English -Dutch -   home   contact
Letter M t/m P

 

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch Gebied: Saba

Illustratie: Schilderij "Red Lillies" van Patsy Johnson (biografie bij @: Johnson Patsy)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het  opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het  onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter M

m is de 13de letter van het Nederlandse alphabet; zij vormt met de l, de n en de o een volgorde in het alphabet, die al eeuwen geleden is vastgelegd en vastgehouden, met name in het Latijn. Haar vorm is net als die van de l en de n niet in belangrijke mate aan verandering onderhevig geweest gedurende de lange geschiedenis van het schrijven die zijn oorsprong heeft in met name het Noord Semitische (Foenesische) schrift en  voort vloeit met duidelijke aanknooppunten in het oude Grieks en het Romeinse Latijn. De Semieten hadden in hun alphabet het teken mem, die als een serie van aan elkaar vastgeplakte aan de onderkant open driehoeken werd getekend en die oorspronkelijk hun weergave voor water moest inhouden. Zij bouwden hierbij kennelijk voort op het Egyptische woord voor water (n-t) en de hyrogliefe die dezen ter aanduiding van de n gebruikten. De Semieten hanteerden in tegenstelling tot de Egyptenaren de benaming m (dus mem) voor dit teken, omdat hun woord voor water met deze letter begon. De Foeniciërs ontwikkelden dit teken verder in hun eigen mem, die eerder een primitieve m dan n ging weergeven, een weergave die door de Etrusken nog meer werd benadrukt. Deze benadrukking door de Etrusken is voor historici, die hun theorie rondom de herkomst van dit volk baseerden op vanuit het Alpengebied geïmmigreerde volkeren, mysterieus, omdat volgens hun analyse, de Etrusken nooit in contact hebben kunnen komen met de Foenesische beschaving, ondanks het feit, dat de Etrusken goede zeelieden waren. Historici echter, die van mening zijn dat de Etrusken oorspronkelijk van het Midden Oosten afkomstig zijn, zien in de relatie van diens mem met die van de Foeniciërs, een bevestiging van hun theorie. De Grieken baseerden vervolgens hun letter m (Mu) op deze Foenesische letter c.q. teken, die vervolgens door de Romeinen tot nagenoeg de moderne m werd getransformeerd. In deze instantie schijnen de Romeinen hun letter direct van de (West) Grieken te hebben overgenomen en niet, zoals vele andere letters van hun alfabeth, van de Etrusken, die op hun beurt het gewoon waren veel onderdelen van hun beschaving van de in het zuiden van oud Italië wonende Grieken te krijgen.
De m heeft evenals de n een doorlopende via de neus voortgebrachte klank met het grote verschil, dat de m een dubbellippige actie vereist, waar bij het uitspreken van de n er bijna op de tong gebeten wordt. De beide letters worden in verscheidene talen met elkaar gealterneerd, afhankelijk van de relatie die er gelegd wordt met de klinker die op het gebruik van één van de twee volgt. Zij is door de geschiedenis heen bijna steeds als medeklinker gebruikt, maar er is minstens één geval bekend van het gebruik van de m als klinker: Het Oud Engels in woorden die eindigen op asm, ism en soortgelijken (spasm: spreek uit: spasem en communism: spreek uit komjunisem waarbij de "m" dus een "em"-klank krijgt). Het moderne Engels handhaaft deze methode. Een ander bekend gebruik van het teken M is als aanduiding van het cijfer duizend (1.000) door de Romeinen.
Er zijn niet veel bijzonderheden te vermelden in het gebruik van de m in de moderne talen gangbaar op Curacao. De klank is in het Engels (mother, moon, marvelous), het Nederlands (moeder, maan, minister), het Papiamentu (mama, mensaje, mestér) en het Spaans (madre, mundo, mendigo) redelijk gelijk. Zelfs in een woord als hammer et al in het Engels of vermommen e.d. in het Nederlands schrijft men weliswaar dubbel m, maar spreekt men er slechts één uit. Een grote uitzondering is het Engelse woord immure en soortgelijken met dubbel schrift plus dubbel klank voor de m.
Het gebruik van de m als beginletter is heden ten dage redelijk goed. Op aardrijkskundig gebied is zij de beginletter van zowel bekende landen als het enorme Mexico en het eveneens bijzonder grote Mongolië, maar eveneens van mini-staatjes als Malta en Monaco en van wellicht één van de meest bekende en beruchte gebieden ter wereld, het Midden Oosten, waar het grootste deel van de als zwarte goud omschreven delfstof (olie) vandaan komt, maar die tevens een gebied is waar de conflicten tussen rivaliserende bevolkingsgroepen en naties geen einde schijnen te kennen. Een m als beginletter hebben ook genieën uit de geschiedenis als de schilder Michelangelo en wellicht de grootste componist uit de geschiedenis van de mensheid: Mozart. Andere grote namen van mensen uit het verre verleden met een m als beginletter van hun (achter)naam zijn generaal Douglas MacArthur, de Amerikaanse generaal, die als hoofd van de geallieerde leger in het Grote Oceaan gebied de Japanse overgave in de Tweede Wereldoorlog aannam en aanvankelijk ook het leger van de Verenigde Naties in het Koreaanse conflict leidde en Ferdinand Magellan, de Portugese scheepskapitein (in Spaanse dienst), die als eerste een reis rondom de wereld zou maken. Ook Mao Tse Tung, de Chinese leider, die het communisme in dat onmetelijk grote land vestigde en Karl Marx, de Duitse econoom en filosoof, algemeen bekend als dé bedenker van het communisme. Met een m als beginletter zijn ook bekende historische en moderne steden of stadsdelen als Macchu Picchu, Montreal, Moskou en het met torenhoge gebouwen bezaaide New Yorkse eilandje Manhattan. Op technisch gebied met als beginletter een m zijn twee uitvindingen, die de wereld heel diepgaand zouden beïnvloeden: De motor en het machinegeweer of mitrailleur. En uit de Curaçaosche geschiedenis is met een m als beginletter de belangrijke politieke partij Man en de dokter / politicus Pieter Hendrik Maal. En wie lust er geen koude malta of een sappige mango na dit lange verhaal, het liefst bij de schijnsel van de maan, het dichtst bij de aarde hangende hemellichaam, ook met een m als beginletter.

 


@: Maagdelijkheidscomplex
is het geheel van regels rond de kuisheid en de conservering van de ongehuwde vrouw tot haar huwelijk. Het complex heeft tot in het huwelijk invloed, waar het de onvoorwaardelijke seksuele trouw van de vrouw aan de man benadrukt. De onderliggende waarde is de exclusiviteit van het seksueel bezit van de vrouw voor een man. In de Latijnse cultuursfeer, waartoe men met name de Benedenwindse Eilanden in vele opzichten mag rekenen, fungeert het complex naast zijn tegenstelling: het *manbaarheidscomplex (machismo). Het zo geprononceerd naast elkaar existeren van beide complexen duidt men wel met de uitdrukking dubbele moraal aan. Schending van de regels wordt derhalve de gehuwde vrouw, ook de echtgenoot die haar in zekere zin moet bewaken, aangerekend. Een niet-gehuwde maagd moest vroeger door haar familie voortdurend worden gechaperonneerd.

 

 

 

 Eskritor Kurasaleño, nasé  Yüni 16, 1936, den Otrobanda. Esta, un “much’e Otrobanda” manera generalmente esnan di e sekshon aki di e kapital di Kòrsou ta wòrdu yamá.  Dosente di Ingles na skol sekundario RadulphusCollege durante di 20 aña. Despues di su penshún  Liane ta kuminsá skirbi i publiká buki pa mucha. Su promé obra tabata un buki di kompilashón di kuentanan di Nanzi. Su produkshón mas resiën, un publikashón di Fundashón Editorial Sembra Buki, ta e Aventúranan di Jassy i Jacky.

 

Produkshónnan:

 

Kuentanan di Nanzi

E klas di Jûf Julie

E sekuestro

Aventúranan di Jassy i Jackie 

@: Maal, Pieter Hendrik (Gungu)


(Curaçao 28 oktober 1898 - 22 augustus 1961) Curaçaosch medicus, chirurg, oogarts, politicus. Studeerde in Leiden, Groningen, München, Londen, Liverpool. Op Curaçao, waar hij zich vestigde, richtte hij het particuliere ziekenhuis Thelma Kliniek op, dat tot 1942 heeft bestaan. Idealist en voorvechter van vele plannen: middelbare school en universiteit op Curaçao, centralisatie van de prostitutie (zie Campo Alegre), een dam om het hele eiland ter verhoging van het grondwaterpeil. Was ook actief in de landbouw (proefbedrijf op San Juan), in het hotelwezen (voormalige Thelma Kliniek is verbouwd tot Hotel Avila) en in de politiek (medeoprichter en lid *Democratische Partij, lid van de *Staten).
Wrk.: Blijvende resultaten van scheelzienoperatie (diss. 1934).

 

@: Maal, Willem Pieter (Wili)
(Curaçao 11 december 1896 - 1 december 1959) Curaçaosch medicus, die zich, na zijn studie in Leiden, in 1927 als keel-, neus- en oorarts te Willemstad vestigde. Ontplooide vele activiteiten o.a. op landbouwkundig (plantage Fuik) en op politiek gebied (lid van de *Staten voor de - inmiddels opgeheven - Curaçaosche Onafhankelijke Partij). Hij was redacteur van het politiek-sociaal blad
Curaçao (in 1959 ter ziele) en medeoprichter en voorzitter van de E.H.B.O. Curaçao.

 

@: Maatschappelijk werk
zie @: Welzijnswerk.

 

@: Machismo
zie @: Manbaarheidscomplex.

 

@: Machoro
Scheldwoord voor onvruchtbare vrouwen. Men bezigt de term ook wel om er een manwijf, ongeacht vruchtbaarheid, mee aan te duiden.

 

@: Machuri
zie @: Tandkarpers.

 

@: Madalena
(Catharantus rosea) churchyard blossom, plantesoort uit de familie der Apocynaceae, halfheestertje; blader en kruisgewijs, donkergroen, enigszins spatelvormig; bloemen in tweet allen in bladoksel; kroon smalbuisvormig met vlak-uitgespreide zoom, violet of wit met violet hart; vrucht een dubbele kokervrucht. Tropen; meestal als sierplant gekweekt, maar ook verwilderd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Madrina
zie @: Verwantschap .

 

@: Maduro, Antoine Johannes / @: Antoine Maduro
(Aruba, 20 augustus 1909) zoon van een Curaçaosche vader en een Sabaanse moeder, vanaf zijn tweede levensjaar op het eiland Curaçao woonachtig, is wel de bekendste Antilliaanse auteur op het gebied van het Papiamentu. Hoewel de taal niet het enige onderwerp is dat zijn belangstelling geniet (zie hieronder Werken: 1961, 1962), kan geconstateerd worden dat het Papiamentu altijd het centrale thema van de schrijver is geweest; zijn activiteiten op dit gebied bestrijken een periode van reeds meer dan dertig jaar en ook nu nog verschijnen regelmatig stukken van zijn hand die getuigen van zijn niet aflatende strijdbaarheid. Maduro’s opvattingen omtrent wat wel goed Papiamentu is en wat niet, worden in zijn geschriften met grote stelligheid naar voren gebracht, wat ertoe heeft geleid dat hij zowel van purisme als van verspaansing wordt beschuldigd. Sommige van zijn publikaties hebben in een zeer beperkte oplage en in gestencilde vorm het licht gezien, waardoor het bijzonder moeilijk is er ter raadpleging over te beschikken, terwijl hij verder veel in dag- en weekbladen heeft geschreven. De lijst van werken die aan het eind van dit artikel te vinden is, pretendeert geenszins volledig te zijn maar geeft hopelijk toch een goed beeld van de verschillende gebieden waarop hij werkzaam is geweest:

Spelling
Van voorstander van een etymologische spelling (1953, 1953a) werd hij een verdediger van een op de fonologie gebaseerde schrijfwijze (1972, 1976).

Geschiedenis van taal en etymologie
(l953a, 1965, 1966, 1966a, 1973); Maduro behoort tot de school die, behalve het Spaans en het Portugees, ook andere talen van het Iberisch schiereiland als belangrijke bronnen van de Papiamentse woordenschat ziet. In het Appendix (1971) publiceert en becommentarieert hij een gedeelte van de oudste in het Papiamentu gestelde tekst die ons bekend is, daterend uit 1775 (zie Papiamentu: geschiedenis).

Lexicologie, spreekwoorden, zegswijzen
(1959, 1960, 1969, 1973, 1980, 1983, 1983a); uit deze werken blijkt tevens zijn kennis van het taaleigen van andere talen. Een door hem in de 1970ger jaren opgezet woordenboek van het Papiamentu heeft hij ter voltooiing in andere handen gegeven.

Kritische beschouwingen van het taalgebruik
(1966b, 1971, 1979, 1982); men zie wat hierboven is opgemerkt omtrent zijn opvattingen over goed Papiamentu.

Kritische besprekingen van publikaties over het Papiamentu
deze zijn vaak in stencilvorm verschenen of zelfs in een persoonlijk aan de schrijver gerichte reactie opgenomen, zodat het in dit bestek niet voor de hand ligt in de lijst van werken titels op te nemen. Hier wordt slechts verwezen naar twee recente reacties die wel in drukvorm zijn verschenen: uit 1980 een bespreking van Brenneker (1978) (zie Papiamentu: Literatuur: Vocabulaire, taaleigen; spreekwoorden), en uit 1982 een zeer gedetailleerde kritiek op Dijkhoff en De Jesus (1980) (zie voorgaande verwijzing).

In de geschriften uit deze laatste rubriek die betrekking hebben op het werk van niet-Antillianen wijst Maduro er terecht op dat onvoldoende kennis van het Papiamentu vaak leidt tot verkeerde conclusies. Maduro heeft pas vrij laat waardering ontvangen voor zijn werkzaamheden op het gebied van het Papiamentu. In 1982 ontving hij als eerste de prijs van de Fundashon Pierre Lauffer, waarbij hem de chapi di plata (zilveren hak) werd overhandigd. In 1984 ontving hij een eredoctoraat van de Universiteit van de Nederlandse Antillen.

Werken:
• Ensayo pa yega na un ortografía uniforme pa nos Papiamentu (1953);
• Suplemento di Vocabulario Etimológico (Capitulo X) di Ensayo pa yega na un ortografía uniforme pa nos Papiamentu (1953a);
• Un coto di dicho, refran, proverbio i expresionnan Papiamentu i nan nificación na Hulandes (1959);
• Loque a sobra den e macutu di dicho, refran, proverbio, frase i palabranan di nos lenga i nan nificashón na Hulandes (1960);
• Paginanan pretu di nos historia (1961);
• Documentación pa nos historia cu algun anotación (1962);
• Papiamentu: origen i formación (1965);
• Procedencia di palabranan Papiamentu i otro anotacionnan (A-M) (1966);
• Procedencia di palabranan Papiamentu i otro anotacionnan (N-ZJ) (1966a);
• Papiamentu: errornan di dicción i traducción (1966b);
• Proverbio-, refran, dicho- i expreshonnan Papiamentu i nan nificashon na Hulandes (1969: 2de druk);
• Bon Papiamentu (i un Appendix interesante) (1971);
• E ortografía ku Komishon di Ortografia a proponé Gobiernu Sentral (1972);
• Algun anotashon mas tokante nos lenga i otro asuntunan (1973);
• Ortografia fonológiko (revisá) (1976);
• Vademecum pa mehorá dikshon (1979);
• Woordenlijst en samenspraak Nederlands-Papiamentu-Spaans, samengesteld door W.M. Hoyer, herzien door A.J. Maduro (1980);
• Dañadónan di Papiamentu (1982);
• Términonan di aritmetika i geometría elemental (1983);
• Komparashonnan popular I, in: Kristòf VI (1983a).

Lit.: M.F. Eustatia, Catalogus van werken van en over Antoine Maduro 1952-1984 (1984).

 

@: Maduro, Charles
(Curaçao 5 oktober 1883 - New York 6 oktober 1947) componist, woonde de laatste twintig jaar van zijn leven in de Verenigde Staten, waar hij als bankier gevestigd was. Uit zijn Curaçaosche jaren dateren een aantal walsen en een mars. Enkele van zijn serieuzere werken voor piano en orkest, geschreven in romantische stijl, werden in New York uitgevoerd.

 

 

 

@: Maduro, George John Lionel / @: George Maduro


Foto: Plaquette van George Maduro bij ingang Madurodam Nederland

(Curaçao 15 juli 1916 - Dachau 9 februari 1945). Achterkleinzoon van de stichter van de firma S.E.L. Maduro & Sons. Studeerde rechten te Leiden. Onderscheidde zich als reserve-officier op 10 mei 1940 door de overmeestering van villa Leeuwenburg te Rijswijk waarbij de Duitse bezetting krijgsgevangen werd gemaakt. Na de capitulatie van het Nederlandse leger ging hij in het verzet en viel in 1943 bij een poging Spanje te bereiken door verraad in handen van de Gestapo. Stierf in het concentratiekamp Dachau. Hij is de enige Antilliaan aan wie de Koninklijke Militaire Willemsorde werd verleend (zie ook Madurodam). Tijdens de gevechten om het vliegveld Ockenburg bij ‘s-Gravenhage sneuvelde Charles Marius Debrot (Curaçao 17 maart 1920 - Ockenburg 10 mei 1940) en tijdens de slag in de Javazee de luitenant ter zee 2de klas Jan Frederik Haayen (Curaçao 3 april 1919 - Javazee 27 februari 1942).
Lit.: J. Hartog, Het verhaal der Maduro’s (1962).

 

@: Maduro & Curiel’s Bank, N.V.
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Madurodam
is een miniatuurstad te ‘s-Gravenhage, gesticht met behulp van het stamkapitaal ter beschikking gesteld door de Curaçaosche financiër, J.M.L. Maduro en zijn echtgenote, als blijvend monument ter nagedachtenis aan hun enige zoon
George John Lionel Maduro. Als zodanig dient Madurodam, gesticht door mevrouw B. Boon-van der Starp, op 2 juli 1952 door Prinses Beatrix geopend, waar op schaal 1:25 het Nederlandse leven wordt uitgebeeld door een grote verscheidenheid aan maquettes. Zij vertoont van Nederland zowel oude als moderne gebouwen o.a. de Dom van Utrecht, de Sint Jan Basiliek van ‘s Hertogenbosch, het Evoluon van Eindhoven, polders en sluizen. De modernste treinen rijden door Madurodam, grote en kleine schepen varen er door kanalen en wateren en op het vliegveld staan vliegtuigen uit de gehele wereld. Aan de band tussen Madurodam en Curaçao wordt gestalte gegeven door een maquette van de St. Annabaai en omgeving. Het stadje heeft in zijn ruim 30-jarig bestaan meer dan 31 miljoen bezoekers ontvangen. Uit het batig saldo van de Stichting Miniatuurstad Madurodam worden jaarlijks bijdragen geschonken aan instellingen, die werkzaam zijn op maatschappelijk en cultureel gebied, in het bijzonder in het belang van de Nederlandse jeugd.

 

@: Magdaleentje
zie @: Magdalena.

 

@: Magyari
Een in de 1950ger jaren door de klarinettist J.C. Rijpkema op Curaçao gevormd ensemble, dat zich voornamelijk wijdde aan lichtklassieke muziek, maar ook vaak barok- en vroegklassieke muziek ten gehore bracht. De naam ontleende het aan de zigeunermuziek, compleet met cimbalom, waarmee de uitvoeringen traditioneel besloten werden. Het ensemble werd na een ruim tienjarig bestaan opgeheven wegens vertrek van de oprichter.

 

@: Mahòk
(Swietenia mahagoni) of mahogani, plantesoort uit de familie der Meliaceae. Grote, altijdgroene boom; bladeren veervormig samengesteld. 3 tot 8-jukkig; bloemen klein, gelig, in okselstandige trossen. Inheems in tropisch Zuid-Amerika en de Antillen; levert het mahoniehout. Aangeplant op de Benedenwindse Eilanden als sierboom, en op de Bovenwindse Eilanden vooral voor exploitatie.

 

@: Mahòk di mondi
zie @: Mata palu.

 

@: Maïs
zie @: Grassen; @: Land- en tuinbouw.

 

@: Maïshi chikitu / @: Maïnshi chikitu
zie @: Grassen; @: Land- en tuinbouw; @: Sorghum.

 

@: Maïsh’i rabu / @: Maïnsh’i rabu / @: Maïshi di rabu / @: Maïnshi di rabu / @:
Maïsh’i shete siman / @: Maïnsh’i shete siman / @: Maïshi di shete siman / @: Maïnshi di shete siman
zie @: Sorghum.

 

@: Maison de Culture
Dit in 1968 te Philipsburg op Sint Maarten gereedgekomen cultureel centrum wordt geëxploiteerd door de Stichting Great Bay Hall waarin o.a. participeren: het Eilandgebied Sint Maarten, St. Maarten’s Council on the Arts en de Philipsburg Jubilee Library. Het gebouw bevat een kleine gehoorzaal (ca. 100 plaatsen) en een bibliotheek met leeszaal zowel voor volwassenen als voor kinderen.

 

@: Makamba
Terwijl Aruba de Europese Nederlander doorgaans met Hulandes aanduidt, spreken Bonaire en Curaçao van
makamba, door velen - ten onrechte - als scheldnaam beschouwd. Volgens de schrijver  Frank Martinus Arion is dit woord afkomstig van het Kimbundu (een taal van Angola) en is het de meervoudsvorm van kamba = vriend (Martein Lopap 2 o malesa di semi-lingualismo) (1983). (Zie Kanta guene; Nederlanders; Vlindervissen).

 

@: Makamba pretu
zie @: White black.

 

@: Makaprein
(Spondias mom bin) red plum of Jamaica plum, is een boompje behorend tot de familie der Anacardiaceae; het krijgt paarsrode, eetbare vruchten ter grootte van een pruim. Erfcultuur.

 

@: Makuaku
zie @: Fregatvogel.


 
@: Makura
(Abrus precatorius) of jumbie beans, liquorice plant, plantesoort uit de familie der Fabaceae.
Klimplant, met geveerde, 13 tot 20jukkige bladeren; bloemen lila, in trossen; peulen met rode zaadjes. Gekneusde zaden giftig door abrine, met dezelfde eigenschappen als slangegif; fijngestampte zaden in koffie gebruikt als koortsverdrijvend middle. Algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Malmok
(1) noordelijkste punt van Bonaire;
(2) deel van de zuidwestkust van Aruba, bestaande uit opgeheven rifkalken. Eertijds een verlaten streek, thans Aruba's ‘goudkust’ met luxe-bungalows van gegoede ingezetenen en buitenlandse - vooral Amerikaanse en Venezolaanse - gepensioneerden en zakenlieden.

@: Maloa
zie @: Sorghum.

 

@: Mami
(Mammea americana) of mamaya, plantesoort uit de familie der Clusiaceae. Grote, dichtbebladerde boom; tegenoverstaande bladeren tamelijk groot, langwerpig ovaal; bloemen wit of roze-achtig, 2,5 cm in diameter, alleen of in kleine tros in bladoksel; vrucht met oranjekleurig, naar abrikozen geurend vlees; 1 tot 4 grote, bruine zaden. Inheems in Antillen en noordelijk Zuid-Amerika. Vruchtvlees gestoofd, ook gebruikt voor bereiding van een likeur: Eau de creole. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt.

 

@: Mamotika
(Momordica charantia) of maiden apple, plantesoort uit de familie der Cucurbitaceae. Rankende klimplant met vijfkantige stengel; bladeren 5 tot 9-lobbig; bloem eenslachtig, geel, alleenstaand in bladoksel op lange steel, die bij de mannelijke bloem in het midden, bij de vrouwelijke bloem aan de basis een hartvormig steunblad draagt; vrucht geel tot oranjegeel, springt met drie kleppen open, bevat vele platte, door rood moes omgeven zaden. Afkomstig uit tropisch Azië en Afrika; vruchtmoes eetbaar. Curaçao gekweekt. Bovenwindse Eilanden gekweekt en verwilderd.

 

@: Man, Herman de
pseudoniem van Salomon Herman Hamburger (Woerden 11 juli 1898 - Schiphol 14 november 1946). Auteur, werkte gedurende de Tweede Wereldoorlog bij de Nederlandse Voorlichtingsdienst en Radio Oranje in Londen. De Nederlandse regering achtte de Curom, de enige zender op vrij Nederlands gebied (afgezien van een zwak Surinaams station), zo belangrijk, dat men er een eigen programmaleider wilde hebben en zond daartoe De Man in 1943 naar Curaçao. Onder vaak moeilijke omstandigheden breidde hij de omroeptijd uit, bracht vele nieuwe rubrieken tot stand, bevorderde uitzendingen in de landstaal en wist de omroep meer tot het volk te brengen. Tot 22 juni 1945 bleef hij aan de Curom verbonden.

 

@: Manbaarheidscomplex

Ook aangeduid met de term @: Machismo: Het geheel van regels van mannelijk gedrag, waarbij het man-zijn bewezen dient te worden door grote seksuele potentie en succesvol Don Juanisme. Het streven naar afdoend bewijs van zijn man-zijn noemt men wel machismo. Het complex biedt vooral de jonge man grote pre- en extra-maritale seksuele vrijheid. Het komt in de Latijnse cultuursfeer, waartoe men met name de Benedenwindse Eilanden in vele opzichten mag rekenen, naast het maagdelijkheidscomplex voor.

 

@: Manchebo
Punt waar de zuidkust van Aruba in noordelijke richting ombuigt.

 

@: Manganisatie
Op Sint Maarten zijn in samenhang met de contactmetamorfose van Point Blanche-gesteenten, mangaan- en ijzerafzettingen ontstaan bij Cay Bay en Experiment. Op Curaçao komen mangaanhoudende lenzen voor op de grens van de Curaçao-lavaformatie en de Knip-groep, te weten de plantages Lagun en Zevenbergen. Economisch bieden ze geen vooruitzichten (zie Geologie).

 

@: Mangel
(1) (Terminalia catappa) of wilde amandel, almond tree, plantesoort uit de familie der Combretaceae. Hoge boom; takken in kransen van drie op grote onderlinge afstand; bladeren opeengehoopt aan het einde der twijgen, groot 40cm, spatelvormig, of omgekeerd eirond; bloemen klein, wit in lange aren aan uiteinde van de twijgen. Zaad heeft smaak van amandel, eetbaar. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt.
(2) zie @: Mangrove.

 

@: Mango
(Mangifera indica) Boom uit de familie der Anacariaceae, fraaie, altijd-groene boom met vruchten, die graag gegeten worden. De mangoboom komt in alle hofjes voor.

 

 

@: Mangrove
Bosvegetatie langs binnenbaaien op zilte, meestal kleiige bodem; gevormd door:
(1) Mangl’i tam - mangel di tam (Rhizophora mangle), een boom uit de familie der Rhizophoraceae, met knievormig gebogen steltwortels meestal in het water; vanuit de takken ontstaan luchtwortels; zaden kiemen aan de boom tot 30 cm lange cilindervormige kiemplantjes. Benedenwindse Eilanden en St. Maarten.
(2) Mangel blanku (A vicennia nitida) of salt pond tree, een boom uit de familie der Verbenaceae. Landinwaarts volgend op Rhizophora-gordel. Rondom ademwortels, uit de modder of het water opstijgend; bladeren aan onderzijde grijs; vrucht plat. Benedenwindse Eilanden en St. Maarten.
(3) De
white mangrove (Laguncularia racemosa), boom uit de familie der Combretaceae, vooral optredend waar in Avicennia-bestand werd gekapt. Tegenoverstaande bladeren, nabij top bladsteel 2 klieren; vrucht plat, zijdeachtig behaard.
(4) 
Mangel blanku (Conocarpus erecta), of buttonwood, een struik uit de famiIie der Combretaceae, die op droger plaatsen groeit dan de drie vorige. Bladstand verspreid; vruchtjes vormen een bolletje van ruim 1cm doorsnee.

 

@: Mangusá
(1) Stichting in 1977 opgericht door de huidige voorzitter en ‘motor’
Beatrix Muzo met het doel sociaal-maatschappelijke begeleiding te geven aan een aantal kinderen op Band’abou (Barber, Leliënberg, Santa Cruz en Rio Magdalena), dat om de één of andere reden in de ontwikkeling gehandicapt is. Sedert 1983 heeft Mangusá in Flip een eigen schooltje, door mevrouw Muzo educatief centrum voor analfabeten genoemd, waar een 15-tal kinderen een aangepaste vorming krijgen (lessen in handenarbeid, vrije expressie, muziek, dans).
(2) Gerecht van o.a. pinda’s, bonen en maïs.

 

@: Man Habrí
Stichting opgericht in 1967 op Curacao, heeft tot doel de bevordering van de godsdienstige, geestelijke, culturele en lichamelijke ontwikkeling van de bevolking op Curaçao, in het bijzonder de jeugd, ongeacht de godsdienstige richting. In Man Habrí (Open Handen) werken samen de Evangelische Broedergemeente, de Gereformeerde Kerk, het Leger des Heils, de Methodistenkerk, de Anglicaanse kerk en de Verenigde Protestantse Gemeente. Aan de stichting is door het Algemeen Diakonaal Bureau van de Gereformeerde Kerken in Nederland een bedrag geschonken als bijdrage in de kosten en inrichting van een clubhuis terwijl dit bureau ook een jeugdleider ter beschikking heeft gesteld. De Stichting staat meer bekend onder de naam Stichting Oecumenische Diakonie. Via maatschappelijke en financiële begeleiding van noodlijdende personen en gezinnen binnen de bij de Stichting aangesloten kerken, tracht men zoveel mogelijk deze nood op te heffen. Daartoe kanaliseert de Stichting ook kerkelijke gelden naar de bejaardensociëteiten Cocolishi en Victoria, het Koningin Wilhelminatehuis, de uitdeling van voedselpakketten en de wetswinkel die juridische hulp en adviezen verschaft.

 

@: Mansaliña
(Hippomane mancinella) of manzanil tree, plantesoort uit de familie der Euphorbiaceae. Hoge boom of heester met lichtgekleurde bast; met melksap; bladeren met een zittende klier aan de bladvoet. Bloemen eenslachtig in groepjes, een 5 tot 10 cm lange, aarvormige bloeiwijze vormend; vrucht appelvormig. Melksap giftig en blaartrekkend. Bij voorkeur op iets zilte standplaats. Vrij algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Manta
zie @: Roggen.

 

 

@: Manumissie

 

 

 

Foto: Manumissie document van juli 31 1861; let op de gouverneurszegel midden-bovenaan

Manumissie is het in vrijheid stellen van individuele slaven door de eigenaar, in tegenstelling tot emancipatie, de opheffing van de slavernij door een overheidsbesluit. Hoewel vrij verklaard, was de gemanumitteerde niet in het volle genot van burgerlijke en staatkundige rechten. Op Bonaire bijvoorbeeld moesten de voormalige gouvernementsslaven herendiensten blijven verrichten voor het bestuur. Op Curaçao, waar handel en scheepvaart belangrijker waren voor de economie dan plantagebouw, kwam ook dikwijls een schijn-manumissie voor, ‘pro forma om te navigeren’. Met zo’n manumissiebrief kon een slaaf op een schip worden aangemonsterd en tevens kon hiermee in vreemde havens een vrije status worden gesuggereerd. Het feit dat de slaven in deze positie niet probeerden te ontvluchten, is illustratief voor de relatief milde verhouding meester-slaaf op Curaçao. Overigens was schriftelijke toestemming van de meester en een paspoort afgegeven door de schout ook voldoende om slaven te laten aanmonsteren; (schijn-) manumissie was niet strikt noodzakelijk. Manumissie werd ook dikwijls toegepast bij oude, voor de arbeid onbruikbare slaven, die dan tot bedelarij vervielen of omkwamen. Daarom stelde de overheid in 1762 en opnieuw in 1831 een heffing op manumissie in om dergelijke misbruiken tegen te gaan. Deze kosten, dikwijls door de vrij te laten slaven zelf opgebracht, werden in 1850 afgeschaft. Op Curaçao vonden van 1851 tot 1862, gedurende de tien jaren vóór de emancipatie dus, 1038 manumissies plaats.
Lit.: zie @: Slavernij.

 

 

 

@: Maraka
(1) een uit de uitgeholde vrucht van de kalebasboom gemaakte rammelaar. Het gedroogde vruchtvlees wordt verwijderd via een klein gat, waardoor naderhand wat steentjes in de lege kalebas worden gedaan en dat tevens dient om de kalebas aan een stokje te bevestigen. De aldus verkregen maraka wordt veelal kleurig beschilderd. Als ritmisch begeleidingsinstrument hanteert men bij dansmuziek meestal twee maraca’s tegelijk.
(2) zie Passiebloem.

 

@: Marcano, Vicente Fermin (‘Ed’)
(Curaçao 6 november 1939) heeft korte tijd de Vrije Akademie in Den Haag bezocht. Zijn werk, voornamelijk met pen en inkt, doet ambachtelijk aan en kenmerkt zich door een lineaire tekenstijl met veel symboliek. Invloed van Aubrey Beardsley en Jan Toorop. Zijn onderwerpen hebben veelal een erotische sfeer. Vanaf 1968 vele en regelmatige exposities op Curaçao; Brazilië (1973). Zijn werk is o.m. vertegenwoordigd in de collecties van het Curaçaosch Museum en van Sticusa.

 

@: Marchena, Lulu / @: Lulu Marchena
(Aruba 17 mei 1939 - 13 April 1964) één der meest bekende medewerksters van Mascaruba; zal in het bijzonder onvergetelijk blijven door de innige en fascinerende wijze waarop zij de rol van Maria in Maria di Ser’i Noka heeft gespeeld.

 

@: Marcus, Jacob Ernst
(St. Eustatius 19 maart 1774 - Amsterdam oktober 1826) graveur en tekenaar-etser, ontving zijn opleiding in Amsterdam waar hij zich ontwikkelde tot een kunstenaar, die veel erkenning heeft gevonden. In 1816 werd hij lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Omdat hij het eiland op vrij jeugdige leeftijd heeft verlaten, treft men in zijn werk geen sporen aan van zijn verblijf op St. Eustatius. In 1972 is op Curaçao, Aruba en St. Eustatius en in het Rijksmuseum van Amsterdam een tentoonstelling van zijn prenten, etsen en tekeningen gehouden.
Lit.: Catalogus tentoonstelling (1972).

 

@: Mare Clausum
is de Latijnse benaming voor een zee die zodanig door een natie wordt beheerst en gecontroleerd dat andere naties haar niet kunnen bevaren dan met verlof van de eerste. Spanje trachtte de Caribische Zee tot een mare clausum te maken en probeerde gedurende de gehele 16de eeuw met al haar ter beschikking staande middelen vreemde indringers, m.n. Fransen en Engelsen, te weren zonder dat haar dit gelukte. Kapitein-Generaal Menendez de Aviles stelde Philips II voor een tweetal eskaders in de Caribische Zee te stationeren, de zogenaamde armadas de barlovento of bovenwindse eskaders. Hij schijnt daartoe zelfs een speciaal model schip te hebben ontworpen, de zogenaamde galeoncete. lnderdaad slaagden deze armada’s erin de piraterij aanmerkelijk te verminderen en zij zouden ongetwijfeld het Caribisch gebied veiliger hebben gemaakt voor Spaanse interkoloniale en transatlantische navigatie indien niet het chronisch geldgebrek van de Spaanse schatkist de reparatie en nieuwbouw van deze galeoncetes had vertraagd en gestopt.
Terwijl het eerst de Fransen waren die het Caribische gebied verontrustten - Jacques de Sores is een sprekend voorbeeld van Franse piraterij - werden het later de Engelsen; de bezoeken van Hawkins en Drake aan dit gebied zijn overbekend. De Nederlanders waren betrekkelijke laatkomers. Zij verschijnen pas in 1594 als regelmatige bezoekers, hoewel de aanwezigheid van schepen afkomstig van de Lage Landen reeds veel eerder - maar steeds sporadisch werd gesignaleerd.
Menendez deed echter meer dan het creëren van een offensief wapen tegen schenders van Spanjes mare clausum. Hij ontwierp eveneens defensieve plannen en trachtte een fortificatiesysteem in de Caribische Zee tot stand te brengen, dat buitenlandse onwelkome bezoekers voldoende zou afschrikken. Menendez’ ideeën werden, ofschoon op kleiner schaal dan aanvankelijk beraamd, uitgevoerd en Spanje voorzag het Caribisch gebied van een beveiligingssysteem, waarvan de forten van Havana, San Juan de Puerto Rico en Cartagena de drie voornaamste steunpunten waren, terwijl in de Golf van Mexico Vera Cruz en in het Bahama Kanaal het Kasteel van San Marcos te Saint Augustine twee andere steunpunten werden wier sterkte door de vijandelijke indringers, Fransen, Engelsen en Nederlanders wel beproefd maar met een enkele uitzondering nooit overwonnen werd. Ondanks dit defensieve systeem, dat reeds op de achteruitgang van Spanje als maritieme mogendheid wees, moesten de katholieke koningen zich in de eerste helft der 17de. eeuw neerleggen bij een blijvende bezetting van vele zogenaamde islas inutiles door Fransen, Engelsen en Nederlanders en werd de mare clausum weldra een fictie.


