English -Dutch -   home   contact
Letter Q t/m T

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch Gebied: Sint Eustatius

Illustratie: Schilderij "Jean's House" van Wendy j Collins (biografie bij @: Collins Wendy J)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het  opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het  onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter Q 

q is de zeventiende letter van het Nederlandse alphabet en ook voor haar is een lijn te  trekken naar een Semietische oorsprong (hun letter qôp, mogelijk ook qaw wat 'wol' of 'koord' schijnt te hebben betekend) met daarachter een Egyptische hyrogliefe. Voor de Semieten was de qôp een stemloze plosief, die vanuit het mondgehemelte werd uitgesproken, gelijk de klank die de q tot in onze tijd heeft behouden. Het was een veel voorkomende klank in de Semietische talen echter afwezig in Indo-Europese talen zoals het oud-Grieks. Op grond daarvan ontwikkelden de Grieken de qôp in hun spreekwijze tot de letter Qoppa met een uitspraak die vanuit de gehemelte meer op de lippen werd gecentreerd, waardoor de Qoppa een meer k-achtige klank kreeg dan de qôp. Desondanks schijnen de Grieken niet veel gebruik voor de Qoppa te hebben gehad, waardoor zij haar later een nadrukkelijker p en ph klank gaven op grond van nieuwere ontwikkelingen op klankgebied die zij ervaarden, waardoor zij op een gegeven ogenblik de Qoppa in twee aparte tekens transformeerden: De cijfer Qoppa ter vertegenwoordiging van het getal 90 en de letter Phi, die de ph klank werd meegegeven voor het uitspreken van de f-klank in het Moderne Grieks van de Attische en Ionische alfabetisten. Dit vormde de oorsprong voor de creatie van woorden als philosophie, philantropie, waarvan wij sommigen nog steeds in de taal gebruiken. Overigens zijn niet alle wetenschappers ervan overtuigd,  dat de Qoppa en de Phi een relatie met elkaar hadden, zoals het voorgaande doet geloven. Het is heel goed mogelijk, dat de Griekse alfabetisten de Qoppa gewoon terzijde hebben laten liggen behalve het gebruik ervan voor de aanduiding van de cijfer 90 en de Phi als een geheel aparte letter hebben ontwikkeld.
In de Etruskische beschaving schijnt men de q alleen maar in combinatie met de v (mogelijk de u) te hebben gebruikt, mogelijk omdat deze de wijze was, waarop men de u-klank probeerde weer te geven voordat de Romeinse (Latijnse) alleenstaande u als letter werd aangenomen. Dit Etruskisch gebruik heeft zich kennelijk in veel moderne talen laten opnemen en handhaven onder andere in het Engels met woorden als
queen (oorspronkelijk in Oud Engels cwen) en quick (cwicu).
Het gebruik van q in de moderne Westerse talen, ook het Nederlands en zeker in het Papiamentu, is heden ten dage bijzonder schaars. Hij wordt ook tegenwoordig meestal nagegaan door de letter u in met name woorden van Latijnse oorsprong. In deze encyclopedie is zij de op één na minst gebruikte letter; alleen de x is nog minder frequent (let op de volgorde van de letters q en u in dit woord). Landen of streken met een q als voorletter zijn schaars en relatief onbekend. Om te beginnen is daar het rijke Arabische olieland Qatar, gelegen aan de Perzische golf, ten oosten van Saudie Arabië. Dan heb je de Canadese provincie Quebec, met als hoofdplaats de gelijknamige stad Quebec. De provincie is met haar ruim 1.5 miljoen vierkante kilometers oppervlakte veel groter dan Venezuela of Colombia. Tenslotte is daar de Australische staat Queensland, ook een enorm groot gebied eveneens met een oppervlakte van ruim 1.5 miljoen vierkante kilometers. Met een Q als eerste letter heb je tenslotte de naam van de hoofdstad van de Filippijnen Quezon City (en dus niet Manila, zoals de meesten denken), alhoewel Quezon City nagenoeg in het grote metropool gebied van Manila ligt.

 


@: Quadirikiri
zie @: Grotten.

 

@: Quadrille
(Papiamentu:
kuadría), een groepsdans, die - mede door de invloed van immigranten uit Venezuela - in de tweede helft van de 19de eeuw op Curaçao een bloeitijd beleefde. Nu wordt zij nog gedanst door Grupo Folkloriko.


 
@: Quaker blossom
(Plumbago capensis) of
isabella catolica, isabella segunda, viudita, plantesoort uit de familie der Plumbaginaceae, afkomstig uit Zuid-Afrika; veel gekweekt. Sterk vertakte, hoge heester, bladeren tot 5 cm lang; lichtblauwe bloemen in rijkbloemige schijnaren; kelk met duidelijke, kleverige klieren; kroon smal-buisvormig met 5-slippige zoom. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Quill, The
Uitgedoofde vulkaan - vrijwel geheel bestaande uit losse gesteentefragmenten, vooral vulkanische as - in zuidoost St. Eustatius, met wijde, diepe krater. (zie Geologie).

 

 
De letter R

r is de achttiende letter van het Nederlandse alphabet. De r-klank is misschien wel één van de meest populaire die door de mensheid wordt geuit. Het is van oorsprong een Semietische letter, die waarschijnlijk geïnspireerd is door één van de Egyptische hiëroglyfen voor hoofd. De Semieten hadden een ander teken voor hoofd, die later in de Griekse letter p evolutioneerde. De Semietische r ontwikkelde zich in die richting mogelijkerwijs op grond van additionele bewerkingen door de Grieken en de Etrusken, die additionele klanken bijvoegden ten einde de oorspronkelijke r te onderscheiden van de oorspronkelijke p.

 

@: Raadhuis
op Curaçao werd in 1858-1860 gebouwd door de
luitenant-ingenieur Schut. De symmetrische helften ter weerszijden van de midden-peristyle waren bedoeld voor de Koloniale Raad en het Hof vanJustitie; de gevangenis vond een plaats in de strakke onderbouw. Het door pilasters gelede classicistische gebouw herinnert aan een Noord-Amerikaans kapitool. Het linkergedeelte wordt gebruikt zowel voor de vergaderingen van de Staten als die van de Eilandsraad.
De forse kolommen in de hal achter de peristyle moesten een - nooit uitgevoerde - toren schragen.

 

@: Raad van Advies
Vóór 1948
Raad van Bestuur geheten, (art. 28-36 Staatsregeling) is een college van ten minste vijf leden, waarvan één ondervoorzitter (de gouverneur is de voorzitter), voor niet langer dan vijf jaren benoemd door de gouverneur (maar tersrond herbenoembaar). Een lid kan niet tegelijk lid van de Staten zijn. De gouverneur kan buitengewone leden benoemen. Allen leggen in handen van de gouverneur een *eed af. De gouverneur kan zo dikwijls hij dit nodig oordeelt met raadgevende stem het voorzitterschap bekleden. De Raad van Advies moet door de gouverneur gehoord worden in de gewichtige gevallen van wettelijke regelingen en in alle aangelegenheden, waaromtrent dit in de Staatsregeling is voorgeschreven. De Raad kan ook eigener beweging van advies dienen. Hij mag niet weigeren desgevraagd zijn gevoelen schriftelijk aan de gouverneur mede te delen. Ambtenaren, geen lid van de Raad zijnde, wonen op verzoek van de gouverneur de vergadering bij tot het geven van inlichtingen. De werkzaamheden worden geregeld in een reglement van orde. Volgens regels bij landsverordening te stellen, kan de Raad rechtsmacht verkrijgen in geschillen van bestuur.

 

@: Raad van advies in Londen
Zie @:  Buitengewone raad van advies.

 

@: Raad van Kerken op Curaçao
Dit is een contactorganisatie van de
Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao, de *Methodist Church, de *Evangelische Broedergemeente, de *Gereformeerde Kerk en de RK Kerk. Zij bevordert het overleg tussen de kerken, coördineert gezamenlijke acties, organiseert samenkomsten en bijzondere kerkdiensten. Zij is aangesloten bij de Caribbean Conference of Churches (C.C.A.), een regionale afdeling van de Wereldraad van Kerken.


 
@: Raad van ministers van de Nederlandse Antillen
zie @: Ministerraad van de Nederlandse Antillen.

 

@: Raad van ministers van het Koninkrijk
zie @: Ministerraad van het Koninkrijk.

 

@: Raad van politie
Art. 121 van het
Regeringsreglement van Curaçao van 1865 bepaalde dat er op de eilanden buiten Curaçao een Raad van Politie zou zijn, bestaande uit de gezaghebber en de landraden van het eiland. De raad had de bevoegdheid plaatselijke keuren te maken, de huishouding van het eiland betreffende, en de belangen van het eiland voor te staan bij de Kroon, de Staten-Generaal, de gouverneur en de Koloniale Raad. De bevoegdheid tot het maken van plaatselijke keuren voor het eiland Curaçao behoorde aan de Koloniale Raad (zie ook Bestuursregeling: geschiedenis).

 

@: Raad van State van het Koninkrijk
is één van de
koninkrijksorganen bedoeld in art. 5 Statuut, waarvan de regeling aan de Grondwet is overgelaten, voor zover het Statuut zelf daarin niet voorziet. Betreffende de Raad van State van het Koninkrijk bevat art. 13 Statuut enige bepalingen over de mogelijkheid van uitbreiding van het college met een lid voor de Nederlandse Antillen. Dit geschiedt door de Koning alleen op verzoek van en in overeenstemming met de regering van het betrokken land. Het ontslag geschiedt na overleg met die regering. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen ten opzichte van deze leden andere voorschriften worden vastgesteld dan voor de Nederlandse leden gelden. De Staatsraad voor de Nederlandse Antillen neemt aan de werkzaamheden van de Raad deel voor zover koninkrijksaangelegenheden aan de orde zijn, waarbij de Nederlandse Antillen betrokken zijn. In de Grondwet zijn de bepalingen over de Raad te vinden in artt. 73-75. De Koning is voorzitter van de Raad en benoemt de leden. De samenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet (Stbl. 1976 nr. 231). De Raad wordt gehoord over alle ontwerpen van wet en van algemene maatregelen van bestuur (dus ook van rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur), over de internationale overeenkomsten, waarvan de goedkeuring van de Staten-Generaal vereist is en over alle zaken waarin dat nodig geoordeeld wordt.

 

@: Rabbijnen
zie @: Joodse gemeenten.
  

 

Het volgende artikel is opgemaakt in de Engelse taal: 

@: Rademaker Philip Antonio / @: Philip Rademaker

is both a professional and traditional artist of Curacao. Professional on account of his working career. Traditional because of the fact of his pursuit for artistic expression on a non monetary level. Philip was born and has mainly lived and worked in Curaçao, and is a teacher by training; he attended after graduating from the Radulphus College. He left education for a position as investment consultant at the Maduro & Curiel’s Bank, while moonlighting as a commercial artist. After eight years in investments he changed to full-time advertising with K&E/CPV Advertising International in Curaçao and Trinidad & Tobago for eight more years during which he ran the gamut from layout artist to illustrator to photographer and filmmaker to art director to account executive to creative director. Then followed a stint of six years as director of international advertising and public relations for the Curaçao Tourism Authority, directing local tourism awareness and supervising campaigns in the US and Canada, South American and Caribbean countries and Europe; seventeen years as a partner and creative director of Kode Advertising & Public Relations and two years as creative director of BlueC advertising. Since 1998 his intimate knowledge of the idiosyncrasies of the local population is often tapped by local PR and advertising agencies, while he also acts as a free-lance consultant on campaign strategies for government agencies, political parties, public service organizations, utilities and communications companies, as photographer, book illustrator and copywriter, cartoonist and caricaturist.

His professional experience in creativity has also brought him in contact with the traditional artistic expressions. Philip now paints every day, in both abstract and representative styles. He has exhibited internationally and his paintings can be found in collections in the islands of the Netherlands Antilles, Aruba, Cuba, Holland, Belgium, Venezuela, Mexico, Italy, France and the U.S.A. He has been a stage actor since 1964, winning several international prizes, has acted in a number of TV series and movies, Dutch, Venezuelan and North American, directed many plays and is a co-founder of the Thalia Theater Group. For more than 30 years until 1990, he was the premier designer of costumes and floats in Curaçao’s carnival.

Philip Rademaker speaks Papiamento, Dutch. English, Spanish, French and Brazilian Portuguese and has published essays, short stories and poetry.

On a more personal level, Philip grows bonsai, collects edged weapons, cooks, reads voraciously and studies the phenomenons of language and religion. He is a Freemason (zie @: Vrijmetselarij), member of the English Constitution, the Royal Arch, the Mark Lodge and the Royal Ark Mariners, and under the East of the Netherlands of the Consistorie (Scottish Rite) and the “Hoofkapittel der Hoge Graden”. He is married to Rita Charlotte Soliana and they have two children, Philip Charles and Cristina Dolores.

 

@: Rademaker Philip Antonio / @: Philip Rademaker

is both a professional and traditional artist of Curacao. Professional on account of his working career. Traditional because of the fact of his pursuit for artistic expression on a non monetary level. Philip was born and has mainly lived and worked in Curaçao, and is a teacher by training; he attended after graduating from the Radulphus College. He left education for a position as investment consultant at the Maduro & Curiel’s Bank, while moonlighting as a commercial artist. After eight years in investments he changed to full-time advertising with K&E/CPV Advertising International in Curaçao and Trinidad & Tobago for eight more years during which he ran the gamut from layout artist to illustrator to photographer and filmmaker to art director to account executive to creative director. Then followed a stint of six years as director of international advertising and public relations for the Curaçao Tourism Authority, directing local tourism awareness and supervising campaigns in the US and Canada, South American and Caribbean countries and Europe; seventeen years as a partner and creative director of Kode Advertising & Public Relations and two years as creative director of BlueC advertising. Since 1998 his intimate knowledge of the idiosyncrasies of the local population is often tapped by local PR and advertising agencies, while he also acts as a free-lance consultant on campaign strategies for government agencies, political parties, public service organizations, utilities and communications companies, as photographer, book illustrator and copywriter, cartoonist and caricaturist.

His professional experience in creativity has also brought him in contact with the traditional artistic expressions. Philip now paints every day, in both abstract and representative styles. He has exhibited internationally and his paintings can be found in collections in the islands of the Netherlands Antilles, Aruba, Cuba, Holland, Belgium, Venezuela, Mexico, Italy, France and the U.S.A. He has been a stage actor since 1964, winning several international prizes, has acted in a number of TV series and movies, Dutch, Venezuelan and North American, directed many plays and is a co-founder of the Thalia Theater Group. For more than 30 years until 1990, he was the premier designer of costumes and floats in Curaçao’s carnival.
Philip Rademaker speaks Papiamento, Dutch. English, Spanish, French and Brazilian Portuguese and has published essays, short stories and poetry.

On a more personal level, Philip grows bonsai, collects edged weapons, cooks, reads voraciously and studies the phenomenons of language and religion. He is a Freemason (zie @: Vrijmetselarij), member of the English Constitution, the Royal Arch, the Mark Lodge and the Royal Ark Mariners, and under the East of the Netherlands of the Consistorie (Scottish Rite) and the “Hoofkapittel der Hoge Graden”. He is married to Rita Charlotte Soliana and they have two children, Philip Charles and Cristina Dolores.

 

 

@: Radio Adviesraad
door de Landsregering ingesteld ten einde deze gevraagd en ongevraagd van advies te dienen inzake radio-omroep en televisie-aangelegenheden. De raad is sinds de jaren zeventig van de 20ste eeuw niet meer actief.

 

@: Radio-amateurisme
werd in de Nederlandse Antillen officieel toegestaan in 1951. Door Landsradio werden in de loop der jaren zo’n 130 zendvergunningen uitgereikt. Er bestaat op Curaçao een amateurzendvereniging onder de naam
Verona terwijl Aruba de Aruba Amateur Radio Club kent. Ter bevordering van het toerisme worden speciale faciliteiten aan buitenlandse amateurs verleend, maar slechts dan indien er reciprociteit bestaat in dezen tussen het land van herkomst van de toerist en de Nederlandse Antillen.

 

@: Radio Caracas Television
Televisiestation, in Caracas, dat via een relaisstation in de nabijheid van Coro, Venezuela, op Curaçao, Aruba en Bonaire kan worden ontvangen.

 

@: Radio Carina
Omroepstation op Aruba (zie @: Radioomroep).

 

@: Radiodienst
zie @: Landsradio - Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen.

 

@: Radio-Holland
vestigde in 1934 op Curaçao een zgn. Inspectiekantoor; daaronder ressorteerde sedert 1964 een servicedepot op Aruba alsmede een depot op St. Maarten dat in 1971 werd opgericht. In 1974 werd de vestiging op Curaçao omgezet in een Antilliaanse N.V., terwijl in 1978 het servicedepot op Aruba een zelfstandig bedrijf werd nv.
Radio Holland Aruba N.V. De vestiging op St. Maarten bleef ressorteren onder Radio-Holland Caribbean N.V.
Het moederbedrijf, Radio-Holland N.V., werd in 1916 in Nederland opgericht door een aantal belangrijke Nederlandse reders, die tevens de aandeelhouders en de voornaamste klanten zijn. De activiteiten van Radio-Holland omvatten oorspronkelijk o.m. de verhuur van radio’s met bedienend personeel, alsmede verkoop van deze apparaturen met een onderhoudscontract. Voor de internationale scheepvaart zijn de vestigingen op de Nederlandse Antillen thans belangrijke servicedepots waar men reparaties uitvoert aan radiocommunicatie- en elektronische navigatiesystemen; deze systemen maken thans meer en meer gebruik van speciaal daartoe gelanceerde satellieten. Tevens verricht Radio-Holland servicewerkzaamheden aan elektronische, hydraulische dan wel pneumatische alarm- en bedieningssystemen in machinekamers van schepen.
De combinatie van scheepsreparatie door de
Curaçaosche Dok Mij. N.V. en de serviceverlening door Radio-Holland vormt voor de haven van Curaçao een belangrijke aantrekkingskracht voor de scheepvaart. Naast de scheepvaartactiviteiten neemt Radio-Holland een belangrijke plaats in op het gebied van landcommunicatie; men vertegenwoordigt het Amerikaanse bedrijf Motorola bij de verkoop, onderhoud en reparatie van mobilofoons, handietalkies en zogenaamde pageboys. Door het verlenen van juist die specialistische technische diensten, waaraan in het gehele Caribische gebied, alsmede in grote delen van Zuid-Amerika grote behoefte bestaat, vervult Radio-Holland vanuit Curaçao een brugfunctie en draagt daarmee bij aan de dienstverlenende sector van de Nederlandse Antillen.

 

@: Radio-medische adviezen
zie @: Curaçao Radio.

 

@: Radio-navigatiehulpmiddelen
van de Nederlandse Antillen bestaan uit op Curaçao een
Dual Non Directional Beacon (N.D.B.) met een vermogen van 1 kW, een Visual Omnidirectional Range (V.O.R.), een D.M.E. en radarinstallatie; op Aruba een V.O.R. en een Locator Beacon; op St. Maarten een N.D.B. met een vermogen van 300 Watt; de andere eilanden beschikken niet over radio-navigatiehulpmiddelen.

 

@: Radio Nederland Wereldomroep (R.N.W.O.)
Gesticht op 15 april 1947 te Amsterdam, heeft tot doel door middel van dagelijkse korte-golfradio-uitzendingen het contact met land- en rijksgenoten te onderhouden en tevens Nederland in het buitenland te presenteren. Van 1947 af worden speciale programma’s uitgezonden gericht op en bestemd voor de Nederlandse Antillen, terwijl sinds 1950 ook vele transcripties voor de overzeese rijksdelen worden verzorgd. In samenwerking met de
Sticusa en de N.O.S. heeft van 1960 af regelmatig toezending van filmmateriaal plaats aan de televisiestations in de Nederlandse Antillen. R.N.W.O. heeft op Bonaire sinds 1969 een zenderpark met twee korte-golfzenders van elk 300 kW. Dit zenderpark dat een relay-functie heeft en geen eigen programma’s maakt heeft een bezetting van veertig personen.

 

@: Radio-omroep
Tot 1954 was de
Curom de enige omroep in de Nederlandse Antillen. In 1950 werden door enkele inwoners van Curaçao en Aruba verzoeken aan de regering gericht om eigen omroepstations te mogen exploïteren. Hierop stelde de regering in 1951 een commissie in onder voorzitterschap van de toenmalige directeur van de Landsradio- en Telegraafdienst R.C.H. van Haaren, die tot taak had advies uit te brengen inzake een toekomstig radiobestel in de Nederlandse Antillen. Het advies van deze commissie, steunende op een meerderheid, luidde: het stichten van een sterke centrale omroep met ruime financiële steun van de regering. Een minderheid in de commissie adviseerde het particulier initiatief een kans te geven zonder steun van de overheid. De regering volgde het minderheidsadvies op en verleende tussen 1954 en 1962 aan verschillende personen en/of organisaties vergunning.
Er zijn thans elf radio-omroepstations en twee televisiestations in de Nederlandse Antillen. Aan
Radio Nederland Wereldomroep is bovendien vergunning verleend om op Bonaire een wereldomroepzendercomplex te bouwen. De omroepstations in de Nederlandse Antillen hebben in meerderheid een commercieel karakter. Zij zenden reclame uit om te kunnen bestaan, zijn van gering vermogen (1 tot 10 kW) en moeten door hun beperkte reikwijdte worden beschouwd als plaatselijke stations. In maart 1984 is Radio Hoyer begonnen met een uitzending op de FM-band waarbij een nieuwe zender werd gebruikt, die op zonne-energie werkte. Zender en zonne-panelen zijn geplaatst op de Tafelberg op Curaçao. Radio Hoyer was daarmee het eerste station ter wereld dat voor de uitzending van programma’s volledig gebruik maakt van zonne-energie. De volgende stations hebben alle eigen zenders en studio’s: Curom (1937) AM, 10kW, Curaçao; Radio Hoyer I (1954) AM, 1 kW, Curaçao; Radio Hoyer II (1959) AM, 1 kW, Curaçao; Radio Korsow FM (1976) FM, 1 kW, Curaçao; Radio Kelkboom (1954) AM, 1 kW, Aruba; Voz di Aruba (1954) AM, 1 kW, Aruba; Radio Victoria (1957) AM, 10 kW, Aruba; Antilliana (1959) AM, 1 kW, Aruba; Radio Carina (1978) FM, 2,5 kW, Aruba; Radio Hoyer III (1961) AM, 1 kW, Bonaire; PJD 2 (1961) AM, 1 kW, St. Maarten en Voice of Saba (1971) AM, 1 kW, Saba.

In 1984 moest Radio Caribe (1954) AM, 1 kW Curaçao de uitzendingen staken; Radiostatia, AM, 1 kW St. Eustatius, geregistreerd als P JE-3 kwam in de lucht.

 

@: Radiovergunning
Voor het in bezit hebben of gebruiken van een radiozendinstallatie is ingevolge de
Telegraaf- en Telefoonverordening een vergunning benodigd.

 

@: Radio Victoria
werd in 1958 op Aruba gebouwd door de
Evangelical Alliance Mission als radiostation voor religieuze en culturele uitzendingen. Deze zender bereikt o.a. de Caribische eilanden en de noordkust van Venezuela en Colombia.

 

@: Radiowetgeving
Zie @: Telegraaf- en Telefoonverordening.

 

@: Radulphus College
is een RK school voor h.a.v.o./v.w.o. op Curaçao, voor zowel jongens als meisjes (zie verder Onderwijs).

 

@: Radulphus, Frater María
(
Adrianus Hermus: Moerdijk 3 juni 1869 - Vught 22 April 1961), trad in 1886 toe tot de Congregatie der Fraters van Tilburg (zie @: Bisdom Willemstad) en vertrok in 1890 naar Curaçao, waar hij met een onderbreking van slechts enkele jaren verbleef tot 1959. Kwam in 1907 aan het hoofd van het RK onderwijs te staan; organiseerde het St. Vincentiusgesticht op Scherpenheuvel als ambachtsschool. Was een groot organisator. Als bisschoppelijk inspecteur van de missiescholen strekten zijn activiteiten zich niet alleen uit over het onderwijs, maar ook over de bouw van scholen, waarvoor hij vaak architect, aannemer en uitvoerder was. De in 1954 ingewijde middelbare school werd als de Radulphus College naar hem genoemd.


Lit.: M. Realino Janssen, In memoriam frater M. Radulphus 1869-1961, in: Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 41 (1961).

 

@: Rasmenging
In de oude slavenmaatschappij had, door het frequent seksueel verkeer van de meester met de slavinnen, veel rasverrmenging plaats. Op 1 januari 1833 bestond de bevolking van Curaçao uit 2.602 blanken, 6.531 vrije lieden en 5.894 slaven. Van de vrije lieden waren er 2.701 die werden aangeduid als ‘gekleurd’. De huidige bevolking van de Nederlandse Antillen draagt sterk het stempel van deze menging (zie ook @: Nederlandse Antillen).

 

@: Raspa
of
raspu, instrument gemaakt van een koehoorn of van een gedroogde kalbas largu, heeft dezelfde functie als de wiri.


 
@: Rat
zie @: Djaka.


 
@: Raton di anochi
bats (in de volksmond rear-mice) zijn zoogdieren waarbij zich aan de hand een grote vlieghuid ontwikkeld heeft. Tot nu toe zijn van de Nederlandse Antillen 13 soorten vleermuizen bekend. Het aantal soorten is echter voor ieder eiland verschillend. Zo zijn er op Curaçao 8 soorten, maar op Saba slechts 1, terwijl op St. Eustatius nog geen vleermuizen zijn verzameld. De grotten van Curaçao zijn bekend om hun grote aantallen Glossophaga elongata (long tongued bat) en Mormoops megalophylla (leaf-chinned bat).
Glossophaga, gekenmerkt door een zeer lange tong en een klein driehoekig neusblad op de punt van de snuit, is het voorbeeld van een vleermuis die zich voedt met rijpe vruchten, pitvruchtjes en nectar. Bloemen van
kalbas rondó, kapokboom, pita’s en aloë worden druk bezocht; ook de kleine insekten die bij het likken van de bloemen aan de lange tong blijven vastkleven, worden gegeten. Mormoops daarentegen is een uitgesproken insektenjager. Een merkwaardige soort is de Noctilio leporinus (hazelip of bulldog bat), die herkenbaar is aan de lange oren en de snuit die lijkt op die van een haas of van een buldog. Ofschoon Noctilio een insekteneter is, schijnt deze soort bij voorkeur kleine vissen te eten. De visjes worden met de lange klauwen van de achterpootjes tijdens het vliegen over water vastgegrepen en tijdens de vlucht al opgegeten of later op een rustig plekje. Vleermuizen kunnen een rol spelen bij het overbrengen van de vleermuizenlyssa, een vorm van hondsdolheid, die in het neotropische gebied al heel wat slachtoffers heeft gemaakt onder mensen, vee en huisdieren, maar deze gevreesde ziekte is nimmer in de Nederlandse Antillen waargenomen.

 

@: Realino, frater María
Wereldlijke naam
Frederikus Johannes Antonius Janssen (Zwolle, 18 november 1889 -Tilburg, 18 februari 1977) één van de eersten, die als onderwijzer aan het St. Thomas College reeds in de jaren dertig van de 20ste eeuw, de noodzaak inzag van de ‘Antillianisering’ van het onderwijs. Auteur leerboekjes aardrijkskunde en plantkunde.
Wrk.: Plantkunde van Curaçao (1935, 1947); De Nederlandse Antillen en de overige eilanden van de Caraïbische Zee, Venezuela en Colombia (1938).

 

@: Rechterlijke macht
zie @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad.

 

@: Rechterlijke organisatie
zie @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad.

 

@: Rechtskundige bijstand
(kosteloos) zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Rechtspraak
Uitspraken van de rechtsprekende colleges zijn aanvankelijk gepubliceerd in het
Antilliaans Juristenblad, uitgegeven door de Vereniging van Advocaten der Nederlandse Antillen, dat van 1951 tot en met het 2de kwartaal van 1975 verschenen is en vervolgens ook in het van 1965 tot en met 1972 verschenen Justicia, rechtsgeleerd periodiek voor de Nederlandse Antillen, een uitgave van de Stichting tot bevordering van de Rechtswetenschappen in de Nederlandse Antillen. Sedert september 1980 verschijnt het Tijdschrift voor Antilliaans Recht, uitgegeven door de gelijknamige Stichting, die nauw aan de * Universiteit van de Nederlandse AntiIlen gelieerd is; ook dit blad bevat een jurisprudentie-rubriek, evenals het sinds begin 1981 herverschenen "Justicia". Alle genoemde periodieken zijn kwartaaltijdschriften. Voorts zijn op initiatief van het Hof van Justitie de bundels Civiele Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en van de Gerechten in Eerste Aanleg over het jaar 1979 en over het jaar 1980 uitgegeven. De Stichting Tijdschrift voor Antilliaanse Recht en de Universiteit brachten gezamenlijk de door mr. K. Bongenaar samengestelde bundel Nederlands-Antilliaanse Jurisprudentie uit de 1970er jaren, deel I en deel II, banden 1 en 2, uit; dit werk bevat ook een overzicht van de in Nederlandse periodieken gepubliceerde Nederlands-Antilliaanse jurisprudentie uit die jaren. Voor het strafrecht is er het alleen korte uittreksels bevattende Overzicht van de Antilliaanse Rechtspraak: Strafrecht, verzameld door (prof.) mr. W.R. Boom, delen I (1918-1948), II (1949-1958), III (1959-1968) en IV (1969-1978), uitgegeven door De Curaçaosche Courant N.V. (losbladig).
Als nr. 13 van de serie uitgaven van de Universiteit verscheen in 1981
Antilliaanse Staats- en Administratiefrechterlijke Jurisprudentie van de hand van mr. W.A. Luiten. De losbladige uitgave van de Algemeen Nederlands-Antilliaanse Ambtenarenbond Aruba van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en Rechtspraak, tenslotte, die door H.Th. Lopez bewerkt is (2de druk, 1978), bevat vele excerpten van uitspraken van de (ambtenaren)rechter. (Zie verder @: Gerecht in eerste aanleg; @: Hof van Justitie; @: Hoge Raad).

 

@: Rechtsvordering
zie @: Burgerlijke rechtsvordering.

 

@: Rechtswetenschappen in de Nederlandse Antillen, Stichting tot bevordering van de
Opgericht in 1965 met als doel de bevordering van de studie in de rechtswetenschappen. De stichting geeft het driemaandelijks tijdschrift
Justicia uit. Redactie: mr. P.V. Sjiem Fat, H.Th. Lopez en R.F. Gibson.

 

@: Recife
(Pernambuco), zie @: West-Indische Compagnie, Eerste.

 

@: Reclassering
Op Aruba en Curaçao fungeren stichtingen als particuliere reclasseringsinstellingen. Op de overige eilanden geschiedt rapportage en toezicht, indien nodig, door de secretaris van de *Voogdijraden. De taken van de stichtingen zijn:

  • het uitbrengen van voorlichtingsrapporten betreffende delinquenten aan de rechterlijke macht;
  • het uitoefenen van toezicht op bij vonnis ondertoezichtgestelden;
  • de nazorg en arbeidsbemiddeling van ex-delinquenten.

De resocialisatie van ex-delinquenten komt zeer moeilijk van de grond gezien de heersende omvangrijke werkloosheid alsmede gezien het toenemende analfabetisme onder de te reclasseren personen. Ook de enorme toename van de criminaliteit heeft ertoe geleid dat werkgevers steeds dwingender een bewijs van goed gedrag eisen bij tewerkstelling. De reeds geruime tijd durende onderbezetting van de bureaus van de stichting maakt het onmogelijk een goede opvang en begeleiding te organiseren. In het kader van een planmatige opzet van de criminaliteitsbestrijding en -preventie worden door een hiertoe in 1981 ingestelde stuurgroep voorstellen uitgewerkt om o.m. ook de reclassering op een betere wijze te organiseren.
Lit.: Jaarverslag 1980 Stichting Reclassering Curaçao.

 

@: Regen
zie @: Neerslag .

 

@: Regenmeter
zie @: Neerslag.

 

@: Regentijd
is de periode van het jaar, waarin de regenval per maand aanzienlijk groter is dan in voorafgaande en volgende maanden. Normaal gesproken zijn nabij de evenaar jaarlijks twee regen- of natte tijden aan te wijzen en als gevolg daarvan ook twee droge of relatief droge tijden. Op grote afstand van de evenaar schuiven de regentijden steeds dichter naar elkaar toe tot door samenvloeiing slechts één regentijd overblijft. Hoewel de regenval in de Nederlandse Antillen van maand tot maand en van jaar tot jaar zeer wisselvallig kan zijn, geeft het verloop van de gemiddelde regenhoeveelheid en de gemiddelde regenfrequentie aan dat de periode oktober t/m januari duidelijk als regentijd voor de Benedenwindse Eilanden kan worden aangemerkt. Over het algemeen kenmerkt het begin van de regentijd daar zich door wat minder frequente, maar zwaardere buien, terwijl later in de regentijd de buienactiviteit wat meer frequent wordt, maar de intensiteit van de buien minder is. Voor de Bovenwindse Eilanden is de regentijd minder duidelijk aan te geven, hoewel de gemiddelde regenval in de ‘natte’ maanden september tot november 2 á 3 maal zo hoog uitkomt als in de ‘droge’ maanden februari t/m april. (Zie @: Klimaat).

 

@: Regeringsraad
is de term die in de Staatsregeling 1950 gebruikt werd voor het orgaan dat thans de naam draagt van de Ministerraad van de Nederlandse AntiIlen.

 

@: Regeringsreglement
zie @: Bestuursregeling; @: Staatsregeling.

 

@: Regeringsvoorlichtingsdienst
zie @: Persdienst.

 

@: Registratierecht
zie @: Belastingen.

 

@: Reglement voor de gouverneur
zie @: Gouverneur.

 

@: Rei di laman
(Equetus spec.) of
ribbonfish komt in drie soorten voor. Volwassen dieren vallen op door hun scherpe zwart-witte tekening, door hun puntig toelopende staart en hun omhoog stekende eerste rugvinstralen; bij de jonge dieren zijn deze rugvinstralen haast zolang als het lichaam en zijn ze sikkelvormig achterwaarts gebogen. Naarmate de vis groeit wordt deze rugvin relatief steeds korter. De rei di laman is een van de sierlijkste en opvallendste verschijningen langs de kust. In een goed geoutilleerd aquarium zijn zij lang houdbaar. Het zijn alleseters, die echter een voorkeur voor kleine aasgarnaaltjes (Mysidae) hebben.

 

@: Reiger
familie Ardeidae. Van de 10 soorten die in de Nederlandse Antillen zijn aangetroffen, zijn er slechts enkele broedvogel. Het meest algemeen is de kleine
groene reiger (Butorides striatus), galiña di awa of green heron. Men ziet hem vaak langs binnenbaaien, in mangrovebomen, langs de zeekant maar ook aan zoetwater. Zijn voedsel bestaat uit visjes en waterinsekten. Het nest wordt gemaakt in mangroven, soms in nissen in steile kalkrotsen boven het water en bevat enkele blauwgroene eieren. Op de Benedenwindse Eilanden broedt de witbuikreiger (Egretta tricolor), die wat groter is en goed te herkennen aan zijn witte buik en verder grijze en purperen tinten (vandaar tricolor). Vrij algemeen langs de waterkant is de kleine zilverreiger (Egretta thula), egret, heron of garsa blanku, die op de Benedenwinden regelmatig broedend is aangetroffen. Typerend zijn de gele voeten aan de zwarte poten - vandaar de naam Lady with the golden slippers. Ze komen vaak in troepen voor en vliegen wel gezamenlijk van de voedsel- naar de slaapplaatsen. Met de naam garsa blanku wordt ook de grote zilverreiger (Egretta alba) aangeduid. Twee soorten nachtreigers of krabechi (Nyetanassa en Nyetieorax) of crabeater ziet men regelmatig in de Nederlandse Antillen. Verder komen twee blauwe en een roodbruine reigersoort voor, die ook in een witte kleurfase zijn waargenomen. Een recente kolonist uit de Oude Wereld is de koereiger (Bubuleus ibis), tickpicker, white gaulin of cattle egret, die het eerst in 1962 op St. Eustatius werd gezien; hun naam danken zij aan het feit, dat zij steeds het gezelschap van rundvee zoeken. ‘s Nachts verzamelen zij zich in bepaalde ‘slaapbomen’.

 

@: Reina Beatrix Aeropuerto Internacional / @: Reina Beatrix International Airport
zie @: Luchthavens

 

@: Rekencentrum
In 1968 is besloten dat het bestuur van het Eilandgebied Curaçao en de regering van de Nederlandse Antillen in het kader van de samenwerking tussen het land en het eilandgebied op het terrein van administratieve automatisering van des lands- en eilandsdiensten zullen overgaan tot oprichting van een
Rekencentrum, waarvan alle overheidsdiensten en in bepaalde gevallen derden, naar behoefte gebruik kunnen maken. Het Rekencentrum is op 14 april 1969 opgericht in de vorm van een stichting. Het heeft behalve een computer en de bijbehorende hulpmachines, een afdeling interne côntrôle en planning alsmede een ponsafdeling. Het personeel bestaat uit door de regering en het eilandsbestuur ter beschikking gestelde ambtenaren.

 

@: Rekening
Van het Land
De verantwoording van de ontvangsten en uitgaven voor elk dienstjaar afzonderlijk wordt de rekening genoemd. Deze wordt door de regering bij de
Staten ingediend; het slot der rekening wordt bij landsverordening vastgesteld.
 
Van de Eilandgebieden
Het slot van de rekening van het eilandgebied wordt bij
eilandsverordening vastgesteld. Ter wille van de uniformiteit worden voorschriften over de inrichting van de rekening bij landsverordening gegeven, na overleg met alle Bestuurscolleges en met de Rekenkamer (zie ook Begroting).

 

@: Rekenkamer
@:
Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen is als onafhankelijk côntrôleorgaan ingesteld bij Landsverordening van 6 April 1956 (P.B. nr. 35) ingevolge art. 134 Staatsregeling. Daarbij werd de côntrôle voorlopig in handen gesteld van de Nederlandse Algemene Rekenkamer. Bij Landsverordening van november 1959 (P.B. nr. 176) werd een eigen Antilliaanse Rekenkamer ingesteld bestaande uit een voorzitter en twee leden. Zij zijn geen ambtenaren, verrichten hun taak als nevenfunctie en genieten daarvoor een bepaalde vergoeding. De Rekenkamer is belast met de côntrôle op het geldelijk en materieel beheer zowel van het Land als van de eilandgebieden. Zij brengt daarvan jaarlijks verslag uit aan regering en Staten onderscheidenlijk aan gezaghebber en Eilandsraad. Het reglement van orde werd openbaar gemaakt bij Landsbesluit van juli 1960 (P.B. nr. 142).

 

 

@: Remora
of
sei (pega) (fam. Echenaidae) heeft achter zijn kop een langwerpige plaat met dwarsribben, die als zuignap fungeert, waarmee hij zich aan dolfijnen, schildpadden, haaien, roggen en andere grote vissen vastzuigt. De zuignap is zo gebouwd, dat men de vis wel vooruit, maar niet achterwaarts van zijn plaats kan trekken. Remora’s zuigen zich vast zowel tegen de buik als tegen de rug van hun gastheer. Hun eigen buik en rug zijn zo gelijk van kleur en vorm, dat het moeilijk te zien is wat boven en onder is. Als hun gastheer eet, bewegen zij zich naar zijn bek en grijpen brokken die de gastheer laat schieten. Jonge remora’s nemen soms een duik onder de kieuwdeksels en pakken hun gastheer het voedsel direct uit de mondholte. Naast de methode van zich vast te zuigen hebben vooral de jonge dieren nog een tweede methode van liften: zij houden zich zwevende op enkele cm boven de borstvin van bijvoorbeeld een haai, waarbij zij profiteren van de boeggolf ter plaatse, zodat zij zonder te zwemmen als het ware meezweven.
Volgens oude geschriften (Martyr 1504) maakten de Arowakken destijds van remora’s gebruik voor het vangen van zeeschildpadden. Zij hielden hun
Guaiacanum in ondiepe vijvers en namen ze dan met een lijn aan de staart, mee de zee op. Tot in de vorige eeuw werd deze methode hier en daar in het Caribisch gebied nog af en toe gebruikt.

 

@: Renovatie
houdt in het aanpassen van bestaande stadsgedeelten aan de huidige eisen ten aanzien van infrastructuur, woon- en andere stedelijke functies en voorzieningen. Aan stadsrenovatie is in het verleden weinig gedaan. Bekend zijn de afbraakprojecten te
Fleur-de-Marie en Otrobanda, waar in het eerste geval een stadswoonwijk, en in het tweede geval een stadswijk met gemengde stedelijke functies het veld moest ruimen voor het grote brugproject. De oorspronkelijke bewoners zijn in nieuwbouwwijken aan de rand van Willemstad ondergebracht.


Op Aruba is in 1981 het eerste renovatieproject van de Nederlandse Antillen van start gegaan: de renovatie van de ruim vijfhonderd woningen tellende stadswoonwijk
Village te San Nicolas, waar het project voorziet in een mengeling van vernieuwbouw, reparatie en aanleg van nieuwe infrastructuur. Voor Curaçao staat op stapel de renovatie van de woonwijken Coronèt en Montevèrdè. Voorts is te voorzien dat de renovatie van het zeer aantrekkelijke en historisch waardevolIe woon- en zakendistrict Otrobanda spoedig ter hand zal worden genomen. Gezien de historische en toeristische waarde van zowel de Lower Town als de Upper Town van Oranjestad te St. Eustatius, zal ook voor dit gebied op korte termijn een renovatieproject kunnen worden verwacht.

 

@: Repa
Platte koek, te vergelijken met de pannekoek, bereid uit zgn. kleine maïs (
sorghum), of soms ook van de pampuna. De pannekoek van rijst gemaakt heet reskuk.

 

@: Reptielen
(Reptilia) omvatten hagedissen, krokodillen, schildpadden en slangen.

 

@: Restauratie
in de zin van deskundig herstel is noodzakelijk voor een groot deel der nog aanwezige oudere bebouwing van betekenis op de eilanden. Van groot belang is daarbij zoveel mogelijk van het bestaande werk te behouden, ten einde de authenticiteit en aantrekkelijkheid van het betrokken bouwwerk niet te verspelen. Het werken in aansluiting aan de vroeger toegepaste technieken is belangrijker dan ‘aanvulling in stijl’, die licht het doel voorbijschiet (zie @: Architectuur).

 

@: Retributie
Overheidsheffing voor een door de overheid als zodanig geleverde prestatie; wijze van heffing door leges of zegels. Voorbeelden:
Landingsrecht op de luchthavens geheven ten behoeve van de eilandgebieden. De wetgeving geschiedt door het Land.
Loodsgelden door de eilandgebieden geheven voor de diensten van een loods. De tarieven zijn afhankelijk van de scheepstonnage. Speciale lage tarieven voor toeristenschepen en bunkerschepen.
Zegelrecht op paspoorten, daarnaast wordt ten behoeve van het eilandgebied ook leges geheven.

 

@: Reuzen-eilanden
zie @: Geschiedenis - Hoofdstuk 2: Benedenwindse Eilanden - Sectie 1: Spaanse Periode.

 

@: Rif
zie @: Koraal.

 

@: Rigaud
zie @: Tula.

 

@: Rincon-formatie
Een op Bonaire nabij Rincon voorkomende serie kalkstenen en conglomeraten van Boven-Krijt-ouderdom (zie @: Geologie).

 

@: Risibimentu
Rondom de
eerste heilige communie zijn vele gebruiken ontstaan om de belangrijkheid en het feestelijk aspect van dit gebeuren te markeren. De voorbereidingen nemen soms maanden in beslag. De communicantjes (meisjes in een meestal kostbaar bruidstoilet, jongens in een wit of donker pak), gaan paarsgewijze in een stoet van de school naar de kerk. Wanneer een kind samen met anderen de eerste heilige communie doet, spreekt men daarom van risibi na par. Thuis wordt daarna het meer profane gedeelte van het feest voortgezet; familie, vrienden en kennissen komen het kind en de ouders gelukwensen. Er is dan eten en drinken in overvloed, vooral taarten, die in een aparte kamer, de kamber di bolo, staan uitgestald. De meeste mensen gaan al hun kennissen af om de communicantjes geluk te wensen, een gebruik dat met piki punta wordt aangeduid. Soms worden de feestelijkheden herhaald op de eerste zondag na de dag van de eerste communie, de zgn. dumingu di risibimentu.

 

@: Robèki
zie @: Grunt.

 

@: Rode Kruis
zie @: Geneeskunde.

 

@: Roggen
chuchu of rays (orde Batoidei) zijn, evenals de haaien, kraakbeenvissen (Elasmobranchii). Hun skelet is dus kraakbenig. Op hun kaken staan enige dichte rijen emaille tanden en ook op de huid kunnen tanden en stekels staan. De tanden zijn zo hard dat men ze vaak als fossiel in oude afzettingen aantreft. Bij de mannetjes is het mediane deel der buikvinnen vergroeid tot grote copulatieorganen, met behulp waarvan de wijfjes inwendig bevrucht worden. De meeste rogsoorten uit het Caribisch gebied brengen levende jongen ter wereld, die vrijwel geheel het uiterlijk van de volwassen rog hebben.
De
pijlstaartrog (Dasyatis americana), chuchu rog of sting ray is berucht vanwege zijn scherpe, van weerhaakjes voorziene staartstekel met aan de basis een gifklier. Als men deze rog beetpakt, zwaait hij met staart en stekel in het rond en kan diepe, ernstige wonden toebrengen, die vooral bij personen met allergische aanleg onmiddellijk behandeling vereisen; er dient aan toegevoegd te worden, dat de rog zijn stekel niet als aanvalswapen gebruikt.
Vanwege hun enorme grootte beroemd zijn de
arendsrog (Aetobatis marinari), chuchu aquila of spotted eagle ray, die vooral van kleine bodemdieren zoals schelpen leeft, en de manta (Manta birostris), sedi of devil ray, die vooral uit het open water met zijn grote muil visjes en andere kleine dieren opschept.
De
zaagvis (Pristis pectinatus), zaag of sawfish woelt met zijn lange zaag zijn prooi uit losse bodem te voorschijn en valt er niet mee aan, zoals men vaak ten onrechte meent.

 

@: Roi Catochi
zie @: Landhuizen.


 
@: Rojer, Nicolaas
(Curaçao 2 februari 1808 - 11 december 1888). Medische studie te Leiden. Nam deel aan de
Tiendaagse Veldtocht tegen Belgie. Vanaf 1838 op Curaçao: Lid eerste Geneeskundige Commissie van Quarantaine Dienst en Toezichtuitoefening burgerlijke Genees- en Heelkunde op Curaçao, Aruba en Bonaire (1838-1872). Was lid van de Koloniale Raad.


 
@: Römer, Raúl Gervasio
(Curaçao 19 juni 1923) Hispanist en Papiamentist, studeerde Spaanse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, aan welke instelling hij Spaanse en Papiamentse taalkunde doceert. Als Papiamentist heeft hij zich vooral beziggehouden met de fonologie van het Papiamentu, in het bijzonder het tonale systeem (zie Papiamentu: structuur). Van zijn hand is ook een bewerking in het Papiamentu van het Middeleeuwse spel
Mariken van Nieumeghen, onder de titel Marí di Malpaís.


Werken:

  • Marí di Malpaís (1955; Antilliaanse Cahiers V 1967);
  • De studie van het Papiamentu tot nu toe, Christoffel I (1956);
  • Geheimen van het Papiamentu, in: De Nederlandse Antillen in de actualiteit, H. de Wit en J. van de Walle red. (1958);
  • Polarization phenomena in Papiamentu, Amsterdam Creole Studies I (1977);
  • De taalstudie op de Nederlandse Antillen, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen, R.A. Römer red. (1977);
  • Prodisis y endisis en una lengua tonal: algunas comparaciones entre el Papiamento y el Español, in: Dialogos Hispanicos I (1980);
  • Papiamentu tones - how speakers use them and how they bind speakers, in: Papiamentu - problems and possibilities, E. Muller red. (1983).

 

 

@: Römer, Rene Antonio / @: Rene Römer
(Willemstad, Curaçao, 2 juli 1929) studeerde sociologie aan de
Katholieke Universiteit te Nijmegen waar hij in 1956 cum laude voor het doctoraal examen slaagde. Van 1959-1974 heeft hij leiding gegeven aan het Departement van Cultuur en Opvoeding waarna hij docent Sociologie van het Caribisch gebied werd aan de Hogeschool van de Nederlandse Antillen. Hij is één van de eerste Antilliaanse hoogleraren aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen, waarvan hij ook Rector Magnificus is geweest, voordat hij in 1983 werd benoemd tot Gouverneur van de Nederlandse Antillen. Naast zijn professionele carriëre is vaak een beroep op hem gedaan om in diverse commissies zitting te nemen. Zo was hij o.a. voorzitter Commissie 30 mei 1969, lid Koninkrijksdelegatie Unesco, Parijs, lid Adviesraad voor Culturele Samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk (voorzitter Antilliaanse sectie), lid Gemengde Nederlands-Antilliaanse - Nederlandse Commissie Integraleplanning (voorzitter Antilliaanse sectie). Van zijn vele andere functies moeten o.a. nog genoemd worden voorzitter Carmabi, voorzitter Stinapa, commissaris Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V.

Werken: Ruim 25 publikaties, w.o.:

  • Ons samenzijn in sociologisch perspectief (1964);
  • Naar de voltooiing van de emancipatie. Beschouwingen naar aanleiding van het verschijnsel 30 mei (1974);
  • Un pueblo na kaminda (diss. 1977);
  • Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (red.) (1977);
  • Samenleven op een Caribisch eiland (1981);
  • samen met A.F. Marks, Family and kinship in Middle America and the Caribbean (1978).

 

@: Romondt, Everhardus Jacobus van
(Curaçao 11 september 1908 – ‘s Gravenhage 25 februari 1960). Vestigde zich na medische studie als huisarts op Curaçao. Was politiek actief (
Curaçaosche Onafhankelijke Partij). Was minister van Sociale en Economische Zaken in 1953/1954 en daarna tot 1960 Inspecteur Volksgezondheid der Nederlandse Amillen.

 

@: Romondt, George Illidge van
(St. Maarten 9 december 1809 - 25 juni 1854) medicus. Hij studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Leiden, maakte deel uit van het
Korps Leidsche Vrijwilligers Jagers en deed als zodanig mee aan de 10-daagse veldtocht tegen België in 1831. Op 7 augustus 1834 promoveerde hij te Leiden op het proefschrift: Rationem, qua system a cutaneum, hepaticum at nervosum in regionibus tropicis affici possunt et morbos praecipuos exinde oriundos. Waarschijnlijk het eerste proefschrift over tropische ziekten uit de Nederlandse Antillen. Na het voltooien van zijn medische studie keerde hij terug naar St. Maarten en was tot zijn dood praktizerend arts in Philipsburg.

 

@: Romondt, Wouter R. van
(Voorburg (Z.H.) 13 november 1944) is na de middelbare school op Aruba in de periode 1963-1968 tot tekenleraar opgeleid aan de
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag; voorts heeft hij in Brussel en Parijs gestudeerd. Op Aruba is hij vanaf 1968 als tekenleraar werkzaam tot 1976, in welk jaar hij naar Nederland terugkeert. In de Arubaanse periode maakt hij werk dat vooral is geïnspireerd door de aardkleuren en vormen van Arubaanse indianentekens. Later ontwikkelt hij zich naar een geheel vrije abstractie. Zijn vormtaal is een schematisme van punten en elkaar snijdende lijnen, uiterst spaarzaam van kleur; deze wordt veelal monochroom aangebracht. Het werk vertoont invloed van de Nederlander Anton Heyboer.
Belangrijkste uitdrukkingswijze: monotype.
Exposities: Aruba (1967 en 1971): Curaçao (1972) en verder Nederland (1972, 1973, 1979 en 1981). Zijn werk is in verschillende collecties opgenomen, o.m. van het Curaçaosch Museum, van Sticusa en van het Museum of Contemporary Art in Massachusets U.S.A.

 

@: Ronde Klip
1. Heuvel van 131m hoogte, gelegen in de oostelijke helft van Curaçao met, vanuit het noorden, een enigszins ronde vorm.
2. Voormalige plantage in het noordoosten van Curaçao met een in redelijke staat verkerend landhuis dat door een padvindersbeweging beheerd wordt. Er wordt ook wat landbouw en veeteelt, zij het op weinig systematische wijze, beoefend op bepaalde delen van het voormalige landgoed door particuliere landbouwers.

 

@: Ronde Tafel Conferentie
is een gebruikelijke benaming om aan te duiden dat de deelnemers als aan een ronde tafel, waaraan alle plaatsen gelijk zijn, gelijkgerechtigd zijn. Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen hebben ter voorbereiding van het
Statuut drie conferenties gehouden: in 1948, 1952 en in 1954. In de conferentie van 1948 werden 17 resoluties en 2 moties aangenomen, die door een redactiecommissie in een ontwerp-rijksgrondwet werden verwerkt. In afwachting van de totstandkoming van deze nieuwe rechtsorde heeft de Nederlandse regering ten spoedigste in 1950 in een Interimregeling voorzieningen getroffen tot toekenning van autonomie aan de Nederlandse Antillen, zomede een regeling met betrekking tot de gemeenschappelijke aangelegenheden met Nederland. Bovendien bleek de totstandkoming van een Eilandenregeling urgent. Toen eenmaal de beslissing genomen was dat de constructie van de ontwerp-rijksgrondwet onhanteerbaar was, werd aan de Landsregeringen van Suriname en van de Nederlandse Antillen een schets voor een Statuut aangeboden. Na gepleegd overleg in beide landen werd deze schets op een in 1952 bijeengeroepen conferentie uitvoerig besproken. Het was echter niet mogelijk tot overeenstemming te komen. De conferentie werd op 29 mei 1952 verdaagd. Na velerlei onderhandelingen werd zij op 20 mei 1954 voortgezet. Deze conferentie eindigde op 3 juni 1954 met de aanvaarding van het Statuut, dat per 15 december van dat jaar ingaat en het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de drie autonome landen Nederland, Nederlandse Antillen en Suriname doet ontstaan. Per 25 november 1975 wordt het Statuut ten aanzien van Suriname beeindigd, als dat land volledig onafhankelijk wordt en op grond daarvan het Koninkrijk verlaat. Hierna volgen de ontwikkelingen naar de creatie van de zogenaamde status aparte van Aruba.

Bij Koninklijk Besluit van 2 december 1978 nr. 75 (Ned. Stcrt. 1978 no. 248; P.B. 1979, nr. 21) werd een werkgroep ingesteld die tot taak zou hebben mogelijke relaties te inventariseren en te onderzoeken tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen onderling, tussen de eilanden en de Nederlandse Antillen, tussen de eilanden en Nederland alsmede tussen de Nederlandse Antillen en Nederland. De instelling van de werkgroep was door de Koninkrijksregering voorgesteld tijdens een op 19 en 20 april 1978 te Willemstad gehouden bespreking tussen vertegenwoordigers van de Koninkrijksregering, van de Regering van de Nederlandse Antillen en van de Eilandsraad van Aruba. Deze bespreking was een uitvloeisel van de besprekingen tussen de Koninkrijksregering en een delegatie uit de Eilandsraad van Aruba, welke in 1977 hadden plaatsgevonden als gevolg van een beroep van de Eilandsraad op artikel 26 van de Eilandenregeling.
De werkgroep bracht op 30 augustus 1980 haar rapport uit, onder de titel
Naar nieuwe vormen van samenwerking. In februari 1981 werd te ‘s-Gravenhage een Ronde Tafel Conferentie gehouden bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland, met het doel aan de hand van het rapport van de werkgroep overleg te plegen over nieuwe onderlinge verhoudingen. Ter conferentie werd over een aantal voorlopige punten consensus bereikt. In de eerste paragraaf wordt het zelfbeschikkingsrecht van elk der eilanden van de Nederlandse Antillen formeel erkend: De conferentie onderschrijft het recht van de bevolking van elk eiland om zelf haar politieke toekomst te bepalen. Geen der aan de conferentie deelnemende landen of eilanden zal zich tegen de uitoefening van dit zelfbeschikkingsrecht verzetten.

In september 1981 ontstond een breuk in de Antilliaanse regeringscoalitie tussen de Arubaanse Partij M.E.P. en de overige coalitie-partners M.A.N., D.P. en U.P.B. (zie @: Politieke Partijen). De binnen twee dagen nieuw gevormde coalitie (zonder Aruba) gaf op 4 september 1981 een verklaring uit, waarin onder meer werd gesteld dat het noodzakelijk is dat er duidelijkheid en zekerheid ontstaat op het gebied van de staatskundige ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en in het bijzonder met betrekking tot de toekomstige positie van Aruba en dat op de meest korte termijn stappen (moeten) worden genomen ter realisering van een topgesprek op Koninkrijksniveau.
Het in oktober 1981 gehouden overleg tussen de Nederlandse Regering en de Antilliaanse Regering, waarbij tevens door de beide regeringen overleg werd gevoerd met een delegatie uit de Eilandsraad van Aruba en met delegaties van de andere eilanden, resulteerde in de instelling bij Koninklijk Besluit van 14 januari 1982 nr. 8, van een
Gemengde Commissie toekomst Antillen (de zogenaamde Commissie van Zeven), welke commissie tot taak zou hebben te rapporteren over de vraag welke gevolgen de onafhankelijkheid van Aruba kon hebben voor de Nederlandse Antillen, voor Aruba zelf, voor de andere eilanden van de Nederlandse Antillen en voor de verhouding met Nederland. De commissie, onder voorzitterschap van mr. B.W. Biesheuvel bracht op 12 november 1982 rapport uit. Vervolgens werd van 7 tot en met 12 maart 1983 te ‘s-Gravenhage een Ronde Tafel Conferentie gehouden van de Nederlandse Antillen, de eilanden van de Nederlandse Antillen en Nederland. Uitgaande van het recht op zelfbeschikking van elk der eilanden, aanvaardde de conferentie het besluit van Aruba om gebruik te maken van zijn zelfbeschikkingsrecht door definitief te kiezen voor de onafhankelijkheid, te realiseren in 1996. De conferentie stemde er verder mee in dat Aruba als overgangsperiode naar de onafhankelijkheid, voor een periode van tien jaar, ingaande 1 januari 1986, een ‘status aparte’ wordt verleend, d.w.z. een volwaardige positie van land binnen het Koninkrijk op de grondslag van het Statuut. Gedurende de periode waarin Aruba de status heeft van land binnen het Koninkrijk zullen de Nederlandse Antillen en Aruba een samenwerkingsverband hebben in de vorm van een Unie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Per 1 Januari 1986 wordt het Statuut nogmaals veranderd als Aruba een autonome status c.q. de status van apart land in het Koninkrijk krijgt, die daarmee alweer uit drie autonome landen bestaat. Aruba realiseert echter haar onafhankleijkheid niet in 1996, maar blijft als apart land, los van de Nederlandse Antillen, deel uitmaken van het Koninkrijk, dat daarmee dus uit drie landen blijft bestaan. Per november 2006 wordt in Den Haag een akkoord bereikt terzake de ontmanteling van de zogenaamde Antillen van 5; de Nederlandse Antillen zonder Aruba. Dit akkoord is het zogenaamde slotakkoord, die tegelijkertijd het ontstaan behelst van de Koninkrijkslanden Curacao en Sint Maarten. Voor de op dat ogenblik als de BES-eilanden bekend staande Nederlands-Antilliaanse eilandgebieden (Bonaire; Sint Eustatius; Saba) staat een toekomst als overzeese gemeenten van Nederland voor de boeg. Anno 2008 zijn de besprekingen en onderhandelingen over de nieuwe vorm van het Koninkrijk der Nederlanden nog in volle gang met de verwachting dat de nieuwe orde per januari 2010 zal ingaan en daarmee het Koninkrijk met het grootste aantal landen ooit werkelijkheid zal worden.

Ook ter bereiking van de nieuwe constructie worden een aantal Ronde Tafel Conferenties georganiseerd. De eerste hiervan vindt plaats in november 2005 op Bonaire en staat bekend als de start Ronde Tafel Conferentie.


@: Roofvogels


of stootvogels - orde Falconiformes. Op de Benedenwindse Eilanden vinden wij als zeldzame soort de
witstaartbuizerd (Buteo albicaudatus), falki of gabilan, die in jeugdkleed zwartbruin, als volwassen vogel van onderen wit is met een grijswitte staart. Men ziet de vogel in grote kringen rondzweven op de opstijgende luchtstromen nabij heuvels. Het voedsel bestaat o.a. uit blousana’s (hagedissen) en totolika’s (vogeltjes), ook wel uit aas. Het nest wordt gemaakt in grote zuilcactussen en tegen steile rotswanden. Deze soort moet streng beschermd worden, want vooral op Aruba en Bonaire zijn nog slechts weinige broedparen aan de uitroeiing ontkomen. Op de Bovenwindse Eilanden wordt zijn plaats ingenomen door de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis), chicken hawk, die ook bijna uitgeroeid is.

