvankelijk ca. f 30, liepen spoedig op tot f 50 á f 150 in de 18de eeuw. Bij de handel rekende men met een zogenaamde Pieça da India (stuk van Indië of, zoals de Hollanders zeiden, leverbaer stuck). Dit was een fictieve rekeneenheid, geldende voor één, anderhalve of meer slaven, afhankelijk van leeftijd, geslacht, eventuele gebreken enz. Onvolwaardige slaven heetten macarons (afgeleid van het Spaanse macarse = beurs worden, bederven). Was na een grondige keuring de koop gesloten en had men een voldoende armazoen bijeengebracht, dan kon bij gunstige wind de oversteek van 2-3 maanden worden gewaagd. Het gemiddelde aantal slaven op de schepen van de M.C.C. bedroeg 287! Onnodig te zeggen, dat tijdens deze tocht en ook al tijdens het soms maandenlange wachten aan de kust talloze slaven, opeengepakt in de gloeiendhete ruimen, ellendig omkwamen. Gebrek aan water en leeftocht en ziekten als scheurbuik, dysenterie en tyfus teisterden zowel de levende lading als de bemanning van de slavenschepen. Een sterfte van 15% werd als normaal beschouwd, beneden dat percentage was de lading niet verzekerd. De sterfte onder de schepelingen lag hoger, namelijk tussen de 20 en 25%. De verkoopsprijzen op Curaçao waren omstreeks f 260 per leverbaer stuck; in Suriname, Berbice enz. waren zij veel hoger, namelijk f 500 tot f 600. Met dat al bleef de slavenhandel met zijn vele onzekerheden van reisduur, prijzen, sterfte enz. een riskante zaak. Van de 101 slavenreizen, door de M.C.C. gedaan, waarover gegevens aanwezig zijn (1732-1793) leverden 59 winst op en 42 verlies.

Het verzet tegen de mensenhandel, in de 17de eeuw reeds door de Quakers en enkele anderen geformuleerd, werd aan het einde der 18de eeuw algemeen, met name in Engeland, waar een Committee for Effecting the Abolition of the Slave Trade werd opgericht in 1787. Frankrijk volgde enkele jaren later met de Société des Amis des Noirs. I n Engeland gaf de veranderde economische constellatie de voorstanders van afschaffing als William Wilberforce en Thomas Clarkson de wind in de zeilen.
Het
West Indian Interest, de invloed van de West-Indische planters op het politieke en economische leven, verloor aan belang. De industriele revolutie maakte dat Engeland behoefte kreeg aan vrijhandel voor de afzet van zijn produkten. In 1807/1808 schaften Engeland en de Verenigde Staten de slavenhandel af, Nederland volgde in 1814 en Frankrijk in 1816, terwijl Spanje en Portugal in 1814 slavenverschepingen door hun onderdanen, althans benoorden de equator, verboden. Engeland dat in de abolitiestrijd het voortouw nam, sloot met Nederland in 1818 een speciaal verdrag tot wering van de slavenhandel, ten gevolge waarvan gemengde gerechtshoven in Sierra Leone en Suriname werden opgericht (ook met andere landen werden dergelijke verdragen afgesloten). Op de Afrikaanse kust zijn 22 schepen onder Nederlandse vlag aangehouden, die geen van alle in Nederland waren gebouwd of uit Nederland afkomstig waren. De meeste hadden hun scheepspapieren te St. Eustatius, St. Maarten of Curaçao verkregen. Nadat de gouverneur van St. Eustatius hierver gekapitteld was, zijn er geen slavenschepen met Nederlandse papieren uit de Antillen meer gegrepen. In 1821 verbood Nederland ook de invoer van slaven in zijn West-Indische koloniën uit landen waar nog rechtstreekse import uit Afrika plaats vond. De uitvoer uit Curaçao naar andere gebieden in West-Indië ging echter nog geruime tijd door. Van 1819 tot 1847 zijn in totaal 4.000 slaven uit Curaçao uitgevoerd, vooral in jaren na misoogsten; de planters moesten dan wel slaven verkopen om zich voedsel voor de resterende slaven te kunnen verschaffen. (Zie verder @: Archieven; Geschiedenis).

Literatuur:

  • E. van den Boogaart en P.C. Emmer, The Dutch participation in the Atlantic slave trade, 1596-1650, in: H.A. Gemery & J.S. Hogendorn (eds.), The Uncommon Market; essays in the economic