Lit.: C. Fernandez Duro, Armada Española desde la Union de los Reinos de Castilla y de Aragon, 9 din. (1898-1903); Ch. de Lannoy en H. van der Linden, Histoire de l’Expansion Coloniale des Peuples Europeens, Neerlande et Danemark (1911); E. Laspeyres, Geschichte der Volkswirtschaftlichen Anschauungen der NiederHinder und ihrer Literatur zur Zeit der Republiek (1863); A.P. Newton, The European Nations in the West Indies (1935).

 

@: María Immaculata
is de naam van een RK instituut voor H.A.V.O. en V.W.O. op Curaçao. De school staat open voor zowel jongens als meisjes (zie @: Onderwijs).

 

@: Maribomba
zie @: Wespen.

 

@: Marine, Koninklijke / @: Koninklijke Marine
in de Nederlandse Antillen heeft tot voornaamste taak de bescherming en handhaving van de integriteit van dit grondgebied in zijn territoriale wateren. De maritieme strijdkrachten in de Nederlandse Antillen staan onder bevel van de Commandant der Zeemacht in de Nederlandse Antillen.

 

@: Maripompun
(Matelea rubra) of wild soursop, plantesoort uit de familie der Asclepiadaceae. Klimplant met wit melksap; bladeren hartvormig; bloemen witachtig met donkere strepen, enkele bijeen in de bladoksel. Vrucht maripanpun ongeveer eivormig met aan de top afgeplatte stekelachtige uitgroeiingen. Zaden met zaadpuis. Vrij algemeen onkruid. Benedenwindse Eilanden.

 

@: Markten
zie @: Handel: binnenlandse handel.

 

@: Marlin
zie @: Balaú.

 


 
@: Martina, Dominico Felipe (Don) / @: Don Martina
(Curaçao 1 mei 1935) doorliep de H.T.S. te Haarlem waarna hij zijn studies voortzette aan de
University of the West-Indies en aan de Columbia University (Science, Management en Industrial Engineering). Hij was mede-oprichter van de Movemento Antia Nobo (M.A.N.) in februari 1971. Van 1979-1984 was hij minister-president van de Nederlandse Antillen.

 

@: Martina, Harold / @: Harold Martina
(Curaçao 1 januari 1935) pianist, studeerde als kind o.a. bij de muziekleraar
Patrick en bij de Nederlandse muziekpedagoog Teun Don, naderhand aan de Academia de Bellas Artes in Medellin (Colombia) en tenslotte aan de Akademie für Musik und Darstellende Kunst te Wenen, waar hij in 1962, bij unanieme beslissing van de jury, summa cum laude als concert-pianist slaagde. In hetzelfde jaar debuteerde hij in Amsterdam. Daarna is hij vaak opgetreden o.a. in de Verenigde Staten, Ecuador, Mexico, Suriname en Colombia, waar hij als leraar in Medellin werkzaam is en het kamerorkest van Antioquia dirigeert. Traditioneel is zijn jaarlijks optreden in Centro Pro Arte op Curaçao bij de opening van het muziekseizoen. Zijn repertoire is zeer gevarieerd; in de loop der jaren heeft hij werken uitgevoerd van o.a. Albeniz, Bach, Bartok, Beethoven, Brahms, Debussy, Grieg, Prokofiev, Scarlatti, Stravinsky.
Lit.: E. Palm, Muziek en Musici van de Nederlandse Amillen (1978).

 

@: Martina, Ornelio (Kees) / @: Ornelio Martina / @: Kees Martina
(Curaçao 14 november 1930) Papiamentse schrijver, werd onderscheiden met een culturele prijs voor literatuur door het
Cultureel Centrum Curaçao voor zijn bundel Ban, ban pasa un ròndu (1954). Van 1976-1982 gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao.

 

 

@: Martinus Arion, Frank / @: Frank Martinus Arion
Schrijversnaam van
Frank Efraim Martinus (Curaçao 17 december 1936). Studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden. Behoort met zijn deels in het Nederlands en deels in het Papiamentu geschreven gedichten tot de belangrijkste exponenten van de generatie die in de Antilliaanse Cahiers heeft gedebuteerd. Gaf zelf het tijdschrift Ruku uit. Is vooral bekend om zijn romans in het Nederlands, waaruit zo sterk zijn sociale bewogenheid ten aanzien van met name de Caribische mens van Afrikaanse oorsprong spreekt. Is als linguïst verbonden aan het Talenbureau op Curaçao, Instituto Lingwistiko Antiano (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

  • Poëzie:
    • Stemmen uit Afrika (1957, 1978);
    • Ta amor so por (1961);
    • Ilusion di un anochi (1968);
    • Ser Betris (1968);
    • In de wolken (1970); 
  • Romans:
    • Dubbelspel (1973, 1982);
    • Afscheid van de Koningin (1975);
    • Nobele Wilden (1979). -
  • Overig werk:
    • Bibliografie van het Papiamentu (1972).

Lit.: J. de Roo, Antilliaans Literair Logboek (1980).   

 

@: Marugg, Tip / @: Tip Marugg
Schrijversnaam van
Silvio Alberto Marugg (Curaçao 16 december 1923) debuteerde oorspronkelijk met surrealistische gedichten in het tijdschrift De Stoep, maar maakte later vooral naam als romanschrijver die uitmunt door zijn uitbeelding van de beangstigende existentie van het vereenzaamde individu in een snel industrialiserende samenleving die, ook waar zij met een denkbeeldige naam werd aangeduid, in hoofdzaak de kenmerken van het eiland Curaçao vertoont (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).
Wrk.: Weekend Pelgrimage (1957, 31981); In de Straten van Tepalka (1967). - Poezie: Afschuw van licht, gedichten 1946-1951 (1976).

 

Het hierna volgende artikel is in het Papiamentu geschreven:

@: Martis Gabriel ”Gabichi” Arcangel / @: Gabriel Martis (18 mart 1921 - 26 mart 2006)

For di su 14 aña el a kuminsá toka kitara, kuarta, bas, trei i mandolin, raspa, tambú i maráka. E promé banda ku Gabichi Martis a toka kuné tabata Conhunto Curaçao. Despues e mes a kuminsá ku un grupo di komedia ku tabata yama Magnolia. Tur djadumingu atardi e grupo tabata na Radio Hoyer pa praktika i kanta. Despues e grupo tabata yama Buskando Estrellas. Tabata algun mucha ku tabata kanta kuné den komedia. Entre nan un mucha hòmber di seis aña ku yama Boy Dap. Despues Gabichi tabatin banda i trio, manera Urico Antiyano, pero e tabata kompañá otro banda tambe, manera Lluvia Musical i Happy Boys. Otro musikonan konosí ku ela toka i kanta kuné ta Kimo Kandelaria, Chu di Tipiko Sta. Rosa, Nilo Rivera, Humberto Nivi i Julian Coco, su mihó amigu kitarista. Despues el a lanta Tipiko Tropikal ku despues a bira Tipiko Trupial. Ku esei e tabata duna show folklóriko na hotèlnan. Un di e muchanan ku tabata baila den e show ta Rudsel Soleana. Rudsel tabata toka benta den e tipiko ku tabata algu uniko pa un tipiko.

 


@: Masbangu
zie @: Horsmakrelen.

 

 

 

@: Mascarada


Illustratie: Twee gemaskerde mannen op weg naar de mascarada

Mascarada is één van de oudste Bonairiaanse folkloristische straatevenementen, die jaarlijks op de eerste zondag na Driekoningen plaatsvindt. In de optocht lopen gemaskerde mannen, gekleed als hofnar met op het hoofd een kroon van karton en crêpepapier voorafgegaan door de tambu grandi, handharmonika en triangel. Bij de te voren afgesproken woningen - de gastheer onthaalt de deelnemers op rum, die met een pijpje uit de kalbasbekertjes wordt opgezogen worden dansnummers en sketches opgevoerd. Op rug en mouwen van een mascarada treft men papieren vlaggetjes aan (banderin), die overeenkomst vertonen met de banderita. ‘s Middags is er een aparte mascarada-stoet voor vrouwen. Men zou de Bonairiaan beledigen door de mascarada met carnaval te vergelijken omdat de mascarada gebonden is aan traditionele kostuums, zeden en gewoonten. Verwacht wordt dat de mascarada - door de ‘welvaart’ in verval geraakt - door het streven het eigene te conserveren, weer in ere zal worden hersteld.

 

@: Mata galiña
(Acacia glauca) of negrita di malpaís, watapana shimaron, dividivi shimaron, plantesoort uit de familie der Mimosaceae. Heester met dubbel veervormig samengestelde bladeren; bloemen wit, in bolvormige hoofdjes, verenigd in grote pluim. Benedenwindse Eilanden. Plaatselijk algemeen en langs de wegen soms dichte begroeiingen vormend. (Zie Geneeskrachtige kruiden en giftige planten).


 
@: Mata palu
(Ficus brittonii) of mahòk di mondi, plantesoort uit de familie der Moraceae. Boom met luchtwortels; bladeren enkelvoudig, het jonge blad ingesloten in een schutblad; bloemen aan binnenzijde van bolvormige gemeenschappelijke bloembodem; vrucht een vijg. Bonaire en Curaço (Christoffelpark!). Vrij zeldzaam.

 

@: Mata piska
(Jacquinia barbasco) of palu huku, picrous bark, steenhout, stielgom, plantesoort uit de familie der Theophrastaceae. Kleine boom met dichte kroon; bladeren opgehoopt aan einde van de twijgen, hard-leerachtig, bladrand naar beneden omgekruld; bloemen wit, in rechtopstaande trossen, sterk geurend; vrucht oranjerood. Benedenwindse Eilanden, St. Eustatius, St. Maarten. Vrij algemeen, vooral langs de kusten. Het hout bevat een stof die op vissen een toxische (verlammende) werking uitoefent. Het hout van verwante Jacquinia-soorten wordt op het vasteland van Zuid-Amerika door Indianen bij de visvangst in afgesloten kreken of rivierarmen gebruikt. Dit was reeds bekend bij vroegere Spaanse kolonisten.


Lit.: M. Greshoff, Meded. ‘s Lands Plantentuin Batavia nr. 10, 1893; nr. 29 (1900); meded. Dept. van Landbouw Batavia nr. 17 (1913); E.P. Killip en A.C. Smith, Rep. Smiths Inst. (1930, 1931).

 

@: Mata raton
(Gliricidia sepium) of yerba di tonka, yerba di rata, ratonera, cough bush, plantesoort uit de familie der Fabaceae. Loofverliezende boom; bladeren oneven-veervormig samengesteld met 15-17 of meer blaadjes; bloemen lila, in zeer dichte trossen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt, vooral als windbreker; aftreksel van bladeren gebruikt tegen verkoudheid.

 

@: Maten en gewichten
In de Nederlandse Antillen is het metrieke stelsel sedert 1875 ingevoerd; het wordt echter pas na de Tweede Wereldoorlog rigoureus toegepast. Van de nog gebezigde of gekende oude namen van lokale maten en gewichten zijn vermeldenswaard:
Kana (voor droge waar) was een houten bak waarin vooral bonen, maïs en maïsmeel werden afgemeten. Het op deze manier gevonden gewicht van de afzonderlijke produkten bedroeg om en nabij een kilogram;
Kana (voor natte waar) was een blikken vat voor het uitmeten van rum en kerosine, ongeveer 1,2 liter.
Pinchi, zowel bij droge als bij natte waar, is gelijk aan een halve kana.
Mushi, voor natte waar zoals rum en spijsolie, ongeveer 0,3 liter (vgl. Ned. mufsje, oude vochtmaat 1½ dl).
Joshi, voor natte waar, is een halve mushi.
Mei pinchi, een halve pinchi.
Kalbas, een half doorgesneden gedroogde kalebas, ongeveer 15cm doorsnede, waarmede geroosterde of gekookte pinda’s door straatventsters bij verkoop worden uitgemeten.
Bender (vgl. Ned. bunder) oppervlaktemaat overeenkomend met 1 ha.
Bleki, bij het venten van regenwater uit waterkarren langs de weg, een vierkant blikken vat gewoonlijk gemaakt van een voormalig 5 gallon kerosineblik, ongeveer 19 liter.
Brasa (letterlijk arm) ruwe lengtemaat, bij vissers in gebruik.
Dram of Drum, bij verkoop van regenwater door watertrucks, een stalen ton van 55 gallon (210 liter).
Yarda, een Engelse yard, 91 cm.
Pía, bij verkoop van hout, een waardevoet, dit is het equivalent van een lengtevoet (30,5 cm) van een houten plank nominaal een voet breed (30,5 cm) en een duim (2,5 cm) dik.

 

@: Matrifocaliteit
Hoewel de man formeel de meest gezaghebbende figuur is in het *gezin blijkt zijn gezag vooral in de lagere strata van de bevolking onontwikkeld te zijn. Zijn vrouw daarentegen neemt in de loop van het gezinsleven en het systeem van gezinsrelaties in toenemende mate een centrale plaats in. Eén en ander wordt wel in verband gebracht met het slavenverleden, waarin de man geen enkele rol van betekenis kon spelen ten aanzien van vrouw en kinderen en de betrekkelijke instabiliteit van het inkomen, waardoor hij niet in staat is zijn huishouding voldoende te ondersteunen. De vrouw neigt daardoor tot het geleidelijk verminderen van haar afhankelijkheid van de man door de moederband vooral met haar zoons - zoveel mogelijk in de opvoeding te benadrukken. Van haar kinderen wordt verwacht, dat zij hun moeder in haar oude dag zullen verzorgen. De mater stelt zich aldus in de focus van het systeem van economische en emotionele afhankelijkheden. De vader ziet zijn positie in dat systeem steeds marginaler worden. Daar kinderen een directe biologische en psychologische band met de moeder hebben, wordt matrifocaliteit ook wel als universeel verschijnsel opgevat. In de Antillen, gelijk als in andere delen van het Caribische gebied, kreeg het als gevolg van bepaalde omstandigheden echter extra nadruk. De matrifocaliteit werd niet alleen versterkt door de geringe sociale status en de beperkte economische perspectieven die de man zijn vrouw en kinderen bieden kon. Door acculturatie vond het hebben van buitenvrouwen (muhé di afó) door de vroegere blanke bovenlaag bij de donkergekleurde man in de volksklasse navolging. Dit patroon schiep voor zijn vrouw en kinderen extra onzekerheden waartegen de vrouw zich wapende door haar kinderen nauw aan zich te binden. De buitenvrouwen van de blanke waren vrouwen van lagere klassen en vormden een voor de eega geringe sociale en economische bedreiging. De buitenvrouwen van de man in de volksklasse behoorden echter tot dezelfde sociale laag en vormden sociaal en economisch een reële bedreiging van haar positie. Matrifocaliteit en ook het monogame huwelijk kregen aldus een extra hoge waarde voor vrouwen in de lagere volksklasse.
Het begrip matriarchaat, dat in dit verband nogal eens wordt gebezigd om de centrale positie in de huishouding van de vrouw te onderstrepen, moet misplaatst worden geacht. Het matriarchaat is een hypothetische vorm van sociale organisatie in één der vroegste stadia van de menselijke evolutie, waarin vrouwen legitiem de domestieke en politieke macht bezaten. Een dergelijke evolutionistische opvatting vindt echter nog weinig aanhangers, terwijl in de Nederlandse Antillen zeker niet alle macht aan de vrouw is overgedragen.

 

 

@: Matrimonial


Een instrument bestaande uit een plankje van ongeveer 60 cm lengte waarop om de 15 cm lange spijkers worden geslagen die dienen ter bevestiging van een aantal (3) blikken schijfjes per spijker, met enige speling tussen schijfje en plank. De matrimonial wordt bespeeld door het plankje ritmisch op de knieën of op de rug van een stoel te slaan. Hierdoor kan de speler aan de schijfjes rinkelende geluiden ontlokken ter begeleiding van de wals, mazurka, danza, tumba of muzik di zumbi. In Portugal is een soortgelijk volksmuziekinstrument onder de naam chincalhos bekend.

 

@: Mazurka
De Antilliaanse mazurka houdt zich, behoudens een kort valsant gedeelte, aan het voorgeschreven ritmische patroon, maar wijkt af van het Europese voorbeeld door een overvloedig gebruik van - vaak chromatische - versierselen, die overigens de motiefopbouw niet aantasten, noch (dank zij hun snelle uitvoering) het tempo terughouden.

 

@: Medusa
zie @: Kwal.

 

@: Meelfabriek
zie @: Continental Milling Company Netherlands Antilles N.V.

 

@: Meerjarenplan Nederlandse Antillen
zie @: Ontwikkelingshulp.

 

@: Meertaligheid
is één van de opvallende kenmerken van de maatschappij op de Benedenwindse Eilanden. De bevolking is er samengesteld uit vele etnische groeperingen van zeer verschillende linguïstische afkomst. Men ziet echter dat bij definitieve vestiging op de eilanden vaak al in de tweede generatie immigranten de overgang naar het Papiamentu als moedertaal begint (zie Papiamentu: verbreiding en waardering). De indruk van meertaligheid wordt hoofdzakeIijk bepaald door het gebruik van de volgende vier talen: Papiamentu, Nederlands, Spaans, Engels. Niet alleen is het Papiamentu de moedertaal van de ‘eigen’ Antilliaanse bevolking van de Benedenwindse Eilanden en vervullen de overige drie genoemde talen de rol van de ‘niet-autochtonen’, maar tevens dienen deze vier talen als communicatiemiddel tussen groepen met verschillende moedertalen. Een belangrijk percentage van de bevolking kan zich in meer dan één taal uitdrukken en (enige) kennis van alle vier genoemde talen is geen uitzondering. Het komt voor dat men in een tijdsbestek van één of twee uur, bijvoorbeeld op recepties of ook bij meer huiselijke feestelijkheden, of bij begrafenissen, herhaalde malen van de ene taal op de andere overschakelt, alnaargelang de gesprekspartner(s) die men heeft. Daarbij kunnen alle vier genoemde talen aan bod komen. Ook trekt de aandacht dat men in dag- en weekbladen en in reclamespots op radio en televisie, in een advertentie twee of meer van bovenvermelde talen kan aantreffen.
Als men ‘meer dan een taal’ beperkt tot ‘twee talen’ bestaat de mogeIijkheid dat er van echte tweetaligheid sprake is: de spreker kan moeiteloos van de ene taal op de andere overschakelen en beheerst beide in zo’n hoge graad, dat het hem om het even is in welke van de twee hij zich uitdrukt. Deze vorm van tweetaligheid is op de Antillen een uitzondering.

 

@: Meeteren, Nicolaas van
(Curaçao 20 februari 1861 - 11 april 1953) publiceerde een waardevolle poging tot inventarisatie van volksgeloof en -gebruiken. Daarnaast auteur van verschillende historische publikaties. Wrk.: O.m. Noodlotsdagen, Grepen uit de Geschiedenis van Curaçao. 1799-1800 (1944); Volkskunde van Curaçao (1947. 1977); De oude vestingwerken, forten en batterijen van Curaçao (1951).

 

@: Meeuwen en Sterns
meuchi of bubi chikitu, vogelsoort uit de familie der Laridae. De enige echte meeuw die op St. Maarten en de Benedenwindse Eilanden voorkomt, is de lachmeeuw (Larus atricilla) of laughing bird, die in prachtkleed, een geheel zwarte kop en rode snavel en poten heeft. VoornameIijk in het ‘zomer’halfjaar is hij op de Benedenwindse Eilanden talrijk langs de zeekant. Het voedsel wordt in ondiep water lopend gevangen, maar ook vliegend uit het water opgepikt. Ook rooft hij eieren als hij er kans toe ziet. Op Bonaire is hij broedvogel. Van de sterns zijn als regelmatige broedvogels op de Benedenwindse Eilanden o.a. te noemen: visdiefje (Sterna hirundo), dwergstern (Sterna albifrons) en geelsnavelstern (Sterna sandvicensis eurygnatha). Zij vangen hun voedsel door vlak over het water te vliegen, of even in de lucht ‘stil te staan’ en dan loodrecht het water in te duiken. Speciaal het broeden van de geelsnavelstern is vermeldenswaard, daar de Nederlandse Antillen tot voor kort als enige broedplaats voor deze soort te boek stonden. In totaal zijn 10 soorten sterns in de Nederlandse Antillen geconstateerd; alle zijn bij de wet volledig beschermd.

 

@: Mengtalen
zie @: Creoolse talen.

 

@: Mensenrechten, Fundamentele
Elk der landen van het Koninkrijk draagt zorg voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur. Het waarborgen daarvan is een aangelegenheid van het Koninkrijk (art. 43 Statuut). Gedacht werd aan vrijheid van godsdienst, van onderwijs, van drukpers, recht van vereniging en vergadering, recht om verzoeken in te dienen, recht tot verkies- en benoembaarheid tot landsbedieningen, bescherming van persoon en goederen, van de eigendom en van het briefgeheim.

 

@: Mercier
zie @: Slavernij.

 

@: Merkenlandsverordening
(P.B. 1961 nr. 191). Hierin wordt een Bureau voor de Industriële Eigendom voor de Nederlandse Antillen ingesteld dat het recht op het uitsluitend gebruik van handels- en fabrieksmerken regelt. Het ressorteert onder de minister van Justitie en is gevestigd op Curaçao.

 

@: Mespu
(Achras sapota) of mispel, sapodille, plantesoort uit de familie der Sapotaceae. Melksap bevattende boom met langwerpige tot lancetvormige, leerachtige bladeren, opeengehoopt aan de toppen der twijgen; bloemen alleenstaand, 1cm lang; besvrucht appelvormig, zandkleurig tot lichtbruin, met een aantal platte, glimmende, donkere zaden in een sappig vruchtvlees; melksap wordt gebruikt voor produktie van kauwgum; hout levert meubelhout; vrucht is eetbaar en bijzonder gewild.

 

@: Mestichi
werd in de 18de en 19de eeuw op Curaçao gebruikt ter aanduiding van een persoon geboren uit een blanke en een mulattin (zie ook @: Mesties).

 

@: Mesties
is afgeleid van het Latijnse mixticius (gemengd). In het algemeen werd een kind van een blanke en een Indiaanse mesties genoemd. Op Curaçao werden echter in de 18de en 19de eeuw personen van gemengde Europees-Afrikaanse afkomst, die somatisch weinig verschillen van de blanke, als ‘mesties’ aangeduid.

 

@: Meta
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Meteorologische Dienst
is de landsdienst in de Nederlandse Antillen, die bij gouvernementsbeschikking nr. 5145 van 24 juni 1950 werd ingesteld en aIle aangelegenheden, de meteorologie betreffende, dient te behartigen. De reeds bestaande weerkundige dienst werd in de nieuwe organisatievorm opgenomen.
Afgezien van vroegere, veelal ongedocumenteerde weersbeschrijvingen in handelsrapporten en reisverhalen, dateren de oudste beschikbare waarnemingsreeksen vanaf 1830, toen de heer M.E. van der Dijs bij het landhuis Savonet te Curaçao een aanvang maakte met waarnemingen. betreffende de regenval. In latere jaren is het aantal regenstations te Curaçao belangrijk groter geworden en werden ook op de andere eilanden regenstations ingericht. Pas in 1894 werd voor het eerst melding gemaakt van een georganiseerde weerkundige dienst, ressorterend onder Openbare Werken. Naast een wisselend aantal regenstations werd toen een waarnemingsstation ingericht in Fort Amsterdam, waar twee- tot driemaal daags en op tijden, die in de loop van de jaren nogal eens veranderd zijn, waarnemingen op temperatuur, de nattebol temperatuur, de maximum- en minimum temperatuur, de luchtdruk, de wind en de regen zijn verricht.

In juni 1921 kwam de weerkundige dienst onder toezicht van de gouvernementslandbouwkundige; het hoofdwaarnemingsstation werd overgebracht naar een nieuw ingericht observatorium op Cas Chikitu. Reeds in januari 1923 werd Openbare Werken opnieuw met het toezicht op de weerkundige dienst belast; het waarnemingsstation op Cas Chikitu bleef tot februari 1928 in gebruik, waarna de instrumenten weer naar de batterijmuur van Fort Amsterdam werden overgebracht.

Op 1 januari 1933 werd de weerkundige dienst onder de directe supervisie gesteld van A.N.Th. van Meeteren, Chef kustverlichting van het Havenkantoor; de instrumenten werden in maart 1933 op Fort Nassau geplaatst met uitzondering van de barometer, die naar het havenkantoor verhuisde. In de loop van mei 1946 werd op de Luchthaven Hato een waarnemingsstation ten behoeve van de luchtvaart ingericht. Daartoe werd het instrumentarium van de - sedert 1941 op die luchthaven functionerende - militaire waarnemingspost overgenomen.

Met ingang van 1 januari 1947 werd het waarnemingsprogramma tot een schema van uurlijkse waarnemingen uitgebreid. Tevens werd viermaal per dag door middel van vrije ballonnen de hoogtewind bepaald. Kort daarop zijn de routinewaarnemingen op Fort Nassau beeindigd.

Op 1 februari 1950 ging de weerkundige dienst over in de nieuw ingestelde meteorologische dienst, die aanvankelijk administratief onder Openbare Werken en vervolgens onder Economische en Sociale Zaken ressorteerde. Voor de organisatie en uitbouw van de nieuwe dienst, voortgekomen uit de noodzaak om in het bijzonder voor de zich snel ontwikkelende luchtvaart - weersverwachtingen beschikbaar te kunnen stellen, werd dr. A. Bruinenberg, een vanuit Nederland beschikbaar gestelde meteoroloog, met de dagelijkse leiding belast. De dienst bleef op de luchthaven gehuisvest.

Op 12 september 1951 werd door de Nederlandse Antillen het zelfstandig lidmaatschap verkregen van de Wereld Meteorologische Organisatie (W.M.O.), de internationaal overkoepelende gespecialiseerde organisatie onder de Verenigde Naties en werd het Hoofd van de Meteorologische Dienst aangewezen als permanent vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen bij de W.M.O. Met ingang van 13 juni 1953 werd de Meteorologische Dienst als zelfstandige dienst ingesteld onder de Minister van Verkeer en Vervoer.
In 1956 werden de bovenluchtwaarnemingen aanzienlijk uitgebreid door de instelling van een radiosonde-afdeling op Curaçao en St. Maarten, waarvan de kosten door de National Weather Service van de Verenigde Staten en de Meteorologische Dienst gemeenschappelijk worden gedragen.

In september 1972 werden de inmiddels ingevoerde waarnemingsprogramma’s op de Beatrix Luchthaven te Aruba en de Juliana Luchthaven te St. Maarten in eigen beheer van de Meteorologische Dienst overgenomen en uitgebreid tot een schema van uurlijkse waarnemingen, terwijl in maart 1979 het inmiddels ingevoerde waarnemingsprogramma te Kralendijk, Bonaire, in eigen beheer van de Meteorlogische Dienst werd overgenomen en verplaatst naar de Flamingo Luchthaven. Te St. Eustatius wordt het waarnemingsprogramma onder verantwoordelijkheid van de Meteorologische Dienst uitgevoerd door personeel van Landsradio Oranjestad en het F.D. Roosevelt vliegveld, terwijl voorts - verspreid over alle eilanden - bijna 70 vrijwillige regenstations in stand worden gehouden.

Het hoofdkantoor van de Dienst op Curaçao is ondertussen sinds maart 1976 gevestigd in een definitief eigen gebouw op het industrieterrein te Seru Mahuma nabij de Luchthaven Hato, alwaar ten behoeve van meteorologische voorlichting wordt beschikt over een weerradarstation en een station voor de rechtstreekse ontvangst van beelden van weersatellieten. Teneinde met name te voldoen aan de eisen voor adequate luchtvaartmeteorologische voorlichting en voor plaatselijke meteorologische voorlichting bij orkaandreiging, zal naar verwachting in 1984 de afdeling van de Dienst op de Juliana Luchthaven, St. Maarten, worden uitgebreid tot een volledig toegerust meteorologisch centrum voor de Bovenwindse Eilanden.

De taakstelling van de Meteorologische Dienst omvat in belangrijke mate de uitwisseling van weerrapporten en meteorologische voorlichting ten behoeve van de scheepvaart en de luchtvaart en het onderhouden van de nodige faciliteiten daartoe, zoals meteorologische instrumentaria, waarnemingsprogramma’s, meteorologische telecommunicatie, synoptische analyse en klimatologische verwerking, alsook het verzorgen of begeleiden van de nodige meteorologische vakopleidingen. Voorts meteorologische voorlichting aan persmedia en publiek in het algemeen en, met name bij slechtweersituaties en tropische storingen, het opstellen van adviezen en waarschuwingen ten behoeve van landelijke en eilandelijke instanties en rampenorganisaties, alsmede wetenschappelijk onderzoek en klimatologische informatie ten behoeve van bijvoorbeeld bouwprojectplanning, land- en tuinbouw, recreatie en toerisme, toepassingen alternatieve energie, verzekeringszaken en meteorologische aspecten van juridische aangelegenheden.
Tenslotte het ten behoeve van vorenstaande onderhouden van contacten en samenwerking met landelijke en eilandelijke instanties binnen overheid en particuliere sector en met buitenlandse meteorologische diensten en wetenschappelijke instituten en overkoepelende regionale en internationale lichamen zoals de Wereld Meteorologische Organisatie (W.M.O.), de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart I.C.A.O.) en het regionale Hurricane Committee. (Zie ook Klimaat; Meteorologische waarneming).

 

@: Meteorologische waarneming
is het, volgens internationaal door de Wereld Meteorologische Organisatie (W.M.O.) vastgestelde of aanbevolen normen, me¬ten of schatten van een aantal meteorologische elementen, die tezamen een zo volledig mogelijk beeld geven van de plaatselijk heersende weersgesteldheid. Meteorologische waarnemingen worden uurlijks via een exclusief meteorologisch telecommunicatienetwerk in een vastgestelde cijfercode internationaal uitgewisseld, teneinde door middel van numerieke analyse op regionale of wereldschaal inzicht te bieden in de actuele weersontwikkeling. Aan de hand van op kwaliteit gecontroleerde tijdreeksen van meteorologische waarnemingen kan een klimaatsbeschrijving worden opgesteld. (Zie ook Klimaat)


 
@: Meter
zie @: Verwantschap.

 

@: Methodist Church
Deze kerk is één van de grootste protestantse kerken in de Nederlandse Antillen en telt haar voornamelijk Engelssprekende leden vooral onder hen die van de Brits West-Indische eilanden en St. Maarten afkomstig zijn. Alle eilanden hebben eigen predikanten en local preachers. Het aantal leden bedraagt (in 1982) op Aruba ongeveer 600, Curaçao 670, St. Maarten 1.200 en St. Eustatius 200. Op Bonaire en op Saba zijn geen Methodisten-gemeenten, maar op Saba is wel één met de Methodisten verwante kerk, de Wesleyan Holiness Church. (Zie ook @: Protestantisme: geschiedenis).

 

@: Metzelaar, Jan
(Vlissingen 21 oktober 1891 - Michigan, Verenigde Staten, 4 oktober 1929) bewerkte de grote collectie Antilliaanse vissen, die Boeke in 1905 verzamelde, in totaal 337 soorten, waarbij naast de wetenschappelijke beschrijving veelal de volksnaam vermeld staat. Van 1923 tot aan zijn dood was hij te Ann Arbor als Fisheries Expert van Michigan werkzaam.


Wrk.: Over Tropisch Atlantische Visschen (diss. 1919, parallel uitg. Report on the fishes, collected by J. Boeke in the Dutch West Indies 1904-1905, with comparative notes on the marine fishes of Tropical West Africa, opgenomen in Bijlage I in Rapport 2de deel van J. Boeke).

 

 

@: Meubilair en wooncultuur

Hetgeen aangeboden wordt:

Hoofdstuk 1: De vroege Nederkandse periode: Goede ambachtslieden
Hoofdstuk 2: Curaçaosche koloniale meubelen
Hoofdstuk 3: Midden-antiek onder Engelse invloed
Hoofdstuk 4: De Noord-Amerikaanse invloed
Hoofdstuk 5: 19de-eeuwse meubilair
Hoofdstuk 6: Goud- en zilversmeedkunst

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 1: De vroege Nederkandse periode: Goede ambachtslieden

illustratie: mesa di awa.

Uit de Spaanse periode werd geen meubilair aangetroffen. In de vroege Nederlandse periode werden zonder twijfel de eenvoudigste en meest noodzakelijke meubelen door de (scheeps-) timmerman in eigen beheer vervaardigd. De meubelen die in de allengs opgetrokken stads- en landhuizen werden geplaatst, waren aanvankelijk uit het moederland ingevoerd, maar werden spoedig door plaatselijke vaklieden nagemaakt, waarbij door aanpassing aan eigen behoefte en smaak een typisch ‘koloniale’ stijl met eigen kenmerken ontstond.
In de loop van de 18de eeuw werd daarbij steeds meer gebruik gemaakt van het tropische mahoniehout, gewoonlijk uit de Dominicaanse Republiek ingevoerd. In de 18de en ook nog in de 19de eeuw was de faam van de Curaçaosche schrijnwerkers groot genoeg om uitvoer van meubelen naar omgevende landen mogelijk te maken. Niet ten onrechte schreef Gouverneur-Generaal Kikkert in 1817: Aan ambachtslieden hebben wij hier geen gebrek. Er zijn hier een aantal goede schrijnwerkers, huis- en scheepstimmerlieden, kunstdraaiers en metselaars, goud-, zilver- en ijzersmeden van welke de schrijnwerkers vooral het zeer ver gebracht hebben, daar zij hier even zo goed bijna als in Europa arbeiden.


Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 2: Curaçaosche koloniale meubelen

illustratie: poron.

De Curaçaosche koloniale meubelen onderscheidden zich in het algemeen van hun Europese voorbeelden door hun wat grover en breder karakter, met, zoals men ook in de architectuur kan opmerken, een voorkeur voor in- en uitgezwenkte lijsten. Ook werd meer draaiwerk toegepast, waardoor ondanks het logger karakter toch een zwierig barok accent werd verkregen. De Hollandse renaissance, de Franse Lodewijkstijlen, het empire en biedermeier deden, evenals Engelse en Noord-Amerikaanse stijlen, hun invloed op de ontwikkeling van het Curaçaosche meubel gelden. Zo treffen we onder het oudste antieke meubilair de ‘Hollandse kast’ in mahonie aan, met zware balpoot (de rounded Dutch of clubfoot), en de Queen Anne kaarttafel met cabriole, bal en klauw. Het hemelbed waarnaast Michiel de Ruyter staat afgebeeld bij zijn bezoek aan het West-Afrikaanse Sao Jorge da Mina, werd anderhalve eeuw later nog steeds in mahonie op Curaçao vervaardigd. Van zo’n Zamba (Papiamentu, oorspronkelijk Portugees) die men met een bankje besteeg, werden later de poten korter gezaagd. Ook de nederige 17de-eeuwse Nederlandse stoel werd lange tijd op Curaçao uit cactushout vervaardigd. Thans wordt hij uit Coro (Venezuela) per fruitschoener aangevoerd. Ondanks de siesta  (middagdutje) werd de luibank - uit de Oost bekend - nauwelijks gebruikt. Zeer voornaam echter ontwikkelde zich uit het Hollandse kabinet het kabernèchi of kabinèchi, een forse en prachtige gesloten kast, die thans zo goed als verdwenen is.

Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 3: Midden-antiek onder Engelse invloed

illustratie: stila.