Nog vrij talrijk op de Benedenwindse Eilanden is de warawara (Polyborus plancus), die men als een voornamelijk aasetende valk zou kunnen karakteriseren. Hij is in de vlucht onmiddellijk te onderscheiden van de falki door zijn langere nek en staart en door de lichte plekken vóór de donkere vleugeluiteinden. Zittend op een boom of zuilcactus is de opgerichte houding kenmerkend. Het is een echte opruimer van kabrietenkadavers; ook doet hij zich tegoed aan (doodgereden) hagedissen. Gezamenlijke aanvallen op jonge lammetjes en geitjes zijn - zij het bij uitzondering - waargenomen. Ook pluimvee is voor deze valk niet veilig. Hij wordt daarom sterk vervolgd. Desondanks moet de warawara beslist tot de nuttige soorten gerekend worden. Het nest bevindt zich vrijwel onbereikbaar in hoge zuilcactussen.

Met uitzondering van Bonaire is overal de kinikini (Falco sparverius) of killy-killy een betrekkelijk algemene soort, vooral in open, laagbegroeide terreinen. Men ziet hem vaak op de uitkijk zitten in cactussen of kale boompjes, of snel laag langs de grond vliegen. Met zijn klauwen grijpt hij zijn prooi, zoals hagedissen en grote sprinkhanen, maar ook kleine vogels en muizen. Deze soort is absoluut niet schadelijk en verdient beschermd te worden.

Onder de wintergasten is de visarend (Pandion haliaetus), gabilan piskadó of osprey of fish hawk uit Noord-Amerika een opvallende verschijning. Hij zweeft boven kalme zee bij de kust en boven binnenbaaien, duikt dan plotseling met een plons in het water, grijpt een vis, komt weer boven, schudt het water uit zijn veren en draagt zijn prooi in de klauwen naar een rustige zitplaats, waar het neerstrijken met gevulde klauwen nog wel eens moeilijkheden oplevert.

.  

 

@: Rooi
(Antilliaans-Nederlands voor het Papiamentse
roi), stroombedding die alleen gedurende en kort na regen val water voert (vgl. Spaans arroyo). Algemeen voor droge dalen op de Benedenwindse Eilanden. Verschillende rooien zijn met name op Curaçao, dicht bij de uitmonding aan de kust afgedamd, om zodoende de grondwaterstand hier te verhogen c.q. spaarbekkens te vormen voor regenwater. Op deze plaatsen was aldus tuinbouw mogelijk (zie Dammen; Hofje).


 
@: Rooi Fluit
Diep ingesneden rooi, uitmondende in de
Boca Ketu aan de noordkust van Aruba. Hier werd in 1924 het eerste goud op Aruba gevonden.

.

@: Rooi Frances
Rooi op Aruba, deel uitmakende van het dalstelsel van het
Spaans Lagoen. Bij de uitmonding is door verticale erosie in de kalksteen een karakteristiek kloofdal gevormd van ongeveer 10m diepte (zie @: Geologie: Aruba).

.

@: Rooi Lamunchi
(1) Ingesneden rooistelsel aan de zuidkust van Aruba.
(2) Streek in Zuid-Bonaire; zeer laag en vlak kalksteengebied.

.

@: Rooy, Felix R. de  / @: Felix de Rooy
(Curaçao 3 november 1952). Deze zoon van de dichter-beeldhouwer
René A. de Rooy is een veelbelovend en veelzijdig talent dat zich door middel van verscheidene technieken uit, in het platte vlak met verf op doek, pen en zeefdruk. Daarnaast maakt hij ook plastische werken, ontwerpt hij decors en houdt hij zich bezig met film. Zijn opleiding heeft hij genoten aan de Vrije Academie te Den Haag (begin 1970er jaren) en aan de New York University waar hij filmregie studeerde (1981-1983). Zijn spirituele kunst doet qua vormtaal realistisch aan maar is louter vanuit de innerlijke wereld van de kunstenaar geïnspireerd; hijzelf spreekt van ‘psychisch realisme’. Zijn beste zeefdrukken herinneren aan de lineaire tekenstijl van Ed Marcano. Van 1977 tot 1979 is hij tekenleraar geweest aan het Peter Stuyvesant College en aan de Academie van Beeldende Kunsten op Curaçao. In dat laatste jaar valt hem de Cola Debrot-prijs voor de beeldende kunst ten deel.
Exposities o.a. in Amsterdam (1971), Den Haag (1972); Paramaribo (1970), Jamaica (1975) en op Curaçao (1974, 1975, 1976 en 1977). In de collectie van Sticusa is zijn werk vertegenwoordigd.

.

@: Rooy, René André de


(Paramaribo 1 oktober 1917 - Guadalajara, Mexico 17 oktober 1974) heeft het grootste deel van zijn leven op Curaçao doorgebracht, waar hij aan de meeste eigentijdse tijdschriften -
De Stoep (pseudoniem Marcel de Bruin), Simadan (pseudoniem Andres Grimar), Antilliaanse Cahiers en Watapana heeft medegewerkt door zowel in het Nederlands als in het Papiamentu poëtische bijdragen met een romantische inslag te leveren. In 1954 ontving hij een literaire prijs van het Cultureel Centrum Curaçao voor zijn tragikomedie op rijm Juancho Picaflor, geënt op de Don Juanfiguur van Tirso Molina en Cyrano de Bergerac van Edmond Rostand. (Zie Beeldende kunsten; Letterkunde in de Nederlandse Antillen).


Werken:

  • Juancho Picaflor - un tragicomedia di cinco acto rima - (met inleiding van Cola Debrot 1954);
  • Verworpen Vaderland (postuum 1979).

 

@: Rosario, Guillermo Estilito / @: Guillermo Rosario
(Puerto Cabello, Venezuela 6 januari 1917) geboren uit Antilliaanse ouders. Papiamentstalige schrijver van sociaal-realistische romans met een radicale ondertoon, die soms ook tot boventoon aanzwelt. Werd in 1954 onderscheiden met een culturele prijs voor literatuur van het
Cultureel Centrum Curaçao en in 1976 met een letterkundige prijs van de Sticusa. Naast veel proza heeft hij ook gedichten geschreven en enkele toneelstukken geproduceerd. (Zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

Proza: o.a.

Un drama den hanch’i Punda (1943);

E trahador di den Klip (1958);

Kwater As (1964);

Tambú (z.j.);

E raís ku no ke muri (1969);

Amor i sakrifisio (1974);

E angel pretu (1975).

Poëzie:

Anto Dyos tin bo koló! (1968);

Legría (1969);

Algun bista di mi tera (1969);

Mi nigrita Papyamentu (1971).

Toneel:

Balor di un sèn;

Esta un Yaya;

Esaki ta mi mama;

E baridó di kaya.

 @: Rosenstand, Ernesto Enrique
(Sta. Marta, Colombia, 4 maart 1931). Deze Arubaan is vooral bekend door zijn kinderverhalen en zijn activiteiten op toneelgebied. Verbonden aan de toneelgroepen
Mascaruba, Teatro Experimental Arubiano en Chi-ku-Cha heeft hij buitenlands werk in het Papiamentu vertaald en een aantal originele toneelstukken in de landstaal geschreven (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).


Werken:

Jeugdboeken: Cuéntanan Rubiano (1961); Cuéntanan pa un i tur (z.j .).

Kindertoneel: Wantapa! tapa! ... Ha! ... Ha! ... Ha! (1981); Kudawecha a keda sheu (1982).

Toneel: Bo felicidat ta serca mi (z.j.); Un anochi di Pascu (1970); Macuarima (1972); Wadirikiri (musical 1976); Alameda (1978); Pa nan por ta nan (1979); Kiko ta di nos? (1982); Nami 5 minüt (1982).

Poëzie: Un anhelo sin fin (1982).

Proza: Tur cos a keda atras (1965).

 

@: Rotaryclub
Zie @: serviceclubs.

.

@: Rotstekeningen


Het merendeel van de rotstekeningen in de Nederlandse Antillen is aangetroffen op de Benedenwindse Eilanden, in grotten, abri’s of holtes in steenblokken. Zij zijn geschilderd met witte, rode en zwarte verfstof. Naast geverfde tekeningen komen ook in de rots ingeslepen voorstellingen voor bij
Hato op Curaçao en bij Siribana op Aruba. De afbeeldingen zijn meestal non-figuratief. Een veel voorkomend motief bestaat uit groepen concentrische cirkels, verbonden door bundels parallelle lijnen. Maar er zijn ook andere vormen: soms lijken mens-, schildpad-, vogel-, vis- of slangfiguren herkenbaar. De motieven van de rotstekeningen sluiten in het geheel niet aan bij die van versierd aardewerk. Wel zijn bij verschillende grotten en abri’s met rotstekeningen, althans op Aruba, losse scherven en karkópunten aangetroffen. Waarschijnlijk is dus een deel van de rotstekeningen toe te schrijven aan de Dabajuro-indianen, maar uit te sluiten is niet dat meso-indianen ook al rotstekeningen maakten (zie voor deze groepen: Prehistorie). Fraaie rotstekeningen zijn te zien bij Onima en in Spelonk op Bonaire, in Savonet op Curaçao en bij Fontein en Arikok op Aruba. Ondanks verschillende beschermende maatregelen, hebben de Antilliaanse rotstekeningen door erosie, maar vooral door recente vernielingen, sterk geleden.

Op de Bovenwindse Eilanden is er van één plaats een melding van rotstekeningen: gedurende de bouw van het Concord Hotel (thans: Maho Beach Resort) op St. Maarten in 1967 werd een grot ontdekt waarin zowel ingeslepen als geschilderde rotstekeningen werden aangetroffen. Deze grot werd enkele uren na de ontdekking vernietigd door explosieven en daarop volgende cementstorting.


Literatuur:

  • C.N. Dubbelaar, A study on South American and Antillean Petroglyphs (diss. 1984);
  • P. Wagenaar Hummelinck, Rotstekeningen van Curaçao, Aruba, Bonaire. I: W.I.G. 34, nr. 2-3: 173-209 (1953); II: W.I.G. 37, nr. 2-4: 93-124 (1956/57); III: N.W.I.G. 41, nr. 2: 83-126 (1961/62); IV: N.W.I.G. 49, nr. 1-2: 1-66 (1972). N.B.: (N.)W.I.G.: (Nieuwe) West-Indische Gids.

 

 

@: Round Table International
zie @: Serviceclubs.

.

@: Rouwgebruiken
Aan de traditionele rouwgebruiken wordt nog vrij sterk de hand gehouden. Er bestaan zeer gedetailleerde voorschriften ten aanzien van de
rouwkleding, in het bijzonder van de vrouw. Voor de moeder moet zij twee jaar zware en negen maanden lichte rouw dragen, voor de vader één jaar zwaar en negen maanden licht, voor een zuster of een broer: één jaar zwaar en drie maanden licht; voor een oom of tante: drie maanden zwaar en drie maanden licht. De zware rouwkleding van de vrouw bestaat uit geheel zwarte kleding, de lichte rouw uit grijs of zwart-wit.

De rouwkleding van de man bestaat uit een zwarte das en een zwarte band om de arm of een hartje van zwarte stof op de mouw.

Van iemand, die zwaar in de rouw is, zegt men e ta na rou; licht in de rouw heet na avel.

.

@: Rozendal, Sylvius Gerard Marie (Boy) / @: Boy Rozendal
(Curaçao 4 juli 1928) behaalde in 1957 zijn licenciaatsdiploma in de Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Genève. Heeft voor de
Democratische Partij (D.P.) verschillende functies bekleed als eilandsraadslid, gedeputeerde, Staten-lid en als minister. Van 1970 tot 1971 minister van Financiën en vice-minister-president. Van 1971 tot 1973 was hij Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag. Van 1977 tot 1979 minister-president. Richtte in 1982, na een breuk met de D.P., Union op, echter zonder succes. Thans politiek non-actief.

.

@: Ruba
Zie @: Politieke Partijen.

.

@: Rudía
(1) knie;
(2) een lap die met hulp van de knie wordt opgerold. Deze lap legt men op het hoofd bij het dragen van manden, bakken enz., waardoor deze steviger komen te staan.

@: Ruimtelijke ordening
In de tweede fase van het
Meerjaren(ontwikkelings)plan (1967-1971) zijn voor de conservering van natuurlijke hulpbronnen en natuurterreinen vooral van belang de posten voor grondaankopen ten behoeve van de ruimtelijke ordening, alsmede voor praktisch-wetenschappelijk onderzoek. Zulk een onderzoek werd in 1966-1967, met regeringssteun, gedaan door de Grondverbetering- en Ontginningsmaatschappij N.V. (Grontmij) en het Franse ingenieursbureau Société grénoblaise d'Etudes d'Applications Hydrologiques (Sogreah); daaraan namen bovendien deel deskundigen van de Landbouwhogeschool te Wageningen, de Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, en het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Groningen. Deze zeer uitgebreide survey werd uitgevoerd met het oog op een water and land resources development plan for the islands of Aruba, Bonaire and Curaçao en omvatte bodemkundig, bodemgeschiktheids-, geohydrologisch, hydrologisch, klimatologisch en economisch onderzoek. Uit de verkregen gegevens is een ontwikkelingsplan vastgesteld voor landbouw, tuinbouw, veeteelt, erosiebestrijding, bodem- en waterconservering, bebossing, toerisme en recreatie. Thans is het zover, dat de ruimtelijke ordening behoort tot de regulerende overheidstaken in de Nederlandse Antillen. Organisatorisch is Curaçao het best toegerust om deze taak uit te voeren. De in de 1970ger jaren opgerichte Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting (D.R.O.V.) heeft sindsdien een aanzienlijke groei doorgemaakt van zowel capaciteit als niveau. Sinds oktober 1983 is voorts de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (E.R.O.C.) van kracht, die het juridisch kader vormt voor de ruimtelijke ordening.

Begin 1980ger jaren heeft Aruba studies laten verrichten die zijn uitgemond in een aantal planvoorstellen voor de ruimtelijke ontwikkeling van het eiland. Tevens is een eilandsverordening op de ruimtelijke ontwikkeling in de maak. Voor de kleinere eilanden zijn na 1975 verscheidene planningstudies opgesteld. Geen van deze eilanden bezit echter de vereiste wetgeving, noch het apparaat, benodigd voor een planmatige uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingsplannen. De verwachting is dat na 1985 de ruimtelijke ordening zover is gevorderd, dat alle eilanden, voorzien van de nodige wetgeving, planinstrumenten (of de vereisten bijstand hiervoor) en ruimtelijke ontwikkelingsplannen, een periode zullen ingaan van doelmatig gebruik van de beschikbare ruimte. Afzonderlijke vermelding verdient het feit dat Saba een ruimtelijke ontwikkeling voorstaat die sterk gericht is op het behoud van zowel het natuurlijk als het bebouwd milieu.

.

@: Ruku
1. (Bixa orellana)
orleaan, anatto, orellan, is een boompje behorend tot de familie der Bixaceae; het heeft een hartvormige doosvrucht met veel zaden omgeven door rood moes. Het moes bevat kleurstof waarmee levensmiddelen worden gekleurd. Wordt vooral op de Bovenwindse Eilanden geteeld.

2. Tijdschrift zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

.

@: Rups
zie @: Vlinders.

.

@: Ruyters, Dierick

ook bekend als Dierick Ruiters; Dirck de Ruyter
(17de eeuw) publiceerde in 1623 zijn
Toortse der Zeevaert, dat een aantal herdrukken beleefde. In 1631 verschijnt zijn De Platte ofte Pleynschael Verclaert. Het Rijksarchief te ‘s-Gravenhage bezit verscheidene door hem getekende kaarten van de Braziliaanse kust en andere kusten.
De Toortse der Zeevaert, ofschoon enige tijd later overschaduwd door het bekende werk van
Ioannes de Laet, De Nieuwe Wereldt ofte Beschrijvinge van West-Indiën, is een merkwaardig en uiterst interessant werk, dat inlichtingen verschafte omtrent de navigatie ten zuiden van de kreeftskeerkring. Deze studie, gebaseerd op eigen ervaring en aangevuld met Portugese beschrijvingen, is bovendien zeer betrouwbaar. Een groot deel van het werk houdt zich bezig met Afrika, een kleiner deel met Brazilië en slechts enkele bladzijden met de grote Golf Occidentalis, die vroeger de Nieuwe Wereld werd genoemd en nu West Indië. In kort bestek zet de schrijver hier uiteen welke de navigatieroutes waren die de Spanjaarden in dit gebied volgden en dus verschafte hij de Nederlandse zeelieden in dit gebied waardevolle inlichtingen. Ruyters maakte verscheidene reizen als kapitein in dienst van de West-Indische Compagnie naar West-Afrika en de Amerikaanse wateren. Het is onbekend, wat Ruyters daarna in dienst van de West-Indische Compagnie heeft volvoerd. Na enige tijd verdwijnt zijn naam uit de documenten. Zowel zijn geboorte- als-sterfjaar is onbekend. (Zie verder West-Indische Compagnie, Eerste: externe geschiedenis).


Literatuur:

Ioannes de Laet, Iaerlijck Verhael ed. S.P. L’Honoré Naber (1931-1937, 4 delen);

Dierick Ruyters, Toortse der Zeevaert, ed. S.P. L’Honoré Naber (1913).

 

.

@: Rijgersma, Hendrik Elingsz. van
(Lemsterland, Friesland 5 januari 1835 - Sint Maarten 4 maart 1877). Vanaf 1863-1877 werkzaam als gouvernementsarts op Sint Maarten. Zond belangrijke verzamelingen vogels, vissen, reptielen, mollusken, crustaceae en fossielen naar het museum van de
Academy of Natural Sciences te Philadelphia - waarvan hij corresponderend lid was - en naar het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden.
Lit.: H.E. Coomans, Life and malacological work of Hendrik Elingsz van Rijgersma (1835-1877); (1974).

.

@: Rijk
is de afkorting van Koninkrijk, in casu het Koninkrijk der Nederlanden. Van oudsher werden in Nederland tientallen louter Nederlandse zaken met dit woorddeel aangeduid; men spreekt van rijksbegroting, rijksarchief, rijksgebouwendienst, enz. enz. Dat sinds de totstandkoming van het Statuut het Koninkrijk mede Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en vanaf 1 januari 1986 Aruba omvat, heeft niet tot enige misvatting aanleiding gegeven; de afkorting Rijk blijft alleen op Nederland betrekking houden, uitgezonderd in de woorden
rijksconferentie, rijksdeel, rijkswet, *algemene maatregel van rijksbestuur.

.

@: Rijksconferentie
is de naam van de conferentie, die door
koningin Wilhelmina tijdens de Tweede Wereldoorlog bij verschillende gelegenheden officieel is aangekondigd en waarin na de bevrijding van het moederland vertegenwoordigers van de verschillende delen van het Koninkrijk gezamenlijk zouden overleggen over een voor de veranderde omstandigheden passende bouw van het Koninkrijk. Deze conferentie is nooit gehouden, omdat de in het toenmalige Nederlands-Indië uitgebroken revolutie na vele bilaterale onderhandelingen geleid heeft tot volledige onafhankelijkheid van Indonesië, terwijl in vreedzaam overleg met Suriname en de Nederlandse Antillen na enige Ronde Tafel Conferenties het Statuut tot stand is gekomen.

.

@: Rijksdeel
Eén der drie delen van het Koninkrijk der Nederlanden. Vóór 1940 was de algemeen gebezigde term ter aanduiding van de buiten Europa gelegen Koninkrijksdelen, gebiedsdelen. Later was enige tijd de term staatsdeel in zwang.

.

@: Rijksgrondwet
is de naam, die toegedacht was aan de
grondwet van het Koninkrijk nieuwe stijl, gevormd door de drie landen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Als resultaat van de Ronde Tafel Conferentie van 1948 stelde een redactiecommissie een ontwerp-rijksgrondwet voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op, waarin de ter conferentie aangenomen 17 resoluties en 2 moties waren verwerkt. Ofschoon de conferentie in de mening verkeerde, dat de resultaten van de conferentie de instemming van de toenmalige Nederlandse regering hadden, bleek tenslotte dat dit niet het geval was geweest en dat de ontworpen constructie in de praktijk onuitvoerbaar was. Het ontwerp is dan ook niet verder behandeld en ook niet gepubliceerd. De inmiddels opgetreden nieuwe Nederlandse regering heeft naar een meer eenvoudige en doelmatige oplossing gezocht, hetgeen tenslotte geleid heeft tot het Statuut.

.
 
@: Rijkswetten
zijn de wettelijke regelingen betreffende koninkrijksaangelegenheden door
Koning en Staten-Generaal gezamenlijk tot stand gebracht, met medewerking van de Staten van de Nederlandse Antillen. Het ontwerp van een rijkswet wordt in de ministerraad van het Koninkrijk behandeld; de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen en sinds 1986 ook Aruba, neemt aan de beraadslaging deel (artt. 8, 10-12 Statuut). De Koning zendt het ontwerp gelijktijdig met de indiening bij de Staten-Generaal aan de Staten van de Nederlandse Antillen c.q. Aruba. De Staten zijn bevoegd vóór de openbare behandeling in de Tweede Kamer schriftelijk verslag uit te brengen (art. 16 Statuut). De gevolmachtigde ministers zijn betrokken bij de opstelling van de memorie van antwoord eventueel met intern appel en heeft in de Staten-Generaal grote bevoegdheden. Is tenslotte overeen- stemming bereikt, dan draagt de regering van het Koninkrijk zorg voor de afkondiging. Zij geschiedt in Nederland in het Staatsblad en in de Nederlandse Antillen in het Publicatieblad. De regering van de Nederlandse Antillen verleent daartoe de nodige medewerking. Zij treden in werking op het in of krachtens de rijkswetten te bepalen tijdstip (art. 22 Statuut).

.

@: Amfibiewet
is de - niet officiële - benaming van een rijkswet, waarin zowel bepalingen omtrent koninkrijksaangelegenheden als omtrent eigen landsaangelegenheden voorkomen. Het is natuurlijk het meest normale de regeling van die verschillende aangelegenheden gescheiden te houden, maar als er goede redenen zijn - bijvoorbeeld de zeer nauwe samenhang van de stof - beide regelingen te doen samenvallen, behoeft daartegen geen bezwaar te bestaan. Het betoog dat een dergelijke amfibiewet onmogelijk zou zijn, wordt weerlegd door het Statuut zelf, dat in art. 57 bepaalt, dat wetten, die in de Nederlandse Antillen gelden, de staat van rijkswet verkrijgen, met dien verstande dat zij, voor zover zij ingevolge het Statuut bij landsverordening kunnen worden gewijzigd, de staat van landsverordening verkrijgen. Verschillende wetten van vóór 29 december 1954 zijn dus amfibiewetten geworden: Nederland en de Nederlandse Antillen mogen ieder de bepaling betreffende de eigen aangelegenheden wijzigen of intrekken. Tijdig overleg tussen de twee regeringen is in dergelijke gevallen gewenst voor het vinden van de meest praktische weg. Het Statuut laat hiertoe zeer veel ruimte.

.


De letter S
s
is de negentiende letter van het Nederlandse alphabet. In deze encyclopedie is het de op twee na meest gebruikte letter. Zijn oorsprong is Semietisch, die in hun taal heel vaak van de sis- of aanverwante klanken gebruik maakten (ss; sh; ch), die zij op gedetailleerde wijze van elkaar onderscheidden en zelfs schijnen te hebben gebruikt om iemands achtergrond mee te achterhalen (zie voor een aanverwante relaas hierover de Bijbel in Richteren 12: 1-6). In de Griekse alphabetten die op deze basis voortbouwden werd na enige tijd alleen de s en x klanken behouden, waarna de s zich in het Romeinse alphabet ontwikkelde tot de schrijfwijze en klank die wij nu kennen.

.

@: Saba

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Algemene geografische beschrijving
Sectie 1: Een uitgedoofde vulkaan met diepe kloven
Sectie 2: Het klimaat en natuurlijke begroeiing

Hoofdstuk 2: Bevolking
Sectie 3: Evenwicht maar scheiding blank en zwart
Sectie 4: Godsdienst en onderwijs

Hoofdstuk 3: Ruimtelijke ordening: Belangrijkste plaatsjes
Sectie 5: Hoofdplaats The Bottom en Fort Bayhaven
Sectie 6: Saint John’s
Sectie 7: Windwardside
Sectie 8: Hell’s Gate
Sectie 9: Begraven op eigen erf

Hoofdstuk 4: Agrarisch bodemgebruik
Sectie 10: Gering landbouwareaal; changework; Irish-potatoes; kitchen gardens en beperkte veestapel
Sectie 11: Tuinbouw land;Land- en Tuinbouwproject en Horticul¬ture Foundation

Hoofdstuk 5: Het gouvernement
Sectie 12: De grote werkgever
Sectie 13: Wegenaanleg
Sectie 14: Andere projecten
Sectie 15: Private sector

Hoofdstuk 6: Autonoom eilandgebied


Nu volgt de behandeling van het artikel

Saba: Hoofdstuk 1: Algemene geografische beschrijving
Sectie 1: Een uitgedoofde vulkaan met diepe kloven


Saba is het kleinste eiland (hoofdplaats:
The Bottom) behorende tot de groep der Bovenwindse Eilanden van de Nederlandse Antillen, gelegen tussen 63° 13' en 63° 15' W.L., en 17° 37' en 17° 39' N.Br. op ca. 50 km ten zuiden van Sint Maarten. Saba is een steil uit zee oprijzende, uitgedoofde pleistocene vulkaan met een oppervlakte van circa 13 km²; het hoogste punt, de Mountain Scenery, verheft zich 870,4m boven de zeespiegel. Verwering en erosie hebben het oude vulkaanlichaam sterk versneden: langs talrijke radiaal verlopende diepe kloven, ghauts genaamd, zoekt na regenbuien het water in snelle vaart zijn weg naar zee. Van de voornaamste kloven worden hier genoemd Ladder Ghaut, Well’s Ghaut, Island en Deep Ghaut, Cove Ghaut, Spring Bay Ghaut, Plump en Core Ghaut en Wash Ghaut, Tom’s Ghaut en Compagnie’s Ghaut. Hiertussen liggen verheffingen als Troy (586m), Mary’s Point Mountain (566m), Pirate Cliff, Old Booby Hill (223,7m), Booby Hill (447m), Peter Simon’s Hill (557m), Peak Hill (401m), Fort Hill (137m), Bunker Hill (378m) en Great Hill (422,7m). Werkelijk vlak terrein is op Saba nagenoeg niet te vinden, de meest vlakke delen zijn de vallei, waarin het hoofdplaatsje The Bottom ligt en het in noordoostelijke richting vooruitspringende 38m hoge Flat Point, waar een vliegveld is aangelegd.


De wanden van het vulkaaneiland worden gestadig door de zee ondermijnd en zijn als gevolg daarvan zeer steil tot loodrecht. Een natuurlijke haven kent Saba dan ook niet, slechts op enkele plaatsen was het mogelijk met kleine sloepen op het eiland aan wal te gaan.
Fort Bay en Ladder Bay, respectievelijk aan de zuidkust en de westkust, werden de landingsplaatsen van het eiland. Grote schepen moesten ook hier echter enige honderden meters uit de kust blijven. De overige baaien hebben voor de scheepvaart geen betekenis en geven geen of moeilijk toegang tot het binnenland. Waar de rotswanden niet onmiddellijk uit zee oprijzen, ligt veelal een smal puinstrand, zandstranden kent Saba niet.


Het vulkanisch verleden van Saba blijkt o.a. uit het voorkomen van gestolde lavastromen zoals in de nabijheid van Flat Point en uit de 4 tot 6 meter dikke zwavel- en gipsformaties bij
Hell’s Gate. Een postvulkanisch verschijnsel is voorts de warmwaterbron aan de voet van Great Hill; hier komt aan de kust zwavelhoudend water met een temperatuur van 57° C te voorschijn.

Saba Hoofdstuk 1; Sectie 2: Het klimaat en natuurlijke begroeiing


Het klimaat van Saba wijkt over het algemeen niet af van dat der overige Bovenwindse Eilanden, maar vertoont als gevolg van het relief plaatselijk iets hogere neerslagwaarden; de top van het eiland is dikwijls in mist gehuld. De hoogte van het eiland heeft uiteraard ook invloed op de temperatuur, die vooral ‘s nachts aangenaam koel kan zijn. De wind die door de kloven van Ladder Bay en Fort Bay verkoeling brengt in The Bottom, wordt door de bewoners The Doctor genoemd. De verwarming van The Bottom wordt bovendien getemperd door de schaduw van de omliggende bergen, waardoor het aantal uren zonneschijn met ongeveer vier uur per dag verminderd wordt.
De natuurlijke begroeiing van Saba vertoont een grote verscheidenheid en neemt in het algemeen met de hoogte toe. De top van de Mountain Scenery wordt gekenmerkt door een rijke vochtig-tropische vegetatie waarin o.a. mahoniebomen, palmbomen, boomvarens, orchideeën en verschillende mossoorten voorkomen.

Saba: Hoofdstuk 2: Bevolking

Eind september 1982 telde Saba 1.013 inwoners, administratief over een viertal nederzettingen verdeeld: The Bottom 37%, St. John’s 11%, Windwardside 33% en Hell’s Gate 19%. Anders dan
op de overige Bovenwindse Eilanden waar het negroide volksdeel ver overheerst, is de getalsverhouding tussen blank en gekleurd op Saba ongeveer gelijk. Dit wijst op een relatieve toeneming van het negroide volksdeel, omdat dit in de vorige eeuw nog in de minderheid was. Saba had immers in het verleden geen grote aantallen slaven nodig aangezien op dit kleine, sterk geaccidenteerde eiland geen plantages van enige omvang aangelegd konden worden en arbeid van blanke kolonisten ook niet stuitte op klimatologische bezwaren. Het gevolg was dat een omvangrijke negroide immigratie zoals op de andere eilanden, hier achterwege bleef. In 1817 telde het eiland 462 slaven op een totaal van 1.145 inwoners, in vergelijking met de omliggende eilanden een gering aantal (40% der totale bevolking, tegen 72% op Sint Maarten en 70% op Sint Eustatius). In 1862 bedroeg het percentage slaven van de totale bevolking op Saba 38, tegen 57 op St. Maarten en 58 op St. Eustatius. Het vertrek van vele blanken in de afgelopen decennia en het hogere geboortenoverschot van het negroide volksdeel vormen samen de oorzaken van de gewijzigde getalsverhouding tussen de beide rassen. Het contact tussen de bevolkingsdelen blijft overigens beperkt, met name worden interraciale huwelijken vermeden.

Niet alleen sociaal maar ook ruimtelijk bestaat er scheiding tussen de rassen: Windwardside wordt hoofdzakelijk door Europiden bewoond, het hemelsbreed twee km verder gelegen The Bottom overwegend door negroiden; het gehucht English Quarter is overwegend negroide, het nabijgelegen Upper Hell’s Gate daarentegen weer overwegend blank.

Saba Hoofdstuk 2; Sectie 4: Godsdienst en onderwijs
Tweederde van de bevolking is rooms-katholiek, van de overigen behoort het grootste deel tot de Anglicaanse Kerk. De bevolking van Saba was van 1967 (1.021 inwoners) tot 1982 (1.013 inwoners) zeer stabiel. In 1974 waren er 951 inwoners, het laagste aantal in die periode. Het ontbreken van groei komt door de emigratie. Het gebrek aan voldoende werk en betere kansen buiten Saba doen elk jaar weer Sabanen vertrekken. Doordat er tot 1981 geen scholen waren voor voortgezet onderwijs, gaan ook veel jongelui hun vervolgopleiding op de Benedenwinden of op Sint Maarten genieten (54 jongelui in januari 1982). Van 1966 tot 1976 kwam gemiddeld 56% van de schoolverlaters niet terug op Saba. Van 1977 tot 1980 steeg dit zelfs tot 75%. Vele Sabaanse gezinnen zien op deze wijze één of meer kinderen op 13jarige leeftijd verdwijnen. Om hier enigszins een eind aan te maken is in 1981 een m.a.v.o.-klasje van start gegaan, het jaar daarop gevolgd door een lagere technische school-klas en een huishoudschool-klas. De m.a.v.o. had in 1982 twee leerjaren. Deze drie schooltypen zijn tesamen in 1982 ondergebracht in het voormalige ziekenhuis te St. Johns. Het ziekenhuis werd in 1980 in The Bottom gevestigd aangrenzend aan het in 1978 gebouwde Old People’s Home. Saba heeft een lagere school waarvan de klassen 1, 2 en 3 in The Bottom staan en 4, 5 en 6 in Windwardside. Hierdoor krijgt een ieder een gelijk aandeel in het naar school gaan met de gouvernementsbusjes en wordt de ruimtelijke scheiding van de twee hoofdkernen voor de jeugd opgeheven.

Saba: Hoofdstuk 3: Ruimtelijke ordening: Belangrijkste plaatsjes

De hoofdweg van Saba slingert van het plaatsje The Bottom over Crispeen, St. John’s en Windwardside naar Hell’s Gate, en sinds 1960 van daar met een twintigtal bochten steil naar het vIiegveld op Flat Point. Tot in de 1940ger jaren was deze o.m. door de daarin voorkomende trappen slechts begaanbaar voor voetgangers en lastdieren, thans is zij berijdbaar voor motorvoertuigen, waarvan de chauffeurs overigens vanwege de veelvuldige scherpe haarspeldbochten en de hier en daar enorm steile gradiënt uiterst behoedzaam moeten rijden.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 5: Hoofdplaats The Bottom en Fort Bayhaven


The Bottom - waarvan de naam afkomstig is van het Zeeuwse woord voor kom - is het hoofdplaatsje van Saba. In de ongeveer 220m hoog gelegen, besloten vallei liggen de vriendelijke, door bloementuintjes omgeven huizen. Hier zijn het administrateurskantoor, de politiewacht, het postkantoor, enz., er staan een RK en een Anglicaans kerkgebouw en men vindt er een lagere school en een kleuterschool. The Bottom is met Fort Bay verbonden door een zeer steile weg, die over een afstand van 1.150m een hoogteverschil van 200m overbrugt. In 1972 werd te Fort Bay met behulp van op Sint Maarten gebouwde caissons de Leo Chance-pier aangelegd. De pier functioneert tegelijkertijd als zeedijk zodat een redelijk beschutte haven ontstaan is. Door deze beschutting ontstond in de rustige hoek van de haven een zandstrand waardoor er goed gezwommen kan worden. De verzanding gaat echter ten koste van de diepte in de haven zodat deze van tijd tot tijd leeg gezogen moet worden. Waar voorheen passagiers en vracht per roeiboot door de branding heen op het strand gezet werden, kunnen nu kleine vrachtschepen en jachten veilig afmeren. Na de aanleg van de haven werden geleidelijk aan de havengebonden activiteiten uitgebreid. In 1973 werd de nieuwe elektriciteitscentrale te Fort Bay in gebruik genomen, naast de opslagtanks van de Shell.
Ten oosten van de haven begon een steenbreker het vulkanisch gesteente te verwerken tot zand en grind, dat, dankzij de haven, kan worden uitgevoerd naar Sint Maarten en andere eilanden. De vraag ernaar is groot. Het
landingsvaartuig Daisy zorgt voor het transport. In 1981 werd het nieuwe havengebouw in gebruik genomen waardoor het oude vrijkwam waarin nu het toeristenduikbedrijf Saba Deep gevestigd is. Vanaf 1978 geeft dit bedrijf toeristen de gelegenheid om te snorkelen, te vissen of te duiken op één van de ongerepte plekjes rond het eiland.

De enige regelmatige vracht- en passagiersverbinding die Saba kent wordt uitgevoerd door de Brianne-C, een voormalige Amerikaanse trawler. Hij is eigendom van de gebroeders Hassel van Saba. Het schip vaart naar Sint Maarten, Sint Eustatius en St. Kitts. In de beschutting van de pier liggen ook de vissersboten voor anker. Zes fulltime vissers met boten van 5-9 meter vissen voornamelijk op de Saba-bank en verkopen hun vis op Sint Maarten. Vijftien part-time vissers vissen met kleine bootjes rond het eiland.
Het aantal bezoekers dat Saba per schip aandoet is vrij groot vergeleken bij het aantal per vliegtuig. Het veertiendaagse bezoek van het
cruiseschip Polynesia zal ongetwijfeld het leeuwedeel van de bezoekers voor haar rekening nemen, aangevuld met bezoekers afkomstig van jachten.

Ladder Bay: De verbinding tussen The Bottom en Ladder Bay is nog niet gemoderniseerd: via The Gap daalt de voetganger als vanouds de 524 treden tellende trap (The Ladder) af naar de baai.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 6: Saint John’s
St. John’s ligt op ongeveer 350m hoogte en ziet uit op zee. Daarom staat hier het seintoestel waarmee men door middel van grote schijven de politiewacht in The Bottom waarschuwde dat een schip in aantocht was, zodat maatregelen voor de ontscheping konden worden getroffen. In 1969 werd het seintoestel voor het laatst gebruikt.

Saba Hoofdstuk 3;Sectie 7: Windwardside


Windwardside ligt op ongeveer 400m hoogte aan de oostzijde van het eiland en is met zijn smetteloos geschilderde groen-witte huisjes aan de nauwe straatjes al even knus als The Bottom. Door de vroeger vooral zo moeilijke verbinding met de hoofdplaats zijn er in Windwardside eveneens een postkantoor, politiewacht, enz., een RK en een Anglicaanse kerk alsmede een lagere school en een kleuterschool.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 8: Hell’s Gate
Na English Quarter komen Upper- en Lower Hell’s Gate, gelegen op resp. 450 en 300m hoogte; de huizen zijn hier als vogelnestjes tegen de steile wanden langs de weg gebouwd en onderling door voetpaden en trappen verbonden. Hier eindigde vroeger de bewoonde wereld van Saba, maar in 1960 werd op Flat Point het later zo genoemde Juancho Yrausquinvliegveld aangelegd met een start- en landingsbaan van ongeveer 400m, geschikt voor kleine vliegtuigen. Sinds 1963 wordt door de Windward Islands Airways een geregelde dienst op Saba onderhouden. Tussen Hell’s Gate en het vliegveld kwam een nieuwe weg tot stand, die in 1964 de naam van Drs. H.A. Korthalsroad kreeg, en over een afstand van ongeveer 2,5 km een hoogteverschil van 400m overwint. Het afgelegen Hell’s Gate werd door de nieuwe verkeersverbinding nu het eerste dorp waar de luchtreiziger die Saba bezoekt, binnenkomt terwijl The Bottom ten opzichte van het vliegveld min of meer achteraf is komen te liggen. Vermelding verdient nog het vroegere gehucht Mary’s Point, dat bijna onbereikbaar in de noordwestelijke hoek van het eiland lag; de 32 personen tellende bevolking hiervan werd in 1934 op last van de overheid om redenen van veiligheid en volksgezondheid overgebracht naar The Bottom. Hier woont zij thans in de wijk Promised Land, maar heeft in vele opzichten haar isolement bewaard.

Saba Hoofdstuk 3; Sectie 9: Begraven op eigen erf


Een merkwaardig, hoewel niet algemeen gebruik is op Saba nog steeds in zwang: velen begraven hun overleden bloedverwanten op hun eigen erf; de geringe beschikbare ruimte voor meer algemene begraafplaatsen is hier ongetwijfeld de oorzaak van. Dit gebruik neemt nu wat af in verband met de toename van de verkoop van huizen waardoor de graven het gevaar lopen vernietigd te worden.

Saba: Hoofdstuk 4: Agrarisch bodemgebruik
Sectie 10: Gering landbouwareaal;
changework; Irish-potatoes; kitchen gardens en beperkte veestapel

Het agrarisch bodemgebruik op Saba wordt uiteraard door het aanwezige grote reliëf uitermate beperkt: van de 1.300 ha die het eiland beslaat komt slechts 216 ha voor akkerbouw en/of veeteelt in aanmerking. Dit geringe landbouwareaal maakte het in het verleden onmogelijk dat Saba een rol kon spelen in de export van tropische plantageprodukten. De kolonisten die het eiland sinds ca. 1640 bevolkten, legden zich dan ook toe op de zelfvoorzieningslandbouw en men deed dat, zoals reeds vermeld, met een gering gebruik van slavenarbeid. In overeenstemming hiermee bestond en bestaat op Saba een systeem van wederkerig hulpbetoon, changework genoemd, waardoor de landbouwers occasioneel kunnen voorzien in de behoeften aan arbeidskracht. De Sabaanse bedrijfjes zijn zeer klein en versnipperd, de landbouwmethoden waren tot kort geleden primitief. Rond 1900 was de situatie zo slecht, dat een Nederlandse parlementariër die het eiland bezocht, adviseerde de gehele bevolking maar te evacueren naar Sint Eustatius. De jaren daarna brachten een kleine opleving: in 1911 exporteerde men 30.000kg aardappelen en 15.000kg uien naar Curaçao; 2.500 mensen werkten toen in de landbouw. Sindsdien is het met de landbouw echter steeds meer achteruitgegaan door het vertrek van vele Sabanen naar elders en de onmogelijkheid tegen concurrerende prijzen te exporteren. Veel akkerland werd in de steek gelaten en momenteel is nog slechts ongeveer 64 ha grond voor landbouwdoeleinden in gebruik, dat is dus minder dan een derde van het potentieel bruikbare areaal. Men verbouwt zgn. Irish potatoes (dat zijn de gewone Europese consumptie-aardappelen) die het vooral boven de 500-m hoogtelijn goed doen, voorts zoete aardappelen, yams, tajers, bonen, groenten en vruchten als bananen, meloenen, citrus, mango’s, avocado’s, broodvruchten, ananassen en kokosnoten. Moestuinen (kitchen gardens) worden algemeen gehouden. De veestapel omvat vooral runderen, geiten en varkens, maar is beperkt. Het rundvee wordt dikwijls in een soort open potstallen gehouden, de aldus verkregen mest dient voor de bemesting van de aardappelveldjes. De Sabaan heeft doorgaans een uitgesproken agrarische mentaliteit. Dit komt tot uiting in de leeftijdsopbouw van de boeren. Waar deze op de omringende eilanden meestal hoog is vanwege het gebrek aan belangstelling van de jongeren, zien we op Saba tamelijk veel jonge mensen onder de boeren, die zo'n twee tot drie uur per dag agrarisch werk verrichten. Twee boeren zijn geheel afhankelijk van de landbouw.

Saba Hoofdstuk 4; Sectie 11: Tuinbouw land;Land- en Tuinbouwproject en Horticulture Foundation
Van de 146 ha goed tuinbouwland zijn 20 ha in gebruik. 80% van de grond is eigendom, 15% usufruit d.w.z. dat de eigenaar éénderde van de opbrengst krijgt. De overige 5% is pacht. Het gouvernement heeft te weinig landbouwland om te verpachten. Slechts ongeveer 15% van Saba is gouvernementsgrond. Ongeveer éénderde van de waarde van de lokale consumptie van landbouwprodukten wordt op Saba verbouwd.
De laatste jaren zien we kwantitatief en kwalitatief een vooruitgang in de landbouw op Saba. Belangrijke stimulansen zijn de gegroeide exportmogelijkheden en het Land- en Tuinbouwproject. Dit project heeft zijn in 1981 gebouwde hoofdkwartier in English Quarter, waar zaden, kunstmest en insekticiden verkocht worden en produkten ingekocht. Regelmatig worden overschotten aan Sint Maarten en Sint Eustatius verkocht. Het transport van groente en fruit gaat meesta1 per vliegtuig. Vier experimentele tuinen geven een goed voorbeeld aan de Sabaanse boeren hoe moderne tuinbouw het beste kan worden uitgevoerd. Op Booby Hill en in The Bottom wordt gebruik gemaakt van
druppel-irrigatie. Ondermeer wordt het regenwater opgevangen door middel van het wegoppervlak. Een 0,4 ha thijm-tuin levert de kruiden per vliegtuig aan Curaçao en Aruba. Een kiwi-tuin ging in 1983 van start en de verwachting is dat er na een jaar de vruchten van kunnen worden geplukt. Het Land- en Tuinbouwproject staat onder leiding van een Nederlands deskundige en heeft zes Sabanen in dienst. De boeren zijn verenigd in de Horticulture Foundation.

Saba: Hoofdstuk 5: Het gouvernement
Sectie 12: De grote werkgever

Als grote werkgever op Saba treedt het gouvernement op, dat wegen liet aanleggen en verbeteren en de bouwactiviteiten stimuleerde. Van de beroepsbevolking van 346 personen in 1981 werkte er 64% bij de overheid (Land en Eiland). Hiervan was een kwart echter niet in vaste dienst. Dit zijn de zgn. quincena workers, zo genoemd omdat zij tweemaal per maand betaald worden. Zij werken mee aan gouvernementsprojecten. Als het werk klaar is worden zij niet ontslagen maar te werk gesteld om wegen te repareren, gebouwen te onderhouden en vuilnis op te halen. Deze vorm van werkverschaffing, die in 1981 46 personen omvatte, zorgde er voor dat er vrij weinig werkloosheid op Saba was nl. 7% (6 mannen en 23 vrouwen). Zonder dit systeem zou de werkloosheid tot ca. 20% stijgen.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 13: Wegenaanleg
Na de aanleg van de weg naar het vliegveld in 1960 is de overheid doorlopend bezig met wegenaanleg. Hierbij moet voor ogen gehouden worden dat alle wegen van een hoogwaardige betonconstructie zijn, dat ze voor het grootste deel met de hand worden aangelegd en dat daardoor alleen een continue werkploeg voor goede resultaten zorgt. Zo werd vanaf het vliegveld een weg naar Cove Bay aangelegd, waar de bevolking haar strandgenoegens beleeft. In alle dorpen werden nieuwe wegen aangelegd. De wegen op Booby Hill zorgden voor het ontstaan van een luxueuze woonwijk waar zowel Sabanen als Noord-Amerikanen huizen bouwen. Het meest in het oog lopende project is de nieuwe weg die rond de top van de berg wordt aangelegd. Hiermee worden goede landbouwgronden gemakkelijk bereikbaar en komen meer terreinen vrij voor huizenbouw. De nieuwe weg naar Well Bay gaat een tot nu toe volledig onbereikbaar stuk Saba ontsluiten. De economische mogelijkheden in dit gebied zijn waarschijnlijk vrij groot: haven en toerisme.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 14: Andere projecten
De reeds vermelde projecten zoals lucht- en zeehaven, elektriciteitscentrale, havengebouw, land- en tuinbouwstation, ziekenhuis, scholengemeenschap, konden in 1976 worden aangevuld met een volledig nieuw radiotelefonie- en telefoonsysteem en jeugdcentra in The Bottom en Windwardside. Het architectonisch fraai aangepaste nieuwe gouvernementsgebouw werd in 1982 opgeleverd en herbergt o.a. de openbare bibliotheek. Eind 1983 zou met de bouw van een zwembad in Windwardside begonnen worden. Het tekort aan volkswoningen wordt in Saba op unieke wijze opgelost. In plaats van nieuwe volkswoningen te bouwen worden oude, houten, typisch Sabaanse woningen gerenoveerd. Zo werden rond 1983 dertig woningen opgeknapt waarvan er drie opnieuw werden opgebouwd.
Saba laat niet veel aan het toeval over: een bestuursfunctionaris ‘klaagde’ erover dat hij zoveel tijd kwijt was met het ontvangen en begeleiden van allerlei studiegroepen. Een van de studies betreft het probleem van het huisvuil dat voorlopig nog gestort wordt in een ravijn bij St. Johns. In de zeventiger jaren van de 20ste eeuw werd een plan gemaakt ter verbetering van het vliegveld. De geraamde kosten waren echter zo hoog dat een nieuw plan ontwikkeld werd: een nieuw, veel groter vliegveld kan voor hetzelfde geld langs de kust bij Gile’s en Fence Quarter worden aangelegd. Nederland toonde zich in 1983 bereid om de financiering ervan te regelen.

Saba Hoofdstuk 5; Sectie 15: Private sector
De werkgelegenheid in de private sector bereikte in 1981 36% (125 personen). Van de industrie werd de steenbrekerij reeds genoemd. Saba Ranger N.V. (1980), een fabriek die leren en canvas kwaliteitsriemen maakt, staat naast het vliegveld en geeft aan 13 personen, vooral vrouwen, werk. De Saba Artisan Foundation (1981), ook wel de Silk Screen Factory genoemd, bedrukt T-shirts en stoffen, maakt er kleding van en produceert Saba Spice, een lokale likeur. Dit alles wordt tezamen met kunstnijverheidsprodukten van andere eilanden in de eigen winkel verkocht. De uitbreiding van de produktie is afhankelijk van de afzet op andere eilanden. Het toerisme neemt geleidelijk aan toe. Vele op Sint Maarten verblijvende toeristen maken een dagtochtje naar Saba, waarvan Winair, taxichauffeurs, restaurants, toeristenwinkeltjes en het museum profiteren.
Het Sabaanse kant wordt in toenemende mate verkocht en vele vrouwen houden zich dan ook bezig met de produktie ervan. Toeristen die langer willen blijven kunnen in drie kleine hotels en een
guesthouse terecht. Dankzij Saba Deep neemt het duiktoerisme toe. Stinapa legde in 1983 een aantal natuurpaden aan waardoor het wandelen door de prachtige natuur een verblijf op Saba extra aantrekkelijk maakt. Op de top van Mountain Scenery verrees in 1973 een zendmast van de Britse firma Cable and Wireless die de radioverbindingen tussen de eilanden in het Caribisch Gebied geheel automatisch onderhoudt. Het gouvernement zorgde voor de bouw van twee T.V.-relaisstations zodat Sint Maarten en St. Croix op Saba te volgen zijn. Het radiostation PJF-1: The Voice of Saba, zorgt op eigen wijze voor het lokale nieuws en wordt door de Sabanen nauwgezet beluisterd. De Saba Herald becommentarieert het weekgebeuren in de enige lokale krant. Twee stichtingen, de Saba Development Foundation en de Harry L. Johnson Memorial Foundation, houden zich bezig met respectievelijk de ontwikkeling van de gemeenschap en culturele activiteiten.

Saba: Hoofdstuk 6: Autonoom eilandgebied

Op 1 april 1983 werd Saba een autonoom eilandgebied. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en twee gedeputeerden. De Eilandsraad telt vijf leden. Bij de verkiezingen in juni 1983 behaalde de Windward Islands People’s Movement (W.I.P.M.) vier zetels en de Saba United Party (S.U.P.) één zetel.

(Zie verder o.m. Archeologie; Architectuur; Bevolking; Bovenwindse Eilanden; Geologie; Geschiedenis; Klimaat; Landbouw; Mijnbouw).

Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

.

@: Sabadía
(Leonotis nepetifolia) of
pòmpòn, yerba di kèrkòf, a nase di kerkóf, (adonis abbot), plantesoort uit de familie der Lamiaceae. Stevig kruid met vierkante stengel; bladeren langgesteeld, hartvormig met grof-gekartelde rand; opvallend door de grote, oranje bloeiwijze, die bestaat uit zittende, bolvormige schijnkransen om de stengel. Algemeen op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

.

@: Saba Foundation for Culture and Art
ontplooit evenals de andere culturele centra in de Nederlandse Antillen diverse activiteiten op cultureel gebied, vaak in samenwerking met het eilandsbestuur of met andere organisaties op Saba.

.

@: Saba Herald
zie Pers.

.

@: Sábalo
zie Tarpon

.
 
@: Sabana
(savanne), Papiamentu voor gouvernementsweidegrond op de Benedenwindse Eilanden. Komt in vele samenstellingen voor, zoals
Sabana Bèrdè, Sabana Morto, Sabana Grandi enz. (zie Plantages: geschiedenis)

.
 
@: Sabaneta
Dorpje van ca. 6.000 inwoners aan de zuidkust van Aruba. Het dorp, gelegen aan de
Commandeursbaai, was tot het einde der 18de eeuw de standplaats van de commandeurs of bewindvoerders van Aruba, waarna deze functie werd overgenomen door Oranjestad. In Sabaneta ligt het kampement van de op Aruba gelegerde eenheden van het Korps Mariniers. (Zie ook @: Architectuur).

.
 
@: Saba Radio
Roepnaam van het
Marine-VHF-kustradiostation op Saba. Opgericht in 1978, verzorgt dit station radiotelefoongesprekken rondom de Bovenwinden met alle bestemmingen ter wereld. Verder speelt het een belangrijke rol in de beveiliging van mensenlevens op zee ten behoeve van de vele jachten die de Caribische wateren bevaren. Het station is een onderdeel van Landsradio.

.

@: Saba United Party (S.U.P.)
Staatkundige partij op Saba onder leiding van
mevr. Carmen Simmons-Nicholson; bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 behaalde zij 1 zetel.

.

@: Sage
(Lantana camara) Engelse naam voor op de Benedenwindse Eilanden voorkomende
flor di sanger, plantesoort uit de familie der Verbenaceae. Heester waarvan twijgen ruw aanvoelen en vaak met stekels bezet zijn; stengels vierkant en bladeren tegenoverstaand; bloemen geel, geel-oranje, geel-rood of rood, in afgeplatte bolvormige bloeiwijzen aan het einde van de twijgen; vrucht blauw-zwarte steenvrucht. Zeer algemeen beneden 300m, vooral in de heestervegetaties op kalkplateaus. Boven- en Benedenwindse Eilanden. Nationale bloem St. Maarten. De rock sage (Lantana involucrata) heeft witte of licht-lila bloempjes.

.

@: Sakristan
lekepriester, die vroeger op de plantages de RK-priester hielp of verving bij het bekeren en bij het houden van godsdienstige bijeenkomsten (zie ook @: Begrafenisgebruiken).

.

@: Salas, David Dario
(Curaçao 22 juli 1872 - 22 augustus 1937) behoort tot de veelzijdige exponenten van de Spaanstalige literatuur (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). 
Wrk.:

Poezie: In Memoriam (1894); Rimas (1911);

Toneel: Los Eseollos (Drama en tres actos y verso 1911);

 Romans: Raúl (Novela sicologica); Josefina (Novela basada en un hecho historico 1910).

Lit.: J. Terlingen, Lengua y literatura Españolas en las Antillas Neerlandesas (1956).

.

@: Salazar, Astrid
(Curaçao 25 april 1939) balletdanseres, opgeleid aan de
Rotterdamse Dansacademie, thans directrice van Simadanza op Aruba.

.

@: Saldinchi
sprat (familie Clupeidae) is de naam voor verschillende kleine haringachtigen behorend tot de geslachten
Harengula en Jenkinsia. Zij leven in scholen. Het zijn eters van plankton, die zelf door vele roofvissen gegeten worden en daardoor een belangrijke schakel in de voedselketen in zee vormen. In de Nederlandse Antillen worden zij in ondiep water met de reda gevangen en vinden bij de bevolking gerede aftrek. Bovendien worden zij als aas gebruikt.

 

.
@: Saliña
(1) vlakke gebieden nabij de kust of langs binnenbaaien, soms onder water in de regentijd. De naam wordt ook gebruikt voor sommige binnenbaaien zelf. De
saliña’s zijn van de open zee gescheiden door een strandwal. Vooral in het zuid-westelijk deel van Bonaire worden verschillende salina’s gebruikt. Hier wordt vanaf 1972, door de International Salt Company, door verdamping van zeewater in zoutpannen, zout gewonnen. Jaarlijks wordt hier gemiddeld 400.000 ton ruw zout geproduceerd (zie @: Bonaire).


(2) Naam van een wijk op Curaçao die heden ten dage steeds meer een commercieel centrum en soort tweede stad op het eiland is geworden.

.

@: Saliña di Cerca
Deel van de lage alluviale slikgronden langs de westkust van Aruba, ontstaan door sedimentatie van verweringsmateriaal afkomstig van het oudere gedeelte van het eiland.

.

@: Salle, Frères de la
zie @: Bisdom Willemstad.

.

@: Salle, Stichting Jeugdcentrale La
Opgericht in 1953, met als doelstelling bij te dragen tot de vorming van de mannelijke jeugd op Aruba, in de geest en naar de beginselen van de RK-Kerk, is een overkoepelend orgaan van verschillende jeugdclubs. Zij geeft aan die clubs algemene richtlijnen en wat financiële steun. Destijds was de leiding vooral in handen van mannelijke religieuzen. Nu ook meisjes lid zijn van deze clubs is het streven de clubs zelfstandig te laten functioneren onder leiding van plaatselijke leiders en leidsters. Aangesloten zijn thans (1983): te
Santa Cruz de St. Jozefbond (zaal- en buitensporten), te Oranjestad De Trupialen (zang, toneel, poppenkast en het leren bespelen van instrumenten) en te Sabaneta Rapid (vooral volleybal). De Don Bosco-club te San Nicolas is in 1981 zelfstandig geworden.

.

@: Salòn
Bonairiaanse naam voor gerecht, dat op Aruba en Curaçao
yòrki wordt genoemd (zie @: Voedingsgewoonten).

.

@: Salvia
Plantengeslacht uit de familie der Lamiaceae. Heesterachtige plantjes, vierkante stengel; tegenoverstaande bladeren; bloemen in onderling op vrij grote afstand geplaatste schijnkransen, met tweelippige kelk en kroon; twee meeldraden.
Rabbit meat (Salvia occidentalis); bladeren met wigvormige voet en duidelijk met spitse punten gezaagde bladrand. Bovenwindse Eilanden vrij algemeen onkruid.
Cat nip (Salvia seratina); bladeren aan onderzijde dicht viltig, met hartvormige voet en onduidelijk gekarteld-gezaagde bladrand. Bovenwindse Eilanden onkruid.

.

@: Sam
1. (vergelijk Nederlands samen) Systeem van wederzijds hulpbetoon dat zijn basis vond in een sterk levend saamhorigheidsgevoel.
Spaarsysteem waarbij een bepaald aantal (meestal vrouwelijke) personen overeenkomen om gedurende een paar weken of maanden een bepaald bedrag te storten bij de sam-houdster. Het aantal malen dat wordt gestort is één meer dan het aantal deelneemsters. Volgens een van tevoren afgesproken volgorde krijgt iedere deelneemster het totaal gestorte bedrag van de week of maand. De sam-houdster krijgt echter de eerste pot, ook als zij zelf niet deelneemt. Is zij zelf deelneemster dan krijgt zij de pot twee keer.

 
2. Oud jongensspel: op een gevulde hand werd onder het uitroepen van ‘sam’ een klap gegeven; wat op de grond viel (snoep, knikkers) verwisselde van bezitter.

Lit.: H. Hoetink, Curaçao en Thorstein Veblen, in: Mens en Maatschappij, jrg. 31 (1956).

.

@: Sambarku
zie Klederdrachten

.

@: Sambo
werd in de 18de en 19de eeuw op Curaçao gebruikt ter aanduiding van een persoon geboren uit een mulat en een negerin.

.

Het artikel dat nu volgt is in het Papiamentu:

@: Samson Luti / @: Luti Samson / Ludwig ”Luti” Richard Samson

Su nòmber artistiko ta Luti i ela nanse na Kòrsou dia 8 di mart 1933. Komo mucha di Buena Vista na edad di 13 pa 14 aña el a kuminsá su karera musikal den un banda di bleki. Na aña 1950 su chèns pa bira músiko a presentá na momentu ku su primu, Carlino Snijders, a introdusi’é serka defuntu Gachi Supriano komo guarachero. Luti a drenta na lugá di Wilfrido Valerian den Estrellas del Caribe. Huntu ku Alejandro Frans i Jose Cassares e tabata forma un bon delantero di e kampionnan di ritmo Conjunto Estrellas del Caribe. Luti tabata kanta estilo Daniel Santos, pero músikonan grandi manera Augusta Bolijn i tata di Gachi Supriano a instrui’é pa e kanta segun su mes estilo. Na momentu ku ela sigui e konsego aki, pueblo a asept’é. Aparte di ta kantante Luti ta kompositor i ta konosí pa su partisipashon na Festival di Tumba (di karnaval). Debí ku na hopi okashon e tabata serka di e titulo, pueblo a koron’é komo Rei sin Korona i tambe ela bin haña e nòmber di kariño El Eterno Segundón. Pero na 1982 Luti a kibra ku esaki ora ku el a sali Rei di Tumba ku e tumba Kologá. E tumba aki tabata un komposishon di su ruman René Samson. Banda di esei Luti a komponé tres (3) piësa pa dia di mama Luna di Mei, Dia di Mama i Fiësta di Mama, kualnan ta piësanan ku bolbe kada aña di nobo. Aktualmente Luti ta usa su talento di kanta i komponé pa alabá nos Kreador i pa aportá na kultura di Dushi Kòrsou.

.

@: San Juan
Voormalig geëxploiteerde plantage met het hofje van
St. Jansbaai op Curaçao, waar een landhuis van 18de-eeuws karakter ligt. Vooral in de afgelopen jaren heeft San Juan te kampen gehad met een steeds dalend grondwaterpeil en toegenomen verzilting (zie @: Curaçao).

.