Tot het Curaçaosche midden-antiek vallen de meubelen te rekenen die onder invloed van Engelse 18de-eeuwse stijlen werden vervaardigd: de Sheraton tafel met driepoot, vaasmotief en koperklauw, en daarna ook regency meubelen, vooral op de Bovenwinden, met een verfijnde toepassing van de inlegtechniek. Ook Chippendale, Hepplewhite en de daarbij behorende verguld-methoden kwamen voor. Was Genuees marmer, voor de Joodse begraafplaats, al in de 17de eeuw via Amsterdam ingvoerd, in de 18de eeuw - en ook nog in de 19de - kwam het Venezolaans marmer daarnaast in gebruik voor tafelbladen.

Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 4: De Noord-Amerikaanse invloed

illustratie: wea di awa.

Rond 1800 werd de Noord-Amerikaanse invloed sterker, en het is niet onmogelijk dat de klerenpilaarkast met zijn  klassiek motief de eilanden via Virginia bereikte. Ook de schommelstoel kwam wellicht uit de Verenigde Staten na 1800; de thans nog veel geziene mechanisch getrokken Weense stoel is van veel later datum. Het liermotief, zo populair in het begin van de 19de eeuw, inspireerde de Curaçaosche meubelmaker tot de merkwaardige lierkapstok. Zo kreeg het gegoede Curaçaosche binnenhuis in de 18de en 19de eeuw een burgerlijk sober, maar toch verfijnd en intiem karakter met eigen allure. Thans vertoont het meubilair van veel huizen in Otrobanda, Willemstad, nog een staalkaart van late biedermeier, zoals de wijk Scharloo er één geeft van neo-empire. Van het echte empire - de stoel met gebeeldhouwd handstuk, ook de schommelstoel - is daarentegen weinig over.

Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 5: 19de-eeuwse meubilair

illustratie: banki di tinashi.

Van het 19de-eeuwse meubilair is naast de soms gezwarte hoekkast, zilver- of glazenkast met vogel- of gelaatssculptuur, de watertafel kenmerkend, waarvan de sluitrand soms een paardekopmotief bezit. De tafel, met zwaar en fantasierijk voetstuk, werd nòg massiever in deze periode en beheerste voornaam het interieur, waar de stoelen tegen de wand stonden en de vele vergulde spiegels de indruk van ruimte nog versterkten; in de slaapruimte stond het stelchi (gemak) nog naast het kleiner geworden, hoewel nog steeds zware, bed. Aan het einde van de eeuw verdween de bijbellessenaar met kaarsenhouder en werd de glazen lichtkroon voor de elektriciteit bruikbaar gemaakt.
Ook buitenshuis moesten oude gewoonten wijken: de door de timmerman bekwaam gemaakte garoshi (sjees, soort  tilbury) raakte in het begin van de 20ste eeuw in onbruik; terwijl de waaier in kerk en theater nog wel gezien werd, verdween de parasol goeddeels, evenals de wandelstok. De laatste kwam nog even weer te voorschijn toen de strohoed, door eigen industrie geproduceerd, in de mode kwam.

Meubilair en wooncultuur Hoofdstuk 6: Goud- en zilversmeedkunst

illustratie: tinashi (kruik - midden); tapadera (deksel - rechts) en koko di awa (schep - links).

Uit de eerder aangehaalde woorden van Gouverneur-Generaal Kikkert bleek al dat de goud- en zilversmeedkunst op Curaçao bekwame beoefenaars vond. In het fraaie filigrainwerk zijn onder meer Zeeuwse invloeden herkenbaar. Het vakmanschap van de zilversmid blijkt ook uit de fraaie zilveren waterscheppen, geïnspireerd op de uit een kalebas of kokosnoot vervaardigde koko. Deze koko of - voluit - koko di saka awa lag naast of op de wea di awa (een aarden pot waarin het drinkwater werd bewaard om het koel te houden) waarvoor een apart tafeltje werd gereserveerd: mesa di awa. Niet zelden stond er een poron (aarden waterkruik) naast. In de keuken bevond zich de tinashi of de zjar, een grote, staande aarden pot, als waterreservoir. Aparte vermelding verdient de stila, een conisch toelopende smalle spijlenkast van peachpinehout, voor het zeven van drinkwater door poreuze steen. Deze ligt boven, de kleine vangporon staat in het midden, de aanvoerporon met ongezeefd water staat onder. De lekkage geeft enige plaatselijke koelte; op het middenplankje stonden daarom gerechten, die even fris gehouden moesten worden. De bijpassende bovenvermelde koko mocht niet ontbreken. De ijskast heeft de stila en de kruiken verdrongen.

 

@: Meijer, Casten David
(Curaçao 24 december 1844 - 16 februari 1928) uitgever-redacteur van Civilisadó (eerste weekblad in Papiamentu, 1871), De Vrijmoedige (1875-1920) en De Wekker (1879-1915) (zie Pers).

 

@: Meyhknecht, Jos
(1860-1914), priester. Werkte op Curaçao. Was zeer bekend; sociaal vooruitstrevend, vaak in correspondentie met de Minister van Koloniën tot afschaffing van de paga tera contracten, waardoor immers de emancipatie niet volledig tot haar recht kwam (zie Grondbezit).

 

@: Midden-Curaçao formatie
Een gesteenteserie van conglomeraten, zandstenen en schalies, hoofdzakelijk ontsloten in het centrale deel van Curaçao tijdens het vroegste Tertiair (zie Geologie).

 

@: Mieren
zie @: Vruminga.

 

@: Mierenleeuw
ant-lion of doodlebug is de larve van een libel-achtig insekt, behorende tot de familie der Myrmeleontidae. De larven zitten in holletjes in rul zand, met een trechtervormig, 2½ cm wijd ‘valkuiltje’ erboven. Met hun lange kaken grijpen zij de mieren, termieten of andere insektjes die in hun valkuil terecht komen en zuigen deze uit. Mierenleeuwen komen op alle zes eilanden voor.

 

@: Migratie
zie @: Bevolking.

 


 
@: Mikvé Israël
Officiële benaming van de Curaçaosche synagoge van de Nederlands-Portugees-Israëlitische Gemeente Mikvé Israel Emanu-El, de oudste intacte uit de Amerika’s. Ze werd nl. 1730/1732, naar het vrij gevolgde voorbeeld der Amsterdamse Portugese synagoge, ter plaatse van een oudere onder leiding van Pieter Roggenburg door de Amsterdamse meestertimmerman Henderik Schielach opgericht en is sindsdien zonder onderbreking in gebruik gebleven.
Het vrij binnen een ruim afgesloten terrein gelegen gepleisterde gebouw is een driebeukige met houten tonnen gedekte hallenruimte, waarbij vier vrijstaande zuilen en halve wandzuilen de zadeldaken schragen alsook de vrouwengalerijen in de zijbeuken, die langs stenen buitentrappen toegankelijk zijn. De gevels aan de korte zijden worden gemarkeerd door de afgeronde afvoerkanalen van het regenwater, met het aanzien van steunberen. In het interieur is het oorspronkelijke mahonie plafond in 1876 wit geverfd. De ark d.w.z. de kastenbetimmering met de oude wetsrollen moet echter uit 1709 dateren en dus uit het voorgaande gebouw afkomstig zijn, evenals tenminste de twee in 1707 en 1709 gedateerde van de vier uit Amsterdam afkomstige koperen bolkronen. De tebá met neogotische spitsboogjes draagt daarentegen een vroeg 19de eeuws karakter; het orgel dateert uit 1866. Het gebouw, dat vijf jaar ouder is dan de Berachave-Shalom-synagoge van Paramaribo en 31 jaar ouder dan de Tou-ro-synagoge in Newport, Rhode Island, Verenigde Staten, is ook een grote toeristische attractie, die jaarlijks door meer dan 20.000 personen, veelal Noord-Amerikanen, wordt bezocht (zie ook Joodse gemeenten).


Literatuur:

  • J. Hartog, Curaçao (1961);
  • M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959);
  • vgl. literatuur vooral P.A. Euwens O.P. in N.W.I.G., 16de jaargang, dl. XVII (1925) en
  • I.S. Emmanuel, Precious Stones of the Jews of Curaçao (1957);
  • inlichtingen gemeentearchief Amsterdam;
  • R.D.L. Maduro et. al., Our ‘Snoa’ (1982).

 

@: Mikvé Israël - Emanu-El
Verenigde Nederlands-Portugees-Israëlitische Gemeente (zie @: Joodse Gemeenten).

 

@: Militaire tehuizen
In het landhuis San Mateo op Curaçao werd in 1909 een militair tehuis geopend. Toen wegens oorlogsdreiging in 1939 het garnizoen werd uitgebreid, onderging dit tehuis talrijke verbeteringen. Vroeger hebben er op Curaçao een protestants en een rooms-katholiek militair tehuis bestaan. Thans bestaat alleen nog maar een tehuis: De Vijf Glaesen. Beide geestelijke verzorgers zijn lid van het bestuur. Op Aruba werd in 1941 een militair tehuis gesticht, waarvan A.J.Dussenbroek gedurende vele jaren een steunpilaar was. Thans heeft ook Aruba een gemeenschappelijk militair tehuis: Prins Willem Alexander Tehuis, opgericht in 1971. Ook hier zijn beide geestelijke verzorgers lid van het bestuur.

 

@: Militair Strafrecht
Bij Rijkswet van 4 juli 1963 houdende wijziging van het militair strafprocesrecht en de Rijkswet van 4 juli 1963 houdende wijziging van het materiële militaire strafrecht en militaire tuchtrecht (in werking getreden met ingang van 1 juli 1965) zijn vervallen het Wetboek van militair strafrecht voor de kolonie Curaçao (P.B. 1923 nr. 2) en het Reglement van krijgstucht voor de kolonie Curaçao (P.B. 1923 or. 2) alsmede de Koninklijke Besluiten van 8 februari 1915 Stbl. or. 74 en van 3 maart 1925 Stbl. nr. 60 betreffende de rechtspleging bij de zeemacht en landmacht in Curaçao. Het Nederlandse Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Krijgstucht worden geacht mede te zijn vastgesteld ter uitvoering van art. 6 van de Defensiewet voor de Nederlandse Antillen. De rechtspleging bij de land-, zee- en luchtmacht is mede verbindend voor de Nederlandse Antillen. Ingevolge het nieuwe artikel 5a van het Wetboek van Militair Strafrecht is op feiten, door aan de militaire rechtsmacht onderworpen personen begaan in of met betrekking tot de Nederlandse Antillen het aldaar geldende strafrecht toepasselijk, indien de Nederlandse strafwet tegen zodanige feiten geen straf bedreigt. Indien het strafrecht van de Nederlandse Antillen wordt toegepast, kunnen tevens worden toegepast de bepalingen van de Nederlandse strafwet, die betrekking hebben op de voorwaardelijke veroordeling en op de terbeschikkingstelling van de regering wegens gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens.

 

 

@: Militieplicht
of dienstplicht is onmiskenbaar een koninkrijksaangelegenheid; niettemin is uitdrukkelijk in art. 31 Statuut vastgelegd, dat instelling van dienstplicht in de Nederlandse Antillen niet dan bij landsverordening kan geschieden, terwijl de Staatsregeling eventueel kan bepalen, dat de dienstplichtigen niet dan krachtens een landsverordening naar elders kunnen worden gezonden. Vanzelfsprekend krijgen de Antilliaanse dienstplichtigen en de bewoners die zich vrijwillig aanmelden, prioriteit bij de verdediging van eigen land. Dit is ten overvloede in art. 32 Statuut vastgelegd. De Defensiewet bevat nadere regels over alle dienenden bij de krijgsmacht (zie Defensie).

 

@: Miljoenpoten
of millepedes, christmas worm, congolio, zijn te onderscheiden van duizendpoten, doordat elk segment twee paar poten draagt (duizendpoten één paar); de poten bewegen zich in een grappig golvende rij. Entomorpha coarctata is een op Curaçao waargenomen soort, die trouwens over de hele wereld verspreid in de tropen voorkomt. Hij kan op vochtige plaatsen schadelijk zijn voor kiemplanten en jonge wortels.

 

@: Mimicry
is het verschijnsel, dat een dier iets uit zijn omgeving als het ware heeft nagebootst. Spanrupsen kunnen precies lijken op de takken waarop zij zitten en zijn daardoor minder zichtbaar voor rupsen-etende vogels, hetgeen hun kans in de strijd om het bestaan zal vergroten. In zee vertonen talloze wormen, slakken, garnalen, krabben en vissen die zich tussen het koraal schuilhouden, grote gelijkenis met dat koraal, zodat zij vrijwel onzichtbaar voor vijanden zijn.
Roofdieren die mimicry vertonen, kunnen daaruit voordeel trekken bij het besluipen van hun prooi, zoals de sargassumvissen, die precies lijken op het wier waartussen zij leven, zodat hun prooidieren hun nadering vaak niet of te laat - bemerken. De meest algemeen verbreide vorm van mimicry is de hierboven vermelde schutkleur, maar er zijn ook andere vormen, bijvoorbeeld waarbij het dier een juist opvallend kleurpatroon tentoonspreidt, wat gepaard gaat met een nare geur of smaak, en dit kleurpatroon blijft dan niet beperkt tot één soort, maar komt bij meerdere soorten voor, zodat de afschrikwekkende functie door deze mimicry meer bekend wordt en dus sterker werkt. Daar kunnen zelfs soorten van profiteren, die wel het kleurpatroon bezitten, maar de nare geur of smaak missen.

 

@: Mimosa
(Mimosa pudica) of kruidje-roer-me-niet, sensitive plant, shame lady shame, heestertje waarvan de blaadjes bij prikkel (aanraken, verhitten e.d.) tegen elkaar klappen en de bladsteel gaat hangen; bladeren samengesteld met groot aantal blaadjes; bloemen in bolvormig of iets langwerpig hoofdje, op lange steel in bladoksel. Pantropisch. St. Eustatius in het wild; Benedenwindse Eilanden gekweekt.

 

@: Minase negers
Benaming voor slaven afkomstig van de West-Afrikaanse havenstad Silo Jorge da Mina; waarschijnlijk pas in de 18de eeuw op Curaçao aangevoerd. Speelden een belangrijke rol in de slavenopstand van 1750. Stonden op Curaçao bekend als ‘lastige’ slaven.

 

@: Mineralen
zie @: Delfstoffen.

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu:

@: Minguel Mafalda Juana -Salsbach / @: Mafalda Minguel

Mafalda Juana Minguel Salsbach
(8 di mart 1938 – Presente)

Mafalda a nase dia 8 mart 1938 na Kòrsou. For di chiki kantamentu tabata su pashon. E tabata pasa óranan kantando huntu ku algun amigu di su rumannan ku tabata toka kitara. Semper su deseo tabata pa kanta den un trio i na edad di 15 aña e deseo aki a bira realidad ora ku pa promé biaha e por a presentá ku Trio Caribe. Despues kaminda a habri i ela presentá tambe ku Trio Pentagram i Trio Los Tiarucos. Boy Janssen a introdusí Mafalda na e konhunto Sonora de Moda. Durante un try-out ela kanta Candilejas i Moulin Rouge i na edad di 16 aña ela debutá ku e konhunto aki durante un presentashon na e club Jolly Fellows Society. Esaki tabata komienso di su karera di 50 aña komo artista. Mafalda na aña 1969 tabata e prome kantante femenino di Kòrsou ku a graba den e studio di Discomoda na Miami, Florida. Pa loke ta trata Festival di Tumba tambe Mafalda a pone su stèmpel. Durante e periodo ku el a partisipá semper ela klasifiká pa final i den dekada 1980 ela haña diferente homenage pa su partisipashon i dedikashon na Festival di Tumba. Mafalda i su kasa, e konosido musiko Manuel "Shon Ma" Salsbach q.e.p.d a haña seis yu, di kua tres (Sherman, Carlos i Arnell) a sigui den pasonan di nan mayornan musikal. Den e banda Arnell i su Orkesta, Mafalda a profilá komo Reina di Kansion di Kòrsou i asina lo e keda biba den nos kurason.


 

@: Miniaturas
Geïllustreerd maandblad, verschenen van 1925 tot 1926, in het bijzonder gewijd aan het leven van de Curaçaosche society, maar waarin ook regelmatig bijdragen van letterkundige aard van de zogenaamde Spaanse school werden opgenomen (zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Minimumlonen
Krachtens de Landsverordening van 31 mei 1972 houdende nieuwe regelen inzake minimumlonen heeft elke werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever aanspraak op tenminste het minimumloon in de sector waarin hij werkzaam is. Werknemers beneden de 21 jaar hebben recht op een loon dat in een redelijke verhouding staat tot de minimumlonen. De volgende sectoren worden onderscheiden: (art. 9 leden 1, 2, 3 en 4).

 

  • Sector I: Industrie en Ambacht, met uitzondering van de elektronische industrie, de textiel- en kledingindustrie en de bouwnijverheid en aanverwante bedrijven.
  • Sector II: Bank- en Verzekeringswezen, Vervoer, Hotel-, Restaurant, Amusementswezen en aanverwante bedrijven, dienstverlening met uitzondering van wasserijen.
  • Sector III: Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt, Handel, Elektronische Industrie, Wasserijen en voorts alle sectoren niet onder I en II genoemd.
  • Sector IV: Huishoudingen van natuurlijke personen. De arbeid die hier verricht wordt dient hoofdzakelijk of uitsluitend huishoudelijke diensten te zijn en niet minder dan 22 uur per week te zijn.

 

De geldende minimumlonen per 1 januari 1984 zijn: (art. 9 lid 3).

  • Sector I: per maand fl. 925,40
  • Sector I: per week fl. 213,25
  • Sector II: per maand fl. 686,90
  • Sector II: per week fl. 158,70
  • Sector III: per maand fl. 594,95
  • Sector III: per week fl. 137,55
  • Sector IV: per maand fl. 283,85
  • Sector IV: per week informatie niet voorhanden
  • Sector IV per uur: fl. 2,90 indien minder dan 22 uur per week werkzaam.

Deze minimumlonen worden elk kalenderjaar met ingang van 1 januari aangepast aan het door het Centraal Bureau voor de Statistiek (C.B.S.) vastgestelde percentage van de stijging van kosten van levensonderhoud (art. 13).
De werkgever kan, na overleg met de werknemersvertegenwoordigers, de Minister van Arbeid verzoeken om een lager minimumloon te betalen dan genoemd in de sectoren I en II. Dit is mogelijk indien naar het oordeel van de Minister het voortbestaan van het bedrijf of beroep ernstig wordt bedreigd. Bij toekenning van een dergelijk verzoek zal het loon niet lager gesteld kunnen worden dan 75% van het minimumloon bepaald voor de betreffende sector en voor niet langer dan één jaar (art. 11). Krachtens art. 9 lid 5 kunnen bij landsbesluit bedrijfstakken van een sector overgeheveld worden naar een andere sector. Voor Bonaire, Saba en St. Eustatius kunnen afwijkende bedragen als minimum lonen vastgesteld worden. In 1984 zijn de Staten van de Antillen akkoord gegaan met het streven naar een sociaal aanvaardbaar minimumloon met uitzondering van het minimumloon voor huishoudelijk personeel. Daartoe zal bij toekomstige indexeringen voortaan de derde, tweede en eerste categorie minimumloon respectievelijk voor 100%, 60% en 20% geïndexeerd worden. In deze landsverordening wordt onder arbeidsduur verstaan datgene dat bij arbeidsovereenkomst, arbeidsreglement of C.A.O. is geregeld. Bij het ontbreken hiervan geldt een normale arbeidsduur van 45 uur per week. Afwijkingen hierop zijn mogelijk bij verzoek aan de Minister (art. 2). Indien een arbeidsduur is overeengekomen welke korter is dan de normale arbeidsduur wordt, behoudens voor het minimumloon voor huishoudelijk personeel, het minimumloon naar evenredigheid verminderd (art. 12).
De geldelijke inkomsten die een vast bestanddeel vormen van het inkomen uit hoofde van een dienstbetrekking worden als loon beschouwd. Uitzondering hierop vormen:


• verdiensten uit overwerk vakantie toeslagen
• winstuitkeringen
• uitkeringen bij bijzondere gelegenheden
• toekomstige uitkeringen
• noodzakelijke vergoedingen in verband met de dienstuitoefening
• bijzondere vergoedingen voor kost¬winners en gezinshoofden.

 

Bij landsbesluit kunnen andere uitzonderingen vastgesteld worden en eveneens kunnen bepaalde niet geldelijke inkomsten als loon beschouwd worden (art. 7).
Onder dienstbetrekking wordt verstaan de dienstbetrekking krachtens overeenkomst met derden en overigens naar burgerlijk recht. Onder dienstbetrekking wordt niet verstaan de arbeidsverhouding tussen de werkgever en familieleden in rechte lijn of in de zijlijn tot en met de derde graad noch wanneer niet meer dan eenderde van de normale arbeidsduur arbeid wordt verricht (art. 3). Het opzettelijk niet nakomen van het gestelde in de landsverordening kan gestraft worden met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en een geldboete van ten hoogste 25.000 gulden hetzij een van deze straffen. De werkgever is verplicht de opsporingsambtenaren volledige medewerking te verlenen en naar waarheid inlichtingen te verstrekken. De opsporingsambtenaren zijn tot geheimhouding verplicht van al hetgeen hun in de uitoefening van hun functie bekend is geworden.

 

 

@: Ministeries
Term die in het Staatsrecht in tweeërlei betekenis wordt gebruikt:


a. de collectiviteit der ministers, ook kabinet genoemd, veelal met de toevoeging van de naam van de minister-president;

b. het ambtelijk apparaat dat elk der ministers bijstaat (zie Departementen).

 

@: Ministerraad van de Nederlandse Antillen
(artt. 37-42 Staatsregeling) vormt met de Gouverneur de regering van de Nederlandse Antillen. Het bij de Staatsregeling van 1948 in het leven geroepen College van Algemeen Bestuur is de voorloper geweest van de ministerraad, zij het niet op gelijk niveau. In de Staatsregeling 1950 heette het College: Regeringsraad. De ministerraad bestaat uit ten hoogste tien ministers, tenzij bij landsverordening anders wordt bepaald. De raad van ministers kiest zijn voorzitter uit zijn midden. Indien de Gouverneur een vergadering bijwoont, treedt hij op als voorzitter met raadgevende stem. De ministers worden na overleg met de Staten, de Raad van Advies gehoord, benoemd door de Gouverneur. Hun verantwoordelijkheid wordt geregeld bij landsverordening. Zij moeten ten minste 25 jaar zijn, de staat van Nederlander bezitten en niet uitgesloten zijn van verkiesbaarheid tot lid der Staten. Art. 37 noemt enige functies die niet tegelijkertijd met het ministerschap kunnen worden vervuld. Als de gevolmachtigde minister in de Nederlandse Antillen aanwezig is, wordt hij in de gelegenheid gesteld met raadgevende stem de behandeling bij te wonen van de onderwerpen, die tot zijn bemoeienis behoren. De ministers leggen een eed af in handen van de Gouverneur (art. 38). Zij worden telkens benoemd voor dezelfde periode als de leden der Staten zitting hebben. Indien de Gouverneur blijkt, dat een minister het vertrouwen van de Staten niet langer heeft, kan hij bij gemotiveerd besluit, de Raad van Advies gehoord, tot tussentijds ontslag van die minister overgaan. Ook om andere redenen in art. 39 genoemd kan tussentijds ontslag verleend worden. Zij zijn verplicht tot geheimhouding (art. 41); hun bezoldiging enz. wordt bij landsverordening geregeld (art. 40).

Werkwijze
Het reglement van orde voor de raad wordt vastgesteld bij landsbesluit, doch behoeft goedkeuring bij landsverordening (art. 42 jº P.B. 1955 nr. 99). De ministers hebben zitting in de Staten. Zij hebben als zodanig een adviserende stem. Zij kunnen zich in de vergadering doen bijstaan door de personen, daartoe door hen aangewezen. Zij zijn terzake van hetgeen zij in de vergadering gezegd of schriftelijk overgelegd hebben, niet gerechtelijk vervolgbaar, tenzij zij openbaar maken wat in besloten vergadering of onder geheimhouding gezegd is of overgelegd (art. 64). Zij geven aan de Staten, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verlenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van het Koninkrijk of van de Nederlandse Antillen. Zij kunnen door de Staten worden uitgenodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. Deze laatste twee zinnen (art. 65) hebben betrekking op het interpellatierecht van de Staten.

 

 

@: Ministerraad van het Koninkrijk
In principe is voor de regeling van de samenstelling hiervan naar de Grondwet verwezen, voor zover het Statuut hierin niet voorziet (art. 5 Statuut). De samenstelling van de ministerraad van het Koninkrijk is echter toch in art. 7 aangegeven, nl. de door de Koning benoemde ministers en de door de regering van de Nederlandse Antillen en, sinds 1986, door Aruba, benoemde gevolmachtigde ministers. Deze laatsten hebben een zeer bijzondere positie, die van veel groter invloed is dan die van één der (Nederlandse) ministers, bij alle onderwerpen die de Nederlandse Antillen en / of Aruba raken. Welke onderwerpen geacht worden de Nederlandse Antillen c.q. Aruba te raken wordt in art. 11 aangegeven.
Men heeft het willen doen voorkomen alsof art. 11 een limitatieve opsomming geeft van de onderwerpen die de Nederlandse Antillen c.q. Aruba raken. Niets is minder waar; in de eerste vijf leden worden onderwerpen genoemd, die in ieder geval geacht worden de Nederlandse Antillen / Aruba te raken. Het zwaartepunt ligt echter in het zesde lid, dat zonder enige beperking aan de regering van de Caribische delen van het Koninkrijk overlaat te beslissen wat haar raakt. Daarnaast hebben  de regeringen  van zowel Aruba als de N.A. eveneens zonder enige beperking de vrijheid, ook al raakt een onderwerp haar land, de behandeling daarvan aan Nederland over te laten. Als ten aanzien van een voorziening, houdende algemene bindende regelen, geen overeenstemming is verkregen tussen Nederland enerzijds en Aruba en de Nederlandse Antillen anderzijds, wordt het overleg voortgezet op de wijze als omschreven onder intern appèl.

De Nederlandse ministerraad vergadert als regel eenmaal per week. Als op de agenda koninkrijksaangelegenheden voorkomen waarbij de Nederlandse Antillen en / of Aruba betrokken zijn, nemen de betrokken gevolmachtigde ministers aan de beraadslaging deel en wordt dat gedeelte van de vergadering afzonderlijk genotuleerd als ministerraad van het Koninkrijk. Nog op één markant verschil tussen een minister en een gevolmachtigde minister moge worden gewezen: de Nederlandse ministers zijn persoonlijk lid van de ministerraad en kunnen derhalve hun stem niet door een vervanger doen uitbrengen, de gevolmachtigde minister kan dit krachtens het tweede lid van art. 8 wèl doen. Ook kan de regering van de Nederlandse Antillen of Aruba voor een bepaald onderwerp naast de gevolmachtigde minister tevens een Antilliaanse c.q. Arubaanse minister met raadgevende stem doen deelnemen aan het overleg in de ministerraad (art. 10, 2de lid). In additie: De gevolmachtigde minister, die door zijn regering wordt benoemd en ontslagen, is niet verantwoordelijk aan de Staten-Generaal, deze kan hem niet het vertrouwen opzeggen, althans hij wordt door een votum van een der kamers niet demissionair en zijn lot is niet aan dat van het Nederlandse kabinet gebonden.

Bij Koninklijk Besluit van 9 juni 1956 (Stbl. 309) is een Reglement van Orde voor de ministerraad tot stand gekomen waarbij rekening is gehouden met de nieuwe rechtsorde. De nieuwe tekst van het Reglement van Orde is opgenomen in Stbl. 1979 nr. 264.

 

 

@: Minvermogenden
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Miradó di karta
Waarzegster die de toekomst voorspelt aan de hand van een spel kaarten. Voor het waarzeggen wordt ook wel gebruik gemaakt van kachi-kach’i kofi (koffiedik). Men spreekt dan van mira den kòpi (in het kopje kijken) of van mira den gobi (een halve uitgeholde kalebas, waaruit vroeger sterke drank werd gedronken).

 

@: Miranda, Francisco de
(Caracas 28 maart 1750 - Cadiz 14 juli 1816) bekend als de Voorloper van de Bevrijder (Simon Bolivar), Venezolaans vrijheidsstrijder, heeft o.a. gevochten in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog en actief deelgenomen aan de Franse Revolutie. Nadat hij in Engeland aan de Britse premier William Pitt een plan tot bevrijding van Latijns-Amerika had aangeboden, ondernam hij zelf in 1806 twee vergeefse pogingen om Venezuela te bevrijden. In beide gevallen week hij uit naar Aruba, dat hij enige weken bezet hield. In 1810 speelde hij bij Bolivar’s vrijheidsstrijd zo’n belangrijke rol dat hij in het jaar daarop door het revolutionaire congres tot Opperbevelhebber (generalisimo) werd benoemd. Toen hij in 1812 moest capituleren voor de royalistische generaal Monteverde, hebben zijn landgenoten, die hem wantrouwden omdat zij in hem een afgevaardigde van de Britse regering zagen, hem belet in La Guaira te scheep te gaan. Door de Spanjaarden gevangen genomen, is hij naar Spanje overgebracht waar hij in Cadiz overleed.


  • Lit.:
  • F. Dalencour, Francisco de Miranda et Alexandre Petion, (1955);
  • J. Descola, Los libertadores - la lucha por la independencia de America. (1960);
  • C. Parra Perez, Miranda et la Revolution Française (1925);
  • idem, Autour de Miranda et Delphine, (1951);
  • M. Picon Salas, Miranda (1959);
  • W.S. Robertson, Francisco de Miranda y la revolucion de la America Española, (2 delen 1908);
  • idem, Life of Miranda, (2 delen 1929).

 

@: Misa
Papiamentse benaming voor (RK) kerk en de RK mis. Met uitzondering van de Fortkerk, die kèrki wordt genoemd, worden de andere Protestantse kerken op Curaçao aangeduid met misa di protestant.

 

@: Misdrijven
zie @: Criminaliteit.

 

@: Missie
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Mòfi
(Tiaris bicolor) of tobacco seed, sparrow, is een vinkachtig vogeltje, dat op alle zes eilanden algemeen voorkomt. De mannetjes zijn donker olijfgroen van kleur, maar maken een zwarte indruk; de wijfjes zijn meer grijsbruin met lichtere snavel. Het voedsel bestaat uit onkruid- en graszaden. Het gezang is een eenvoudig scherp getjilp. Het nest is bolvormig met een opening opzij en bestaat uit dorre grashalmpjes; het zit vaak maar losjes in elkaar en valt na afloop van het broeden al gauw uiteen, dit in tegenstelling tot het nest van de barika hel. De mòfi’s van de Benedenwindse Eilanden behoren tot een andere ondersoort dan die van de Bovenwindse Eilanden. Ze zijn door de wet beschermd.

 

@: Mohammedanisme
zie @: Islam.

 

@: Mohlmann, Willem Cornelis Michael
zie @: Wim van Nuland.

 

@: Mojarra’s
(Spaans) zijn vissen behorend tot de familie der Gerreidae, waartoe behoren de kabekuchi, karpeu en skòbeyak. Vooral jonge exemplaren zoeken het ondiepe water van baaien en lagunen.

 

@: Mondi
De naam voor het landelijke, niet in cultuur gebrachte gebied van de Benedenwindse Eilanden; eventueel slechts in gebruik als weidegrond.

 

@: Mongoose
(Herpestes auropunctatus) is een roofdiertje uit de familie der Civetkatten (Viverridae), dat in 1888 op St. Maarten werd ingevoerd ter bestrijding van de uit Europa ingevoerde zwarte rat. Oorspronkelijk is de mongoose afkomstig uit Zuid-Oost-Azië. Zoals overal waar hij is ingevoerd, is deze ook op St. Maarten een plaag geworden, die tot de achteruitgang of verdwijning van inheemse zoogdieren, vogels, reptielen enz. heeft geleid. Het uitroeien van ratten is bovendien op deze wijze niet gelukt. Men tracht nu de mongoose, die bovendien een rol schijnt te spelen bij het overbrengen van hondsdolheid, uit te roeien.

 

@: Monopolie
zie @: Industrievestiging en hotelbouw.

 

@: Montamentu
(Spaans montar = bestijgen) is een volksgeloof, dat abusievelijk als brúa of bijgeloof wordt afgedaan. Het behoort tot de zogenaamde Afro-Amerikaanse godsdiensten, die in het Caribisch g¬bied onder verschillende namen voorkomen: Haïti en de Dominicaanse Republiek spreken van vodun / voedoe, Trinidad en Cuba respectievelijk van xango en santerla. De belangrijkste kenmerken van deze godsdiensten zijn trance en identificatie van R.-K. heiligen met Afrikaanse godheden. De persoon in wie de misterio of ser is gevaren, wordt montadó genoemd, over het algemeen een vrouw of een homoseksueel. Montamentu appelleert aan de behoefte aan mystiek van zijn adepten terwijl deze toch het gevoel krijgen, dat zij zich kunnen identificeren met de misterio, die ‘menselijker’ overkomt: er is een dialoog met hem / haar mogelijk. In de 1950ger jaren is montamentu op Curaçao geïntroduceerd door Dominicanen om - mede door de verslechterde toestand van de economisch zwakken - in de 1970ger jaren aan populariteit te winnen, niet in de laatste plaats door de escapistische functie ervan: montamentu voorziet zowel in de behoefte aan zekerheid als in het verminderen van de frustraties van zijn adepten.


Lit.: F.M. Bernadina, Montamentoe, een beschrijvende en analyserende studie van een Afro-Amerikaanse godsdienst op Curaçao (doct. scriptie 1981).

 

@: Mont des Accords, Verdrag gesloten op de
zie @: Verdelingsverdrag van Sint Maarten.

 

@: Monte Cristo
Naam voor de eerste inrichting voor krankzinnigen en leprozen; later soortnaam geworden voor psychiatrische inrichting.

 

@: Monumentenzorg
zie @: Architectuur.

 

@: Morgenglorie
(Talinum triangulare) of buenos dias, por la mañana, plantesoort uit de familie der Portulacaceae. Hoog kruid met vlezige, spatelvormige bladeren; bloemen in 2-5 bloemige trossen op lange, driekantige stelen, 2 kelkbladen, 5 lila, geel- of oranjeachtige kroonbladen en bovenstandig vruchtbeginsel. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Ook gekweekt.

 

@: Morkoi
zie @: Schildpadden.

 

@: Morocho
Arubaans equivalent voor ohochi (tweeling).

 

@: Mossen
zijn kleine plantjes zonder wortel, meestal met een stengeltje met blaadjes; maar zonder bloemen. Voortplanting door sporen. Aan de top van de stengeltjes ontstaan de geslachtsorganen; na bevruchting van eicel ontstaat op een steeltje een sporekapsel waarin sporen gevormd worden. Grote vormenrijkdom. De mossen van de Nederlandse Antillen zijn nog slecht bekend.

 

@: Motorrijtuigenbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Moulo
zie @: Horsmakrelen.

 

@: Movemento pa Adelanto Social Antilliano / @: M.A.S.A. / @: MASA
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Movemento Antía Nobo / @: M.A.N. / @: MAN
politieke partij, opgericht op 6 februari 1971 onder leiding van D.F. Martina door een groep jonge mensen die teleurgesteld was door het feit dat de Statenverkiezingen van september 1969, afgedwongen door de opstand van 30 mei 1969, geen echte veranderingen hadden teweeggebracht in de Antilliaanse politiek. De doelstelling van de M.A.N. is het voeren van een politiek op basis van de sociaal-democratische ideologie, aangepast aan de specifiek Antilliaanse situatie. De partij streeft naar een volledige Antilliaanse zeggenschap over zowel interne als externe Antilliaanse aangelegenheden. Tevens stelt zij zich tot doel te komen tot een Antillianisering van beleidsposities in alle sectoren van de gemeenschap. In 1971 behaalde de M.A.N. een zetel in de Eilandsraadverkiezingen.
De samenwerking met de Frente Obrero y Liberacion 30 di Mei (F.O.L.) gedurende de verkiezingen van 1975 en 1977 werd in 1979 verbroken. De M.A.N. behaalde 7 zetels bij de Statenverkiezingen van 1979 en 6 bij die van 1982. In de eilandsraadverkiezingen van 1983 8.


 
@: Movemento Electoral di Pueblo / @: M.E.P. / @: MEP
Arubaanse politieke partij opgericht op 9 februari 1971. Voorzitter en leider van de partij is Gilberto F. (Betico) Croes. De partij heeft sedert haar oprichting een voortdurende en soms heftige strijd gevoerd voor zelfbeschikkingsrecht en onafhankelijkheid van Aruba. Bij de Statenverkiezingen van 1982 behaalde de M.E.P. vijf en bij de eilandsraadverkiezingen van 1983 dertien zetels. (zie ook @: Zelfstandigheidsstreven van Aruba; zie ook @: Betico Croes).