@: San Nicolas (Aruba)


Nabij de zuidoosthoek van Aruba ligt het stadje
St. Nicolaas, beter bekend als San Nicolas. Vóór 1926 was deze plaats een gehucht waarvan de weinige bewoners van visvangst en maïsbouw leefden; de winning van fosfaat bij Ceru Colorado en Ceru Culebra (1881-1914) had geleid tot vestiging van enkele eilandbewoners in deze voordien verlaten uithoek van Aruba. Nadat in 1926 de Lago Oil and Transport Company hier zijn raffinaderij bouwde, groeide de nederzetting snel uit tot een levendig stadje. Deze groei werd hoofdzakelijk veroorzaakt door vestiging van buitenaf en niet door binnen-eilandelijke immigratie, al vond deze uiteraard op kleinere schaal wel plaats. Men heeft indertijd voor San Nicolas weleens de term boom-town gebruikt waarmee dan een zeer snel in omvang en betekenis toenemende stad werd bedoeld. Het snelle ontwikkelingsproces leidde tot een vooral in de oorlogsjaren - duidelijk zichtbaar frontier karakter van de nederzetting. In materieel opzicht komt dit neer op een grote kloof tussen de demografische groei en de daarvoor benodigde voorzieningen. Hier en daar vertoont San Nicolas nog duidelijk sporen van de shanty town, die het ooit geweest is al is er in de naoorlogse jaren veel verbeterd en gesaneerd. In eerste instantie activeerde de Lago via de Home Building Foundation de bouw van geschikte volkswoningen; nieuwe wijken als Lago Heights, Essoville en Lagoville ontstonden, het stratennet en overige publieke voorzieningen werden uitgebreid en verbeterd maar men heeft niet kunnen voorkomen dat daarnaast een wijk bleef bestaan, opgebouwd uit houten hutten, opgetrokken met kistenhout, bedekt met platgeslagen petraleumbussen: The Village. Het voortbestaan hiervan (tot heden) heeft ertoe geleid, dat de overheid door middel van het plan renovatie Village en Esso Heights onder supervisie van de F.C.C.A. (zie @: Volkshuisvesting) tot een degelijke aanpak van het krottenprobleem is overgegaan.

De achteruitgang in de scheepvaart in de haven van San Nicolas tezamen met de daling van het aantal zeer koopkrachtige bewoners van de Amerikaanse Lago-Colony en niet te vergeten de huidige recessie in de werkgelegenheid hebben tot gevolg gehad, dat de uitgebreide winkelnering van weleer sterk geleden heeft; de stad heeft hierdoor haar indertijd vooraanstaande plaats in dit opzicht verloren ten gunste van Oranjestad. De bevolking vertoont nog steeds een bonte mengeling van uiteenlopende herkomst en godsdienstige gezindheid. Naast de rooms-katholieken, die in de meerderheid zijn, treft men vrij sterke groepen van methodisten en anglicanen aan maar ook kleinere sekten. Het Engels, dat vroeger door de vele bewoners afkomstig van de Bovenwinden en Engelse Antillen, de belangrijkste voertaal is geweest, heeft veel terrein verloren aan het Papiamentu, de moedertaal van Aruba.

.

@: Sansevieria
Plantengeslacht uit de familie der Liliaceae. Kruidachtige planten met oranje wortelstok en stijve, lijnlancetvormige tot 1m lange, rechtopgroeiende, aan onderzijde sterk gootvormige en van grijswitte dwarsbanden voorziene bladeren; bloemen wit, 4 cm lang, in een lange niet vertakte tros.
Yerb’i kolebra (Sansevieria thyrsiflora) of yerba di sinta, rhamni, snakeplant, met donkergroene bladeren. Gekweekt Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
Ore’i buriku (Sansevieria zeylanica var. Laurenti), met lichter gekleurde bladeren voorzien van een tamelijk brede gele rand. Gekweekt.

.

@: Santa Barbara
Eén van de oudste gecultiveerde plaatsen van Curaçao; de vrijwel intact zijnde plantage is thans eigendom van de hier zetelende
Mijnmaatschappij Curaçao. Het prachtig gelegen landhuis was hoofdzakelijk in de 18de en begin 19de eeuw gegroeid tot een haakvormige aanleg van twee verdiepingen met open voorgelegen galerijen op pijlertjes, om een terras met ondergelegen magazijnen en zijopgang. Bij de vernieuwing in 1954/55 is alleen het oudste massieve eindgedeelte van de noordelijke vleugels overeind gebleven (waarin wel eens de romp van het eerste RK-kerkje uit de 16de eeuw wordt gezien), overigens is de vroegere toestand in grote lijnen gevolgd.

.

@: Santa Cruz
dorp van ca. 9.000 inwoners in het centrale deel van Aruba;
zie @: Landhuizen.

.

@: Santa Martha Baai
Baai aan de zuidkust van Curaçao. Hier is het
Coral Cliff Hotel gebouwd.

.

@: Santa Rosa
Woonwijk op Curaçao, oostelijk van het Schottegat en tegenwoordig aansluitend bij het verstedelijkt gebied, oostwaarts van Willemstad (zie @: Willemstad).

.

@: Sapatu di lareina
(Clitoria ternatea) of
blòmchi di kokolishi, bonchi di palomba, yamani tabaku, butterfly weed, plantesoort uit de familie der Fabaceae. Lange klimplant, houtig aan de basis, blad 5-7-tallig; bloemen in armoedige tros, licht- tot donkerblauw; peul lang, 6-10 zadig. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen,vooral op ruderale plaatsen beneden 300 m. Verwilderd; afkomstig uit Indonesië.

.
 
@: Sapu
zie @: Dori.

.
 
@: Sar, Arie van der
(Zwartewaal 13 april 1907) internist op Curaçao (1937-1969) en op St. Maarten (1970-1978), studeerde in Leiden en Rotterdam. Onder zijn leiding heeft het
St. Elisabeth Hospitaal zich ontwikkeld tot één van de beste ziekenhuizen in het Caribisch gebied met vrijwel alle specialismen, bevoegdheid B voor Interne Geneeskunde en een affiliatie met de Universiteit van Groningen voor de opleiding van co-assistenten. Dankzij zijn inspanning zijn de infectieziekten op Curaçao teruggedrongen. Hij heeft ruim 70 publikaties op zijn naam staan. Medewerker aan het Leerboek der tropische geneeskunde, lid van de American Trudeau Society, vaste medewerker van het tijdschrift Documenta de Medicina Geographica et Tropica en contributing editor van de Journal of Tropical Pediatrics. Als waardering ontving hij in 1982 een hoge onderscheiding voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de tropengeneeskunde, de Eijkman-medaille.

Wrk.: The occurrence of carriers of abnormal haemoglobin Sand C on Curaçao (diss. 1959); Publikaties o.a. over sikkelcelziekten en over de G6PDdeficiëntie.

.

@: Sardinchi
zie Saldinchi.

.
 
@: Sargassumvissen


zumbifes, frogfish, komen in de Nederlandse Antillen in vele soorten (Antennarius spec. en Histrio spec.) voor. Door hun variabele kleur en grillige vorm kunnen zij vrijwel onzichtbaar zijn tegen een achtergrond van wier of steen. Zij kunnen zich urenlang doodstil houden en volgen dan met hun kraaloogjes vissen die in hun buurt komen. Indien de prooivis ergens in de buurt blijft scharrelen, besluipen zij hem met behulp van hun tot pootjes vergroeide borst- en buikvinnen, die bijna onzichtbaar langzaam verplaatst worden. Daarbij bezit de vis nog een hengeltje op zijn kop, een draadvormige vinstraal die bij naderen van een visje opgezet wordt (antenne) en die aan het eind nog een bungelend kwastje of worpje heeft zitten, waarop soms inderdaad vissen afkomen. Ten slotte schiet hij toe en weet met zijn geweldige muil vissen op te happen, die zijn eigen lengte hebben en die dan dubbelgevouwen in de elastische maag worden gestouwd.

.

@: Sassen, Willem K.C.Jz.
(‘s-Hertogenbosch 26 januari 1817- Brussel 29 december 1877) van 9 juni 1870 tot 1 oktober 1871 procureur-generaal in de
Kolonie Curaçao en als zodanig middelpunt van de zgn. affaire Sassen. Wrevel over het voortijdig en gedwongen ontslag van zijn vriend gouverneur De Rouville - een wrevel door vele Curaçaosche ingezetenen gedeeld -, gemengd met teleurstelling over de keuze van diens opvolger, gouverneur Wagner, bracht Sassen tot een conflict met deze laatste, dat spoedig tot het ontslag van de procureur-generaal leidde. Dit ontslag bracht heftige beroering teweeg onder het katholieke - overwegend niet-blanke - bevolkingsdeel van het eiland, dat in Sassen blijkbaar een medeslachtoffer zag van vermeend antikatholicisme en tevens een medestander in de strijd voor sociale en economische vooruitgang der negroide bevolking. Sassen, wiens uiterst heftige uitlatingen hem overigens al spoedig de steun van de RK-geestelijkheid deden verliezen, kwam aan de sympathie van de armste bevolkingsgroep tegemoet door te pleiten voar het toekennen van gouvernementsgronden aan geëmancipeerden. Zo kreeg een aanvankelijk zuiver persoonlijke wrijving tussen de twee hoogstgeplaatste ambtenaren ten slotte de vorm van een sociaal conflict met godsdienstige, economische en raciale accenten. Demonstraties en opstootjes leidden in november 1871 tot het inschakelen van de militaire macht, waarbij een dode en verscheidene gewonden vielen. Eind mei 1873 vertrok Sassen naar Nederland, zonder het door hem gezochte eerherstel te hebben ontvangen en zonder dat duidelijk was geworden of hem inderdaad iets verstrekkenders dan een persoonlijke rehabilitatie voor ogen had gestaan. Onder het volk bleef hij papachi (vadertje) Sassen heten.

Lit.: C.Ch. Goslinga, Papachi Sassen drie onrustige jaren op Curaçao: 1870-1873, Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 46 bIz. 105-149 (1968).

.

@: Satelliet-grondstation Vredenberg
Ontvangststation voor televisiesignalen via de
Intelsat V communicatiesatelliet en ontvangst-zendstation voor telefonische communicatie met de Verenigde Staten en Europa. Dit station werd in 1978 in gebruik genomen met een schotelantenne gericht op de Major Path satellite. In 1980 werden de ontvangstmogelijkheden uitgebreid door plaatsing van een tweede schotelantenne gericht op de Primary Path satellite.

.

@: Savonèt
zie @: Landhuizen.

.

@: Savonetapel
(Sapindus saponaria) of
soap berry, plantesoort uit de familie der Sapindaceae. Boom met 2-3-jukkige samengestelde bladeren; blaadjes tot IS bij 6 cm; bladsteel gevleugeld; bloemen inrijkbloemige pluimen, gelig-wit, 2,5 mm in diam.; vrucht 2 cm in diam., uit 2 kogelvormige deelvruchten. Zaden gebruikt voor vervaardiging van halssnoeren; vruchtvlees gelatine-achtig, gebruikt ter vervanging van zeep. De savonetapel wordt op Curaçao gekweekt.

.

@: Schaakbond, Nederlands Antilliaanse (N.A.S.B.)
aangesloten bij de
Federation Internationale d’Echec (F.LD.E.). Bij de N.A.S.B. zijn vier schaakverenigingen aangesloten: S.V. Capablanca, S.V. Curaçao en S.V. Janwe op Curaçao en S.V. Oranjestad op Aruba. De N.A.S.B. is lid van de Confederación de Ajedrez del Caribe y Centro America (Concacaf). Jaarlijks wordt in één der aangesloten landen een landentoernooi georganiseerd, waaraan elk land met 4 spelers. deelneemt.

.

@: Schabel S.J., Pater Michaël Alexius
zie @: Bisdom Willemstad.

.

@: Scharloo


Wijk van
Willemstad aan de overzijde van het Waaigat tegenover Punda en Pietermaai. De weinige oudere, soms in oorsprong nog 18de-eeuwse huizen liggen aan de Van den Brandhofstraat, de Werfstraat en de Scharlooweg. Naast nr. 12 De vijf zinnen en nr. 154 trekt in het bijzonder de aandacht nr. 150 / 152, bekend als Kas di Pachi De Sola. Het pand, eigendom van de Stichting Monumentenzorg, is na restauratie (architect G.J. Manders) in gebruik genomen als Bureau Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Verkiezingen van het Eilandgebied Curaçao. Bij dit huis met verdieping van vroeg 19de-eeuws uiterlijk is de gebruikelijke plattegrond uitgebreid met een van een peristyle voorziene voorbouw aan de wegkant aansluitend bij een centrale vestibule; aan de Waaigatzijde leidt een dubbele trap naar de geopende bogengalerij met bekroonde voluutgevel tussen dakkapellen met puntgevels. Aan de Scharlooweg ligt ook een aantal ruim gesitueerde, deftige blokvormige huizen uit het eind van de 19de eeuw, al dan niet met verdieping en soms met haakse achtervleugels, die karakteristieke details tonen voor de tijd van ontstaan. Scharloo is helaas geschonden door de oprit naar de Koningin Julianabrug.

Lit.: M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959).

.

Scheepsregistratie
Op Curaçao is gevestigd het
Hoofdkantoor der bewaring van Scheepsbewijzen, dat is ondergebracht bij de Dienst Bewaring van Hypotheken, Kadaster en Scheepsbewijzen. Dit houdt een centraal register bij, waarin de gegevens van de scheepsboekhoudingen van elk der eilandgebieden worden opgenomen. Eén en ander is geregeld in het Scheepsregisterbesluit (P.B. 1938 nr. 73). Zeeschepen kunnen naar vrije keuze van de reder op elk van de zes eilanden van de Nederlandse Antillen worden geregistreerd. Het overschrijven van een eiland naar een ander is echter niet mogelijk. Het scheepsregister kent maar één soort vaartuig, namelijk: zeeschip. Hieronder vallen ook jachten, sleepboten, lichters, boortorens etc. Schepen die in de Nederlandse Antillen staan geregistreerd moeten de Nederlandse vlag voeren en voldoen aan de Antilliaanse veiligheidseisen, die fundamenteel gelijk zijn aan de Nederlandse. Om geregistreerd te kunnen worden, moeten de vaartuigen een bruto inhoud van tenminste 20 kubieke meter (ca. 7 registertonnen) hebben. De kosten van een registratie variëren tussen US$ 1.500 en US$ 3.500. Uitschrijving uit het register kost US$ 1.000.


Teneinde een schip in de Nederlandse Antillen te registreren dient men eerst aan de rechter drie stukken over te leggen, nl. een bewijs dat eigenaresse een Nederlands-Antilliaanse firma is ingevolge het
Zeebrievenbesluit; de bijlbrief (koopakte van het schip) en de meetbrief afgegeven door de Inspecteur voor de Scheepvaart in zijn hoedanigheid van Hoofd van de Scheepsmetingsdienst van de Nederlandse Antillen. Op grond van deze stukken kan de rechter verklaren, dat het schip een Antilliaans schip is. Met de verklaring van de rechter kan men van de hypotheekbewaarder, hoofd van het Hoofdkantoor der bewaring van Scheepsbewijzen een voorlopige verklaring verkrijgen dat het schip in zijn register als Antilliaans schip is ingeschreven. Daarop wordt het schip een brandingsnummer toegewezen, dat door de Scheepsmetingsdienst wordt ingehakt. De brandmerking wordt doorgegeven aan de hypotheekbewaarder. Eerst dan kan hypotheek op het schip worden ingeschreven. Daarna geeft de gouverneur de zeebrief af en worden roepletters toegewezen. De Inspecteur voor de Scheepvaart kan daarop het certificaat afgeven, waarmee de registratie compleet is.

Eén van de oorzaken, die tot grote vermeerdering van het aantal schepen in het jaar 1983 heeft geleid, is de registratie van een groot aantal lash-bakken behorende bij het t.s. Bilderdijk.

.

@: Scheepvaart
Historisch zijn de Nederlandse Antillen ten nauwste verbonden met de scheepvaart. De relatieve belangrijkheid en welvaart van deze kleine eilanden zijn in hoge mate te danken aan de goede natuurlijke havens. Daarbij wordt in de eerste plaats gedacht aan
het Schottegat, de grote en diepe binnenbaai van Curaçao - verbonden met zee door het natuurlijke kanaal, de St. Annabaai die zich tot één van de voornaamste zeehavens heeft ontwikkeld. Hier liggen de schepen rustig, door de natuur beschut en bovendien vrij van orkanen, die in het noordelijker gedeelte van het Caribisch gebied zo gevaarlijk kunnen zijn. De ligging van de Benedenwindse Eilanden vlak voor de kust van Venezuela heeft er voorts in hoge mate toe bijgedragen, dat scheepvaart en handel tot bloei konden komen. In Venezuela zelf ontbraken lange tijd goede havens en dit land was voor de internationale handel derhalve in niet geringe mate afhankelijk van Curaçao.
Aan het begin van de 20ste eeuw werd Curaçao ook belangrijk als bunkerhaven voor het innemen van kolen. In 1910 deden in totaal 1588 schepen Curaçao aan met een tonnage van 839.806 ton.
Ofschoon hiervan nog 1.269 zeilschepen waren, vertegenwoordigden de overige 319, stoomschepen, een tonnage van 2.241.726 ton. Omstreeks deze tijd kregen de plannen om een kanaal te graven door de landengte van Panama gestalte en aangezien men hiervan zowel op de Benedenwindse als Bovenwindse Eilanden een aanmerkelijke uitbreiding van de scheepvaart verwachtte, kwamen vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog verschillende projecten tot uitvoering ter verbetering van de havens. Op Curaçao heeft echter niet zozeer de opening van het Panamakanaal als wel de komst van de
Shell in 1916 tot een verdere uitbreiding van de scheepvaart bijgedragen. Voor Aruba was dit de komst van de Lago in 1925. Speciaal Curaçao werd zeer belangrijk als bunkerhaven, waar bunkerolie tegen lage prijzen te verkrijgen was. Er waren zelfs jaren waarin de tonnage van de Curaçao bezoekende schepen die van de haven van Amsterdam overtrof. De zeilschepen werden langzamerhand ook in aantal door de motor- en stoomschepen overtroffen en gaandeweg begonnen ook de eigenlijke toeristenschepen Curaçao te bezoeken.

De zeilschepen, die thans de Benedenwindse Eilanden aandoen, zijn voornamelijk barkjes, die verse vruchten en groenten aanvoeren vanuit Venezuela. Deze bootjes vormen op Curaçao de zo beroemde en toeristisch aantrekkelijke drijvende markt.
Van de motorschepen nemen de tankers een voorname plaats in, vooral in tonnage uitgedrukt. De havens van de Benedenwindse Eilanden zijn dan ook steeds aangepast aan de schaalvergroting van de schepen. De andere motorschepen zijn vracht- en passagiersschepen. Het aantal regelmatig bezoekende schepen in een lijndienst is in de afgelopen jaren sterk verminderd. Door de ontwikkeling en concurrentie van de luchtvaart, zijn er behalve de
ferry (Almirante Luis Brion), die passagiers vervoert tussen de Benedenwindse Eilanden en Venezuela, vrijwel geen schepen meer, die passagiers vervoeren van en naar de Nederlandse Antillen. Door de sneIle opkomst van het containervervoer, is het arbeidsintensieve stukgoedvervoer ook aanzienlijk verminderd. De enige, thans nog bestaande lijndienst van en naar Europa, wordt onderhouden door grote containerschepen van de Caribbean Overseas Lines (Carol), een gezamenlijke onderneming van meerdere rederijen, zoals de Nedlloyd, Hapag-Lloyd, Harrison Line en de Compagnie Générale Maritime et Financière (C.G.M.F.). Voorts wordt vracht uit Europa aangevoerd door schepen van de Nederlandse Nedlloyd Lijnen B.V. en van de Spaanse Marasia S.A. Door diverse andere rederijen wordt vracht aangevoerd vanuit het Verre Oosten. Kleinere containerschepen en roll-on-roll-off (roro)-schepen van diverse rederijen onderhouden container-vrachtdiensten tussen Miami in de U.S.A. en havens in de Caribische Zee, waaronder de havens van de Benedenwindse Eilanden. De ferry, die passagiers vervoert tussen Venezuela en de Benedenwindse Eilanden, vervoert ook als roro-schip vracht, geladen in trucks. Voorts zijn er speciale ‘autoboten’, die zendingen nieuwe automobielen aanvoeren vanuit Japan, Korea, Rusland en Brazilië. De betekenis, die vooral Curaçao in het verleden had als overscheephaven, mag door de hoge laad- en loskosten in de haven geen naam meer hebben. Mogelijk zullen er weer meer overscheepladingen komen wanneer de containerhaven in gebruik is genomen.

De havens van Curaçao, Aruba en Sint Maarten hebben grote betekenis gekregen als aanloophaven van toeristenschepen, waarvan de meeste cruises maken in het Caribisch gebied. Ook de haven van Bonaire wordt wel eens aangelopen door een toeristenschip. Deze schepen komen meestal ‘s ochtends vroeg binnengevaren en vertrekken weer dezelfde avond. De grootste passagiersschepen ter wereld, zoals de Queen Elizabeth II en de Rotterdam, behoren tot deze toeristenschepen. In 1982 werd op Curacao een toeristen-terminal gebouwd, die de faciliteiten biedt om de toeristen in te schepen en te ontschepen, wanneer een toeristenschip Curaçao gebruikt als afvaart- en eindhaven van de cruise. Door de ontwikkelingen van de oliemarktprijzen hebben Curaçao en Aruba minder betekenis gekregen als bunkerhaven. Door de aanwezigheid van goede dok- en reparatiefaciliteiten in de haven van Curacao, heeft zij grote betekenis gekregen als reparatiehaven. In 1972 werd het grote gegraven Antiliadok in gebruik genomen. In dit dok van 120.000 ton kunnen zeer grote schepen worden drooggezet. Voorts heeft de haven van Curacao een marinebasis, die dient als station van een Nederlandse oorlogsbodem.

De scheepvaartverbindingen tussen de zes eilanden van de Nederlandse Antillen zijn bijna steeds gebrekkig geweest. Na de Tweede Wereldoorlog werd een scheepvaartverbinding onderhouden tussen de eilanden met kleine schepen, zoals de Kralendijk, die echter op 3 oktober 1948 bij Bonaire zonk. Daarna heeft de Willemstad 6 jaren de dienst onderhouden, opgevolgd door de Antilia, die na jaren dienst in 1975 werd verkocht en korte tijd werd opgevolgd door de Mar Antil, die deze dienst niet lang heeft volgehouden. Thans is er geen regelmatige scheepvaartverbinding meer tussen de Benedenwindse en de Bovenwindse Eilanden; wel wordt er met kleine motorscheepjes - Isodel 1 en Isodel 3 - een regelmatige verbinding onderhouden tussen Curaçao en Bonaire. Tussen de Bovenwindse Eilanden wordt een enigszins regelmatige scheepvaartverbinding onderhouden door het Sabaanse particuliere motorschip de Brianne-C..

.

@: Scheepvaart Inspectie der Nederlandse Antillen
is gevestigd te Curaçao. Het Statuut stelt dat de veiligheid van de vaart ter zee een
koninkrijksaangelegenheid is. De Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te Den Haag is derhalve een koninkrijksambtenaar. Voor wat betreft de Nederlandse schepen is de Inspecteur voor de Scheepvaart hoofd van het district Nederlandse Antillen en als zodanig rapporteert hij rechtstreeks aan de Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart. Voor andere schepen geniet de inspecteur echter een grotere zelfstandigheid binnen het gebied van de Nederlandse Antillen. Hij wordt benoemd door de gouverneur en is tevens hoofd van de Scheepsmetingsdienst. Nederland en de Nederlandse Antillen zijn beide aangesloten bij de International Maritime Organization (I.M.O.) met hoofdkantoor te Londen. De I.M.O. heeft onder haar beheer verscheidene internationale verdragen, waarvan het voornaamste is Safety of life at sea. Op grond van deze verdragen kan de inspecteur in de Nederlandse Antillen certificaten afgeven aan schepen van de contracterende landen, mits hun regeringen daarom hebben verzocht.
Juist door de aanzienlijke mogelijkheden tot scheepsreparatie (
Radio Holland, Curaçaosche Dok Mij, Peter’s Diving Underwater Cleaning en Aruba Shiplift) kunnen naast het nationale certificaat (het certificaat van deugdelijkheid) allerlei internationale certificaten worden afgegeven (zoals uitwatering, veiligheidsconstructie, uitrusting, radiotelefonie en telegrafie, I.O.P.P.  - International Oil Pollution Prevention) certificaat.

Kustbewaking
Onder de inspectie vallen ook het toezicht en onderhoud van de kustverlichting (o.m. 12 vuurtorens), zijnde maatregelen ten behoeve van de veilige navigatie voor de internationale scheepvaart. De kustverlichting dient dan ook aan internationale maatstaven te voldoen (havenverlichting ressorteert daarentegen onder de
havenmeesters der diverse eilandgebieden).

 

@: Scheepvaart, Raad voor de
De
Commissie van Onderzoek ingevolge art. 26 bis van de Schepenwet is de Nederlands-Antilliaanse tegenhanger van de Raad voor de Scheepvaart in Nederland. Indien de commissie van onderzoek van mening is dat er aanleiding bestaat tot het ontnemen van een bevoegdheid of tot het uitspreken van een berisping, wordt de zaak verwezen naar de Raad voor de Scheepvaart; alle overige gevallen worden door de Commissie zelf afgehandeld. De Commissie is gevestigd te Willemstad en wordt benoemd door de Gouverneur.

 

@: Scheepvaartschool Alonso de Ojeda
Op 11 november 1966 op Curaçao geopend, moest per 1 augustus 1982 gesloten worden omdat de
Stichting Scheepvaartonderwijs, die de school bestuurde, met ingang van die datum haar activiteiten staakte (zie verder Onderwijs).

 


@: Scheepvaartverenigingen
zijn werkgeversverenigingen, die zich tot doel stellen de belangen van de aangesloten scheepscargadoorsbedrijven te bevorderen. Zij sloten ook collectieve arbeidsovereenkomsten af met vakbondsorganisaties van het personeel, werkzaam in de haven. Op Aruba werd in 1960 een scheepvaartvereniging opgericht. Deze werd in 1982 opgeheven in verband met een ingrijpende reorganisatie van de havenstructuur. De scheepvaartvereniging op Curaçao dateert van 1958, nadat zij vanaf 1950 in de vorm van een stichting had gewerkt. Door reorganisaties in het havenbedrijf sluit zij geen C.A.O.’s meer af. Dit werd in 1975 overgenomen door de
S.H.B. (Samenwerkende Havenbedrijven). Zij bevordert thans nog de belangen van haar leden in de meest algemene zin. Het voorzitterschap wordt bij toerbeurt uitgeoefend door één der aangesloten scheepscargadoorsbedrijven.

 

@: Schelp
zie @: Heremietkrabben; Slakken; Tweekleppigen.

 

@: Schelp, De
Opgericht in 1947, met als doel jeugdwerk onder de Shell-gemeenschap op Curaçao. Het ledental bedraagt ongeveer 200 kinderen en 20 leid(st)ers. Een klein percentage kinderen buiten de Shell neemt aan de cursussen (o.a. figuurzagen, naaien, rietvlechten en solderen) deel.

 

@: Schelpdieren
zie Weekdieren.


 
@: Schenkingsrecht
zie Belastingen.

 

@: Scherpenheuvel, Internaat
Een vroeger jongensinternaat op Curaçao, ressorteerde onder de
Stichting St. Thomas College en stond onder leiding van de Fraters van Tilburg. Omdat de toenemende kosten niet meer gedragen konden worden en de overheid niet in staat bleek het internaatswerk voort te zetten, heeft het internaat op het eind van de 1960er jaren van de 20ste eeuw zijn deuren moeten sluiten.

 

@: Schildpadden


(Chelonia) omvatten drie groepen, namelijk de
landschildpadden, de moerasschildpadden en de zeeschildpadden.

  •  Landschildpadden, morkoi en tortoises, komen in de Nederlandse Antillen niet voor, maar wel worden verschillende soorten vanuit het continent ingevoerd en als huisdier verhandeld.
  • Moerasschildpadden zijn in de Nederlandse Antillen evenmin inheems, maar vooral een soort, Pseudemys scripta, met zijn felgekleurde strepen, wordt veel uit Florida ingevoerd als aquarium- en vijverbewoner.
  • De zeeschildpadden, turtuga of turtles, onderscheiden zich van de beide andere groepen al op het eerste gezicht door hun poten, die de vorm van roeispanen (flippers) hebben.

Zeeschildpadden blijven zowat hun hele leven in zee. Zij foerageren op de zeebodem, en wanneer de buit niet groter is dan dat de mond daarbij gesloten kan worden, slikken zij die ook onder water door. Grotere prooi nemen zij mee naar het wateroppervlak. Zij zijn omnivoor; behalve van wier en zeegras leven zij vooral van ongewervelde dieren, tot en met stekende zeeappels en prikkelende kwallen. Zij paren ook in zee. Daarna trekt het wijfje ‘s nachts het strand op, graaft er een kuil en deponeert daarin enige tientallen eieren, zo groot als een ping-pongbal. De eischaal is taai en is niet verkalkt. Na het leggen maakt het wijfje de nestkuil weer dicht en keert naar zee terug. Twee weken later kan zij opnieuw eieren afzetten, en dat herhaalt zich nog één of twee keer per seizoen. De eieren komen na 1½ á 2 maanden uit. De jongen werken zich uit het zand en kruipen naar zee. De eerste weken drijven zij nog hoog op het water en duiken alleen om voedsel te bemachtigen. Na twee maanden blijven zij langer onder water en komen slechts nu en dan boven om adem te halen. In tegenstelling tot de legendarisch traag groeiende landschildpadden groeien zeeschildpadden snel. Bij hun geboorte hebben zij een lengte van ongeveer 5cm, gemeten over het rugschild. De soepschildpad bereikt bij goede voeding, in gevangenschap, na 1 jaar een gewicht van ongeveer 2,6 kg, na 2 jaar 11,3 kg, na drie jaar 18,9 kg en na 4 jaar 28,7 kg.
De grootste zeeschildpad is de vrij zeldzame
lederschildpad, drikil, sea horse (Dermochelys coriacea), die wel 2½m lang kan worden; deze soort is kenbaar aan zijn leerachtig pantser en aan de 5 kielen overlangs aan de bovenzij van het pantser. In de Nederlandse Antillen is de meest voorkomende soort de soepschildpad, turtuga blanku, green turtle (Chelonia mydas), waarop elders in het Caribisch gebied - vooral in de Golf van Mexico - intensief gevist wordt, ofschoon nu minder dan voorheen, nu schildpadden in de V.S. beschermd zijn. Bij de Nederlandse Antillen worden tegenwoordig haast alleen nog maar kleine exemplaren tot ca. 50 cm gezien. De karet, hawks bill (Eretmochelys imbricata) is bekend om zijn prachtig gevlamde schild. De kawama, loggerhead (Caretta caretta) heeft een zware kop en heeft zoveel kracht in zijn kaken dat hij ook flinke schelpen kan kraken.
De hier genoemde zeeschildpadden komen in alle tropische zeeën voor. Door ongebreidelde jacht, door het afslachten van wijfjes die op het land komen en door het uitgraven van de eieren zijn de zeeschildpadden in de meeste gebieden schaars geworden; de omgeving van de Nederlandse Antillen maakt daar geen uitzondering op. Terwijl aan het begin van de 20ste eeuw nog regelmatig grote exemplaren gevangen werden, is dat nu een uitzondering geworden. Hier en daar, bijvoorbeeld in Lac (Bonaire), wordt nog met warnetten op schildpadden gevist, maar dat is niet meer van veel betekenis. Ook worden op de zandstranden steeds minder legsels aangetroffen. Overal in het Caribisch gebied worden thans beschermingsmaatregelen genomen (zie @: Natuurbescherming). Ook tracht de
Brotherhood of the Green Turtle, die de dichte broedplaatsen op Costa Rica onder zijn toezicht gekregen heeft, van daaruit pasgeboren soepschildpadjes te distribueren naar plaatsen waar ze zeldzaam geworden zijn. Het uitzetten van zulk broed heeft echter alleen zin indien de diertjes het eerste jaar worden beschermd tegen roofvissen e.d.; men moet deze diertjes dus in een omheind gebied uitzetten, maar dan doet zich de moeilijkheid voor, dat zij nogal eens last van huidzweren krijgen, waarbij de aangetaste dieren door hun soortgenoten worden gebeten. Na het eerste jaar zijn zeeschildpadjes zo groot dat zij niet veel last meer hebben van belagers - afgezien van de mens.

 

@: Schink O.F.M., Pater Jacobus
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Schoolbestuur, RK
Tot 1955 was het apostolisch vicariaat van de Nederlandse Antillen het
RK Schoolbestuur. Een daartoe gemachtigd bisschoppelijk inspecteur oefende het feitelijke bestuur uit. In 1955 werd de RK Onderwijsraad voor Curaçao en Bonaire opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de zelfstandig geworden schoolbesturen, de onderwijsvakvereniging en de ouders der leerlingen. Voorzitter is de diocesaan vertegenwoordiger, aangewezen door de bisschop. Aruba en de Bovenwindse Eilanden kregen hun eigen onderwijsraden. Op 1 januari 1970 sIoten de schoolbesturen van Curaçao zich aaneen tot het RK Centraal Schoolbestuur. De onderwijsraad, waarin alle instanties die bij het RK onderwijs betrokken zijn vertegenwoordigd zijn, vormt het centrale orgaan van het RK onderwijs (zie ook @: Onderwijs).

 

 

@: Schoolbezoek
Van de 6- t/m 14-jarigen op de NederIandse Antillen gaat 98,6% naar school. Met andere woorden, ondanks het ontbreken van een leerplicht gaat van de groep 6- t/m 14-jarigen slechts 1,4% niet naar school.

Leeftijd bij eerste inschrijving voor de basisschool
Het overgrote deel der kinderen op Curaçao gaat ‘op tijd’ d.w.z. met de juiste leeftijd naar de eerste klas van de basisschool. In cijfers: 91% komt met 6 jaar de eerste klas binnen, een zeer kleine groep (0,4%) met 5 jaar, de overige kinderen (8,6%) zijn iets ouder, te weten 7, 8 of 9 jaar.

Opleidingsniveau
Van de niet schoolgaande bevolking van 15 jaar en ouder van de Nederlandse Antillen heeft 55% een opleidingsniveau dat minder is dan of overeenkomt met alleen lager onderwijs. Voor 30% van de bevolking kan gesteld worden dat deze groep als eindniveau heeft voortgezet onderwijs (l.b.o., m.u.l.o., m.a.v.o., h.a.v.o., v.w.o. etc.) terwijl 15% van de bevolking een hoger opleidingsniveau heeft (m.b.o., h.b.o., w.o.).

 

@: Schoolconcerten
Op alle eilanden wordt de belangstelling voor muziek onder de jeugd gestimuleerd door het geven van schoolconcerten. Zo treden vele door de
Sticusa uitgezonden Nederlandse kunstenaars voor de Antilliaanse jeugd op. Lokale organisaties zoals het Comite Jeugdconcerten op Curaçao, de Stichting Culturele Vorming in schoolverband op Aruba, de muziekscholen en de culturele centra op de verschillende eilanden zijn op dit gebied actief.

 

@: Schoolgelden
Op de meeste eilanden wordt geen of slechts voor het middelbaar en/of technisch onderwijs schoolgeld geheven. Vroeger was er bij het lager onderwijs wel sprake van scholen waar schoolgeld werd geheven -
skol di plaka - en scholen waar dit niet het geval was, skol di pòrnada, waar het peil van het onderwijs dan ook lager was. De naam van frater María Richardus (Wirtz) zal altijd verbonden blijven aan de door hem gestichte skol di pòrnada St. Vincentiusschool, die vroeger bij het St. Elisabeth Hospitaal stond. Hij wordt terecht beschouwd als de grondlegger van het volksonderwijs. Onvergetelijk is gebleven zijn streven om intelligente leerlingen kosteloos door privélessen voor te bereiden op het voortgezet onderwijs of een betere functie in de maatschappij.

 

@: Schorpioen
(Papiamentu:
skòrpion) behoort tot een orde van spinachtigen, heeft een paar van grijpscharen voorziene palpen en een smal achterlijf met een verdikte stekel, waar aan de top een gifklier uitmondt. Twee soorten zijn bekend van de Benedenwindse Eilanden, een donkerbruine met dikke korte palpen en een slanker lichaam (Didymacentrus spec.) en een lichtgeelbruine met slanke scharen (Centruroides hasethi). Op de Bovenwindse Eilanden komen diverse andere soorten voor. Ze leven verscholen onder stenen, in dode cactussen en achter losse boomschors. De steek is pijnlijk, maar niet gevaarlijker dan een wespesteek. Merkwaardig is bij deze dieren, dat de wijfjes hun eieren beschermen en de uitgekomen jongen aanvankelijk op de rug meedragen. Ze leven van insekten.

 

@: Schorsing
van wettelijke regelingen en beslissingen, zie @: Gezaghebber; @: Gouverneur; @" Koning.

 

@: Schottegat.
Handvormige binnenbaai op Curacao, door een smal natuurlijk kanaal van 1.280m lengte, de
Sint Annabaai, met de zee verbonden (voor het ontstaan zie @: Geologie: Curaçao). Het Schottegat vormt met de Sint Annabaai vanouds de uitstekende natuurlijke haven van Willemstad, met een oppervlakte van ongeveer 10km² en een diepgang van min. 20m. Het was juist de aanwezigheid van deze baai, die voor de West-Indische Compagnie in 1634 de aanleiding vormde voor de bezetting van het eiland Curaçao. Sindsdien hebben de handelsactiviteiten van de Nederlanders op het westelijk halfrond zich eeuwenlang in sterke mate rondom het Schottegat geconcentreerd. In de periode 1915-1919 werd Willemstad o.m. dank zij de ligging aan het Schottegat de vestigingsplaats van de Koninklijke Shell en de door haar opgerichte nevenbedrijven aan de baai van Asiento. Naast haveninstallaties voor de tankervloot vindt men hier vele faciliteiten voor vracht- en passagiersschepen. Het Schottegat is in verschillende baaien onderverdeeld zoals de Buscabaai, de Baai van Valentijn en de Baai van Versali. Een deel van het Schottegat werd afgesloten voor de aanleg van de Rijkseenheidboulevard, een onderdeel van de grote vierbanige autoweg (Tegenwoordig Ringweg genaamd) die om de gehele baai voert. Aan weerszijden van de Rijkseenheidboulevard bestaat er in steeds toenemende mate een ontwikkeling van haven-, handels- en industriële activiteiten: de Curacaose Dok Mij, de Vrije Zone, de Containerhaven en Ferry-terminal.
 


@: Schouwburg
zie @:Centro Pro Arte.

 

@:Schroefworm
zie @: Diergeneeskunde.

 

@: Schutterij
Kort na de inval van de Duitsers in Nederland werd in de Nederlandse Antillen bij
Schutterijverordening 1940 in juli de schutterij opgericht. Het spreekt vanzelf, dat de schutterplichtigen niet ingenomen waren met dit novum maar achteraf hebben zij moeten toegeven dat de schutterij in de jaren 1940-45 een basis van discipline en orde heeft gelegd waarover de generatie 1918/1926 met waardering spreekt. De verantwoordelijkheid van de schutters voor de bewaking van Fort Amsterdam, Shell, Bullenbaai, Caracasbaai en de kusten is voor hun karakter van vormende waarde geweest: verschillende officieren hebben in het burgerlijk leven een leidinggevende positie. De schutters werden ingeschakeld bij de bouw van torpedoboten op Parera, zij hielpen bij het graven van sleuven voor de waterleiding, bij het binnenhalen van de oogst op Santa Martha, namen deel aan oefeningen met andere geallieerden, werden ingezet bij de bewaking van het interneringskamp op Bonaire en maakten deel uit van een detachement op St. Maarten. (Zie ook @: Geschiedenis: jongste periode Aruba, Bonaire, Curaçao).

 

@: Schijndel, Zusters van
zie @: Bisdom Willemstad.


@: Secessierecht
Het recht van een deel van een staatsgebied om zich af te scheiden van het geheel. De tweede
Ronde Tafel Conferentie met de West die op 3 april 1952 van start ging, werd op 29 mei geschorst omdat de Surinaamse delegatie in de preambule tot uitdrukking wilde zien gebracht dat het Statuut niet in de weg stond aan een verdere staatkundige ontwikkeling naar een eventuele onafhankelijkheid. De Nederlandse delegatie meende hieraan niet tegemoet te kunnen komen, omdat zulk een permanent recht van secessie het bestaan van het Koninkrijk op losse schroeven zou zetten (zie @: Zelfbeschikkingsrecht).


 
@: Secretaris van het eilandgebied
is een ambtenaar die de
Eilandsraad, het Bestuurscollege en de Gezaghebber in alles, wat het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam is. De secretaris wordt door de eilandsraad benoemd, geschorst en ontslagen. Het Bestuurscollege dient voor de benoeming een aanbeveling in. De secretaris ondertekent mede alle stukken die van de Raad en van het Bestuurscollege uitgaan. Zijn bezoldiging wordt bij eilandsverordening vastgesteld (zie @: Eilandsraad: secretaris).

 

@: Sedreifi
zie @: Dreifi.


 
@: Sefardische gemeenten
zie Joodse Gemeenten.

 

 

@: Segmentarische maatschappij
Het begrip segmentarische maatschappij is afgeleid van de door de
econoom J.S. Furnivall ingevoerde karakterisering van de Nederlands-Indische koloniale samenleving, die hij een plural society noemde. Hieronder verstond hij a society comprising two or more elements or social orders which live side by side, yet without mingling, in one political unit. Iedere groep behoudt zijn eigen godsdienst, zijn eigen cultuur en taal, zijn eigen ideeën en levensgewoonten. Deze groepen zijn echter niet alleen in dit opzicht van elkaar te onderscheiden, maar gewoonlijk ook in raciaal opzicht.
R.A.J. van Lier introduceerde dit begrip in de sociologie en paste het toe op het Caribisch gebied; hij noemde Suriname een meervoudige maatschappij waar groepsvorming op basis van ras en cultuur de aandacht trekt. De Antillen vormen met hun etnische meervoudig samengestelde bevolkingen meervoudige of segmentarische maatschappijen. Van Lier (1950) maakte een onderscheid tussen gesegmenteerde of pluralistische en segmentarische of plurale maatschappij. Viel de laatste samen met de meervoudige samenleving, de eerste term verwees veeleer naar een maatschappij die vanuit haar oorspronkelijke culturele kern een in klassen en subgroepen gedifferentieerde opbouw ontwikkeld heeft. Deze terminologie is vervolgens door Hoetink overgenomen in zijn studie van het rassenprobleem, in het bijzonder in het Caribisch gebied. Aan de hand van de beschouwingen van genoemde schrijvers kan het begrip segmentarische maatschappij worden omschreven als een samenleving, ontstaan uit het samenspel van twee of meer bevolkingsgroepen (segmenten) die oorspronkelijk verschillen in ras en cultuur; deze segmenten hebben een eigen plaats in de sociale rangorde van het maatschappelijk geheel. Door acculturatie vervagen de culturele verschillen, terwijl uit de biologische menging een mengras ontstaat, dat in cultureel en sociaalstructureel opzicht een eigen plaats gaat innemen. Door de sociale betekenis die de raciale (somatische) kenmerken behouden, ondanks een groeiende culturele homogeniteit, blijft een dergelijke maatschappij in vele opzichten gespleten van aard (zie @: Somatisch normbeeld). De Jamaicaanse socioloog M.G. Smith ziet echter het segmentarische karakter van deze maatschappijen primair als een functie van de culturele en niet van de raciale verscheidenheid.

In latere geschriften zijn de elementen cultuur en ras in een nog ander licht gesteld. De gedachte van culturele of raciale groepen als segmenten suggereert naar het inzicht van verschillende auteurs (o.a. M. Cross en A.F. Marks) een gelijkheid die er in werkelijkheid niet is. Noch cultuur, noch ras kunnen als elementen verantwoordelijk gesteld worden voor de posities van boven- en onderschikking die verschillende groepen op categorieën als blanken en negers, bijvoorbeeld, in de maatschappij innemen. Daarvoor is de factor macht van een groep over één of meer andere groepen nodig. Langdurig contact tussen groepen met sociaal, economisch en politiek ongelijke posities doet een mengcultuur ontstaan waarin de evaluerende beginselen, waarden en normen van de bovenliggende groepering in het gehele sociale leven van alle betrokken groepen een doordringende rol gaan spelen. Zo ontstond in het verleden de schaamte voor het eigen ras en de eigen cultuur, die in de loop van de 20ste eeuw met het proces van sociale, economische en politieke emancipatie van grote bevolkingsgroepen thans vergaand verdwenen is.
Het begrip
yu di tera is een bindende rol ten aanzien van blank- en donkergekleurd gaan spelen. Wat deze categorieën betreft is er tot op zekere hoogte sprake van een gesegmenteerde of pluralistische maatschappij. Andere etnische groepen als Chinezen, Portugezen e.d. geven de samenleving evenwel een segmentarisch of pluraal karakter.

Literatuur:

  • J.S. Furnivall, Netherlands India: a study of plural economy (1939);
  • H. Hoetink, De gespleten samenleving in het Caribisch gebied (1962);
  • Idem, The two variants in Caribbean race relations (1967);
  • R.A.J. van Lier, Samenleving in een grensgebied (1949, 1971, 1977);
  • Idem, Ontwikkeling en karakter van de West-Indische Maatschappij (1950);
  • M.G. Smith: The plural society in the British West Indies (1965).

 

 

 

Segregatie
Wettelijke segregatie is in de Nederlandse Antillen onbekend. Enige ruimtelijke gescheidenheid der sociale groepen op basis van economische omstandigheden, deels samenvallend met raciale verschillen, kan worden waargenornen.

 

Sei
zie Remora.


 
@: Sekou, Lasana Mwanza / @ Harold Lake
pseudoniem voor
Harold Lake (Aruba 12 januari 1959), uit wiens Engelstalige poëzie een sterke betrokkenheid met het Afrikaanse verleden van zijn voorouders spreekt.
Wrk.: Moods for Isis (1978).

 

@: Señora
Respectvolle aanspreekwijze voor de gehuwde vrouw.

 

@: Sensia
Nog steeds bestaat het gebruik om wierook te branden om een huis en zijn bewoners voor onheil te behoeden. Dit gebeurt vooral op oudejaarsavond. Men gaat dan met de brandende wierook het hele huis door (
sensia kas).


 
@: Sentebibu
zie @:Aloë.


 
@: Sentro Kultural Kòrsou
zie @: Cultureel Centrum Curaçao (C.C.C.) / @: CCC

 

@: Sentro Pro Arte
zie @: Centro Pro Arte

 

@: Separacion
zie @:Zelfstandigheidsstreven van Aruba.

 

@: Serashi machu
(Trichilia trifolia) of
shimaruku machu, plantesoort uit de familie der Meliaceae. Boompje of heester waarvan takken voorzien zijn van lichtgekleurde streepjes (lenticellen); bladeren 3-tallig met groter eindblaadje; bloemen in korte trosjes in bladoksel, wit; de helmdraden zijn tot een buis vergroeid; vrucht klein, geligbruin, met 3 kleppen openspringend; zaadje met oranje arillus. Vrij algemeen buiten het kalksteengebied op Curaçao.

 

@: Serenade
Rond de eeuwwisseling was het de gewoonte om aan een geliefd persoon - meestal ‘s avonds - een muzikale huldiging te brengen. Thans her en der door lokale trio’s opnieuw tot leven gebracht.

 

@: Sergeant majoortje
zie Ladronchi.

 

@: Ser’i Ararat / @: Seru di Ararat
zie @: Ararat

 

@: Ser’i kueba
Heuvel van 94m hoogte in noordwest Curaçao, deel uitmakende van een groter kalksteengeheel; geologisch belangwekkend, fossielvindplaats van eocene organismen (zie @: Geologie: Curaçao).

 

Seru
Papiamentu (Curaçao) voor heuvel. Aruba spreekt doorgaans van
cero.


 
Seru Domi-formatie
Naam voor jong-tertiaire en mogelijk oud-quartaire kalksteenafzettingen van Curaçao, Aruba en Bonaire; oorspronkelijk alleen voor Curaçao gebruikt (genoemd naar Curaçaosche
Ser’i Domi).

 

Seru Treinchi
87m hoge kalksteenheuvel zuidoostelijk van
landhuis Savonèt op Curaçao. De afzettingen hier hebben de geologische naam van Seru Teintjekalksteen gekregen (zie @: Geologie).

 

@: Service clubs
In de Nederlandse Antillen heeft men onderafdelingen en districten van:
Rotary International, Toastmasters International, de Lions International, de Kiwanis, de Round Table International en de Soroptimist International. Van bovengenoemde serviceclubs is de Joint Shell Curaçao N.V. Service Club Curaçao het overkoepelend orgaan van de op het eiland gevestigde clubs.

 

@: Sesam
zie @: Zjozjoli.

 

@: Seter
Begrafenisvereniging (Benedenwindse Eilanden). Aan een ‘fatsoenlijke’ begrafenis wordt in het algemeen bijzonder veel waarde gehecht. Vooral in de buitendistricten vindt men verenigingen met als doel het vormen van een fonds waaruit de begrafenis van hun leden bekostigd kan worden. De verenigingen dragen godsdienstige namen als
San Pedro, San Hose, Birgen di Rosario enz.

 

@: Seú
1. Oogstfeest op Curaçao, op Bonaire simadan genaamd; het binnenhalen van de maïsoogst ging met veel feestelijkheden (muziek, dans en zang) gepaard. Nadat de maïs was gesneden en de vrouwen de manden met kolven hadden gevuld, trok men al dansend en zingend in optocht naar de schuur (magasina). Dit dansend voortbewegen op de maat van de muziek wordt wapa simadan en wapa (mentu) tras di seú (dansend in oogststoet meetrekken) genoemd. De muziek bestond uit de tambu, de kachu, de agan of de wiri. Hierbij speelt de tokadó di kachu (hoornblazer) een belangrijke rol. Wanneer twee stoeten elkaar ontmoetten, vond er een schijngevecht plaats tussen de twee aanvoerders. Degene die hier als overwinnaar uittrad, kreeg de titel toro mansinga (of ook wel mansinga), de overwonnene werd toro mansebu genoemd. Dit gevecht herhaalde zich meermalen. De toro mansinga werd ook wel rei di maíshi (maïskoning) genoemd. De liedjes die tijdens het voorttrekken van de optocht werden gezongen, waren van geslacht op geslacht overgeleverd. De betekenis ervan is niet meer te achterhalen; in de volksmond heet het guene te zijn, de zogenaamde ‘Afrikaanse taal’ der slaven (zie @: Kanta guene). De mogelijkheid van een Afrikaanse oorsprong is uiteraard niet uitgesloten. Wanneer de stoet bij de schuur aankwam, werden de manden met kolven dansend in de magasina gestort onder het zingen van At’e ko t’ei ka, at’e ko t’ei ka. Daarna bleef men gezamenlijk het heuglijk feit van de oogst vieren.

Lit.: H. Hoetink, Over de simadan (Christoffel, I, 9, april 1956); N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977).

2. Instrument dat tijdens het oogstfeest en bij andere bijzondere gelegenheden werd bespeeld (voor een beschrijving hiervan zie @: Bastel). De seú was te zwaar om bij optochten gebruikt te worden en werd bij het oogstfeest dan ook bespeeld vóór of ná het binnenhalen van de oogst en niet tijdens de dans-optocht van het veld naar het landhuis. De seú wordt met twee stokken bespeeld.

 

@: Shaarei Tsedek, Curaçaosche Ashkenazische Israëlitische Gemeente
zie Joodse Gemeenten.

 

Shell Curaçao N.V.


behoort tot de
Koninklijke Shell groep; vóór 21 maart 1959 was de naam van het bedrijf  N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (in de volksmond Cepim). Tot de eigendommen behoorde o.a. de petroleumraffinaderij op Curaçao.

Op 31 juli 1914 werd het veld Mene Grande bij de zuidoostkust van het Meer van Maracaibo te Venezuela ontdekt door de Caribbean Petroleum Company, de voorgangster van de Companía Shell de Venezuela; de keuze voor de vestiging van een overlaadstation viel op Curaçao. Op 20 mei 1915 begon de Bataafsche Petroleum Maatschappij N.V. haar activiteiten en besloot nog datzelfde jaar over te gaan tot de bouw van een raffinaderij, die in mei 1918 in bedrijf werd gesteld. Inmiddels had de Bataafsche Petroleum Maatschappij N.V. op 13 jan. 1917 haar eigendommen overgedragen aan de op 20 oktober 1916 te ‘s-Gravenhage opgerichte N.V. Curaçaosche Petroleum Maatschappij, die op haar beurt weer overging in de op 9 maart 1925 te Curaçao opgerichte N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij. Eerst met deze oprichting te Curaçao kon met recht gesproken worden van een lokale maatschappij.
De eerste opbouwperiode duurde van 1918 tot 1924, in welk jaar meer dan 1 miljoen ton ruwe olie uit Venezuela werd aangevoerd. In 1924 begon een tweede constructieperiode. De jaren 1930-1934 werden gekenmerkt door een diepe inzinking; ultimo 1931 was het aantal werknemers reeds gedaald tot 2.648, na in 1930 gemiddeld 7.887 te hebben bedragen. Na 1935 ving een derde bouwperiode aan, waarin de activiteiten voornamelijk werden gericht op de constructie van installaties die een verdere raffinage tot produkten met een hogere waarde - betere kwaliteiten benzine en smeerolie - mogelijk maakten. In deze tijd werden ook de hulpbedrijven en de verschepings- en bunkerinstallaties uitgebreid, waardoor een sneller transport mogelijk werd. In 1938 bedroeg de aangevoerde hoeveelheid ruwe olie ruim 11 miljoen ton. Na een korte inzinking in het begin van de Tweede Wereldoorlog als gevolg van het wegvallen van afzetmarkten werd spoedig op oorlogscapaciteit gedraaid en zou later de gehele oorlogsmacht van de geallieerden in Noord-Afrika op olie uit Curaçao draaien.

De vierde bouwfase, die tijdens de oorlog was begonnen als gevolg van de grote vraag, werd daarna voortgezet met  zowel het verbeteren als het uitbreiden van de installaties. Zo kwam o.a. in 1957 een katalytische kraakinstallatie (Cat-cracker) gereed, waarmee motorbenzine van zeer hoge kwaliteit kan worden verkregen. In 1965 kwam men gereed met de bouw van een ruwe-oliedestillatie-installatie met een capaciteit van 130.000 barrels per dag, één van de grootste ter wereld. In november 1967 werd een hydrodesulphurizer-fabriek met de daarbij behorende platformer en hydrotreater in bedrijf gesteld welke installatie van primair belang is voor de handhaving van de positie op de wereldoliemarkt.

In de 1970ger jaren werden alle investeringen gericht op vervanging van verouderde, inefficiënt geworden installaties en vergroting van de flexibiliteit van het bedrijf. De gelegenheid werd tevens aangegrepen om belangrijke verbeteringen aan te brengen in het milieubeheer. Achtereenvolgens werden in bedrijf genomen een nieuwe High Vacuum Unit (in 1970) voor bereiding van voeding voor de smeerolie-fabricage, een Light Destillate Hydrotreater en een LVI Luboil Hydrofinisher (in 1971), beide voor waterstofbehandelingsprocessen, een Furfural Extraction Unit voor de fabricage van hoogwaardige smeerolie, een HF Alkylatie Unit voor de produktie van Alkylaat (een hoogwaardige component voor vliegtuigbenzine), en een Crude Distiller (de laatste in 1973). Het laatste nieuwbouwproject dat is uitgevoerd betreft de bouw van een nieuwe Thermal Cracker Unit, welke in de tweede helft van 1983 gereed kwam ter vervanging van enkele verouderde installaties. Een soortgelijke kraakinstallatie werd eind 1976 in bedrijf genomen.

Door de laatste jaren sterk verminderde vraag naar olieprodukten, voortvloeiende uit de verminderde economische activiteit, toenemende besparing en vervanging van olie door andere energiebronnen, kampt ook Shell Curaçao N.V. met een onderbezetting van haar raffinagecapaciteit, welke sinds enkele jaren voor slechts ± 60% wordt benut. Een verbetering op korte of zelfs middellange termijn van de huidige situatie is niet waarschijnlijk en het bedrijf heeft voor de komende jaren een drastisch bezuinigingsprogramma opgesteld teneinde de kosten te verlagen.
De primaire destillatie op Curaçao beweegt zich de laatste jaren rond 180.000 barrels per dag (10 miljoen ton per jaar). Een groot gedeelte van hetgeen daarbij wordt geproduceerd ondergaat een verdere verwerking. De raffinaderij is bij uitstek en uit noodzaak gericht op de export. Door haar flexibiliteit en de mogelijkheid tot ‘diep raffineren’, kan aan een sterk variërende vraag met een grote reeks produkten worden voldaan.
De raffinaderij met een oppervlakte van 440 ha ligt aan het Schottegat en heeft een primaire destillatie-capaciteit van 362.000 barrels per dag. Voorts bezit Shell Curaçao nog bunkerstations te
Emmastad en aan de Caracasbaai.
Met ingang van 1 januari 1961 werd de verkoop van petroleumprodukten op de Benedenwindse Eilanden overgedragen aan
Shell Nederlandse Antillen Verkoop Maatschappij N.V. (S.N.A.V.). Per 1 juli 1983 waren er 2.468 personen werkzaam bij de Shell Curaçao N.V., de S.N.A.V. en de N.V. Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij, waarmee de Koninklijke Shellgroep de grootste particuliere werkgever is van de Nederlandse Antillen (zie ook @: Petroleumindustrie).

 

@: Shell Nederlandse Antillen Verkoop Maatschappij N.V. (S.N.A.V.)
ontstond op 31 december 1960 door naamwijziging van
N.V. Arend Petroleum Maatschappij en nam op 1 januari 1961 de verkoop van olieprodukten en chemicaliën op de Benedenwindse Eilanden over van Shell Curaçao N.V. Sinds augustus 1981 verkoopt de S.N.A.V. niet meer op de Arubaanse markt (wat motorbenzine betreft). De omzet van olie-produkten is op Curaçao relatief hoog als gevolg van het verhoudingsgewijze hoge welvaartspeil en omdat het eiland een knooppunt is van belangrijke lucht- en zeewegen. Het totale verbruik van motorbenzine op Curaçao en Bonaire bedroeg in 1982 ruim 124 miljoen liter.

 

@: Shi María
Zie (Kuentanan di) Nanzi.

 

@: Shimaruku
(Malpighia punicifolia) of
cherry, plantesoort uit de familie der Malpighiaceae. Boompje of heester met langwerpige tot omgekeerd eivormige bladeren, met ronde of spitse top; bloemen in okselstandige bundeltjes van 35, lila, 5-tallig; kelk met klieren bezet; steenvrucht afgeplat-bolvormig, geribd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Algemeen in het wild voorkomend, vooral buiten het kalkgebied. Vrucht eetbaar, met hoog gehalte aan vitamine C. Tot hetzelfde geslacht hoort shimaruku machu (Malpighia glabra), met elliptische tot lancetvormige bladeren met zeer spits toelopende top en donkerrode, niet geribde vrucht.

 

@: Shiwa
Joods rouwgebruik, dat sterke gelijkenis vertoont met de
ocho dia (zie Begrafenisgebruiken).

 

@: Shon
(heer), oorspronkelijk de aanspreektitel van de
meester in de slaventijd. Werd de slaaf altijd met zijn voornaam aangesproken, hij moest de meester, zijn familieleden en alle personen van diens sociale rang met shon aanspreken, meestal gevolgd door de voornaam. Later werd shon de aanspreektitel voor alle personen die men respecteert en als van hogere sociale rang erkent. De Gouverneur werd met Shon Grandi (grote heer) aangeduid.

 

@: Shon Arei
Zie (Kuentanan di) Nanzi.

 

@: Shuata (mentu)
zie Voedselvergiftiging.

 

@: Simadan
1. Bonairiaanse naam voor oogstfeest en -dans, pendant der Curaçaosche
seú. Simadan wordt in tegenstelling tot seú, ook in symbolische zin gebruikt om het groeiende en bloeiende te kenschetsen;

2. Letterkundig tijdschrift, in 1951 op initiatief van: Nicolás Piña opgericht als forum voor Papiamentse schrijvers (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

 

@: Simadanza Skol di Ballet i Baile Folklorico,
opgericht in 1975 op Aruba door
Astrid Salazar, Diana Wever-Antonette en Ina Profeet, oud-leerlingen van de Rotterdamse Dansacademie, heeft als doelstelling belangstelling voor de danskunst te kweken. Op educatieve wijze tracht men een eigen techniek en stijl te ontplooien en de leerlingen voor te bereiden voor een professionele dansgroep. Naast klassiek, modern en jazzballet wordt vooral les gegeven in Antilliaanse folklore. Uit de balletschool, die 300 leerlingen telt, is door de directrice Astrid Salazar in 1976 Grupo di Baile Simadanza opgericht. Typisch folkloristische dansen in een gestileerde stijl worden regelmatig in lokale hotels gebracht. Ook in het buitenland (Venezuela, Dominicaanse Republiek, Amerika) is de dansgroep met succes opgetreden.

 

@: Sint Annabaai
Zie @: Havens, Schottegat.

 

@: Sint Christoffelberg


Hoogste heuvel van Curaçao (375,4m), vooral bestaande uit de zogenaamde Knip-lagen (zie @: Geologie: Curaçao). Ligt in het heuvelgebied van het noordwestelijk deel van het eiland en is ondermeer bekend om zijn bijzondere vormen van plantaardig leven, onder anderen orchideeën. Vanwege het natuurschoon - en de landschappelijke waarde - werden omstreeks 1970 door de overheid hier vier (4) plantages aangekocht, namelijk
Savonèt, Zorgvliet, Zevenbergen en een deel van Knip. Dit gebied omvat 1.860 ha en werd op 30 juni 1978 uitgeroepen tot natuurpark, het St. Christoffelpark. Dit natuurreservaat valt onder beheer van Stinapa: Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen.