 

@: Muggen
muskieten, sangura of mosquitoes (familie Culicidae) behoren, evenals de vliegen of muskita, tot de orde der tweevleugelige insekten (Diptera). In totaal is een twintigtal soorten muggen van de Nederlandse Antillen bekend. Uit de eieren, die in het water gelegd worden, ontwikkelen zich larven, die als mikrobio of bichi di awa bekend zijn. De wijfjes van de meeste soorten zuigen bloed, een aantal soorten ook bij de mens. Enkele staan bekend als overbrengers van gevaarlijke ziekten. Op alle zes eilanden is de gele-koortsmuskiet (Aedes aegypti) de meest algemene mug, die vooral in regenrijke jaren overal in huizen te vinden is. Hij broedt in helder, beschaduwd water in of vlak nabij menselijke woningen, bijvoorbeeld in regenbakken. Deze mug heeft tot in de tweede helft van de vorige eeuw zware epidemieën van gele koorts veroorzaakt. De mug is verder de overbrenger van de dengue (vijfdaagse of knokkelkoorts). Campagnes tot uitroeiing van deze mug hebben geen blijvend succes gehad: de muskieten keerden terug en zijn nu bovendien resistent geworden tegen enkele insekticiden.
De steekmug (Culex quinquejasciatus) is ook op alle zes eilanden bekend. Deze mug is in staat de mens te besmetten met kleine spoelwormpjes (Filaria of wuchería) die filiariasis en in ernstige gevallen elephantiasis veroorzaken, ziekten die vooral op het continent bekend zijn. De mug is in veel huizen aan te treffen en broedt meestal in vervuild water, in de schaduw of in de zon, vooral in of vlakbij woningen.
Op Curaçao en Aruba komt de malaria-muskiet (Anopheles pseudopunctipennis) voor en op St. Maarten anopheles albimanus, maar toch is nergens op de Nederlandse Antillen inheemse malaria bekend. Malariamuggen vertonen zich zelden in huis, maar kunnen hinderlijk talrijk zijn nabij hun broedplaatsen, zoals waterbakken, plassen en waterputten, voornamelijk die, waar groen wier (lima) inzit. (Zie @: Geneeskunde).


Lit.: E. van der Kuyp, Mosquitoes of the Netherlands Antilles and their hygienic importance. Stud. Fauna Curaçao dl. 5 (1954).

 

@: Muherero
noemt men de succesvolle rokkenjager. In een cultuur met een krachtig manbaarheidscomplex wordt de betiteling als bijna eervol beschouwd.

 

@: Muis
of raton. De huismuis (Mus musculus) wordt in de naaste omgeving van huizen en stallen aangetroffen. Natuurlijke vijanden zijn de kerkuil, de kinikini, slangen en katten. De dwergwitvoetmuis (Callomys hummelincki) behorende tot de familie Cricetidae, komt op Aruba en Curaçao in maïsvelden en op andere plaatsen in het open veld voor. Deze soort verschilt van de huismuis door de geringere afmetingen, de veel kortere staart, de ‘witte voetjes’, een witte staartpunt en anders gevormde snijtanden. Hooijer vermeldt fossiele resten van deze muis op Curaçao (zie ook Fossielen).
Lit.: D.A. Hooijer, Fossil mammals of the Netherlands Antilles, in: Arch. Neerl. Zool. 16, nr. 4 1966).

 

@: Mulat
is een aanduiding gewoonlijk gebruikt voor een persoon van gemengde afkomst, bij wie zowel negroide als blanke trekken uiterlijk waarneembaar zijn. Soms wordt als mulat uitsluitend beschouwd de afstammeling van een neger en een blanke. In zulke gevallen is de huidskleur lichter dan van de negerouder en donkerder dan van de blanke. Op de Benedenwindse Eilanden komen tengevolge van de grote mate van rasvermenging veel mulatten voor. Ook op de Bovenwindse Eilanden zijn er mulatten, ofschoon hun aantal hier niet groot is. Wat hier vooral de aandacht trekt is, dat in tegenstelling met de Benedenwindse Eilanden, de mulatten er geen afzonderlijke sociale klasse of zelfs gekleurde elite vormen, maar dat alle personen met duidelijke negroide trekken er vereenzelvigd worden met negers en dat zij allen ‘gekleurd’ worden genoemd.

 

@: Mulatten, Vrije
Onder de vrije ‘lieden van den couleur’ waren vele mulatten, die door hun grotere somatische gelijkenis met de blanken en zekere familiebetrekkingen met de shon, betere mogelijkheden hadden tot verbetering van hun sociale positie dan het negroide volksdeel. Reeds in de 18de eeuw valt dan ook een groep van ‘voorname kleurlingen’ te onderscheiden voor wie de protestantse en (sefardisch-)Joodse elite als model diende voor wat betreft levensstijl en algemeen gedragspatroon.

 

@: Muller, Enrique Antonio Francisco / @: Enrique Muller
(Curaçao 4 oktober 1944) studeerde Nederlands en algemene taalwetenschappen. Is één van de initiatiefnemers tot de oprichting van I.P.E.P. (Instituto pa Pramoshon i Estudio di Papiamentu). Publiceerde taalkundige studies over en poëzie in het Papiamentu.
Wrk.: Libra (1973); Naar een Papiamentstalige basisschool op de Nederlandse Antillen (1975); Resina (1976); Seru Mesa (1976); Sin ni sikiera un welensali (1980); Papia Kòrsou (1982).

 

@: Mungo
zie @: Mongoose.

 

 

@: Muntwezen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Huidig muntstelsel
Sectie 1: Muntsoorten
Sectie 2: Muntcirculatie 1983
Sectie 3: Zilveren, nikkelen, aluminium munten

Hoofdstuk 3: Geschiedenis
Sectie 4: Benedenwindse Eilanden
Paragraaf 1: Curaçao
Deel 1: Spaanse munten
Deel 2: Tekort aan munten
Deel 3: Sanering van het muntstelsel
Deel 4: Oprichting circulatiebank en tweede muntregeling
Deel 5: 1e helft 20ste eeuw: De komst van de olie-industrie en een eigen Curacaosche muntstelsel

Sectie 5: Bovenwindse Eilanden

Hoofdstuk 4: De waarde van de munt sinds 1941

Hoofdstuk 5: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Hoofdstuk 1: Inleiding
Het muntstelsel wordt bij Landsverordening geregeld, aldus art. 128 van de Staatsregeling 1955. Momenteel is van kracht de Regeling Muntstelsel van de Nederlandse Antillen, vastgesteld bij Landsverordening van 8 september 1970 (P.B. 1970, nr. 105).

 

Hoofdstuk 2: Huidig muntstelsel
Sectie 1: Muntsoorten
De munteenheid is de Nederlands Antilliaanse gulden (NAf), verdeeld in honderd centen. De muntregeling onderscheidt munten en pasmunten, welke wettig betaalmiddel zijn tot onbeperkte, resp. beperkte bedragen. Er zijn munten van 2½ (rijksdaalder; Papiamentu: dòlò) en 1 gulden (Papiamentu: florin) en pasmunten van 25 (kwartje; Papiamentu:diësplaka), 10 (dubbeltje; Papiamentu: debtjie), 5 (stuiver), 2½ centen (halve stuiver Papiamentu: pláka) en 1 cent; Papiamentu: un sèn (grandi). De munten zijn rond van vorm, behalve de stuiver, die een vierkant met afgeronde hoeken is. Ook de plaka, de halve stuiver (2½ cent pasmunt) is, in tegenstelling tot wat men zou verwachten, rond van vorm.

Sectie 2: Muntcirculatie 1983
De muntcirculatie bedroeg per 31 augustus 1983 totaal NAf 12.072.345,50, te weten aan rijksdaalders NAf 676.600,-; guldens NAf 5.291.550,-; kwartjes NAf 2.770.362,-; dubbeltjes NAf 1.538.940,-; stuivers NAf 788.545,-; halve stuivers NAf 510.955,50; centen NAf 495.393,-. Als aanvulling op de in omloop zijnde munten werden ‘muntbiljetten’ van 2½ en 1 gulden geïntroduceerd (P.B. 1943, nr. 72). De muntbiljetten zijn wettig betaalmiddel tot onbeperkte bedragen. Per 31 augustus 1983 stond uit aan 2½ biljetten NAf 207.695,- en aan 1 guldenbiljetten NAf 151.953,-. Nieuwe muntbiljetten worden echter niet meer uitgegeven.

Sectie 3: Zilveren, nikkelen, aluminium munten
Op 1 juli 1980 werden alle zilveren munten uit de circulatie genomen en vervangen door nikkelen munten. Alle munten zijn momenteel van nikkel, behalve de 1- en 2½ cent die nu van aluminium worden gemaakt. Ook zijn van deze twee munten nog bronzen exemplaren in omloop. De Antilliaanse gulden is aan de US-dollar gekoppeld tegen de omwisselingskoers van: US $ 1,= NAf 1,7900.

 

Hoofdstuk 3: Geschiedenis
Sectie 4: Benendewindse Eilanden
Paragraaf 1: Curaçao
Deel 1: Spaanse munten
Tot het begin van de 19de eeuw kende men op Curaçao geen ander muntstelsel dan het Spaanse. De belangrijkste munt was de zilveren peso, ook wel genoemd piaster, Spaanse mat, Spaanse daalder, pilaardaalder of patientje. De peso was oorspronkelijk verdeeld in 8 realen en had een waarde van 48 Nederlandse stuivers. Het Spaanse muntstelsel kende ook gouden munten (zoals kwadrupels of gouden onzen en dubloenen). Behalve Spaanse, trof men op Curaçao ook andere vreemde munten aan, die door de bevolking als betaalmiddel werden aanvaard, zoals o.a. de Portugese gouden Johannes (dobra of peça) en kleingeld in de vorm van Deense (schelling), Franse, Pruisische en Zweedse muntjes. Tegen het einde van de 18de eeuw kwamen er steeds meer vervalste en geschonden munten in omloop. De ongeschonden peso deed opgeld en gold voor 10 realen.

Deel 2: Tekort aan munten
Door de beeindiging van de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1783) en de daarop volgende politieke ontwikkeling elders rond de eeuwwisseling, kwam er een eind aan de bloei van de handel op Curaçao. Tengevolge van de ongunstige betalingsbalans overtrof de vraag naar wissels op het buitenland het aanbod. De wisselkoersen stegen zodanig, dat men steeds veelvuldiger betalingen aan het buitenland in klinkende munt ging verrichten. Om in het hierdoor ontstane tekort aan ruilmiddel te voorzien, deed Gouverneur Lauffer in 1798 7.000 pesos in vieren kappen (driekantjes of guillotinos) in stukken van 3 realen. Enige jaren later werd zelfs kaartengeld in stukken van 1 tot 8 realen uitgegeven. Tenslotte werden in 1815 pesos in vijf stukken gekapt (van 3 realen) en werden de oude driekantjes ingenomen. (De laatstgenoemde werden weer uitgegeven als stukken van 3½ realen terwijl de overheid de winst gebruikte om het kaartengeld uit de circulatie te nemen). De verkapping van 1815 was op zo’n slordige wijze geschied, dat daarvan misbruik werd gemaakt om tersluiks in zessen gekapte pesos uit St. Thomas als vijvendelen op Curaçao in omloop te brengen. De muntontwaarding en muntvervalsingen gingen voort.

Deel 3: Sanering van het muntstelsel
Een eerste poging tot sanering van het muntstelsel werd in 1826 ondernomen met de invoering van het Nederlandse muntstelsel volgens de Wet van 28 september 1816 (de gulden als rekeneenheid; invoering van het decimale stelsel; 10 en 5 gulden in goud; 3, 1 en ½ gulden en 25, 10 en 5 cent in zilver; 1 en ½ cent in koper). Bij dit K.B. werden slechte munten buiten omloop gesteld, maar de in 1822 ingevoerde Curaçaosche zilveren stuivers (plakken) en verscheidene andere niet-Nederlandse munten bleven tegen door de overheid vastgestelde koersen (tarifering) als wettig betaalmiddel gangbaar. De in grote hoeveelheden ingevoerde Nederlandse munten verdwenen weer, spoedig nadat zij in omloop waren gebracht, uit de circulatie: ditmaal nam men zijn toevlucht tot het in vieren kappen van Nederlandse guldens tot ‘kwartjes’ (1838); de vreemde munt bleef ruilmiddel, er bleef een groot tekort aan ruilmiddel bestaan en in het verkeer bleef men nog in pesos rekenen. Men kon nog moeilijk wennen aan de Nederlandse gulden als waardemeter.

 

Deel 4: Oprichting circulatiebank en tweede muntregeling
Nadat commissaris-generaal Van den Bosch door de oprichting van een circulatiebank de monetaire situatie had trachten te verbeteren, kwam een tweede muntregeling tot stand bij de Wet van 14 december 1853, welke de Nederlandse Muntwet van 26 november 1847 (die de dubbele standaard verving door de enkele zilveren standaard) met enige afwijkingen verbindend verklaarde voor de koloniën in Amerika. Slechts de rijksdaalder, de gulden en de halve gulden werden voor de koloniën als standpenning (en dus ook als wettig betaalmiddel tot ieder bedrag) erkend. Alle gouden munten verloren hun karakter als wettig betaalmiddel. Niet-Nederlandse zilveren munten konden door de Koning tot wettig betaalmiddel verklaard en getarifeerd worden. De ‘kwartjes’ en plakken werden vervangen door Nederlandse pasmunt. Ook deze tweede muntregeling is geen succes gebleken: wederom ontstond er een gebrek aan ruilmiddel, zodat de kooplieden de oude munten tegen hun vroegere waarde bleven accepteren. Toen bovendien omstreeks 1873 (toen het nieuwe Duitse Rijk en andere landen de zilveren standaard loslieten en de gouden standaard aannamen) de zilverprijs daalde, moest men (omdat de voorraad op Curaçao in omloop zijnde vreemde zilveren munten, welke tot een goed geregeld muntstelsel behoorden en uit dien hoofde minder invloed ondervonden van deze prijsdaling, te gering was) zijn toevlucht nemen tot het gebruik van gouden munten. Voor het doen van betalingen aan, respectievelijk door de kleine man was dit laatste echter geen oplossing en verscheidene kooplieden en de Curaçaosche Bank, daarin voorafgegaan door diverse clubs (sociëteiten), gingen toen over tot de uitgifte van bons, die als pasmunt dienst deden, een toestand die tot in 1901 voortduurde. De situatie verergerde nog doordat ook Nederland bij de Wet van 6 juni 1875 op de enkele gouden standaard overging. De merkwaardige situatie deed zich nu voor, dat de Nederlandse gulden als Curaçaosche standpenning (gulden Curaçaosche courant) een zekere zilverwaarde vertegenwoordigde die lag beneden de goudwaarde, die aan diezelfde Nederlandse gulden als Nederlandse rekenmunt moest worden toegekend, hetgeen het wegvloeien van de Nederlandse munt uit Curaçao nog meer in de hand werkte. Het verschil bedroeg 5 á 6%. Doordat het koloniaal gouvernement volgens de muntregeling van 1853 slechts wettig betaalmiddel en dus geen goud of vreemde (niet als wettig betaalmiddel erkende) munten mocht aannemen, ondervond vooral de overheid de nadelige gevolgen van de situatie waarin het muntstelsel verkeerde. Het gevaar dreigde dat tengevolge van het gebrek aan wettig betaalmiddel betalingen aan ‘s lands kas onmogelijk zouden worden. Ten einde uit de impasse te geraken, werd bij de Wet van 28 juli 1881 het gouden tientje naast de zilveren munten van de Wet van 1847 als wettig betaalmiddel erkend en werd de mogelijkheid geopend om naast niet-Nederlandse zilveren munten ook niet-Nederlandse gouden munten te tariferen en als wettig betaalmiddel toe te laten. Van de laatstgenoemde mogelijkheid werd eerst in 1889 gebruik gemaakt (P.B. 1889 nr. 2). De dubbele standaard was hiermede heringevoerd. Bij de Wet van 24 december 1886 werd de koperen pasmunt (1826) vervangen door de bronzen.

Krachtens K.B. van 4 november 1887 konden getarifeerde niet-Nederlandse munten (alhoewel wettig betaalmiddel) niet worden gebezigd ter betaling van postwissels. Noch de erkenning van het gouden tientje als wettig betaalmiddel, noch de tarifering van niet-Nederlandse munten (goud en zilver) waren echter in staat de nood in voldoende mate te lenigen. Toen de daling van de zilverprijs niet ophield, weigerde de handel op Curaçao de zilveren peso voor meer dan 1,50 gulden in betaling te nemen, terwijl de getarifeerde waarde 2,50 gulden was. De overheid was echter wettelijk verplicht alle betalingen in ‘s lands kas in pesos, tegen de getarifeerde koers, te accepteren. Dit leidde er tenslotte toe dat de koers van de peso bij gouvernementsbesluit van 15/16 september 1897 tot 1 gulden werd verlaagd. De voor de kleine man zo noodzakelijke regeling van de pasmunt en de voor het gehele stelsel zo belangrijke kwestie van het bestaan van de gulden Curaçaosche courant naast de gulden Nederlandse courant lieten echter nog op zich wachten. De oplossing bracht de Wet tot nadere regeling van het Curaçaosche Muntwezen (P.B. 1899 nr. 22), welke op 1 augustus 1901 in werking trad. Deze wet gold alleen voor de Benedenwindse Eilanden. De waarde van de gulden Curaçaosche courant werd vastgesteld op 0,94 gulden Nederlandse courant. Schulden aangegaan vóór 1 augustus 1901 en betaalbaar op de Benedenwindse Eilanden, werden geacht in gulden Curaçaosche courant te zijn aangegaan, tenzij anders was bedongen of uit de overeenkomst voortvloeide. Schulden aangegaan op of na die datum, werden geacht in gulden Nederlandse courant te zijn aangegaan, tenzij uitdrukkelijk anders bedongen. Was echter het gouvernement partij tot de overeenkomst, dan werd zij geacht (behoudens uitzonderingen) te zijn aangegaan in gulden Nederlandse courant. Als wettig betaalmiddel werden aangewezen:

a. tot onbeperkt bedrag: het Nederlandse gouden tienguldenstuk; de Nederlandse zilveren rijksdaalder, gulden en halve gulden; de niet-Nederlandse gouden munten, die op de Benedenwindse Eilanden gangbaar verklaard waren (door de Kroon tegen door de Kroon vastgestelde koersen);
b. tot beperkt bedrag: de Nederlandse zilveren 25-, 10- en 5-centstukken; de Nederlandse bronzen 2½-, 1- en ½-centstukken; (later zijn daarbij gekomen het Nederlandse gouden vijfguldenstuk en het Nederlandse nikkelen 5-centstuk). Alle andere in omloop zijnde munten werden via inwisseling uit de circulatie genomen. Alhoewel de Curaçaosche stuivers van 1822 reeds het opschrift Curaçao droegen, waren de Curaçaosche pasmunten van 25 en 10 cent de eerste met het uitvoerige opschrift Kolonie Curaçao.

Van de op grond van deze wet van 1899 getarifeerde en tot wettig betaalmiddel verklaarde gouden munten moeten in het bijzonder vermeld worden de Venezolaanse gouden munten van 25 en 20 Bolivar (frank). Venezuela had zijn muntstelsel op zeer goede grondslagen gevestigd (1887), daartoe in staat gesteld door de enorme opbrengsten van de goudmijn El Callao, hetgeen bovendien tot gevolg had dat ook de zilveren Venezolaanse munt, alhoewel volgens de wet van 1899 geen wettig betaalmiddel, bij de handel op Curaçao een gewild ruilobject was.

Deel 5: 1e helft 20ste eeuw: De komst van de olie-industrie en een eigen Curacaosche muntstelsel
Door de komst van de olie-industrie verbeterde de economische positie van de Nederlandse Antillen enorm. Toen de Nederlandse gulden omstreeks 1924 tekenen van zwakte begon te vertonen tengevolge van economische ontwikkelingen die los stonden van het gebiedsdeel Curaçao, gingen er stemmen op om het muntstelsel van dit gebiedsdeel los te maken van dat van het moederland. Toen de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken vreesde men dat een eventuele devaluatie van de Nederlandse gulden de kolonie zou meesleuren, evenals dat reeds in 1936 was gebeurd. Mitsdien kreeg het gebiedsdeel bij K.B. van 29 juli 1943 Muntvoorschriften voor Curaçao 1942 (Stbl. D. 23; P.B. 1943 nr. 177) zijn eigen muntstelsel. De rekeneenheid werd de Curaçaosche gulden. De in omloop zijnde Nederlandse munten bleven tot nader order wettig betaalmiddel, maar invoer ervan werd verboden. De vreemde gouden munten welke onder de Wet van 1899 gangbaar werden verklaard verloren hun hoedanigheid van wettig betaalmiddel. Voor rekening van het gebiedsdeel werden in 1944 in Denver (Ver. Staten) de navolgende munten geslagen: 2½, 1, ¼ en 1/10 gulden (zilver) en 2½ en 1 cent (brons). Opschrift: Munt van Curaçao (het woord kolonie was komen te vervallen). Met ingang van 18 januari 1946 werden de nog in omloop zijnde Nederlandse munten uit de circulatie genomen, door omwisseling á pari (P.B. 1945, nr. 105). Bij de Landsverordening van 1953 werd het opschrift Munt voor de Nederlandse Antillen ingevoerd. Met ingang van 1 juli 1980 werden alle resterende munten met het opschrift Munt van Curaçao uit de circulatie genomen.

 

Op de Benedenwindse Eilanden vinden veel betalingen plaats in Venezolaanse Bolivars en US-dollars; op de Bovenwindse Eilanden geniet de US-dollar voorkeur. Bij de Wet van 31 juli 1953 is goedgekeurd dat de Nederlandse Antillen toetraden tot het verdrag van Genève van 20 april 1929 ter bestrijding van valsmunterij. Omdat men vroeger op de Benedenwindse Eilanden het 2½-centstuk min of meer als eenheid ging beschouwen un plaka (vaak verhollandst tot één plak) - heet de stuiver dòsplaka (twee plak) al spraken sommigen van locha. Voor ‘dubbeltje’ gebruikt men de benaming kuaterplaka (vier plak) al hoort men ook depchi; voor kwartje diesplaka (tien plak). Van real is afgeleid het woord riá = 15 cent; men sprak dan ook van dòriá (twee riá = 30 ct.), sinkuriá (vijf riá = 75 ct.) en maakte ook combinaties als dòriadòsplaka (twee riá en twee plak = 35 ct.). Tegen 50 cent zei men guiotín (Curaçao) of yotín (Aruba en Bonaire); treguiotín of treyotín = f 1,50. De gulden is florin, heldu of hùlde; twee gulden werd un patin genoemd hoewel dit woord vanwege de andere betekenis - penis - in ‘net’ gezelschap werd vermeden. Fuèrtè is een rijksdaalder. De meeste van deze benamingen zijn bij de huidige generatie min of meer in onbruik geraakt: men heeft het over diës sèn (10 cent), bintisinku sèn (25 cent) en sinkuenta sèn (50 cent).

 

Sectie 2: Bovenwindse Eilanden
De monetaire toestanden op de Bovenwinden hebben vaak van die op Curaçao afgeweken. Alhoewel zelfs nog in 1784 suiker als rekenmiddel voor de hoofdgelden werd gebruikt, was daar, evenals op Curaçao, de Spaanse peso de eerste ware rekeneenheid, omdat Spaanse muntstukken er het meest voorkwamen. Het Nederlandse geld vloeide steeds spoedig weg.
Tegen het einde van de 18de eeuw kwam er, mede als gevolg van het Franse beheer (1781-1784) veel vreemde munt in omloop, waaronder vanzelfsprekend het Franse kopergeld (Cayenne-stuiver). De behoefte aan ruilmiddel bleek echter niet onbeperkt, zodat er een invoerverbod moest worden ingesteld voor nieuwe Cayenne-stuivers. De oude Cayenne-stuivers (bruin) werden ter onderscheiding van het stempel ‘S.E.’ voorzien. Deze gestempelde munt bleef gangbaar naast de Nederlandse stuiver, welke laatste in 1809 eveneens werd gestempeld. Behalve door de overvloed aan munten deprecieerde de munt door vervalsingen. Teneinde verdere verslechtering van het muntstelsel te voorkomen ontwierp gouverneur Godin plannen tot vaststelling van de waarde van de in omloop zijnde munten. Het heeft echter bij plannen moeten blijven. Onder Noord-Amerikaanse invloed was men in de loop van de 19de eeuw op de Bovenwinden steeds minder in pesos en steeds meer in daalders gaan rekenen. De daalder (op St. Maarten current dollar genaamd) van 12 realen werd de rekeneenheid. Verder rekende men in bits (6 Franse sous = 14 cent) en stuivers (Nederlandse 2½-centstuk). De stuiver had een waarde van 1/100 Dutch Dollar (Neederlandse rijksdaalder). Het nieuwe Curaçaosche muntstelsel werd officieel ook voor de Bovenwinden geldig verklaard. Het Curaçaosche geld, naar behoefte uit de koloniale kas verstrekt, verdween echter weer spoedig uit de circulatie door uitvoer naar o.a. St. Kitts en het kopen van postwissels voor overmaking naar Nederland, en wissels op de Curaçaosche Bank voor de betaling van Engelse en Amerikaanse crediteuren. De eigenlijke geldcirculatie bleef voorlopig bestaan uit vreemde munt: Spaans, Mexicaans, Amerikaans, Engels, Frans (St. Maarten) en Deens (St. Eustatius). Eerst heel laat, als gevolg van de wettelijke maatregelen na de wet van 1899 (welke laatste slechts voor de Benedenwindse Eilanden gold), werd de Curaçaosche munt algemeen geaccepteerd betaalmiddel.
Heden ten dage vinden evenwel nog veel contante betalingen op de drie Bovenwindse Eilanden in US-dollars plaats. Hier is het sterk opgekomen toerisme vanuit de Verenigde Staten debet aan (zie ook @: Bank-, Geld- en Kredietwezen).

 

Hoofdstuk 4: De waarde van de munt sinds 1941
In 1941 werd in de Staten een actie begonnen om wijziging te brengen in de Muntwet van 1908, teneinde de Curaçaosche gulden los te maken van de Nederlandse. Men achtte namelijk het gevaar aanwezig dat de Nederlandse gulden sterk zou devalueren als gevolg van de enorme ongedekte toename van de bankbiljettencirculatie in bezettingstijd. Deze actie werd met succes bekroond en in 1942 begon de Curaçaosche, nu Nederlands-Antilliaanse gulden, een zelfstandig bestaan te leiden. De desbetreffende regeling is gepubliceerd in P.B. 1943, nr. 177 en wordt aangeduid als de Curaçaosche Muntregeling 1942.
Genoemd moet worden, dat ook gedurende de oorlog en na de oorlogsjaren door een speciale regeling met de Treasury in London en de regering in Den Haag de convertibiliteit van de ‘olieponden’ gehandhaafd bleef, wat voor de Nederlandse Antillen betekende dat zij voor de olie-exporten te allen tijde convertibele ponden ontvingen.
Bij de oprichting van het Internationale Monetaire Fonds (I.M.F.) werd op 18 december 1946 de I.M.F.-pariteit van de gulden vastgesteld op 0,471230 gram fijn goud, overeenkomend met US $ 0,530264 per gulden, dit is NAf 1,88585 per dollar. De aan- en verkoopkoers voor de US dollar werd gesteld op 1% rond de pariteit. Ten gevolge van de beslissing van de V.S. in augustus 1971 om de convertibiliteit van de dollar in het goud op te schorten in verband met het zweven van de belangrijkste valutakoersen, besloot de Antilliaanse regering de marge van 1 % per 1 september 1971 te verbreden tot 3% en per 11 november 1971 tot 6%. In het kader van de algemene internationale herziening van de valutaverhoudingen in december 1971, stelde de regering ingaande 23 december 1971 een pariteitskoers vast van NAf 1,79000 per US-dollar, overeenkomende met een goudgehalte van 0,457270 gram fijn goud per Antilliaanse gulden. Deze koers hield een revaluatie in van 5% ten opzichte van de US-dollar en een depreciatie van 2,96% ten opzichte van het voordien geldende goudgehalte. De marge tussen aan- en verkoopkoers werd tegelijkertijd teruggebracht van 6% naar 2¼%. Hierin is tot op heden geen wijziging gekomen. Bij de devaluatie van de dollar in februari 1973 besloot de regering de pariteitskoers met de dollar te handhaven op NAf 1,7900, waardoor het goudgehalte van de gulden, verminderde tot 0,411543 gram fijn goud. Deze keer devalueerde de Antilliaanse gulden dus volledig (10%) mee met de dollar. In onderstaande tabel is de waarde van de Nederlandse gulden ten opzichte van de Antilliaanse gulden weergegeven.


Hoofdstuk 5: Literatuur

  • H.D. Benjamins en J.F. Snelleman, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917; 1981);
  • G.J. Fabius, ‘Het Muntwezen’. In: The Economist (1913);
  • Idem, Het Bankwezen in Ned. West-Indië (1917);
  • H.E. van Gelder, De Nederlandse Munten (1966);
  • C.S. Gorsira J.P.Ez:, Het Nederlandsch Courant in Curaçao en zijne gevaren voor de welvaart van die gebiedsdeel (1941);
  • S. Herrera, Het ontstaan van de Antilliaanse gulden en zijn ontwikkeling. In: Econotities, jrg. 3 no. 6, (1983);
  • Idem, Het wisselkoerssysteem in kleine ontwikkelingslanden. In: Econotities, jrg. 3 no. 7, (1983);
  • A.J.C. Krafft, Oranje en de zes Caraïbische Parelen (1948);
  • J.A.C. van Mill, Muntboek voor Nederland, Curaçao en Suriname, 18e-20e eeuw (1958);
  • C. Scholten, De munten van de Nederlandsche gebiedsdelen overzee: 1601-1948 (1951);
  • J. van Soest, Trustee of the Netherlands Antilles (1978).

 

@: Muraene
kolebra of slang is de naam waarmee zowel de ronde snake eels (Ophichthidae) als de wat hoger gebouwde moray eels (Muraenidae) worden aangeduid. Van beide families komen vele soorten in de Nederlandse Antillen voor. Vooral de grotere soorten, zoals de zeer algemene kolebra bèrdè (Gymnothorax funebris), die meer dan 2m lang kan worden, zijn terecht gevreesd door hun geweldig scherp gebit, hun bijzondere lichaamskracht en daarbij nog hun agressiviteit indien men hun hol te dicht nadert. Hun beet is niet giftig, hoewel zij de naam hebben giftig te zijn; dit laatste berust op de ervaring, dat van vele Muraenes het huidslijm giftig is. Daarom worden zij voor consumptie dan ook gestroopt.

 

@: Mus
In de volière van het Curaçaosch Museum werden Nederlandse huismussen (Passer domesticus) gehouden; zij zijn er echter omstreeks 1953 in geslaagd te ontsnappen en zich in de naaste omgeving te vestigen. Tegen het voorstel de soort opzettelijk in te voeren is indertijd ernstig gewaarschuwd gezien het feit dat, overal waar dit gebeurde, de huismus zich tot een plaag ontwikkelde. De volksnaam Para Jonchi is ontleend aan de naam van de indiener van het voorstel (Gedeputeerde J.L.‘Jonchi’ Jonkhout). De toekomst zal leren of de vogels zich inderdaad verder over het eiland zullen verspreiden en hoeveel schade zij zullen gaan aanrichten, maar daar ziet het niet naar uit: zij verbreiden zich tot nu toe niet buiten Willemstad. Sedert 1978 zijn ze ook in Oranjestad, Aruba, gesignaleerd.

 

@: Musea


Foto: Zicht op een deel van het interieur van het Curacaosche Museum

Het streven naar zelfstandigheid, het zoeken naar de eigen identiteit en het adagium dat een volk, dat zijn verleden niet kent, geen toekomst heeft, zijn ongetwijfeld factoren, die ertoe hebben bijgedragen, dat de belangstelling voor musea is toegenomen.

Aruba
Op Aruba, dat grote aandacht wil besteden aan de prehistorie van de Arubaanse indiaan, is op 21 december 1981 een archeologisch museum geopend, Museo Arqueologico Aruba. Drs. E.H.J. Boerstra doet wetenschappelijk onderzoek; de leiding berust bij de Arubaan Evelino Fingal (museale afdeling). Er worden ook rondleidingen in klassikaal verband gehouden.

Het Arubaans museum dat op 23 augustus 1984 door H.K.H. Prinses Margriet is geopend, werd officieel omgedoopt in Museo Historico Arubano. Het is ingericht in Fort Zoutman met de Willem III-toren als toegangspartij. Het museum bevat o.a. gesteenten en fossielen, een uitgebreide collectie schelpen en bodemvondsten terwijl ook aandacht is besteed aan flora en fauna, de belangrijke aloëcultuur en -verwerking en de goudwinning.

Het numismatisch museum Museo Numismatico, dat een collectie van 30.000 munten uit 400 landen bevat, is de kroon op het werk van J. Mario Odor, die bijgestaan door zijn vrouw Ines en zijn zoon Ruben, sedert 1954 met taaie volharding aan verschillende verzamelingen heeft gewerkt.

 

Bonaire
Op Bonaire is een museum gevestigd in het historische Fort Oranje te Kralen¬dijk. De oprichters, pater Brenneker en Elis Juliana, hebben een grote collectie etnologisch belangrijke voorwerpen, afkomstig uit Bonaire en betrekking hebbend op de cultuur en de geschiedenis van het eiland, ter beschikking gesteld. Het Instituto di folklor Boneriano werd op 29 oktober 1975 officieel geopend.

 

Curaçao

 
Het Curaçaosch Museum (foto: interieur Curacaosch Museum) is een in 1946 op initiatief van de arts-kunstenaar-kunstkenner Ch.J. H.Engels tot stand gekomen stichting, die met overheidssteun de instandhouding van het gelijknamige museum beoogt. Als zodanig werd het in 1853 door de luitenant der genie P. Boer gebouwde militair hospitaal voor gele-koortspatiënten in 1946/1948 door de architect J.H. Werner verbouwd en gerestaureerd. Op 8 maart 1948 werd het museum officieel in gebruik genomen. Bij de verbouwing werd de hoofdingang van het gebouw verlegd naar een korte zijde, waar in traditionele 19de-eeuwse stijl een trap met bordès werd aangebouwd, geflankeerd door twee uit Saba afkomstige straatlantaarnpalen. Luchtkokers onder de zalen werden uitgehakt tot een souterrain, terwijl aan de westzijde op een halfronde uitbouw een in Nederland gegoten carillon werd opgesteld. Boven de voor- en zij-ingang werden traditionele, uit hout gesneden en geschilderde gevelversieringen, o.a. uit Sint Willebrordus, aangebracht. Ter gelegenheid van de viering van het tweede lustrum werd een nieuwe toegangspoort in gebruik genomen, een reconstructie van de poort van plantage Fuik door de architect Alexenko. Het museum bezit o.m. stijlzalen met waardevolle Curaçaosche meubelen, een oud-Curaçaosche keuken en talrijke voorwerpen van oud-Curaçaosche nijverheid. Daarnaast omvat het een uitgebreide collectie schilderijen; verder beeldhouwwerken, tekeningen, etsen, gravures, alsmede oude kaarten en atlassen van Curaçao en het Caribisch gebied. Van belang is ook de grote collectie voorwerpen, betrekking hebbend op de cultuur van de Indianen van de Nederlandse Antillen en Venezuela, de geologische verzameling en de collectie schelpen en koralen; ook de flora en fauna van de Nederlandse Antillen zijn door verzamelingen vertegenwoordigd. Sinds 1978 is er ook een collectie van folklorevoorwerpen, bijeengebracht door pater Brenneker en Elis Juliana.

Het museum organiseert regelmatig tentoonstellingen van uiteenlopende aard; op het carillon worden concerten gegeven.

Het Joods Cultuur-Historisch Museum, (foto boven: interieur J C-H M) dat in november 1970 in Punda werd geopend, bevindt zich in een gebouw dat uit twee door architect H. Nolte zorgvuldig gerestaureerde panden bestaat, gelegen achter de Mikvé Israël Synagoge. Het bevat een collectie van voor de eredienst bestemde voorwerpen zoals o.m. thorá-rollen met bijbehorende mantels en kronen, siertorens, chanoeka-lampen en kruidenhouders. Ook treft men er replica’s aan van fraaie grafzerken van de Israëlitische begraafplaatsen.

 

Bolivar-museum. (foto boven en beneden) In 1968 is het Bolivarhuisje, wegens de achtkantige uitzichtkoepel ook wel Octagon genoemd, na de restauratie als museum geopend. Het huisje, gelegen achter Penstraat 126-128, voorheen het complex van de handelsfirma C. Winkel & Zonen, heden ten dage onderdeel van het Avila Beach hotelcomplex, dat de zusters van Simon Bolivar - Juana en María Antonia - bij hun ballingschap op Curaçao omstreeks 1812 gehuisvest moet hebben, is thans ingericht als museum: Het Octagon Museum, waar door middel van documenten, gravures, kaarten en tekeningen aandacht wordt besteed aan de historische betekenis van de Libertador.

 

Saba


Foto: Harry L. Johnson Museum in Windwardside, Saba

Op 5 maart 1978 werd in Windwardside een museum geopend, genoemd naar Harry Looke Johnson (Saba 13 november 1913 - 6 oktober 1972), om de nagedachtenis te eren van deze agent van politie, die gedurende zijn leven met veel ijver kunstwerken, Indiaanse artefacten, oude prenten en schilderijen in een privé-collectie had bijeengebracht. Behalve deze collectie, die door zijn dochter en erfgename in bruikleen is afgestaan, geeft het museum ook een beeld van de wooncultuur van voorheen. Het historisch aspect krijgt reliëf door de gravures, prenten, kaarten en schilderijen en een aantal documenten dat op Saba betrekking heeft.

 

St. Eustatius


Foto: Voormalig DeGraaffhuis dat door Sint Eustatius Historical Foundation is gekocht als behuizing van het Sint Eustatius Museum

Het Bestuurscollege van St. Eustatius heeft de voormalige dokterswoning aan de Princesweg in Oranjestad als museumgebouw ter beschikking gesteld. In The St. Eustatius Museum (1975) wordt ruime aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het eiland door middel van realia, documenten, gravures, kaarten en tekeningen. Met de inrichting van enige stijlkamers wordt nagestreefd de wooncultuur uit diverse tijdperken van St. Eustatius te visualiseren. De aankoop van het De Graafhuis door St. Eustatius Historical Foundation in 1983 waarin het museum ondergebracht zal worden, zal hiertoe zeker bijdragen.

 

St. Maarten
Aspecten van cultuur en geschiedenis van St. Maarten kunnen zo breed als mogelijk getoond worden in het cultuur-historisch museum The St. Maarten’s Museum, gevestigd te Philipsburg, waar in 1975 een stichting werd opgericht om het te beheren.


Literatuur:

  • Eerste lustrum van de opening van het Curaçaosch Museum (1953);
  • Ch. Engels, Het zilveren jubileum van het Curaçaosch Museum (1973);
  • Het Curaçaosch Museum 1948-1973 (1973);
  • Het Curaçaosch Museum (1980);
  • M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959);
  • J. Schouten, De musea. In: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Amillen (1977);
  • Tentoonstellingen in het Curaçaosch Museum 1948-1973 (1973).

 

@: Museo Arqueologico Aruba
zie @: Musea.

 

@: Museo Historico Arubano
zie @: Musea.

 

@: Museo Numismatico Aruba
zie @: Musea.

 

@: Muskieten
zie @: Muggen.

 

@: Muskita
zie @: Vliegen.


 
@: Muziek
In de Antilliaanse muziek zijn duidelijk ‘sporen’ van de volgende invloeden te beluisteren:


1. de Europese muziek van het romantische tijdperk uit de 19de eeuw, in het bijzonder Spaanse en Weense invloeden;
2. de Afrikaanse volksmuziek en haar ritmische patroontjes, in het bijzonder door het veelvuldig gebruik van de trom en andere ritmische instrumenten;
3. de invloed van de nabuurlanden en de Caribische eilanden.

De Antilliaan houdt in het algemeen van zingen, muziek maken en dansen. In de 19de eeuw ontwikkelden zich vooral op Curaçao salòndansen zoals de polka, de wals, de tumba, de danza en de mazurka, waarvan de muziek hoezeer zij ook buitenlandse invloeden verraadt, een eigen karakter heeft gekregen. In het algemeen kan worden gesteld, dat de Antilliaanse dansmuziek van Afro-Iberische oorsprong is en verwantschap vertoont met die van het omliggend gebied. Van een Nederlandse invloed is hoegenaamd geen sprake geweest. De eigen dansmuziek beleefde vóór de komst van de olie-industrie een bloeitijd. Thans domineert zij - de tumba uitgezonderd - lang niet meer als vroeger maar haar rol is geenszins uitgespeeld: er wordt nog altijd nieuwe muziek geschreven. Jaarlijks worden tumba-festivals gehouden; de ka’i òru wordt geregeld van nieuwe muziek voorzien.

Op de Bovenwindse Eilanden nemen de calypso en de steelbandmuziek een belangrijke plaats in. Mede door het nauwere contact dat de laatste jaren tussen de twee eilandsgroepen van de Nederlandse Antillen tot stand is gekomen, zijn de calypso en de steelband ook op de Benedenwindse Eilanden ingeburgerd. Daarnaast is ook vooral de Latijns-Amerikaanse en Spaans-Caribische dansmuziek in trek (zie ook @: Dans). Behalve specifieke Antilliaanse muziek hebben de Antilliaanse componisten ook ernstige en minder ernstige muziek gecomponeerd.
In het verleden is door Antillianen weinig liturgische muziek geproduceerd. Chris Ulder schreef een mis met orgelbegeleiding, die helaas verloren is gegaan. De recente vernieuwingen in de liturgie vonden echter weerklank bij Antilliaanse componisten: de laatste jaren zijn missen in het Papiamentu verschenen van o.a. Eric Chong, Gilbert Mambi, Etzel Provence, Richard Simon en Pablo Walter.

Lit.: E.R.R. Palm, Muziek en dans in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977); idem, Muziek en Musici van de Nederlandse Antillen (1978).

 

@: Muziekakademie, Curaçaosche
In januari 1972 opgericht als afdeling van het Cultureel Centrum Curaçao, is in feite een voortzetting van de Curaçaosche Muziekschool, een volksmuziekschool waar van 1959-1971 muziekonderwijs werd gegeven. Cornelia A. Tresfon, in 1962 door Sticusa uitgezonden als lerares piano en cello aan deze school, introduceerde de Orff Schulwerk-methode; zij werd in 1971 directrice. Men beoogt niet zozeer een beroepsopleiding voor te bereiden - de mogelijkheid hiertoe bestaat wel - als wel een generatie van actieve amateurs te kweken om de beoefening van zowel serieuze, klassieke als populaire Antilliaanse muziek te stimuleren en een verdieping van het muziekleven mogelijk te maken. Naast dit hoofddoel is het ook mogelijk aan deze instelling een vooropleiding conservatorium te volgen.

 

@: Muziekschool, Arubaanse
Een volksmuziekschool, opgericht in 1946, die beoogt verantwoord muziekonderricht te geven, vooral voor kinderen, tegen zo laag mogelijke kosten. Door de Sticusa wordt bijstand verleend, o.m. door de uitzending van een directeur en leraren. Onderricht wordt gegeven in verschillende instrumenten, in zang en muziektheorie.

 

@: Muziekschool, Curaçaosche
zie @: Muziekakademie.

 

@: Muzik di zumbi
De ensembles die in de kunuku (het platteland) de 19de-eeuwse dansmuziek speelden, waren qua instrumentatie gelimiteerd. Zij bestonden hoofdzakelijk uit slagwerk en een fluit, die dan nog op gebrekkige wijze werd bespeeld. Het naargeestige resultaat heeft deze wijze van muziekmaken de naam van muzik di zumbi, of wel geestenmuziek, doen krijgen. Enig verband met bijgeloof en magische riten is niet aanwezig. (zie ook @: Isoco).

 

 

@: Mijnbouw en Mijnbouwmaatschappijen
Van de verschillende mijnbouwmaatschappijen die met het oog op werkzaamheden in de Nederlandse Antillen werden opgericht, heeft de N.V. Mijnmaatschappij Curaçao het langste bestaan; per 31 augustus 1979 is de fosfaat-ontginning gestaakt.

Fosfaat
De Mijnmaatschappij Curaçao legde zich toe op de winning van fosfaat en kalksteen. Zij is opgericht in 1912 door de bemiddeling van het bankierskantoor Hope & Co. te Amsterdam bij de moeilijkheden die gerezen waren tussen  John Godden en de Curaçaosche eigenaren van de plantage Sta. Barbara.

De Aruba Phosphaat Maatschappij, opgericht te Willemstad in 1879, ontstond tengevolge van een geschil tussen het gouvernement enerzijds en de Aruba Island Goldmining Company en John Godden anderzijds over mijnrechten, dat volgens een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden dat met het woord ‘delfstoffen’ slechts metalen en metaalhoudende ertsen zijn bedoeld, in het voordeel van het gouvernement werd beslist. De maatschappij werkte van 1881 tot 1914 en produceerde in totaal 529.761 ton met een waarde van 9 miljoen gulden. In juni 1915 volgde ontbinding.

Het Bonaire Phosphaat Syndicaat, in 1910 opgericht te ‘s-Gravenhage, exploreerde zonder resultaat op genoemd eiland.

Goud en zilver
De eerste ontginningen na het ontdekken van goud op Aruba in 1824 werden door het gouvernement zelf ter hand genomen (secundaire, alluviale placers). In 1832 werd de vrije gouddelving toegelaten. Nadat de vrije gouddelving enige malen was ingetrokken en wederom toegelaten, werd in 1872 concessie verleend aan de Aruba Island Goldmining Co. te Londen. Deze droeg de concessie in naam over aan de Aruba Agency Company, maar bleef zelf bestaan. Een nieuwe concessie werd in 1900 overgedragen aan de Aruba Gold Concession Ltd., maar deze gaf die terug in 1908. De door Arubaanse ingezetenen gevormde Aruba Goud Mij (1908) werkte met tributers, kleinontginners. De exploitatie werd gestaakt in 1916. In 1945 werd opgericht de N.V. Maatschappij tot ontginning van goudmijnen op Aruba en Aruba Gold Mines Operating Company, maar tot exploitatie is het niet meer gekomen. Totaal werd op Aruba ongeveer 1.300 kg goud geproduceerd met een waarde van 2 miljoen gulden. Daarnaast werd een kleine hoeveelheid zilver gevonden.

Koper
De Maatschappij tot Mijnontginning, opgericht in 1875 o.a. door John Godden deed opsporingen naar metaalertsen, waaronder koper, maar zonder resultaat (zie ook Puimsteen; Zout; Zwavel).

Lit.: J.H. Westermann, Overzicht van de geologische en mijnbouwkundige kennis der Nederlandse Antillen (in: Meded. Kon. VeT. Indisch Instituut, Amsterdam, nr. 85 (1949).

 

@: Mijnrecht
Over de in artikel 1 van de Mijnwet (P.B. 1909 nr. 43) genoemde delfstoffen mag de eigenaar van de grond niet beschikken. Het recht om die delfstoffen op te sporen of te ontginnen wordt verkregen overeenkomstig de voorschriften van die wet en van de Mijnverordening (P.B. 1911 nr. 6). Het eerste geschiedt krachtens een vergunning tot opsporing, het tweede krachtens een concessie, beide te verlenen door de Gouverneur. De ontdekking van één van bedoelde delfstoffen geeft de ontdekker (indien deze houder is van een vergunning tot opsporing of concessionaris op het veld binnen welks grenzen de delfstof is ontdekt) recht op concessie tot ontginning van de ontdekte delfstof zodra hij zijn aanspraken doet gelden, met dien verstande evenwel dat de ontdekker die houder is van een vergunning tot opsporing, zijn aanspraken behoort geldend te maken vóór het verstrijken van de termijn waarvoor de vergunning verleend of verlengd is. Het recht van concessie is in zijn geheel overdraagbaar, behoudens goedkeuring van de Gouverneur. Het op grond van de concessie verworven recht behoort tot de onroerende zaken. Het is vatbaar voor hypotheek en kan door de concessionaris worden vervreemd.

 

@: Mijnverordening
Ter uitvoering van de Curaçaosche Mijnwet (P.B. 1911 nr. 6). Concessie wordt verleend voor exploratie en voor exploitatie tegen betaling van een vast mijnrecht (royalty) voor exploratie en exploitatie vermeerderd met een percentage van de waarde van de delfstof, afhankelijk van de meerdere of mindere moeite (kosten) om de delfstof te winnen (zie ook @: Belastingen).

 

@: Mijnwet
zie @: Mijnrecht; @: Mijnverordening.

 

@: Mijten
of acari zijn een orde van spinachtige dieren, die op planten en dieren parasiteren. Vele soorten zijn heel klein, maar er zijn ook grotere, zoals de teken (karpata). Bij de mens komt voor de cabies- of schurftmijt (Sarcoptes scabiei) en de haarwortelmijt of meëeter (Demodex jollicularis). In meelstoffen die lang bewaard worden, komen vaak meelmijten voor.

 

 

De letter N

n is de veertiende letter van het Nederlandse alphabet; zij komt na de m en voor de o in een volgorde die met inbegrip van de l al eeuwen geleden is vastgelegd en vastgehouden. Haar vorm is net als die van de l en de m niet in belangrijke mate aan verandering onderhevig geweest gedurende de lange geschiedenis van het schrijven van de Westerse wereld, die zijn oorsprong heeft in met name het Noord Semitische (Foenesische) schrift en  voort vloeit met duidelijke aanknooppunten in het oude Grieks en het Romeinse Latijn. De ontwikkeling van de n volgt een spoor, die ook door verschillende andere letters wordt afgelegd, namelijk hun oorsprong hebbende in de Egyptische ervaring van het Semitische volk. Eén van de meest gebruikte hyrogliefische tekens in Egypte was die van de slang, welk woord door de Egyptenaren werd uitgesproken met de klank djet (ongeveer als het moderne j) op grond van het feit dat hun woord voor slang met die klank begon. Alhoewel de beredeneringen hierover in hoge mate speculatief zijn, schijnt het zo te zijn, dat het Semitische volk (de Israëlieten) aanwezig in het land van de farao’s, het slangeteken overnamen ter vorming van hun eigen alphabet, maar met de andere klank waar hun woord voor slang mee begon. Deze klank zou een voorvader van de moderne n zijn geweest. Bij de Foeniciërs kreeg de letter, op dat tijdstip in de geschiedenis geschreven als een moderne n met een korte linker en een langere rechterpoot, de naam nun. Het betekende evenwel geen ‘slang’ meer, maar ‘vis’. De Grieken kortten de naam af tot Nu en de klank was toen al reeds tot de volwaardige n-klank verworden; in feite was dat reeds bij de Foeniciërs al zo. Merkwaardig hierbij is alweer de ontwikkeling bij de Etrusken, die hun letter n van de Foenesische beschaving schijnen te hebben overgenomen. Dit onderdeel wordt in meer details beschreven bij de behamdeling van de m.
Zoals reeds bij de m is opgemerkt, hebben zowel de n als de m een doorlopende nassale klank met het grote verschil, dat de m een dubbellippige actie vereist, terwijl de tandkas een doorslaggevende rol speelt bij het uitspreken van de n in nagenoeg alle talen die het Latijnse alphabet als grondslag hanteren.
Bij het gebruik van de n zijn er echter meer variaties in de uitspraak te melden dan bij de m het geval was. Een leuke bijzonderheid is bijvoorbeeld, dat de n in het Engels na de t de meest gebruikte medeklinker is. Bijzonder bij het gebruik van de n in het Engels is het feit, dat zij bij sommige woorden wel wordt geschreven, maar bij de uitspraak wordt weggelaten. Voorbeelden: autumn, condemn, solemn, hymn, damn. Maar bij mn-woorden die gevolgd worden door ation (condemnation, damnation) wordt de n juist wel en duidelijk uitgesproken. Een andere variant van de n, in dit geval voorkomende in het Spaans en op grond daarvan ook in het Papiamentu is de ñ. De geschiedenis van het onstaan van deze afgeleide is interessant. De letter schijnt na de Romeinse tijdperk te zijn ontstaan, namelijk in de kloosters en heeft dus geen equivalent in het Latijnse alphabet. Haar ontstaan is te danken aan het verlangen van de monnikken om niet alleen hun schrijversarbeid wat te vergemakkelijken, maar ook om ruimte te besparen op het papier dat zij gebruikten, dus minder papier en daaruitvoortvloeiende minder omvang van hun boekwerken. Uit hoofde hiervan gingen zij op een gegeven ogenblik de dubbele n in woorden vervangen door het schrijven van een kleinere n bovenop de grotere n. Deze miniatuur n heet een virgulilla in het Spaans; er bestaat geen vertaling van dit woord in het Nederlands. Na verloop van tijd werd deze ñ steeds meer gepalataliseerd (met de tong tegen het mondgehemelte aan spreken), waardoor de nn-klank langzaam maar zeker plaats maakte voor de trillende n-klank: De ñ-klank, die op het Iberische schiereiland haar ingang vond en van daar uit over de Spaanse kolonies in Latijns-Amerika werd verspreid. Daarmee was de verbindingsmogelijkheid met het Papiamentu gecreeërd en is het nu zo, dat in onze taal niet meer de "nj" konstruktie wordt aangehouden voor deze woorden, maar de letter ñ. Dus geen anja (jaar) of panja (kleed) meer, maar aña en paña.
In het Spaans is de uitspraak van de n ook erg afhankelijk van de mede-klinker die op het gebruik ervan volgt, maar dit varieert met name in Latijns-Amerika kennelijk per gebied of land. Een normale Nederlandse klank heeft de n in het (Latijns-Amerikaanse) Spaans in ieder geval als zij wordt gevolgd door een t (antes: vroeger, delante: ervoor; voorop). Wordt zij gevolgd door een m, dan trekt haar uitspraak al gauw richting de dubbellippige m-klank. Inmovil (onbeweeglijk) wordt dan in de praktijk immovil. Is een c de volgletter, dan neigt de uitspraak van de n naar een "ng" (banco: bank; spreek uit bangko). Maar zoals gezegd, er is een moeilijk te volgen variatie per gebied. In het Nederlands krijgt de n in zeker één instantie een bijzondere rol te verwerken. Dat is in combinatie met de "g" in woorden als vangen, tang, zong, beving, waarbij de n-klank vergaand in de g-klank opgaat.
De n is geen sterke letter in deze encyclopedie. Zij valt in de tweede helft van de meest gebruikte letters en is duidelijk minder in gebruik dan zowel de m als de l, de twee letters met welke zij haar historische rangorde deelt. Ze is iets minder ver verwijderd van de o, de andere letter in de historische rangorde, maar toch duidelijk minder populair. Maar toch is de n de beginletter van een aantal hele belangrijke concepten. Zij is om te beginnen de eerste letter van het woord Nederland, moederland van het land waar wij (Curacao) vooralsnog een deel van uitmaken: Nederlandse Antillen. En zij is ook het beginletter van het woord net, één van de meest gebruikte afkortingen ter aanduiding van het Internet. Het formidabele New York, lange tijd de grootste stad van de wereld, is een hele bekende stad met de n als beginletter; New Orleans, een stad bekend om zijn jazz festivals en de ramp die orkaan Katrina daar veroorzaakte, is ook met een n als eerste letter. Deze beiden steden liggen in het werelddeel Noord Amerika. Een viertal belangrijke fenomenen uit de geschiedenis met een n als beginletter van de naam of achternaam zijn ten eerste Napoleon Bonaparte, de vermaarde Franse koning die uiteindelijk te Waterloo zijn laatste nederlaag leed en  Richard Nixon, de eerste en tot nog toe enige Amerikaanse president die gedwongen werd om af te treden op grond van een schandaal. Bekende landen met een n als beginletter: Nicaragua, Nieuw Zeeland, Nigeria, Noorwegen. Tenslotte is daar de Nobelprijs.

 

 

@: Naamgeving

Foto: Almanaque Bristol, een boekje dat al 177 jaar verschijnt en gedurende lange tijd een cruciale rol speelt bij de naamgeving van de boreling op de Benedenwindse eilanden

Volgens het reglement op de manumissie mocht de gewezen eigenaar de in vrijheid gestelde slaaf geen familienaam geven van enig in de kolonie woonachtig geslacht of individu. Om toch aan te tonen aan welke familie de vrij geworden slaaf had toebehoord, wilde de ex-eigenaar wel eens zijn toevlucht nemen in het omdraaien van de naam: Schotborgh - Borgschot, Wolfschoon -Schoonewolf.
Bij de voorbereiding op de emancipatie kregen de slaven wel geslachtsnamen waarbij de fantasie van slaaf of meester vrij spel had. Daar de slaven niet mochten trouwen, was het de door de moeder gekozen naam, die familienaam werd. Hierin zou men een verklaring kunnen vinden voor het feit, dat er op Bonaire en Curaçao veel familienamen voorkomen, die doorgaans als voornaam worden gebruikt: Eleonora, María, Martha enz. In een doopboek van de kerk van St. Anna in Otrobanda uit 1755 zijn enkele namen aangetroffen, die verwijzen naar één van de streken van herkomst van de Curaçaosche slaven in West-Afrika (Amina Sao Jorge de Mina of Elmina, Angora - Angola, Kongo - Kongo) terwijl de naam Jamba waarschijnlijk betrekking heeft op de Tjambastam ten noorden van Ashanti. De Tjambastam werd door de Europeanen ook met Kasenti aangeduid.
Het ligt voor de hand, dat door de invloed van de RK missie voornamen ontleend werden aan namen van heiligen. Deze gewoonte werd (en wordt) ondersteund door de Almanaque de Bristòl, die sedert jaar en dag (1984: jaargang 152) de bron bij uitstek is waaruit geput werd en soms nog geput wordt om het borelingske aan een naam te helpen. Deze naam, nòmber kristián of nòmber di Bristòl genoemd is de naam van de heilige die achter de geboortedag in Bristòl staat vermeld. Doordat de hoedanigheid van de heilige aan zijn naam wordt toegevoegd, komt het voor, dat personen door het leven gaan met een tweede of derde naam als Papa (paus), Confesor (belijder) of Martir (martelaar). Men kon een kind vernoemen, men kon de naam nemen van een bewonderde staatsman of filmster (Franklin, Shirley) maar bij het doopsel wordt Bristòl geraadpleegd. Als de ouders het na een tijdrovende inspanning uiteindelijk eens zijn geworden over de namen van hun telg - heel modern is het om een soort anagram te vormen uit gedeelten van de namen van de ouders - dan ontkomt men er niet aan of de nòmber di kariño, de koosnaam doet ongemerkt zijn intrede. In de volksklasse is dit gebruik zo algemeen dat er personen zijn die daaronder beter bekend zijn dan onder hun eigen naam. Er zijn volwassenen, die gedurende hun leven bekend stonden als Boy, Baby of Yuchi (kindje) en pas bij hun overlijden beweend worden met hun welluidende namen. Bij overlijdensberichten via de radio kan men veelal horen: Heden overleed die en die, beter bekend als ... (en dan volgt de koosnaam). Niet onvermeld mag blijven de zeer verspreide gewoonte om bijnamen te geven, waaruit een zeker gevoel voor humor duidelijk blijkt.  .

 

@: Nachtzwaluw
zie @: Para karpinté.


 
@: Nalatigheid van een bestuursorgaan
Het niet of niet voldoende voorzien in hetgeen de plicht van een overheidsorgaan is, schaadt de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur. Aangenomen mag worden dat de constructie van de staatsinstellingen in ieder Land voldoende mogelijkheid tot correctie biedt. Niettemin is in art. 51 Statuut de mogelijkheid geschapen dat vanwege het Koninkrijk de nodige maatregelen worden getroffen. Uiteraard kan daartoe slechts aanleiding bestaan, indien uit de ontstane toestand blijkt dat intern redrès in het Land niet plaatsvindt. In geval van een dergelijke plichtsverzaking kan, onder aanwijzing van de rechtsgronden en de beweegredenen waarop hij berust, een algemene maatregel van rijksbestuur bepalen op welke wijze hierin wordt voorzien. Het ingrijpen zal er steeds op gericht moeten zijn de desbetreffende organen weer normaal te doen functioneren. Het artikel is - of schoon het reeds in de Interimregeling voorkwam - nooit toegepast. Bij nalatigheid van lagere organen ligt het voor de hand, dat de landsorganen voldoende bevoegdheid tot ingrijpen hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval in Nederland als gemeentelijke organen in gebreke blijven. In de Nederlandse Antillen was echter de vrees voor bemoeizucht van het Land met de taak der eilandsorganen de reden, dat opzettelijk aan de landsorganen dergelijke bevoegdheid tot ingrijpen onthouden is. Daarom bepaalt art. 93 Staatsregeling, dat in geval van grovelijke verwaarlozing in een eilandgebied, een algemene maatregel van rijksbestuur de wijze kan bepalen, waarop in het bestuur wordt voorzien (zie @: Eilandgebieden: onbestuurbaarheid).

 

 

@: Nanzi
zie @: Spinnen.
Centrale figuur in de kuentanan di Nanzi (dierenverhalen), die op Curaçao en in andere delen van het Caribisch gebied en in Suriname worden verteld. Deze verhalen zijn afkomstig van West-Afrika waar de spin Ananse een belangrijke rol speelt in de mythologische Anansesem (vertellingen van Ananse). Nanzi is een echte "trickster"figuur, die iedereen te slim af is. In deze verhalen komen naast Nanzi o.a. de volgende figuren voor: Shi María, Nanzi’s vrouw; Shon Arei, de koning (in de oorspronkelijke Afrikaanse verhalen de Schepper); Kompa Sese of kortweg Sese, een kennis van Nanzi die zich altijd bij de neus laat nemen; Cha Tiger, de tijger. Alle dieren die verder in de verhalen voorkomen krijgen Kompa (voor kompader) voor hun naam. (Zie ook @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Natec
zie @: Televisie.

 

@: Nationale middelen en bestedingen
Het beschikbaar nationaal inkomen geeft de waarde aan van de middelen die gedurende een bepaald jaar de volkshuishouding ter beschikking zijn gekomen voor besteding. Ter vergelijking mogen dienen de begrippen beschikbaar gezinsinkomen en gezinsbesteding.
Het verschil tussen middelen en bestedingen geeft het inkomensoverschot of -tekort van de volkshuishouding aan, hetgeen overeenkomt met het overschot of tekort van de lopende transacties met het buitenland. Van 1972 tot en met 1976 blijkt er sprake te zijn van een nationaal inkomenstekort. In 1977 is er sprake van een gering nationaal inkomensoverschot.

 

@: Nationale rekeningen
kunnen worden gezien als de boekhouding van de volkshuishouding. Het boekingssysteem vertoont veel overeenkomst met de dubbele boekhouding die veelal in bedrijven wordt gevoerd. Nationale rekeningen van de Nederlandse Antillen zijn voor het eerst gepubliceerd in augustus 1966 door het departement Sociale en Economische Zaken. Door het Centraal Bureau voor de Statistiek over de jaren 1957 tot en met 1965. Er worden zes sectoren onderscheiden:

• particuliere bedrijven,
• overheidsbedrijven,
• overheid,
• sociale verzekeringen,
• gezinnen en
• buitenland.

Voor iedere sector is een rekening samengesteld. De rekeningen zijn onderverdeeld naar:

1. goederen-transacties,
2. inkomensverdeling,
3. consumptie en besparingen,
4. investeringen en
5. financiële transacties.

Men vergelijke de overeenkomstige nummering in bijgaande tabel. (Zie @: Economie; Nationale middelen en bestedingen).

 

@: Nationalisme
In de Nederlandse Antillen vertoont het nationalisme twee elementen die enerzijds samenhangen met het koloniale verleden van deze eilanden en anderzijds met de eilandelijke structuur van het land. Zoals ook elders in ex-kolonies, o.a. in het Caribisch gebied, draagt het nationalisme een duidelijk anti-kolonialistisch, anti-imperialistisch karakter. In vele ex-kolonies speelt bij de groei naar een eigen nationaal bewustzijn en een grotere zelfstandigheid het zich afzetten tegen West-Europa en de Verenigde Staten van Noord-Amerika een belangrijke rol. Dit is ook met de Nederlandse Antillen het geval. De eilandelijke structuur maakt echter dat er in dit geval van een insulair versnipperd nationalisme moet worden gesproken (zie @: Identiteit).

 

@: Nationaliteit
zie @: Nederlanderschap.

 

@: Nationale Volks Partij / @: N.V.P. / @: NVP
zie @:
Partido Nashonal di Pueblo.

 

@: Naturalisatie
zie @: Nederlanderschap.

 

@: Natuurbeheer
Door de snel stijgende bevolkingsdichtheid wordt de natuur bedreigd. De oppervlakte landbouw- en houtbestand arealen neemt zienderogen af. Voor sommige gebieden, waar een unieke flora of fauna in zijn voortbestaan bedreigd wordt, is totale bescherming geboden. Tot dusver betreft dat slechts enkele, betrekkelijk kleine gebieden, waarvan de flamingo-broedkolonie op Bonaire het bekendste is; dat gebied is als sanctuary voor iedereen gesloten. Waar mogelijk wordt echter getracht een compromis te vinden tussen de noodzaak van natuurbescherming enerzijds, en de wenselijkheid van recreatie en exploitatie anderzijds. In het algemeen gesproken kan in dit opzicht veel bereikt worden door ruimtelijke ordening, die dan wel door alle instanties gerespecteerd dient te worden. Tot dusver is het meeste succes geboekt door het instellen van natuurparken. De opzet van deze parken, zowel op het land als in zee, is steeds drieledig:

• behartiging van de belangen van natuurbescherming,
• recreatie en
• exploitatie.

Bij een harmonieus samengaan van deze drie facetten van een park-opzet bereikt men, zoals reeds gebleken is, een hoog rendement, ook economisch en educatief bezien.

 

@: Natuurbescherming
De bescherming van de natuur heeft in de Nederlandse Antillen veel later aandacht gekregen dan de conservering van begroeiing, bodem en water. Een schijnbare uitzondering is het ‘plakaat’ van 29 maart 1737, waarbij het doden en vangen van Jan van Genten of boobies en het rapen der eieren, op Klein Curaçao werd verboden. Deze bepaling was namelijk slechts bedoeld voor de veiligheid van de scheepvaart; de stuurlieden werden door het grote aantal vogels bijtijds opmerkzaam gemaakt op dit lage, slecht zichtbare eilandje. Door het niet nakomen van het verbod en de latere guano-afgraving zijn de boobies er niettemin verdwenen. In 1926 (P.B. nr. 60) kwam tot stand de Landsverordening tot bescherming van diersoorten, nuttig voor land- en ooftbouw; deze was aanvankelijk alleen van toepassing op trupialen. In 1931 (53) werd de verordening uitgebreid tot sommige diersoorten die langzamerhand uitsterven en op welker voortbestaan prijs gesteld wordt. In 1932 (37) werd een wijziging en aanvulling met betrekking tot de machtiging bedoeld in de wapenverordening 1931 van kracht, terwijl in 1940 (54) een aanvulling met een verbodsontheffingsbepaling werd ingelast. Bij de Landsbesluiten van 1931 (59), 1934 (58), 1937 (2), 1952 (72), 1955 (86) en 1960 (102) werd de lijst van beschermde diersoorten steeds meer uitgebreid. Deze lijst omvat thans (1982): het Curaçaosch hert; de fazant, indertijd op Curaçao ingevoerd en weer verdwenen; de bruine pelikaan; de rode flamingo; alle broedende en regelmatig voorkomende meeuwen en sterns; de totolika; de lara; de para karpinté (waarschijnIijk de Zuid-Amerikaanse nachtzwaluw Caprimulgus cayennensis);
de kolibrí; de chuchubi, de barika hel; de para di misa; de gele trupial; de oranje trupial; de mòfi.

Op jachtgebied bestaan nauwelijks voorschriften. Jagers hebben geen jachtvergunning nodig, slechts een vergunning voor het bezitten van (vuur)wapenen en het dragen daarvan op publiekterrein (vuurwapenverordening 1930, P.B. nr. 2, zoals laatstelijk gewijzigd in 1952, 121; wapenverordening 1931, 77). In iedere machtiging wordt de bepaling opgenomen dat geen jacht mag worden gemaakt op beschermde diersoorten; vrgelijk ook Landsverordening 1932, Dr. 37 (zie verder @: Jacht).

De flamingo is beschermd sedert 1934, en die bescherming functioneert. De papegaai van Bonaire, de lora, kreeg in 1952 officiële bescherming, maar de boete op overtreding is zo laag, dat deze niet meer prohibitief werkt. Voor de lora van Aruba behoefde geen besluit meer te worden afgekondigd: door de degeneratie van het natuurlijk biotoop en door afschot is de lora daar tussen 1940 en 1950 uitgestorven. Geen bescherming wordt geboden aan de ook op Aruba reeds uitgeroeide grote blauwduif, die nu ook op Curaçao en Bonaire bedreigd is. Evenmin beschermd zijn de door vervolging in aantal afnemende roofvogels warawara van de Benedenwinden en de roodstaartbuizerd van de Bovenwinden. Er dient echter een meer stringente wetgeving te komen ter bescherming van flora en fauna, speciaal ook voor die soorten, die nergens anders in het wild worden aangetroffen, de zogenaamde endemische soorten planten en dieren. In principe behoren alle zoogdieren, vogels en reptielen beschermd te zijn, met uitzondering van enige groepen en soorten: verwilderd vee, verwilderd pluimvee, jachtwild en enige met name genoemde schadelijke soorten.

Onder de eilanden is Bonaire het meest vooruitstrevend op het gebied van wetgeving ten behoeve van natuurbescherming, niet alleen voor de natuur op het land, maar ook in zee, met name ten behoeve van het koraalrif; het succes van deze wetgeving is voor iedereen zichtbaar, wat tot uiting komt in een steeds groeiend aantal toeristen. Ook Curaçao en Aruba hebben verordeningen ter bescherming van het marine milieu, maar omdat deze niet nageleefd worden, is er tot dusver geen zichtbaar resultaat te bemerken (1983). De wetten, verdragen, verordeningen en besluiten die op natuurbescherming betrekking hebben en in 1978 van kracht waren, vindt men opgesomd in nr. 6 van de Stinapa Documentatie Serie, Wetgeving Natuurbeheer op de Nederlandse Antillen in 1978. Aanvankelijk stond de bevolking sceptisch of ongeïnteresseerd tegenover pogingen de natuur te beschermen, maar een verandering trad op toen het eerste natuurpark gerealiseerd was en wel op Bonaire in 1969. Daarna won de natuurbescherming steeds meer terrein, zowel letterlijk als figuurlijk. Om aan de bevolking duidelijk te maken, dat natuurbescherming in de Nederlandse Antillen een zinvolle zaak is, doet Stinapa veel moeite om door middel van publikaties, films, lezingen enz. de mensen en dan speciaal de jeugd, te bereiken. (Zie @: Parken; @: Stinapa).


 
@: Natuurlijke kinderen
zie @: Bevolking; @: Onwettige kinderen.

 

@: Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen, Stichting
Opgericht 1945 en gevestigd te Utrecht. Doel: de uitbreiding van de kennis der natuurlijke gesteldheid van Suriname en de Nederlandse Antillen zowel met het oog op de belangen van de wetenschap als op die van haar toepassing. De Studiekring ontvangt voornamelijk subsidies van de regeringen van Nederland en van de Nederlandse Antillen en van het bedrijfsleven; zij geeft de beschikbare gelden voornamelijk uit aan publikaties o.a.: Studies on the fauna of Curaçao and other Caribbean Islands en Studies on the fauna of Suriname and other Guyanas; voorts afzonderlijke publikaties o.a. over geologie, botanie, natuurbescherming en ornithology (vogelkunde). Tenslotte aan het bijeenbrengen van documentatie op natuurwetenschappelijk gebied (zie ook @: Biologisch onderzoek).

 

@: Navelstreng
zie @: Lombrishi.

 

@: Nederlanders
De term Nederlander wordt op de Antillen duidelijk gereserveerd voor iemand die in Nederland is geboren, zogenaamde Europese Nederlander. Dit geldt ook voor kinderen die hier geboren zijn uit Nederlandse ouders en zich cultureel als zodanig gedragen. Deze Nederlanders worden als een groep apart beschouwd, duidelijk gescheiden van de rest door taal, opvoeding en sociaalcultureel gedrag en denkwijze. Op Bonaire en Curaçao worden zij makamba genoemd. De term Nederlander heeft dus duidelijk geen relatie met de Nederlandse nationaliteit die de bewoners van de Nederlandse Antillen hebben.