 

@: Sint Eustatius


 

 

Inhoudsopgave

1. Geografische en geologische beschrijvingen

2. Water

3. Natuurlijke begroeiing

4. Agrarische mogelijkheden

5. Grondeigendom

6. Bevolking

7. Ontwikkelingsprojecten

8. Economische activiteiten - toerisme en olieoverslag - en communicatie

9. Autonoom Eilandgebied

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Sint Eustatius - 1. Geografische en geologische beschrijvingen

Sint Eustatius is een der Bovenwindse Eilanden van de Nederlandse Antillen, behorende tot de groep der Kleine Antillen (hoofdplaats: Oranjestad). Het eiland - ook wel Statia genoemd - ligt op 17,5° N.Br. en onmiddellijk ten oosten van de meridiaan van 63° W.L.; het heeft een lengte van 4,5 km, de oppervlakte bedraagt circa 21 km²'. Men kan Sint Eustatius in drie landschappen verdelen: in het noordwesten en zuidoosten twee vulkanische massieven, gescheiden door een in noordelijke richting afhellende vlakte. Het noordelijke landschap - plaatselijk ook wel de Little Mountains genaamd - wordt gevormd door de resten van een oud-quartaire vulkaan; het is thans een door verwering en erosie sterk versneden en heuvelachtig gebied: een echte vulkaanruïne. De hoogste verheffingen in dit gebied zijn: Boven (294m), Signal Hill (233,6m), Bergje (227m), Pisga (ook wel Pafia 188,5m), Mary’s Glory (187m), Little Mountain (179m) en Gilboa Hill (177m). In het zuidoosten van het eiland ligt een 600m hoge uitgedoofde jong-quartaire strato-vulkaan, waarvan de regelmatige, hoewel afgeknotte kegelvorm het silhouet van het eiland beheerst. Dit is * The Quill (een verbastering van het Nederlandse woord ‘kuil’), welke naam eigenlijk slechts toekomt aan de diepe steilwandige krater in deze oude vulkaan. De oostelijke kraterwand en tevens het hoogste punt draagt de naam Mazinga. De krateropening heeft een omtrek van 2 km, de steile wanden reiken 322m omlaag tot 278m boven zeeniveau. Zowel de wanden als de kraterbodem zijn dicht begroeid met tropisch regen- en nevelwoud. Aan de zuidrand van de vulkaan rijzen steil uit zee op de geologisch zeer merkwaardige Sugar Loaf en White Wall (zie @: Geologie); hier ter plaatse komt het puimsteen voor waarvan de winning reeds enkele malen is gesuggereerd.
De noordelijke helling van The Quill gaat over in de
Cultuurvlakte, welke het 80-30m hoge middendeel van het eiland vormt. In feite is deze vlakte de zeer brede voet van de Quill-vulkaan en zij is dan ook opgebouwd uit betrekkelijk vruchtbare vulkanische verweringsgronden; de oppervlakte van dit gebied bedraagt ongeveer 6 km². Als een natuurlijk bolwerk steekt de 155m hoge Round Hill in de vlakte vooruit, deze verheffing is vermoedelijk een oude bijkrater van The Quill.

Sint Eustatius heeft een steile klifkust, die hier en daar, met name in de baaien enige ruimte laat voor smalle zand- en puinstrandjes. Vanuit het noorden rondgaande om het eiland, zijn de voornaamste baaien: Boven Bay, Fontaan Bay, Venus Bay, Zeelandia Bay, Concordia Bay, Schildpadden Bay, Compagnie Bay, Back-off-Bay, Kay Bay, Gallows Bay, Oranjestad Bay, Tumbledown-Dick Bay (afgeleid van Tommelendijk-baai) en Jenkin’ Bay. Door sommige geologen is het vermoeden uitgesproken dat Sint Eustatius in dalende beweging verkeert, hiervan zou een versnelde afbraak van de kust het gevolg zijn. Op de stranden komt door een natuurlijk sorteringsproces veel uit vulkanische gesteenten afkomstig titaan- en ijzerhoudend materiaal voor, waardoor het zand plaatselijk zeer donker gekleurd is; met name is dit het geval in Compagnie Bay en Oranjestad Bay.

Sint Eustatius - 2. Water

Evenals op Sint Maarten zijn de neerslagwaarden op Sint Eustatius onvoldoende voor het ontstaan van permanente riviertjes. Slechts na hevige regenbuien kunnen zich tijdelijk snelstromende beken vormen, die een sterk eroderende werking hebben. Zo zijn vooral in het noordelijk heuvelland en op de hellingen van The Quill de ghauts ontstaan, diep ingesneden dalen en kloven waarlangs het water na regenbuien zijn weg omlaag zoekt.
De regenval is van jaar tot jaar zeer ongelijk: vochtige jaren wisselen af met zeer droge. Berucht in dit opzicht waren de jaren 1952/1953 en 1982/1983 toen het zo lang droog bleef dat bijna al het vee omkwam, de landbouwproduktie zonder irrigatie bijna tot stilstand kwam en dat drinkwater van elders moest worden aangevoerd.
In de waterbehoefte van mens en dier wordt op St. Eustatius in de eerste plaats voorzien door het opvangen van regenwater in bakken (
cisterns) bij de huizen. De overheid heeft bovendien vier putten onder haar beheer waarvan drie voorzien zijn van elektrische pompen en één van een windmolen. Het streven is om de drie eerste ook door windmolens te vervangen. Op de Cultuurvlakte moeten de putten ten gevolge van de lage grondwaterstand zeer diep zijn, soms tot 50 á 60m. De meeste putten leveren brak water, er zijn er slechts twee die ook voor de mens geschikt drinkwater geven. Eertijds groeven de boeren kuilen in de grond om het afstromende regenwater op te vangen. De overheid heeft ook vier wateropvangconstructies met bijbehorende reservoirs. Van hieruit verkoopt zij water per tankwagen aan de bevolking.

Sint Eustatius - 3. Natuurlijke begroeiing

 

 

 

 

.

De natuurlijke begroeiing van Sint Eustatius vertoont een savannekarakter en bestaat overwegend uit struikgewas, al of niet gedoornd. Vooral waar vroegere akkergrond verwaarloosd en verlaten is, heeft zich een secundaire vegetatie ontwikkeld waarin de cactus de boventoon voert. Op de zware begroeiing van top en krater van The Quill werd reeds gewezen. Ook op Sint Eustatius - gelijk dit op alle eilanden der Nederlandse Antillen het geval is - hebben mens en dier, in combinatie met natuurlijke factoren, het proces van bodemerosie sterk bevorderd. Ontbossing onder andere ten behoeve van de houtskoolwinning, verwaarlozing en het verlaten van akkergrond en de vraatzucht van de geit die in grote aantallen over het eiland zwerft, zijn wel de belangrijkste oorzaken. Vele malen is reeds gewezen op de geweldige afspoeling welke na hevige regenbuien plaatsvindt, zoals met name bij Oranjestad waar de zee somtijds bruin gekleurd is door de grote hoeveelheden bodemmateriaal dat door het regenwater van de Cultuurvlakte wordt weggevoerd.

Sint Eustatius - 4. Landbouw mogelijkheden

De Cultuurvlakte heeft een betrekkelijk vruchtbare zandige leembodem waarop onder gunstige omstandigheden akkerbouw mogelijk is; de grond neemt echter moeilijk water op zodat spoedig uitdroging optreedt. Voor het overige belemmeren reliëf en bodemgesteldheid deze activiteit, zodat van de ruim 2.100 ha beschikbare grond slechts circa 580 ha voor akkerbouw bruikbaar is. In verhouding tot de totale oppervlakte van het eiland is het niettemin meer dan op alle andere eilanden der Nederlandse Antillen. Van het beschikbare akkerbouw-areaal wordt thans in feite slechts ongeveer een vierde deel werkelijk gebruikt. Uiteraard is voor de veeteelt meer grond aanwezig, zodat het totaal van de voor agrarische doeleinden redelijk geschikte grond op Sint Eustatius een oppervlakte beslaat van omstreeks 1.200 ha.
De agrarische geschiedenis van Sint Eustatius vertoont een wisselvallig maar zelden succesvol beeld. I n de 17de eeuw was het een plantage-eiland, dat hoofdzakelijk suikerriet leverde. Al spoedig ontwikkelde het eiland zich tot een stapelplaats van betekenis en een centrum voor de
slavenhandel. Hierdoor raakte de plantagelandbouw enigszins op de achtergrond om na de overval van Rodney, in 1781, waardoor Sint Eustatius als handelscentrum werd uitgeschakeld, weer aan betekenis te winnen. In het begin van de 19de eeuw telde men hier een veertigtal plantages en werd het beschikbare landbouwareaal vrijwel geheel gebruikt. In de 1840er jaren zette echter de teruggang in, welke nog versneld werd door de afschaffing van de slavernij. Sint Eustatius werd een eiland vol ruïnes van plantershuizen, slavenverblijven en suikermolens. Pogingen om de plantagelandbouw nieuw leven in te blazen mislukten, hoofdzakelijk door afzetmoeilijkheden en gebrek aan belangstelling bij de plaatselijke bevolking. Er zijn pogingen geweest om de suikerrietcultuur te hervatten; nieuwe cultures van katoen en in de 20ste eeuw nog sisal, werden gevestigd, maar het uiteindelijk succes bleef uit. Na de vestiging van de olie-industrieën op Curaçao en Aruba deed de aantrekkingskracht van deze eilanden het vertrekoverschot van Sint Eustatius zeer sterk toenemen en de lust tot agrarische arbeid verminderen.
In 1940 ondernam het gouvernement een poging de agrarische omstandigheden op het eiland te verbeteren door het zogenaamde
Concordia-project. Op het gebied van deze voormalige plantage werden kleine percelen goedkope grond beschikbaar gesteld en een aantal volkswoningen gebouwd met de bedoeling de bevolking terug te brengen tot het land. Het initiatief mislukte door gebrek aan belangstelling.
Vermelding verdient de vestiging van enige Nederlandse boeren op het eiland in 1949, met het doel hier enkele grote gemengde bedrijven op te zetten, waarvan de (veeteelt)produkten op Curaçao en Aruba afgezet zouden kunnen worden. Tezamen hadden zij ongeveer 1.000 ha grond in eigendom. De rampzalige droogte van de jaren 1952 en 1953 betekende voor deze jonge bedrijven nagenoeg het einde nog voor ze goed en wel begonnen waren. Aan het eind van de 1970ger jaren leeft de landbouw geleidelijk aan weer op. De eilandsoverheidstuin onder leiding van een landbouwdeskundige geeft een goed voorbeeld en hulp aan de boeren op het gebied van de tuinbouw. Bovendien zorgt de overheidstuin voor de in- en verkoop van tuinbouwprodukten der lokale boeren. Regelmatig wordt er groente aan Sint Maarten en Saba verkocht. Ongeveer twintig boeren houden zich doorlopend bezig met tuinbouw, de zogenaamde
planters. Een veertigtal doet dit periodiek. De boeren zijn verenigd in de Statia Farmers Cooperative. Enkele planters, de Farmers Corporation, hebben samen overheidsgrond gepacht en proberen zo tot een efficiëntere produktie te komen. Het aantal Statianen dat zich met de veeteelt bezig houdt is nog altijd groter dan het aantal planters, de verhouding is ongeveer 70% tot 30%. Regelmatig wordt er vee aan Saba verkocht.

Sint Eustatius - 5. Grondeigendom

Wat de grondeigendom betreft geldt voor Sint Eustatius, dat het grootgrondbezit hier niet met de plantages is verdwenen. In 1983 was van de beschikbare grond ongeveer 50% in handen van een zeer klein aantal families (particulieren?), waaronder ook het olieoverslagbedrijf; 25% was gouvernementseigendom en slechts 25% van de grond was opgedeeld onder de plaatselijke bevolking. Pacht is op Sint Eustatius dan ook regel. Een bijzondere moeilijkheid bij grondtransacties wordt veroorzaakt door het evenals in Sint Maarten veel voorkomende zogenaamde successieland; hieronder worden verstaan de tot een onverdeelde boedel behorende landerijen, waarop dikwijls een groot aantal erfgenamen rechten kunnen doen gelden. Er is weinig bereidheid deze rechten op te geven met alle nadelen van dien. Bovendien zijn de erfgenamen in vele gevallen reeds jaren van het eiland vertrokken en in den vreemde woonachtig, soms zijn zij in het geheel niet meer op te sporen.

6. Bevolking

Per 31 december 1982 telde Sint Eustatius 1.497 inwoners, merendeels Nederlands-Antillianen. De voertaal op het eiland is Engels. Bijgaande tabel toont hoe de bevolkingsomvang van het eiland na 1920 dalende was, hoofdzakelijk als gevolg van de zuigkracht van de beter bedeelde eilanden, maar dat aan deze beweging in de jaren vijftig van de 20ste eeuw een einde is gekomen. De toename in 1982 is waarschijnlijk het gevolg van het operationeel worden van het olie-overslagbedrijf in dat jaar. Hierdoor vestigde niet alleen een twintigtal gezinnen uit de V.S. zich op St. Eustatius, maar ook kwamen er uit de overige eilanden van de Nederlandse Antillen mensen om te werken bij het zich geleidelijk uitbreidend overheidsapparaat en bedrijfsleven.
Van een duidelijke remigratie was in 1983 nog geen sprake. Behalve de Amerikanen die bij de olie-overslag werken, heeft ook een twintigtal gepensioneerde Amerikaanse gezinnen zich op Sint Eustatius gevestigd, waardoor het totaal aantal
U.S.-citizens medio 1983 op ongeveer 85 kwam.
Van de bevolking van Sint Eustatius zijn ongeveer 350 vrouwen afkomstig uit St. Kitts. Zij zijn gehuwd met op Sint Eustatius geboren mannen. Veel jongelui verlaten na de basis school het eiland om op Sint Maarten of op de Benedenwindse Eilanden voortgezet onderwijs te volgen. In de grote vakantie komen vele van hen weer terug, wat dan duidelijk in het straatbeeld opvalt. Ook om deze reden is het jaarlijkse carnaval naar de maand juli verplaatst.
De Statiaanse bevolking is vrijwel geheel in Oranjestad, aan de westkust van het eiland gelegen, woonachtig. Dat is niet altijd zo geweest; het eiland telde, zoals bekend, in de vorige eeuw nog een veertigtal plantages met talrijke opgezetenen. Na de vrijverklaring van de slaven, in 1863, trokken deze geleidelijk naar Oranjestad, waardoor het platteland ontvolkt raakte. Als reden hiervoor kan genoemd worden het feit dat het de voormalige slaven in het algemeen niet mogelijk was land in eigendom te verwerven door het zich handhavende grootgrondbezit. Omstreeks 1900 was dit migratieproces zo goed als voltooid.
Reeds vermeld is het ontstaan van de (volkswoning)wijk
Concordia, die zich uitbreidde o.a. door de aanleg van het vliegveld. Vrijwel aangrenzend werd in 1974/75 de volkswoningwijk Golden Rock gebouwd, die na uitbreiding in 1983 78 woningen zal tellen. Een gebied met wijd verspreide luxe villa’s is Upper Round Hill, waar voornamelijk Amerikanen wonen. Ongeveer de helft van de bevolking behoort tot de Methodistengemeente, een vierde deel tot de RK-Kerk.

7. Ontwikkelingsprojecten
Vanaf ongeveer 1965 geraakt Sint Eustatius steeds sneller uit zijn isolement. Een lijst van uitgevoerde projecten geeft een indruk van de veranderingen:

• 1965: de eerste elektriciteitscentrale door Prins Bernhard geopend;
• 1968: Golden Rock school, RK-basisschool;
• 1969: Zeelandia’s Road en Roads to English Quarter;
• 1971: luchthaven: startbaan en stationsgebouw;
• 1976, Telefoonnet;
• 1976: Grote pier;
• 1978: Nieuw ziekenhuis;
• 1979: Restauratie Fort Oranje;
• 1980: Restauratie Nederlands Hervormde Kerk;
• 1981: Restauratie Fort de Windt;
• 1983: Nieuwe bibliotheek;
• 1984: Nieuwe elektriciteitscentrale.

Deze, voor een belangrijk deel infrastructurele, overheidsprojecten vormden een basis voor initiatieven van zowel Statianen als buitenlanders. De Sint Eustatius Historical Foundation zorgde dank zij haar inspanning ter verfraaiing van het historische stadsbeeld, haar museum en restauraties, voor een nieuwe image van Sint Eustatius als waardevol historisch eiland met als één van de gevolgen een sterke opleving in het toerisme.

Sint Eustatius - 8. Economische activiteiten - toerisme en olieoverslag - en communicatie

.

Het toerisme is een hoofdstuk apart van de ontwikkeling van het eiland. Het aantal hotels nam toe tot 7 met een totaal van 79 kamers medio 1983. Daarnaast beschikt de overheid over een voormalig hotel van 40 kamers waarin onderdak verschaft wordt aan groepen die om culturele of sportieve redenen het eiland bezoeken. Van de drie luxe hotels is het meest bekende het in 1972 gestarte Old Gin House, smaakvol gehuisvest in voormalige pakhuizen van de benedenstad.
Van grote betekenis zijn ook de ‘olie’ activiteiten van St. Eustatius. De komst van het olie-overslagbedrijf
Statia Terminals N.V. heeft grote invloed op aIle aspecten Van het Statiaanse leven. In de periode 1980 tot medio 1982 waren zoveel mensen nodig bij de bouw van de opslagtanks en de pier dat de werkloosheid te verwaarlozen was. Medio 1983 hadden 80 personen er vast werk waarvan 66 lokaal en 14 buitenlanders.


Vanaf 1980 is er een duidelijke toename in de activiteiten van de particuliere ondernemers te bespeuren: groot- en kleinhandel breiden zich uit. Een klein maar veelbelovend bedrijf is de
Golden Rock Artisan Foundation, een door de Verenigde Naties gesteunde onderneming die o.a. kwaliteitsmeubelen in oud-Caribische stijl maakt. De afzet van de produkten vormt nog een probleem, maar verschillende meubelen hebben hun weg al helemaal naar Nederland gevonden.
De werkloosheid, in 1977 90 personen (19,6%) is dus gedaald naar 45 personen in 1983 (8,2%).
Ongeveer tien vissers hebben hun beroep als hoofdinkomen terwijl nog zo’n 15 personen als bijverdienste vissen. Het aantal schepen dat in 1982 Sint Eustatius aandeed was 472, waarvan 36 motorvrachtschepen en 100 jachten. De overige schepen zijn lokale zeilvrachtscheepjes en het
toeristenzeilschip Polynesia, een fraaie viermaster dat iedere twee weken Sint Eustatius aandoet met maximaal 200 toeristen. De passagiersbewegingen op de luchthaven waren in 1982: inkomend 11.386, uitgaand 11.535, in transit 10.847. De vaste verbindingen door de lucht werden vijf maal per dag verzorgd door de Winair vanaf de Franklin D. Roosevelt-luchthaven.
Hoewel er tot 1983 geen vaste scheepvaartverbindingen waren, was er toch sprake van een regelmatige aanvoer van goederen uit Sint Maarten, St. Kitts en Puerto Rico.
Het Sabaanse particuliere motorschip de
Brianne-C toonde in 1983 aan dat het in staat is om zonder subsidie een enigszins regelmatige scheepvaartverbinding tussen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten te onderhouden.

De 1970ger jaren luidden een periode in van toenemende sociaal-culturele activiteiten. Werden voorheen vrijwel uitsluitend grote infrastructurele werken met behulp van Nederland uitgevoerd, thans ontstaat een verschuiving naar vrij kleine, sterk sociaal gerichte projecten die ook vaak door particuliere fondsen worden gefinancierd. Medio 1973 waren verschillende projecten in uitvoering o.a. restauratie van oude huizen van minder bemiddelden door vrijwilligers (Stichting Drecha Kas afkomstig uit Curaçao), uitbreiding van het buurtcentrum (community center) en een peuterschool ten gerieve van werkende moeders. De Sint Eustatius Historical Foundation treedt op als gastheer en coördinator voor wetenschappelijk onderzoek: vanaf 1980 komt jaarlijks een groep archeologen en studenten van de universiteit van William and Mary uit Williamsburg, Virginia, historisch-archeologisch onderzoek doen. Deze Archaeological Field School, die nauw samenwerkt met het Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen (A.A.I.N.A.), doet opgravingen in de ruïnes van de beneden- en bovenstad en bij plantage-complexen om de ongeschreven geschiedenis in de 17de en 18de eeuw te kunnen vastleggen. Daarnaast wordt veel tijd besteed aan een nauwkeurige kartering van alle ruïnes op het eiland en wordt ook antropologisch werk gedaan (het noteren van de mondeling overgeleverde geschiedenis). De Stinapa heeft in samenwerking met de Historical Foundation in 1983 twaalf natuurpaden aangelegd die de bezoekers in de gelegenheid stellen te voet de mooiste delen van het eiland op hun gemak te bekijken. Op cultureel gebied verdient Ellis Lopes een aparte vermelding.

Sint Eustatius - 9. Autonoom Eilandgebied

Per 1 April 1983 werd Sint Eustatius een autonoom eilandgebied. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en twee gedeputeerden. De eilandsraad telt 5 leden waarvan na de eilandsraadverkiezingen in 1983 de Democratische Partij 3 zetels behaalde en de Windward Islands People’s Movement (W.I.P.M.) 2. (Zie verder o.m. @: Archeologie; @: Architectuur; @: Bevolking; @: Bovenwindse Eilanden; @: Geologie; @: Geschiedenis; Joodse gemeenten; @: Klimaat; @: Landbouw; @: Mijnbouw; @: Plantages).

Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

 

@: Sint Eustatius Gazette
zie Pers.

 

@: Sint Eustatius Historical Foundation
opgericht in 1974; wil door het laten uitvoeren van tal van projecten de historische erfenis van het eiland conserveren. De drijvende kracht is ongetwijfeld voorzitter
Ishmael Berkel. (Zie @: Sint Eustatius; zie ook @: Musea).

 

@: Sint Eustatius Social and Welfare Work Organization (S.S.W.W.O.)
fungeert als het culturele centrum van het eiland St. Eustatius en ontplooit, vaak tezamen met andere eilandelijke organisaties, diverse sociale en culturele activiteiten, die zich voor een groot deel afspelen in het in 1982 aanzienlijk uitgebreide
Community Center, dat als een dochterstichting van S.S.W.W.O. valt te beschouwen.

 

@: Sint Jorisbaai
Handvormige binnenbaai aan de noordkust van Curaçao. De baai wordt geheel omgeven door particuliere vroegere plantagegronden, thans gedeeltelijk nog in gebruik voor enige, voornamelijk extensief bedreven, veeteelt en landbouw. Op
Plantage Klein St. Joris vindt men het grootste tuinbouwbedrijf op Curaçao. Hier wordt tuinbouw op moderne en intensieve wijze uitgeoefend. De St. Jorisbaai is in de Antilliaanse geschiedenis bekend geworden door het huzarenstukje van Pedro Luis Brion, die in 1804, toen de zuidkust door Engelsen werd geblokkeerd, kans zag de baai binnen te zeilen, lading te lossen en de baai weer te verlaten.

 

 

@: Sint Maarten


Sint Maarten is het grootste van de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (hoofdplaats: Philipsburg) maakt deel uit van de noordelijke groep der Kleine Antillen. Het ligt onmiddellijk ten westen van de meridiaan van 63° W.L. en op de parallel van 18° N.Br. Het eiland heeft een oppervlakte van ca. 86km², waarvan het grootste deel tot het Frans-Caribisch gebied behoort. Het zuidelijke en kleinste deel, ca. 34km², behoort tot het grondgebied der Nederlandse Antillen. De internationale grens loopt dwars over het eiland. Deze verdeling kwam tot stand in 1648, 300 jaar later werd precies op de grens tussen Cole Bay en het Franse Marigot een monument opgericht, dat dit feit herdenkt (zie @: Verdelingsverdrag St. Maarten).

Sint Maarten is zeer heuvelachtig met uitzondering van de vlakke Lowlands (Terres Basses) in het westen; dit lage kalksteengebied raakte door holocene vorming van zandbanken (tombolo’s) met het hoofdeiland verbonden. Het Nederlands-Antilliaanse deel van Sint Maarten kan landschappelijk als volgt worden onderverdeeld:

a. de oostelijke heuvelrug van kaap Point Blanche tot Oyster Pond, waartoe o.a. de 296m hoge Naked Boy Hill (Oostenberg) behoort;

b. de westelijke heuvelrug van Little Bay naar Pic du Paradis (424m) in het Franse deel, waarin heuvels als Cole Bay Hill (218m), Sentry Hill (341m), St. Peter’s Hill (316m) en Mount Concordia (280m) worden aangetroffen;

c. tussen beide bovengenoemde ruggen gaat een derde heuvelrug vanuit het centrale deel van het eiland in de richting van de Great Salt Pond, waartoe onder anderen de Flagstaff (391m) en de 264m hoge Mount William behoren;

d. tussen a. en c. vindt men een lager gedeelte, Upper en Lower Prince’s Quarter, van elkaar gescheiden door de Middle Region (175m);

e. tussen b. en c. ligt Cul-de-Sac, een klein en schilderachtig dal, in het noorden afgesloten door het massief van de Flagstaff, in het zuiden overgaande in Fresh Pond;

f. tussen de meest westelijke heuvelrug en het Simpson Bay Lagoon vinden we de vlakte van Cole Bay-district en Diamond;

g. de westelijke begrenzing van Simpson Bay Lagoon ten slotte wordt gevormd door de reeds genoemde Lowlands.

De kust van Sint Maarten vertoont een groot aantal baaien, lagunen, zandbanken en zandstranden. Van de baaien kunnen van oost naar west genoemd worden Oyster Pond, Guana Bay, Point Blanche Bay, Great Bay en Great Salt Pond, Little Bay, Cay Bay, Cole Bay, Simpson Bay en Simpson Bay Lagoon, Mullet Pond Bay en ten slotte Mullet Pond en Flamingo Pond, alle op het Nederiands-Antilliaanse deel van het eiland.

De neerslaghoeveelheid van Sint Maarten is weliswaar groter dan die van de Benedenwindse Eilanden, maar mede door de grote verdamping in het algemeen niet voldoende voor het doen ontstaan van tropisch regenwoud; het eiland heeft dan ook in hoofdzaak een savanne-vegetatie. Ten aanzien van de begroeiing spelen het reliëf en de ligging ten opzichte van de passaatwind een grote rol: in de lagere en meer beschutte dalen is de boomgroei weelderiger dan op de hogere en meer aan de wind blootgestelde hellingen; hier overheerst het struikgewas. Op grotere hoogte kan als gevolg van de grotere neerslag de boomgroei plaatselijk weer toenemen. De Lowlands hebben eveneens een dichte struikbegroeiing. De neerslag is van jaar tot jaar zeer ongelijk en langdurige droogte-perioden behoren op Sint Maarten niet tot de uitzonderingen. Er zijn dan ook geen permanente bronnen, beekjes of rivieren; de waterbehoefte van mens en dier werd gedekt door een twintigtal gouvernements- en particuliere putten en door gemetselde regenbakken, de zogenaamde cisterns. Sinds 1969 zorgt een zeewaterdestillatiefabriek voor drink water. I nmiddels is meer dan de helft van de woningen aangesloten op deze fabriek. Door ontbossing, onoordeelkundige bewerking, verwaarlozing van het land, overbeweiding, wegenaanleg en afgravingen heeft het afstromende regenwater op dit reliëfrijke eiland zeer veel schade aan de bodem toegebracht; door het ontbreken van bodemconserveringsmaatregelen gaat dit vernielingsproces nog steeds verder. Vele hellingen zijn als gevolg van de bodemerosie overdekt met een menigte afgeronde rotsblokken, qua ontstaan en samenstelling vergelijkbaar met de blokvelden op Aruba. Betere en diepere bodems treft men aan in de dalen, met name in de Cul-de-Sac en in het Cole Bay district.

In het verleden was Sint Maarten een plantagegebied; aan het einde van de 18de eeuw telde men er 92 plantages, waarvan ongeveer een derde deel suikerriet produceerde. De suikerrietteelt is als gevolg van verschillende omstandigheden in de loop van de 19de eeuw te gronde gegaan, evenals de teelt van katoen en andere tropische handelsgewassen. De sporen ervan zijn echter in het landschap nog niet geheel verdwenen. Er zijn verscheidene oude plantershuizen, waarvan de meeste tot ruïnes zijn vervallen, met uitzondering van het landhuis Mary's Fancy in Cul-de-Sac, dat als hotel is ingericht, Belvedere, dat met het bijbehorende land het best bewaarde plantagecomplex is en Union Farm uit de 17de eeuw, dat één van de oudste plantagehuizen moet zijn. Een overblijfsel van de vroegere suikerrietcultuur zijn ook de lange smalle, veelal braakliggende percelen land, door losgestapelde stenen muurtjes van elkaar gescheiden, die zich vanuit de dalen tot hoog tegen de hellingen uitstrekken. De in het verleden zo belangrijke zoutwinning van Sint Maarten (zie @: Zout) is eveneens geheel teloor gegaan; in de Great Salt Pond - met een oppervlakte van omstreeks 225 ha - vindt men nog vele sporen van deze vroegere bedrijvigheid, zoals de verwaarloosde dammetjes die eertijds de verschillende kleinere zoutpannen moesten scheiden.
Van de ruim 3.000 ha beschikbare grond op het eiland is slechts 1.250 ha werkelijk geschikt voor akkerbouw en/of veeteelt. Van het potentiële akkerbouwareaal ter grootte van 688 ha is bijna niets in gebruik. De zogenaamde
kitchen gardens, kleine akkertjes waarop voedselgewassen voor eigen gebruik zoals zoete aardappelen, yams, boontjes, mais en groenten worden gekweekt, komen nog maar sporadisch voor. De akkerbouw speelt op Sint Maarten dus een zeer ondergeschikte rol. Men kan het eiland ook moeilijk een veeteeltgebied noemen, in de zin dat dit bestaansmiddel ook maar enigermate een stuwende functie in de eilandshuishouding zou betekenen. Men houdt vrij veel vee: rundvee, geiten, schapen, varkens en pluimvee, maar de zorg die men eraan besteedt, is minimaal. Het rendement is dan ook laag: zelfs de melk- en vleesbehoefte der plaatselijke bevolking kan hieruit niet gedekt worden. Een kwalijke omstandigheid is dat men het vee in het algemeen los laat weiden, waardoor enerzijds goede akkerbouwgronden niet als zodanig benut kunnen worden, anderzijds de bodemerosie op de voor veeteelt minder geschikte gronden sterk wordt bevorderd. Door de enorme toename van de woningbouw vanaf de 1960ger jaren verdwijnt er veel weide- en akkerland, vooral in de vallei van Cul-de-Sac. Aan dit proces komt vooralsnog geen einde.

De meeste grond op Sint Maarten is in handen van particulieren, er is slechts weinig gouvernementsgrond. Deze gronden zijn evenwel als erfpachtgronden intensief in gebruik genomen voor bewoningen: St. Peter, South Reward, Point Blanche, Saunders, Simpson Bay Lagoon, Simpson Bay, The Corner en Fort William Hill. Hoewel er grotere bezittingen in één hand voorkomen, overweegt het kleingrondbezit. Vooral na het verdwijnen van de plantages zette een proces van grondversnippering in, dat typerend is voor de bodemeigendom op Sint Maarten. Merkwaardig is, dat ondanks de jarenlange verwaarlozing van de bodem als agrarisch produktiemiddel, grondbezit toch op hoge prijs wordt gesteld. Dit blijkt ondermeer. uit het veelvuldig voorkomen van zogenaamde successieland (zie @: Sint Eustatius). Juist deze gehechtheid aan de grond, waardoor men er moeilijk afstand van doet ondanks het feit dat men hem niet of niet volledig gebruikt, vormt een reële belemmering voor vele pogingen tot sanering van de agrarische toestanden op Sint Maarten. Anderzijds zorgen de successieproblemen voor een gedwongen conservering van het landschap, waardoor enkele gebieden nog gevrijwaard zijn van woningbouw.

Het aantal personen dat de landbouw als hoofdbedrijf uitoefent, is zeer klein; in 1983 waren het er drie. Daarnaast zijn er ongeveer 15 part-time farmers. De geringe belangstelling voor de landbouw op het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van Sint Maarten is duidelijk te wijten aan de werkgelegenheid in de toeristenindustrie. De eilandelijke overheid en een tweetal verenigingen, beide in 1983 opgericht (St. Maarten Agriculture Foundation en St. Maarten Growers Foundation) proberen de landbouw nieuw leven in te blazen.

Uit het nederzettingspatroon van het Nederlands-Antilliaanse deel van Sint Maarten blijkt dat, evenals op de Benedenwindse Eilanden, ook hier de bevolking sterk verspreid woont. Philipsburg en Simpsonbay Village, de oudste woonkernen, zijn beide gelegen op lange en smalle zandbanken, die resp. de Great Salt Pond en het Simpsonbay Lagoon afsluiten. De overige oudere woongebieden: Cole Bay, Lower Prince’s Quarter, Middle Region en Upper Prince’s Quarter worden geleidelijk aan vol gebouwd. Geheel nieuwe woonwijken ontstonden als gevolg van verkavelingsplannen; Saunders (na 1963), Cay Hill (een dal), Point Blanche en Simpson Bay Lagoon (alle na 1967), St. Peters en South Reward (na 1970). De vallei van Cul-de-Sac (omvat de wijken Cay Hill, Cul-de-Sac, Mary’s Fancy, Saunders, St. Peters en South Reward), vóór 1960 nog een agrarisch dal, is nu het dichtst bevolkte deel van de Nederlands-Antilliaanse kant van Sint Maarten, wellicht van het hele eiland. Twee grote supermarkten, verschillende grote winkels, drie scholen voor lager onderwijs en twee middelbare scholen (één Engels en één Nederlands) zijn toonaangevend in de verzorging van deze vallei. Een volkswoningbouwproject in vergevorderd stadium is ook in deze wijk geprojecteerd (te South Reward) evenals moderne sportfaciliteiten. Het meest voorkomende huizentype is het van cementblokken opgetrokken zogenaamde bungalowtype, zoals men dit ook bouwt op Curaçao en Aruba. De oorspronkelijke houten, orkaanbestendige Sint Maartense woning verdwijnt snel. Nog minder zijn daarbij de zogenaamde shingles aanwezig, kleine houten plankjes die als dakpannen functioneren.

Het bevolkingscijfer van Sint Maarten (Nederlands-Antilliaanse gedeelte) werd in de afgelopen zestig jaar aanvankelijk zeer sterk beinvloed door de economische opbloei van Curaçao en Aruba. Tot in de jaren vijftig van de 20ste eeuw was er een krachtige migratiestroom naar deze laatste eilanden te constateren, die thans, als gevolg van het daar bestaande grote arbeidsaanbod, weer is weggeëbd en zelfs in het tegendeel is verkeerd. In de 1960ger jaren begon het toerisme op Sint Maarten zich in snel tempo te ontwikkelen. De daarbij ontstane werkgelegenheid had een grote aantrekkingskracht op de omringende eilanden en de Benedenwinden. De toevloed van personen van de andere eilanden is van grote invloed op de samenstelling van de bevolking. Op 1 februari 1981 (volkstelling) was het percentage op Sint Maarten geboren Sint Maarteners nog maar 41%. De op de overige eilanden van de Nederlandse Antillen geborenen 20%, buitenlanders 39%. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de identiteit en de cultuur van de oorspronkelijke Sint Maartener. Qua levensstijl is er een sterke gerichtheid op de Noord-Amerikaanse levenswijze. De aanwezigheid van de vele toeristen uit dit werelddeel, maar ook de vrijwel geheel op de Verenigde Staten gerichte media (T.V., video’s, tijdschriften) dragen hiertoe bij. De bevolkingsgroei dwingt tot het stimuleren der eilandelijke economie. Hierbij streeft men vooral naar bevordering van het toerisme en het aantrekken van industriële bedrijvigheid; bepaalde infrastructurele maatregelen zijn hiervoor nodig.
In 1964 werd de
A.C. Wathey-pier bij Point Blanche in gebruik genomen, waardoor er afmeergelegenheid kwam voor grote zeeschepen. De zeediepte bedraagt ruim 10m. In 1972 werd een kade gebouwd voor de kleinere schepen en het toenemend aantal roll-on-roll-off-containerschepen. Door het heuvelachtig terrein bij de haven is er een schrijnend tekort aan parkeerruimte voor containers. De weg van de haven naar de stad wordt dan ook geflankeerd door containers. De plannen voor een verdere uitbreiding van de haven zijn in een vergevorderd stadium. St. Maarten heeft regelmatige scheepvaartverbindingen met Miami, Nederland en Puerto Rico. In 1983 deden 583 vrachtschepen de haven aan, 190 cruiseschepen brachten in 1982  92.865 toeristen aan land. De meeste cruiseschepen gaan voor anker en brengen hun passagiers per tender bij de kleine pier, in het hartje van Philipsburg, aan land. Het zeilende cruiseschip Polynesia, een prachtige viermaster, heeft Sint Maarten als thuishaven en maakt weektrips naar de omringende eilanden, zij vervoert zo’n 5.000 toeristen per jaar. In 1983 meldden 1.437 jachten zich bij de immigratie op Sint Maarten aan. De meeste gaan voor anker in Great Bay bij Philipsburg. Twee jachthavens leveren hun diensten aan de jachten. Zo heeft Bobby’s Marina een scheepshelling, in 1983 aangevuld met een moderne rijdende scheepslift met bijbehorend parkeerterrein voor jachten, waar druk gebruik van wordt gemaakt. In het orkaanseizoen zoeken vele jachten een veilige ligplaats in het Simpson Bay Lagoon, dat sinds 1970 bereikbaar is voor schepen dank zij de constructie van een kanaaltje door de zandbank en een draaibrug. Langs de noordoever van het lagoen ontwikkelen zich nu verschillende jachthavens op het door de overheid aangewonnen land. Dit land kon worden opgespoten met zand uit het lagoen. Voor privé doeleinden werd recht tegenover de brug een klein zandeilandje opgeworpen, bijgenaamd Snoopy Island, waarvan het eigendomsrecht een juridische vraag is.

In 1943 werd de Prinses Juliana Luchthaven aan de zuidzijde van het Simpson Bay Lagoon op de zandbank aangelegd. In 1964 werd een nieuw stationsgebouw en een baanverlenging tot 1.600m verwezenlijkt. Door landaanwinning in het lagoen werd de baan tot 2.150m verlengd. Diverse uitbreidingen en verbeteringen van het platform en verschillende faciliteiten maakten in 1973 de luchthaven tot één van de modernste in de omgeving, geschikt om straalverkeersvliegtuigen rechtstreeks uit de Verenigde Staten te ontvangen. Het aantal arriverende passagiers van de laatste 20 jaar geeft een duidelijk beeld van de stormachtige ontwikkeling van de drukte op de luchthaven en van St. Maarten als toeristeneiland. Ten gevolge van de enorme toename van de drukte op de luchthaven werd eind 1983 begonnen met de uitbreiding van het stationsgebouw, het platform en vele andere faciliteiten. De uitbreiding werd gefinancierd door de Europese Gemeenschap, een begrijpelijke zaak waar het een eiland betreft dat als het ware gedeeld wordt door twee leden terwijl het derde lid (Engeland) in de vorm van het buureiland, de kroonkolonie Anguilla, er eveneens belang bij heeft. De verbindingen vanaf de Prinses Juliana Luchthaven zijn dan ook uitstekend: New York, Miami, Puerto Rico, Curaçao, Antigua, Guadeloupe, St. Barths, Anguilla, Saba en Sint Eustatius kunnen één of meermalen per dag als bestemming gekozen worden.

Een groot aantal wegen werd tussen 1963 en 1983 aangelegd. Ter illustratie enkele in het oog springende voorbeelden. I n 1964 werd de weg naar Point Blanche (vanuit Phillipsburg) aangelegd in verband met de aanleg van de grote pier. De overheid heeft hierna daar erfpachtgrond uitgeven en wel met zo’n succes dat er reeds in 1980 sprake was van een bijna volgebouwde woonwijk, waardoor de verharding van de wegen ter hand werd genomen. In 1966 ging het landaanwinningsproject in de Great Salt Pond van start dat in 1968 voltooid werd. Hierdoor kon men voortaan om Philipsburg heenrijden dank zij de Pondfillroad. In 1972 kwam een moderne verbinding tot stand tussen Philipsburg en de luchthaven, waarbij twee nieuwe weggedeelten werden aangelegd. Vermeldenswaard is dat niet alle wegen door het gouvernement werden aangelegd; zo werden Guana Bay en Oysterpond met buitenlands kapitaal door nieuwe wegen ontsloten. Ondanks alle nieuwe wegen wordt het verkeer op Sint Maarten steeds drukker zodat er vanaf 1980 zelfs sprake is van filevorming tijdens de spitsuren. Door het zware vrachtverkeer (containers) wordt het wegdek snel vernield zodat zelfs hoofdwegen regelmatig diepe kuilen vertonen.

In 1961 werd dankzij de bouw van een elektriciteitscentrale te Cole Bay levering van 24 uur elektriciteit per dag mogelijk. Op dezelfde plaats werd in 1968 een zoutwaterdestillatiefabriek gebouwd. Beide fabrieken werden inmiddels al weer uitgebreid. Om een herhaling van de overstromingsramp in Philipsburg in 1979 als gevolg van de orkanen David en Frederic te voorkomen werd in 1982 een integraal drainageproject aangepakt, dat voor een groot deel bestond uit het herstel van de waterwerken van de Great Salt Pond zodat het meeste regenwater via het oude Rolanduskanaal aan de oostzijde van Philipsburg en via de Fresh Pond aan de westzijde in de Great Bay terecht komt. Een groot vijzelgemaal met zoutwaterinlaatsluis regelt de waterstand in de Great Salt Pond. De inlaatsluis is nodig om de Great Salt Pond onder water te zetten ten tijde van grote droogte daar hij anders erbarmelijk kan stinken. Tot slot van de opsomming van de infrastructurele werken nog enkele hoogtepunten op het gebied van openbare gebouwen. In 1978 werd het nieuwe stadhuis in gebruik genomen, de Admnistration Building, in enigszins Sint Maartense stijl opgetrokken, centraal geplaatst op de Pondfill. I n 1973 de Sundial huishoudschool, eveneens op de Pondfill, in 1975 de Engelstalige middelbare school, de F.V.P.T. (Foundation for vocational and professional training), in 1976 de Nederlandstalige middelbare school, Milton Peters College en in 1978 de buitengewone lagere school, de John Larmonie School, aIle in de vallei van Cul-de-Sac. In 1969 het volkswoningproject te South Reward. Begin 1984 werd de nieuwe bibliotheek opgeleverd, een gebouw op de Pondfill, dat opvalt door een moderne aanpak en een nieuw isolatiesysteem, waardoor kostbare kunstmatige koeling overbodig werd.

Het toerisme is thans de voornaamste pijler van de economie. In 1955 werd het eerste luxueuze toeristenhotel geopend, het Little Bay Hotel. Het volgende soortgelijke hotel, Caravanserai, bij het vliegveld, werd pas negen jaar later geopend. Tussen 1955 en 1970 werden verscheidene kleine hotels en guest-houses gebouwd. I n 1970 volgde het zeer uitgestrekte resort hotel te Mullet Bay (nu Sheraton Mullet Bay Resort) en het Great Bay Beach Hotel (aanvankelijk tot 1973 St. Maarten Isle). Daarna ging er gedurende tien jaar geen jaar voorbij zonder de opening van één of meer luxe hotels of condominium complexen. I n 1983 telde de Nederlands-Antilliaanse kant van Sint Maarten 39 hotels en guest-houses met een totaal van iets meer dan 2.052 hotelkamers. Hoewel de hotelbouw eind 1983 nog niet tot stilstand was gekomen, is aan de Nederlands-Antilliaanse kant toch duidelijk een teruggang te constateren, voornamelijk als gevolg van het opraken van de gunstig liggende gronden. Aan de Franse kant gaat de hotelontwikkeling nog op volle kracht vooruit. Het aantal hotelgasten in 1981 aan de Nederlands-Antilliaanse kant bedroeg 184.890. Zij zorgden voor 785.394 overnachtingen. Al deze toeristen, tezamen met de reeds genoemde ééndags cruisetoeristen, zorgen voor een uitgebreid verzorgingsapparaat: autoverhuurbedrijven, restaurants, nachtclubs, casino’s, disco’s en luxe winkels zijn in groten getale aanwezig. Watersport-ondernemingen zorgen voor duik-en zeiltochten.

Sint Maarten biedt ook de mogeI ijkheid luxueuze villa’s te bouwen, waarvan vooral door Noord-Amerikanen gebruik wordt gemaakt. De Lowlands, Guana Bay en Oysterpond kwamen het eerst tot ontwikkeIing, later uitgebreid met in feite alle andere kustlokaties die te koop waren. Het kopen van appartementen in de zogenaamde condominiumcomplexen is vanaf 1980 opgekomen. Een verdere ontwikkeling in deze sector is nog wel te verwachten.

Van industrie is op Sint Maarten nauwelijks sprake. Door het sluiten van de Pott Rum fabriek in 1983 verdween de grootste industrie. Op Point Blanche is het hoofdkwartier van de Curaçao Pioneering Company, een Japans visserijbedrijf. Het bedrijf heeft Koreaanse vissersschepen in dienst die vanaf Sint Maarten de Atlantische Oceaan bevaren om voornamelijk op tonijn te vissen. De vis wordt op Point Blanche in grote koelhuizen opgeslagen en later doorgevoerd naar ondermeer de Verenigde Staten.

Op 1 april 1983 werd Sint Maarten een autonoom eilandgebied van de Nederlandse Antillen. Voordien vielen Saba en Sint Eustatius onder het bestuur van Sint Maarten. Het Bestuurscollege bestaat uit een gezaghebber en drie gedeputeerden. De eilandsraad, die vijf leden telt, zal waarschijnIijk uitgebreid worden met nog twee leden. Vanaf 1983 zal de eilandelijke overheid zich geheel kunnen wijden aan de problemen die de welvaart, als gevolg van het toerisme, met zich meebrengt. De overvolle wegen, het gebrek aan woonhuizen met als gevolg daarvan zeer hoge huren, de aantasting van het landschap door de bouwactiviteiten, de vervuiling van het milieu en de onbevredigende wijze waarap het huisvuil in de Great Salt Pond wordt opgeslagen, vragen om een snel en doortastend optreden om te voorkomen dat Sint Maarten onleefbaar wordt en het toerisme achteruit gaat.
Anno 1984 leverde Sint Maarten evenwel nog steeds het beeld op van wat op de nummerplaten vermeld staat:
The Friendly Island. (Zie verder ondermeer @: Archeologie; @: Arehitectuur; @: Bevolking; @: Bovenwindse Eilanden; @: Geologie; @: Gesehiedenis; @: Klimaat; @: Landbouw; @: Plantages; @: Visserij).
Lit.: zie opgave bij Nederlandse Antillen: Bovenwindse Eilanden.

 

@: Sint Maarten Patriotic Movement (S.P.M.)
Staatkundige partij op Sint Maarten opgericht op 15 december 1978 onder leiding van
Vance W. James met als doelstelling het politieke, sociale en economisehe welzijn te bevorderen van de bewoners van de Nederlandse Antillen in het algemeen en die van de Bovenwindse Eilanden in het bijzonder. Bij de Eilandsraadverkiezingen in 1983 behaalde zij 2 zetels.

 

@: Sint Maarten’s Council on the Arts
AanvankeIijk genaamd
Cultureel Centrum St. Maarten (C.C.M.) werd in 1960 opgericht en ontplooit evenals de andere culturele centra in de Nederlandse Antillen diverse activiteiten op cultureel gebied, die zich voor een groot deel afspelen in het eigen gebouwencomplex, het Cultureel Centrum.

 

@: Sint Maarten Star
zie Pers.

 

@: Sint Michiel
Nederzetting aan de zuidkust van Curaçao. Een klein deel van de bevolking leeft van de visvangst. Het sociaal verkeer van
Boka, of Boka Samí, zoals St. Michiel in de volksmond wordt genoemd, vertoont een vrij gesloten karakter. Door de grote diepgang en de beschermde ligging aan de lijzijde van Curaçao wordt het gebied regelmatig gebruikt door de Curaçaosche Dok Maatschappij N.V. om hier grotere schepen en vaartuigen een ligplaats te geven en tevens gerepareerd te worden.

 

@: Sint Nicolaas
(1) reeds begin 18de eeuw vermelde zoutplantage op Curaçao, waarvan de pannen nog aanwezig zijn, aan de oostzijde van de Santa Marthabaai. Het landhuis verkeert in redelijke staat.
(2) zie San Nicolas (Aruba).

 


@: Sint Nicolaasbaai
Ongeveer 3km lange, 500m brede, door koraalriffen gedeeltelijk afgesloten baai bij de plaats
San Nicolas aan de zuidoostpunt van Aruba. Hier liggen de pieren, de los- en laadinstallaties van de Lago-raffinaderij.

 

@: Sint Thomas College
School voor m.a.v.o. te Willemstad, in de vorige eeuw vermaard als internaat. Opgericht door
F.E. Kieckens, lange tijd door pastoor V. Zwijsen bestuurd.

 

@: Sint Willebrordus
Dorp gelegen ten noordwesten van de Bullenbaai op Curaçao met een grote laat 19de-eeuwse neogotische RK-kerk. In de nabijheid bevindt zich een aantal niet meer in gebruik zijnde zoutpannen. Via de
Saliña Sint Marie en de Boka Sint Marie bestond er eertijds verbinding met de Bullenbaai.

 

@: Sisal
zie @: Agave.

 

@: Skèr
of
brittle star (Ophiuridea) behoren evenals bijvoorbeeld de strea di laman tot de Stekelhuidigen. Zij zitten overdag meestal verborgen tussen of onder stenen, koralen, sponsen, enz. en zijn ‘s nachts actief. Dan kruipen zij met hun beweeglijke armen snel voort op zoek naar voedsel, vooral kleine bodemdieren zoals schelpjes, die in hun geheel naar binnen worden gewerkt. Een van het normale type slangster sterk afwijkende soort is het medusahoofd (Astrophyton muricatum) of basket star, die zeer sterk vertakte armen heeft en die overdag als een dichte klit tussen de koraaltakken zit. ‘s Nachts waaieren die ragfijne vertakkingen wijd uit, en met dat net zijn zij in staat plankton en kleine visjes te vangen, die door de armen naar de mond worden gebogen. Als meeëter is soms het kleine garnaaltje (Periclemenes perryae) tussen de armen aanwezig.

Lit.: De Slangster-soorten van de Kleine Antillen staan opgesomd in een samenvatting van R.E. Parslow en A.M. Clark, Stud. Fauna Curaçao, dl. 15 (1963).

 

@: Skèrchi
zie @: Fregatvogel.

 

@: Skol di diabel
In de schoolstrijd van het begin van de 20ste eeuw werd van RK-zijde de openbare school wel aangeduid met
skol di diabel (de school van de duivel).

 

@: Skol di Nichi
Curaçaosche benaming voor bewaarschool, afgeleid van de kleuterleidster
Anita Lola Brown, die in de wandeling Nichi werd genoemd; later sprak men, evenals op Aruba en Bonaire van lushi-klas of van bewarskol.


 
@: Skopapel
(Annona squamosa) of
sugar apple (Bovenwindse Eilanden), plantesoort uit de familie der Annonaceae. Hoge heester met grote bladeren; bloemen met 3 dikke buitenste en 3 zeer kleine binnenste kroonblaadjes en veel meeldraden. Schijnvrucht groot, gevormd door vergroeiing van een aantal vruchten. Eetbaar. Gekweekt en sporadisch verwilderd op Curaçao en Bovenwindse Eilanden.

 

 

@: Skopèt
Naam van 2 planten van het geslacht Ruellia uit de familie der Acanthaceae. Kruiden met tegenoverstaande bladeren, vorkachtig vertakte bloeiwijzen; bloemkroon trechtervormig met 5 lobben; 4 meeldraden.
Ruellia tuberosa, skopet, pistol, devil’s bit, fever root, heeft tot 11cm lange bladeren met grote bochten; bloemkroon 4-5 cm lang; bloemen prachtig blauw. Algemeen onkruid. Beneden- en Bovenwindse Eilanden
Ruellia nudiflora var. insularis, heeft ovale, 5-9 cm lange bladeren; bloemkroon 3-4 cm lang. Vrij zeldzaam. Curaçao.

 

@: Slagbaai
Deze baai vormt een deel van de voormalige
plantage Slagbaai. (voorheen mogelijk Slachtbaai). Zij is nu opgenomen in het grote Nationaal Park Washington / Slagbaai (zie @: Bonaire: natuurbeheer).


 
@: Slakken
of
kokolishi (Gastropoda) zijn weekdieren, meestal met een spiraalvormig gewonden, uit kalk opgebouwde schelp. De schelpgroei gaat meestal niet geleidelijk, maar schoksgewijs; in de loop van een aantal dagen wordt door de mantel, een huidplooi die binnen tegen de schelp aanligt, een vliezig dunne nieuwe winding aangebouwd. In de loop der daaropvolgende weken wordt daarin kalk afgezet, zodat het nieuwe stuk geleidelijk weer op dikte komt.
Van de Nederlandse Antillen zijn omstreeks 750 soorten uit zee bekend, een paar soorten uit het zoete water en ruim 50 soorten landslakken. Onder de zeeslakken zijn er een vijftigtal, de
Opistho branchia, die geen duidelijk, of zelfs helemaal geen slakkehuis vertonen. Vele van deze zijn rijk met mooi gekleurde aanhangsels uitgedost; de meeste zijn heel klein, maar enkele, zoals de zeehaas (Aplysia dactylomela) of porko di awa, kunnen 20cm groot worden. Vele zeeslakken zetten hun eieren in gelei- of chitine-achtige ‘kapsels’ af. Daarin ontwikkelen zich larven, die bij sommige soorten al na enkele dagen uitzwemmen, terwijl bij andere soorten de hele larvale ontwikkeling binnen het eikapsel plaatsvindt, waarna het volgroeide slakje naar buiten kruipt. De meeste zeeslakken zitten tegen of in de bodem, waar zij algen grazen, zoals de alikruiken (Littorina spec.) en de karko’s (Strombus spec.) of conchs. Andere soorten vallen levende prooi aan, zoals Cassis, die kleine dieren tot en met zeeappels letterlijk onder de voet loopt, en zoals de purperslakken, die bij andere weekdieren, vooral oesterachtigen, een gat dwars door de schelp boren en vervolgens hun prooi verlammen en verorberen. Het boren geschiedt met hun tong-rasp (radula), die op zuiver mechanische wijze een rond gaatje zelfs door dikke schelpen boort.
Er zijn onder de naaktslakken enkele groepen die kunnen ‘zwemmen’, o.a.
de grote zeehaas (Aplysia). Vele slakken kunnen zich een tijd lang onder of tegen het wateroppervlak drijvende houden, maar er is een geslacht, Janthina, dat constant aan de oppervlakte verblijft dank zij een door henzelf geproduceerd schuim-vlotje. Men vindt ze in open zee, waar zij zich dus ook met oppervlaktedieren voeden; ja zelfs de giftige kwal, het Portugese oorlogsschip, valt aan deze nietige slakjes ten prooi. Hun tere, lila schelpen spoelen dikwijls op naar het oosten gerichte kusten aan.

Terwijl de zeeslak-fauna van de Nederlandse Antillen geen uniek karakter bezit, is dat wel het geval met de landslakfauna. De Benedenwinden tellen een relatief zeer groot aantal endemische soorten en ondersoorten, d.w.z. dat deze nergens anders voorkomen. Zelfs het meest algemene slakje van Curaçao, kokolishi di kalakuna (Cerion uva), wordt nergens dan op de drie Benedenwinden gevonden. Het grote aantal van 12 endemische soorten (bijna 40%) wijst op een langdurige isolatie van deze eilanden ten opzichte van het continent.
De landslakken zijn uitermate goed aangepast aan het droge klimaat. Zij beschermen zich tegen uitdroging door de schelpopening met een dekseltje van kalk of hoorn, dan wel met een laag verhardend slijm, af te sluiten. De
kokolishi di kalakuna kan zelfs een rustperiode van meerdere jaren overleven; zodra de lucht voldoende vochtig wordt, komen de dieren te voorschijn en gaan grazen. Men vindt op de Benedenwinden op vochtige plaatsen soms een naakte slakkesoort (Vaginula spec.), die zich onderscheidt van met sierplanten binnengebrachte huisloze slakken door zijn grootte (ruim 8cm), zijn gerekte, smalle ‘voetzool’ en zijn taaie slijm, waardoor hij betrekkelijk goed tegen uitdroging bestand is. Vaak treft men, zowel op het land als in zee, slakkehuizen aan waarin geen slak maar een krab zit. Deze heremietkrabben of soldachi’s bouwen hun schelp niet zelf, maar maken zich van een leeg slakkehuis meester.
Onder de slakken gelden vooral de
kiwa of whelk (Cittarium pica) uit de getij-zone en de karko of queen conch (Strombus gigas) uit het kustwater, als goed eetbaar. Vooral Lac (Bonaire) is bekend om zijn karko’s en de grote hopen lege schelpen getuigen van de hoeveelheden die er gevangen zijn. Uit het feit dat de recent gevangen schelpen zoveel kleiner zijn dan die uit vroeger jaren, kan men afleiden dat de vangst zo intensief geworden is, dat de dieren er nauwelijks de gelegenheid krijgen om tot volle wasdom te komen. Uitsterven zullen zij er niet, want er vindt een regelmatige migratie van zee naar de baaien en vice versa plaats. Bovendien worden zij momenteel kunstmatig - in het kader van het project van Landbouw, Veeteelt en Visserij - gekweekt in een kwekerij nabij Kralendijk, om daarna op geschikte plaatsen te worden uitgezet.
Andere slakkesoorten hebben waarde omdat zij bij schelpenverzamelaars om hun schoonheid, variabiliteit of zeldzaamheid gezocht zijn:
de Cassis- en Murex-soorten, de Conus-soorten, Triton, Voluta musica, enz.

Lit.: zie opgave bij Weekdieren.

 

@: Slangen
(Ophidia), een orde van pootloze reptielen, zijn maar met enkele soorten vertegenwoordigd.
zilverslangetjes of kolebra di plata zijn bekend van Bonaire (Leptotyphlops albifrons) en van Curaçao (Liotyphlops albirostris); ze zijn bezet met heel kleine glanzende schubjes. Van de levenswijze is niets bekend. Dat geldt ook eigenlijk voor de zweepslang (Leimadophis triscaUs) of kolebra, die wel een meter lang kan worden en die voornamelijk grijsachtig van kleur is met 3 meer of minder duidelijke donkere lijnen op de rug. Het dier is volkomen ongevaarlijk, maar als het zich vertoont wordt het meestal doodgeslagen. Als voedsel dienen onder anderen kleine knaagdieren, kikkertjes en kleine hagedissen.

Op Aruba komen 2 slangen voor. De santanero (Leptodeira annulata), is net zo ongevaarlijk als de vorige soort. Berucht, vervolgd en daardoor zeldzaam geworden, is de giftige ratelslang (Crotalus durissus), culebra of cascabel. Deze slang bereikt ook een lengte van ongeveer een meter, maar heeft een bredere kop dan de zweepslang. Jonge exemplaren vertonen een variabele donkere ruitvormige rugtekening, die bij volwassen dieren vrijwel verdwenen is. De wijfjes zijn levendbarend. Na het vervellen blijft een verdroogde rest van de afgestroopte huid als een ring om de staart zitten. De ringen kunnen bij staartbewegingen een geluid veroorzaken.

Op Saba en St. Eustatius is de snake (Alsophis rufiventris) algemeen. Deze zwarte slang wordt meestal 80cm lang en wordt ten onrechte zwaar vervolgd.

 

@: Slangsterren
zie Sker.

 

@: Slavenhandel
De
transatlantische slavenhandel heeft zich ontwikkeld als gevolg van de plantagebouw (met name suikerriet) in de Nieuwe Wereld. De Portugezen brachten het suikerriet en de slaven van de Afrikaanse eilanden naar Brazilië over, welk land de belangrijkste slavenimporteur en suikerexporteur werd. Zowel Brazilië als de Afrikaanse westkust lagen binnen het gebied, dat door het Verdrag van Tordesillas (1494) aan Portugal toeviel. Spanje was voor zijn Amerikaanse koloniën derhalve afhankelijk van Portugese slavenaanvoer. De Spaanse regering sloot daartoe een asiento (de negros) af, een exclusief leveringscontract voor slaven, meestal met Portugezen of met Portugezen verbonden kooplieden. Andere naties (Engelsen, Fransen, Nederlanders) bleven hier buiten, omdat zowel de aankoop- als afzetmarkten voor hen gesloten waren.

Voordat de Nederlanders plantagekoloniën bezaten, hechtten zij daarom weinig waarde aan deze arbeidskrachten. Wanneer een Nederlandse kaapvaarder een slavenschip bemachtigde, liet men niet zelden de negers op het dichtstbijzijnde land vrij. In 1626 besloot de Kamer Zeeland van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) een schip uit te rusten voor vervoer van slaven naar de Zeeuwse kolonies aan de Amazone en de Wilde Kust, één van de vroegste voorbeelden van Nederlandse slavenhandel. I n 1629 nam dezelfde Kamer de verplichting op zich om Nieuw Nederland van slaven te voorzien. Toen Pernambuco in noordoost Brazilië was veroverd (1629), deed zich de behoefte aan slaven sterker voelen. In verband hiermee staat de verovering van het fort Elmina aan de kust van Guinea op de Portugezen, in 1637 van Brazilië uit ondernomen. De beste slavendepots lagen echter verder zuidelijk, in Kongo en Angola. Cornelis Corneliszoon Jol’s verovering van Luanda en Sao Tomé in 1642 voorzag hierin. Er ontwikkelde zich een driehoekshandel, van Nederland naar Afrika met ruilwaren (ondermeer textiel en ijzeren staven), van Afrika naar Brazilië met negers en vandaar met plantageprodukten huiswaarts. Tussen 1637 en 1645 werden door de W.I.C. ruim 20.000 slaven van Afrika naar Brazilie vervoerd. De Heeren XIX, het opperbestuur van de Compagnie, beschouwden in 1645 de slavenhandel als ‘de ziel van de Compagnie’. De vrede met Spanje stond voor de deur en dan zou van kaapvaart geen sprake meer zijn. Curaçao werd het belangrijkste centrum van de slavenhandel na de herovering van Luanda door de Portugezen in 1648 en het verlies van Brazilië in 1654. Van dit eiland uit werd een levendige smokkelhandel gedreven op de Spaanse bezittingen, meestal in schepen onder Spaanse vlag. Aangezien de Portugezen in hun vrijheidsstrijd tegen Spanje het asiento verloren hadden, waren de Spanjaarden in dit opzicht afhankelijk van Nederlanders, Engelsen en anderen. Het overschakelen van tabaks- op suikercultuur vergrootte de vraag naar slaven. Toen in 1662 Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino het asiento van het Spaanse gouvernement verkregen, kochten zij eenvoudigweg de slaven van de Nederlanders op Curaçao. Evenzo handelde de Portugese asentista Antonio García in 1670. De Amsterdamse kooplieden Balthasar en Joseph Coijmans (nauw verbonden met de W.I.C.) traden als bankiers en vertegenwoordigers van Garcia op. Van 1684 tot 1687 was Balthasar Coijmans zelf houder van het asiento.

Volgens contract met de asentistas zou de W.I.C. jaarlijks 2.000 slaven op Curaçao aanvoeren; in 1675 werd dit verhoogd tot 4.000 per jaar. Deze aantallen werden echter lang niet altijd gerealiseerd. In hetzelfde jaar werd Curaçao een vrijhaven met een open slavenmarkt, toegankelijk voor kooplieden van alle naties.
Tot 1701 bleef het asiento in handen van Spanjaarden en Portugezen, vervolgens kwam het aan de Fransen (gedurende de Spaanse Successieoorlog) en in 1713 aan de Engelsen. De bloeitijd van de Nederlandse slavenhandel met Curaçao als centrum ligt tussen 1685 en 1713 (tot dat jaar behielden de Nederlanders een aandeel in leverantie aan de asientisten). De concurrentie van de Engelsen deed zich echter al in een vroeg stadium voelen, vooral na 1673 toen de
Royal African Company werd opgericht.

I n de eerste jaren van de 18de eeuw werden ca. 3.500 slaven per jaar op W.I.C.schepen overgebracht, waarvan de meeste naar Curaçao. Het aandeel in de slavenhandel van de Tweede W.I.C. nam in de 18de eeuw echter gedurig af, met name na 1730 toen de West-Afrikaanse kust (uitgezonderd de Goudkust) voor Nederlandse handelaars werd opengesteld en slavenaanvoer op de West-Indische eilanden (tegen een recognitie van f 15 per hoofd) was toegestaan. In 1734 werd ook de Goudkust opengesteld en tevens de slavenimport in Suriname, Essequebo, Demerary en Berbice tegen een recognitie vrijgegeven. De achteruitgang van de Compagnieshandel is tevens toe te schrijven aan het optreden van lorredraaiers en aan de activiteiten van de Middelburgsche Commercie Compagnie (M.C.C.), die in 1732 een eerste slavenreis ondernam. Het hoogtij van Curaçao als slavendepot is dan al voorbij. Tussen 1743 en 1753 werden slechts 500-600 slaven aangevoerd. Het laatste slavenschip zou in 1788 op het eiland zijn aangekomen. St. Eustatius heeft de rol van Curaçao in de 18de eeuw overgenomen. Reeds omstreeks 1700 was hier een bloeiende slavenhandel door particulieren (ook illegaal) op de Franse en Deense West-I ndische eilanden. Omstreeks 1724 begon de W.I.C. hier eigen aanvoer en verkoop; een slavenhuis kwam in 1726 gereed. I n het bijzonder de eerste jaren van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog waren voor de slavenhandel op St. Eustatius zeer voordelig.

Suriname werd na ca. 1740 het belangrijkste afzetgebied voor de Nederlandse slavenhandel. In totaal hebben de Nederlanders gedurende de 17de eeuw ongeveer 100.000 negerslaven overgebracht van Afrika naar Amerika en gedurende de 18de eeuw ongeveer 400.000. Het totale aantal van 500.000 slaven betekent ongeveer 50% van de omvang van het totale Atlantische slavenvervoer.

Aan een groot deel van de West-Afrikaanse kust, van Kaap Verde tot Angola, werd handel gedreven in slaven, die de negervorsten tijdens stamoorlogen en door middel van speciale rooftochten van hun naburen verkregen. Eigen stamleden werden ook wel verhandeld, zij het bij uitzondering. De Slavenkust (Togo, Dahomey), de Beninbocht (Nigeria, Kameroen) en Kongo-Angola leverden veel slaven op. De W.I.C. haalde het merendeel van Guinea en een kleiner percentage uit Angola. De slaven uit Angola werden voornamelijk aan de planters in Nederlands Guyana verkocht; op de West-I ndische eilanden kwamen merendeels Goudkustslaven aan de markt. Op de Slavenkust kwam de Compagnie in conflict met de koning van Dahomey, die dat gebied in de jaren 1724-1728 veroverde. I n 1740 werden de Nederlanders van hun laatste handelspost aldaar verdreven. De particuliere handelaars haalden hun slaven vooral van de Bovenkust tussen Liberia en het westelijk deel van Ghana. De Middelburgsche Commercie Compagnie concentreerde zich op de Ivoorkust. De voorkeur voor uit een bepaalde streek afkomstige slaven was in de loop van de tijd aan wisseling onderhevig. Nu eens gaf men de voorkeur aan de intelligente Minase negers (van de Goudkust), genoemd naar het fort Sao Jorge da Mina (of Elmina), dan weer prees men de Angolaslaven als ijverig en gehoorzaam. Voor de W.I.C. was Elmina de voornaamste afscheephaven. De prijzen voor volwaardige slaven, aanvankelijk ca. f 30, liepen spoedig op tot f 50 á f 150 in de 18de eeuw. Bij de handel rekende men met een zogenaamde Pieça da India (stuk van Indië of, zoals de Hollanders zeiden, leverbaer stuck). Dit was een fictieve rekeneenheid, geldende voor één, anderhalve of meer slaven, afhankelijk van leeftijd, geslacht, eventuele gebreken enz. Onvolwaardige slaven heetten macarons (afgeleid van het Spaanse macarse = beurs worden, bederven). Was na een grondige keuring de koop gesloten en had men een voldoende armazoen bijeengebracht, dan kon bij gunstige wind de oversteek van 2-3 maanden worden gewaagd. Het gemiddelde aantal slaven op de schepen van de M.C.C. bedroeg 287! Onnodig te zeggen, dat tijdens deze tocht en ook al tijdens het soms maandenlange wachten aan de kust talloze slaven, opeengepakt in de gloeiendhete ruimen, ellendig omkwamen. Gebrek aan water en leeftocht en ziekten als scheurbuik, dysenterie en tyfus teisterden zowel de levende lading als de bemanning van de slavenschepen. Een sterfte van 15% werd als normaal beschouwd, beneden dat percentage was de lading niet verzekerd. De sterfte onder de schepelingen lag hoger, namelijk tussen de 20 en 25%. De verkoopsprijzen op Curaçao waren omstreeks f 260 per leverbaer stuck; in Suriname, Berbice enz. waren zij veel hoger, namelijk f 500 tot f 600. Met dat al bleef de slavenhandel met zijn vele onzekerheden van reisduur, prijzen, sterfte enz. een riskante zaak. Van de 101 slavenreizen, door de M.C.C. gedaan, waarover gegevens aanwezig zijn (1732-1793) leverden 59 winst op en 42 verlies.

Het verzet tegen de mensenhandel, in de 17de eeuw reeds door de Quakers en enkele anderen geformuleerd, werd aan het einde der 18de eeuw algemeen, met name in Engeland, waar een Committee for Effecting the Abolition of the Slave Trade werd opgericht in 1787. Frankrijk volgde enkele jaren later met de Société des Amis des Noirs. I n Engeland gaf de veranderde economische constellatie de voorstanders van afschaffing als William Wilberforce en Thomas Clarkson de wind in de zeilen.
Het
West Indian Interest, de invloed van de West-Indische planters op het politieke en economische leven, verloor aan belang. De industriele revolutie maakte dat Engeland behoefte kreeg aan vrijhandel voor de afzet van zijn produkten. In 1807/1808 schaften Engeland en de Verenigde Staten de slavenhandel af, Nederland volgde in 1814 en Frankrijk in 1816, terwijl Spanje en Portugal in 1814 slavenverschepingen door hun onderdanen, althans benoorden de equator, verboden. Engeland dat in de abolitiestrijd het voortouw nam, sloot met Nederland in 1818 een speciaal verdrag tot wering van de slavenhandel, ten gevolge waarvan gemengde gerechtshoven in Sierra Leone en Suriname werden opgericht (ook met andere landen werden dergelijke verdragen afgesloten). Op de Afrikaanse kust zijn 22 schepen onder Nederlandse vlag aangehouden, die geen van alle in Nederland waren gebouwd of uit Nederland afkomstig waren. De meeste hadden hun scheepspapieren te St. Eustatius, St. Maarten of Curaçao verkregen. Nadat de gouverneur van St. Eustatius hierver gekapitteld was, zijn er geen slavenschepen met Nederlandse papieren uit de Antillen meer gegrepen. In 1821 verbood Nederland ook de invoer van slaven in zijn West-Indische koloniën uit landen waar nog rechtstreekse import uit Afrika plaats vond. De uitvoer uit Curaçao naar andere gebieden in West-Indië ging echter nog geruime tijd door. Van 1819 tot 1847 zijn in totaal 4.000 slaven uit Curaçao uitgevoerd, vooral in jaren na misoogsten; de planters moesten dan wel slaven verkopen om zich voedsel voor de resterende slaven te kunnen verschaffen. (Zie verder @: Archieven; Geschiedenis).

Literatuur:

  • E. van den Boogaart en P.C. Emmer, The Dutch participation in the Atlantic slave trade, 1596-1650, in: H.A. Gemery & J.S. Hogendorn (eds.), The Uncommon Market; essays in the economic history of the Atlantic slave trade (1979);
  • Ph.D. Curtin, The Atlantic slave trade; a census (1969);
  • A. van Dantzig, Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel (1968);
  • P.C. Emmer, The history of the Dutch slave trade, a bibliographical survey. in: The Journal of Economic History 32, 3 (1972);
  • Idem, Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de 19de eeuw, in: Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek, 36 en 37 (1973 en 1974);
  • J. Postma, The dimension of the Dutch slave trade from Western Africa, in: Journal of African History, XlII, 2 (1972);
  • W.E. Renkema, De export van Curaçaosche slaven 1819-1847, in: P. Boomgaard e.a. (red.), Exercities in ons verleden (1981);
  • W.S. Unger, Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel, in: Economisch Historisch Jaarboek, 26 (1956), 28 (1961).

 

@: Slavernij


Foto: Slavenmonument te Rif. Hier wordt jaarlijks op Augustus 17, de grote slavenopstand van 1795 onder de leiding van Tula geconmemoreerd.

Voor de slaven die op Curaçao werden aangevoerd (zie @: Slavenhandel) richtte de West-Indische Compagnie (W.I.C.) een slavenkamp op de plantage Zuurzak in, ommuurd om het weglopen tegen te gaan. Er was een reservekamp op Groot St. Joris. De slaven konden hier na de uitputtende zeereis weer wat op krachten komen, om vervolgens te worden doorverkocht, merendeels aan agenten van het asiento. Aan de slaven, die immers kostbare koopwaar waren, werd heel wat zorg besteed. Er was een speciale arts voor hen en zelfs twee ziekenhuizen, een pokhuis (voor pokkenlijders) en een sweethuys (zo genoemd naar de aldaar meest toegepaste geneeswijze). Na 1662 legde de Compagnie een aantal plantages aan voor de voedselvoorziening. I n 1679 werden 4.847 slaven op Curaçao aangevoerd, waarvan er 1.196 spoedig stierven. Het aantal Compagniesslaven op Curaçao bedroeg in 1697 ca. 2.400, op Bonaire waren er 97 en op Aruba geen. In 1740 waren er op Curaçao slechts 47 slaven in dienst van de W.I.C. Het aantal particuliere slaven nam in de 18de eeuw toe, maar opgaven over de aantallen zijn vaag en uiteenlopend. Volgens een lijst uit 1764-1765 waren er 5.534 slaven in bezit van 550 slavenhouders. Ruim 90 hiervan bezaten meer dan twintig slaven, zes hadden er honderd of meer. Volgens de rapporten van 1815-1816 waren er op Curaçao 6.814 vrijen (zowel blanken als gekleurden) en 6.026 slaven; Aruba 1.396 vrijen en 336 slaven; Bonaire 705 vrijen, 124 particuliere en 306 gouvernementsslaven. Voor de Bovenwinden werden in 1817 de volgende aantallen gegeven: St. Eustatius 843 vrijen en 1.748 slaven; St. Maarten 908 vrijen en 2.551 slaven, Saba 683 vrijen en 462 slaven. Gedurende de 19de eeuw is het aantal slaven op de totale bevolking van Curaçao bijna de helft, op Bonaire éénderde,  op Aruba éénvijfde en op de Bovenwinden ongeveer de helft (zie voor de aantallen in 1854 @: Emancipatie). De aantallen slaven in Suriname en ook op eilanden als Jamaica waren in verhouding veel groter. De behandeling was op de eilanden beter dan in plantagekolonies als Suriname. De slaaf op Curaçao was koopwaar en moest in goede conditie worden gehouden. De afscheiding tussen vrijen en slaven was ook uiterlijk minder scherp: hier was het de slaven ondermeer geoorloofd schoenen te dragen. De huisslaven (bedienend personeel) hadden het nog het best. De zogenaamde ambachtsslaven werden voor alleriei werk gebruikt en ook wel verhuurd. Deze ambachtsslaven waren tegen het einde van de slaventijd nagenoeg gelijk aan vrijen, zij waren alleen verplicht tot het afdragen van een bepaalde som aan hun meester. De tuin- of veldslaven (plantageslaven) deden het zware werk.

Op Bonaire werden de gouvernementsslaven bij de winning van zout en de bewerking van verfhout ingeschakeld. Verwaarlozing (voedselgebrek!) en wrede straffen kwamen echter geregeld voor. Bij dit alles mag niet vergeten worden dat strenge lijfstraffen, pijnbank e.d. ook in Europa gebruikelijk waren en dat de lichamelijke tuchtiging bij de krijgsmacht tot diep in de 19de eeuw gehandhaafd bleef. De verhouding meester-slaaf en ook de daarmee verbonden verhouding tussen blanke bovenlaag en ‘vrije lieden van de couleur’ was overigens in de loop der tijd, al naar gelang de economische toestand, aan sterke wisseling onderhevig. In 1761, toen de economie opleefde, werden de mustisen, castisen en poestisen (lichte kleurlingen) op Curaçao als burgers ingeschreven. Na 1783, tijdens de depressie, werden dezelfde personen als een economische bedreiging ervaren en dienovereenkomstig behandeld. Hetzelfde geldt voor de behandeling van huisslaven tegenover die van ambachts- en plantageslaven.

Hetgeen de slavernij als instelling onaanvaardbaar maakt, is het feit, dat de slaaf juridisch gezien geen persoon maar een zaak was. Men sprak dan ook van: ‘deze voorwerpen’. Een getuigenis van een slaaf tegen een blanke was van onwaarde, het wettig huwelijk was verboden en zelfs de slaaf die door manumissie was bevrijd kreeg geen volle burgerlijke en staatkundige rechten. Door het gescheiden verkopen van gehuwde paren en ook - ondanks de verboden - van moeder en kinderen werd het gezinsleven vernietigd. De voortplanting werd daarentegen bij de slavinnen aangemoedigd. In een arme kolonie als Curaçao waren de kinderen de enige interest die de eigenaar van zijn slaven trok, zoals Gouverneur Rammelman Elsevier in 1852 aan de minister van koloniën schreef. Op Bonaire moest Gouverneur Van Lansberge nog in 1858 (vijf jaren voor de emancipatie) optreden tegen ambtenaren die de hun toegewezen gouvernements-slavinnen misbruikten.

Van de aanvang der slavernij af zijn in de instructies voor overheidsdienaren en in afzonderlijke publikaties bepalingen opgenomen betreffende de behandeling van de slaven. Deze waren er echter voornamelijk opgericht, ordeverstoringen door slaven of misbruiken door planters (bijvoorbeeld bij manumissie) tegen te gaan. Van afzonderlijke slavenreglementen waarin voeding, kleding, arbeidstijden enz. waren geregeld, is pas sprake aan het einde van de 18de eeuw, met name na de slavenopstand van 1795 (zie beneden). I n de 19de eeuw, tijdens de langdurige voorbereiding van de emancipatie, werden deze reglementen aangevuld en verbeterd. Zo mochten slaven sedert 1828 een huwelijk sluiten volgens kerkelijke wetgeving en zonder civielrechtelijke gevolgen. Sedert 1844 mochten zij ook met vrije personen kerkelijk trouwen. Commissaris-generaal Johannes van den Bosch heeft naast talrijke bestuurshervormingen ook gepoogd enige verbetering aan te brengen in het lot van de slaven. Artikel 117 van het Regeringsreglement van 1828 bepaalde:

De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreft, in betrekking tot hunne Eigenaars beschouwd worden te staan als onmondigen tot hunnen Kurators of Voogden, aan welke het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verplicht zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in Regten alleen als zaken en niet als personen, kunnen worden beschouwd, definitivelijk afgeschaft'

Alleen al door het feit dat hij verhandelbaar was, bleef de slaaf in rechte een zaak; de bepaling had dus alleen betekenis, in zoverre men de nadruk legt op de zinsnede: ‘ ... wat de dagelijksche behandeling betreft’. Hoewel volgens voorschrift van de W.I.C. de slaven tot de gereformeerde religie moesten worden bekeerd, is daarvan door onmacht en onwil van de predikanten vrijwel niets terecht gekomen. De enigen die zich in dit opzicht om de slaven in de Nederiandse Antillen bekommerden, waren de RK-priesters, die ondanks de moeiIijkheden, hun door de calvinistische overheid in de weg gelegd, slaven bekeerden, doopten, clandestiene huwelijken inzegenden en enig onderwijs gaven (zie verder @: Emancipatie; @: Bisdom WiIIemstad). Aangezien de behandeling minder slecht was dan in Suriname en uitgestrekte wouden ontbraken, heeft het weglopen op de eilanden nooit een grote omvang aangenomen. Toch werden periodieke klopjachten op zich schuilhoudende slaven gehouden. Ontvluchtingen naar de vaste kust kwamen ook voor, vooral na 1751/1752, toen de Spaanse koning bepaalde dat ontvluchte slaven die rooms-katholiek waren of werden, niet zouden worden teruggezonden, maar als vrijen moesten worden beschouwd. In Coro (Venezuela) ontstonden zo gehele dorpen van ontvluchte slaven, die op den duur een gevaar voor de omgeving gingen vormen. Daarom sloot Spanje in 1769 en 1791 twee verdragen met Denemarken en Holland waarin de uitlevering van gevluchte slaven (van St. Thomas of St. Eustatius naar Puerto Rico en van Curaçao naar Coro) geregeld werd. Na 1822 vluchtten vele slaven naar de jonge republiek Venezuela, welk land hen echter gedurende de jaren 1842-1856 meestal uitleverde volgens een daartoe gesloten conventie.

De grote slavenopstand van 1795
Tweemaal zijn op Curaçao de slaven in opstand gekomen. Was er in 1751 sprake van lokale troebelen, aangesticht door pas uit Afrika aangevoerde, nog onaangepaste negers, de opstand van 1795 vond zijn oorzaak in de Franse revolutie van 1789 en de daarop gevolgde slavenbevrijding op Saint Domingue in 1794.

Op 17 augustus 1795 weigerde een aantal slaven op de plantage Knip ondanks herhaalde aanmaning de arbeid. De opstandigen, onder leiding van de slaaf Tula (bijgenaamd Rigaud, naar een mulattengeneraal van Saint Domingue) begaven zich naar St. Kruis en wonnen onder de slaven aldaar aanhang. Een slaaf Bastiaan (bijgenaamd Karpata) voegde zich bij hen. Tula bleek de opstand al enige weken te hebben voorbereid. Ten slotte waren omstreeks 1.000 man in opstand. Een uitgezonden hulpkorps moest bij Portomari voor het geweervuur van de opstandelingen wijken. Deze richtten overal in de Westdivisie verwoestingen aan, bevrijdden gevangen slaven en vermoordden de schoolmeester Sabel. Bij een gesprek tussen pater Jacobus Schink O.F.M. die zich als bemiddelaar had opgeworpen, en de leider Tula bleek dat de laatste afschaffing van de slavernij naar het voorbeeld van Saint Domingue beoogde. Tula beweerde met de bovengenoemde Rigaud in verbinding te staan. Evenals in 1751 waren de blanken in 1795 door de gebeurtenissen volkomen verrast, maar ditmaal was er sprake van een veel uitgebreider opstand met een leiding die een bepaald doel nastreefde. Niettemin wist de garnizoenskapitein Baron van Westerholt tot de Leemcule de rebellen verscheidene malen te verslaan. Op 26 augustus kon hij tot de achtervolging overgaan en de voorraadschuren van de opstandelingen bij de St. Christoffel bezetten. Vele slaven gaven zich toen over en half september was het grootste deel weer aan het werk op de plantages. De gevluchte leiders, Tula, Karpata en Louis Merciér, werden nog in september gevangen, zwaar gemarteld en met 26 anderen ter dood gebracht. Nadat een groot aantal opstandelingen tot lijfstraffen was veroordeeld, vaardigde de overheid op 20 november een algemene amnestie uit ten gunste van de nog resterende opstandige slaven, mits deze zich binnen veertien dagen weer aan het werk zouden begeven. In een andere publikatie van dezelfde dag werden ‘eenige nadere schikkingen omtrend de behandeling der slaaven’ aan de planters opgelegd (maximum werktijd, minimum verstrekking van voedsel en kleding enz.). De afschaffing van de slavernij heeft in de Nederlandse West-I ndische koloniën, in verhouding tot de omringende gebieden, eerst laat plaatsgevonden (Venezuela 1821 - geleidelijke emancipatie; Engeland: 1833; Frankrijk: 1848). (Zie voor de vrijverklaring in 1863: @: Emancipatie. Zie verder @: Archieven; @: Geschiedenis).

Literatuur:

  • H. Hoetink, Het patroon van de oude Curaçaosche samenleving (1958, 31971);
  • C. de Jong, Een vergelijking van de slavenwetten in Spaans, Brits, Frans, Deens en Nederlands West-Indië (1963);
  • A.J.M. Kunst, De handel in slaven en de slavernij op de Nederlandse Antillen, in: Kristòf II, 4 (1975);
  • A.F. Paula (ed.), Zeventien vijf en negentig. De slavenopstand op Curaçao. Een bronnenuitgave van de originele overheidsdocumenten (1974);
  • Ch. do Rego, Sklabitut i rebelion (1983);
  • R.A.Römer, Het slavenverzet, in: KristOf III, 4 (1976);
  • Idem, Slavernij in het Caribisch gebied, in: Kristòf IV, 5 (1977);
  • Idem, Een volk op weg; un pueblo na kaminda. Een sociologisch historische studie van de Curaçaosche samenleving (diss. 1977, '1979).

 

 

@: Sloké
(Colinus cristatus)
sokle, cocoí of patrushi is een broedvogel van Aruba en Curaçao. Parmantig rennen de hoenderachtige vogeltjes en springen zelfs over struiken heen. Overdag houden zij zich in dichte cactuswildernissen schuil en laten zich slechts ‘s morgens vroeg of in de late namiddag zien. Ze overnachten in struiken en bomen. De naam co-co-i is een goede klanknabootsing van de roep. Het voedsel bestaat uit onkruidzaden, ook uit op de grond gevallen korrels van de maï(n)shi chikitu. Het nest wordt op de grond gemaakt van grashalmen en bevat een 10-tal eieren. Door de ongebreidelde jacht is het dier op Aruba schaars en gaat het ook op Curaçao in aantal achteruit (zie @: Jacht).

 

@: Smit, Benjamin
(29 november 1922) architect te Willemstad. Werken te Willemstad o.a. restauratie
huize Stroomzicht (1953); Hollandse Bank-Unie, Breedestraat (1956); verbouwing Herenstraat 1 hoek Breedestraat (1956); nieuwe vleugel St. Elisabeth Hospitaal (1960); medewerking aan Hotel Curaçao Intercontinental (1965); Laboratorium en dienstgebouwen (1965); Kamer van Koophandel op Pietermaai (1966).

 

@: Smith, Wycliffe Sylvester
(Saba 18 december 1948) Engelstalige dichter uit wiens poëzie een sterke sociale bewogenheid spreekt. Hoofd van het
Departement van Onderwijs op St. Maarten (1980). Per 1 november 1983 gezaghebber van Saba.
Wrk.: A Voice from W-Inward (1976); Winds above the hills (1982); Windward Island Verse (1981).

 

@: Smokkelhandel
zie Handel: geschiedenis.

 

@: Snacks
zie Handel: binnenlandse handel.

 

@: Snappers
zijn de vissoorten behorend tot de familie der Lutianidae. Vele soorten behoren tot het geslacht Lutianus:
karañitu, bèrs, barstebers, kalaba, karpitan en (piská) kòra of pargo. Andere snappers zijn grastèlchi die piëda (Ocyurus chrysurus) of yellowtail, en sabunèchi (Rhomboplites aurorubens). Vele jonge snappers zoeken het ondiepe kustwater op totdat zij een zekere grootte bereikt hebben, waarna zij dieper gaan, tot 100m en meer. Het zijn roofvissen. Een aantal snapper-soorten behoort tot de meest gevraagde consumptievissen, met name de red snapper of (piská kòra). Bij de Bovenwinden zijn banken, die de vissers althans in sommige perioden schuwen, omdat de snappers, evenals andere roofvissen daarvandaan, dan de gevreesde ciguatera-ziekte verwekken (zie @: Voedselvergiftiging). Alleen de silk snapper (Lutjanus vivanus) verwekt nimmer ciguatera.

 

@: Snepi
zie
Lopi.

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu:

@: Snijder Andres Carlino / @: Andres Snijder  / @: Andres Carlino Snijder
(4 febrüari 1931 - 24 yüni 2006)
Despues di skol Carlino i su amigunan Rudy, Elsio i Luti Samson tabata toka riba instrument ku nan mes tabata traha di bleki. Un dia frater Vincentius a pasa mir’é i a fi’é su promé trompet di bèrdè. Ela bai toka den e banda BEMOL (Blaas Er Maar Op Los) di frater. Carlino a toka despues den Estrellas del Caribe. Den e tempu ei, ahinda e mester a fia trompet serka frater. Dado momentu ela disidí ku e tabata falta konosementu di su instrument. Ela stop di toka, pa e praktiká 5 pa 10 ora pa dia, ku intenshon di bira proficiente riba e instrument ku e tabata gusta. Ta despues di e esaki numa ela kuminsá toka atrobe na hotelnan i na entre otro The Bunny’s Club. Riba un bon dia e gran Makai, esta Macario Prudencia, a kanta un piësa ku e banda di Andres Snijder. Esaki tabata e piësa Komèr. E experiensia aki a resultá den lansamentu di e famoso Continental Combo, ku a kibra tur rekord na Kòrsou. Ta bisá ku ta Carlino a inventá Salsa Antiano, pero ku ta Makai a interpret’é manera mester ta. Durante di basta aña Carlino a toka na Caracas, Venezuela, tambe ku Sonora Caracas. I ela duna les na hóbennan trompetista / trombonista. Hobennan manera Erlison i Rolando Cornelia, Giovanni Atalita, Juni Isenia i otronan. I asina ela laga su talento sigui biba den nos komunidad.

 

@: Snip
zie @: Kerstvlucht.

 

@: Sobrá di dios
zie @: Tapatapa.

 

@: Sociaal-Cultureel Werk Bonaire, Stichting
Opgericht mei 1968 met het doel het sociaal-cultureel werk op Bonaire te bevorderen; de stichting oriënteerde zich voorts om samen te werken met soortgelijke instellingen in de Nederlandse Antillen en Nederland om de sociale en culturele belangen van de bevolking van Bonaire in het bijzonder en de Nederlandse Antillen in het algemeen te dienen. De stichting stelde zich het doel zich onder meer bezig te houden met de exploïtatie van het destijds nieuwe jeugdhuis
Centro Hubentud Rincon en van het jeugdhuis Jong Bonaire te Kralendijk. De stichting was als overkoepelend orgaan opgericht door de Stichting Prinses Beatrix, die tot doel had het jeugdwerk op Bonaire te bevorderen en door het Cultureel Centrum Bonaire.


 
@: Sociaal Economische Raad / @: S.E.R. / @: SER
I ngesteld bij
Landsbesluit (P.B. 1966 nr. 25) en geïnstalleerd op 15 maart 1966, heeft als taak de Regering te adviseren omtrent alle belangrijke onderwerpen van sociaal-economische aard, hetzij op verzoek van één of meer ministers, hetzij eigener beweging. Tot 1970 werden van het totaal aantal van 12 leden, de vier werkgeversleden nog benoemd op voordracht van respectievelijk de Kamers van Koophandel op Curaçao en Aruba, de Shell en de Lago. Ook bestonden er geen restricties ten aanzien van de benoeming van de vertegenwoordigers van de Landsoverheid. Nadat echter gebleken was uit het onderzoek naar de oorzaken van de opstand van 30 mei 1969 dat ondanks het bestaan van de S.E.R., het aan noodzakelijk overleg tussen de drie sociale partners had ontbroken, werd in de nieuwe samenstelling van de Raad het aantal leden verhoogd van 18 naar 21 waarbij ook Bonaire en de Bovenwindse Eilanden werden vertegenwoordigd. De voordrachten van de Shell en de Lago vervielen en in het vervolg werden de werkgeversleden benoemd op voordracht van werkgeversorganisaties evenals dit het geval is met de werknemersleden. Voor de benoeming van de vertegenwoordigers van de Landsoverheid werden ambtenaren werkzaam bij de Departementen Sociale Zaken, Economische Zaken, Financiën, Juridische Zaken en Algemene Zaken uitgesloten en vervangen door onafhankelijke deskundigen. De eilandelijke vertegenwoordiging werd als volgt: voor Aruba, Bonaire en Curaçao 6 leden, respectievelijk 2 werkgevers-vertegenwoordigers, 2 werknemers-vertegenwoordigers en 2 onafhankelijke leden. Voor de Bovenwindse Eilanden gold aanvankelijk 3 leden; respectievelijk 1 lid voor elke genoemde categorie. Door opsplitsing van het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden in drie eilandgebieden St. Maarten, Saba en St. Eustatius ingaande 1 April 1983 verkreeg St. Maarten éénzelfde vertegenwoordiging in de Raad als de overige grotere eilandgebieden. St. Eustatius en Saba werden op het niveau van het voorgaande Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden getild met ieder 3 leden, respectievelijk 1 lid voor elke categorie. De uittreding van Aruba uit het Antilliaans staatsverband per 1 januari 1986 zal ongetwijfeld gevolgen hebben voor de samenstelling van de Raad.

 

@: Sociaal recht
Onder sociaal recht ressorteren
arbeidsrecht, sociale verzekeringsrecht en recht betreffende de volksgezondheid. Het staatje op pagina 447 geeft een overzicht van de verschillende regelingen die in de Nederlandse Antillen op deze terreinen getroffen zijn en van de verordeningen waarin het één en ander is vastgelegd. Voor het recht betreffende de volksgezondheid bestaat er een wetgeving zowel voor de gezondheidszorg als voor de gezondheidsbescherming.

 

@: Sociaalwetenschappelijk onderzoek

I n de Nederlandse Antillen is het sociaalwetenschappelijk onderzoek sedert de Tweede Wereldoorlog enigermate op gang gekomen. Aanvankelijk was er van een systematische opzet geen sprake. Na 1967, toen de zogenaamde Acculturatie-commissie van de Z.W.O.-stichting, WOTRO, een onderzoeksplan voor Suriname en de Nederlandse Antillen opstelde, is daarin wel verandering gekomen. Op langere termijn gezien heeft ook dit plan echter geen duidelijk coördinerend effect gehad, al speelde het een gewichtige rol in het stimuleren van het sociaalwetenschappelijk onderzoek, dat tot tal van publikaties op een veelheid van gebieden heeft geleid. In toenemende mate verschenen er studies over de geschiedenis van de Nederlandse Antillen, over etnische groepen en etnische en rasrelaties, politieke en economische vraagstukken, verschijnselen van demografische aard waaronder vruchtbaarheid en migratie, over familie- en verwantschapsstructuren, aspecten van sociale structuur als de positie van vrouwen, over onderwijs en opvoeding, godsdienst, magie, folklore en riten, over kwesties van taal, gezondheid en ziekte en over sociaalpsychologische facetten van de Antilliaanse maatschappij.
Bij de diverse trefwoorden wordt weliswaar een literatuuropgave vermeld maar onderstaande staalkaart beoogt een indruk te geven van de vorderingen die op het gebied van het sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn gemaakt. Van de historici en hun werken moeten zeker genoemd worden: 

  • C.P. Amelunxen: De geschiedenis van Curaçao (1929, 1980);
  • J.H.J. Hamelberg: De Nederlanders op de West-Indische eilanden (1901, 1979);
  • J. de Hullu; L. Knappert: Geschiedenis van de Nederlandsche Bovenwindsche eilanden in de 18de eeuw (1932, 1979);
  • M.D. Teenstra: De Nederlandsch West-I ndische eilanden, 2 delen (1836-1837, 1977);
  • G.J. van Grol: De grondpolitiek in het West-I ndische domein der generaliteit (1934-1947, 1980);
  • B. de Gaay Fortman; C.Ch. Goslinga: Emancipatie en emancipator (1956);
  • I.S. Emmanuel: Precious stones of the Jews of Curaçao (1957);
  • J. Hartog: Geschiedenis van de Nederlandse Antillen, 5 delen (1953-1918).
  • A.J.C. Kraft publiceerde een genealogische studie: Historie en oude families van de Nederlandse Antillen (1951),
  • M.D. Ozinga een kunst-historisch werk: De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959).
  • Een cultuur-historische interpretatie van de Curaçaosche geschiedenis verscheen van de hand van Ch.J.H. Engels: Het Curaçaosch patroon (1948).
  • Postuum verscheen van deze auteur: Het Sint Elisabeth Hospitaal te Curaçao in West-Indië 1855-1972 (1981).
  • I n een sociologisch kader analyseerde H. Hoetink de culturele en structurele wordingsgeschiedenis van de Curaçaosche maatschappij: Het patroon van de oude Curaçaosche samenleving (1958, 1971).
  • A.F. Paula schreef een historisch-filosofische studie over negatieve houdingen bij de Curaçaosche negroïde bevolking: From objective to subjective social barriers: a historico-philosophical analysis of certain negative attitudes among the negroid population of Curaçao (1967, 1968).
  • Van veel recenter datum is de sociologisch-historische studie van de Curaçaosche samenleving van R.A. Römer: Un pueblo na kaminda / Een volk op weg (1977, 1979).
  • Cultureel-antropologisch onderzoek werd op St. Maarten door M.P. Sypkens Smit verricht (1981).

 

De hedendaagse etnische en raciale relaties zijn in de boeiende geschiedenis van de Nederlandse Antillen geworteld. Deze relaties werden ook vanuit verschillende invalshoeken door sociaalwetenschappers bestudeerd:

  • H. Hoetink schreef erover in een vergelijkend perspectief: De gespleten samenleving in het Caribisch Gebied (1962).
  • R.A. Römer wijdde er aandacht aan in: Ons samenzijn in sociologisch perspectief (1964, 1967), een publikatie die diverse bewerkingen onderging: Korsow, een sociologische verkenning van een Caraïbische maatschappij (1976 “4”), de 5de herz. druk verscheen in 1981 onder de titel: Samenleven op een Caribisch eiland, terwijl ook A.F. Paula in zijn reeds genoemd historisch-filosofisch boek dit thema behandelde.
  • V.M. Green analyseerde de inter-etnische relaties op Aruba: Aspects of inter-ethnic integration in Aruba, Netherlands Antilles (1978),
  • terwijl F. Kalm eveneens met betrekking tot Aruba naast integratieve aspecten ook aandacht gaf aan de dispersieve krachten in de multi-etnische samenleving van dit eiland: The dispersive and reintegrating nature of population segments of a third world society: Aruba, Netherlands Antilles (1978).
  • J.H. Phalen wijdde een studie aan Kinship, color and ethnicity: integrative ideologies in Aruba, Netherlands Antilles (1978) en gaf daarmee in gezelschap van veel anderen blijk van een groeiende belangstelling voor de Antillen bij Amerikaanse sociaalwetenschappers.

 

Ook politiek-wetenschappelijke geschriften over de Nederlandse Antillen zagen het licht. Uit deze hoek werden studies geschreven door: 

  • B. de Gaay Fortman: Schets van de politieke geschiedenis der Nederlandsche Antillen (Curaçao) in de twintigste eeuw (1947),
  • A.M.A. Kasteel: De staatkundige ontwikkeling der Nederlandse Antillen (1956),
  • T.G. Mathews: Politics and Economics in the Caribbean (1966) en
  • A.L. Gastmann: The politics of Surinam and the Netherlands Antilles (1968).
  • P.C. Verton publiceerde zijn Politieke dynamiek en dekolonisatie: de Nederlandse Antillen tussen autonomie en onafhankelijkheid (1977).
  • A. Klomp verrichtte politiek-antropologisch onderzoek op Bonaire: Politiek op Bonaire; een antropologische studie (1983).
  • Tenslotte mag hier de rapportage door de Koninkrijkswerkgroep: Naar nieuwe vormen van samenwerking (1980) niet onvermeld blijven.

 

 

De economische problematiek en de socio-politieke en culturele verschijnselen die daarmee samenhangen, werden veelvuldig tot onderwerp van publikatie gekozen. In veel geschriften van minder uitdrukkelijk economisch karakter werd vanzelfsprekend ook aandacht hieraan gegeven. Duidelijk in deze rubriek in te delen zijn:

  • van R.A. Romer e.a.: De rapportages van de Commissie tot onderzoek van de achtergronden en oorzaken van de onlusten welke op 30 mei 1969 op Curaçao hebben plaatsgehad: Dertig mei 1969 (1970),
  • van R.A. Romer: Naar de voltooiing van de emancipatie; beschouwingen naar aanleiding van het verschijnsel 30 mei (1974),
  • Race and class in political perspective; the case of Frente Obrero, in: Kristóf, jrg. 2 no. 6 (1975) en van
  • W.A. Anderson en R.R. Dynes: Social movements, violence and change; the May movement in Curaçao (1975).
  • J.A. Abraham schreef het Rapport betreffende sociale dynamiek en ondernemingsgeest op St. Eustatius en de bevordering daarvan (1975).

 

Over de positie van de vrouw in een sterk afhankelijke economie:

  • een geschrift van S.M. Cuales: Women, reproduction and foreign capital in Curaçao, in: Caraïbisch Forum, jrg. 1 no. 2 (1980).
  • M. van Dieten en L. Maduro belichtten in meer algemeen perspectief de economische afhankelijkheid en haar gevolgen: De Nederlandse Antillen; een analyse van hun afhankelijkheid (1978).
  • J.M.G. van Leusden schetste De ontwikkeling van de beroepsbevolking van 15-65 jaar tot 1985 op Aruba, Bonaire en Curaçao, in: Economische Notities, jrg. 3 no. 1 (1974).
  • C. Pina bestudeerde de voorwaarden tot agrarische ontwikkeling: The cunuceros of Banda Bao; a sociological study of conditions relevant to agricultural development in the Netherlands Antilles (1970)

 

en officiële instanties of commissies brachten tenslotte rapporten op basis van gedegen wetenschappelijke documentatie uit:

  • Centraal Planbureau: Marcha pa progreso; verkenning van de economische mogelijkheden van de Nederlandse Antillen (1979),
  • Gemengde Commissie van Deskundigen: Aanzet tot een integraal beleidskader voor de Nederlandse Antillen in de jaren (19)tachtig (1979),
  • Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking: Advies Nederlandse Antillen (1978). Het rapport van de Gemengde Commissie raakte overigens aan alle facetten van de Antilliaanse maatschappij en leverde aldus een veelomvattend beeld van een veranderende samenleving, terwijl het vensters op de toekomst opende.

 

Tegen de achtergrond van de economische en sociale ontwikkelingen:

  •  beschreef R.A. Römer de sociale stratificatie en sociale mobiliteit in de Curaçaosche samenleving, in: Lustrum van een ideaal (1976) en
  • publiceerde P.C. Verton over Modernization in twentieth century Curaçao; new elites and their followers, in: Revista/Review Interamericana, vol. 7 no. 2 (1977).
  • Het oude Bovenwindenrapport (1953) van G.J. Kruijer, J.S. Veenenbos en J.H. Westermann en W. van den Bor’s Peasantry in isolation: the agrarian development of St. Eustatius and Saba, in:
  • M. Cross and A. Marks (Ed.): Peasants, plantations and rural communities in the Caribbean (1979) bevatten nog verdere relevante informatie.
  • In breder kader plaatste Van den Bor de sociaal-economische geschiedenis van St. Eustatius in zijn Eiland op drift; de sociale organisatie van een kleine Caribische samenleving: St. Eustatius (1979).
  • M. de Jong e.a. en H. ten Napel schreven over werkloosheid, bijverdiensten, de informele sector en dergelijke (1978, 1981).
  • M. de Jong e.a. deden onderzoek naar de werkzaamheden van de lagere sociale klasse in Willemstad, Curaçao: Señior(a) ta traha? (1980) en
  • H. ten Napel schreef over de Aspecten van de ontwikkeling van de Curaçaosche arbeidersklasse (1983).
  • J.H. Phalen schetste de relatie tussen cultuur en snelle industrialisatie op Aruba: The persistence of ‘little’ traditions throughout rapid industrialization on Aruba (1975).
  • H.M. Lasker en F.L. Strodtbeck publiceerden een sociaal psychologische verhandeling over verhoudingen van ongelijkheid: Stratification and ego development in Curaçao, in: A.F. Marks en R.A. Römer (Ed.): Family and kinship in Middle America and the Caribbean (1978).
  • De relatie tussen cultuur en persoonlijkheid kreeg tenslotte aandacht in G.J. Kruijer’s Saint Martin and Saint Eustatius negroes as compared with those of Saint Thomas; a study of personality and culture, in: West-I ndische Gids, jrg. 34 (1953).
  • L.P. Vermeulen publiceerde enkele waardevolle artikelen over demografische vraagstukken in de Nederlandse Antillen. Na hem bracht het Departement van Sociale en Economische Zaken een belangrijk demografisch rapport uit: De ontwikkeling van het inwonertal in het recente verleden en de naaste toekomst (1967),
  • terwijl S.H. Tecla en R.Ph. Römer overtuigend aantoonden, dat de bevolkingsgroei in de Antillen sterk afnam als gevolg van bewuste geboortebeperking in brede lagen van de bevolking: Fertility trends in the Netherlands Antilles. In: A.F. Marks and R.A. Römer (Ed.): Family and kinship in Middle America and the Caribbean (1978).
  • J.M.G. Leusden, R.Ph. Römer en S.H. Tecla gaven daarvóór een onderbouwde prognose van de demografische ontwikkeling tot 2000 (1973).
  • Ook A.F. Marks signaleerde in zijn nog te noemen studie van het familieleven op Curaçao verrassende ontwikkelingen in de cijfers over legitieme en illegitieme geboorten, nuptialiteit en dergelijke in het licht van de bloei en het verval van de Antilliaanse economie en de veranderende sociaal-culturele situatie.

 

Migratoire verschijnselen hebben ook de aandacht getrokken:

  • W.C.J. Koot analyseerde de emigratie - of liever het goeddeels uitblijven daarvan - van Arubanen of Curaçaoenaars in: Emigratie op de Nederlandse Antillen; een social-wetenschappelijk onderzoek naar de omvang en achtergronden van de emigratie, in het bijzonder op Aruba en Curaçao (1979).
  • F. Bovenkerk wijdde een belangwekkend artikel aan een vergelijking van factoren die de Surinaamse en Antilliaanse emigratie bepaalden (1973).
  • Met een accent op problemen van samenleven schreef  V.M. Green: Migrants in Aruba; inter-ethnic integration (1974).
  • J.G. Crane analyseerde ondermeer de socio-raciale gevolgen van de emigratie op Saba: Educated to emigrate; the social organization of Saba (1971).

 

Familie en verwantschap, huwelijk en gezin zijn eveneens door velen tot onderwerp van studie gekozen:

  • A.F. Marks schreef onder meer met betrekking tot deze thema’s Man, Vrouw en Huishoudgroep; de afro-amerikaanse familie in de samenleving van Curaçao (1973).
  • E.E. Abraham-Van der Mark belichtte facetten van gezinsstructuur: Yu’i mama: enkele facetten van gezinsstructuur op Curaçao (1973).
  • H. Hoetink schreef óók over gezinsvormen,
  • terwijl F.P. Karner in The Sephardics of Curaçao; a study of socio-cultural patterns in flux (1969) het Joodse familieleven schilderde.
  • V.M. Green publiceerde over de Arubaanse familie en problemen van familie-studies: Methodological problems involved in the study of the Aruban family, in: S.N. Gerber (Ed.): The family in the Caribbean; proceedings of the second conference on the family in the Caribbean (1973).
  • A. de Waal Malefijt en M. Hellerman bestudeerden Arubaanse man-vrouw relaties: Aruban mating patterns, in: S.N. Gerber (Ed.): The family in the Caribbean; proceedings of the second conference on the family in the Caribbean (1973),
  • terwijl J.H. Phalen eveneens aandacht gaf aan familie-structuren in zijn Kinship, color and ethnicity; integrative ideologies in Aruba, Netherlands Antilles (1978).
  • Met betrekking tot de Bovenwinden werden deze thema’s behandeld door W. van den Bor: Not too bad ... ; sociale organisatie, gezins- en familieverband op St. Eustatius (1973) en
  • J.Y. en D.L. Keur: Windward children; a study in human ecology of the three Dutch Windward Islands in the Caribbean (1960).
  • Ook J.G. Crane bestudeerde facetten van huishoudingen in relatie tot de omringende gemeenschap: Educated to emigrate; the social organization of Saba (1971).

 

Het veld van onderwijs en opvoeding werd bewerkt door:

  • A.C. Prins-Winkel: Kabes duru? Verslag van een onderzoek naar de onderwijssituatie op de Benedenwindse Eilanden van de Nederlandse Antillen, in verband met het probleem van de vreemde voertaal bij het onderwijs (1973).
  • T.J. Steenstra schreef De kinderen van St. Eustatius; een studie van de opvoedingssituatie op dit eiland (1969).
  • Th.M.P. Oltheten publiceerde met betrekking tot Curaçao en C.M.M. Meiners-Pieterse met betrekking tot Aruba: Overgaan of zittenblijven; een sociologische verkenning van faktoren die invloed hebben op de leerprestaties van het Curaçaosche (resp. Arubaanse) volkskind in het basisonderwijs (1980, 1980).
  • W. van den Bor analyseerde het schoolsysteem en de toekomstverwachting op St. Eustatius.


Het taalprobleem heeft steeds een centrale plaats in de onderwijsproblematiek ingenomen:

  • Onder anderen J.Ph. de Palm: Het Nederlands op de Curaçaosche school (1969) en
  • E. Muller: Naar een Papiamentstalige basisschool op de Nederlandse Antillen (1975) publiceerden hierover.

 

Beschouwingen over culturele instituties, gebruiken, godsdienst, magie, culten en riten zijn talrijker, zowel als aparte geschriften als in het kader van breder opgezette studies:

  •  Zo geeft N. van Meeteren daaraan ruime aandacht: Volkskunde van Curaçao (1947, 1977).
  • P. Brenneker schreef zijn Curaçaoensia (1961) en zijn Sambumbu; volkskunde van Curaçao, Aruba en Bonaire (1969-1975).
  • E. Jesurun behandelde bijzondere gewoonten en gebruiken in de maand december in Curaçao: Customs and habits during the month of december in Curaçao, in: Antillen Review, jrg. 2 no. I (1982),
  • terwijl E. Juliana veelvuldig publiceerde over magie, hekserij, religie, geesten, doodsrituelen en Nanziverhalen (1969, 1976, 1977, 1981).
  • W.J.H. Baart voltooide in 1983 zijn proefschrift Cuentanan di Nanzi; een onderzoek naar de oorsprong, betekenis en functie van de Papiamentse spinverhalen.

 

Verschijnselen rond ziekte en dood werden ook beschreven door A.F. Marks (1971) en R.A. Römer (1977). Muziek en dans werden behandeld door R. Boskaljon: Honderd jaar muziekleven op Curaçao (1958), E.R.R. Palm: Muziek en dans, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977) en E.R.R. Palm: Muziek en musici van de Nederlandse Antillen (1978). G.J. Kruyer schreef over Kerk en religie op de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen, in: West-Indische Gids, jrg. 34 (1953). C. Streefkerk tenslotte gaf een schets van de godsdienstige gebruiken en opvattingen in de Antillen, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977).
J. Hillenius-van Draanen en L.B. van Ommen beschreven het sociaal-culturele werk op de Nederlandse Antillen (1978). Y. Attema schonk aandacht aan de monumenten van St. Eustatius: St. Eustatius; a short history of the island and its monuments (1976, “2”1981).

 

Met betrekking tot de gezondheidszorg verschenen onder meer:

  •  H.C. Tjon Sie Fat’s Onderzoek naar de sociaal-hygienische toestand op de Bovenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (1954) en
  • J.E. Ellemer’s: St. Eustatius Public Health Centre; project document for a public health centre on St. Eustatius (1977).

Ter afsluiting kan opgemerkt worden, dat zowel in de Nederlandse Antillen als in Nederland in toenemende mate door studenten in het kader van hun studies aandacht aan verschijnselen en vraagstukken van de Nederlandse Antillen wordt gegeven. Veel zeer verdienstelijke scripties en onderzoeksverslagen zien het licht, maar komen niet verder dan het scriptie-archief en de centrale registratie. Enkele komen in de openbaarheid door publikatie via de eigen universiteit, het eigen instituut of als deel in de blauwe reeks van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, een reeks die in samenwerking met de Caraïbische afdeling van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden en de Sticusa te Amsterdam tot stand gekomen is.

 

 

@: Sociale Verzekeringsbank / @: S.V.B. / @: SVB
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Sociale voorzieningen
De sociale zekerheid in de Nederlandse Antillen kan naar financiëringsbasis worden onderscheiden in:

  • sociale zorg,
  • sociale verzekeringen en
  • collectief geregelde pensioenverzekeringen.


Onder de
sociale zorg vallen de voorzieningen die uit de algemene middelen worden betaald, de zogenoemde armenzorg.
Sociale verzekeringen zijn voorzieningen die via een omslagstelsel worden betaald. In principe zijn de premie-opbrengsten in een bepaalde periode gelijk aan de gedane uitkeringen minus de administratiekosten. Voorbeelden hiervan zijn de Algemene Ouderdomsverzekering (A.O.V.), de Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (A.W.W.), de verplichte Ongevallenverzekering en de verplichte Ziekteverzekering.
Collectief geregelde pensioenverzekeringen zijn voorzieningen die via een kapitaaldekkings-stelsel worden gefinancierd; zij garanderen een uitkering in geval van ouderdom of invaliditeit en voor weduwen en wezen. Deze uitkeringen worden bekostigd door stortingen en beleggingsopbrengsten van een fonds dat door pensioenpremies gevuld wordt. Voorbeelden hiervan zijn het bij het
Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (A.P.N.A.) ondergebrachte ambtenarenpensioenfonds, het werkliedenpensioenfonds en de pensioenfondsen van de grote bedrijven.


 
@: Sociale zorg
Armenzorg
Zowel de overheid als de kerkgemeenschappen en particuliere organisaties houden een aantal voorzieningen in stand ten behoeve van on- en minvermogenden.

Onvermogenden zijn sociale hulpbehoevenden, die, gelet op hun omstandigheden een inkomen hebben dat lager of gelijk is aan het minimumloon voor werknemers als bedoeld in art. 9, lid 3 van de Landsverordening Minimumlonen (P.B. 1972, nr. 110). Per 1 januari 1983 was dat een inkomen van NAf 583,30 per maand.

Onder minvermogenden wordt verstaan degenen met een inkomen dat boven het minimumloon van de onvermogende ligt maar beneden het minimumloon voor werknemers als bedoeld in art. 9 lid 1 van bovengenoemde landsverordening of wel aan dat minimumloon gelijk is. Per 1 januari 1983 was dat een inkomen van NAf 921,70 (zie minimumlonen). De voorzieningen die onder armenzorg ressorteren zijn:

a. de onderstandsverlening om in levensonderhoud te kunnen voorzien.
Op ieder eiland wordt door de
Dienst SociaIe Zaken of Dienst Maatschappelijke Zorg krachtens een eilandsregeling voor maatschappelijke hulp financiële bijstand verleend aan gezinnen en individuen die zich maatschappelijk niet kunnen aanpassen of handhaven en niet of niet voldoende steun ontvangen van instellingen voor maatschappelijke hulp (Aruba A.B. 1978 nr. 3, zoals aangevuld en gewijzigd; Curaçao A.B. 1966 nr. 69). Als gevolg van het ontbreken van bepaalde wettelijke voorzieningen zoals een algemene ziektekostenverzekering en een werkloosheidsvoorziening zijn steeds meer burgers gedwongen om ter voorziening in hun levensonderhoud een beroep te doen op de overheid. Zij ontvangen dan onderstand. De aanvrager dient ingeschreven te zijn in het bevolkingsregister van het eilandgebied, daar drie jaar woonachtig te zijn en de Nederlandse nationaliteit te bezitten. De uitkering wordt in zowel volledige als onvolledige gezinnen toegekend en betaalbaar gesteld aan het gezinshoofd. De gezinsleden-bijslag wordt toegekend en betaalbaar gesteld aan de ouder bij wie het gezinslid verblijft. Duurzame samenleving wordt gelijkgesteld aan een wettig huwelijk. Aan valide personen die geacht kunnen worden tot de arbeidsreserve te behoren wordt slechts onderstand c.q. gezinsleden-bijslag toegekend indien zij als werkzoekende zijn ingeschreven bij de Dienst Arbeidszorg. Onderstand wordt eveneens verleend aan wegenen die door persoonlijke omstandigheden niet in staat zijn passend werk te aanvaarden: ongehuwde moeders met jonge, afhankelijke kinderen (ca. 90% van het aantal onderstandtrekkers). Weigering tot aanvaarding van passend werk kan leiden tot niet toekenning of intrekking van de uitkering. Dit geldt ook voor diegenen die door eigen schuld of toedoen werkloos zijn geworden. Aan personen die onroerende goederen, spaargelden of andere kapitaalgoederen in eigendom hebben, kan onderstand; geweigerd worden of een wachttijd worden opgelegd. Voor een gezinshoofd bedraagt het vrijgestelde vermogen NAf 5.000,- vermeerderd met NAf 1.000,- voor elk gezinslid. Aan de toekenning van onderstand gaat een sociaal onderzoek vooraf. Bij de berekening van het gezinsinkomen worden alimentatiebijdragen en inkomen uit arbeid en andere inkomsten geheel of gedeeltelijk in mindering gebracht. De totale gezinsinkomsten mogen samen met het onderstandsbedrag niet meer zijn dan tweemaal het bedrag van de normatieve onderstand. De Dienst is bevoegd tot het inwinnen van alle inlichtingen die nodig zijn ter beoordeling van de aanvrage. Eénieder is gehouden deze inlichtingen te verstrekken. Een aanvrager kan binnen 14 dagen na ontvangst van de beslissing over zijn aanvrage in beroep gaan bij een door de Eilandsraad benoemde commissie. Het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het verzwijgen van omstandigheden die van invloed zijn op het bedrag van de in geld uitgedrukte maatschappelijke hulp wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van ten hoogste NAf 500,-. In 1984 was zowel op Aruba als op St. Maarten 15% van de bevolking afhankelijk van de onderstand om in haar levensonderhoud te voorzien; op Curaçao zelfs 19%. Op Aruba en Curaçao ontvangt men per onderstandtrekker gemiddeld NAf 80,- en op St. Maarten gemiddeld NAf 40,- per week. Op de overige financieel minder draagkrachtige eilanden is het uitgekeerde onderstandsbedrag gemiddeld NAf 20,- tot NAf 25,- per week.

b. de ouderdomsvoorziening (O.V.) ten behoeve van 60 tot 62-jarigen.
In 1955 kwam een
nood-ouderdomsvoorziening tot stand die in 1960 werd omgezet in een ouderdomsvoorziening (P.B. 1966 nr. 155). Deze uitkering die op aanvraag wordt verstrekt, is bedoeld voor on- of minvermogende personen die de leeftijd van 60 jaar maar nog niet die van 62 jaar hebben bereikt. Op 62-jarige leeftijd maakt men aanspraak op ouderdomspensioen ingevolge de A.O.V. Om voor de ouderdomsuitkering in aanmerking te komen moet men de laatste zes jaar onafgebroken in de Nederlandse Antillen woonachtig zijn geweest en van Nederlandse nationaliteit zijn. Per 1 januari 1983 bedroeg de ouderdomsvoorziening NAf 280,- per maand voor ongehuwden en NAf 475,- per maand voor gehuwden. Gehuwden die niet samenwonen, ontvangen ieder NAf 237,50 per maand. Deze bedragen worden verminderd met de helft van het maandelijks inkomen uit andere bronnen. Bij het vaststellen van dit inkomen worden inkomsten in de vorm van steunverlening door de Overheid buiten beschouwing gelaten. De uitvoering van deze landsverordening is opgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.) die daartoe een ouderdomsvoorzieningsfonds beheert. De middelen tot dekking van de uitkeringen en uitvoeringskosten worden gedragen door de Nederlandse Antillen die maandelijks bij wijze van voorschot genoemd fonds financiert.

c. de verstrekking van kosteloze medische hulp, de zogenaamde pro-paupere (P.P.) kaarten.
De regeling voor kosteloze geneeskundige hulp aan on- en minvermogenden welke regeling oorspronkelijk deel uitmaakte van de reeds in 1918 gegeven verordening inzake de Dienst der Gouvernements Geneeskundigen, werd in 1978 geheel gewijzigd door de Eilandsverordening Bijstandkosten Medische Hulp (A.B. 1978 nr. 39) en ter uitvoering opgedragen aan de Dienst Sociale Zaken. Onder medische hulp wordt in de regeling verstaan: huisartsenhulp, specialistische hulp na verwijzing, opname, verpleging en behandeling in een ziekeninrichting, laboratorium, röntgenologisch, functie- en pathologisch onderzoek, verstrekking van genees- en verbandmiddelen en bij eilandbesluit vastgestelde vormen van para-medische en verloskundige hulp. Onvermogenden ontvangen een kaart die recht geeft op volledige bijstand in alle onderdelen van de medische hulp.

Onder onvermogenden wordt door de regeling verstaan:
1. onderstandtrekkers - die een uitkering genieten ingevolge de
Richtlijnen verlening onderstand Curaçao (A.B. 1971 nr. 11);
2. personen tussen de 60 en de 62 jaar die een Ouderdomsvoorziening genieten -ingevolge de
Landsverordening Ouderdomsvoorziening (P.B. 1960 nr. 155);
3. personen van 62 jaar en ouder die een uitkering genieten ingevolge de
Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (P.B. 1960 nr. 83);
4. kinderen die geheel of gedeeltelijk voor rekening van het Eilandgebied Curaçao in een internaat verblijven;
5. bejaarden die geheel of gedeeltelijk voor rekening van het Eilandgebied Curaçao in een verzorgingstehuis verblijven;
6. degenen van wie het inkomen op het tijdstip van aanvrage gelijk dan wel lager is dan het minimumloon voor werknemers bedoeld in art. 9 lid 3 van de
Landsverordening Minimumlonen (P.B. 1972 nr. 110 - 1984: NAf 594,95).