 

@: Nederlanderschap
In het gehele Koninkrijk is het Nederlanderschap de enige en gezamenlijke nationaliteit. Zij is in art. 3 Statuut onder de aangelegenheden van het Koninkrijk genoemd. Zij wordt geregeld bij wet (art. 6 Grondwet), dus na de totstandkoming van het Statuut bij rijkswet (wet van 12 december 1892 Stb. nr. 268, het laatst gewijzigd bij de wet van 20 november 1975 Stb. nr. 608). Naturalisatie van in Nederland woonachtige personen geschiedt bij wet, van in de Nederlandse Antillen woonachtige personen bij rijkswet (art. 11, 5de lid en art. 14, 4de lid Statuut). Deze onderscheiding bespaart de regering en de Staten van de Nederlandse Antillen veel rompslomp van de tientallen naturalisatiewetten jaarlijks betreffende in Nederland woonachtige personen. Het Nederlanderschap is onder andere vereist voor het kiesrecht in beide landen.

 

@: Nederlanders, Europese / @: Europese Nederlanders
(politieke positie). Sedert de invoering van het kiesrecht voor de Staten in 1936, hebben Europese Nederlanders lange tijd deel uitgemaakt van dit vertegenwoordigend lichaam, terwijl ook voor de Eilandsraden van Aruba, Curaçao en Bonaire, bij herhaling Europese Nederlanders kandidaat zijn gesteld. Het grote aantal kiesgerechtigde Europese Nederlanders in de Nederlandse Antillen vormde voor de diverse politieke partijen een belangrijke reden om uit deze groep personen op de kandidatenlijst op te nemen als stemmentrekkers. De grootte en de invloed van de Europese Nederlandse groep was zelfs zodanig dat men in 1948 een partij oprichtte, die zich bij de verkiezingscampagnes vooral tot de Europese Nederlanders richtte: de Curaçaosche Onafhankelijke Partij. In 1958 vormde deze partij samen met de Nationale Volkspartij een lijst.
Vanaf de 1960ger jaren is de invloed van de in de Antillen woonachtige Europese Nederlanders op de politiek steeds geringer geworden. Dit valt enerzijds te verklaren door de sterke numerieke achteruitgang van deze groep en de gemiddeld kortere verblijfsduur in de Nederlandse Antillen, anderzijds door de sterke ontwikkeling van de eigen identiteit en het nationalisme van de bewoners van de diverse eilanden.

 

@: Nederlands
is de officiële taal in de Nederlandse Antillen. Het is de taal waarin de wetten gesteld staan en het is de voertaal in de rechtspraak en in het onderwijs. Als moedertaal van de op de Benedenwindse Eilanden (hoofdzakelijk Curaçao) gevestigde bewoners van Nederlandse afkomst was het reeds in het begin van de 19de eeuw in de minder ontwikkelde gezinnen vervangen door het Papiamentu. Het handhaafde zich echter in die oorspronkelijk Nederlandse families waaruit o.a. de ambtenaren voor de hogere bestuursfuncties werden betrokken; deze bevolkingsgroep was tweetalig en beheerste dus ook het Papiamentu. In de 20ste eeuw begon ook bij hen het Papiamentu zich een overheersende positie te veroveren ten koste van het Nederlands en tegenwoordig kan men stellen dat geen enkele Antilliaanse bevolkingsgroep zich kenmerkt door het gebruik van het Nederlands als voertaal.
De betekenis van het Nederlands in de Antilliaanse samenleving is wisselend geweest. Het schoolonderwijs werd vroeger ook wel in andere talen gegeven (in de 19de eeuw het Papiamentu op scholen buiten het stadsdistrict; tot in het begin van de 20ste eeuw het Spaans op een enkele stadsschool of internaat). Met de komst van de olie-industrie op Curaçao (vanaf de Eerste Wereldoorlog) ontstond een aanzienlijke uitbreiding van het overheidsapparaat, terwijl ook het onderwijs, in deze periode reeds uitsluitend Nederlands, een aanzienlijke groei ging vertonen met een grotere verbreiding en een steeds hoger eindniveau. Het Nederlands won hierdoor aan belangrijkheid. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit proces gedurende enkele decennia voortgezet, waarbij het groeiende aantal in Nederland opgeleide Antillianen, die in de meeste gevallen een Nederlandse levenspartner kozen, een niet onbelangrijke nieuwe factor was naast de reeds genoemde. Ook in de media (pers, radio, beginjaren van de televisie) speelde het Nederlands nog een overheersende rol.
Deze ontwikkeling zette door tot ongeveer de tweede helft van de 1960ger jaren, toen zich eerst een stabilisatie voordeed, waarop een duidelijke afname van de betekenis van het Nederlands is gevolgd. Deze tendens vertoont een versnelling. Enkele factoren die hierbij een rol spelen zijn: de steeds verder voortschrijdende Antillianisering van het overheidsapparaat, de grotere politieke  zelfstandigheid en de groeiende bewustwording ten aanzien van een eigen identiteit, die vraagt om het gebruik van een eigen taal in alle situaties van het openbare leven. In de dagbladpers is de invloed van het Nederlands, ofschoon verminderd, nog vrij belangrijk te noemen, maar op de radio en de televisie moest het Nederlands zich bijna geheel terugtrekken. De in Nederland afgestudeerde met een Antilliaanse partner is nu geen zeldzaamheid meer. Ofschoon de positie van het Nederlands op het tijdstip waarop de teruggang inzette van eiland tot eiland verschillen vertoonde, is de dalende tendens op alle eilanden duidelijk aanwezig. De steeds kleinere rol van het Nederlands in de Eilandsraden is hiervan een onmiskenbaar teken (zie @: Papiamentu: verbreiding en waardering).
Ondanks de invloed van het Nederlandstalige onderwijs is de beheersing van het Nederlands, ook onder meer ontwikkelde Antillianen, bij slechts weinigen zeer goed te noemen. In veel gevallen kan men van zeer onvolledige kennis spreken. Men gebruikt in dit verband soms de term Papiaments Nederlands, maar deze term kan zowel op de zeer gebrekkige beheersing van de minst ontwikkelden slaan als op het door enkele eigenaardigheden in het taalgebruik gekenmerkte Nederlands van meer ontwikkelden en zelfs van in de Nederlandse Antillen gevestigde Nederlanders (bijvoorbeeld stoof in plaats van fornuis).

Literatuur:

  • G. Brand en L. Saris, Het Nederlands op Curaçao; aspekten van tweede taal verwerving (scriptie 1981);
  • J.Ph. de Palm, Het Nederlands op de Curaçaosche school (1969);
  • A.J. Vervoorn, Antilliaans Nederlands (Schakels NA 61, 1976).

 

 

@: Nederlands-Antilliaanse Academie
stichting, door de regering opgericht in 1967, met het doel cursussen voor middelbare onderwijsakten in het leven te roepen en in stand te houden. De academie organiseert eveneens examens (die niet bij de wet zijn geregeld). De academie heeft de laatste jaren sterk aan betekenis ingeboet. De meeste cursussen, die vroeger door de academie werden verzorgd, worden thans onder auspiciën van het Departement van Onderwijs gegeven en per landsbesluit ingesteld.

 

@: Nederlandse Antillen

Foto: Vlag van de Nederlandse Antillen, een land die anno 2009 zich in haar laatste levensfase bevindt. Het vooruitzicht is, dat zij in 2010 wordt ontbonden, waarna de nieuwe landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden Curacao en Sint Maarten ontstaan, terwijl de overige drie eilanden (Bonaire; Saba; Statia) een speciale relatie als Caribische gemeenten met Nederland zullen aangaan

 

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding: Algemene indeling / grootte eilanden

Hoofdstuk 2: Geografische Ligging
Sectie 1: Benedenwindse Eilanden
Sectie 2: Bovenwindse Eilanden

Hoofdstuk 3: Bevolking
Paragraaf 1: Etnische samenstelling
Deel 1: De slavernij-erfenis
Deel 2: Instroming olie-arbeiders
Deel 3: Het blanke deel Bovenwinden
Deel 4: Het blanke deel Benedenwinden

Paragraaf 2: Taal
Paragraaf 3: Godsdienst

Hoofdstuk 4: Economie
Paragraaf 4: Niet olie
Paragraaf 5: De olie
Paragraaf 6: Overige: Offshore; communicatie

Hoofdstuk 5: Literatuur
Paragraaf 7: Benedenwindse Eilanden
Paragraaf 8: Bovenwindse Eilanden


Nu volgt de behandeling van het artikel:

Hoofdstuk 1: Inleiding: Algemene indeling / grootte eilanden

Autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en het Nederlandse gedeelte Sint Maarten. Zij maken deel uit van de eilandenboog der Antillen tussen Noord- en Zuid-Amerika. De gezamenlijke oppervlakte der eilanden bedraagt ca. 1000 km², waarvan Curaçao 444 km², Bonaire 288 km², Aruba 193 km², Sint Maarten Nederlands gedeelte 34 km², Sint Eustatius 21 km² en Saba 13 km². In 1986 zal Aruba uit dit verband treden en op zich ook een autonoom deel (status aparte) binnen het Koninkrijk der Nederlanden gaan vormen. Naar de ligging onderscheidt men de Benedenwindse Eilanden Aruba, Curaçao en Bonaire (van west naar oost) en de Bovenwindse Eilanden Sint Maarten Nederlands gedeelte, Saba en Sint Eustatius (van noord naar zuid). De onderscheiding in eilanden ‘boven’ en ‘beneden de wind’ dateert nog uit de tijd van de transatlantische zeilvaart en heeft betrekking op de ligging der eilanden ten opzichte van de passaat. De afstand tussen beide eilandengroepen bedraagt ongeveer 900km.

 

Hoofdstuk 2: Geografische Ligging
Sectie 1: Benedenwindse Eilanden


Deze liggen op een breedte van ca. 12° noorderbreedte (N. Br.) en tussen 68° en ca. 70° westerlengte (W.L.) (N.B.: op het zuidelijk halfrond c.q. in het oostelijk gedeelte van de aardbol spreekt men van zuiderbreedte en oosterlengte). Als zodanig zijn de Benedenwindse Eilanden kusteilanden van het Zuid-Amerikaanse vasteland, waarvan ze door een zeestrook ter breedte van 30 tot 90 km zijn gescheiden (zie kaart). Curaçao en Bonaire maken deel uit van een langgerekte, smalle onderzeese rug waartoe o.m. ook de Aves- en de Roqueseilanden behoren, en die door een honderden meters diepe geul van Aruba en de vaste wal is gescheiden. Aruba daarentegen maakt deel uit van het Zuid-Amerikaanse continentaal plat, de zeediepte tussen dit eiland en het vasteland overschrijdt de 200m-diepteiijn niet. De afstand tussen Curaçao en Aruba bedraagt ca. 78km, tussen Curaçao en Bonaire ca. 52 km. De eilanden zijn langgerekt van vorm en bestaan overwegend uit stollingsgesteenten, omringd door en gedeeltelijk overdekt met kalkgesteente. Hun reliëf is gering: het hoogste punt is de 375m hoge Sint Christoffelberg op Curaçao.

Sectie 2: Bovenwindse Eilanden


Deze behoren tot de noordelijke Antillenboog en liggen op ongeveer 18° N.Br. en 63° W.L. Hun onderlinge afstand is slechts klein: de afstand van Sint Maarten tot Saba bedraagt ca. 52 km, van dit eiland tot Sint Eustatius ca. 35 km en van Sint Eustatius tot Sint Maarten ongeveer 70 km. Sint Maarten ligt met Anguilla en Saint Barthelemy op een onderzees platform dat begrensd wordt door de dieptelijn van 36m. Gedurende het Pleistoceen vormde dit platform het zogenaamde. Groot Sint Maarten’ (zie kaart). Evenzo ligt Sint Eustatius op een onderzeese rug die dit eiland met Sint Kitts en Nevis verbindt en die begrensd wordt door de dieptelijn van 180m. Sint Maarten behoort tot de niet-vulkanische buitenboog van de Kleine Antillen, in tegenstelling tot Sint Eustatius en Saba, die deel uitmaken van de vulkanische binnenboog van deze eilandengroep. Het vulkanisme op beide laatste eilanden is echter in een recent geografisch verleden uitgedoofd, hoewel het in vorm en afzettingen van de eilanden nog duidelijk herkenbaar is. De eilanden vertonen meer reliëf dan de Benedenwindse groep: Saba bezit met de 870,4m hoge Mountain Scenery het hoogste punt van de gehele Nederlandse Antillen.

De neerslag is in het algemeen groter dan die op de Benedenwindse Eilanden; als gevolg hiervan zijn de voorwaarden voor agrarisch bodemgebruik iets gunstiger dan op de Benedenwindse Eilanden. Een belangrijke negatieve factor vormt echter de dikwijls langdurig optredende droogte. (Zie @: Geologie; @: Klimaat).

 

Hoofdstuk 3: Bevolking
Paragraaf 1: Etnische samenstelling
Deel 1: De slavernij-erfenis

In 1981 telden de Nederlandse Antillen 231.932 inwoners. Voor de voornaamste bijzonderheden aangaande groei en samenstelling der bevolking zie @: Bevolking. Hier volge slechts een enkel woord over de etnische samenstelling van de Nederlands-Antilliaanse bevolking. Deze vertoont een grote verscheidenheid met dien verstande dat het donkergekleurde deel in de raciale samenstelling van de bevolking kwantitatief overheersend is. Het aantal blanken is verhoudingsgewijs zeer klein. Van de autochtone indiaanse bevolking zijn hoegenaamd geen fysieke sporen in de bevolking achtergebleven; de indiaanse trekken die bij een deel van de Arubaanse kernbevolking zijn aan te wijzen, moeten vermoedelijk worden toegeschreven aan latere instromingen van indianen van de Zuid-Amerikaanse vaste wal ondermeer in de Compagniestijd (zie @: Archeologie). Na de verovering van de eilanden door de Nederlanders in het begin der 17de eeuw werden Curaçao en Sint Eustatius belangrijke haven- en handelsplaatsen. Beide werden centra voor een uitgebreide slavenhandel, waarvoor de talrijke plantages in het Caribisch gebied een groot afzetgebied vormden. Tal van slaven werden als huis-, ambachts- of veldslaven ook op deze eilanden zelf te werk gesteld. In het jaar 1863, waarin de slavernij in het Koninkrijk werd afgeschaft, bedroeg het aantal slaven ongeveer 30% van de totale bevolking van de Nederlandse Antillen. Het overblijvende deel bestond in overgrote meerderheid uit zogenaamde vrije gekleurden. Op het eiland Curaçao bijvoorbeeld telde men in 1863 op een totale bevolking van 20.000 omstreeks 6.000 slaven en 10.000 vrije gekleurden. De dominerende plaats van het donkergekleurde deel in het Antilliaanse volkstype is dus allereerst aan de slavernij in het verleden toe te schrijven.

Deel 2: Instroming olie-arbeiders
Een tweede belangrijke instroming vond plaats in de 20ste eeuw na de vestiging van de olie-industrieën op Curaçao en Aruba. Door de grote behoefte aan arbeidskrachten, waarin de Nederlandse Antillen niet zelf konden voorzien, werden uit het omringend Caribische gebied vele arbeiders aangetrokken. De samenleving onderging door de vestiging van de raffinaderijen een totale verandering: de olie-arbeiders gingen een belangrijk deel van de Curaçaosche en Arubaanse bevolking vormen. Vele van deze arbeiders waren afkomstig van onder anderen de Britse Caribische eilanden en de Nederlandse Bovenwinden, eilanden waar de bevolking grotendeels donkergekleurd is. Hierdoor werd het donkergekleurde deel van de bevolking, vooral op Aruba, versterkt. Daar Aruba geen slavenhandel en geen plantages heeft gekend, is dit deel van de bevolking zwak vertegenwoordigd geweest. Op de Bovenwinden was door het voorkomen van een plantage-economie de bevolking op St. Maarten vanouds grotendeels donkergekleurd. Dit was ook het geval op St. Eustatius dat ook een plantage-economie gekend heeft.

Deel 3: Het blanke deel
Het blanke deel in de Antilliaanse bevolking is het gevolg van de vestiging in de Nederlandse Antillen van onder anderen Nederlanders en andere West-Europeanen en van Zuid-Europese en Oost-Europese Joden. Ook bij de instroming van het blanke gedeelte van de bevolking zijn weer twee perioden van verhoogde immigratie aan te wijzen, met name in de 17de en in de 20ste eeuw.
In 1632 vestigden zich Zeeuwse kolonisten op Sint Maarten en van hieruit enkele jaren later ook op Sint Eustatius en Saba. In opdracht van kooplieden uit het moederland, bij wie zij onder contract stonden, verbouwden ze handelsgewassen. Aangezien ook vanuit andere West-Europese landen dergelijke volksplantingen op de omringende eilanden werden ondernomen en er een levendig, hoewel niet altijd even vriendschappelijk verkeer tussen de eilandjes bestond, vertoonde de bevolking van de Bovenwinden al spoedig een bonte mengeling van Hollanders, Zeeuwen, Engelsen, Fransen, Schotten, Denen, Zweden, enz. Na 1700 kwam op de Bovenwinden het plantagewezen tot ontwikkeling waardoor hier het aantal slaven in snel tempo toenam. Slechts op Saba, waar de voorwaarden voor plantagebouw minder gunstig waren, bleef het blanke element in de bevolking overheersend. Rasmenging werd op de Bovenwinden in het algemeen afgewezen, waardoor er in etnisch opzicht een scherpere tweedeling ontstond dan op de Benedenwinden waar men in dit opzicht soepeler was. Op Saba zou men zelfs kunnen spreken van een colourline.

Deel 4: Het blanke deel Benedenwinden
Op de Benedenwindse Eilanden was allereerst Curaçao het toneel van een overigens relatief bescheiden blanke instroming, daar de West-Indische Compagnie vestiging op Aruba en Bonaire tegenging. Op Curaçao, het steunpunt van de West-Indische Compagnie in deze gewesten, vestigden zich allereerst compagniedienaren, voorts kooplieden en ambachtslui, niet zelden personen die om godsdienstige of andere redenen hier een veilige wijkplaats zochten en vonden. Ook al bood het klimaat weinig mogelijkheden voor landbouwactiviteit, toch was de plantage en daarmee de planter een karakteristiek element in de Curaçaosche samenleving. Door de invoer van slaven bleef de blanke groep, evenals dit het geval was op de Bovenwinden, numeriek ver achter bij die der kleurlingen. Afzonderlijke vermelding verdient de komst der Portugese (Sefardische) Joden naar Curaçao omstreeks 1650 (zie @: Joodse gemeenten). Deze groep die erin slaagde haar identiteit tot op de dag van vandaag te bewaren, werd één der belangrijkste pijlers van de Curaçaosche binnen- en buitenlandse handel.

De economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen in de 20ste eeuw, met name de vestiging van de petroleumindustrie en de uitbreiding van handel en diensten, bracht ook een sterke toestroming van Europese immigranten (zie @: Bevolking). Sinds de 1920er jaren hebben zich plaatselijk belangrijke verschuivingen in de aantalsverhouding tussen de verschillende etnische groepen voorgedaan; zo is bijvoorbeeld het aantal donker gekleurden op de eilanden Aruba, Sint Eustatius en Saba relatief (en op Aruba ook absoluut) toegenomen. Eveneens lijkt vast te staan, dat ondermeer op grond van het in het algemeen hogere geboortenoverschot, het aandeel van de kleurlingen in de totale bevolking der Nederlandse Antillen in deze eeuw is toegenomen. Exacte gegevens in dit op¬zicht zijn niet aanwezig, aangezien er in de officiële statistieken thans uitdrukkelijk geen rekening wordt gehouden met etnische verschillen binnen de bevolking.

 

Paragraaf 2: Taal
Wat de taal betreft onderscheiden de Benedenwindse Eilanden zich duidelijk van de Bovenwinden. Als gevolg van de historische ontwikkeling werd op deze laatste eilanden het Engels de algemene voertaal. Op de Benedenwinden ontwikkelde zich echter sinds de tweede helft van de 17de eeuw het Papiamentu tot de spreek- en schrijftaal van de bevolking. Het Nederlands is de officiële taal waarin de wetten worden gesteld, het is de voertaal in de rechtspraak en in een belangrijk deel van het onderwijs maar het wordt door de overgrote meerderheid van de bevolking niet als omgangstaal gebruikt.

 

Paragraaf 3: Godsdienst
Ook in godsdienstig opzicht bestaan er verschillen tussen de Bovenwindse en Benedenwindse Eilanden. Bijgaande tabel toont dat de bevolking van de Benedenwindse Eilanden overwegend rooms-katholiek is. Daarentegen behoort een belangrijk deel van de bevolking op de Bovenwinden tot de Methodisten- en Anglicaanse Kerk. Dat deze laatste kerken op de Bovenwindse Eilanden zoveel meer aanhangers tellen, dient allereerst te worden toegeschreven aan de krachtige Engelse invloed op deze eilanden in de loop der historie. Opmerkelijk is dat het aantal katholieken op de Bovenwinden in de 20ste eeuw procentueel groeide door onder anderen migratiebewegingen op deze eilanden; van de overwegend niet-katholieke autochtone bevolking trokken velen weg, terwijl met name op St. Maarten een instroming van katholieke migranten van uit de naburige gebieden plaatsvond. In 1960 was 37% van de bevolking op de Bovenwinden rooms-katholiek, in 1981 is dit gestegen tot 41%. In 1960 was nog 50% van de bevolking Anglicaan of Methodist, in 1981 is hun gezamenlijk aandeel gedaald tot 35%, waarbij vooral de Methodisten een grote procentuele aderlating meemaakten (een daling van 40 naar 26%).

Op de Benedenwinden kreeg de katholieke missionering haar kansen vooral in de 19de eeuw en zij kon daarbij voortbouwen op de nimmer geheel verdwenen zendingsactiviteiten van Spaanse geestelijken uit Venezuela (zie @: Bisdom Willemstad; @: Protestantisme). Ook op de Benedenwindse Eilanden Curaçao en Aruba steeg in de afgelopen decennia het percentage rooms-katholieken, wat vooral toegeschreven moet worden aan het afgenomen percentage vreemdelingen op deze eilanden. Deze vreemdelingen, die merendeels een niet-katholieke godsdienst aanhingen, zijn voor een belangrijk deel weer naar hun land van oorsprong teruggekeerd.

Bij het onderwijs heeft de godsdienstige samenstelling van de bevolking geleid tot een in verhouding tot het totaal zeer groot aantal rooms-katholieke scholen; het openbaar onderwijs heeft daardoor een zeer gering percentage scholen.

 

Hoofdstuk 4: Economie
Paragraaf 4: Niet olie
Door de kleine afmetingen van de eilanden en het droge klimaat zijn de natuurlijke hulpbronnen van de Nederlandse Antillen zeer gering. Landbouw vertoont mede daardoor een marginaal karakter en de economische betekenis ervan is in de afgelopen vijftig jaar zeer sterk teruggelopen; de afgelopen 10 jaren is er echter mede dankzij de invoering van het druppel-irrigatiesysteem, een sterke opleving van de tuinbouw. (Zie @: Land- en tuinbouw). Van de vele in het verleden ondernomen pogingen tot exploitatie van de aanwezige delfstoffen, moesten de meeste door uitputting of onrendabele hoeveelheden snel gestaakt worden. Slechts de fosfaatwinning op Curaçao is zeer lang economisch aantrekkelijk geweest maar moest wegens uitputting van de fosfaathoudende lagen op het eind van de 1970ger jaren gestopt worden. Momenteel wordt er op de eilanden nog steenslag en zand gewonnen en op Bonaire - op grote schaal - zout.

Paragraaf 5: De olie
De economie op Curaçao en Aruba is sinds het begin van de 20e eeuw tot en met heden, decennialang overwegend afhankelijk geweest van de verwerking van buitenlandse aardolie. In de periode 1915-1930 werden deze eilanden belangrijke vestigingsplaatsen voor de aardolie-industrieën van de Koninklijke Shell en Lago (Standard Oil of New Jersey), die hun grondstoffen vooral uit het nabijgelegen Venezuela betrokken. Momenteel vormt ruwe aardolie afkomstig uit Venezuela slechts een deel van de verwerkte aardolie en komt de resterende ruwe aardolie uit andere landen.
De komst van de aardolie-industrie leidde tot een economische omwenteling, waarbij de primaire bestaansmiddelen hun betekenis nagenoeg geheel verloren, de secundaire en tertiaire daarentegen een allesoverheersende positie gingen innemen. De beide eilanden bereikten en handhaafden gedurende de gehele 20e eeuw het hoogste levenspeil van het Caribisch gebied en de overige vier eilanden van de Nederlandse Antillen hebben ook zeker van deze ontwikkeling geprofiteerd; van hieruit kwam een krachtige migratiebeweging naar Curaçao en Aruba op gang. Daardoor en door de financiële uitstraling van de economisch rijkere eilanden werd ook op deze vier eilanden de betekenis van de primaire bestaansmiddelen snel minder.
Door rationalisatie van de raffinage in de oliebedrijven en sterke toeneming van de beroepsbevolking is in de laatste periode 1950 tot 1980 ongeveer het aanbod van arbeidskrachten snel hoger geworden dan het aantal beschikbare arbeidsplaatsen. Hierdoor ontstond er een grote mate van werkloosheid, vooral op Curaçao. De Nederlandse Antillen probeerden de toegenomen werkloosheid te verminderen door een industrialisatiebeleid en een beleid ter bevordering van het toerisme. (Zie @: Economie; @: Toerisme.)

Paragraaf 6: Overige: Offshore; communicatie
De offshore sector die reeds in de 1970ger jaren van groot belang werd voor de Curaçaosche economie, zorgt voor een zeer groot deel van de overheidsfinanciën van het eiland (35%) en voor haar werkgelegenheid (ca. 1.200 arbeidsplaatsen).
De sterke geografische scheiding tussen de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen vormt een belemmering voor hun ontplooiing. Er zijn zeer sterke decentraliserende tendensen in de Antilliaanse samenleving aanwezig. Vooral op Aruba bestaat reeds vanaf de Tweede Wereldoorlog de wens tot afscheiding van de resterende eilanden, met name van Curacao; het zogenaamde separacion-gedachte. Een wens die in 1986 in vervulling gaat, wanneer Aruba een autonoom deel gaat vormen binnen het Koninkrijk.
Door de sterke geografische scheiding tussen de eilanden vormt het verkeer zowel vroeger als nu een groot probleem. Wel is het verkeer tussen de eilanden in de afgelopen jaren sterk geïntensiveerd. Dit geldt met name voor het luchtverkeer (zie @: Luchtvaart). Regelmatige scheepvaart tussen de eilanden is echter nauwelijks aanwezig. Wel is er vanaf de eerste helft van de 1970ger jaren een ferry-verbinding die Curaçao met Aruba en Venezuela en vice versa verbindt en minder regelmatig, met Bonaire. Het personenverkeer tussen de eilanden is veel belangrijker dan het goederenverkeer; dit wijst op de merkwaardige omstandigheid dat er van complementaire economische activiteiten tussen de eilanden onderling weinig sprake is. Ondanks pogingen in het verleden daartoe aangewend, is het tot dusver niet mogelijk gebleken de agrarische produktie van de Bovenwinden af te stemmen op de behoeften van de dichtbevolkte industrieeilanden Curaçao en Aruba. Tot een duidelijke intereilandelijke arbeidsverdeling is het dus toch niet gekomen.

 

Hoofdstuk 5: Literatuur

Paragraaf 7: Benedenwindse Eilanden

  • P.H. de Buisonje en J.L.S. Zonneveld, De kustvormen van Curaçao, Aruba en Bonaire (1960);
  • R. Hamilton en W.M. Sesseler, Bijdrage tot de bodemkundige kennis van (Nederlandsch) West-Indië (1945);
  • J. Hartog, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Dl. I Aruba (1953), Dl. II Bonaire (1957), Dl. III Curaçao (1961);
  • Jaarverslagen der verschillende Eilandgebieden, alsmede beschikbare statistische gegevens;
  • E. Nordlohne, De economisch-geografische structuur der Nederlandse Benedenwindse eilanden (1951);
  • Rapport Krul inzake waterhuishouding op Curaçao en Aruba (1949);
  • L.M.R. Rutten, De geologische geschiedenis der Nederlandsche Benedenwindsche Eilanden (1931/ 1932);
  • H. Terpstra, De boomgroei op de Benedenwindse Eilanden in vroeger tijd (1948);
  • Topografische kaart 1:25000 van Curaçao, Bonaire en Aruba (1963);
  • L.P. Vermeulen, De bevolkingsstructuur der Nederlandse Antillen (Tijdschrift Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap, ser. 2, 79 1962);
  • P. Wagenaar Hummelinck, Over grotten en grottenvorming op Curaçao, Aruba en Bonaire, in: West-Indische Gids, jrg. 25 (1943);
  • J.H. Westermann, Overzicht van de geologische en mijnbouwkundige kennis der Nederlandse Antillen (1949);
  • H. Wilhelmy, Die klimamorphologische und pflanzen-geographische Entwicklung des Trockengebietes am Nordrand Südamerikas seit dem Pleistoziin (1954).


Paragraaf 8: Bovenwindse eilanden
 

  • J. Hartog, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Dl. IV. De Bovenwindse Eilanden (1964);
  • J.Y. Keur en D.L. Keur, Windward Children (1960);
  • Topografische kaart van Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, resp. 1:25.000, 1:10.000 en 1: 10.000 (1963);
  • J.H. Westermann, Overzicht van de geologische en mijnbouwkundige kennis der Nederlandse Antillen (1949);
  • Idem, De geologische geschiedenis der drie Bovenwindse eilanden St. Martin, Saba en St. Eustatius, in: West-Indische Gids, jrg. 37 (1957).

 

@: Neerslag
is de verzamelnaam voor alle vormen, waarin atmosferisch vocht in vloeibare (regen) of vaste vorm (hagel; sneeuw)  op het aardoppervlak wordt waargenomen. In de Nederlandse Antillen vindt dit vrijwel uitsluitend plaats in de vorm van regen of dauw. Laatstgenoemde neerslagvorm is er evenwel van weinig belang en wordt niet geregistreerd. Bij zeer grote uitzondering zou bij zware neerslag hagel kunnen voorkomen. En op sneeuw hoeven deze tropische eilanden natuurlijk voorlopig niet te rekenen.

Regen - het water dat door condensatie en coagulatie in wolken ontstaat en daaruit door eigen gewicht vrijkomt doet zich in de Nederlandse Antillen vrijwel altijd voor in de vorm van een bui, met andere woorden, uit wolken met sterke verticale ontwikkeling zoals cumulus congestus (letterlijk een bezwaarlijke opeenhoping van wolken) en cumulonimbus (donkere buienwolken). Deze voor de tropen typerende regenwolken hebben gewoonlijk een basis op 300-700m hoogte, waaronder de regen op een afstand als een donkere kolom zichtbaar is. Bereikt de regen de grond niet, dan spreekt men van valstrepen. Een cumulus congestus kan tot een cumulonimbus uitgroeien als de wolkentop een hoogte bereikt waar de temperatuur -5 á -10°C bedraagt, waardoor in de top ijsdeeltjes worden gevormd en vaak een ijskap in de vorm van een aambeeld ontstaat. In de Nederlandse Antillen ligt het 0°C-niveau gemiddeld op 4.700m zodat een cumulonimbus daar normaliter een hoogte van 6.000m moet hebben bereikt. Is een bui vergezeld van onweer, dan haalt de cumulonimbus veelal een hoogte van 10-15.000m, terwijl een enkele keer toppen tot 20.000m worden waargenomen. Bij een orkaan kan ook urenlang regen uit stratiforme bewolking vallen.

Een regenbui kan zich zeer plaatselijk voordoen en duurt bij normale windsnelheid op de Benedenwindse Eilanden niet lang. Wanneer een bui overtrekt, constateert men meestal een vrij fel inzetten en ook een abrupt einde van de regen. Een bui trekt over land een nat spoor met een breedte van enige honderden meters tot enige kilometers.
De hoeveelheid neerslag wordt gemeten met een regenmeter, die onder anderen bestaat uit een opvangtrechter, waarvan de opening zuiver horizontaal moet zijn. Het in de meter opgevangen hemelwater wordt vervolgens op vaste tijdstippen - tenminste eenmaal per dag - afgetapt en gemeten met behulp van een maatglas, dat aan het oppervlak van de regenmeter is aangepast. Voor regencijfers zie @: Klimaat.

 

@: Negers
zie @: Huidskleur.

 

@: Negrita di Malpaïs
zie @: Mata galiña.

 

@: Nepomuceno, Maximiliano F.
De op Curaçao geboren kunstenaar is een autodidact. Als arbeider bij de Shell-raffinaderij en als dokwerker miste Nepo - zoals hij werd genoemd - de mogelijkheden van een opleiding waardoor hij zijn uitdrukkingsvaardigheid steeds zuiver d.w.z. naïef heeft weten te bewaren. Als materiaal gebruikte hij afval; zelf noemde hij zijn werk bleki kòrtá. (gesneden blik). Hij knipte, boog en krulde gebruikte blikken tot doorwrochte en vaak verbluffend delicate voorstellingen, die hij tenslotte met verf kleurde. Zijn thema’s en onderwerpen waren zowel alledaagse beelden van het leven op Curaçao als religieuze en historische figuren en personages uit de folklore (bijvoorbeeld Nanzi); hij werd echter ook geïnspireerd door belangrijkere zaken als dood, wilskracht, zorg e.d. Ondanks de verscheidenheid aan onderwerpen is er een in het oog springende eenheid van stijl, die men primitief realisme zou kunnen noemen. Exposities: Curaçao (1961, 1971). Hoewel zijn werk vertegenwoordigd is in de collectie van het Curaçaosch Museum, geeft de privé-verzameling van May Henriquez-Alvares Correa waarschijnlijk het beste overzicht van zijn kunst. In 1981 verscheen een monografie, gewijd aan de kunstenaar (uitgave Curaçaosch Museum en Sticusa).

 

@: New Age, The
zie @: Pers.

 

@: News, The
zie @: Pers.

 

@: New West Indian Guide
zie @: West-Indische Gids, De.

 

@: Nicolaas, Carlos Alberto
(Bonaire 1 november 1915) dichter uit wiens werk vooral de liefde voor zijn geboorte-eiland spreekt.

Wrk.; Chapapoti (I 1977); Taligon (proza 1977); Chapapoti (II 1980).

 

@: Nieuwpoort
Verschepingsplaats voor fosfaat aan de Fuikbaai. De afscheepplaats is via een smalspoorbaan van ongeveer 1.500m lengte met het fosfaatwinningsgebied verbonden. Eveneens gebruikelijk is de naam Newport.
 
@: Nieuwsvoorziening
Hierin heeft in de Nederlandse Antillen het Algemeen Nederlands Persbureau (A.N.P.) een belangrijk aandeel. Het A.N.P. heeft kantoren op Curaçao en Aruba. In eerstgenoemd kantoor wordt via een teletype-verbinding met het A.N.P.-kantoor te ‘s-Gravenhage een voortdurende stroom van berichten ontvangen. Dit A.N.P.-nieuws wordt door een speciale redactie te ‘s-Gravenhage samengesteld uit eigen bronnen en uit berichten ontvangen van de persbureaus Reuter, Agence France Presse (A.F.P.), Deutsche Press Agentur (D.P.A.), Tass en United Press International (U.P.I.). Het kantoor heeft een klein teletype-distributienet met de radiostations, de dagbladen en andere abonnees. Enige dagbladen en enkele omroepstations hebben eigen installaties, waarmede nieuwsuitzendingen van Associated Press (A.P.) en United Press International (U.P.I.) worden ontvangen. Radiofoto’s kunnen in het ontvangstation Sapaté op facsimile-apparatuur worden opgenomen.

De eerste directe radionieuwsontvangst in de Nederlandse Antillen dateert uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog, toen in 1916 de Landsradiodienst het ontvangstation op de plantage Daniël oprichtte, omdat het nieuws dat via de kabel binnenkwam, onvoldoende was en in het buitenland werd gecensureerd. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd een ontvangstation van nieuws ten dienste van de pers ingericht in het Riffort, naast de toenmalige Curomstudio. In 1949 vestigde het A.N.P. zich in de Nederlandse Antillen en kwamen speciale nieuwsuitzendingen via het Hell-systeem tot stand, welke na enkele jaren overgingen in de stroom van nieuwskanalen via radioteletype en de uitzendingen van de verschillende wereldomroepstations van heden. Het A.N.P.-kantoor op Curaçao verzorgt tevens het doorgeven van Antilliaans nieuws naar Nederland. Enkele Nederlandse dagbladen en enige internationale persbureaus hebben correspondenten in de Nederlandse Antillen.
De televisiestations zenden dagelijks nieuws uit van A.P. en nieuwsfilms van het Columbia Broadcasting System (C.B.S.) en van Visnews Londen via de satelliet. (Zie ook @: Pers).