7. Minvermogenden van wie het inkomen het eerdergenoemd minimum loon overschrijdt maar die niet in staat zijn de kosten van een of meer onderdelen van de medische hulp of gedeelte daarvan zelf te betalen, ontvangen een kaart die recht geeft op gedeeltelijke bijstand in de kosten van de medische hulp.

Door het ontbreken van een algemene ziektekostenverzekering is de groei in de kosten van de kosteloze geneeskundige hulp aanzienlijk. I n 1984 bedroeg het aantal kaarthouders op Curaçao ca. 68.000 en op Bonaire was dit aantal ca. 5.450 hetgeen neerkomt op ruim 40% respectievelijk meer dan 50% van de bevolking. Ook werklieden en arbeiders in overheidsdienst, arbeidscontractanten en ambtenaren met een salaris beneden een zekere grens hebben recht op vrije geneeskundige verzorging terwijl via de zogenaamde tegemoetkomingsregeling in feite hetzelfde geldt voor hun gezinsleden.

d. de watersubsidieregeling ten behoeve van betaling van waterrekeningen.
I n verband met de hoge produktie- en distributiekosten van drinkwater, die leiden tot een zeer hoge verkoopprijs, verlenen de eilandsoverheden subsidie op de waterprijs. Deze neemt twee vormen aan:

  • Een algemene subsidie wordt verleend, door de prijs van het drinkwater vast te stellen op een lager bedrag dan de werkelijke kostprijs.
  • Een meer specifieke subsidie wordt bijvoorbeeld op Curaçao verleend door op grond van A.B. 1966 nr. 69 hulp te verlenen aan on- en minvermogenden bij de betaling van de waterrekeningen.

Afhankelijk van het aantal gezinsleden betaalt de Dienst Sociale Zaken tot een maximum van 10m³ de volledige waterrekening. Bij gebruik van meer dan 10m³ maar minder dan 20m³ betaalt de Dienst Sociale Zaken zowel voor onvermogenden als voor minvermogenden NAf 2,65 voor elke m³ bij een geldende verkoopprijs van NAf 4,55. Over het jaar 1980 werd door de Dienst Sociale Zaken op Curaçao een totaal bedrag van NAf 431.913,48 betaald aan waterrekeningen ten behoeve van 1.646 minvermogenden en 22 onvermogenden.

e. de kosteloze rechtskundige bijstand.
Krachtens de
Landsverordening Kosteloze Rechtskundige Bijstand (P.B. 1959 nr. 198 zoals gewijzigd) wordt jaarlijks namens de Regering voor de duur van het kalenderjaar een overeenkomst aangegaan met advocaten in de onderscheiden eilandgebieden van de Nederlandse Antillen waarbij deze zich verbinden om tegen een nader overeen te komen vergoeding kosteloze rechtskundige bijstand te verlenen zowel voor burgerlijke als voor strafzaken aan on- en minvermogenden die hun werkelijke woonplaats hebben in de Nederlandse Antillen.
Vreemdelingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten van deze bijstand. Per jaar worden door het
Departement van Arbeid en Sociale Zaken ongeveer 800 kaarten verstrekt. Het merendeel van de gevallen betreft echtscheidingen en arbeidsgeschillen.  ,

f. de huursubsidieregeling van de Fundashon Kas Popular (F.K.P.) in het kader van de volkshuisvesting.
Krachtens Eilandsbesluit ter uitvoering van artikel 8 van de
Regeling Maatschappelijke Zorg Curaçao (A.B. 1966 nr. 69) kunnen huurders van volkswoningen in beheer bij de F.K.P. in aanmerking komen voor een individuele huursubsidie. Naar gelang de hoogte van het jaarlijks inkomen wordt een huur vastgesteld die oploopt van 8% van het jaarlijks inkomen voor inkomens tussen NAf 2500 en NAf 3000 per jaar tot 20% van het jaarlijks inkomen voor inkomens tussen NAf 17.501 en NAf 20.000. Inkomens boven de NAf 20.000 betalen het volle huurbedrag. I nkomens beneden NAf 20.000 ontvangen als huursubsidie het verschil tussen de werkelijke huur en de voor hun jaarlijks inkomen vastgestelde huur. Van de 4.030 huurders van volkswoningen ontvangt 95% een huursubsidie.

g. de financiële hulpverlening c.q. garantstelling van het Eilandgebied Curaçao ten behoeve van de landbouw, veeteelt, visserij en woningbouw (Besluit 1976, nr. 371Oa).

h. de directe voedselhulp verleend door Nederland en in de vorm van voedselpakketten verspreid door de Dienst Sociale Zaken en door particuliere organisaties.
Voedselhulp is een vorm van materiële ontwikkelingshulp van Nederland aan de Antillen, die in 1968 een aanvang nam met de levering van magere melkpoeder - ter distributie aan schoolkinderen, ouden van dagen en behoeftigen in de samenleving. I n de loop der tijd zijn verder de volgende produkten opgenomen in het aangeboden pakket: volle en magere melkpoeder, diverse merken zure en gehomogeniseerde babyvoeding, bruine en witte bonen, spliterwten, plantaardige olie, smeltkaas, tarwe- en roggemeel, havermout, biscuits, fruitix, boter en, margarine. Het totale bedrag liep op van Nf 400.000 tot Nf 900.000. De voedselhulppakketten worden door de
Diensten voor Maatschappelijke Zorg of Sociale Zaken door tussenkomst van parochies of charitatieve instellingen bezorgd aan hulpbehoevende gezinnen of tehuizen en vormen als zodanig een onderdeel van het netwerk van politieke, kerkelijke of charitatieve patronage. In 1979 is deze vorm van hulpverlening geëvalueerd en werd besloten de hulp deels te reduceren en deels te bestemmen voor voedselvoorlichtingsprojecten.

i. de traditionele armenbedeling via de parochies.

j. de directe materiële noodleniging door particuliere organisaties.

 

@: Sociale verzekeringen

Algemene Ouderdomsverzekering (A.O.V.)
De
Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering kwam in 1960 tot stand (P.B. 1960 nr. 83) en bepaalde dat in het algemeen ingezetenen die de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt, recht hadden op ouderdomspensioen. In 1975 is de leeftijdsgrens van personen die recht hebben op A.O.V.-pensioen verlaagd van 65 naar 62 jaar. Personen in overheidsdienst die geen ingezetenen zijn maar die in het buitenland een inkomen genieten van één van de Antilliaanse overheden vallen ook onder deze volksverzekering, mits zij Nederlander zijn en niet geacht kunnen worden blijvend buiten de Antillen te wonen. Bij landsbesluit kan voor andere categorieën een uitzondering worden gemaakt. Per 1 januari 1983 bedroeg het ouderdomspensioen NAf 280,- per maand voor ongehuwden en NAf 475,- per maand voor gehuwden. Gehuwden die niet samen wonen ontvangen ieder NAf 237,50 per maand.

De echtgeno(o)t(e) van een uitkeringsgerechtigde die komt te overlijden, heeft recht op een uitkering ineens van driemaal het maandbedrag van het genoten pensioen. Ook de pensioentrekker ontvangt eenzelfde uitkering bij het overlijden van zijn echtgeno(o)t(e).

Verzekerd is men van zijn 15de tot zijn 62ste jaar. Voor elk jaar dat men gedurende die periode niet verzekerd is geweest, wordt het pensioen gekort met 2% voor elk kalenderjaar gelegen vóór 1 januari 1975 en met 2 1/8% voor elk kalenderjaar na 31 december 1974. Het premie-percentage bedraagt per 1 januari 1983 7,5% van het inkomen en wordt voor 3/5 deel gedragen door de werkgever in de vorm van een toeslag op het loon. De eigen bijdrage van de werknemer is 2/5 deel van de te betalen premie. De premie inkomensgrens is per dezelfde datum vastgesteld op NAf 24.960,- .

De werkgever is wettelijk verantwoordelijk voor de afdracht van de premie aan de Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.). Zelfstandigen moeten zelf de premie betalen. Bij een inkomen van NAf 3.400,of meer maar minder dan NAf 5.300, per jaar wordt van deze groep geen premie geheven. Bij een inkomen tussen NAf 5.300,- t/m NAf 12.499, wordt een verminderde premie geheven. De uitvoering van deze verplichte volksverzekering is opgedragen aan de S.V.B., die daartoe een ouderdomsfonds beheert. De Inspectie der belastingen is belast met de aanslagregeling.

Integratiebepaling
In de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (P.B. 1960 nr. 83, zoals gewijzigd) komen bepalingen  voor (art. 54 en 55), die mogelijk maken dat de A.O.V.-uitkering geheel of gedeeltelijk in mindering kan worden gebracht op de pensioenuitkering voorzover de premie of een gedeelte van de premie betaald is geworden door de werkgever of een pensioenfonds. Deze bepaling wordt de integratiebepaling genoemd. Deze is de laatste jaren erg in opspraak daar men van mening is dat de pensioenuitkeringen al erg laag zijn en dat het niet sociaal rechtvaardig zou zijn deze nogmaals in te korten. De regering heeft met gedeeltelijk succes reeds een beroep gedaan op de grote bedrijfspensioenfondsen om af te zien van deze integratie en bereidt nu nieuwe wetgeving voor ter wettelijke afschaffing van voornoemde bepaling. Toepassing van deze bepalingen op de ovetheidspensioenen is reeds afgeschaft.

Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (A.W.W.)
De Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (P.B. 1965 nr. 194) is per 1 januari 1966 in werking getreden. In grote trekken loopt deze volksverzekering parallel aan de Algemene Ouderdomsverzekering. Deze verzekering waarborgt aan weduwen en wezen een pensioen. Dit bedraagt per 1 januari 1983 voor:

a. Weduwen jonger dan 40 jaar: NAf 125,- per maand, weduwen van 40 t/m 49 jaar: NAf 168,- per maand, weduwen van 50 t/m 59 jaar: NAf 212,- per maand, weduwen van 60 t/m 61 jaar: NAf 280,- per maand, weduwen die invalide zijn of die één of meer kinderen tot hun last hebben ontvangen NAf 280,- per maand.

b. Volle wezen beneden 10 jaar: NAf 99,- per maand, volle wezen van 10 t/m 14 jaar: NAf 107,- per maand, volle wezen van 15 t/m 25 jaar (schoolgaand): NAf 125,- per maand.

c. Halve wezen beneden 10 jaar: NAf 91,- per maand, halve wezen van 10 t/m 14 jaar: NAf 99,- per maand, halve wezen van 15 t/m 25 jaar (schoolgaand): NAf 107,- per maand.

De af te dragen premie bedraagt per 1 januari 1983 1% van het loon en wordt voor de helft gedragen door de werkgever in de vorm van een toeslag op het loon en voor de helft door de werknemer. De premie inkomensgrens is per dezelfde datum vastgesteld op NAf 24.960,-. Over het meerdere inkomen wordt geen premie geheven. De Inspectie der Belastingen is belast met de aanslagregeling. De werkgever is wettelijk verantwoordelijk voor de afdracht van de ingehouden premies welke gestort dienen te worden in een door de SV.B. beheerd Weduwenen Wezenfonds, ter uitvoering van deze verplichte volksverzekering.


Verplichte Ongevallenverzekering
Deze verzekering geeft krachtens de
Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966 nr. 14 zoals gewijzigd t/m P.B. 1980 nr. 65) aan de werknemer, indien hem een bedrijfsongeval overkomt, het recht op geneeskundige behandeling en verpleging zolang de gevolgen van het ongeval dit noodzakelijk maken. Deze behandeling omvat ook zo nodig het verstrekken van kunstmiddelen en het onderricht in het gebruik hiervan. Daarnaast heeft hij recht op een uitkering in geld genaamd ongevallengeld. Bij gehele arbeidsongeschiktheid bedraagt het ongevallengeld per dag gedurende de eerste 52 weken:

  • 100% van het dagloon voor gehuwden of ongehuwden tevens kostwinner,
  • 100% van het dagloon voor ongehuwden/niet kostwinner en
  • 70% van het dagloon wanneer deze categorie in een ziekeninrichting is opgenomen.

Voor verdere duur bedraagt bij gehele arbeidsongeschiktheid het ongevallengeld per dag:

  • 80% van het dagloon voor gehuwden of ongehuwden tevens kostwinner,
  • 80% van het dagloon voor ongehuwden / niet kostwinner en
  • 60% van het dagloon wanneer deze categorie in een ziekeninrichting is opgenomen.

Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bedraagt het ongevallengeld per dag een in evenredige verhouding tot het percentage van de arbeidsongeschiktheid staand deel van de genoemde uitkeringen. Ook de nagelaten betrekkingen van de tengevolge van een bedrijfsongeval overleden werknemer hebben recht op een uitkering in geld variërende van 15 tot 30% met dien verstande dat de uitkering aan alle nagelaten betrekkingen tezamen niet meer dan 60% van het dagloon bedraagt. Voorts hebben de nagelaten betrekkingen als tegemoetkoming in de begrafeniskosten recht op een uitkering ineens van NAf 1.000,-. Het maximumloon waarover premie moet worden betaald en uitkering wordt verstrekt bedroeg per 1 januari 1983 NAf 80,- per dag bij een zesdaagse werkweek en NAf 96,- per dag bij een vijfdaagse werkweek. Dit komt neer op een premie loongrens per maand van NAf 2.080,- en per jaar van NAf 24.960,-. Over het meerdere inkomen wordt geen premie betaald en geen uitkering verstrekt. De te heffen premiepercentages zijn afhankelijk van de gevarenklasse waarin de werkzaamheden zijn geclassificeerd en variëren van 0,5 tot 5%.
De uitvoering van deze verplichte werknemersverzekering is opgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.), die een daartoe ingesteld
Ongevallenfonds beheert. De hiervoor te betalen premie komt geheel ten laste van de werkgever. De aanslagen hiertoe worden door de S.V.B. zelf opgelegd.

 

Verplichte Ziekteverzekering
Deze verzekering geeft krachtens de Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966 nr. 15) aan de werknemer, wanneer hij ziek wordt, het recht op geneeskundige behandeling en op een uitkering in geld, genaamd ziekengeld. Ongeacht het voortduren van het dienstverband heeft de werknemer recht op geneeskundige behandeling en verpleging voor een periode van ten hoogste twee jaar terzake eenzelfde ziekteoorzaak. Zwangerschap en bevalling van de vrouwelijke werknemer wordt in het kader van deze verzekering gelijk gesteld aan ziekte. Ingeval van zwangerschap wordt de vrouwelijke werknemer geacht arbeidsongeschikt te zijn gedurende 30 dagen vóór en 30 dagen na de vermoedelijke datum van de bevalling. Het ziekengeld bedraagt per dag:

  • 80% van het dagloon voor gehuwden of ongehuwden tevens kostwinner,
  • 70% van het dagloon voor ongehuwden / niet kostwinner en
  • 50% van het dagloon indien deze laatste categorie in een ziekeninrichting is opgenomen.

Hierbij wordt de gehuwde vrouwelijke werknemer die geen kostwinner is als ongehuwd aangemerkt. Het maximumloon waarover premie moet worden betaald en uitkering wordt verstrekt, bedroeg per 1 januari 1983 NAf 80,- per dag bij een zesdaagse werkweek en NAf 96,- per dag bij een vijfdaagse werkweek. Dit komt neer op een premie loongrens per maand van NAf 2.080,- en per jaar van NAf 24.960,-. Deze loongrens geldt ook voor de bepaling van de kring der verzekerden. Werknemers met een hoger inkomen dan NAf 24.960,- per jaar vallen buiten deze verzekering. Het premiepercentage bedraagt 7% van het loon en komt geheel ten laste van de werkgever. De uitvoering van deze verplichte werknemersverzekering is opgedragen aan de S.V.B. die een daartoe ingesteld fonds beheert. De premieaanslagen worden door de S.V.B. zelf opgelegd.

 

Cessantía-uitkering
Wanneer de dienstbetrekking van een werknemer buiten zijn schuld eindigt, heeft hij recht op een eenmalige uitkering gebaseerd op het laatstgenoten loon. Deze cessantía-uitkering komt volledig ten laste van de werkgever en bedraagt in 1983:

 

  • - 1 x het weekloon per dienstjaar voor de eerste 10 volle dienstjaren,
  • - 1¼  x het weekloon per dienstjaar voor het 11de t/m 20ste dienstjaar en
  • - 2 x het weekloon per dienstjaar voor de daarop volgende dienstjaren.

Hierbij geldt een periode van meer dan zes maanden na het eerste dienstjaar als een vol dienstjaar. Ambtenaren en leerkrachten vallen niet onder deze regeling. Indien de werknemer bij beëindiging van zijn dienstbetrekking een pensioenuitkering ontvangt, heeft hij geen recht op cessantía-uitkering. Slechts in geval dat deze pensioenuitkering minder bedraagt dan het geldende wettelijke ouderdomspensioen of dat bij geheel of gedeeltelijke vermindering van de pensioenuitkering met het wettelijk ouderdomspensioen deze minder bedraagt dan 2 x het geldende wettelijke ouderdomspensioen, blijft het recht op cessantía-uitkering bestaan. Ook de nagelaten betrekkingen van een gewezen werknemer hebben recht op de cessantía-uitkering.

De wet op de cessantía werd in 1972 ingevoerd door aanvulling van art. 1615j van het Burgerlijk Wetboek. Daar in vele gevallen werkgevers in gebreke bleven bij de uitbetaling van de cessantía, werd de regeling in 1983 in een landsverordening (P.B. 1983 nr. 85) overgenomen waarbij, naast de verhoging van de uitkering, een waarborgfonds werd ingevoerd om het recht op cessantía van de werknemer te garanderen. Hiertoe dienen werkgevers een premiebijdrage te storten in een door de S.V.B. te beheren cessantíafonds. Indien de werkgever door omstandigheden niet bij machte is om aan zijn cessantía-verplichting te voldoen, heeft de werknemer recht op uitkering jegens de S.V.B. tot het vollIe bedrag van de cessantía. De gelden van het waarborgfonds worden zoveel mogelijk belegd in werkgelegenheidsbevorderende projecten. Werkgever en werknemer genieten bij de toepassing van deze regeling rechtsbescherming bij een College van Beroep.

Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.)
De administratie van de bij wijze van aanslag geheven premies voor bovenvermelde volksverzekeringen (A.O.V. en A.W.W.) en van de werknemersverzekeringen (Ongevallen- en Ziekteverzekering) berust bij de in 1960 opgerichte Sociale Verzekeringsbank (S.V.B.), die ook belast is met de uitvoering van de ouderdomsvoorziening (zie @: Sociale Voorzieningen: Armenzorg) en sinds 1983 met het beheer van het waarborgfonds ten behoeve van de cessantíuitkering (zie @: Sociale voorzieningen: Sociale verzekeringen). De S.V.B. heeft op Aruba, Bonaire, Curaçao en St. Maarten kantoren die belast zijn met de plaatselijke behartiging van de uit te voeren taken. Bij uittreding van Aruba uit het Antilliaans staatsverband per 1 januari 1986 zal de opzet van de S.V.B. gewijzigd worden. De tabel geeft een indruk van de omvang en de reikwijdte van elk fonds dat door de S.V.B. wordt beheerd.

Collectief geregelde pensioenverzekeringen
Pensioenen

Periodieke uitkeringen die worden uitbetaald op grond van betaalde premies of bijdragen. Men onderscheidt uitkering:

 

  • vanaf het bereiken van een bepaalde leeftijd (ouderdomspensioen);
  • bij invaliditeit die blijvende ongeschiktheid meebrengt om de normale beroepsarbeid te verrichten (invaliditeitspensioen);
  • aan de echtgenote van de pensioengerechtigde, na diens overlijden, dan wel aan diens kinderen (weduwen- en wezenpensioen).

Voor loon- en inkomstenbelasting geldt pensioen als loon. De pensioengerechtigde leeftijd is doorgaans 60 jaar. In de particuliere sector bedraagt het ouderdomspensioen inclusief de A.O.V.uitkering bij een volledig aantal dienstjaren (40) meestal 70% van het laatstgenoten loon.

Overheidspensioenen
De pensioenverordening
Burgerlijke Landsdienaren 1938 regelt de pensioenen van ambtenaren en hun nabestaanden. Leerkrachten bij het bijzonder onderwijs vallen ook onder deze regeling. Voor de pensionering wordt onderscheid gemaakt tussen de ambtenaren die in vaste dienst zijn benoemd voor 1 april 1963 en zij die na deze datum in vaste pensioengerechtigde dienst zijn getreden.
Bij de eerste categorie ontstaat het recht op pensioen:

  • bij het verlaten van de dienst bij een leeftijd van tenminste 50 jaren en een diensttijd van tenminste 20 jaren, waarvan ten minste 10 jaren in de Nederlandse Antillen vervuld moeten zijn;
  • bij het ontstaan van ongeschiktheid voor de dienst uit hoofde van ouderdom, of van ziels- of lichaamsziekte of gebreken;
  • bij vervalling van het wachtgeld, waarop zij zijn gesteld na opheffing van de door hen beklede betrekking of ten gevolge van een reorganisatie en nadat zij een diensttijd van ten minste 20 jaren hebben vervuld, waarvan dan ten minste 10 jaren in de Nederlandse Antillen moeten zijn doorgebracht;
  • bij het bereiken of overschrijden van de 50-jarige leeftijd, indien betrokkene na een diensttijd van ten minste 10 jaren in de Nederlandse Antillen al dan niet op eigen verzoek vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ontslagen is, mits hij bij het bereiken of overschrijden van de 50-jarige leeftijd een diensttijd van 20 jaren vervuld zou hebben zo hij regelmatig was blijven doordienen.

Voor degenen die na 1 april 1963 tot het fonds zijn toegetreden geldt in plaats van de 50-jarige, de 55-jarige leeftijd. Het ouderdomspensioen bedraagt: voor de eerste 20 dienstjaren 2,5% en voor de volgende 10 dienstjaren 1 2/3% van de gemiddelde pensioengrondslag over de laatste twee jaar. De weduwe van een ambtenaar heeft ook recht op pensioen; het weduwenpensioen bedraagt 5/8 van het pensioen waarop de ambtenaar recht zou hebben kunnen doen gelden. Recht op wezenpensioen bestaat voor de minderjarige wettige kinderen, bedragende 1/8 van het pensioen(recht) van de vader als de moeder weduwenpensioen heeft, anders 2/8 daarvan. De bijdragen voor de deelgenoten bedragen voor het eigen pensioen 5% en voor het weduwen- en wezenpensioen 3% van de pensioengrondslag. De aanvullende bijdragen van de werkgever zijn vastgesteld op 26% van de pensioengrondslagen. Indien de bijdragen in enige periode niet toereikend mochten blijken, waardoor de Balans een tekort gaat vertonen, dient de werkgever dit tekort in een periode van uiterlijk 10 jaar aan te zuiveren.

Pensioenfonds
Het Pensioenfonds is een instelling die ten doel heeft de in een fonds bijeengebrachte gelden aan te wenden tot verzekering van pensioen voor degenen die als uitkeringsgerechtigde onder het fonds zijn gebracht. Naast de overheidsfondsen ingesteld voor landsdienaren en werklieden (Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen - A.P.N.A.) zijn er in de particuliere sector 13 pensioenfondsen werkzaam. Gezien de steeds groeiende belangstelling voor pensionering en het oprichten van pensioenfondsen kan spoedig de invoering van een wettelijke regeling van deze materie worden verwacht, waarin regels gesteld zullen worden voor pensioenvoorzieningen wanneer deze door een werkgever aan werknemers zijn toegezegd. Het A.P.N.A. telt 7.400 actieve deelgenoten en haar vermogen bedroeg per eind 1983 ruim NAf 300.000.000,-.

 

@: Sociale werkplaatsen
De eilandsoverheid houdt door middel van haar
Dienst voor Arbeidszorg een aantal sociale werkplaatsen in stand waar minder valide arbeidskrachten te werk kunnen worden gesteld. Deze sociale werkplaatsen voorzien in een behoefte door het bieden van beschutte werkgelegenheid waarbij enerzijds voldoende rekening gehouden wordt met de handicaps van de minder valide mens en anderzijds deze categorie arbeidskrachten in staat gesteld wordt om zinvolle arbeid te verrichten. In deze beschutte werkplaatsen vinden de volgende werkzaamheden plaats: houtbewerking, vlechtwerk, leerbewerking, potten bakken, leerlooierij en het kweken van planten. De produkten van de werkplaatsen worden zowel lokaal als aan bezoekende toeristen verkocht. De opbrengsten komen ten goede aan de instandhouding van de voorziening.

 

@: Sociedad Bolivariana
Vereniging met het oogmerk de nagedachtenis van
Simon Bolívar, de bevrijder van vijf Zuid-Amerikaanse landen, in ere te houden door verspreiding van kennis en inzicht ten aanzien van zijn leven, ideeën en idealen. In 1842 te Caracas als a-politieke instelling opgericht; later in de zogenaamde Bolivariaanse landen en/of Spaanstalige naties soortgelijke (onder Caracas ressorterende) organisaties. Sinds 1937 hebben Aruba en Curaçao een Sociedad Bolivariana, waarbij de namen van Jorge (Oy) de Castro en Alfred (Fe) Donker niet onvermeld mogen blijven.

 

@: Sociedad di Periodistanan di Corsow (Sopec)
zie @: Persvereniging.

 

@: Sociéteit de Gezelligheid
vaak ook
Club de Gezelligheid genoemd, opgericht in 1871 op Curaçao met als doel de bevordering van het onderling gezellig verkeer. De eerste voorzitter was G.A.L. Ferguson, de eerste ere-voorzitter Gouverneur H. Wagner. Het eerste gebouw, door de sociëteit betrokken, bevond zich op het Wilhelminaplein. In 1879 verhuisde de sociëteit naar het Penha-gebouw aan de Handelskade, hoek Breedestraat, waar haar aantrekkelijkheid in bijzondere mate werd bevorderd door het prachtige uitzicht op de haven en het verkeer daar. In 1957 had de verhuizing plaats naar Pietermaaiweg 17. De Club is thans gevestigd te Scharlooweg 75. 


 
@: Socurna
Afkorting van
Stichting Sociaal-Culturele Raad van de Nederlandse Antillen, werd op 21 februari 1976 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van het culturele leven in de Nederlandse Antillen. De stichting streeft dit doel na door het ontwikkelen van culturele beleidsplannen in samenwerking met de regering van de Nederlandse Antillen, de besturen van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen en (sociaal-) culturele organisaties in de Nederlandse Antillen. Voorts worden op verzoek of eigener beweging adviezen uitgebracht aan de overheden van het land en de eilanden. Ook wordt samengewerkt met organisaties met gelijk of aanverwant doel in de Nederlandse Antillen, de regio en Nederland.
Socurna wordt bestuurd door een raad, waarvan de leden deels worden benoemd door de culturele centra van de Nederlandse Antillen, deels door de overheid.

 

@: Soldachi
zie @: Heremietkrabben.

 

@: Solfataren
Laat- of postvulkanische bronnen van zwavelhoudende gassen. De zwavel- en gipsafzettingen van Saba (o.a. Behind the Ridge) zijn ontstaan door reactie tussen solfataren en andesietische agglomeraten; de gipsafzetting van White Wall, St.-Eustatius, is produkt van reactie tussen solfataren en kalksteen (zie @: Geologie).

 

@: Soltuna
zie @: Land- en tuinbouw.

 

@: Somatisch normbeeld
is het geheel van de lichamelijke kenmerken die door de leden van een groep als norm en ideaal worden aanvaard. Het is een sociaal bepaald beeld dat als esthetische norm en ideaal geldt. Door de dominante sociale positie van de blanke in de oude slavenmaatschappij is het somatisch normbeeld van de blanke als algemene norm gaan gelden. Gedurende de jarenlange sociale onderschikking, toen de blanke en zijn cultuur toonaangevend waren, zijn de lager geplaatste negroide groepen de somatische kenmerken van de blanke als superieur gaan beschouwen en hebben zij de normen van deze groep, van wat somatisch ‘mooi’ en ‘lelijk’ is, overgenomen.
Het verschijnsel doet zich daardoor voor dat bij vele niet-blanken op de eilanden van de Nederlandse Antillen, zoals ook elders in het Caribisch gebied, iemand mooier wordt gevonden naarmate hij een rechtere neus, sluiker haar, dunnere lippen en een lichtere huidskleur heeft. Sluik haar wordt dan ook ‘goed haar’ genoemd.
Lit.: H. Hoetink, De gespleten samenleving in het Caribisch gebied (1962).

 

@: Sorghum
(Sorghum bicolor) of
wild corn is van nature zeer droogte resistent en wordt in alle semi-aride gebieden geteeld. Door spontane kruisingen heeft zich, mede dank zij de geografische isolatie, in de Nederlandse Antillen een zaadvast sorghum-landras of variëteit ontwikkeld met lange stengels, lange groeiduur, rechtopstaande gedrongen aren, lage korrelopbrengst en hoge opbrengst aan stengels en bladeren. Tot voor kort leverde deze ‘kleine maïs' of maï(n)shi chikitu het sorghummeel voor de funchi, het basisvoedsel op de Benedenwindse Eilanden; met het stijgen van de welvaart is men steeds meer overgegaan op het dure geïmporteerde ontvette maïsmeel. Tegen het einde van de droge tijd (augustus/september) wordt de grond geploegd, zodat bij het invallen van de regens (september/december) de sorghum kan worden uitgezaaid. Op de kleine grondjes maakt men met de hak (chapi of hoe) plantgaten, waarin enige korrels worden gestrooid. Omstreeks maart/april oogst men de aren (tapushi) met een speciaal oogstmesje. Een gemiddelde goede korrelopbrengst bedraagt ca. 1.500 kg/ha. De korrels worden in grote flessen bewaard, terwijl de bebladerde stengels (palu di maï(n)shi) in schelven worden opgetast (monton) als veevoer. Op Aruba verbouwt men een speciaal vroegrijpende variëteit, de maïshi di rabo of maïshi di siete siman, die soms twee oogsten per seizoen geeft. Na 2 jaar sorghumbouw laat men het veld 1 of 2 jaar braak liggen, hetgeen een aangepaste wijze van dryfarming is. De sorghum-opslag (maloa) wordt door het vee afgegraasd.

 

@: Soroptimist International Club Curaçao
zie @: Serviceclubs.


 
@: Sòrsaka
(1) (Annona muricata) of
soursop, zuurzak, plantesoort uit de familie der Annonaceae. Boompje of heester met grote, glimmende bladeren; vrucht donkergroen, bezet met weke stekels. Vrucht eetbaar. Vruchtvlees wit, enigszins zuur, smakelijk. Tafelvrucht, maar ook voor bereiding van dranken, jam, e.d. Op Benedenwindse Eilanden alleen gekweekt, op Bovenwindse Eilanden ook in het wild waargenomen;
(2) Plantage, zie @: Zuurzak.

 

@: Sosiëdat di historia di Curaçao
Opgericht 12 januari 1979. De vereniging heeft ten doel de belangstelling voor en de kennis van de geschiedenis van Curaçao te bevorderen en waardering voor die geschiedenis te kweken en te. vergroten.

 

@: Soto
Nederzetting in het noordwestelijk deel van Curaçao.

 

@: Soublette, Robert
(Curaçao 1846-?) fotograaf, vestigde zich omstreeks 1870 op Curaçao, waar hij met veel succes een studio oprichtte, eerst gevestigd in de Herenstraat, later aan de waterkant van het huidige Brionplein. Zijn succes was mede te danken aan zijn associatie met de bekwame retoucheur Figueroa. Soublette heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten aan portretten en landschapsfoto’s, de laatste voornamelijk van Willemstad. Het
Curaçaosch Museum en het Centraal Historisch Archief bezitten albums van deze historisch belangwekkende foto’s. De kwaliteit van zijn werk bracht hem tot Hofleverancierschap. De studio Fotografía Soublette werd na de dood van Robert tot in de 20ste eeuw gehandhaafd door zijn zoon Tito.

 

@: Souchi
Een 5-tal soorten zwaluwen wordt regelmatig als trekvogel in de Nederlandse Antillen waargenomen, 4 soorten uit Noord-Amerika en 1 uit Zuid-Amerika. Het talrijkst is de Amerikaanse
boerenzwaluw (Hirundo rustica), glanzend blauwzwart met roestbruine keel en witte vlekjes bij de staartpunten. Rusteloos en snel vliegen ze heen en terug, vrij dicht bij de grond en over het water, op jacht naar vliegende kleine insekten. Regelmatig broedt op de Bovenwindse Eilanden de gale bird (Progne dominicensis), een echt Caribische soort.

 

@: Spaans
is één van de belangrijkste talen op de Benedenwindse Eilanden, als gevolg van de nabijheid van Spaanssprekende gebieden waarmee commerciële en culturele banden bestaan. Ten opzichte van het Nederlands en het Engels is de betekenis van het Spaans voor de Antilliaanse maatschappij in de loop der tijden wisselend geweest. Tot aan de Eerste Wereldoorlog waren er scholen op Curaçao die het Spaans als voertaal hadden (
Sint Thomascollege; meisjespensionaat Welgelegen). Ook in de literaire produktie was het Spaans een belangrijke taal. Met de komst van de olie-industrie begon de invloed van het Nederlands sterk toe te nemen, evenals die van het Engels. Deze laatste invloed was op Aruba, met een Amerikaanse olie-industrie, uiteraard bijzonder sterk. Ook de met het voorgaande in verband te brengen uitbreiding van het onderwijs leidde er toe dat het Spaans relatief gezien een stap achteruit moest doen. Maar de opkomst van de televisie heeft deze taal nieuwe mogelijkheden geboden; niet alleen vertonen de Antilliaanse stations veel Spaanstalige televisieseries, ook de programma’s van de Venezolaanse televisie, waarvan de uitzendingen het gebied van de Benedenwindse Eilanden bestrijken, hebben een aanzienlijke kijkdichtheid, waardoor de betekenis van het Spaans weer is toegenomen.

Tot in een recent verleden wilde de traditie dat in toespraken, redevoeringen en annonces bij plechtige gelegenheden (huwelijk, begrafenis, jubileum, herdenking) het Spaans als voertaal werd gebruikt. Op dit gebied moest het echter hoe langer hoe meer wijken voor het Papiamentu.
Het Spaans wordt reeds op de lagere school onderwezen als verplicht leervak.

 

@: Spaans Lagoen
langwerpige smalle inham in de zuidkust van Aruba, ongeveer halverwege het eiland. Het geeft toegang tot een voor het grootste deel opgevuld handvormig erosiebekken en is dicht begroeid met mangroven. De waterfabriek van het eiland is er gevestigd.

 

@: Spaanse Juffer
zie @: Cactussen.

 

@: Spaanse Water
Grote handvormige binnenbaai aan de zuidkust van Curaçao, in het zuidoostelijk deel van het eiland. De verbinding met de zee wordt gevormd door de smalle
Spaanse Baai waar de bekende Barbara Beach - het meest bezochte strand van Curaçao - ligt. De naam van deze wateren vloeit waarschijnlijk voort uit het feit dat hier vóór 1634 een Spaanse nederzetting lag. Het Spaanse Water is bekend als luxe watersportcentrum. In de afgelopen decennia ontwikkelde zich hier een woon- en recreatiebuurt voor de elite.

 

@: Spaar- en Beleenbank van Curaçao N.V.
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Speervisserij
zie @: Visserijmethoden; @: Parken.

 

@: Spelling
zie @: Papiamentu: vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden; standaardisatie en instrumentalisatie; spellingkwestie.

De spellingen die in de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw voor het Papiamentu werden gebruikt, waren ofwel gebaseerd op de taal waar de schrijver het meest mee vertrouwd was (Nederlands of Spaans) of op etymologische overwegingen. Sindsdien zijn echter verschillende spellingen voorgesteld die op fonologische analyse van het klanksysteem van het Papiamentu berusten. Het eiland Curaçao heeft besloten een enigszins aangepaste Spelling Römer-Maduro-Jonis (welke spelling een door twee opeenvolgende commissies vrij ingrijpend gewijzigde Spelling Römer is) in te voeren. Het eiland Aruba heeft gekozen voor een op de etymologie gebaseerde spelling (zie Papiamentu: Lit.: spelling).

 

@: Spellingkwestie
De schrijfwijze of spelling van een taal kan men beschouwen als het resultaat van een overeenkomst tussen de gebruikers van die taal: men besluit een uniforme spelling te hanteren, zodat het gemak waarmee de communicatie via het schrift plaatsvindt zo dicht mogelijk dat van de verbale communicatie benadert. Om dit doel te bereiken moet in ieder geval aan twee voorwaarden worden voldaan:

  • alle gebruikers van de taal moeten zich bij de overeenkomst aansluiten, waarbij de centrale overheid uiteraard een belangrijke rol vervult;
  • het tekensysteem (letters, leestekens, lettergreepindeling, woordgrensaanduidende spaties) van de te gebruiken spelling moet zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met het systeem van de gesproken taal, zodat het aanleren van de spelling door de sprekers zo weinig mogelijk moeilijkheden zal opleveren.

(Met ‘sprekers’ wordt hier bedoeld: degenen van wie de te schrijven taal de moedertaal is).

Bovenstaande punten beschouwend is men geneigd te denken dat eigenlijk nauwelijks zoiets als een spellingstrijd of spellingkwestie kan ontstaan. Dat dit toch vaak het geval is, komt omdat zich bij beide punten omstandigheden kunnen voordoen - en voor het Papiamentu doen zij zich inderdaad voor - die het verwerkelijken van de ideale oplossing onmogelijk maken. Een spellingconsensus voor een taal waarin nog nooit geschreven communicatie heeft plaatsgevonden zal langs zakelijke lijnen bereikt kunnen worden; zodra er echter een spellinggeschiedenis bestaat voor de desbetreffende taal, wat niet alleen het geval is indien er al een officiële spelling in gebruik is (zoals bijvoorbeeld voor het Nederlands), maar ook als reeds enige tijd enkele meer of minder van elkaar verschillende niet-officiële schrijfwijzen naast elkaar bestaan (zoals bijvoorbeeld voor het Papiamentu), stuit iedere wijziging die men voorstelt c.q. ieder concept voor een officiële spelling, dat men indient, op bezwaren, die hoofdzakelijk van emotionele aard blijken te zijn. Het afstappen van het vertrouwde woordbeeld vindt niet bij iedereen zonder een min of meer hevige strijd plaats; en ook het zwaarwegende argument dat de voorgestelde spelling de nieuwkomers zonder vertrouwd woordbeeld, d.w.z. de komende generaties schoolgaande kinderen die nog moeten leren lezen en schrijven, een beter hanteerbaar instrument in handen geeft, slaagt er dan niet in de emotionele barriëre te doorbreken. In deze fase kan het zover komen dat men de spelling, die, zoals boven gezegd, niet meer is dan het resultaat van een overeenkomst, gaat beschouwen als een wezenlijk aspect van de taal, of als een identiteitskenmerk. Dit laatste kan slaan op de variant van de taal die men zelf gebruikt of idealiter gebruikt zou willen zien, op de sociale, culturele of etnische groepering waartoe men zich rekent, op de streek waar men van afkomstig is. Vaak zal een combinatie van genoemde punten ten grondslag liggen aan het standpunt dat men inneemt. Ook op de Benedenwindse Eilanden is dit het geval, hoewel het geografisch bepaalde uitgangspunt, in casu het eiland, in de huidige situatie het meest de aandacht trekt.

Ten aanzien van de tweede voorwaarde kan zich het probleem voordoen dat het geheel van schrijftekens waaruit gekozen kan worden om praktische redenen (aansluiting bij de rest van die wereld waarmee men hoofdzakelijk te maken heeft, wat voor de Antillen inhoudt: de ‘westerse’ wereld) beperkt moet blijven tot min of meer aangepaste vormen van een bestaand systeem (voor het Papiamentu: het zogenoemde Romeinse alfabet), ook als dit systeem onvoldoende geschikt gemaakt kan worden voor het weergeven van het klanksysteem van de te schrijven taal, zoals voor het Papiamentu het geval blijkt te zijn. Men tracht dan tot een compromis te komen en de keuze van het ‘beste compromis’ kan ook weer ‘strijd’ betekenen. Eén en ander is er oorzaak van dat ook voor het Papiamentu gesproken kan worden van een spellingkwestie (zie @: Papiamentu: standaardisatie en instrumentalisatie).


 
@: Spinnen
(Araneae) of
aralia hebben een kopborststuk dat voorzien is van een paar grijpers (cheliceren), die met een gifklier in verbinding staan. Het achterlijf draagt spintepels die een draad van spinzijde kunnen afscheiden. Een aantal soorten maakt met behulp hiervan webben, zoals de aralia pinda (Argyope argentata), waarvan het grote wijfje opvalt door het van boven zilverglanzende achterlijf. Het web van deze spin vertoont meestal vier duidelijke witte zigzagbanden. In spleten en gaten in de rotsen huist Filistata, die een zeer kleverig ‘wollig’ spinsel rondom zijn tunneltje vervaardigt. Daarentegen spinnen de springspinnen (fam. Salticidae), bijvoorbeeld polis di muskita en de nanzí, alleen een volgdraad, waaraan ze na het bespringen van hun prooi kunnen blijven hangen. Vele soorten omgeven hun eilegsel met een spinsel, dat soms zeer dicht, bijna papierachtig is. Merkwaardig is, dat sommige soorten jarenlang verdwenen lijken om dan in een bijzonder regenrijk jaar weer in flink aantal op te duiken, zoals Tetragnatha, die alleen op in water staande struiken gevonden wordt. Als nuttige soort, die kakkerlakken in huis vangt, valt de cockroach spider of mosquito spider (Heteropoda regia) te noemen, een vrij grote platte spin met lange poten, die enigszins aan een krab doet denken, en die enorme sprongen kan maken. De gevaarlijke oranjespin (Latrodectus curassavicus) is niet meer op Curaçao, wel een heel enkele maal nog op Aruba te vinden. De grottenspin of zweepspin (Phrynus of Tarantula), behorend tot een andere orde van spinachtigen, de scorpion spiders of Amblypygi, heeft zeer forse grijpende palpen en een paar zeer lange, zweepvormige voorste poten. Dit dier, dat er angstwekkend uitziet, maar geen gifklieren heeft, komt niet alleen in grotten voor, maar ook onder boomschors en soms in huizen.

 

@: Spiritu
Geest. Men onderscheidt
spiritu malu (boze geesten), spiritu di bibu (geestesverschijning van levende personen) en de spiritu die als voorbode komt om de dood van een persoon aan te kondigen. Het bijgeloof wil dat de geest van een persoon die op sterven ligt bij bekenden op bezoek gaat (bishita) (zie ook @: Zumbi).


 
@: S.P.M.
Zie @: Sint Maarten Patriotic Movement.

 

@: Sponsen
(Porifera) zijn dierlijke organismen, die meestal in kolonies groeien. Elk diertje heeft een lichaamswand met stevigheidsweefsel (spongine) en soms naaldjes van kalk of kiezelzuur (respectievelijk kalk- en kiezelsponsen). Vele sponssoorten trekken allerlei soorten organismen aan, zoals ééncellige algen, vele soorten wormen, slangsterren, slakken, garnalen, vissen enz., zodat het geheel een levensgemeenschap op zichzelf vormt.

 

@: Sport
Vrijwel alle takken van sport worden in de Nederlandse Antillen beoefend. Het hoogste orgaan is het
Nederlands-Antilliaans Olympisch Comité (N.A.O.C.) - opgericht 23 maart 1931 - dat zijn werkzaamheden beperkt tot het bevorderen en beschermen van de Olympische beweging en van de amateursport conform de bepalingen van het Internationaal Olympisch Comité. Bij de N.A.O.C. zijn twaalf sportbonden aangesloten; zeker veertien andere sporten worden buiten Olympisch verband beoefend. Zowel op Aruba als op Curaçao bestaat een overkoepelend orgaan voor de sport: de Aruba Sport Unie (A.S.U.) en de Curaçaosche Sport Federatie (C.S.F.). Deze organen worden door de overheid gesubsidieerd. Voor elke tak van sport waarvoor een internationale federatie bestaat, zijn ook nationale bonden zoals bijvoorbeeld de Nederlands - Antilliaanse Voetbal Unie (N.A.V.U.). Bij de N.A.V.U. zijn aangesloten 36 verenigingen van Aruba, 6 van Bonaire en 36 van Curaçao met een totaal van 4.500 actieve leden. Eens per jaar wordt een competitie uitgeschreven voor het kampioenschap van de Nederlandse Antillen.

Rond de jaren 1946-1970 was de voetbalsport de meest beoefende sport. Hoewel een Antilliaans elftal heeft deelgenomen aan verschillende Olympische Spelen en Wereldkampioenschappen spreekt de overwinning in 1946 van het Curaçaosch elftal op Feyenoord (4-0) nog steeds tot de verbeelding omdat men er in het Rifstadion getuige van heeft kunnen zijn. Dank zij een financiële garantie van Mordy S.L. Maduro, die later Bondsridder van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (K.N.V.B.) en bestuurslid van de F.I.F.A. is geweest, heeft Curaçao kennis kunnen maken met vermaarde spelers als Arie de Vroet en Bas Paauwe, die in de legendarische doelverdediger Ergilio Hato (in de volksmond toen nog Orilio Hato) een onoverkomelijke barriëre vonden. Sedert 1974 bestaat een federatie van semi-profvoetballers waarbij 8 eerste en 7 tweede-divisieclubs zijn aangesloten: Fedeprof.

Honkbal heeft thans de voetbalsport volkomen overvleugeld: bij een goede wedstrijd kan men op Curaçao rekenen op 6.000 toeschouwers. Ook op Aruba en op St. Maarten is deze sport bijzonder populair.

Naast deze sporten trekken vooral softball en volleyball de meeste beoefenaars; de internationale successen hebben ongetwijfeld tot de popularisering ervan bijgedragen: in 1971 behaalde het damesteam het kampioenschap softball bij de Centraal-Amerikaanse en Caribische Spelen op Puerto Rico en in 1976 in El Salvador terwijl het volleyballteam (heren) bij dezelfde spelen in 1970 in Panama op een vierde plaats beslag wist te leggen en de speler Errol Rooi de Nederlandse selectie heeft gehaald. Toch is het gewichtheffen de tak van sport, die door de jaren heen de meeste internationale successen heeft behaald met als hoogtepunt een wereldrecord in 1963 te Sao Paulo waar Jose Antonio Flores in het onderdeel drukken 162½ kilo op zijn naam bracht.

De Nederlands-Antilliaanse Amateur Schermbond (N.A.A.S.B.) - opgericht 12 juli 1950 - heeft steeds met succes een delegatie kunnen afvaardigen naar de Centraal-Amerikaanse en Caribische Spelen. De naam Jan Boutmy mag zeker apart vermeld worden evenals die van Harry da Silva. In Olympisch verband worden nog beoefend hockey, lawn-tennis en zwemmen terwijl de laatste tijd vooral basketball, judo, schieten, badminton, karate en tafeltennis zich in een toenemende belangstelling kunnen verheugen.

Onder beschermheerschap van Z.K.H. Prins Claus is in 1965 de Stichting Koninklijke Sportliga opgericht met het doel het bevorderen van de contacten tussen de rijksdelen en het stimuleren van de sportprestaties. Ter verwezenlijking hiervan worden Koninkrijksspelen georganiseerd - bij toerbeurt in Nederland en in de Antillen - waarbij wordt gestreefd naar een hechtere samenwerking tussen de diverse sportorganisaties binnen het Koninkrijk. Evenzo wordt hierbij aandacht besteed aan de opleiding van oefenmeesters en geijverd voor goede sportaccommodaties. Vooral het gebrek aan deze laatste remt de ontwikkeling in vele takken van sport in het land. Aruba heeft de beschikking over twee verlichte stadions, een stadion zonder verlichting en een sportcentrum. Curaçao heeft naast het verlichte stadion van de voetbalvereniging Sport Unie Brion Trappers (S.U.B.T.) en het Rifstadion sedert 1981 een modern Sentro Deportivo Korsou (S.D.K.) dat aan verschillende sporten accommodatie verleent.

Lijst van Antilliaanse sportbonden:

 

  • Nederlands Antilliaanse Atletiek Bond
  • Nederlands Antilliaanse Baseball Bond
  • Nederlands Antilliaanse Bodybuilding Bond
  • Nederlands Antilliaanse Amateur Boksbond
  • Nederlands Antilliaanse Gewichthef Bond
  • Nederlands Antilliaanse Hockey Bond
  • Nederlands Antilliaanse Judo Federatie
  • Nederlands Antilliaanse Amateur Schermbond (N.A.A.S.B.)
  • Schietbond Nederlandse Antillen
  • Nederlands Antilliaanse Softball Federatie
  • Nederlands Antilliaanse Lawn Tennis Bond
  • Nederlands Antilliaanse Voetbal Unie (N.A.V.U.)
  • Nederlands Antilliaanse Volleybal Bond (Navobo)
  • Nederlands Antilliaanse Zwembond


Lit.: L.F. van Putten, Vrijetijdsbesteding en Sportbeoefening. in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977).

 

@: Sportvisserij
is niet primair gericht op inkomsten in de vorm van voedsel of geld, maar het sportieve of ontspannende element staat op de voorgrond, hoewel de vangst vaak verhandeld wordt. Twee activiteiten zijn in de Nederlandse Antillen duidelijk te onderscheiden:
1. sleeplijnvisserij (Eng.
trolling) op grote pelagische roofvissen zaols dradu, mula, balaú en buni. Meestal wordt hiertoe aan boord van sportvissersjachten gebruik gemaakt van zware werphengels;
2. speervisserij, beoefend door honderden onderwatergeweer-bezitters in ondiep helder water langs de kusten (zie ook @: Visserijmethoden).

 

@: Sportvliegen
De oudste vereniging ter beoefening van het sportvliegen, opgericht in 1936 door
K.L.M.-vliegers en employés van de toenmalige Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) - is Aeroclub Curaçao. Curaçao kent thans ook Aeroclub Escuela Caribe. Ook op Aruba, Bonaire en St. Maarten wordt het sportvliegen beoefend.

 

@: Spreekwoorden
Uit de tot nu toe gepubliceerde verzamelingen blijkt dat het
Papiamentu zeker niet arm aan spreekwoorden genoemd kan worden. In hoeverre naast de eigen scheppingen binnen het Papiamentu ook ontleningen aan andere talen zijn aan te treffen, kan niet met voldoende zekerheid worden aangegeven. Voor de Indo-europese talen die het meest in aanmerking komen, in casu het Portugees, het Spaans en het Nederlands, is dit veelal niet moeilijk na te gaan, maar voor eventuele invloeden van Afrikaanse (en misschien ook Indiaanse oorsprong) moet nog veel onderzoek worden verricht. Bovendien kan men niet in alle gevallen het voorkomen van gelijke of nagenoeg gelijke spreekwoorden als een bewijs van ontlening beschouwen. Dat in de Papiamentse spreekwoorden vaak dieren (en in mindere mate ook planten) een rol spelen is een verschijnsel dat ook in het Nederlands en andere Indo-europese talen voorkomt. Wel valt op dat spreekwoorden soms worden ingeleid met de formule: ‘Dier X zegt: ... ‘. Voorbeeld: Kabritu di, p’e subi seru pa kachó kom’é, mihó tene na kurá (De geit zegt: de heuvel opklimmen opdat de hond hem op kan vreten, dan kunnen ze hem beter binnen de omheining opgesloten houden - beter blô Jan dan dô Jan).

Literatuur

  • P. Brenneker, Proverbio (1963);
  • P. Cohen Henriquez en D.C. Hesseling, Papiamentse en Negerengelse spreekwoorden, West-Indische Gids jrg. 17 (1935);
  • Idem, Nog enige Papiamentse spreekwoorden, West-Indische Gids jrg. 18 (1936);
  • P. Hoefnagels en W. Hoogenbergen, Antilliaans spreekwoordenboek (1980);
  • A.J. Maduro, Un coto di dicho, refran, proverbio i expresionnan Papiamentu i nan nificacion na Ulandes (1959);
  • Idem, Loque a sobra den e macutu di dicho, refran, proverbio, frase i palabranan di nos lenga i nan nificacion na Ulandes (1960);
  • Idem, Proverbio-, refran-, dicho- i expreshonnan Papiamentu i nan nificashon na Ulandes (1967, “2”1969);
  • N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, “2”1977).

 

@: Sprinkhanen
dalakochi of tirakochi, behoren tot de rechtvleugelige insekten (Orthoptera). Tot de kortsprietige veldsprinkhanen (Acrididae) behoort de grote bruingrijze Schistocerca lineata, waarvan het wijfje een lengte van 7cm bereikt. Ze vliegen ‘s avonds vaak door het open raam naar binnen en botsen met een harde klap tegen de muren of de lamp. Er zijn verder op grazige plaatsen verscheidene kleinere soorten te vinden. Onder de langsprietige bladsprinkhanen of katydids (Tettigoniidae) is in huis Microcentrum cribrosum een bekende verschijning. Het mannetje maakt een kenmerkend zzt-tik zzt-tik geluid. Bijzonder schadelijk voor planten is een kortvleugelige soort met een groene kop en een rode stip tussen de sprieten, behorende tot de groep Pseudophyllinae. Overdag zitten ze weggekropen tussen bladscheden of in spleten en gaten; ze kunnen pijnlijk bijten.

 

 

@: Sprockel, John Horris
(Curaçao 9 augustus 1892 - 8 april 1970) ontving zijn opleiding aan de
RK-Kweekschool te ‘s-Hertogenbosch. In zijn loopbaan is hij jarenlang hoofd geweest van de Hendrikschool (openbare school voor Mulo) op Curaçao. Daarnaast was hij lid van de Koloniale Raad en later lid (Katholieke Volks Partij) en voorzitter van de Staten. Als lid van de Regeringsraad (Minister van Onderwijs) heeft hij zich beijverd om het onderwijs op de Nederlandse Antillen te moderniseren. Hij was mede-oprichter van de RK-Volksbond en van de Ambachtsschool. In 1945 nam hij als volwaardige afgevaardigde in de Nederlandse delegatie in San Francisco deel aan de oprichting van de Verenigde Naties; in 1952 lid van de Ronde Tafel Conferentie. Zijn sociale bewogenheid bracht hem ook midden in het vakbondswezen waar hij evenals op school en in de politiek opviel door zijn rechtlijnig karakter en principiele houding. 


 
@: Squirrelfishes
(familie Holocentridae) omvatten 8 Caribische soorten, die op de Benedenwinden veelal met de naam
kandèlhi worden aangeduid, uitgezonderd de gewoonste soort, wowo di boya (Myripristis jacobus). De squirrels vallen tussen de riffen op door hun rode kleur en hun grote ogen, die hen als dieren van de schemering kenmerken.

 

@: Staatsblad
is de naam van het in 1813 ingestelde
officiële orgaan van Nederland (Stbl. 1914 nr. 1), waarin de afkondiging plaats heeft van de in Nederland vastgestelde wettelijke regelingen van het Koninkrijk en van het land: Rijkswetten, wetten, algemene maatregelen van rijksbestuur, algemene maatregelen van bestuur. Het verschijnt niet op vaste tijden, maar steeds als een afkondiging moet plaatshebben. Voor de afkondiging van internationale overeenkomsten zie @: Tractatenblad.

 

 

@: Staatsregeling van de Nederlandse Antillen
is de wettelijke regeling, waarin de
staatsinrichting van de Nederlandse Antillen is neergelegd. Vóór de totstandkoming van het Statuut droeg die regeling tot 1936 de naam van Regeringsreglement, daarna van Staatsregeling en in 1950 van Interim regeling voor de Nederlandse Antillen. Die regelingen waren in Nederland vastgesteld, vóór 1865 door de Koning, in dat jaar voor het eerst met medewerking van de Staten-Generaal bij wet (Stbl. 1865 nr. 56, P.B. 1865 nr. 18) (zie Bestuursregeling). Deze wet is vele malen gewijzigd. De totstandkoming van vijf herzieningen is in 1914 door H.W.C.Bordewijk beschreven in zijn in 1914 verschenen werk Handelingen over de reglementen op het beleid der regering in de koloniën Suriname en Curaçao. Zeven sindsdien plaatsgehad hebbende herzieningen zijn beknopt en de achtste zeer uitvoerig behandeld door W.H. van Helsdingen in zijn commentaar De staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955. Heel belangrijk was de herziening van 1936, noodzakelijk geworden na de grondwetsherziening van 1922. Bij deze grondwetsherziening werd onderscheid gemaakt tussen wetgeving en bestuur, zodat onder het opperbestuur van de Kroon niet langer de wetgeving begrepen was. De regeling van inwendige aangelegenheden werd overgelaten aan Curaçaosche organen, tenzij de regeling van bepaalde onderwerpen aan de Koning is voorbehouden. De Nederlandse wetgever kreeg de bevoegdheid verordeningen te vernietigen op grond van strijdigheid met de Grondwet, met de wet of met het algemeen belang. Naast de gedetailleerde regeling van deze wijzigingen bracht de Staatsregeling van 1936 nog op enige andere punten grotere autonomie. Veel bevrediging gaf de wijziging niet. Ten gevolge van het vooral in de oorlogsjaren snel gegroeide verlangen naar meer zelfstandigheid, kwam in mei 1948 een herziening tot stand, welke ten doel had om zo volledig als binnen het raam van de bestaande Grondwet mogelijk was, de verantwoordelijkheid over te dragen aan organen van de Nederlandse Antillen. De voornaamste wijzigingen waren:

  • de instelling van een College van Algemeen Bestuur,
  • afschaffing van de benoeming van statenleden, 
  • itbreiding van het kiesrecht en invoering van vrouwenkiesrecht, 
  • wijziging van de zetelverdeling en uitbreiding van het aantal zetels der Staten,
  • de bevoegdheid de begroting zelf vast te stelIen, 
  • de aanstelling van een vertegenwoordiger in Nederland.

Tegelijkertijd werd met voortvarendheid gewerkt aan de grondwetsherziening van september 1948, die bedoelde de weg vrij te maken voor verstrekkende hervormingen in de West. De voornaamste wijzigingen waren:

  • de naam van het land werd Nederlandse Antillen,
  • van de Grondwet zou mogen worden afgeweken bij een wet door beide kamers der Staten-Generaal (Eerste Kamer  en Tweede Kamer) aangenomen met twee derden der uitgebrachte stemmen.
  • De nieuwe rechtsorde in het Koninkrijk zou in gemeen overleg langs democratische weg tot stand komen.

Deze wijzigingen sloten aan bij het reeds gehouden overleg ter Ronde Tafel Conferentie. Ofschoon nu de weg voor een nieuwe rechtsorde met Suriname en de Nederlandse Antillen vrij leek te zijn, moest toch met de regeling van een driedelig Koninkrijk gewacht worden tot een oplossing was gevonden ten aanzien van de moeilijkheden met het toenmalige Nederlands-Indië (Indonesie), want zolang Nederlands-Indië deel uitmaakte van het Koninkrijk, bestond er een vierdelig Koninkrijk. Om nu zo spoedig mogelijk aan de wensen van Suriname en de Nederlandse Antillen tegemoet te komen, werd de Interimregeling van 1950 tot stand gebracht.

Inmiddels werden de beraadslagingen over het Statuut intensief voortgezet. Dit kwam tot stand op 29 december 1954. Daardoor werd opnieuw een wijziging van de Staatsregeling noodzakelijk. Dat werd de Staatsregeling van 1955. Sinds 29 maart 1955 heeft de Staatsregeling - ofschoon vastgesteld bij algemene maatregel van rijksbestuur - de status van een landsverordening, immers zij bevat regelingen in de autonome sfeer. De verbondenheid van de drie landen in één Koninkrijk bracht echter mee, dat redelijke zekerheid moest bestaan, dat het landsbestuur democratisch is ingericht en dat de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur worden verwezenlijkt. Te dien einde werden tweeëriei voorzieningen getroffen:

  • Vooreerst dienen de fundamentele elementen van de staatsinrichting niet buiten het Koninkrijk om te kunnen worden gewijzigd (zie @: Koninkrijksaangelegenheden).
  • In de tweede plaats bestaat de mogelijkheid van ingrijpen vanwege het Koninkrijk, indien in de landen (anno 2008 Nederland,  de Nederlandse Antillen en Aruba, in verband met de beëindiging van het Statuut voor Suriname per 25 november 1975 en de autonome status voor Aruba per 1 januari 1986), een toestand is ontstaan, welke in strijd is met bovenvermelde eisen (zie @: Nalatigheid).

In de artt. 41-51 van het Statuut zijn daartoe enige waarborgen geformuleerd.

  • Art. 42, 2de lid eist voor aanneming van een wijziging in de Staatsregeling een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen in de Staten.
  • Art. 44 noemt een 4-tal soorten van bepalingen, die niet kunnen worden gewijzigd, dan nadat de regering van het Koninkrijk haar instemming daarmee heeft betuigd. Dit artikel geeft ook de daarvoor geëigende procedure aan (art. 149 Staatsregeling is gelijkluidend).

De overgang van de Interimregeling van 1950 op de Staatsregeling van 1955 ging gepaard met een aanpassing aan het Statuut en de afscheiding van het Reglement voor de Gouverneur en van de Defensiewet, welke beide de status van wet hebben behouden en derhalve alleen bij Rijkswet kunnen worden gewijzigd. De overgangsbepaling van art. 59 Statuut bevat daarover de nodige voorschriften. De aanpassing moest binnen drie maanden na de inwerkingstelling van het Statuut tot stand komen. Na herhaald en intensief overleg met de Landsregeringen en met beide gevolmachtigde ministers is op de dag af binnen die termijn overeenstemming ter zake bereikt. De algemene maatregelen van rijksbestuur zijn met de desbetreffende nota’s van toelichting bekend gemaakt (Stbl. 1955 nr. 136-138, P.B. nr. 32-34). Wijzigingen van de Staatsregeling na 1955 zijn opgenomen in de navolgende publicatiebladen: P.B. 1956, no 114; P.B. 1966, no 197; P.B. 1973, mo 19 en 39; P.B. 1975, no 181; P.B. 1980, no 190; P.B. 1983, no 20 en 42.

Literatuur:

  • M.F. da Costa Gomez: De politiek van Nederland ten aanzien van de overzeesche staatsdeelen in verband met de nieuwe opvattingen over koloniale politiek (1945);
  • B. de Gaay Fortman: Schets van de politieke geschiedenis der Nederlandse Antillen in de twintigste eeuw (1947);
  • W.H. van Helsdingen: De staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955: historische toelichting en praktijk (1956);
  • A.M.A. Kasteel: De staatkundige ontwikkeling der Nederlandse Antillen (diss. 1956);
  • C.E. Dip: Enige beschouwingen rond artikel 2 van de Antilliaanse Staatsregeling, in: Antilliaans Juristenblad, derde kwartaal (1973);
  • idem, De ontbinding van de Staten (1975);
  • idem, Gouverneur en Minister in het Antilliaanse Staatsrecht, in: Lustrum van een Ideaal (1976);
  • idem, De Gouverneur als wetgever, in: Een decennium later (1982);

zie ook literatuur ten aanzien van @: Statuut.

 

@: Staking
zie @: Werkstaking.

 

@: Stapelia

Plantengeslacht uit de familie der Asclepiadaceae, met dikke, stervormige bloemkroon; meeldraden met aanhangsels, de helmknoppen onderling en met stempel verbonden; stuifmeelkorrels raken niet los maar blijven in klontjes bijeen (polliniën).

  • Aasbloem (Stapelia gigantea), vetplant zonder bladeren: stengels licht tot grijsgroen, met hoge, lichtgroene ribben die voorzien zijn van uitbochtingen die in een gelig stekeltje eindigen; tussen de ribben diepe sleuven; bloem aan de voet van de stengel, 25-40 cm in diameter, licht okergeel met paarse glans. Onaangename geur, door aasvliegen veel bezocht. Afkomstig uit Zuid-Afrika. Curaçao gekweekt.
  • African star (Stapelia variegata) met stomp 4-hoekig stammetje met kegelvormige, weke stekels op de ribben; bloemen 6 cm in diameter; tot 5 in getal aan voet van stengel; in het midden van de kroon een dikke gele ring met rode vlekjes; bloemkroonslippen groenig¬geel met bruinrode vlekken. Afkomstig uit Zuid-Afrika. Curaçao gekweekt.

 

@: Staten

Foto: Vergaderzaal van deStaten van de Nederlandse Antillen

Het vertegenwoordigend lichaam in de Nederlandse Antillen is samengesteld uit 22 leden en vertegenwoordigt het gehele volk van de Nederlandse Antillen (voor de voorgeschiedenis van het college zie @: Koloniale Raad). De samenstelling, bevoegdheden en werkwijze zijn geregeld in artt. 44-82 Staatsregeling; de leden worden rechtstreeks door de kiezers gekozen.

Vóór 1948 werd nog een aantal leden door de Gouverneur benoemd. In dat jaar werd - omdat vooral na de oorlog een grote rivaliteit tussen de eilanden Aruba en Curaçao (zie @: Zelfstandigheidsstreven) tot uiting was gekomen aan ieder van de eilanden de verkiezing van een bepaald aantal leden toegewezen: Aruba en Curaçao elk 8, Bonaire 2 en elk der 3 Bovenwindse Eilanden 1 (in totaal 21). Gehoopt werd de rivaliteit tussen beide landen te temperen door toewijzing van een gelijk aantal zetels aan Aruba en Curaçao, hoewel het aantal inwoners en de belangrijkheid van de eilanden zeer uiteenliepen. Toen dan ook de Eilandenregeling een grote zelfstandigheid aan die eilandgebieden gaf, kon daarmee een redelijker zetelverdeling voor de behandeling van de eilandszaken gepaard gaan: 8 voor Aruba, 12 voor Curaçao, 1 voor Bonaire en 1 voor het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden. Het kiesrecht (passief en actief) vindt regeling in artt. 45-51 en in het bij landsverordening vastgesteld kiesreglement. De Staten onderzoeken de geloofsbrieven der nieuw ingekomen leden (de bewijzen dat zij inderdaad gekozen zijn en aan de wettelijke vereisten voldoen, art. 58); zij leggen een eed af (art. 52). Bij landsverordening is de schadeloosstelling van de leden, alsmede de vergoeding voor reis- en verblijfkosten geregeld (art. 53). De leden hebben zitting gedurende vier jaren (art. 50), maar zijn bevoegd te allen tijde ontslag te nemen (art. 54).

Bij Landsverordening van 24 juli 1980 (P.B. 1980 nr. 190) werd de Staatsregeling aangevuld met een bepaling (art. 44a) op grond waarvan de afdelingen Saba, St. Eustatius en St. Maarten van het eilandgebied der Bovenwindse Eilanden (sedert 1 April 1983 heeft ieder van de drie eilanden een eigen eilandsraad) ieder al dan niet uit haar midden een woordvoerder aanwijst die door de Staten kan worden uitgenodigd een Statenvergadering bij te wonen. Hij heeft dan een raadgevende stem.

Vergaderingen

De vergaderingen worden in de regel in het openbaar gehouden (art. 60); zij zijn geldig als minstens de helft van het aantal leden aanwezig is. Een besluit wordt met volstrekte meerderheid van stemmen genomen (art. 62). De leden zijn voor hetgeen zij in een vergadering gezegd of schriftelijk overgelegd hebben niet gerechtelijk vervolgbaar, tenzij in geval van schending van geheimhouding (art. 64). Een besloten vergadering wordt gehouden als - nadat door de voorzitter eventueel op verzoek van vier leden de deuren zijn gesloten - met twee derden der uitgebrachte stemmen daartoe wordt besloten (art. 60). De Staten stellen hun reglement van orde vast, dat openbaar wordt gemaakt in het Publicatieblad (art. 59). De voorzitter en ondervoorzitter worden door de Gouverneur benoemd uit een voor ieder afzonderlijk door de Staten in te dienen voordracht van twee leden (art. 56). De Staten benoemen hun griffier; deze is geen lid van de Staten. Zijn positie, bezoldiging, enz. worden geregeld bij landsverordening (art. 57).

Bevoegdheden

De Staten oefenen gezamenlijk met de Gouverneur de wetgevende macht uit door regeling bij landsverordening (art. 67). In het door de Gouverneur ter goedkeuring aan de Staten aangeboden ontwerp mogen de Staten wijzigingen aanbrengen (art. 74). Als de Gouverneur zich niet verenigt met de gewijzigde ontwerp-landsverordening, stelt hij de landsverordening niet vast (art. 76). De Staten hebben het initiatiefrecht, d.w.z. het recht een ontwerp-landsverordening aan de Gouverneur aan te bieden (art. 77). Zij hebben het recht de belangen van de Nederlandse Antillen voor te staan bij de Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Gouverneur (art. 80). Zij hebben het recht hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, vragen aan de ministers te stellen (vragen- en interpellatierecht). Dezen hebben zitting in de Staten en geven op de gestelde vragen de nodige inlichtingen, tenzij dit strijdig zou zijn met het belang van het Koninkrijk of van de Nederlandse Antillen (art. 65). De Staten hebben het recht van onderzoek (enquete), te regelen bij landsverordening (art. 82). Zij hebben de bevoegdheid om verslag uit te brengen over een toegezonden ontwerp rijkswet (art. 16 Statuut).

Ontbinding

De Gouverneur heeft het recht de Staten in buitengewone vergadering bijeen te roepen en het recht de Staten te ontbinden. Bij landsverordening kan worden bepaald, dat de nieuwe Staten korter dan 4 jaren zullen zitten (art. 66).

 

@: Staten-Generaal

Het vertegenwoordigend lichaam van Nederland, is tevens koninkrijksorgaan. Volgens art. 5 Statuut wordt dit koninkrijksorgaan in de Grondwet geregeld, voor zover het Statuut hierin niet voorziet. De samenstelling van de beide kamers van de Staten-Generaal, hun werkwijze en bevoegdheden zijn geregeld in het 3de hoofdstuk van de Grondwet, de artt. 50-72 en komen in hoofdzaken overeen met die van de Statuut. Het Statuut bevat enige voorzieningen over dit koninkrijksorgaan in de artt. 17-20. Daarin wordt bepaald, dat de gevolmachtigde ministers (van Aruba en Curacao) in de gelegenheid worden gesteld in de kamers der Staten-Generaal de mondelinge behandeling van een Rijkswet bij te wonen en daarbij zodanige voorlichting te verstrekken als zij gewenst oordelen. Ook kunnen zij als eenling amendementen voorstellen (volgens het reglement van orde van de Tweede Kamer zijn normaal de handtekeningen of de ondersteuning van minstens 5 leden vereist). Vóór de eindstemming in ieder der kamers kunnen de gevolmachtigde ministers zich over het voorstel uitspreken. Verklaren zij zich ertegen, dan kunnen zij uitstel van de stemming vragen tot de volgende vergadering. Neemt de kamer dan toch het voorstel aan met een geringere meerderheid dan drie vijfden van het aantal der uitgebrachte stemmen, dan wordt de behandeling geschorst en vindt nader overleg plaats in de Ministerraad van het Koninkrijk, eventueel op de wijze als omschreven onder intern appèl.

De Staten van Aruba en / of Curacao, kunnen besluiten voor de behandeling van een bepaald ontwerp in de Staten-Generaal één of meer bijzondere gedelegeerden af te vaardigen; deze hebben daar ongeveer gelijke bevoegdheid als de gevolmachtigde ministers. Zowel de gevolmachtigde ministers als de gedelegeerden zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering van de kamers hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

 

@: Statia Terminals N.V.

In augustus 1982 werd op Sint Eustatius het olie-overslagbedrijf Statia Terminals N.V. operationeel. Vier fuel oil tanks met een capaciteit van 322.000 barrels ieder, drie gas oil tanks, twee bunker tanks, een ballastwater- en een drinkwatertank vormen de opslagcapaciteit. Een diepwaterpier met twee afmeerplaatsen kan tankers tot 175.000 dwt (dead weight tons) en met een diepgang van 17m ontvangen. Het bedrijf richt zich op oliemaatschappijen die flexibiliteit nodig hebben voor het transport en de aflevering van hun produkten. Het bedrijf kan iedere gewenste menging van produkten uitvoeren. Een grote bunkerponton levert regelmatig bunkerolie aan schepen die Sint Maarten aandoen. Van het 80 personen tellende personeel is het grootste deel (66) lokaal aangetrokken.

 

@: Statistiek, Centraal Bureau voor de / @: Centraal Bureau Statistiek / @: CBS

In 1980 werd het Centraal Bureau voor de Statistiek ingesteld; daarvoor behoorde het Bureau organisatorisch tot het Departement van Sociale en Economische Zaken. De statistiekwetgeving werd in 1976 geregeld bij de Landsverordening houdende regelen inzake het verkrijgen van Statistische Gegevens (P.B. 1976 nr. 145). De belangrijkste periodieke statistische publikaties van dit Bureau zijn: Statistische Mededelingen, Statistisch Jaarboek, Statistiek van in-, uit- en doorvoer per goederensoort en per land. Daarnaast worden de resultaten van incidentele onderzoekingen gepubliceerd. Enkele recente publikaties zijn: Volkstelling 1981, Budgetonderzoek 1981, Bevolkingsprognose tot het jaar 2000. Het Bureau verstrekt regelmatig adviezen aan andere overheidsdiensten en aan derden. Enkele departementen (bijvoorbeeld het Departement van Onderwijs) als ook de eilandgebieden stellen zelf statistieken samen, die als regel worden gepubliceerd in de vorm van jaarverslagen.

 

@: Statius Muller, Willem Gerard

(Curaçao 26 januari 1930), musicus, studeerde piano bij Jacobo Palm, voltooide zijn muziekstudie aan de Juilliard School of Music in New York, waar hij in 1954 de Master’s Degree haalde. Doceerde aan de staatsuniversiteit van Ohio, concerteerde in de Verenigde Staten, de Nederlandse Antillen en Venezuela; volgde in 1964 Rudolf F.W. Boskaljon op als dirigent van het Curaçaosch Philharmonisch Orkest, dat inmiddels is opgeheven.

 

@: Statuut

Foto: Het plechtige en historische moment waarop de toenmalige minister-president van de net nieuw gevormde Nederlandse Antillen, Zijne Excellentie Dr. E. Jonckheer, zijn handtekening plaatst onder het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden in de Ridderzaal Den Haag op December 15, 1954, onder het toeziend oog van Hare Majesteit Koningin Juliana

Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de hoogste wettelijke regeling in het Koninkrijk, werd in gemeen overleg vastgesteld en in 1954 aanvaard door de drie landen die op dat ogenblik het Koninkrijk vormden: Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Het Statuut werd met ingang van 25 november 1975 voor Suriname beëindigd. Per 1986 wordt zij weer uitgebreid als Aruba haar status apartus verkrijgt en als zodanig een op zichzelf stand land (los van de Nederlandse Antillen) in het Koninkrijk wordt.

Voor de verhouding Statuut-Grondwet en de aanpassing van de Grondwet aan het Statuut zie ook @: Grondwet. Voor de aanpassing van de Staatsregeling aan het Statuut zie @: Staatsregeling.

Literatuur:

  • M.P. Gorsira: De staatkundige emancipatie van de Nederlandse Antillen (1950);
  • R. Kranenburg: De nieuwe structuur van ons koninkrijk (1955);
  • W.H. van Helsdingen: Het statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1957) met literatuuroverzicht;
  • (zie ook literatuur onder @: Koninkrijksaangelegenheden; @: Staatsregeling; @: Verenigde Naties).

 

@: Statuutdag

De datum van de bevestiging van het Statuut, de 15de december, werd in de Nederlandse Antillen als Statuutdag of Koninkrijksdag met de zondag gelijkgesteld. In het kader van het zelfstandigheidsstreven van Aruba is in 1976 18 maart uitgeroepen als Dia di Himno y Bandera (dag van hymne en vlag). Het Eilandgebied Curaçao heeft dit voorbeeld gevolgd: op 2 juli 1984 is de vlag van Curaçao ingewijd en werd de datum 2 juli (de Eilandsraad kwam op 2 juli 1951 voor het eerst bijeen) uitgeroepen tot Dia di Himno i Bandera Kòrsou (dag van hymne en vlag Curaçao). Het ligt in de bedoeling, dat ieder eilandgebied in plaats van Statuutdag een eigen nationale dag vaststelt.

 

@: Steelband

Een orkest samengesteld uit slaginstrumenten, vervaardigd uit stalen olievaten. De vaten worden in de breedte doorgesneden. De bodem waarin ter verkrijging van de gewenste toonhoogte een aantal deuken worden gehamerd, dient als speeloppervlak. De zogenaamde steeldrum wordt op een voetstuk gemonteerd of aan een koord om de hals van de speler gehangen en met stokken bespeeld. Mits goed van stemming biedt een groep steeldrums met zijn unieke geluid, dat al naar gelang het register onheilspellend of komisch kan klinken, onverwachte mogelijkheden. De steelband vindt zijn oorsprong in de Engelstalige eilanden van het Caribisch gebied, maar is nu ook op alle eilanden van de Nederlandse Antillen ingeburgerd. Vooral gedurende het jaarlijkse carnavalseizoen wordt veel gebruik gemaakt van de steelbands, zowel op Curaçao als op Aruba.

 

@: Steenbakkerij
zie @: Klei.

 

@: Steenslag

werd en wordt op alle eilanden van de Nederlandse Antillen geproduceerd. Meestal kalksteen, gebroken in kleine primitieve crushers. De N.V. Mijnmaatschappij Curaçao, Sta. Barbara, breekt kalksteen tot steenslag en gebruikt daarvoor de bestaande installaties van de fosfaatmijnbouw en -verwerking. De kalksteen moet worden gescheiden van het fosfaat en de verkoop van de steenslag levert een welkome nevenverdienste. Naast de lokale voorziening van meer dan 100.000 ton per jaar wordt steenslag uitgevoerd. Op Aruba zijn de kwartsbrokstukken van de oude mijngangen benut voor fundering van wegen.

 

@: Steering Committee Curaçao

is het overkoepelende orgaan van de op Curaçao geregistreerde vrouwenorganisaties. Ledental: 78 á 82 clubs (zie ook @: Vrouwen beweging).

 

@: Stekelhuidigen

(Echinodermata) omvatten de klassen der strea di laman, skèr, seapel en lolo di awa.

 

@: Stèmpel kueru

(dit is huid stempelen) noemde men het door een RK-priester, maar niet legaal gesloten huwelijk onder de slaven.

 

@: Steyl, zusters van / @: Zusters van Steyl
zie @: Bisdom Willemstad.

 

 

@: Stichting Grafische Communicatie

Opgericht in 1977 met als doel het stimuleren en bevorderen van de grafische communicatie op de Nederlandse Antillen. De stichting tracht dit doel te bereiken door het verrichten van onderzoeken, het bevorderen van onderwijs in de grafische communicatie en het treffen van maatregelen die beogen de in de sector van dag-, week- en maandbladpers voor een democratische maatschappij gewenste gedifferentieerdheid te bewerkstelligen en te handhaven.

 

 

@: Sticusa

Afkorting van Stichting voor Culturele Samenwerking, aldus genaamd na wijziging statuten in 1976 en met doelstelling het versterken van de culturele banden tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. De werkzaamheden van de Sticusa, een door de Nederlandse regering ingestelde stichting begonnen reeds in 1948 toen een bijna gelijknamige stichting werd opgericht, die echter ook Indonesië als werkterrein had. Sedert 1955 werd het werkterrein beperkt tot Suriname en de Nederlandse Antillen. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 verviel ook dit land als werkterrein. Bij de diensten, die de Sticusa aan de transatlantische Koninkrijkspartner verleent, streeft zij ernaar de ontwikkeling van de eigen Antilliaanse cultuur te helpen bevorderen. Zij werkt hiertoe samen met vele organisaties in de Nederlandse Antillen, vooral met de culturele centra van de zes eilanden. Verder vloeit uit haar doelstellingen voort een cultureel tweerichtingsverkeer in stand te houden: enerzijds tracht de Sticusa in Nederland belangstelling te wekken voor de Nederlandse Antillen, anderzijds streeft Zij ernaar de rijksgenoten overzee in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de West-Europese cultuur in het algemeen en haar Nederlandse uitingen in het bijzonder. Gaven gedurende de periode 1948-1955 de werkzaamheden reeds een gestadige groei te zien, de grootste ontplooiing van activiteiten zette in gedurende de jaren na 1960. Sedertdien werd een groter deel van het budget besteed aan bijstand op sociaal-cultureel gebied. Het jaarlijks beschikbare budget bedroeg in 1956 NAf 1.000.000,-, beliep in 1968 bijna NAf 3.000.000,- en in 1982 ruim NAf 4.000.000,- exclusief de fondsen voor sociaal-educatieve projecten waarvoor in 1982 op de rijksbegroting ruim NAf 9.000.000,- werd vastgesteld.

Literatuur:

  • Sticusa-jaarverslagen;
  • W. Gordijn, Tien jaar Statuut: Culturele ontwikkelingen in Rijksverband, in: Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 44 (1965),
  • idem, Culturele Kroniek 1948-1968 (1970).

 

@: Stinapa

Is de afkorting (acroniem) van Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen. Opgericht in 1962 met het doel de verwerving, het behoud en de bescherming van gebieden van land en water die van belang zijn wegens natuur- en landschapsschoon of door aanwezigheid van belangrijke inheemse flora en fauna, dan wel objecten van geologie, oudheidkunde of geschiedenis en deze gebieden dienstbaar te maken aan het welzijn, de opvoeding en de recreatie van de bevolking en van toeristen. Activiteiten: Nationaal Park Washington -Slagbaai Bonaire (1969), Christoffelpark Curaçao (1978), onderwaterparken Bonaire (1979), onderwaterparken Curaçao (1982), en diverse kleine gebieden zoals de vogelplas Bubali op Aruba. Educatieve activiteiten: de periodiek Stinapa die gratis verspreid wordt, in totaal 26 deeltjes (1982), en de Stinapa Documentatie Serie (10 deeltjes). Voorts educatieve natuurfilms voor elk eiland, elk jaar een natuurkalender, enz. (zie voorts @: Natuurbescherming). Het meeste werk wordt verricht door de eilandelijke Stinapa-commissies. De commissie Stinapa-Aruba verkreeg in 1982 een zelfstandige status.

  • @: Stinapa-Aruba

Stichting Natuur en Parken Aruba, opgericht in 1981 met hetzelfde doel als Stinapa, maar specifiek op Aruba gericht. Belangrijk doel is de verwezenlijking van het project Jamanotapark (3.000 ha) en de bescherming van de Vogelplas Bubali. Om de bevolking meer bij het werk te betrekken werd de Kring Stimaruba opgerichl. Publikaties worden samen met Stinapa uitgegeven.

 

@: Stivecu, Stichting Veeteelt Curaçao
zie @: Veeteelt.

 

@: Stoep, De / @: De Stoep

letterkundig tijdschrift in 1940, op initiatief van Christiaan Engels opgericht als forum voor Nederlandstalige auteurs. Verscheen tot 1954 (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Literatuur:

  • C. Debrot, Literatuur in de Nederlandse Antillen, in: Antilliaanse Cahiers, jrg. I, no. I (1955);
  • H. Godthelp, Tien jaar ‘De Stoep’, in: West-Indische Gids jrg. 32 (1951).

 

@: Stoppel O.F.M., Pater Joannes / @: Pater Stoppel
zie @: Bisdom Willemstad; Emancipatie.

 

@: Strafrecht

Het wetboek van Strafrecht is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 4 oktober 1913 nr. 61 (P.B. 1913 nr. 67) en is in werking getreden in 1918. Het stemt in belangrijke mate overeen met het Nederlandse wetboek. Niettemin komen in het Antilliaanse wetboek een aantal bepalingen voor, die niet in het Nederlandse voorkomen, terwijl anderzijds in het Nederlandse wetboek een aantal bepalingen staan die niet in het Antilliaanse wetboek zijn opgenomen. Bij Landsverordening van 28 november 1957 (P.B. 1957 nr. 156) is de doodstraf geschrapt uit een aantal artikelen van het wetboek. Deze straf is slechts gehandhaafd in twee artikelen die geacht worden te behoren tot het oorlogsstrafrecht (artl. 103 en 108). (Zie ook @: Militair strafrecht.)

  • Lit.: W.R. Boom, Nederlands-Antilliaans Recht, 01. I: De verschillen tussen het Nederlands-Antilliaanse en het Nederlandse wetboek van Strafrecht (1964).

 

 @: Strafvordering
Het wetboek van strafvordering is bij Koninklijk Besluit van 22 mei 1914 vastgesteld (P.B. 1914 nr. 21) en trad in werking per 1 april 1918. Het is in oorsprong gebaseerd op het oude voor 1926 geldende Nederlandse wetboek van strafvordering. In 1955 is het Antilliaanse wetboek op een aantal belangrijke punten aangepast aan het per 1 januari 1926 in werking getreden thans geldende Nederlandse wetboek van strafvordering. Niettemin is het wetboek in hoge mate geënt gebleven op het oude Nederlandse wetboek. Met name betreft dit het voorbereidend onderzoek.

  • Lit.: W.R. Boom en A.J.Ph. de Haseth Moller, Beknopt overzicht van de Nederlands- Antilliaanse strafvordering (1961).

 

@: Stratovulkaan

is een vulkaan bestaande uit afwisselend tuf- en lava-beddingen; zulke vulkanen zijn Saba en St. Eustatius geweest (zie Geologie).

 

@: Strea di laman
of
starfish (Asteroidea) behoren evenals bijvoorbeeld de slangsterren tot de stekelhuidigen. De bekendste soort is de grote, geelrode vijfhoek (Oreaster reticulatus), die vooral in de zeegrasvelden (bijvoorbeeld in Lac, Bonaire) talrijk kan zijn. Ondanks hun uiterlijke stijfheid kunnen zij zich door vrij kleine holletjes werken. Zeesterren leggen eieren, waaruit larven komen, die enige weken planktonisch leven.

  • Lit.: Een aantal soorten van de Nederlandse Antillen vindt men in een overzicht van F. Ummels: Stud. Fauna Curaço dl. 15 (1963).

 

@: Stromen van kracht

of Iglesia Bida Nobo is een met de Pinkstergroepen verwante beweging die vanuit Nederland in 1961 door de evangelist Karel Hoekendijk naar Curaçao werd gebracht; huidige aanhang ca. 550 zielen. Ook op de Bovenwindse Eilanden actief. Evangelisatie, bijbelstudie en jeugdwerk geschieden in het Nederlands en Papiamentu.

 

@: Stroomzicht
zie @: Otrobanda.

 

@: Strijkkwartet, Curaçaosch / @: Curacaosch Strijkkwartet

Een in 1964 gevormd kwartet met Eric Gorsira en Felix Linder als 1ste en 2de violisten, Wil Feenstra alt en Han Sweers cello. Dit kwartet - ongetwijfeld het beste dat de Nederlandse Antillen hebben gekend - is het meest recente in een lange reeks.

 

@: Studiebeurzen

worden toegekend voor opleidingen zowel in als buiten de Nederlandse Antillen. In de Nederlandse Antillen worden studietoelagen o.a. verleend voor de Universiteit van de Nederlandse Antillen (U.N.A.) en voor de Hotelvakschool op Aruba. Buiten de Nederlandse Antillen kwam vroeger voornamelijk Nederland in aanmerking voor een voortgezette studie; thans komt het meer en meer voor dat abituriënten voor de regio opteren.

De beursverlenende instanties zijn:

  • a. Regering van de Nederlandse Antillen;
  • b. Eilandgebied Aruba;
  • c. Eilandgebied Curacao;
  • d. Eilandgebied Bovenwindse Eilanden;
  • e. Ontwikkelingsfonds E.E.G.;
  • f. Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse Zaken (KABNA)
  • g. Sticusa;
  • h. Shell Curaçao;
  • i. Lago (Aruba);
  • j. Ministerie van Onderwijs (Nederland).

Behalve de kabinetsbursalen (f) en de rijksbursalen (j) hebben de afgestudeerden de verplichting om te repatriëren en een aantal jaren de gemeenschap in staat te stellen van hun verworven kennis de vruchten te plukken. Terwijl de grootte van de studietoelage van (f) en (j) afhankelijk is van het inkomen van de ouders, ontvangen de andere bursalen jaarlijks een vastgesteld bedrag. Voor landsbursalen (a) en eilandsbursalen (b, c, d) die in Nederland hun studie volgen was dit per 1 augustus 1982 maximaal NAf 9.200,- plus college- en inschrijfgeld en premie ziektekostenverzekering. In de regio variëren de maxima van NAf 7.000,- (Colombia) tot $10.000 (U.S.A., Canada). Van de Antilliaanse ouders wordt wel een ouderlijke bijdrage geïnd, afhankelijk van hun inkomen en van de samenstelling van het gezin.

Het eilandgebied Curaçao kent ook studieleningen toe, die na beëindiging van de studie of opleiding terugbetaald moeten worden indien er geen plaatsingsmogelijkheid in de Antillen bestaat. De aard van de opleidingen varieert van Universiteit/Hogeschool (geneeskunde, psychologie, techniek, landbouw) tot h.b.o.’s (hoger beroepsopleidingen: zeevaartschool, lerarenoplei¬ding) en m.b.o. (middelbare beroepsopleidingen: chemie, apothekersassistente, edelsmid, etaleur). De Sticusa verleent beurzen voor opleidingen in de culturele sector terwijl Shell en Lago beurzen toekennen voor opleidingen in het belang van deze oliemaatschappijen.

De rijksbursalen, die geadministreerd worden door de Centrale Directie Studiefinanciering te Groningen, zijn niet in het overzicht opgenomen. Indien hun een studietoelage wordt toegekend terwijl zij nog in de Antillen verblijven, kunnen zij van de Antilliaanse overheid reis- en uitrustingskosten ontvangen die na beëindiging van de studie worden teruggevorderd.

 

@: Studiecommissie Nederlandse Antillen, Stichting (S.S.N.A.)

Opgericht in 1960, voornamelijk door de Antilliaanse regering gesubsidieerd, om toezicht te houden op de bursalen die in Nederland studeren en in het genot zijn van een studiebeurs, toegekend door de Nederlands-Antilliaanse regering, het Eilandgebied Aruba, het Eilandgebied Bovenwindse Eilanden, de Europese Economische Gemeenschap (EEG), het Kabinet Nederlands-Antilliaanse Zaken (KABNA) en de Shell. Het toezicht omvat alles wat nodig is voor een deugdelijke begeleiding van de bursa(a)l(e) gedurende zijn/haar verblijf in Nederland. Ook particulieren kunnen gebruik maken van de faciliteiten van de commissie. De directeur van de stichting in Den Haag wordt bijgestaan door een hoofdgedelegeerde en 9 bezoldigde gedelegeerden (met een volledige dagtaak) aan wie een bepaald rayon is toegewezen. Op 1 augustus 1982 ressorteerden onder de S.S.N.A. 719 studerenden. (Zie ook @: Bursalen, Centraal Bureau Toezicht Curaçaosche; Icetex; O.C.T.)

 

@: Studieopdrachten

kunnen door de Antilliaanse overheid worden verleend aan ambtenaren om een specialisatie-cursus te volgen in het belang van de dienst en aan leraren om in Nederland een Middelbare Akte te behalen waaraan v.w.o. en h.a.v.o. in de Nederlandse Antillen behoefte hebben. Medici, die zich wensen te specialiseren kunnen ook voor een studieopdracht in aanmerking komen.

Op 1 augustus 1982 verbleven in Nederland 79 personen met een opdracht te weten van het Land 25, van het Eilandgebied Aruba 26, van het Eilandgebied Curaçao 27 en van het Eilandgebied Bovenwindse Eilanden 1.

 

@: Stuwadoorsarbeid

is geregeld in de Stuwadoorslandsverordening 1946 en de krachtens deze landsverordening uitgevaardigde besluiten. In deze wetgeving worden voorschriften gegeven onder andere betreffende de veiligheid en de hygiëne bij stuwadoorsarbeid. De uitvoering van deze landsverordening is verder opgedragen aan de eilandsbesturen. De arbeidsregeling, waarin de arbeidsduur in het algemeen geregeld wordt, is niet van toepassing op stuwadoorsarbeid. Voor de havens van Curaçao en Aruba bestaan collectieve arbeidsovereenkomsten (zie @: Arbeidsovereenkomst).

 

@: Stuyvesant, Petrus (Pieter)

(Scherpenzeel, Weststellingwerf 1592 - New York februari 1672), gouverneur van Nieuw-Nederland, zoon van een predikant, trad reeds jong in dienst van de West-Indische Compagnie en werd in 1642 directeur van Curaçao. Wegens een in de strijd opgelopen verwonding werd hem een been afgezet (1644). In 1646 volgde zijn benoeming tot directeur-generaal van Nieuw-Nederland (zie verder @: Bestuursregeling; Geschiedenis: Nederlandse periode: Curaçao).

 

@: Stuyvesantcollege, Peter

is een openbare school voor h.a.v.o./ v.w.o. voor zowel jongens als meisjes op Curaçao. De school die op 17 september 1941 als algemeen middelbare school werd opgericht, was toenmaals de enige middelbare school in de Nederlandse Antillen. Eerste directeur: W. Meijer. (Zie verder @: Onderwijs).

  • Lit.: J.J. Bade en H.J. Boukema, Skein, documentaire van het Peter Stuyvesant College, 1941-1966 (1966).

 

@: Subi Blanku-formatie

  • Een op Bonaire nabij Subi Blanku voorkomende serie conglomeraten, zandstenen en sehalies (zie @: Geologie).

 

 @: Successieland
zie @: Sint Eustatius.

 

@: Successierecht
zie @: Belastingen.

 

@: Succursaal hospitaal

(gewezen), thans magazijn, dat niet veel later dan het quarantaine-hospitaal in de jaren 1853-1856 tot stand gekomen kan zijn. Het is een kloek kubusgebouw in classicistische geest, het eerste gedateerde voorbeeld van die trant, welke tegen het midden van de 19de eeuw op Curaçao de traditionele bouwwijze ging verdringen.

 

@: Suikerdiefje
zie @:
Barika hel.

 

@: S.U.P.
zie @: Saba United Party.

 

Het nu volgende artikel is opgenomen in de Curacaosche volkstaal Papiamentu, sinds 2007 de tweede officiele taal van het land:

@: Supriano Edgar "Gachi" / @: Edgar Supriano

(7 desember 1930 -15 aprel 1988). Gran trompetista di Kòrsou i fundador di e orkesta mas prestigioso den historia musikal di e isla aki ku ta Estrellas del Caribe. Edgar a hiba e banda Venezuela pa presentá na Caracas i Maracaibo. Nan a presentá asina exitoso, ku televishon Venezolano a kontratá nan i asina nan a bira e promé banda lokal ku a presentá na televishon Venezolano. Na Venezuela e orkesta tabata konosí promé komo Los Campeones del Ritmo i despues komo Las Estrellas Negras del Caribe. E kalidad musikal i popularidad a sirbi komo trampolin pa fama di basta artista lokal. E banda a kompañá varios artista internashonal na Kòrsou, manera Bienvenido Granda, Celio Gonzalez, Daniel Santos, Tongolele, Orlando Vallejo, Nelson Pinedo, Miguelito Cuni, Carlos Argentino, Celia Cruz, Pibe Castillo, Carmen Delia Dipini, Victori Pinero, Hermanos Montoya i Nelson Navarro. Nan a hasi grabashon ku entre otro Nelson Navarro, Minguelito Cuni i Celina Semillón. Gachi tabata konosí internashonalmente komo trompetista. Tambe ela toka na Hulanda, Alemania i Sürnam. Na Alemania ela toka den Conexion Latina huntu ku su yunan Roy i Elmer Louis. Pianista i fundadó di orkesta El Gran Combo de Puerto Rico Rafaellthier a rekonosé Gachi komo la Trompetista de Oro. Gachi a keda honrá komo Ridder in de Orde van Oranje Nassau, e kondekorashon mas haltu pa un siudadano di Reino Hulandes. Su yunan Roy y Elmer Louis despues lo a sigi den musika rock ku e banda W & T (Double U & Tee) i no den e paso di musika Latino di nan tata.

 

@: Suriël, Simon Miguel

(Curaçao 24 maart 1890 - 27 november 1963), Papiamentse romanschrijver (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

  • Wrk.: Muher Culpable (1931). Herdrukt en uitgegeven door Dienst Onderwijs en Cultuur van het Eilandgebied Curaçao in 1978.

 

@: Surinamers

Aangetrokken door de economische opbloei hebben zich vele Surinamers gevestigd op Curaçao en Aruba; een groot deel van hen vond een werkkring bij de raffinaderijen op deze eilanden; anderen worden aangetroffen bij het onderwijs en in de vrije beroepen. Van de recente minderheidsgroepen zijn zij één van de best geïntegreerde in de Antilliaanse samenleving. Echter verhindert ook hier beeldvorming en taal over en weer een volledige assimilatie. Veel Surinamers zijn verenigd in de Algemene Surinaamse Vereniging J.P.F. (dit is Justitia, Piëtas, Fides: Rechtvaardigheid, Vroomheid, Trouw, de Surinaamse wapenspreuk), ook bekend als Club J.P.F.. Bij de volkstelling van 1981 waren 1.479 personen op Curaçao geboortig uit Suriname (1% van de bevolking) en op Aruba 551 personen (0,9% van de bevolking). Dit was zowel absoluut als relatief een duidelijke teruggang in vergelijking met 1960. (Zie @: Bevolking).

 

@: Surún di mondi

(Crataeva tapia) Plantesoort uit de familie der Capparaceae. Boom met 3-tallige, langgesteelde bladeren; blaadjes dik-vlezig; bloemen wit, in vlakke,. rijkbloemige, tuilvormige bloeiwijzen; kroonbladen staan aan een zijde van de bloem reehtop. Op kalk- en diabaasgronden. Niet algemeen. Benedenwindse Eilanden.

 

@: Suvek

(Sportunie Van Engelen-Kwiek) is een gezelligheidsvereniging op Curaçao, in 1965 ontstaan uit een fusie van de sportverenigingen Van Engelen (opgericht 6 maart 1937) en Kwiek (opgericht 31 mei 1937), die gelegenheid biedt voor sport o.a. tennis, basketbal en bowlen.

 

@: S.V.B.
Sociale Verzekeringsbank, zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Swa

Aanvankelijk alleen zwager, wordt vooral op Aruba, gebruikt om de aandacht van mannelijke personen te trekken of gewoon als aanspreking. Behalve voor de aandachttrekking en aanspreking wordt op Curaçao hiermee de schoonbroer, de broer van de echtgenote, aangeduid.

 

@: Sweet potato
zie @: Ipomoea.

 

@: Swep

(Fistularia tabacaria) vioolvis, cornet fish of sweep valt op door zijn langgestrekt lichaam, zijn brede snuit en de zweepvormige draad aan zijn staartvin. Zijn gedrag vertoont veel overeenkomst met dat van de trompet.

 

 

@: Sylphides, Les / @: Les Sylphides

Dans- en balletschool, opgericht in 1957 op Curaçao onder artistieke leiding van Cocky van Oost. Doelstelling: het bevorderen van de danskunst in al haar vormen en het leren benutten van expressiemogelijkheden. Naast de danskunst in eigenlijke zin worden ook regelmatig cursussen in Zuid-Amerikaanse en Curaçaosche dansen en gymnastiekles gegeven. Sedert 1975 staat de school onder leiding van Ans Breusers.

 

@: Synagogen
zie @: Emanu-El; Joodse gemeenten; Mikve Israël.

 

 

 

De letter T

t  is de 20ste letter van het Nederlandse alphabet en één van de meest gebruikte medeklinkers. In het oude Noord Semietische alphabet werd met de klank taw, geschreven als een x of een + mogelijk ‘doelwit’ bedoeld. De Grieken namen de basisgedachte over maar ontwikkelden na verloop van tijd een voorkeur voor de t-klank die als zodanig duidelijk van de x-klank werd onderscheiden. T is het begin letter van de naam van één van de grootste helden uit de Curaçaosche geschiedenis: Tula ook genaamd Rigaud, de leider van de grote slavenopstand van 1795, die, na het mislukken van de opstanding, op gruwelijke wijze werd gemarteld en gedood. T is bovendien het eerste letter van die apparaat waarin een zekere Alexander Graham Bell, op juni 2, 1875, amper 23 jaar na de uitvinding door Samuël Morse van de magnetische telegrafie, woorden inspraak, terwijl hij zich in een kamer bevond, die door een andere persoon in een andere kamer door middel van een soortgelijke apparaat, beiden met elkaar verbonden via een dunne metalen draad konden worden verstaan: De telefoon, die heden ten dage aan de basis staat van het wereldwijde communicatiesysteem bekend als het Internet. Ook dat andere technische wonder van onze moderne maatschappij, de televisie, begint met de letter t en natuurlijk danst de Curaçaoenaar naar hartelust op de tumba, ook al beginnende met de letter t.

 

 

@: Tabaku di piskadó

(Tournefortia gnaphalodes) of cocorobana, sea purslane, white lavendel, plantesoort uit de familie der Boraginaceae. Heester met lijnvormige, dikvlezige bladeren; bloemen wit; bloeiwijze in jeugd ingerold (schicht); Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Op zilte plaatsen langs de kust en zoutpannen.

 

@: Tafelberg

van San Hironimo (218m), heuvel in het noordwestelijk deel van Curaçao. De Tafelberg bestaat tot ongeveer 200m hoogte uit diabaasgesteenten (oud stollingsgesteente), welke bedekt worden door kalksteen;

van Santa Barbara (197m), gelegen bij de Fuikbaai in het zuidoostelijk deel van Curaçao. De Tafelberg is evenals o.m. de Drie Gebroeders een rest van het quartaire kalksteenplateau, dat zich vroeger over grote delen van Curaçao uitstrekte. In 1874 werd hier door C.S. Gorsira Mz. fosfaat ontdekt. (Zie @: Curaçao; @: Geologie; @: Mijnmaatschappij).

 

@: Talenbureau
zie @: Instituto Lingwistiko Antiano.

 

@: Talmu

is de troon waarop bij de heilige communie de communicant(e) en bij het huwelijk het bruidspaar is gezeten. Bij de communie wordt de talmu geleidelijk vervangen door de versierde stoel; bij het huwelijk wordt hij nog vaak opgebouwd, van een hemel voorzien en omringd met neerhangende stof. Er naast worden veelal taarten geplaatst, o.a. de bolo di batrei.

 

@: Tamarein

(Tamarindus indica) of tamarind, plantesoort uit de familie der Caesalpiniaceae. Grote boom met dichte kroon; blader en even-veervormig samengesteld; bloemen in hangende trossen, geel met rode strepen, met slechts 3 van de 5 bloemkroonbladeren ontwikkeld. Peul met rond de zaden een zurig moes, dat gebruikt wordt bij bereiding van frisdranken. Beneden- en Bovenwindse Eilanden gekweekt. Oorspronkelijk uit Afrika, nu verbreid door de tropen.

 

@: Tamarijn, De

Protestants jeugdhuis in de wijk Mahaai op Curaçao.

 

@: Tambú

  • (1) instrument (trom), bestaande uit een tonnetje of vaatje, waarover een schapehuid is gespannen. Andere benamingen zijn barf (ton) en kueru (huid). Het wordt met de vingers en de handpalmen bespeeld. Begeleid door de chapi of de agan vormt de tambu de basis voor de muziek bij de tambúdans.
  •  
  • (2) bail’e tambú (bailá di tambú). Dit dansfeest dat vooral omtrent de jaarwisseling wordt gehouden, kan openbaar zijn (tambú públiko) of op uitnodiging (tambu kombidá). Het succes van zo’n feest hangt af van de tokadó di tambú (de tambu-bespeler; andere benamingen zijn tokadó di barí = vaatjesbespeler of tokadó di kuéru = huidbespeler) en van de kantadó di tambú, de (gewoonlijk vrouwelijke) voorzanger. Vermaard zijn Petronilla (Petoi) Coco, zuster van de gitarist Julian B. Coco en Nicolaas (Shon Colá) Susana, die naar aanleiding van zijn 50-jarige loopbaan in 1983 werd gehuldigd. De inhoud van de ter plaatse geïmproviseerde kantika di tambú (tambú-liedjes) heeft betrekking op de chronique scandaleuse van de gemeenschap. De zangeres borduurt steeds voort op dezelfde melodie en wordt telkens onderbroken door de omstanders, die in koor het refrein zingen. Het geheel wordt ondersteund door het handgeklap van de omstanders. Bij het dansen raken de partners elkaar niet aan; bij gebrek aan een partner wordt ook wel alleen gedanst. Niet zelden ontstaan er meningsverschillen tussen de mannen over een partner. In vroeger tijden werd dit, onder het uitroepen van sanger pa tambú (bloed voor de tambú) buiten uitgevochten. Dit duel gebeurde meestal met stokken (koko-makaku). Het eindigde pas als de één de ander aan het hoofd had verwond, als er dus sanger (bloed) had gevloeid. Deze gewoonte is thans in onbruik geraakt. Wel wordt er nog wel eens sanger pa tambú geroepen maar dan gaat het meestal om een borrel of een fooi voor de tokadó di tambu. In zo'n geval wordt ook wel eens geroepen plaka na boka (leg hem geld in de mond).

Literatuur:

J. Coco, De Antilliaanse muziek, in: Wikor, jrg. 7, no. 3 (1959);  

 

R.V. Rosalia, Shon Kolá, labariano di rasa (1983).

  • (3) Tambú zie @: Pers.

 

@: Tambú grandi

Een grote trom bestaande uit een kuipvormige ton, die aan weerszijden met schapevel bespannen is. De spanning op de vellen wordt geregeld door een mechaniek bestaande uit klossen (tortola genaamd) en koorden. De tambú grandi wordt met twee stokken bespeeld. Iedere stok wordt aan een der uiteinden stevig met lappen omwonden, vergelijkbaar met de vilten kop van de paukenstok. De tambú grandi werd vroeger gebruikt ter begeleiding van de muzik di zumbi op Curaçao en bij de maskarada-muziek op Bonaire.

 

@: Tandkarpers

(Cyprinodontidae) of killyfish zijn een familie, waarvan drie vertegenwoordigers in de Nederlandse Antillen voorkomen, alle drie zowel in zee als in het brakke en zoete water, maar ook in het pekelige water van afgesloten baaien. De molly (Poecilia sphenops vandepolli) of machuri is levendbarend. Vooral in zoetwater en in pekelig water komen zij vaak in grote aantallen voor, waar zij weinig last van andere soorten vis hebben, in tegenstelling tot in zee, waar de concurrentie veel zwaarder is. Een tweede tandkarper, Rivulus marmoratus, zit tussen planten, wortels of stenen in erg ondiep water, vooral daar waar zoetwater in een baai sijpelt. Een populatie kan generaties achtereen hermafrodiet zijn, d.w.z. dat de dieren zowel ovarium als testes hebben, zodat een vis op zijn eentje eieren kan afzetten, die van tevoren reeds inwendig door eigen sperma bevrucht werden. Uit zulke eieren kunnen zich, bij abnormaal lage watertemperatuur (onder 25° C), ook mannetjes ontwikkelen, die op normale wijze met hermafrodiete dieren paaren. Echte wijfjes zijn niet bekend. De derde tandkarper, de barigonchi (Cyprinodon dearborni) komt vooral in pekelig water massaal voor, bijvoorbeeld in het Pekelmeer op Bonaire. Het is een eierleggende vis, waarvan de eieren zo resistent zijn, dat zij temperaturen tussen 16 en 35°C verdragen, en zoutgehalten van 0 tot ongeveer 100%0, maar ook bleken de eieren, verborgen tussen vochtige algen, een luchtreis over de oceaan goed te doorstaan.

 

@: Tang
zie @: Doktersfes.

 

@: Tanki

(Arubaans Papiamento) open waterreservoir (zie ook @: Dammen).

 

@: Tapakonchi

(Amphineura) of chiton (op Aruba: klekonchi) zijn Weekdieren met een gelede schelp, die vooral aan de waterlijn talrijk zijn. Er zijn van de Nederlandse Antillen 12 soorten bekend. Zij zuigen zich zo stevig vast tegen de rotsen, dat zij zonder scherp voorwerp moeilijk los te maken zijn. Zij worden wel eens gegeten, maar zijn economisch van geen betekenis.

  • Lit.: zie @: Weekdieren.

 

@: Tapatapa

of sobrá di dios is de naam die gegeven wordt aan verschillende soorten platvissen, onder anderen de tarbotten of flounders (Bothus spec.) en de tongen of soles (Achi¬rus spec.). Platvissen zwemmen als larve nog in normale stand door het water, maar als zij een paar cm groot zijn, gaan zij steeds vaker op een zijkant liggen, terwijl hun hele kop asymmetrisch wordt, met beide ogen aan een kant. Platvissen zijn bekend om hun kleuraanpassing aan de bodem. In tegenstelling tot noordelijker streken, waar de platvissen van grote economische betekenis zijn, zijn zij in het Caribisch gebied van geen betekenis vanwege hun geringe omvang.

 

@: Tarai

Een erotische dans, waarbij man en vrouw als één samengesmolten figuur op muziek van de ka’i oru een intens aanvoelen van het ritme ten toon spreiden.

 

@: Tarpon

(Megalops atlanticus) sabala of silverfish, is herkenbaar aan zijn vooruitstekende onderkaak en aan zijn sterk verlengde laatste rugvinstraal. Zij worden groot, hoewel men ze in de Nederlandse Antillen vooral in de binnenbaaien zelden groter dan 90cm ziet. Ze leven vooral van kleine vis. Het zijn snelle zwemmers, die in nood geweldige sprongen kunnen maken, waardoor de grote exemplaren bij de sportvisserij in hoog aanzien staan. Hun vlees wordt niet gewaardeerd.

 

@: Tati

Houten gereedschap dat gebruikt wordt voor fijn kloppen van de kadushi.

 

@: Tax holiday
zie @: Industrievestiging en hotelbouw.

 

 

 

@: Taylor Iona

 

Iona Taylor ta yu di imigrantenan: Su tata a bin Korsou di Montserrat; su mama ta di Anguilla. E mes a nase riba September 30, 1956 na Korsou i ta mucha di Dein. Iona ta ademas graduado di skol sekundario Peter Stuyvesant VWO, despues di kual ela pasa pa bai studia sikologia na Universidad di Tilburg, Hulanda. Despues di su graduashon den e estudio aki ela sigui pa orto-pedagogia, spesialisando den terapia di komportashon, di famia i di yuda viktimanan di abuzu. Na 1988 ela drenta den servisio di Departamentu Salu Mental komo sikologo i na ana 2000 ela pasa pa bai traha na e kas di kuido Betesda komo sikologo di pashent, nan famia i personal di e instituto. A partir di 2008 Iona ta direktor di e grupo di mucha i hoben di Perspektiva Sosten Integral - Skuchami. Banda di esaki Iona ta duna charla i tayer tokante abuzu.

Iona ta huza skribimentu komo un terapia personal ku intenshon di no laga e kosnan tristu i doloroso ku e ta trata diariamente kune afekt'e di un manera negativo. Algun di su prosa i poesia a wordu publika den e kolekshon E preis di silensio na 2008. Esaki ta ahinda su uniko produkshon.

Iona ta mama soltero di dos yu homber di 17 i 11 ana. E famia Taylor ta konsisti ademas di 32 bestia.

@: Teatro Naar
zie @: Bioscoopwezen; @: Toneel.

 

 

@: Teek

of karpata is de algemene naam voor stevige parasitaire mijten, die o.a. bij zoogdieren bloed zuigen. Van de familie Ixodidae komt op honden nogal vaak een soort voor, die oppervlakkig op het zaad van de karpata gelijkt, namelijk Ixodes ricinus. De grote exemplaren zijn volwassen wijfjes die hun laatste bloedmaaltijd gebruiken vóór ze de gastheer verlaten om eieren te leggen. De mannetjes zijn veel kleiner, donkerbruin en plat. De uit het ei komende larven klimmen in planten omhoog en gaan over op langslopende honden. Sommige teeksoortenkunnen door hun steken verlammingsverschijnselen veroorzaken en kunnen ook virus- of andere parasitaire ziekten overbrengen, zowel op vee en huisdieren als op de mens.

 

@: Teku

(Bromelia humilis). Plantesoort uit de familie der Bromeliaceae, met lange, hard-leerachtige bladeren in bladrozet, bladrand bezet met haakvormig omgebogen stekels; tijdens bloei wordt basale deel van bladeren helder rood gekleurd; bloemen paars, in halfbolvormige, niet gesteelde bloeiwijze, sterke vegetatieve vermeerdering waardoor grote velden kunnen ontstaan. Benedenwindse Eilanden. Vooral in het heuvelgebied van Curaçao, maar ook wel op kalksteen; op Aruba en Bonaire zeldzaam.

 

@: Teku di palu

(Tillandsia utriculata) of wild pine, plantesoort uit de familie der Bromeliaceae. Epifyt. Bladeren lang, in bladrozet; bloemen in oksel van opvallende schutbladeren, in langgesteelde, aarvormige bloeiwijze. Benedenwindse Eilanden, vooral in de drogere delen.

 

@: Tele-Aruba
zie @: Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V. zie ook @: Televisie.

 

@: Tele-Curaçao

zie @: Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V. zie ook @: Televisie.

 

@: Telefoondienst

De eerste concessie voor het aanleggen en exploïteren van telefonen op het eiland Curaçao werd bij G.B. van 23 januari 1892 verleend aan de Venezolaan Abraham Ugueto. Deze concessie ging in de eerste jaren door technische en andere moeilijkheden enkele malen in andere handen over, in 1911 ten slotte in die van M.J. de Pool-Araujo, die gedurende 16 jaren, tot 1927, de telefoondienst van Curaçao exploïteerde. Er werd gebruik gemaakt van een bovengronds enkeldraadssysteem, dat vooral in de regentijd niet voldeed. In 1924 besloot het gouvernement, dat na afloop van de concessie in 1927 de telefoon een overheidsdienst zou worden. Een geheel nieuw net en een nieuwe centrale werden gebouwd en het bedrijf werd bij de Landsradiodienst gevoegd. Dit bleef zo tot 1952, waarna als gevolg van het bepaalde in de Eilandenregeling de telefoondienst tot de eilandelijke zorg ging behoren (zie @: Landsradio- Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen). De centrale op Curaçao werd in 1937 geautomatiseerd.

Op Aruba, waar nimmer pogingen tot telefoonexploïtatie door particulieren waren ondernomen, werd de eerste centrale van het handmagneetsysteem (100 nummers) op 31 december 1930 te Oranjestad in gebruik genomen. In 1931 volgde San Nicolas en in 1935 werd de eerste kabel tussen deze plaats en Oranjestad gelegd. In 1947 werd de automatische centrale voor Aruba in gebruik genomen.

Op Bonaire werd in 1962 het handmagneetsysteem vervangen door een automatische centrale; op St. Maarten gebeurde dit in 1963, op Saba en St. Eustatius in 1975.

Door verbetering van de intereilandelijke verbindingen (zie @: Landsradio- Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen) werd automatisch abonneeverkeer tussen de eilanden met het buitenland mogelijk. Dit verkeer wordt geschakeld via twee interinsulaire/internationale telefooncentrales van Landsradio op Curaçao en St. Maarten.

De volgende centrales zijn in bedrijf:

  • Curaçao: Fabrikaat en systeem: L.M. Ericsson AXE, ARF, AGF; aansluitcapaciteit per eind 1983: 40.400 nummers; exploïtant Setel (Servisio di Telefon) N.V.
  • Aruba: Fabrikaat en systeem: Philips PRX; aansluitcapaciteit per eind 1983: 15.000 nummers, exploïtant TelefoonDienst Aruba.
  • Bonaire: Fabrikaat en systeem: Philips UR, UD, aansluitcapaciteit per eind 1983: 1400 nummers, exploïtant Telbo N.V.
  • St. Maarten: Fabrikaat en systeem: Philips PRX (in aanbouw) UR, UD; aansluitcapaciteit PRX-systeem: 5.600 nummers; exploïtant St. Maarten Telephone Company N.V. (Tel-em).
  • Saba: Fabrikaat en systeem: Philips UD; aansluitcapaciteit per eind 1983: 300 nummers; exploïtant Satel N.V.
  • St. Eustatius: Fabrikaat en systeem: Philips UD; aansluitcapaciteit per eind 1983: 200 nummers; exploïtant Eutel N.V.

 

@: Telegraaf- en Telefoonverordening

Toen in 1908 de radiocommunicatie in de Nederlandse Antillen haar intrede deed, werd het noodzakelijk de bestaande wetgeving daaraan aan te passen. Op verzoek van de gouverneur ontwierp Van Anrooij daartoe een concept-verordening die in 1909 werd aangenomen en nog steeds van kracht is. Met deze verordening was de kolonie Curaçao de eerste in het Koninkrijk met het regelen van radio in de communicatiewetgeving. Omroepvergunningen, bootradiovergunningen, mobilofoonvergunningen en dergelijke zijn alle aan het in deze verordening bepaalde onderworpen. Een aantal voorwaarden wordt aan de ministeriële beslissing toegevoegd waarbij de vergunning wordt verleend. Voor televisievergunningen zijn deze voorwaarden bij de wet vastgelegd. Het voornemen bestaat een geheel nieuwe aan de huidige tijd aangepaste wetgeving in het leven te roepen (zie @: Landsradio - Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen).

@: Televisie

De eerste televisievergunning in de Nederlandse Antillen werd in 1952 verleend aan R.C. Bos Verschuur, chef technische Dienst van de Landsradio- en Telegraafdienst, die met een militaire installatie experimenteerde en veel succes had met periodieke uitzendingen. Op 20 augustus 1957 verleende de regering een vergunning aan de N.V. Nederlands Antilliaanse Televisie en Electronische Maatschappij (N.A.T.E.C.). Oprichter en belangrijkste aandeelhouder hiervan was de Amerikaan J.J.M. O’Shea, die met de regering een overeenkomst sloot, waarbij deze op zich nam de stations te bouwen en hiervoor 95% van de aandelen der maatschappij verkreeg. De N.A.T.E.C. zou de programma’s verzorgen.

In 1965 nam de Antilliaanse overheid het bedrijf over. Onder de naam Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V. (A.T.M.) worden sindsdien de stations Tele-Curaçao en Tele-Aruba geëxploiteerd. Tele-Curaçao werd op 31 juli 1960 geopend en zendt uit op kanaal 8 met 1 kW beeld en 250 Watt geluid. Tele-Aruba op Aruba werd geopend op 29 september 1963 en zendt uit op kanaal 12 met 1 kW beeld en 250 Watt geluid. Sinds 1965 ontvangt Bonaire de programma's van Tele-Curaçao via een relaisstation te Subi’i Rincon. De A.T.M.-zenders zijn commercieel in die zin dat zij hun inkomsten verkrijgen door het verhuren van zendtijd en het uitzenden van reclameboodschappen. In de beginjaren van Tele-Curaçao is er kijkgeld geheven maar thans is er geen enkele vorm van omroepbijdrage.

Op St. Maarten wordt sinds 1982 met een zendvergunning van de Antilliaanse overheid een commercieel t.v.-station geëxploiteerd onder de naam Leeward Broadcasting Company (L.B.C.). Het station zendt uit op kanaal 7 voor St. Maarten en via relaisstations op de kanalen 13 voor St. Eustatius en 3 voor Saba (zie ook Radio Nederland Wereldomroep).

 

@: Telexverbindingen

zie @: Landsradio - Telecommunicatie Dienst Nederlandse Antillen.

 

@: Tempel Emanu-El

zie @: Emanu-El.

 

@: Temp’i aña / @: Tempu di aña

(letterlijk: de tijd van het jaar), de regentijd. In de tijd toen de landbouw nog een rol speelde in de economie van de Benedenwindse Eilanden was de regentijd de belangrijkste tijd van het jaar.

 

@: Tera Còrá

  • (1) Nederzetting op Bonaire gelegen ten zuid-oosten van Kralendijk.
  • (2) Nederzetting op Curaçao gelegen langs de grote weg naar Westpunt ter hoogte van Siberie. Door de bouw van vele volks- en middenstandswoningen is deze wijk uitgegroeid tot één van de belangrijkste van Band’abou.

 

 

@: Termieten

zie @: Komehein.

 

@: Terrassen, quartaire kalk-

zijn vrijwel horizontale kalksteenplateaus, ontstaan onder invloed van quartaire relatieve zeespiegelbewegingen uit koraalriffen. Op Aruba, Bonaire en Curaçao kennen we ondermeer een Hoog-, Midden- en Laagterras. Sint Maarten heeft alleen een Laagterras (zie @: Geologie).

 

@: Theater Brion

Curaçao, gebouwd 1932 door Vereniging RK Theater, afgebroken 1945. Was belangrijk voor Curaçaosche muziekleven. Eerste concert Curaçaosch Philharmonisch Orkest had hier (1939) plaats.

 

@: Theaters

zie @: Bioscoopwezen; @: Toneel.

 

Het nu volgende artikel is geschreven in het Papiamentu: 

@: Thomasa Edwin Leocadio / @: Edwin Thomasa

 (9 dezèmber 1953 - 17 febrüari 1994)

Edwin a lanta den e bario di Charo i for di edad di 12 aña e tabata kanta ku su amigítunan den bario. Nan banda tabata deleita un i tur ku instrumèntnan trahá di bleki.

Su ruman si tabata toka den un organisashon musikal serio: Konhunto Trópiko, ku tur dia tabata entrená na nan kas. Edwin tabata sinta den huki di kas i skucha nan ku smak. Su soño tabata pa un dia e mes lanta su konhunto musikal i na edad di 15 aña esaki a bira realidad. Huntu ku su amigunan Juan María i Carlos Geraldina ela forma un trio. Despues ku Victor Semeleer a drenta e banda nan a forma e kuarteto Los Amigos. Pa medio di serenada Los Amigos tabata alegrá habitantenan di Charo. Kada hasimentu di aña por a konta ku un presentashon di Los Amigos. Tabata un dushi tempu kaminda tur hende tabata biba manera ruman. Na edad di 17 aña Edwin a bai kanta den Estrellas Curazao. Despues di esaki ela forma parti di diferente otro konhunto manera Urico Antillano, Jovenes del Caribe i Estrellas del Caribe. Ku Estrellas del Caribe ela toka na diferente païs manera Venezuela, Panama, St. Thomas, St. Maarten, Aruba i Boneiru. Riba tereno di Festival di Tumba tambe Edwin tabata exitoso. Na 1976 ela sali ganadó absoluto - Rey di Tumba - ku e tumba Hak’e i na 1990 ela haña un Galardon Vitrola pa e tumba Konta Kuenta.