 

@: Nieuw Walcheren
Naam die Zeeuwse kolonisten aan het eiland Tobago (ten noordoosten van Trinidad) gaven. De eerste poging door Nederlanders ondernomen om het eiland te koloniseren moet zijn uitgegaan van Jan de Moor van Vlissingen, lid van een welbekende Zeeuwse familie. Hij was lid van de Kamer Zeeland van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) en was reeds meer dan tien jaar bezig met ondernemingen op de zogenaamde Wilde Kust, de Guyana’s, voordat zijn aandacht op Tobago viel.
In mei 1628 zeilde een vloot, uitgerust door de W.I.C. onder bevel van Pieter Adriaensz lta naar het Caribisch gebied met de bedoeling één van de Spaanse zilvervloten te onderscheppen. Onder bescherming van deze vloot zeilde een schip, uitgerust door de Kamer Zeeland der W.I.C., onder bevel van kapitein Ghelem van Stapels uit met 63 kolonisten aan boord met bestemming Tobago. In de loop van het jaar 1629 werd deze kolonie versterkt met nieuwe emigranten.
In 1632 was de Tobago-kolonie gegroeid tot meer dan 200 zielen. Wat precies met deze kolonie is gebeurd, is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk werd zij op oudejaarsdag 1636 of op nieuwjaarsmorgen 1637 door Spanjaarden van Trinidad in bondgenootschap met Indianen volkomen uitgemoord.
In de volgende jaren deed ondermeer hertog Jacob van Courland, die Tobago als geboortegeschenk van koning James I van Engeland had ontvangen, pogingen om het eiland in bezit te krijgen; aanvankelijk tevergeefs. Een door de hertog uitgerust schip met tachtig gezinnen, onder leiding van de Nederlander Willem Mollens en beschermd door 124 soldaten en 25 officieren, liet in mei 1654 het anker vallen in wat sindsdien Groot Courland Baai is genoemd; op de westkust van het eiland werd een nieuwe kolonie gesticht en een versterking - Fort Jacobus - gebouwd. Ditmaal leek het streven van de Baltische vorst met succes bekroond. De Nederlanders zaten echter niet stil: onmiddellijk na de Eerste Engelse Oorlog maakten de gebroeders Adriaen en Cornelis Lampsins als erfgenamen van Jan de Moor aanspraken op het eiland. In 1655 kregen zij er het patroonschap over. Zij hadden reeds eerder een schip uitgerust met vijftig Zeeuwse kolonisten onder leiding van Pieter Becquard. Dit schip arriveerde in september 1654 op het eiland, vier maanden na de aankomst van bovengenoemde Courlandse kolonie. Becquard deed het echter in zijn correspondentie aan de patronen voorkomen alsof hij vóór de Courlanders op Tobago was aangekomen. Daar de Courlandse kolonie talrijker was dan de nederzetting van de Lampsins, volgde Becquard een vriendschappelijke politiek. De Lampsins konden hun kolonie ongestoord ontwikkelen. De voornaamste nederzetting aan de oostzijde van het eiland, werd Nieuw Vlissingen gedoopt en de baai waaraan deze nederzetting was gelegen de Lampsinsbaai. De Indiaanse bewoners van het eiland schijnen omstreeks deze tijd de ongelijke strijd tegen de blanke kolonisten te hebben opgegeven en naar St. Vincent te zijn verhuisd. De zakelijk ingestelde gebroeders Lampsins importeerden textiel, drank en andere artikelen, met de bedoeling het eiland te maken tot een entrepot voor de oostelijke helft van het Caribisch gebied. In het begin van de 1660ger jaren waren er ten minste zes suikermolens op het eiland in functie, aIle het eigendom van de gebroeders of de hogere autoriteiten op het eiland.
Met hertog Jacob ging het ondertussen slecht. De Zweden hadden zijn hertogdom geïnvadeerd en hem gevangengenomen. Na zijn vrijlating in 1660, toen de vrede werd gesloten, bleek elke kolonisatiepoging van zijn kant verlamd. De Nederlanders maakten gebruik van deze omstandigheid om de overgave van zijn kolonie Tobago af te dwingen. Een muiterij van het garnizoen werkte de plannen van de Nederlandse gouverneur Huybrecht van Beveren in de hand; de Courlanders gaven hun fort over in december 1659 waardoor het eiland toen geheel in Nederlandse handen kwam. Natuurlijk probeerde hertog Jacob het terug te krijgen; zijn vertegenwoordiger in de Verenigde Provinciën kreeg daartoe de nodige instructies. De gebroeders Lampsins wendden zich omstreeks deze tijd tot Lodewijk XIV om redenen die nooit zijn opgehelderd en stelden het eiland onder Franse bescherming, terwijl Cornelis tot chevalier de l'Accolade werd bevorderd, met de titel van baron van Tobago. Bij het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog telde het eiland waarschijnlijk 1.000 tot 1.500 blanke kolonisten. Het aantal slaven was aanmerkelijk groter.
Gedurende de Tweede Engelse Oorlog werd Tobago aangevallen en verwoest door Engelse boekaniers in dienst van gouverneur Modyford van Jamaica. Terwijl de boekaniers bezig waren met hun destructieve werk arriveerden Engelse troepen van Barbados. Een overeenkomst met de boekaniers bracht het eiland onder de autoriteit van de gouverneur van Barbados, Lord Willoughby. Deze liet er een garnizoen achter van vijftig man, maar voerde de kolonisten en hun slaven naar Barbados. Kort daarna namen de Fransen van Grenada bezit van Tobago, maar toen in april 1667 de Zeeuwse admiraal Abraham Crijnssen in overeenkomst met zijn instructie het eiland aandeed, vond hij er niemand. Later evenwel kwamen enige kolonisten te voorschijn die zich in de heuvels hadden schuilgehouden. Crijnssen bracht het eiland terug onder Nederlands gezag. Een jaar later arriveerde een Nederlandse gouverneur - Abel Tisso - met enige versterkingen.
Wat de lotgevallen van het eiland waren gedurende de volgende drie of vier jaar is niet precies bekend. Een nieuwe Zeeuwse kolonie werd gesticht, maar hertog Jacob stuurde eveneens kolonisten die de Courlandse vlag in het verlaten fort Jacobus hesen; daar deze verder geen steun vanuit Courland ontvingen, maakten zij spoedig gemene zaak met de Nederlanders die opnieuw het gehele eiland beheersten. Toen Karel II echter in 1671 besloten had om aan de zijde van Lodewijk XIV tegen de Verenigde Provinciën te vechten, kreeg Lord Willoughby van Barbados de opdracht om Tobago in te nemen. Deze opdracht werd vlot en succesvol uitgevoerd, dank zij de bekwame leiding van Sir Tobias Bridge. De Nederlandse gouverneur, meinheer Peter Constant gaf het eiland spoedig over en werd met zijn officieren naar Curaçao verscheept. De kolonisten, misschien 400 in getal, met hun slaven en vee, werden naar Barbados gebracht. Velen ontsnapten echter in de bossen.
De Engelsen verlieten het eiland echter vrij spoedig: in 1673 weigerde de Raad van Barbados om er een garnizoen aan te leggen, daar, zoals de Raad opmerkte, de mannen niet konden worden gemist. Met de tweede Vrede van Westminster (1674) kwam het eiland weer terug onder Nederlands gezag. De erfgenamen van Lampsins verkochten hun rechten aan de Staten van Holland en West-Friesland die het plaatsten onder het onmiddellijk toezicht van de Amsterdamse admiraliteit. Een smaldeel onder Jacob Binckes kwam september 1676 in de Lampsinsbaai aan, na eerst de Franse Antillen te hebben geplunderd en het fort van Cayenne te hebben veroverd. Half december arriveerde een Franse vloot onder vice-admiraal d ‘Estrees in Cayenne en hernam deze plaats voor de Fransen. Bewust van het feit dat een Nederlandse kolonie op Tobago een voortdurende bedreiging voor de Franse Antillen zou vormen besloot d ’Estrees Tobago aan te vallen en Binckes’ fort te veroveren. De Fransen slaagden erin de Nederlandse vloot te vernietigen, maar Tobago bleef nog even Nederlands. Een tweede aanval van d’Estrees - met een nieuwe vloot - bracht het einde van de Nederlandse kolonisatie van Tobago. (Zie ook @: Koloniërs).

Literatuur: De nieuwste gegevens voor dit artikel in:

  • C.Ch. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the wild coast 1580-1680 (1971);
  • J.H.J. Hamelberg. artikel: Tobago, een vergeten Nederlandsche Kolonie, Tweede Jaarverslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (1899) is verouderd.
  • E. Anderson, Die ersten kurländischen Expeditionen nach West Indien im 17. Jahrhundert, Baltische Hefte, VIII, 3, blz. 129-155 en 4, biz. 216-232.
  • De United States Commission on the Boundary between Venezuela and British Guyana, Report and Accompanying Papers of the Commission, II, Historical Extracts (1897) geeft een grote hoeveelheid documenten van het Algemeen Rijksarchief te ‘s Gravenhage. ‘Hier en in Amsterdam (Stedelijk Archief) en Middelburg (Provinciaal Archief) vindt men nog heel wat onnagespeurd materiaal.
  • W. Eckert, Kurland unter dem Einfluss des Merkantilismus, 1561-1682 (1926);
  • A. Bilmanis, A History of Latvia (1951);
  • E. Seraphim, Geschichte Liv-, Est- und Kurlands (1897);
  • O.H. Mattiesen, Die Kolonial- und Oberseepolitiek der Kurlandischen Herzoge im 17. und 18. Jahrhundert (1940);
  • R. Wittram, Baltische Geschichte. Die Ostzeelande Livland, Estland, Kurland, 1180-1918 (1954).
  • Voor de Engelse kolonisatiepogingen blijven de Colonial State Papers, Colonial Series van grote waarde.

 

@: Nieuw Zeeland
Naam door de eerste Nederlandse kolonisten (Zeeuwen) van St. Eustatius in 1636 aan dit eiland gegeven; ofschoon de meerderheid der eerste vijftig kolonisten vermoedelijk niet uit Zeeuwen maar uit Vlamingen en Walen bestond, berustte de leiding bij de Zeeuw Pieter van Corselles, terwijl de kolonie zelf een patroonschap was van een Zeeuwse compagnie voor wie de bekende Zeeuw Jan Snouck als zegsman naar buiten optrad en als patroon fungeerde (zie @: Geschiedenis: Bovenwindse Eilanden).

 

@: Niewindt, Martinus Joannes


(Amsterdam 17 mei 1796 - Curaçao 12 januari 1860) eerste apostolisch vicaris van Curaçao, heeft ook enige tijd het bisschopsambt in de Dominicaanse Republiek waargenomen. Al vanaf 1824 heeft hij als priester op Curaçao gewerkt, waar hij tot zijn dood onvermoeid, met veel talent en grote apostolische ijver - ondanks tegenwerking - de katholieke geloofsbeleving, die bij zijn komst in verval verkeerde, op alle eilanden nieuwe impulsen heeft gegeven. Hij ontplooide grote werkkracht bij de opbouw van parochies, de bouw van kerken en scholen en de zorg voor zieken. Ook aan de conditie van de slaven besteedde hij behoedzame aandacht. Op het plein van de St. Annakerk - tot 1958 pro-kathedraal - is in 1927 een standbeeld voor hem, ontworpen door de Italiaan Leone Tommasi, door mgr. G. Vuylsteke onthuld. (Zie ook @: Emancipatie).
Lit.: W.M. Brada, Prefect Niewindt, 1824-1842 (1956); idem, Bisschop Niewindt, 1842-1852 (1957).

 

@: Niggertown
is een geringschattende uitdrukking om de arme wijk aan te duiden in het noordelijk deel van The Bottom op Saba, bewoond door de laagste gekleurde klasse (zie @: Krottenwijken). De term wordt zowel gebruikt door de gekleurde midden- en hogere klassen als door de blanken, ondanks een motie van de Eilandsraad om de naam te vervangen door Newtown.

 

@: Nobo
zie @: Pers.

 

@: Nolte, Hendrik Johan
(Rotterdam 11 augustus 1915) studeerde bouwkunde aan de H.T.S. te Utrecht en architectuur aan de Academie voor Bouwkunst te Amsterdam. Aanvankelijk in dienst van het gouvernement (Openbare Werken Curaçao 1946-1962), later zelfstandig architect, lid B.N.A. Tot zijn werken behoren o.m. overheidsgebouwen, scholen, het Adventziekenhuis en het vakbondsgebouw A.V.V.C. Nolte is bestuurslid van de Stichting Monumentenzorg Curaçao.

 

@: Noord

 
Foto: Rooms-Katholieke kerk van de Heilige Anna te Nood, Aruba

Woonwijk op Aruba ca. 6 km ten noorden van Oranjestad. Verspreide bewoning met als middelpunt de R-K kerk van de Heilige Anna. In de tweede helft van de 18de eeuw werd hier reeds een kerk gebouwd als vervanging van de voordien in gebruik zijnde op Alto Vista. In 1928 schonk de pastoor van de kerk Heilige Antonius abt te Scheveningen een fraai houtgesneden altaar uit zijn kerk aan de missie van Curaçao; dit altaar geldt als één van de bezienswaardigheden van Aruba.

 

@: Noorse Zeemanskerk
Deze kerk is een van de 33 zeemanskerken uitgaande van de Lutherse staatskerk in Noorwegen, die haar zorg uitstrekt over Scandinavische schepen die Curaçao aandoen. Haar activiteiten dateren van 1939. Sinds 1946 is zij gevestigd in de Klipstraat, waar in het Zeemanshuis jaarlijks ongeveer 20.000 zeelieden ontvangen worden. In de kapèl worden kerkdiensten gehouden. Sinds 2000 bestaat het Zeemanshuis niet meer. Na een tijd in een bordeel voor buitenlandse, met name Colombiaanse en Dominicaanse prostituees te zijn veranderd is het gebouw in genoemde jaar te bate van een hotelproject, die echter nooit op die plaats is verwezenlijkt, neergehaald en opgeruimd. Op de plaats bevindt zich nu een verwilderd perceel.

 

@: Nopal
zie @: Cochenilletuin.

 

@: Norwegian Seamen’s Mission
zie @: Noorse Zeemanskerk.

 

@: Nos Isla
zie @: Pers.

 

@: Nos Tera
zie @: Himno di Kòrsou.


 
@: Notariaat

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Inleidende definitie

Hoofdstuk 2: Geschiedenis
Sectie 1: Periode tot 1869
Paragraaf 1: Ontwikkelingen Curaçao
Paragraaf 2: Ontwikkelingen St. Eustatius / St. Maarten
Paragraaf 3: Aruba en Bonaire
Paragraaf 4: Beroepsnotaris

Sectie 2: Periode 1869 – Heden: Reglement op het Notarisambt
Paragraaf 5: Curaçao
Paragraaf 6: Aruba
Paragraaf 7: Bovenwinden

Hoofdstuk 3: De beroepsnotaris nú: Benoeming en vereisten

Hoofdstuk 4: De notariële akte


Nu volgt de behandeling van het aangebodene:

Hoofdstuk 1: Inleidende definitie
Letterlijk: Het ambt van de notaris (oorspronkelijk snelschrijver - Latijns notarius - moderne definitie: de openbare ambtenaar, bevoegd tot het verlijden van alle authentieke akten, bij uitsluiting van andere ambtenaren. Inhoudende zijn werkkring en standplaats. De ontwikkeling van het notariaat laat zich in twee perioden verdelen. De eerste periode loopt van het begin van het Nederlandse gezag tot 1 mei 1869, de tweede periode van deze datum af tot heden.

Hoofdstuk 2: Geschiedenis
Sectie 1: Periode tot 1869
Paragraaf 1: Ontwikkelingen Curaçao

Van specifieke wetgeving waarin de taak van de notarissen werd omschreven, is vóór 1869 in de Nederlandse Antillen geen sprake. Tevergeefs ook zal men daarnaar zoeken in instructies of eedsformulieren. Het blijkt dat er in de praktijk sprake was van een nagenoeg volledige concordantie met Nederland, in het bijzonder met het notariaat zoals dat in de provincie Holland werd uitgeoefend vóór 8 november 1810. Op die dag werd, ter gelegenheid van de inlijving van Nederland bij Frankrijk, executoir verklaard de Loi concernant l’organisation du Notariat van 25 Ventose, An XI (16 maart 1803). Daarvoor hadden in Holland in hoofdzaak gegolden de plakkaten op het notariaat van Karel V van 1525 (1524) en 1531, aangevuld met regionale regelingen. Verder gaf het eedsformulier van de Staten van Holland, Zeeland en West-Friesland voor de notarissen in hun gewest uitgebreide voorschriften.

In de Ordre van Regieringe van 1629 (zie @: Bestuursregeling) werden diverse regelingen uit Nederland voor de koloniën bindend verklaard. Doch ook voor datgene wat niet in de Ordre was geregeld, werd toch zoveel mogelijk aansluiting gezocht met Nederland, waarbij vooral de in de provincie Holland geldende wetten en gewoonten werden gevolgd. Zulks was in de Nederlandse Antillen het geval met het notariaat, zodat aan een afzonderlijke wetgeving daarvoor geen behoefte bestond. De Franse wetgeving, die in de jaren 1809 tot en met 1811 in Nederland werd ingevoerd, zoals de hiervoor gemelde wet op het notariaat, is in de Nederlandse Antillen nimmer van kracht geworden. In 1810 werd dan ook de concordantie ten aanzien van het notariaat verbroken. In de Nederlandse Antillen bleef tot 1 mei 1869 het notariaat op de oude voet voortbestaan. Op die dag werd ingevoerd het Reglement op het Notarisambt in de kolonie Curaçao (thans genaamd Reglement op het Notarisambt in de Nederlandse Antillen). Het Regeringsreglement van 1865 bepaalde dat onder anderen het notarisambt voor zoveel mogelijk overeenkomstig met de in Nederland bestaande wetten moest worden geregeld, een bepaling die thans nog te vinden is in artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Deze concordantiegedachte van 1865 was niets nieuws, daar zij immers tot 1810 steeds had bestaan.

Van het begin van de Nederlandse heerschappij af was het notariaat een sequeel van het secretariaat. Reeds in de genoemde Ordre van Regieringe werd door de Staten-Generaal bepaald dat de assessor (eigenlijk toegevoegd bestuurlid voornamelijk in kerkvergaderingen, universitaire besturen e.d.) zich voor zijn vertrek naar de kolonie tot notaris moest laten creëren, zonder dat er verdere voorschriften omtrent het notariaat zelf werden gegeven:
De Staten-Generaal volgde bij deze bepaling het gebruik in diverse provinciën waar het notariaat ook vaak werd uitgeoefend door de secretaris van een bestuurlijk of rechterlijk college, een gebruik dat vooral op het platteland in zwang was, maar dat bijvoorbeeld ook in Amsterdam heeft geheerst. Het is dan ook begrijpelijk dat de Staten-Generaal, althans voor het begin, voor ogen stond het notariaat in handen te stellen van de secretaris(sen), een gedachte die door het bestuur van de West-Indische Compagnie is overgenomen. Zonder twijfel heeft daarbij ook het feit dat de inkomsten uit het notariaat voor de betrokken ambtenaar zeer belangrijk waren, een grote rol gespeeld. Indien deze inkomsten aan de ambtenaar/notaris zouden worden ontnomen, zou de West-Indische Compagnie voor de noodzaak hebben gestaan de salarissen van de betrokkenen te verhogen; geen aantrekkelijke gedachte. Het ellendige emolumentenstelsel heeft het ontstaan van een onafhankelijk notariaat in de weg gestaan.

Op Curaçao bestond aanvankelijk voor bestuur en rechtspraak het College van Directeur en Raden, later ook Grote Raad genoemd (zie @: Bestuursregeling). Het waren in de eerste plaats de secretarissen van deze raad die als notarissen optraden. Zij bekleedden ook de functie van secretaris van de in 1717 opgerichte Rechtbank der Mindere Questiën (ook Kleine Raad genoemd). In 1756 kregen beide raden echter een afzonderlijke secretaris, elk met de bevoegdheid het notariaat uit te oefenen. Slechts eenmaal, in 1738, werd op Curaçao een fiscaal met notariële bevoegdheid bekleed.
Tijdens het Engelse tussenbestuur van 1800-1803 en van 1807-1816 was er sprake van een Engelse secretaris, bijgestaan door Nederlandse en Engelse gedeputeerd-secretarissen. Al deze secretarissen waren eveneens notaris. Na het herstel van het Nederlandse gezag in 1816 was er in Nederland de gedachte gerezen om de nieuwe wetgeving, waaronder die omtrent het notariaat die in Nederland inmiddels was ingevoerd, ook voor de kolonie Curaçao van kracht te doen zijn. Als gevolg daarvan werden de secretarissen van de toen ingestelde Raad van Politie en van de Raad van Civiele en Criminele Justitie (zie @: Bestuursregeling) nog wel met de uitoefening van het notariaat belast, doch slechts provisioneel. De gouverneur-generaal voelde echter weinig voor de invoering van een beroepsnotariaat, hij wilde de bestaande situatie handhaven: ‘particuliere notarissen zijn dus overbodig en de opbrengst van het notarisambt zoude aan iemand die dat ambt alleen waarneemt, geen bestaan geven’. In 1828 bleef het notariaat alleen aan de secretaris van de Raad van Politie voor¬behouden. In 1833 werd het ambt verbonden met dat van de gouvernements-secretaris, wiens titel later werd gewijzigd in koloniaal secretaris. Deze toestand duurde tot 1866 toen Gouverneur De Rouville het notariaat geheel van de secretaris losmaakte en op de secretarie een referendaris aanstelde die als enige dit ambt zou uitoefenen.
Dat de gouverneur deze wijziging doorvoerde, was het gevolg van een ingeslopen misstand. In 1819 was bepaald dat de eerste klerk op de secretarie van de Raad van Politie de bevoegdheid had om ‘bij indispositie of absentie’ van de secretaris, als notaris op te treden. De secretaris trok zich hoe langer hoe meer uit het notariaat terug en liet deze taak nagenoeg geheel aan de eerste klerken (later commiezen genaamd) over. De secretaris genoot evenwel de inkomsten uit het notariaat. Ondanks de op handen zijnde codificatie van de koloniale wetgeving, die ook het notariaat drastisch zou wijzigen, vond de gouverneur de gang van zaken minder juist, daar ‘de aard der notariële functiën als betreffende een ministerie van publiek vertrouwen, eigenaardig door den titularis zelven, te diens verantwoording behoort te worden waargenomen’, welke taak evenwel niet meer aan de secretaris kon worden opgelegd omdat ’de ruime omvang der werkzaamheden van de gouvernementssecretaris (dit) niet gedoogt’.

Paragraaf 2: Ontwikkelingen St. Eustatius / St. Maarten
Het notariaat op Sint Maarten en Sint Eustatius heeft een gelijke ontwikkeling te zien gegeven. Op beide eilanden was een raad waarvan de secretaris eveneens notaris was. In 1816 werd een secretaris benoemd voor de beide colleges van politie en justitie, welke secretaris tevens notaris bleef. Het notariaat bleef aan het secretariaat verbonden dat in 1828 de zorg kreeg over de Gemeente Raad en over de Raad van Civiele en Criminele Justitie en in 1833 over de Koloniale Raad. In 1848 ten slotte kwam het notariaat in handen van de griffier van de rechtbank. Hiervóór is vermeld hoe op Curaçao de secretaris de uitoefening van de notariële functie op den duur overliet aan zijn klerken. Deze ontwikkeling treft men niet aan op St. Eustatius en St. Maarten. Ook daar was de beëdigde klerk ter secretarie aangewezen om de secretaris te vervangen bij ziekte of afwezigheid, maar reeds in 1776 ging men ertoe over om deze klerken zelfstandig als notaris te benoemen, naast de secretaris. Dit betekende dat deze klerken hun eigen protocol moesten houden en de ontvangen emolumenten konden behouden. Een speciale regeling bestond indien de secretaris opdracht tot het passeren van een akte wel zelf had ontvangen, maar dit passeren overliet aan een beëdigde klerk. De akte diende dan in het protocol van de secretaris te worden opgenomen, terwijl de secretaris 2/3 van het honorarium genoot. De notariële taak van de beëdigde klerken is in het begin van de 19de eeuw vervallen.

Saba is nimmer een zelfstandige kolonie geweest, doch ook daar was een secretaris aanwezig, die de notariële functie heeft uitgeoefend.

Paragraaf 3: Aruba en Bonaire
Op Aruba en Bonaire, waar de bevolking gering was, aangezien eerst in de 19de eeuw vrije vestiging werd toegestaan, kwam eerst in 1824 een voorschrift, dat de commandeur met het notariaat belastte. Vóór die tijd zullen zij ook wel als zodanig zijn opgetreden. De commandeurs hebben deze notariële functie behouden tot 1 mei 1869. Er was in zoverre een afwijking van het bestaande patroon dat de koloniaal schrijver van elk eiland tot taak had de akten te minuteren, die te bewaren en om daarvan afschriften af te geven.

Paragraaf 4: Beroepsnotaris
Ondanks het feit dat het notariaat in handen was van ambtenaren is er toch enkele keren sprake geweest van een beroepsnotaris. Op Curaçao was dat het gevolg van de moeilijkheden die waren ontstaan tussen de burgers en het bestuur en waarbij bezwaar was gemaakt dat de fiscaal ook als notaris optrad. Het ingrijpen van de Vergadering X leidde toen uiteindelijk in 1753 tot de benoeming van Hendrik Pletsz als beroepsnotaris. Na het overlijden van Pletsz is echter niet opnieuw tot benoeming van een beroepsnotaris overgegaan, de tegenstand van de secretarissen was te groot. Reeds in 1688 was in St. Eustatius Johannes Le Ducq tot beroepsnotaris benoemd. Het is niet bekend welke de redenen van deze benoeming zijn geweest. Na het overlijden van de notaris is ook hier een beroepsnotariaat niet meer ter sprake gekomen.

 

Sectie 2: Periode 1869 – Heden: Reglement op het Notarisambt
Paragraaf 5: Curaçao

Met de invoering in 1869 van het Reglement op het Notarisambt in de kolonie Curaçao kreeg het eiland definitief een beroepsnotariaat. In de wet werd bepaald dat er twee beroepsnotarissen zouden zijn. Er bestond aanvankelijk bij de gouverneur de vrees dat de inkomsten te laag zouden zijn voor twee notarissen. Met de nieuwe wetgeving werden echter ook tot hun taak gerekend de overdrachten van onroerende goederen en het passeren van hypotheken, hetgeen daarvóór aan het gerecht was overgelaten. Voor de notarissen bracht deze regeling een belangrijke bron van inkomsten met zich mee. Het feit dat de wetgever voor de overdracht van onroerende goederen heeft willen vasthouden aan een authentieke akte (anders dan in Nederland waar deze eis eerst weer in 1956 in artikel 671a van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen), is voor de rechtszekerheid ten aanzien van onroerend goed van zeer groot belang geweest.
In 1926 werd het maximum aantal notarissen op Curaçao gesteld op vier. Het koloniale bestuur vond in 1926 uitbreiding van het aantal noodzakelijk wegens de sterk veranderde economische omstandigheden. In dat jaar werd een derde notaris benoemd; eerst in 1967 werd de vierde standplaats vervuld. Het aantal notarisplaatsen is nauw verbonden met de economische activiteiten. Op Curaçao werd daarom reeds in 1970 de mogelijkheid van een vijfde notaris opengesteld, een aantal dat in 1978 op ten hoogste zeven werd gebracht.

Paragraaf 6: Aruba
Op de andere eilanden kwam in 1869 geen beroepsnotariaat. Daar bleven ambtenaren aangewezen het notariaat uit te oefenen, in feite dus een voortzetting van de bestaande toestand. Op elk eiland was één ambtenaar als notaris aangewezen, doch in 1936 werd op Aruba een tweede ambtenaar / notaris benoemd. Deze toestand bevredigde niet. Aruba had een grote economische groei ondergaan en de behoefte aan een beroepsnotaris werd dan ook in 1940 bevredigd. In 1947 volgde de benoeming van een tweede beroepsnotaris, een aantal dat in 1970 werd gebracht op ten hoogste drie en in 1978 op ten hoogste vier.

Paragraaf 7: Bovenwinden
Het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden zag een beroepsnotariaat ontstaan in 1970. De standplaats van de beroepsnotaris werd Sint Maarten. Hoewel deze notaris tevens Saba en Sint Eustatius tot zijn werkgebied mocht rekenen werd bepaald dat op deze eilanden het notarisambt tevens zou kunnen worden uitgeoefend door daartoe aangewezen ambtenaren. De bevolking behoefde op deze wijze niet verstoken te blijven van onmiddellijke notariële bijstand. Het aantal beroepsnotarissen werd op de Bovenwindse Eilanden, met als standplaats Sint Maarten, in 1978 gebracht op twee. Op Bonaire tenslotte, deed het beroepsnotariaat zijn intrede in 1978. Ook hier was de economische groei van het eiland de reden dat betere notariële bijstand werd verlangd.
De ambtenaar/notaris bleef voor dit eilandgebied wel bestaan, maar alleen voor het geval van belet, ontstentenis of afwezigheid van de beroepsnotaris. De ambtenaren/notarissen hebben slechts notariële bevoegdheid zolang hun aanwijzing duurt.

 

Hoofdstuk 3: De beroepsnotaris nú: Benoeming en vereisten
De beroepsnotarissen worden voor het leven benoemd bij landsbesluit met dien verstande dat een notaris bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd ontslag wordt verleend. Een notaris echter die bij het inwerking treden van de Landsverordening (P.B. 1978 nr. 31) nog geen twintig jaar in functie is geweest, wordt eervol ontslag verleend op de dag dat hij twintig jaar in functie is of op de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. De ambtenaar die tot notaris wordt aangewezen, heeft geen bepaalde kwalificatie nodig, noch krijgt hij een speciale opleiding. Om tot beroepsnotaris te kunnen worden benoemd gelden de volgende vereisten:

• de leeftijd van 25 jaren hebben vervuld;

• doen blijken van een goed zedelijk gedrag en

• het notariële examen hebben afgelegd.

Degene die in Nederland het radicaal van kandidaat-notaris heeft verkregen is eveneens benoembaar en vrijgesteld van het examen in de Nederlandse Antillen. Er is geen verplichte werktijd voorgeschreven. De wijze waarop de toekomstige notaris zich de theoretische en praktische bekwaamheden eigen maakt, is geheel aan hem overgelaten. Hierin zal verandering komen omdat aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen in 1983 een notariële opleiding is geopend. De noodzakelijke wetgeving zal nog moeten worden aangepast. Verwacht mag worden dat van de toekomstige kandidaat-notaris voor zijn benoeming tot notaris een bepaalde stage zal worden geëist.
Het ambt van beroepsnotaris is onver¬enigbaar met de functie van bezoldigd lid van de rechterlijke macht, advocaat, deurwaarder, hypotheekbewaarder, ambtenaar van de belastingen of ambtenaar belast met het opsporen van strafbare feiten. Ten aanzien van de ambtenaren/notarissen is geen enkele betrekking onverenigbaar verklaard. De uitoefening van het tuchtrecht is opgedragen aan het Hof van Justitie. Strafmaatregelen zijn enkel waarschuwing of berisping. Wanneer een notaris reeds twee maal is berispt, kan, wanneer daartoe een derde maal aanleiding mocht bestaan, door het Hof schorsing worden uitgesproken, bij een vierde maal moet de schorsing voor ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden volgen. Indien een notaris bij een vonnis tot een gevangenisstraf wordt veroordeeld, kan op requisitoir van het openbaar ministerie zijn ontzetting uit het ambt worden uitgesproken. Hetzelfde kan geschieden ingeval van faillissement, surseance van betaling of gijzeling wegens schulden. De gouverneur kan een notaris op voordracht van het Hof van Justitie eervol ontslag verlenen indien deze door ouderdom, ziekte of aanhoudende ziels- of lichaamsgebreken ongeschikt is zijn bediening uit te oefenen.

 

Hoofdstuk 4: De notariële akte

De notariële akte kan worden verleden in de taal die partijen verkiezen, mits de notaris die taal verstaat. Een openbaar testament, een akte van bewaarneming van een holografisch testament en een akte van superscriptie van een geheim testament moeten zelfs in de taal van de erflater worden opgesteld. In geen geval mag echter de akte in de landstaal (Papiamentu) worden verleden. Indien de verschijnende personen alleen de landstaal verstaan moet de akte in de Nederlandse taal worden verleden. Oorspronkelijk was in het notarisreglement opgenomen dat de notaris, ook indien hij de landstaal wel verstond, van de diensten van een beëdigd vertaler gebruik diende te maken. In 1930 is deze vreemde bepaling vervallen en moet de notaris het intermediair van een beëdigde tolk slechts gebruiken indien hij de landstaal zelf niet verstaat. Deze regeling is algemeen en geldt voor elke vreemde taal. Er zijn reeds stemmen opgegaan voor het gebruik van de landstaal in notariële akten.

 

 

@: Notas y Letras

Tijdschrift voor muziek en letterkunde, verschenen van 1886 tot 1888, onder redactie van J.S. Corsen en Ernesto H. Römer, het belangrijkste orgaan van de dichters van de zogenaande Spaanse School (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Nuland, Wim van / @: Wim van Nuland

Pseudoniem van Willem Cornelis Möhlmann (kloosternaam Michaël Möhlmann) (Rotterdam 1 december 1911 - Rotterdam 7 oktober 1969), van 1939 tot 1969 op Curaçao als R-K geestelijke van de Orde der Predikheren; behoort met zijn deels realistische deels impressionistische schetsen tot de belangrijkste auteurs die aan De Stoep hebben medegewerkt (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Wrk.: Geschreven Portretten, in: Antilliaanse Cahiers, jrg. 1 nr. 3 (1956).

 

@: Number
zie @: Loterij.

 

@: Nutriculture
zie @: Land- en tuinbouw.

 

@: Nijverheid
zie @: Industrialisatie.

 


 

De letter O

o is de vijftiende letter van het Nederlandse alphabet. Deze klinker is in algemeen gebruik in de meeste Indo-Europese talen en ook in verscheidene andere. Zij is afkomstig van het Semitische woord c.q. teken ayin, wat oog betekent en die zelf ook een Egyptische achtergrond heeft. De Semitische ayin was echter een mede-klinker, die met een schurend geluid vanuit de keel werd gesproken. Bij de Grieken, die gelden als de uitvinders van de geschreven klinker, kwam de ayin in gebruik als klinker en wel als hun letter omicron (o). Deze werd zonder wijziging door de Etrusken en vervolgens de Romeinen in hun alfabet opgenomen, terwijl de Grieken zelf de letter verder uitbouwden in de korte scherpe omicron (waarschijnlijk de ò van mop) en de lange omega, die behalve de lange o klank (waarschijnlijk als in boor en niet als in boom) ook de hoofdletter o vertegenwoordigde. Ondertussen was het teken o zelf weinig aan wijzigingen onderhevig van de ronde vorm, die zij onder Foenesische invloed had verkregen. De Foeniciërs hebben zich, bij het vervaardigen van de o, waarschijnlijk laten leiden door de vorm van de mond bij het uitspreken van deze letter.

Het gebruik van de o is op diverse wijzen geëvolutioneerd: Het Engels gebruikt haar vaak in woorden waar de o-klank niet of nauwelijks in voorkomt (word, work, sound) en hanteert aan de andere kant andere klinkers of combinatie van klinkers die dan toch met een o-klank worden uitgesproken (walk, caugh, broad, foe, was, goat). In het geval van broad en goat bijvoorbeeld is het opmerkelijk, dat de oa lettercombinatie in ieder woord een andere o-klank krijgt: Een ò-klank in broad (als de Nederlandse toch), maar een lange o-klank in goat (als in boom).