 

@: Thomassen en Drijver Antilliaanse Emballagefabriek N.V.
behorende tot het
Thomassen en Drijver / Verblifa concern, opgericht april 1961 op Curaçao en in juni 1961 in bedrijf gesteld. De produktie bedraagt rond 4 miljoen blikken per jaar; 90% van de produktie wordt geëxporteerd. In 1983 ca. 20 medewerkers.

@: Tibaros
zie @: Tubaros.

 

 

@: Tiënda
zie @: Handel: binnenlandse handel.
 

 

@: Tierra Firme
(Spaans: vasteland) namelijk van Spaans Amerika in het Caribisch gebied, naam door de eerste ontdekkers gegeven aan de tegenwoordige Venezolaanse en Colombiaanse kust van Paria tot Cartagena en soms zelfs zuidelijk van deze stad. De naam komt herhaaldelijk in l6de en 17de-eeuwse documenten voor om later langzamerhand plaats te maken voor de lokale aanduidingen. In Nederlandse documenten werd hij meestal verbasterd tot
Terra Firme.  


 
@: Tilapia mossambica
is een muilbroedende vis (familie Cichlidae) uit de Afrikaanse riviermondingen, die overal in de tropen werd ingevoerd, omdat hij gemakkelijk te kweken is en snel groeit tot consumabele lengte. Meestal wordt hij in zoetwater gekweekt, bijvoorbeeld op Trinidad, maar op een enkele plaats ook in zeewater, zoals aan de Surinaamse kust, waarvandaan
J.S. Zaneveld in 1957 een aantal naar het Carmabi op Curaçao bracht. Thans leven er hier en daar op de Benedenwinden nog nakomelingen, bijvoorbeeld in de Bubali-vogelplas
op Aruba, maar de verwachting dat zij hier van economische betekenis zouden worden, is niet uitgekomen.

 

 

@: Tintorero
zie @: Haaien.
 

 

@: Tinpòni
(Elops saurus)
tenpounder of ladyfish heeft een opvallend kleine kop; zijn rug- en aarsvin kunnen gestreken worden in een beschubde groeve. Zij komen soms in scholen de binnenbaaien binnen op zoek naar kleine vis, krabben en garnaalachtigen. Lengte zelden meer dan 80 cm. De larven zijn glasaal-achtig. Het vlees staat niet hoog aangeschreven. 

 

 

@: Típiko
Oorspronkelijk een muziekgezelschap met als leidend instrument de mandoline begeleid door
tambu, tambora, gitaar, kuarta, raspu, contrabas en een zanger die voornamelijk Antilliaanse muziek zingt. Behalve Tipico Santa Rosa, dat al dertig jaar oud is, zijn op Curaçao nog bekend Santa Martha, Alegría, Antiyano, Nos Orgullo, Nos Alegría, Tripilichi, Elegante en Moderno. 

 

@: Toastmasters
(en Toastmistresses), zie @: serviceclubs.

  

 

Tobago
zie @: Nieuw Walcheren.

 

 

 

 

  • a. personen die na het verlies van hun toelating van rechtswege, na verloop van de tijd waarvoor vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend of na intrekking van hun vergunning tot verblijf, niet binnen een te stellen termijn de Nederlandse Antillen hebben verlaten;
  • b. personen, voor wie ingevolge deze verordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht. De uitzetting geschiedt krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de procureur-generaal.

Ten aanzien van alle beslissingen staat beroep open op de Gouverneur. Verwijdering geschiedt door de gezaghebber van het eilandgebied waar zij worden aangetroffen ten aanzien van personen, die in strijd met de bepalingen van deze landsverordening de Nederlandse Antillen zijn binnengekomen of aldaar verblijven. Uitvoeringsregelen ondermeer in het Toelatingsbesluit (geldende tekst P.B. 1979 nr. 75).

 

 

@: Toelating en uitzetting
Het toezicht op de algemene regelen van toelating en uitzetting van Nederlanders is krachtens art. 3
Statuut een koninkrijksaangelegenheid. Behoudens dit toezicht is dit onderwerp bij landsverordening geregeld (art. 5 Staatsregeling). Ten aanzien van vreemdelingen is het stellen van algemene voorwaarden een koninkrijksaangelegenheid en is dit onderwerp eveneens bij landsverordening geregeld. Hieruit blijkt, dat in het toelatingsbeleid aan
het Land een grote mate van vrijheid is gegeven. De Landen behoren niet te discrimineren tussen Nederlanders die niet uit het betrokken land afkomstig zijn; om die reden is toezicht op koninkrijksniveau mogelijk gemaakt. Ten aanzien van vreemdelingen is het toelatingsbeleid voor het overgrote deel landszaak. De internationale positie van het Koninkrijk kan echter ertoe nopen en verplichten, dat vanwege het Koninkrijk regelen kunnen worden gesteld omtrent vereisten, waaraan vreemdelingen in ieder geval moeten voldoen om te mogen worden toegelaten. Bij de invoering van de Eilandenregeling (ERNA) is terecht dit onderwerp aangeduid als niet te behoren tot de zorg van een Eilandgebied (art. 2 sub D8 ERNA).
De Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) (geldende tekst P.B. 1966 nr. 17) regelt onder meer: toelating van rechtswege; toelating tot tijdelijk verblijf of verblijf bij vergunning verleend; uitzetting en verwijdering.
Uitgezet kunnen worden:

 

 

@: Toerisme 

Toerisme - Inleiding
Het toerisme in de Nederlandse Antillen heeft zich in de 1970ger jaren ontwikkeld tot één van de belangrijkste pijlers van de economie. Dit belang komt ondermeer tot uiting in het aandeel van het toerisme in de werkgelegenheid en in de deviezeninkomsten. Van de werkzame bevolking op de Nederlandse Antillen (1981: 80.731 personen) is ca. 12% direct betrokken bij het toerisme. Het belang als deviezenverdiener wordt duidelijk uit de betalingsbalans. De handelsbalans van de Nederlandse Antillen is altijd sterk negatief geweest. Met de dienstenbalans wordt een groot deel van het negatieve saldo van de handelsbalans goedgemaakt. Een groot deel van de dienstenbalans wordt gevormd door de netto-inkomsten uit het toerisme. Worden deze uitgedrukt ten opzichte van de importen, dan wordt hieruit het percentage van de netto-inkomsten verkregen dat door het toerisme wordt bekostigd. In 1982 bedroeg dit percentage ca. 40.

Toerisme - Cruise-toerisme
Het toerisme
kan worden onderverdeeld in twee hoofdvormen, namelijk het cruise-toerisme en het verblijfstoerisme (stay-over tourism). Het cruise-toerisme (zie tabel) is voor Aruba, Curaçao en St. Maarten zeer belangrijk. Op St. Maarten varieert het aantal cruise-toeristen tussen 95.000 en 110.000. Op Curaçao stijgt het aantal cruise-toeristen van 114.375 in 1972 tot 193.642 in 1976. Hierna zet zich een daling in met als gevolg dat het aantal in 1982, zelfs lager ligt dan dat van 1972. Een soortgelijke ontwikkeling deed zich voor op Aruba. De teruggang van het cruise-toerisme op de Benedenwindse Eilanden moet voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de stijging van de energiekosten. De langere (zuidelijke) reizen vanuit de thuishaven Miami werden te duur. De cruisemaatschappijen gingen zich beperken tot de kortere, noordelijke routes (Miami, Puerto Rico, Bahamas, Virgin Islands). Met name op Curaçao waar het cruise-toerisme gedurende vele tientallen jaren de belangrijkste vorm van toerisme is geweest - in de 1960er jaren gold het eiland zelfs als de shopping center of the Caribbean -  worden thans vele initiatieven ontplooid die ertoe moeten leiden dat Curaçao er wederom aantrekkelijk voor wordt.

Toerisme - Stay-over- of Verblijfstoerisme
Het verblijfstoerisme (zie tabel) is op
Aruba gedurende de periode 1972 tot en met 1982 belangrijk toegenomen. Het aantal toeristen uit de Verenigde Staten verdubbelde zich, van 60.450 tot 124.031. Het aantal toeristen uit Venezuela nam zelfs met meer dan het vijfvoudige toe: van 13.961 tot 74.429. Behalve aan het bestaan van een aantal belangrijke basis-attracties zoals aantrekkelijk klimaat, heldere zee, prachtige stranden, moet de toename van het aantal verblijfstoeristen op Aruba meer in het bijzonder worden toegeschreven aan het gevoerde toeristisch beleid. Dit beleid heeft ertoe bijgedragen dat er belangrijke investeringen hebben plaatsgevonden in de toeristische sector, met name in de bouw van hotels. In de periode 1972-1980 nam het aantal hotelkamers met meer dan 1000 toe.
Bonaire maakte eveneens een gunstige ontwikkeling door, voor wat betreft het verblijfstoerisme. De toename is hier voornamelijk toe te schrijven aan de opkomst van het duiktoerisme, dat zich meer in het bijzonder richt op de Amerikaanse markt. In de tweede helft van de 1970ger jaren komt eveneens het toerisme uit Venezuela op gang. Aan een Venezolaans initiatief tot de bouw van een groot toeristisch project (een toeristisch dorp met alle basisvoorzieningen, annex jachthaven) kwam door het faillissement van de Venezolaanse bank die voor de financiering zou zorg dragen, medio 1983 een einde. Een project van een dergelijke omvang zou een belangrijke impuls hebben gegeven aan de verdere toeristische en economische ontwikkeling van Bonaire
.
Ook voor St. Maarten geldt dat de toeristische ontwikkeling eigenlijk pas in de 1970ger jaren goed op gang is gekomen. Meer dan de helft van het huidige aantal hotelkamers werd in die periode gerealiseerd. Ca. 60% van de toeristen komt uit de Verenigde Staten. Als belangrijke attractie voor St. Maarten geldt bovendien, dat alle goederen er vrij van invoerrechten gekocht kunnen worden.

Toerisme - Verblijfstoerisme Curacao
Het verblijfstoerisme in de vorm van het recreatietoerisme heeft zich op Curaçao minder succesvol ontwikkeld dan op de overige eilanden. Tot aan 1980 is er nog sprake van een stijging. Deze stijging moet voornamelijk worden toegeschreven aan de toename van het aantal Venezolaanse toeristen. Ook het aantal toeristen afkomstig uit het Caribisch gebied is in de tweede helft van de 1970ger jaren belangrijk toegenomen. Het toerisme vanuit de Verenigde Staten en
Canada is daarentegen, geleidelijk aan met meer dan de helft teruggelopen. De Venezolaanse toeristen die Curaçao bezoeken zijn in het algemeen geen recreatietoeristen, maar zogenaamde kooptoeristen (netto-bijdrage op jaarbasis aan het nationaal inkomen van de Nederlandse Antillen wordt geschat op NAf 200 miljoen).
De kooptoerist onderscheidt zich van de recreatietoerist door een gemiddeld korter verblijf en een gemiddeld hogere besteding per dag. Uit een studie uitgevoerd in samenwerking met het
Caribbean Tourist Research Centre (C.T.R.C.)
, blijkt dat bijvoorbeeld de Amerikaanse recreatietoerist gemiddeld 5 tot 6 dagen op Curaçao verblijft en gemiddeld $110,- per dag besteedt. De Venezolaanse kooptoerist verblijft gemiddeld 3 dagen en besteedt gemiddeld $360,- per dag. Aan logies geeft hij verder het liefst zo min mogelijk uit. Hij verblijft in het algemeen in de lager geclassificeerde hotels, dan wel in pensions.

Toerisme - Ontwikkeling hotelsector Curacao
De ontwikkeling in de hotelsector is evenmin rooskleurig geweest. Na 1972 zijn er geen nieuwe hotelprojecten meer gerealiseerd. De zogenaamde luxe-hotels (alle gebouwd vóór 1972) verkeren allemaal - de één meer, de ander minder - in een slechte staat van onderhoud. Het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao heeft - mede gelet op het belang van het toerisme voor de werkgelegenheid - besloten tot een nieuwe aanpak van het toerisme. De plannen zijn onder meer gericht op de verbetering van het toeristisch produkt Curaçao en de verbetering van de marketing van dit produkt. De renovatie van de hierboven bedoelde hotels, alsmede de scholing en motivatie van het personeel werkzaam in deze sector, maken hiervan deel uit. De bevordering van het toerisme is een eilandstaak; binnen elk eilandgebied bevindt zich een toeristenbureau. Verder hebben Aruba en Curaçao elk hun eigen kantoren in het buitenland voor de promotie van het toerisme, zoals bijvoorbeeld in New York, Miami, Venezuela, Dominicaanse Republiek en Argentinie. St. Maarten en
Bonaire hebben daarentegen geen eigen bureaus in het buitenland. Zij worden in de Verenigde Staten door een public-relationsfirma vertegenwoordigd.
Het belang van het toerisme voor de afzonderlijke economieën van de eilanden is dermate groot, dat op de eilanden de behoefte gevoeld wordt tot een meer integrale benadering en verdergaande professionalisering van de aanpak van het toerisme. Op Curaçao is een begin gemaakt met de reeds eerder vermelde nieuwe aanpak van het toerisme. Op
Aruba is inmiddels een in 1931 uitgebracht ontwikkelingsplan voor het toerisme aangenomen. Het eilandelijk toeristenbureau zal worden opgeheven. Daarvoor in de plaats komt de Aruba Tourist Authority (A.T.A.).
In deze nieuwe structuur zullen de eilandelijke overheid en de private sector samenwerken in het tot ontwikkeling brengen, promoveren en marketen van het toeristisch produkt Aruba.
Op St. Maarten is onlangs uitgebracht een sectorale studie over het toerisme, als onderdeel van een ontwikkelingsplan voor St. Maarten. Hierin zijn een aantal scenario's ontwikkeld voor de toekomstige aanpak van het toerisme.

 

 

@: Toetsingsrecht
Krachtens art. 49 Statuut kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent de verbindendheid van wetgevende maatregelen, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur. Het werd niet raadzaam geacht hieromtrent in het Statuut zelf te voorzien. De praktijk zal moeten leren of enigerlei voorziening nodig is, naast de reeds bestaande bepalingen in de Grondwet voor zover het internationale regelingen betreft (art. 94 Grondwet). Deze bepaling geldt voor het gehele Koninkrijk. Zij luidt: Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In de Staatsregeling bepaalt art. 20, dat bepalingen ener landsverordening, waarin wordt voorzien door een hogere wettelijke regeling, vervallen op het ogenblik dat zodanige regeling in de Nederlandse Antillen in werking treedt (tenzij de bepalingen gelijk zijn). Volgens gangbare mening wordt aan de rechter het toetsingsrecht van landsverordeningen ontzegd door art. 21, dat de bepalingen ener landsverordening verbindend verklaart, totdat zij ten gevolge van een latere landsverordening of ingevolge art. 20 zijn vervallen of het besluit van de Koning tot haar vernietiging in de Nederlandse Antillen in werking is getreden. Art. 120 Grondwet bepaalt, dat de rechter niet in beoordeling treedt van de grondwettigheid van wetten en internationale overeenkomsten.

 

 

 

@: Toezicht
zie @: Gezaghebber; @: Gouverneur; @: Koning.

 

 

 

@: Toneel

Inleidend: Aparte behandeling voor de verschillende eilandgebieden
• Curacao
• Aruba
• 
Bonaire
• Bovenwinden

Toneel - Inleiding:
Toneel wordt in de Nederlandse Antillen uitsluitend door amateurs beoefend. Evenals bij de letterkunde (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen) kunnen ook voor de toneelbeoefening in de laatste honderd jaar drie perioden worden onderscheiden, die worden bepaald door de voorkeur voor een van de talen Spaans, Nederlands of Papiamentu en daarmede voor een zekere cultuursfeer. De Spaanse periode kwam tot bloei door de aanwezigheid van Zuid-Amerikanen terwijl de Nederlandse dominant zich vooral tussen de twee oorlogen heeft doen gelden door de sterke immigratie van Europese Nederlanders ten gevolge van de vestiging van de Shell. Het frequente bezoek van Nederlandse acteurs en regisseurs aanvankelijk onder auspiciën van het
Algemeen Nederlands Verbond - later Sticusa - en de Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij, heeft stellig bijgedragen tot de ontwikkeling en bloei van het toneel.

Toneel - Curaçao
De Spaanse periode kan worden geacht te beginnen met de opening in 1871 van de eerste schouwburg in de Nederlandse Antillen, het
Teatro Naar (hoek Pietermaaiweg/Theaterstraat) met een Spaans drama La Gracia de Dios (Gods Genade), waarschijnlijk van de Venezolaanse dichter Manuel Maria Bermudez Avila. In deze periode ontstonden ook de permanente en incidentele groepen die veladas gaven, soirees met vocale en instrumeritale recitals, voordrachten, tableaux vivants en dans. Bijzonder veel activiteit ging in dit opzicht uit van de bekende vereniging Entre Nous. Aan de Spaanse cultuurperiode kwam omstreeks 1920 een einde, al kon men verschillende elementen van de veladas duidelijk terugvinden in de muzikale revues van Romualdo Hanst, (Gran Revista Musical) Moy Galante (Magnolia) en Dugo Desiré Schenker, oprichter van de Curaçaosche Toneelgroep Zwaan (1941), die nog steeds jaarlijks populaire shows verzorgt.

Toen de eerste door Sticusa uitgezonden regisseur Paul Storm in 1952 op Curaçao arriveerde om leiding te geven, advies te verstrekken aan het toneelleven in het algemeen en een aantal stukken te regisseren vond hij geen braak terrein: door fraters en zusters werd op scholen het Nederlands toneel gestimuleerd terwijl in de Club San Hosé (Pietermaai) en St. Tharcisius Club (Otrobanda) in het Papiamentu vertaalde stukken werden opgevoerd. Een bekend toneelspeelster en regisseuse was mevrouw Bernadina Schoonewolf. Bekende toneelgezelschappen, die zich uitsluitend van het Nederlands bedienden waren Toneelgroep A.N.V., gerekruteerd voornamelijk uit leden van het Algemeen Nederlands Verbond, de Toneelvereniging Emmastad uit de kring van de Shell en de Toneelvereniging Curaçaosche Comedie. De laatste twee fuseerden in 1971 tot Studio waarvan zich later onder leiding van Herman Broesterhuizen een groepje afscheidde en The Theatre Players oprichtte.
Vóór 1953 heeft het
A.N.V. zich hoofdzakelijk bepaald tot het doen uitkomen van Nederlandse toneelgezelschappen: Comedia in 1949, De Haagse Comedie in 1950 en cabarets (Wim Sonneveld in 1951 en Wim Kan in 1952). Onder regie van Paul Storm en zijn opvolgers koos men vooral voor een Nederlands repertoire: o.a. De brief aan Don Juan van Luisa Treves; De wijze kater van Herman Heyermans. De andere gezelschappen kozen voor een internationaal repertoire met werken van o.a. Edward Albee, Agatha Christie, Friedrich Dürrenmatt, Peter Shaffer, Anton Tsjechow en Oscar Wilde. Hierin werd in de eerste plaats voorzien door vertaling van mysterie- en blijspelen uit de Franse, Nederlandse, Engelse en Spaanse literatuur. De vertalingen dragen het karakter van adaptaties. Tot de meest spectaculaire opvoeringen behoren: Shon Pichiri (l’Avare van Moliëre) en Laiza Porko Sushi (Pygmalion van G.B. Shaw) door May Henriquez, Mari di Malpaïs (Mariken van Nieumeghen) door Raul Rómer, Ilushon di anochi (Midsummernight’s dream van Shakespeare) door Jules de Palm, Gai bieu ta traha sòpi stèrki (Cosas de Papa i Mama van Alfonso Paso) door Nydia Ecury en Barku riba anker (La barca sin pescador van Alejandro Casona) door Luis Daal.

Toen eenmaal bewezen was dat het Papiamentu zich uitstekend leende voor de dramatiek, zagen meer originele Papiamentse stukken het licht en werden toneelgezelschappen opgericht, die zich uitsluitend van de moedertaal bedienden. Reeds in 1957 wees de Sociedad Pro Arte Escenico onder leiding van Edward (Eddy) Pieters hierin de weg. De in 1981 overleden Stanley Bonifacio schreef en regisseerde Amor den Jan Kok voor zijn Toneelgroep Bulundanga; Eligio Melfor introduceerde met ongekend succes het politieke cabaret met de centrale figuur Biberin. Toneelgezelschappen die niet onvermeld mogen blijven zijn:

Grupo di Komedia ‘Thalia’ (o.a. Jacques en Rina Penso, Bunchi Römer-Henriquez, Frank Davelaar en Philip Rademaker).
Grupo di teatro ‘Ilushón Kosmiko’ (Felix de Rooy en Norman de Palm) die naar nieuwe vormen streefde en ‘totaal theater’ introduceerde.
Grupo di teater ‘Foro’ (Gibi Bacilio) gebaseerd op de methode ‘forum theater’, ontwikkeld door de Braziliaanse regisseur en dramaturg Augusto Boal, waarbij de bevolking door middel van het straattoneel geconfronteerd wordt met problemen op het politieke, sociale en culturele vlak.
Grupo Kuenta Krioyo, die onder een collectieve spelregie in gedramatiseerde vorm aan kinderen bekendheid geeft aan Antilliaanse volksverhalen en het Papiamentstalige kindertoneel tracht te ontwikkelen en te stimuleren (Eddy Kelly, Marieta de Freitas-Eugenio, Laura de Sain-Quast en Diana Domacasse-Lebacs). Deze groep werd geïnspireerd door de Belgische regisseur Tone Brulin, die jongeren opleidde voor workshoptoneel en het bewegingstheater introduceerde, waarop Pacheco Domacasse verder voortborduurde.
Behalve de schrijver-regisseur Domacasse moeten nog vermeld worden de auteur Guillermo Rosario en de Antilliaanse regisseurs Harcourt Nicholls en Edsel Samson. De modern geoutilleerde schouwburg Centro Pro Arte
, waar de meeste toneelstukken worden opgevoerd, heeft een niet geringe bijdrage geleverd aan de bloei van het Curaçaosche toneelleven.

Toneel - Aruba
Het Spaanstalige toneel heeft zich vooral geconcentreerd in de
Sociedad Bolivariana. Deze groep, die verschillende werken heeft opgevoerd uit de Spaanse literatuur, stond onder leiding van de Venezolaanse vice-consul Jesus de Lima. Het Engelstalig toneel kwam voornamelijk tot bloei in de kring van Lago-employés waar Eunice Lang in 1950 Dramatic Workshop oprichtte. Door de automatisering van het bedrijf zijn zoveel stafemployés afgevloeid, dat deze toneelgroep moest worden opgeheven.
Aan het Nederlandstalig toneel zijn de namen verbonden van
Jan Pauw en Henk Hessling, die in 1941 de toneelgroep Algemeen Nederlands Verbond Aruba oprichtten. Deze groep heeft onder regie van Jan Pauw gedurende 20 jaar verschillende opvoeringen gegeven van stukken van o.a. J. Fabricius, Oscar Wilde en Tennessee Williams. Daarnaast moet genoemd worden het echtpaar Pieter en Lien Wurtz, dat in 1953 de amateur-toneelgroep Aruba van de grond bracht, die verscheidene stukken uit het internationale repertoire heeft opgevoerd onder regie van Pieter Wurtz. De eerste beroepsregisseur, die op Aruba werkzaam is geweest, was de door Sticusa uitgezonden Henk van Ulsen, die in 1955 met dit gezelschap Tartuffe van Moliëre en Our Town van Thornton Wilder bracht. De zelfwerkzaamheid van de bevolking werd door hem en zijn opvolgers gestimuleerd. Vermelding verdienen: Joeki Broedelet, Piet Kamerman en Elly Ruimschotel, Piet en Alexandra Eelvelt, Peter Holland, Maxim Hamel en Dolf de Vries. Zij hebben ertoe bijgedragen, dat het Papiamentstalig toneel tot bloei kwam. Daarvóór beperkte het zich hoofdzakelijk tot dramatisering van bijbelse teksten en tot religieuze stukken. Mascaruba, opgericht in 1961 onder leiding van Dominico Tromp en in hoofdzaak tot stand gekomen door een fusie van eerder bestaande toneelgroepen, in het bijzonder van het Centro Apostolico Arubano, dat voornamelijk stichtelijke drama’s en mirakelspelen heeft gebracht (o.m. Golgotha van Hubert Booi en de Papiamentse adaptatie van Beatrijs door Ernesto Rosenstand onder de titel Bo felicidad ta seca mi), de Grupo Artistico di Santa Cruz, die zijn aandacht voornamelijk tot het lichte genre bepaalde en Studio Comediantes. Mascaruba, bestaande uit een Papiamentse, een Nederlandse en een Engelse sectie, heeft het meest bekendheid gekregen door haar Papiamentse uitvoeringen zowel van ernstige als van lichtere stukken, o.m. de adaptatie van Mariken van Nieumeghen door Nena Vrolijk onder de titel María di Ser’i Noka (zie Marchena, Lulu). Onder regie van Oslin Boekhoudt zijn ook verschillende stukken gespeeld van de hand van Ernesto Rosenstand (o.a. Macuarima en de musical Wadirikiri). Bekende spelers zijn Richard Harms, Alcides Quilotte en Nena Vrolijk
. Door het succes van deze groep zagen andere toneelgroepen het licht; zij bedienen zich bij voorkeur van het Papiamento.

Een zo'n groep is Grupo Teatral Arubano (1975) met als regisseuse Burny Every, die aan de Toneelschool van Amsterdam haar opleiding tot actrice heeft voltooid en verbonden is geweest aan het gezelschap De Noorder Compagnie. Veel succes oogstte zij met het klassieke stuk Antigona in de vertaling van Ramon Todd Dandaré en Pedro Velasquez. Een tweede groep die in dit verband genoemd kan worden is Teatro Experimental Arubano (1978) waarbij Ernesto Rosenstand als schrijver en regisseur optreedt van stukken, die de problematiek van de Arubaanse gemeenschap tot onderwerp hebben (alcoholisme, prostitutie). Bekende spelers uit deze groep zijn Ana Maduro-Tromp, Boy Maduro en Marion Lopez. Tenslotte verdient hierbij vermelding Grupo Teatro Foro, die opvoeringen geeft van stukken met actuele onderwerpen op straat, plein of in parken, waaraan het publiek actief deelneemt.

Ter stimulering van het toneelleven heeft het Cultureel Centrum Aruba de laatste jaren toneelfestivals georganiseerd met groepen van verschillende landen uit de regio. Dat de jeugd niet vergeten wordt, blijkt uit de jaarlijkse organisatie van een festival di teatro juvenil, waaraan verschillende kindergroepen, scholen en buurtcentra deelnemen. De oudste groep, De Trupialen, is in 1953 door frêre Alexius Preyde aanvankelijk als jongenskoor opgericht. Uit leerlingen van de Prinses Margrietschool is ontstaan Las Margaritas terwijl de leerlingen van de St. Janschool onder leiding van Lilia Caster-Luydens Grupo di teatro talento juvenil oprichtten. Kresiendo bestaat uit leerlingen van het Colegio Arubano, die verschillende stukken hebben opgevoerd, die zij zelf hebben geschreven. De reeds genoemde Grupo Teatral Arubano houdt zich ook intensief bezig met kindertoneel: Richard Frank, Mario van der Biezen, María Schilders en Ramon Todd Dandaré hebben zorggedragen voor stukken als Aventura sin spera, Un Pascu pa Ma Mina en Mala mucha mei anochi. In 1980 is opgericht Chi ku Cha, die door het organiseren van culturele middagen voor de jeugd (in Cas di Cultura) interesse voor het toneel tracht te kweken. De groep staat onder leiding van Desiree Correa, Ana Maduro-Tromp, Emy Davelaar en Ernesto Rosenstand. Toneelopvoeringen vinden doorgaans plaats in Cas di Cultura in Oranjestad.
 

Toneel - Bonaire Het toneelleven op Bonaire heeft veel baat gehad bij de bloei van de gezelschappen op Aruba en Curaçao, die hun voorstellingen ook op dit eiland opvoerden al moet zeker vermeld worden, dat Elizabeth Booi-Hart reeds in 1921 met Nos tur ta karbonero (Wij zijn allen houtskoolbranders) bij haar eilandgenoten interesse voor het toneel wekte en dat Pacheco Domacasse jarenlang een paar keer per week naar zijn geboorte-eiland overvloog om aan gezelschappen leiding te geven. Grupo Teatral Boneriano o.l.v. Rudi Domacasse en Boy Antoine en Grupo Teatro Foro (Nerry Gonzales)
verdienen een aparte vermelding.

Toneel - Bovenwindse Eilanden
Het in 1962 onder leiding van
Piet Eelvelt op St. Maarten opgevoerde kerstspel waaraan ongeveer 250 personen deelnamen, heeft ontegenzeggelijk bijgedragen tot de ontwikkeling van het toneelleven. Het Engelstalig toneel richt zich vooral op dramatiek en folklore uit het Caribisch gebied. Vooral The Cole Bay Theatre Company, opgericht in 1978, die in vier jaar 7 stukken heeft opgevoerd, kan zich in een groeiende populariteit verheugen. Op St. Eustatius is de St. Eustatius Action Theatre sinds 1980 actief met eigen produkties. Het stuk Independence .... our slow death? van Ellis Lopes werd onder zijn regie op alle eilanden op de planken gebracht.

 

@: Tonijnen

 

(buní of bonito) behoren tot de makreelachtigen (familie Scombridae). Zij staan bekend als razendsnelle zwemmers tot 75 km/u. Zij ontwikkelen daarbij warmte, zodat zij een lichaams-temperatuur hebben die enige graden hoger kan zijn dan die van het water. Het zijn pelagische dieren die, zoals merkproeven hebben aangetoond, grote afstanden kunnen afleggen. Zij leven van vis en pijlinktvis (squid). (Zie verder @: Vissoorten van commercieel belang).

 

 

@: Toontalen
worden gekenmerkt door de mogelijkheid verschillen in woordbetekenis aan te duiden uitsluitend door verschillen in de relatieve toonhoogten van de lettergrepen. Als twee woorden in een toontaal op deze manier worden onderscheiden, zijn de klinkers en medeklinkers en ook de klemtoon, in beide woorden gelijk. Er is dus sprake van lexicale tonen: tonen op het niveau van het woord. In veel toontalen kunnen bepaalde lettergrepen wat hun toon betreft de invloed ondergaan van de lexicale toon van een voorafgaande of erop volgende lettergreep, wat ingewikkelde beinvloedingspatronen
kan doen ontstaan. In het taalgebruik worden woorden ondergebracht in grotere eenheden, zinnen genoemd, die gekenmerkt worden door tonen van verschillende toonhoogten: de intonatie of zinsmelodie. Voor een toontaal krijgt men nu dat de lexicale tonen en de intonationele tonen elkaar gaan beinvloeden en dit leidt weer tot gecompliceerde toonstructuren.

Op lexicaal niveau heeft men ook het verschijnsel dat een lettergreep prominent kan zijn ten opzichte van de andere; men zegt dan dat op die lettergreep de klemtoon of het accent valt. Meestal wordt dit in niet-toontalen aangegeven door een hogere toon en een langere duur (tenzij de intonationele tonen die onmogelijk maken en alleen de duur aangeeft welke lettergreep beklemtoond is). Aangezien in een toontaal de toon van een lettergreep door het lexicale toonsysteem wordt bepaald, zijn, wat betreft de aanduiding van de prominentie, niet dezelfde mogelijkheden beschikbaar als in een niet-toontaal. Men ziet dan ook dat het prominent zijn (de klemtoon hebben) in toontalen soms een secundaire rol speelt. Maar ook kan het zijn dat de beide systemen (lexicale toon en klemtoon) onafhankelijk van elkaar de structuur van het woord bepalen, zodat de woorden een toon-klemtoonpatroon opgelegd krijgen.

Het aantal toontalen dat men spreekt in Azië, Afrika en op het Westelijk halfrond (Indiaanse talen) is zeer groot. In Europa hebben o.a. het Zweeds en het Noors een, zij het beperkt, lexicaal toonsysteem. Als een Creoolse taal ontstaat in een situatie waarin ook een toontaal een rol speelde (zie @: Creoolse talen), kan het voorkomen dat ook in de Creoolse taal een lexicaal toonsysteem deel uitmaakt van de structuur. Afrikaanse toontalen hebben zo bijgedragen tot de vorming van Creoolse toontalen, niet alleen in Afrika zelf, maar ook in het Caribisch gebied, waar tot nu toe voor drie talen een lexicaal toonsysteem is ontdekt: het Papiamentu (eerste melding in 1958), het Saramaccaans (Suriname; eerste melding in 1959) en het Djuka (Suriname; eerste melding in 1972). Voor het Papiamentu staat vast dat het om een volledig toonsysteem gaat; voor het Saramaccaans is dit vermoedelijk ook het geval; van het Djuka zijn nog onvoldoende gegevens bekend. (Zie ook @: Papiamentu: structuur).

Literatuur

  • Voor het Papiamentu:
  • R.G. Römer, Geheimen van het Papiamentu, in: De Nederlandse Antillen in de actualiteit, H. de Wit en J. van de Walle, red. (1958);
  • zie verder: @: Papiamentu: Literatuur
  • Voor het Saramaccaans:
  • J. Voarhoeve, An orthography for Saramaccan, Word (1959);
  • Idem, Le ton et la grammaire dans le Saramaccan, Word (1961).
  • Voar het Djuka:
  • G.L. Huttar en M.L. Huttar, Notes on Djuka phonology, in: Languages of the Guianas, J. E. Grimes, ed. (1972).

 

); het ommuurde Willemstad uit Pietermaai gezien, geeft een aquarel uit die tijd (zie ook @: Beeldende kunsten). Voor lit. zie Ozinga, M.D.

 

 

@: Topografische afbeeldingen, Oude
De tot dusver bekende tekeningen en prenten hebben vrijwel alle betrekking op Curaçao met name op de St. Annabaai met de haar beheersende forten, die uit historisch oogpunt van belang zijn geweest. Behalve het midden-18de eeuwse getekende profiel van Willemstad in het
Nederlands Historische Scheepvaartmuseum te Amsterdam en de gravure in de Nederlandse Mercurius van 1766 van de nieuw gebouwde Lutherse kerk, dagtekenen ze pas van het einde der 18de eeuw, toen de Nederlandse Antillen opnieuw betrokken raakten in de wereldpolitieke verwikkelingen, tot aan het opkomen van de fotografie in het laatste deel der 19de eeuw. Sommige zorgvuldige opnamen van het te Willemstad werkzame atelier Soublette & Fils hebben dan ook een grote documentaire waarde (zie @: Soublette, Robert). Te noemen vallen hier de geaquarelleerde gezichten op Curaçao uit 1786 (National Maritime Museum Greenwich), uit 1791 (Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum) en het met R.S. gesigneerde uit 1800, thans in het Henry Francis du Pont Winterthur Museum (Delaware, Ver. Staten; vgl. West-Indische Gids, jrg. 13 dl. 14 (1932) blz. 496), dat de noodlotsdagen van september 1800 in beeld brengt, waarin Amerikaanse fregatten te hulp kwamen tegen de Fransen uit Guadeloupe, die zich meester gemaakt hadden van Otrobanda en op de buitenbaaien loszeilden. Aan de toen beginnende Engelse bezetting danken wij twee aquatinten van 1812, uit ongewone gezichtshoek, door Thomas Hall naar James Belt. Uiterst conscientieus is nadien het werk van een paar kunstzinnige militaire insiders: de lithografieën uit 1830-1838 naar tekening van de toenmalige garnizoensofficier (baron) R.F. van Raders en die van de marineschilder J.E. van Heemskerk van Beest (Kampen 28 februari 1828 - Den Haag 24 december 1894) naar gevoelige aquarellen van de ook in dit deel van De West tekenende jonge luitenant-ter-zee G.W.C. Voorduin (1830-1910). De haventoegang met Riffort en Waterfort in goede toestand komen eigenlijk het best uit op een schilderij van P. Crebassol uit 1858 (part. coll. Amsterdam; nr. 306 cat. tentoonstelling Wonen in de wijde wereld van de Stichting cuituurgeschiedenis van de Nederlanders overzee, 20 december 1963-16 maart 1964, Koninklijk Instituut voor de Tropen

 

 

 

 

@: Tournier, Luc
pseudoniem van Engels; zie @: Engels, Christiaan Joseph Hendrikus.

 

 

 

 

 

@: Totolika
zie @: Duif.

 


 
@: Tractatenblad
is het sinds 1 januari 1951 verschijnend officiële blad, waarin gegevens over door het Koninkrijk der Nederlanden aangegane internationale overeenkomsten worden gepubliceerd (Stb. 1950, K 667; P.B. 1953, nr. 87). Het Tractatenblad, afgekort Trb., bevat behalve de tekst (en vertaling) van de overeenkomst ook een aantal rubrieken dat alle inlichtingen verstrekt inzake het verloop van de overeenkomst. (Vóór 1951 werden de overeenkomsten bekendgemaakt in het Staatsblad.) Aan het einde van elke jaargang van het Tractatenblad staat een index, waarin chronologisch, alfabetisch en op volgorde van uitgifte terug te vinden is welke Tractatenbladen dat jaar zijn uitgegeven.

 

  

@: Tras
Een min of meer verharde vulkanische as (tuf) , werd vroeger op

 

 

 

 

@: Trans World Radio
Een organisatie, opgericht 11 februari 1952 te Greensboro in de Verenigde Staten, welke zich het verspreiden van het evangelie van Jezus Christus door middel van wereldomroepstations van groot vermogen tot doel stelt. Trans World Radio heeft grote zenderparken op Bonaire en in

 

 

 

 

 

@: Transcriptieprogramma’s
worden door de Nederlands-Antilliaanse omroep- en televisiestations ontvangen van Radio Nederland Wereldomroep, de N.O.S., de B.B.C. en verscheidene consulaten.

 

 

 

 

 

@: Tranké
(of trankera) omheining van gaas of van cactuszuilen waarmee erven en tuinen of akkers worden afgezet.

 

 

 

 

 

@: Tram
In 1884 werd op initiatief van Abraham Salas de Curaçaosche Paarden Spoorweg Maatschappij opgericht en kort daarna verbond de eerste paardentram Scharloo via het Julianaplein en Pietermaai met de Breedestraat - Punda. Zo’n rit kostte aanvankelijk 6 cent. Reeds in 1886 moest heer  Salas de hem verleende concessie overdoen aan de Curaçaosche Tramway Maatschappij, die het materieel opvoerde van twee tot drie wagens. Een voordelig bedrijf is de paardentram evenwel nimmer geworden, maar hij is tot 31 maart 1911 blijven rijden. In oktober van dat jaar deed een motortram zijn intrede, die een 20-minutendienst onderhield van Punda tot achter Scharloo van zeven uur ‘s morgens tot half elf ‘s avonds. Ook in Otrobanda is korte tijd een paardenspoorweg geweest: van mei 1895 tot eind 1896. Deze tram verbond het Brionplein via de Breedestraat Otrobanda met de protestantse begraafplaats aan de Roodeweg.
 

 

 

 

 

  • Lit.: L.A. Dew, The railroads of Aruba and Curacao - Railverkeer op Aruba en Curacao (1977).
  •  

 

 

Monte Carlo, studio’s o.a. op Bonaire en in Monte Carlo, Tanger en Straatsburg. De installatie op Bonaire werd in 1962 in gebruik genomen (zie @: Radio-omroep).

 

 

 

 

@: Triangel
Een slaginstrument gemaakt van een ijzeren staaf die tot een driehoek is omgebogen, wordt met een ijzeren staafje bespeeld, waarmee in een draaiende beweging, achtereenvolgens op alle zijden aan de binnenkant van de driehoek wordt getikt. Door met de hand, waarmee de aan de duim vrijhangende triangel wordt vastgehouden, afwisselend op de twee zijkanten te drukken en deze weer los te laten, wordt de klankkleur veranderd. De triangel wordt vooral bij de muzik di zumbi gebruikt.

 

 

 

@: Tribon
zie @: Haaien.

 

 

 

 

 

 

St. Eustatius gewonnen en in gemalen toestand toegevoegd aan mortel, voor huizenbouw ter plaatse. Uitvoer heeft plaatsgehad naar Curaçao voor het bouwen van vestingwerken (1827 en volgende jaren). In 1845 was er uitvoer naar Puerto Rico voor het metselen van een droogdok.

 

Illustratie: Schilderij "Art Of Kunst" van de Arubaan Elvis Tromp. Het stuk uit 1991 is gerealiseerd op canvas met olieverf en heeft een formaat van 90 a 75cm

@: Tromp Elvis Harold

is een op Aruba geboren auto-didactische kunstenaar, die zijn voornamelijk schilderkunst op canvas en door middel van olieverf registreert. Tromp zag het levenslicht op October 26, 1962 en begon reeds op zijn zevende verjaardag met olie te schilderen, Zijn voornaamste publieke vertoning tot nu toe was zijn exhibitie gedurende de Mira Arte tentoonstelling in de Atrium Hall in Oranjestad, Aruba.

 

 

kan uitstrekken van de I.T.C.Z. (Inter Tropische Convergentie Zone) tot in de sub-tropen. De tropical wave is het belangrijkste slechtweersysteem in de passaatgordel; jaarlijks doen zich in de Atlantische orkaanzone zo’n zestig tropical waves voor. Het langstrekken van een tropical wave kenmerkt zich normaliter door aanvankelijk onderdrukte wolkenontwikkeling bij enigszins krimpende wind, gevolgd door een periode van één of meer dagen met verhoogde buien- of onweersactiviteit bij enigszins ruimende wind. In een tropical wave kan, afhankelijk van verdere atmosferische omstandigheden, een * tropische depressie tot ontwikkeling komen, die dan weer verder kan uitdiepen tot een tropische storm of een orkaan, die zich vervolgens verder kan ontwikkelen in de verschillende kategorien van sterkte die mogelijk zijn - van kategorie 1 tot 4-5.


 
@: Tropische depressie
zie @: Depressie.

 

Bonaire geïmporteerd. De gele trupial, gonsalito, of trupial kachó (Icterus nigrogularis) komt vanouds op Bonaire voor; deze soort is minder spectaculair in uiterlijk en ook wat zijn geluiden betreft: niet meer dan een hees gekrijs en een prevelend gefluit. Daarentegen maakt deze soort zich minder schuldig aan fruitbeschadiging. Hij maakt een opvallend lang flesvormig hangnest aan de uiteinden van boomtakken. Bekijkt men een nest van dichtbij, dan ziet men dat het dier in staat is echte knopen in plantevezels te leggen. Beide soorten zijn bij de wet beschermd.

 

St. Eustatius, gekweekt.

 

Maatregelen kunnen voorts worden getroffen in verband met ongeschiktheid door ziels- of lichaamsziekte, door ouderdoms- of lichaamsgebreken en ingeval van gewoonte van drankmisbruik of misbruik van verdovende middelen. De te treffen maatregelen zijn: waarschuwing, berisping, geldboete, schorsing of ontzegging. De toepassing geschiedt in eerste aanleg door het Medisch Tuchtcollege. Samenstelling: een rechtsgeleerde als voorzitter en twee artsen, waarvan één wordt vervangen door een tandheelkundige, vroedvrouw of apotheker bij een beslissing betreffende een vakgenoot. Het hoger beroep wordt ingesteld bij het Hof van Justitie.


 
@: Tula
bijgenaamd Rigaud, was één van de leiders van de in augustus 1795 op Curaçao uitgebroken slavenopstand, die ten minste duizend man omvatte en die na ruim een maand werd onderdrukt. De bijnaam Rigaud was ontleend aan de Franse mulatten-generaal, die in Saint Domingue (Haïti) de slaven met zijn troepen had gesteund en die naar de verwachting van de opstandige Curaçaosche slaven ook hun te hulp zou komen.
Tula werd in september 1795 gevangen genomen, gemarteld en terechtgesteld. Hij en de slavenopstand worden jaarlijks op 17 augustus herdenkt gedurende een ceremonie die plaatsvindt bij het ter ere van de slavenopstand opgerichte monument te Rif (zie @: Slavernij).

 

 

@: Tumba
Een tweedelige dans in tweekwartsmaat, die in het  begin van de 20ste eeuw nog als een eenvoudige muzikale vorm waarin hekeldichten werden gegoten door het leven ging. Haar ontstaan wordt echter reeds rondom de allereerste aanwezigheid van slaven op Curaçao gecentreerd. Sinds haar ontstaan heeft de tumba een diepgaande ontwikkeling doorgemaakt: De "kwajongens" groep, die roddel op muziek zette (zie ook @: Tambú), is thans veranderd in een gemeenschap hoogwaardige komponisten, tekstschrijvers, arrangeurs en musici - de laatste tijd zelfs van aan conservatoria afgestudeerden - die ter stalling van hun kunsten onder andere jaarlijks aan de tumbafestival deelnemen. 

De oorspronkelijke tumba bestond uit twee delen van acht maten. De naam tumba is afkomstig uit de Bantu-cultuur (Kongo), waardoor het te verklaren is dat de tumba als dans- / muziekvorm ook voorkomt in Cuba en de Dominicaanse Republiek. Deze oorspronkelijke tumba, muzik di zumbi genaamd; in werkelijkheid muzik di sòmbi (= slaaf), was in eerste instantie een muzieksoort die in hoofdzaak met de benta werd voortgebracht. In het begin waren er daar twee varianten: De stijl van Johannes van Uyten in Banda'riba, het oostelijk deel van het eiland en die van Tom Plantein in Banda'bou, het westelijk deel. Zijn tumbastijl werd heel toepasselijk tumba di Westpunt genoemd. Tom Plantein schijnt ook als eerste de fluit in de oorspronkelijke tumba te hebben ingebracht.

Tegen het einde van de 19de eeuw is de tumba heel ver van zijn eenvoudige oorsprong als muzik di sòmbi ontwikkeld en wordt er ook gebruik gemaakt van instrumenten als kuarta (4-snarig gitaar), de normale gitaar, wiri, tambú grandi en zelfs van de viool en de piano. Met de komst van de viool en de piano in de tumba is ook de West-Europese invloed op de produktie van dit muzieksoort een feit. Met deze invloed komt er ook een verandering in de wijze waarop de tumba geannoteerd wordt: De Europese school  noteert de maat en schrijft noten; de Afrikaanse school anoteert het tempo. De eerste overgang in de tumba is de overbrenging van de door de benta gedomineerde muzik di sòmbi naar een tumba waar tokkelinstrumenten (gitaar) de boventoon gaan voeren. Dit betekent echter niet, dat de tumba dan geheel van zijn Afrikaanse oorsprong ontdaan wordt. De ontwikkeling die de tumba hierbij volgt schijnt zich voorheen ook in het Zwarte Continent zelf op ongeveer gelijke wijze te hebben voltrokken, althans voor wat betreft de tokkelinstrumenten. De Afrikaanse cultuur kent namelijk een overvloed aan tokkelinstrumenten, waar de Curaçaosche musici simpelweg niet van op de hoogte zijn.

Reeds in het begin van de 19e eeuw gaat de piano een steeds belangrijker rol spelen in de vertolking van de tumba.  Met zijn 88 toetsen heeft de piano het in zich om alle instrumenten die de tumba ooit gebruikte te emuleren. Mogelijk maakt de benaming tumba di salòn of tumba pa orkesta reeds dan zijn entree in het lexicon van deze muziek. Want, de Curaçaosche muzikale virtuoos Jan Gerard “Gerry” Palm (1831-1906) schijnt de eerste te zijn, die de vertaling van de tumba gespeeld voornamelijk op basis van tokkelinstrumenten naar de piano te hebben vertaald. Doktoor Palm houdt zich namelijk ook bezig met het komponeren van klassieke of klassiek georiënteerde muziek. Hij is echter zeker niet te beroerd om de tumba, de ex-muzik di zumbi, in zijn belevingswereld toe te laten maar trekt haar wel naar de bijna eenzame hoogte waarop de muzikale genie zich ophoudt. Noblesse oblige! Behalve meer kennis op een nieuw gebied, levert de bemoeienis met de tumba hem geen windeieren op: Toen hij eenmaal zeer bedreven was in het komponeren van de mooiste of scherpste tumba's werd Doktoor Palm met grote regelmaat benaderd door sollicitanten die hem steeds opnieuw de vraag stelden: "Shon Jerry por komponé un tumba pa mi....", waarna steeds opnieuw het lucratief getinte antwoord volgde: "Bai bo bin ku tré (s) yotín". Die tré yotín  van die tijd was misschien wel vijftig hedendaagse guldens of zo waard.

In het begin van de 20ste eeuw maakte de tumba ook nog de verbinding met de film. De stomme (geluidloze) films van die tijd, op Curaçao met pelikula di Charlie Chaplin aangeduid, vanwege de populariteit van de producties met die personage in de hoofdrol,  werden namelijk met een piano-tumba orkest  wat aangekleed.

In dezelfde tijd ongeveer ondergaat de tumba een andere dramatische ontwikkeling. De piano had zich namelijk als de meest belangrijke instrument in de tumbamuziek ontwikkeld. Een feest was dan ook alleen een feest, als er op piano-tumbamuziek gedanst kon worden. Dat kon meestal alleen in de duurdere gelegenheden; het gewone volk moest het met de andere tumba stellen. De Engels Vicks familie bracht hier verandering in met de uitvinding van het draai-orgel mechanisme: Een cylinder-achtige instrument waar de klanken van de piano mee voortgebracht konden worden. Op zich was het best een duur apparaat; de prijs van een gemiddelde auto waard. Maar omdat het hele instrument wel veel kleiner en dus makkelijker verplaatsbaar en ook goedkoper was dan een echte piano, verschafte de draaiorgel de mogelijkheid om veel meer (dans) gelegenheden na te lopen, waardoor hij ook in de minder gegoede buurten ingezet kon worden. Opeens was het wel mogelijk voor de gemiddelde burger om op "piano" muziek feesten na te lopen en de draaiorgel werd snel erg populair. Op Curaçao waren het de  heren Horacio Sprock, Dodo Palm en Henriquez, die als eerste de ka'i oru (draaiorgel) op het eiland introduceerden. Bekend uit deze tijd is de roddel die rondging over de reactie van de Nederlandse parlementatriër Van Kol, die bij het bezoeken van een tumba-feest geëxclameerde schijnt te hebben, dat de "mensen trekken zo aan elkaar". Daarmee het speciale genot dat de Curaçaoenaar uit het dansen van zijn geliefde tumba (en muziek in het algemeen) trekt, aangevende.

Een belangrijke hindernis voor de ka'i oru vormde in die tijd wel de politieverordening, dat de machine niet per kar vervoerd mocht worden. Voor de goede gang van zaken en de côntrôle moest het wel  80 kilo wegende aparaat  naar de bestemming worden gedragen.

In de 1960er jaren maakte de tumba nieuwe ontwikkelingen door. Carlos Sillie maakte de binding met de klassieke dans (ballet), Harry Moen en zijn zanggroep Serenada beëxperimenteerden de tumba op zanggebied met acapella interpretaties op verschillende toonhoogten en auteurs als Ellis Juliana en Piërre Lauffer hiefen het tumba tekstschrijven op poëtische hoogten. In de 1980er  jaren bracht allereerst Richard Hooi het fenomeen van de op de tumba gegrondveste poësía rítmiko, gevolgd in de eerste jaren van deze 21ste eeuw door Tio Harry met zijn interpretaties van deze tumba-ritmische poëzie en de experimenten van de nieuwste generatie met de rap-tumba. Op muzikaal gebied zorgden allereerst de Salsbach Jazz Trio en vervolgens aan de conservatorium (af)gestudeerde muzikanten als Cedric Dandaré, Erwin Prudencia en Randall Corsen voor de binding van tumba met jazz, terwijl Izaline Callister met haar prachtige, karaktervolle en inspirerende zang, de tumba wereldwijd openbaart.

De tumba is een poly-ritmische muzieksoort, waarin elke instrument haar eigen ritme aanhoudt, samengebonden door een instrument, die de melodie voortbrengt. De meest merkwaardige verandering die de Curaçaosche tumba sinds de 1970er jaren heeft ondergaan is de zogenaamde tumba di karnaval, die veel overeenkomst vertoont met de tumba pregoná. In haar ruim dertigjarig bestaan, heeft de tumba di karnaval haar eigen vooraanstaande vertolkers voortgebracht: Tata di tumba (Lett.: tumba’s vader) Anselmus “Boy” Dap, die het festival liefst tien keer op zijn naam wist te schrijven, Elia Isenia, de eerste Reina di (koningin van) Tumba en Farley Lourens, die de titel Rey (koning) drie keer achter elkaar wist te winnen. De tumba di karnaval, is in feite nagenoeg de enige tumbavariant die anno 2008 nog wordt herkend; de jonge Curaçaoenaar slaat er buiten de karnavalsperiode bijna geen acht op; men prefereert de zogenaamde ritmo kombina. De nieuwste generatie moet dus kennelijk dieper in deze speciale muziek van zijn eigen (ei)land worden ingewijd. De tumbavariant van de cinquillo in de begeleidingsfiguur is uniek. 

 

 

barbados, plantesoort uit de familie der Caesalpiniaceae. Hoge heester met grote, dubbel-veervormig samengestelde bladeren; bloemen geelrood of helder geel, op lange stelen in grote, rechtopstaande, eindelingse trossen; peul bruin-zwart. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt, mogelijk soms half verwilderd.

 

 

 

Werken:

  • E jioe di su ensuenjo (z.j.);
  • Diez anja di venganza (z.j.);
  • Amor pa dos ruman (z.j.);
  • E tiger di Antwerpen (z.j.);
  • E tirano di Juggerton (z.j.).

 

 

@: Toneelliteratuur
zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

@:

 

 

 

 

@: Trupialen, De
Oorspronkelijk begonnen als Arubaans jongenskoor De Troepialen onder leiding van frêre Alexius heeft het zich ontwikkeld tot een culturele jeugdgroep, die naast zang ook voordracht en toneel beoefent (zie @: Toneel).

 

 

 

 

 

@: Trinitaria
(Bougainvillea) Plantengeslacht uit de familie der Nyctaginaceae. Met grote doornen klimmende heesters; bloemen klein, wit, in de oksel van een groot gekleurd schutblad; schutbladen steeds drie bij elkaar, meestal rood, paars of wit. Van deze sierplanten worden verschillende soorten en variëteiten gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

 

 

 

 

@: Trio
In tegenstelling tot de klassieke betekenis bestaat het Antilliaanse trio meestal uit twee gitaristen en een marakaspeler. De muziek wordt tweestemmig gezongen, afgewisseld met een gitaarsolo. Bloeitijd was ca. 50 jaar geleden. Bekend zijn het Trio Melodías van Curaçao en het Trio Huasteca van Aruba. Triofestivals worden door de gitaarsociety georganiseerd.

 

 

 

@: Tròmpèt
(Aulostomus maculatus)of bok’i tròmpèt, is een vis, die met behulp van zijn doorzichtig rugvinnetje als een zwevend mes in alle standen door het water zwemt en dan weer doodstil langs een stuk schorskanaal of langs een paal staat, met zijn kop omhoog dan wel omlaag, tot er een visje nadert dat met een hap verzwolgen wordt. De tròmpèt wordt bijna een meter lang en is in de Nederlandse Antillen heel algemeen.

 

 

 

 

 

 

@: Tropische storm
zie @: Depressie.

 

 

 

 

 

 

 

@: Trupial
komt in 2 soorten op de Benedenwindse Eilanden voor en broedt hier ook. De oranje trupial (Icterus icterus) is misschien wel de fraaiste verschijning van de avifauna; hij laat bovendien nog een uiterst melodieuze roep horen. Hij verdelgt allerlei insekten, maar haalt ook vogelnesten uit en pikt aan sappige vruchten. De oranje trupial kwam alleen op Aruba en Curaçao voor, maar werd onlangs op

 

 

 

@: Trumpet lily
(Solandra hartwegii) of chalice lily, plantesoort uit de familie der Solanaceae. Heester met lange, op de knopen gemakkelijk wortelende twijgen; bladeren opeengehoopt aan het einde van de twijgen; bloem wit met aan binnenzijde overlangse paarsige strepen, groot, ca. 22 cm lang en 10 cm in doorsnede, buisvormig met franjeachtig ingesneden, teruggeslagen zoom, geurig. Sierplant. Gekweekt op Curaçao en Bovenwindse Eilanden.

@: Tropical wave
is een niet-frontale, meestal noord-zuid gerichte storing in de passaatstroming, die zich

 

 

 

@: Tweetaligheid
zie @: Meertaligheid.

 

 

 

 

 

@: Tweekleppigen
mosselachtigen, paluli of bivalves, (Lamellibranchia) zijn weekdieren, die nadat zij als larve een aantal weken als plankton rondgezwommen hebben, zich vervolgens ergens vestigen zonder daarna de mogelijkheid te hebben zich actief over afstanden van enige betekenis te verplaatsen. In totaal treft men in de Nederlandse Antillen ongeveer 185 soorten aan. Enkele soorten, zoals de oesters, metselen zich aan het substraat - steen of mangrovewortels - vast, andere soorten, zoals mosselen, hechten zich met taaie byssus-draden vast. De meeste soorten zitten los in de bodemgrond en kunnen met behulp van hun beweeglijke ‘voet’ door het zand kruipen, maar de afgelegde afstanden zijn zelden meer dan enkele meters, tenzij zij boven de grond raken en de stroom hen te pakken krijgt. Enkele groepen, zoals de kamschelpen (Pectinidae) en de lima’s zijn in staat door krachtig samentrekken van hun schelpen over een afstand van goed een meter te ‘zwemmen’; zij ‘zwemmen’ o.a. weg als de geur van een zeester of van bepaalde slakken, die tot hun vijanden behoren, hen bereikt. Zeesterren stulpen zich over een schelp heen en weten door langdurig trekken met hun zuigvoetjes de twee schelphelften op een kier te krijgen, zodat zij hun maag naar binnen kunnen brengen, waarna de sluitspier van de schelp door het zeester-maagsap spoedig verlamd raakt. Vele roofslakken boren met hun rasptong (radula) een kogelrond gaatje dwars door een schelp; vele oesters vallen zo ten prooi aan de purperslakken. De meeste tweekleppigen leven van heel fijn plankton, dat zij met behulp van trilharen uit het water halen, dat zij over hun kieuwen pompen. Dit water komt via een sifo de kieuwholte binnen. Bij sommige soorten is deze sifo zo lang, dat hiermee als met een stofzuigerslang de bodem wordt afgezogen. Via een tweede sifo wordt het water weer naar buiten gespoten.
De economische betekenis van de tweekleppigen is in de Nederlandse Antillen gering. De in de bodem van sommige binnenbaaien talrijk voorkomende schelpen zijn eetbaar, maar worden tegenwoordig toch niet meer verzameld. De mangrove-oesters (Isognomon alata en Crassostrea rhizophorae) worden evenmin meer in noemenswaardige hoeveelheden gegeten. De geringe voedselrijkdom van het zeewater lijkt elke cultuur van schelpdieren uit te sluiten. Een poging in 1962 om de Noord-Amerikaanse clam Venus mercenaria op Curaçao in te voeren, mislukte. Af en toe worden hier pareloesters aangetroffen, die ook parels hebben maar helaas nooit waardevolle parels zoals de pareloesters van Margarita soms bezitten.
Lit.: zie @: Weekdieren.

 

 einde van deze lettergroep; voor de voorgaande of de volgende groep klikken op die groep!

 

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu. De Nederlandse vertaling volgt spoedig:

 

 

 

@: Tuyuchi
pseudoniem van Arturo Eduardo Leíto (Curaçao 13 oktober 1907), Curaçaosche schrijver van Papiamentse novellen, werd vooral bekend door zijn verhalen en dialogen, verschenen in het weekblad La Cruz (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

 

 

 

 

@: Tuturutu
(Caesalpinia pulcherrima) of pride of

 

 

 

 

 

@: Tutu
zie @: Voedingsgewoonten.

 

 

 

 

 

@: Turtuga
zie @: Schildpadden.

 

 

 

 

 

@: Tuna
(1) zie Cactussen;
(2) zie Makreelachtigen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

@: Tuinslaaf
zie @: Slavernij.

 

 

 

 

 

@: Tuchtrecht
voor advocaten, zie @: Advocaten;
voor notarissen, zie @: Notariaat;
voor medici, krachtens de Landsverordening (4 maart 1957) houdende regeling van de tuchtrechtspraak over personen die geneeskunst uitoefenen, zomede over apothekers (P.B. 1957 nr. 30), kunnen maatregelen worden getroffen tegen degene die zich schuldig maakt aan gedragingen, welke het vertrouwen in de staat der geneeskundigen of tandheelkundigen ondermijnen, of aan nalatigheid, waardoor schade ontstaat voor een persoon, te wiens behoeve hem geneeskundige of tandheelkundige raad of bijstand gevraagd wordt of aan wie hij raad of bijstand verleent, of die in de uitoefening van de geneeskunst of tandheelkunst blijk geeft van niet toelaatbare onkunde. Zulks geldt ook voor de vroedvrouw.

 

 

 

 

 

@: Tubaros
(Polianthes tuberosa) Plantesoort uit de familie der Amaryllidaceae. Kruid met knolvormige wortelstok; bladeren lijnvormig, deels wortel-, deels stengelstandig, tot 40 cm lang en 1 cm breed; bloemen met trompetvormig bloemdek, met 2-tallen in oksel van vliezig schutblad, in lange, onvertakte tros. Curaçao en

 

 


- Dutch -