In het Nederlands is de uitspraak van de o drieledig. Om te beginnen een korte ò als in zon, toch, vol, trom. Zoals gebruikelijk en reeds eerder aangeduid, schrijft het Nederlands dubbele klinkers om de ò-klank in de meervoudsvormen van de genoemde woorden te bestendigen (zonnen, trommen). Dan is er daar de lange of extra lange en gesloten o als in boom, toon, loon, die ook blijft bestaan, als deze woorden in hun meervoudsvorm met slechts één o worden geschreven (bomen, tonen, lonen): Let op de enkele medeklinker! Tenslotte is daar de vorm een lange maar enigzins stugge klank, die overigens qua schrijfwijze niet van de lange, gesloten o verschilt (vroor, door, noord). Onderscheid leren maken tussen de beide uitspraakvormen geschiedt meestentijds in de praktijk. In het Papiamentu duidt men de korte open o aan met een naar links geplaatste accent en een naar rechts geplaatste geeft aan, dat het om zowel een korte gesloten maar droge o gaat, waarop eveneens de nadruk van de lettergreep rust. Het Papiamentu kent de lange gesloten o niet of nauwelijks.

De o doet het niet slecht als beginletter in deze encyclopedie. Hij is hekkesluiter in de rij van de 13 meest gebruikte letters. Eén van de meest bekende namen die met een o beginnen is wel die van de meesterbrein achter de terroristische aanslagen van September 11, 2001 te New York: Osama Bin Laden.

 

@: Oba

(Spondias mombin) of yellow plum, hogplum, plantesoort uit de familie der Anacardiaceae. Grote boom, vaak met stekels op de stam; bast ruw; bladeren oneven veervormig samengesteld tot 50 cm lang. Bloemen wit, in een pluim gerangschikt. Steenvrucht geel, zurig, eetbaar. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Obeah
zie @: Brúa.

 

@: Ocalia, Hipolito Max / @: Hipolito Ocalia

 

(Curaçao 22 juli 1916 - 20 April l984) autodidact, begint reeds als kind te schilderen op blikken deksels. Ontwikkelt zich tot origineel ‘primitief’ en stijlvast schilder van landschappen en later ook van andere taferelen uit het dagelijks leven. Verwierf de koosnaam Politu pintor. Uitdrukkingswijze: olieverf op houtenpanelen. Vanaf 1966 heeft hij vele exposities gehouden, voornamelijk op Curaçao. In 1981 verscheen een monografie gewijd aan de kunstenaar (uitgave van het Curaçaosch Museum en Sticusa). Zijn werk is ondermeer vertegenwoordigd in de collecties van het Curaçaosch Museum, van Sticusa en van het Stedelijk Museum Amsterdam.

 

@: Ocho día
zie @: Begrafenisgebruiken.

 

@: O.C.T.

Oficina de intercambio y Cooperación Tecnica, Departemento de Estado Libre Asociado de Puerto Rico is een instantie waarmee de regering van de Nederlandse Antillen in 1979 een contract heeft gesloten om toezicht te houden op bursalen uit de Antillen; (zie ook @: Bursalen Centraal Bureau Toezicht Curaçaosche; @: Studiecommissie Nederlandse Antillen, @: Stichting; Icetex).

 

@: Octagon
zie @: Musea.

 

@: Octopus
zie @: Inktvissen.

 

@: Octrooi

Het octrooirecht in de Nederlandse Antillen berust op de Rijks Octrooiwet, bekend gemaakt bij K.B. van 31 oktober 1921 (Stb. 1150) P.B. 1921 nr. 87, geldende tekst P.B. 1979, nr. 126, en op verschillende internationale verdragen.

 

@: Oduber; Federico

(Aruba 27 januari 1927), wiens poëzie gekenmerkt wordt door een sociaal engagement en een sterke preoccupatie met de dood, publiceerde in de tijdschriften Kambio en Watapana.

Wrk.: Beseffend (1961); Putesía (1973).

 

@: Oduber, Horacio Eulogio (dòkter Acho)

(Puerto Cumarebo, Venezuela 28 januari l863 - Curaçao 1935) eerste Arubaanse medicus, naar wie het in 1978 in gebruik genomen ziekenhuis is genoemd.

 

@: Oester
zie @: Tweekleppigen.

 

@: Oever, Theodorus ten

(gestorven 1799) in 1755 als missionaris op Curaçao aangekomen met toestemming van de West-Indische Compagnie; trachtte contact te krijgen met de kerkelijke overheid van Caracas (Venezuela). Door zijn superieuren gewantrouwd; werd hij ontslagen, maar hij bleef op Curaçao en heeft vele slaven naar Coro helpen ontvluchten.' Hij sloeg de eis van het gouvernement af om zijn ‘kapel op te breken.

 

 

@: Offshore-sector

De vele duizenden zogenaamde offshore maatschappijen (N.V.’s) profiteren onder andere van het gunstige fiscale klimaat dat geschapen wordt in de Nederlandse Antillen door een algemene belastingregeling met Nederland en belastingverdragen met o.a. de Verenigde Staten. De offshore-maatschappijen mogen alleen in bezit zijn van niet-ingezetenen, dat wil zeggen niet op de Antillen wonende personen en zij mogen alleen transacties tussen niet-ingezetenen verrichten. Zij kunnen in vier groepen verdeeld worden:

1. beleggingsmaatschappijen. Deze ondernemingen beleggen hoofdzakelijk in effecten, deelnemingen, onroerend goed en banktegoeden.

2. interconcern- en financiëringsmaatschappijen, waarvan de activiteiten hoofdzakelijk bestaan uit het opnemen van gelden teneinde deze door te geven in het eigen concern.

3. financiëringsmaatschappijen, die gelden van aandeelhouders aanwenden ter verstrekking van kredieten aan derden. Het aantrekken van deze gelden van derden mag uitsluitend in de vorm van bankkredieten plaatsvinden.

4. de offshore-banken, waarvan de activiteiten primair en hoofdzakelijk bestaan uit het van derden aannemen van gelden in rekening en/of uit het opnemen van gelden in de kapitaalmarkt, teneinde gelden aan derden in de vorm van direct op kortere of langere termijn opeisbare kredieten te verstrekken. Eind 1982 bevonden zich 44 offshorebanken op Curaçao, waaronder Pierson, Heldring & Pierson, Nederlandse Middenstands Bank (N.M.B.), Credit Lyonnais, Van Lanschot, Amro en Banco Mercantil Venezuela.

De Bank van de Nederlandse Antillen (B.N.A.) beschouwt ondernemingen die vallen onder 3 en 4 als kredietinstellingen en deze vallen dan ook onder het toezicht van de B.N.A. Vele offshoremaatschappijen worden beheerd door zogenaamde trustkantoren. De grootste hiervan is Curaçao International Trust Company N.V. opgericht door de ‘vader van de offshore’ de notaris mr. A.A.G. Smeets. Andere grote trustkantoren zijn A.B.N.-Trust, Corporate Trust, Maduro en Curiel’s Trust en N.M.B.-Trust. Het belang van het totale offshore-wezen is niet zo zeer de hierdoor ontstane werkgelegenheid, die geschat wordt op 1.250 arbeidsplaatsen, als wel de totale belastingopbrengst die door deze sector in buitenlandse valuta wordt opgebracht. In 1982 werd ruim NAf 220 miljoen aan belasting betaald door de offshore-sector.

 

@: Ojeda Alonso de / @: Alonso de Ojeda

(Cuenca, Castilië 1470? - Hispaniola, Haiti 8 februari 1513?) stamt uit een adellijke familie. Hij was een naamgenoot en neef van de inquisiteur Ojeda en kwam daardoor in contact met Juan Rodriguez de Fonseca, aartsdeken van Sevilla en later patriarch van de Spaanse transatlantische bezittingen aangeduid als West-Indië. Als lid van de Consejo Real had De Fonseca nogal wat invloed en dit, gecombineerd met de gunst waarin Alonso stond bij koningin Isabella, bezorgde hem op jeugdige leeftijd het bevel over één van de karvelen die Columbus op zijn tweede tocht naar de Nieuwe Wereld vergezelden. Dank zij de machinaties van De Fonseca, die voortdurend bezig was de capitulacion van Columbus te ondermijnen, brak Isabella in 1495 met een nieuwe koninklijke provision het monopolie van de grote admiraal. Onder zekere voorwaarden stelde zij in 1495 de vaart op de nieuw ontdekte gebieden voor haar onderdanen - de Castilianen, niet de Aragonezen, de onderdanen van haar echtgenoot koning Ferdinand - open en ontving Alonso de Ojeda als één der eersten zulk een verlof.

Voor de tegenwoordige Nederlandse Antillen werd deze tocht belangrijk, omdat toen Bonaire, Curaçao en misschien ook Aruba zijn ontdekt (zie verder @: Geschiedenis: Spaanse periode).

In 1503 ondernam Alonso de Ojeda een tweede reis naar het Caribisch gebied. De expeditie telde vier schepen en had ten dele als doel het vestigen van een georganiseerd gezag aan de Tierra Firme in Coquibocoa. De route die hij volgde was bijna dezelfde als op zijn eerste reis: vanaf Paria volgde hij de kust op zoek naar goud en parels, zonder veel resultaat, en ontscheepte ten slotte zijn mensen in Coquibocoa. Eén van zijn kapiteins, Vergara, rebelleerde, nam Ojeda gevangen en zeilde terug naar Hispaniola, waar hij en zijn mede-kapitein Ocampo, Ojeda overleverden aan de alcalde mayor Alfonso de Maldonado op de beschuldiging dat hij de beloften contractueel aan hen gedaan, niet had gehouden. Ojeda werd na een gevangenschap van enige maanden veroordeeld tot het verlies van zijn goederen, maar ging bij de Kroon in beroep. Deze vernietigde Maldonado’s vonnis, met bevel tot restitutie van de genomen goederen. In februari 1504 besliste de Kroon dat de schulden door Ojeda gemaakt (voor zijn tweede expeditie) geen beletsel mochten vormen voor de derde reis die hij van plan was te ondernemen.

Na 1505 schijnt Alonso de Ojeda zich op Hispaniola gevestigd te hebben, alwaar hij in juni 1508 een benoeming ontving tot gouverneur van Uraba, terwijl Juan de la Cosa zijn luitenant werd. Ook bij deze benoeming werd vermeld, dat zij geschiedde uit hoofde van Ojeda’s vele verdiensten. Ojeda’s expeditie naar Uraba, bestaande uit twee schepen en twee bergantijnen, vertrok in november 1509. Ojeda liet eerst het anker vallen in Cartagena, waar hij spoedig in moeilijkheden met de Indianen gewikkeld was, die met hun vergiftigde pijlen verscheidene van zijn mannen, onder wie Juan de la Cosa, doodden. Daar Ojeda zich realiseerde dat hij te weinig mensen in Uraba had om zich daar tegenover de niet al te vriendschappelijk gezinde bevolking te handhaven - hij had in Cartagena zeventig man verloren - zond hij een schip met wat goud en gevangenen - om nieuwe kolonisten te lokken - naar Hispaniola. Omdat er geen hulp kwam opdagen, besloot Ojeda zelf naar Hispaniola te gaan. Hij liet als zijn plaatsvervanger achter Francisco de Pizarro, de later zo vermaarde conquistador van Peru.

In Santo Domingo werd Ojeda van allerlei misdaden tegen Spanjaarden en Indianen beschuldigd, waaraan echter niet zozeer hij als wel vele van zijn mannen schuldig waren. Sommigen werden op rechterlijk bevel opgehangen, maar Ojeda werd op vrije voeten gesteld. Verscheidene malen schijnen er door vijanden vergeefs aanslagen op zijn leven te zijn gepleegd. Hij stierf in het klooster van de franciscanen, 8 februari 1513 (ofschoon ook het jaar 1515 of 1516 wordt genoemd) ziek en doodarm. Zijn laatste wens om te worden begraven onder de drempel van de ingang tot de kloosterkerk is vervuld.

Literatuur:

  • C. Bayle, Alonso de Ojeda (1925);
  • B. de las Casa, Historia de las Indias (vele uitgaven);
  • A. Herkness, Alonso de Ojeda y el Descubrimiento de Venezuela, Revista Chilena de Historia y geografía, biz. 197-213 (1943);
  • M. Fernandez de Navarrete, Colección de los Viages y Descubrimientos que Hiscieron por Mar los Españoles desde Fines del Siglo XV (verscheidene uitgaven);
  • G.M. Ojeda, El Hidalgo Alonso de Ojeda,  Boletin Americanista, Barcelona, 2 (1959);
  • D. Ramos, Alonso de Ojeda, en el gran Proyecto de 1501 y en el Sistema de Descubrimiento y Rescate al Depoblamiento, Boletin de la Academia Nacional de la Historia, Caracas, L, 197, blz. 34-85 (1967).

 

 

@: Okfes
Zie @: Grouper.

 

@: Oleander
Zie @: Frangepane; @: Franse bloem.

 

@: Olein

(Bontia daphnoides) Plantesoort uit de familie der Myoporaceae. Heester met lancetvormige bladeren; bloemen lichtgroen tot bruingeel met paarse haren op de onderlip. Benedenwindse Eilanden vooral op zilte zandbodem, maar ook gekweekt; St. Maarten gekweekt.

 

@: Oliba
Zie @: Capparis.

 

@: Olie / @: Olie-industrie
Zie @: Petroleumindustrie.

 

@: Olieoverslagstations / @: overslagstations / @: oil trans-shipment terminals / oil trans-shipment terminals

Op de Nederlandse Antillen zijn momenteel vier olie-overslagstations: op Aruba van de Exxon, op Curaçao de Curacao Oil Terminal aan de Bullenbaai van Shell Oil Co. V.S./ Shell Petroleum (Londen) (de grootste), op Bonaire de Bopec van Northville Industries / Paktank en op Sint Eustatius de tamelijk kleine Statius Oil Terminal. De ontwikkeling van de olie-overslagstations werd veroorzaakt door de langdurige sluiting van het Suëzkanaal tengevolge van de vijandelijkheden tussen Egypte en Israël (1967). De olie uit het Midden-Oosten, bestemd voor de V.S. moest toen rond Zuid-Afrika aangevoerd worden, wat een aanzienlijke verlenging van de transportroute was. Om  deze transportkosten te drukken werd de tonnage van de tankers in recordtijd opgevoerd. Deze nieuwe mammoettankers, zogeheten very large crude carriers (V.L.C.C), hadden echter een te grote diepgang voor de havens aan de oostkust en de zuidkust van de V.S. Om die reden werden er olie-overslagstations aangelegd op de eilanden in de Caribische Zee die wel havenmogelijkheden hebben voor deze tankers. De Lago was in 1970 de eerste die de faciliteiten had om deze mammoettankers na hun reis via twee oceanen te ontvangen. De olie wordt in de tanks van dele olie-overslagstations gepompt en nadien in kleinere schepen (tot 100.000 zogenaamde dead weight ton - dwt) naar de V.S. getransporteerd.

Behalve voor deze functie dienen deze olie-overslagstations tevens als opslagplaats om zodoende voor een strategi¬sche buffervoorraad ten behoeve van de V.S. te zorgen. Vooral in tijden waar de kans op een tijdelijke onderbreking van de olie-aanvoer groot geacht wordt, is het voor de V.S. van groot belang om in politiek veilige gebieden een buffervoorraad te hebben.

De positie van deze overslagstations, bij het vervoer van ruwe olie tussen het Midden-Oosten en de V.S. wordt echter deels ondermijnd door de bouw in de V.S. van twee grote havens aan de Golfkust, die deze mammoettankers moeten kunnen ontvangen. Een van deze, de Louisiana Offshore Oilterminal Project (L.O.O.P.) kwam in de tweede helft van 1981 reeds gereed. Ook de overslag voor de kust van grote tankers direct in kleinere tankers (ship-to-ship-transfer) kan deze functie van de olie-overslagstations minder maken. Deze ontwikkelingen lijken er echter niet op te wijzen dat de olie-overslagstations al op korte termijn overbodig zullen worden: door een gedeeltelijke functieverandering kunnen zij meer gericht worden op de olie-overslag uit Venezuela (o.a. zware oliën) en Mexico. De olie wordt hierbij in kleinere tankers uit Mexico en Venezuela aangevoerd en nadien met de V.L.C.C’s afgevoerd naar Europa en Japan.

 

@: Olifantstandjes

(Scaphopoda) of tuskshells zijn een kleine groep weekdieren, waarvan de schelp, van enkele centimeters lengte, doet denken aan een miniatuur olifantstandje, zowel voor betreft zijn vorm als zijn ivoren uiterlijk. Er zijn tien soorten in de Nederlandse Antillen bekend. De dieren leven in zee, ingegraven in slikkig zand. Zij komen bijvoorbeeld in de Piscaderabaai massaal voor. Lit.: zie weekdieren.

 

@: Olitu
Zie @: Grouper.

 

@: Omroep
zie @: Radio-omroep.

 

@: Omzetbelasting
zie @: Accijns.

 

@: Onafhankelijke, De
zie @: Pers.

 

@: Onafhankelijkheid

Tijdens de onderhandelingen over het Statuut is gebleken, dat noch Suriname noch de Nederlandse Antillen de band met Nederland en met het Koninklijk Huis der Oranjes wilde verbreken. Het Statuut opent echter de mogelijkheid tot uitgroei der zelfstandigheid tot onafhankelijkheid. Van deze mogelijkheid heeft Suriname in 1975 gebruikgemaakt; het is thans een soevereine staat. Op de Ronde Tafel Conferentie gehouden van 7 tot 12 maart 1983, heeft het eiland Aruba een akkoord bereikt ten aanzien van haar losmaking uit het Antilliaanse staatsverband per 1 januari 1986, die zal uitmonden in een volledige onafhankelijkheid in 1996. (Voor autonomie zie ook @: Decentralisatie; zie verder @: Ronde Tafel Conferentie; @: Zelfbeschikkingsrecht; @: Zelfstandigheidsstreven van Aruba).

 

 

@: Ondernemers
zie @: Handel; @: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van.

 

@: Onderstand
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Onderwijs

Overzicht van het gebodene:

Hoofdstuk 1: Inleiding: Minister; Departement onderwijs; verantwoordelijkheid eilandgebieden

Hoofdstuk 2: Onderverdeling

Sectie 1: Soorten onderwijs
Sectie 2: Onderwijstypen

Hoofdstuk 3: Onderwijstypen in detail

 

Sectie 3: Kleuteronderwijs
Sectie 4: Basisonderwijs
Sectie 5: Onderwijsvernieuwing op basisniveau: De taal
Sectie 6: Onderwijsvernieuwing: De leermethoden
Sectie 7: Speciaal onderwijs

Sectie 8: Voortgezet onderwijs
Paragraaf 1: Het Algemeen Voortgezet Onderwijs
Deel 1: Mavo
Deel 2: Havo

Paragraaf 2: Het Voorbereidend wetenschappelijk Onderwijs (v.w.o.)
Paragraaf 3: Brugjaar
Paragraaf 4: Schoolexamen en diploma

Sectie 8: Het beroepsonderwijs
Paragraaf 5: Lager beroepsonderwijs en lagere technische scholen (l.t.s.)
Paragraaf 6: Huishoudscholen
Paragraaf 7: Scheepvaartschool
Paragraaf 8: Economisch toeristisch administratief onderwijs (e.t.a.o.)
Paragraaf 9:Praktisch beroepsonderwijs (p.b.o.)
Paragraaf 10: Middelbaar beroepsonderwijs en middel¬bare technische school (m.t.s.)
Paragraaf 11: Middelbaar administratief onderwijs (m.a.o.)
Paragraaf 12: Opleiding kleuterleidster

Sectie 9: Hoger beroepsonderwijs
Paragraaf 13: Technische faculteit UNA
Paragraaf 14: Pedagogische academie en opleiding onderwijzer

Sectie 10: Universitair onderwijs
Paragraaf 15: Faculteit sociale en economische wetenschappen
Paragraaf 16: Faculteit der rechtsgeleerdheid
Paragraaf 17: Opleiding N.A.S.K.H.O.: Nederlands Antilliaanse stichting voor klinisch hoger onderwijs

Sectie 11: Avond-onderwijs

Hoofdstuk 4: Onderwijsfilm; Eilandelijke Filmotheek; Schoolmediatheekdienst

Hoofdstuk 5: Onderwijsvakverenigingen: Sitek; Sima; Simabo

Hoofdstuk 6: Onderwijsvernieuwing

Sectie 12: Mammoetwet en herstructurering
Sectie 13: Luister- vs doeschool
Sectie 14: Antilliaanse inhoud: Commissie Prins
Sectie 15: De taalprobleem: Papiamentu en Engels

Hoofdstuk 7: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het gebodene:

Onderwijs Hoofdstuk 1: Inleiding

Het onderwijs in de Nederlandse Antillen ressorteert rechtstreeks onder de Minister van Onderwijs. Deze wordt in zijn taak bijgestaan door de directeur van het Departement van Onderwijs, die met de dagelijkse leiding ervan is belast. Tot de voornaamste werkzaamheden van het departement van onderwijs behoren:

• het toezicht op het onderwijs;

• het verrichten van onderzoeks- en advieswerkzaamheden ter verbetering en vernieuwing van het onderwijs;

• het ontwerpen van wettelijke regelingen;

• het regelen van examens en het toezicht erop;

• het uitbrengen van adviezen betreffende studie- en beroepskeuze en toekenning van studiebeurzen of studietoelagen.

 

Verantwoordelijkheid eilandgebieden:
De bouw en inrichting van nieuwe scholen, de salariëring van het onderwijzend personeel met het hieraan verbonden toezicht en de administratie vallen onder de zorg van de verschillende eilandgebieden. Jaarlijks wordt ruim 24% van de overheidsgelden besteed aan het onderwijs. In 1981 bezocht 28% van de totale bevolking een inrichting voor dagonderwijs. Het totaal aantal kinderen dat het basisonderwijs bezoekt, is in de laatste tien jaren, door onder meer het kleiner worden van de gezinnen, met ruim 26% teruggelopen.

Het onderwijs in de Nederlandse Antillen is gebaseerd op het principe dat elk kind, onafhankelijk van geloof, ras of stand, de mogelijkheid geboden dient te worden zich zo volledig mogelijk te ontwikkelen. Primair wordt gesteld dat het streven erop gericht moet zijn een kind overeenkomstig de individuele aanleg en capaciteiten, tot een volwaardig en sociaal aanvaardbaar lid van de maatschappij te vormen.

 

Onderwijs Hoofdstuk 2: Onderverdeling

  • Sectie 1: Soorten onderwijs

De Nederlandse Antillen kennen scholen voor openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs, die op grond van de Staatsregeling volkomen gelijkgerechtigd zijn. De scholen voor openbaar onderwijs worden opgericht en in stand gehouden door de overheid en zijn neutraal. De taak van het openbaar onderwijs wordt, evenals in Nederland, nauwkeurig in de wet omschreven. Het onderwijs aan openbare scholen wordt gegeven met eerbiediging van ieders geloofsovertuiging.

Het bijzonder onderwijs omvat scholen, die opgericht en in stand worden gehouden door verenigingen en stichtingen met rechtspersoonlijkheid. In de Nederlandse Antillen is het bijzonder onderwijs als regel confessioneel, tweederde deel van het totaal aantal lagere scholen is op RK grondslag gebaseerd. Er zijn enige scholen op protestants-christelijke grondslag; daarnaast zijn er enkele scholen die onder een neutraal schoolbestuur ressorteren. De gelijke rechten die de bijzondere scholen thans genieten, zijn niet zonder strijd verkregen. De vrij heftige schoolstrijd die in Nederland aan het einde van de 19de eeuw en de eerste decennia van de 20ste eeuw vele gemoederen in beroering bracht, ging de Nederlandse Antillen niet voorbij. In feite vond hier, zij het op bescheidener schaal, een herhaling van deze strijd plaats. In 1946 kwam deze strijd tot een definitief einde en werd de gelijkstelling tussen het openbaar en bijzonder onderwijs voltooid.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 2 Sectie 2: Onderwijstypen

Het onderwijs in de Nederlandse Antillen kent verschillende typen. Men onderscheidt hierbij:

  • a. het algemeen vormend onderwijs, dat voornamelijk dient om de leerling een algemene ontwikkeling bij te brengen, die eventueel als basis kan dienen voor een voortgezette studie;
  • b. het beroepsonderwijs, dat de leerling tot een bepaald beroep moet opleiden.

Het algemeen vormend onderwijs omvat kleuteronderwijs, basisonderwijs, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo)en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo).

Het beroepsgericht onderwijs omvat lager beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs, universitair onderwijs, met de hierna volgende schooltypen:

  • e.t.a.o.: economisch, toeristisch en administratief onderwijs,
  • l.t.o: lager technisch onderwijs,
  • l.h.n.: lager huishoud- en nijverheidsonderwijs,
  • m.a.o.: middelbaar administratief onderwijs,
  • m.t.o.: middelbaar technisch onderwijs,
  • kleuterleidstersopleiding,
  • p.a.: pedagogische academie en
  • u.n.a.: universiteit Nederlandse Antillen.

 

Onderwijs Hoofdstuk 3: Onderwijstypen in detail

  • Sectie 3: Kleuteronderwijs

De kleuterschool, toegankelijk voor kleuters vanaf het vierde levensjaar, beoogt het ontplooien van de creatieve activiteit door tekenen, vouwen, knippen, plakken en kleuren. Er worden spelletjes gedaan in groepsverband en er wordt gezongen. Voorts wordt aandacht besteed aan taalontwikkeling door middel van versjes, vertellingen en gesprekken. De kleuterscholen in de Nederlandse Antillen zijn voortgekomen uit de vroegere bewaarscholen. Het peuteronderwijs is niet bij de wet geregeld. Aan sommige kleuterscholen is een klas voor peuters verbonden. Verder bestaan er vooral op Curaçao en Aruba vele particuliere speelscholen terwijl er ook stichtingen zijn die de peuters in crèches opvangen. Vele werkende moeders zenden hun kinderen naar een kleuterschool - en eveneens naar de speelscholen en crèches - zodat dit type onderwijs ook een belangrijke sociale functie heeft.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 4: Basisonderwijs

Het Antilliaanse kind gaat gewoonlijk op zesjarige leeftijd naar de basisschool. Om toegelaten te worden moet het kind bij de aanvang van het nieuwe schooljaar in september de leeftijd van zes jaar hebben bereikt. Er bestaat geen leerplicht in de Nederlandse Antillen maar het aantal niet-schoolgaande kinderen is te verwaarlozen. Volledig analfabetisme komt betrekkelijk weinig voor. Slechts 2% van de niet schoolgaande personen van 15 jaren en ouder heeft totaal geen schoolopleiding ontvangen; 13% heeft het basisonderwijs niet voltooid en 39% heeft geen enkele vorm van voortgezet onderwijs genoten (gegevens per 1-2-1982).

De lagere school telt zes of zeven klassen. Verplichte leervakken zijn: Nederlandse taal, lezen, schrijven, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde, kennis der natuur, muziek, tekenen, lichamelijke oefening, handvaardigheid, verkeerskunde, maatschappijleer, Papiamentu (voor de Bovenwindse eilanden Engelse taal). Op vele scholen wordt (op de Benedenwinden) vanaf de vijfde klas ook Engels onderwezen en vanaf de zesde klas bovendien Spaans. Voor de vakken van het basisleerplan moet een bepaald aantal uren per week worden uitgetrokken. Elke school zendt vóór het begin van het nieuwe schooljaar een rooster, waarop nauwkeurig de lesuren per vak zijn aangegeven, ter goedkeuring aan de Inspectie van het Onderwijs. De voertaal op de scholen van Curaçao, Aruba en Bonaire is Nederlands. Op de eilanden Saba, St. Maarten en St. Eustatius is de voertaal in de eerste twee leerjaren Engels, in de overige leerjaren Nederlands. Het onderwijssysteem van de Nederlandse Antillen is ook vrijwel geheel op Nederlandse leest geschoeid.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 5: Onderwijsvernieuwing op basisniveau: De taal

Vooral na de Tweede Wereldoorlog zijn deskundigen zich echter gaan bezinnen op de aanpassing van dit onderwijs aan de specifieke behoeften van de Nederlandse Antillen, omdat in de praktijk bleek dat het Nederlandse onderwijs niet de resultaten gaf die men ervan verwachtte. Het grote aantal zittenblijvers op de lagere school vormt reeds lang een ernstig probleem. In Nederland bereikt 70% van de leerlingen zonder doubleren de zesde klas, in de Nederlandse Antillen is dit slechts 24%. Reeds in 1948 en eerder werd gewezen op de noodzaak van vernieuwing van het onderwijs. Er bestaan verschillende meningen over de oorzaken van het grote aantal zittenblijvers op de lagere school. Naast sociale en andere culturele oorzaken valt waarschijnlijk voor vele kinderen, die thuis geen Nederlands spreken, de nogal abrupte overgang naar Nederlandstalig onderwijs zeer moeilijk. Er gaan dan ook steeds meer stemmen op, die pleiten voor het geven van onderwijs in de moedertaal. Sommigen wensen verandering van de voertaal in de eerste klassen, zodat de overgang naar de Nederlandse taal geleidelijk verloopt en het kind dus niet ontmoedigd wordt door de - in zijn ogen - grote moeilijkheden. Anderen zijn daarentegen van mening dat de overgang van Papiamentstalig onderwijs naar Nederlandstalig onderwijs in het derde of vierde leerjaar de moeilijkheden slechts zou verleggen en wensen het basisonderwijs geheel in het Papiamentu te doen geven. Een probleem vormt dan de aansluiting op de verschillende vormen van voortgezet onderwijs in de Nederlandse Antillen of in Nederland. Het streven moet er op gericht blijven het huidige onderwijssysteem dusdanig te vernieuwen dat het past in de specifieke sociale en culturele omstandigheden waarin het Antilliaanse kind verkeert terwijl het daarnaast tegemoet komt aan de behoeften die de eigen gemeenschap aan het onderwijs stelt.

De in 1982 door de Minister van Onderwijs uitgebrachte onderwijsnota Enseñansa pa un y tur heeft ten doel een dialoog in het leven te roepen die uiteindelijk in een voor de Antillen aangepast basisonderwijssysteem moet uitmonden.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 4: Onderwijsvernieuwing: De leermethoden

Een belangrijk punt bij iedere onderwijsvernieuwing betreft de beschikbare leermethoden. Het basisonderwijs heeft in de afgelopen decennia op dat gebied een grondige wijziging met gunstige resultaten ondergaan. Aanvankelijk waren de leer- en leesboeken volkomen gelijk aan die, welke op soortgelijke scholen in Nederland worden gebruikt. Het gevolg was dat de Antilliaanse kinderen, die volkomen onbekend zijn met het leven en de gewoonten in koudere streken, al in de eerste klas te maken kregen met een voor hen volkomen vreemde belevingswereld, waarin gesproken werd over ijspret, sneeuwballen gooien en blankgeschuurde klompjes. Thans is er een groot aantal leer- en leesboekjes, bestemd voor het lager onderwijs, aangepast aan de omstandigheden en de lokale sfeer van de Nederlandse Antillen. De gemiddelde klassegrootte bedraagt zowel op Curaçao als op Aruba 25 kinderen. In het eerste leerjaar is de klassegrootte het hoogst.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 5: Speciaal onderwijs

Naast het basisonderwijs wordt er ook speciaal onderwijs gegeven, bestemd voor kinderen die hetzij door geestelijke stoornissen, ernstige lichaamsgebreken of door sociale omstandigheden het basisonderwijs niet kunnen volgen. De leerlingen ontvangen onderricht in kleine groepen. De voornaamste schoolvakken hierbij zijn: lezen, schrijven, rekenen, Nederlandse taal, handenarbeid, tekenen, zing en en heem- en wereldoriëntatie. Lichamelijk gebrekkigen, die niet gestoord zijn in hun verstandelijke vermogens, krijgen een zo volledig mogelijk onderwijs in verschillende vakken.

Het speciaal onderwijs is niet op alle eilanden van de Nederlandse Antillen tot volledige ontwikkeling gekomen. Op de kleinere eilanden zijn niet alle vormen van dit onderwijs mogelijk. Er is een leergang ter opleiding voor de vakstudie speciaalonderwijs. Deze cursus duurt twee á drie jaar en omvat de vakken: ortho-didactiek, ortho-pedagogiek, sociale agogiek, ontwikkelingspsychologie, ziekteleer, psychopathologie, logopedie, Papiamentse taal, encyclopedie van het speciaal onderwijs.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6: Voortgezet onderwijs

Het kind, dat het basisonderwijs met goed gevolg heeft doorlopen, staan vele wegen open zich verder te ontwikkelen. Het voortgezet onderwijs dat op het basisonderwijs volgt, wordt onderscheiden in:

  • middelbaar en hoger algemeen vormend onderwijs (mavo / havo);
  • voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo);
  • lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6 Paragraaf 1: Het Algemeen Voortgezet Onderwijs
    Deel 1: Mavo

Het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (m.a.v.o.) trekt jaarlijks een groot aantal leerlingen; dit schooltype neemt dan ook een zeer belangrijke plaats in onder de scholen voor voortgezet onderwijs. Het gemiddelde aantal leerlingen per klas bedraagt 20. De m.a.v.o.-opleiding duurt vier jaar. Sommige scholen hebben een afdeling met een cursusduur van drie jaren. Voor velen is de m.a.v.o. een voorportaal voor een werkkring in de handel of op kantoor, weer anderen vervolgen na het behalen van hun m.a.v.o.-diploma hun studie aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.) of een school voor middelbaar beroepsonderwijs (m.b.o.).

Op scholen voor m.a.v.o. wordt onderwijs gegeven in de moderne talen Nederlands, Engels en Spaans, voorts in geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, maatschappijleer, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, handelskennis, muziek, tekenen, handvaardigheid en lichamelijke oefening. Met toestemming van de minister kan ook onderwijs worden gegeven in de talen Frans en Duits. Godsdienstonderwijs kan op alle scholen gegeven worden.

Voor het eindexamen mogen de leerlingen hun eigen examenpakket vaststellen dat tenminste zes vakken moet omvatten, waarbij twee moderne talen verplicht zijn. De meeste examenkandidaten kiezen Nederlands en Engels.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6 Paragraaf 1 Deel 2: Havo

Het hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.) is eveneens zeer in trek zowel bij leerlingen, die het basisonderwijs hebben voltooid en hun h.a.v.o.opleiding in het eerste cursusjaar aanvangen, als bij leerlingen die na het behalen van een m.a.v.o.-diploma hun studie op een school voor h.a.v.o. wensen voort te zetten. Deze laatste leerlingen kunnen, naar het oordeel van de centrale toelatingscommissie, in het derde of vierde cursusjaar worden geplaatst. De h.a.v.o.-scholen hebben een cursusduur van vijf jaren. Er wordt onderwijs gegeven in Nederlandse taal- en letterkunde, Franse taal- en letterkunde, Engelse taal- en letter kunde, Duitse taal- en letterkunde, Spaanse taal- en letterkunde, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economie, handelswetenschappen en recht, maatschappijleer, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, computer kunde, biologie, muziek, tekenen, handvaardigheid, lichamelijke oefening. Op alle scholen kan ook onderwijs in de godsdienstleer worden gegeven. Voor het eindexamen mogen de leerlingen hun eigen examenpakket vaststellen dat tenminste zes vakken moet omvatten. Het vak Nederlandse taal- en letterkunde alsmede een andere moderne taal- en letterkunde zijn verplicht.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6 Paragraaf 2: Het Voorbereidend wetenschappelijk Onderwijs (v.w.o.)

De scholen voor v.w.o. hebben een cursusduur van zes jaren. Goede leerlingen uit het basisonderwijs bevolken het eerste cursusjaar. In de volgende cursusjaren kunnen voorts leerlingen met een h.a.v.o.-diploma en zeer goede leerlingen met een m.a.v.o.-diploma worden toegelaten. Aan scholen voor v.w.o. wordt onderwijs gegeven in de Nederlandse taal- en letterkunde, Engelse taal- en letterkunde, Franse taal- en letterkunde, Duitse taal- en letterkunde, Spaanse taal- en letterkunde, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economische wetenschappen en recht, maatschappijleer, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, muziek, tekenen, handvaardigheid, lichamelijke oefening. Met toestemming van de minister kan ook onderwijs gegeven worden in de Latijnse taal- en letterkunde en de Griekse taal- en letterkunde.
Op alle scholen kan ook onderwijs in de godsdienstleer worden gegeven. Voor het eindexamen mogen de leerlingen een eigen examenpakket vaststellen dat tenminste zes vakken moet omvatten. Het vak- Nederlandse taal- en letterkunde benevens een andere moderne taal- en letterkunde zijn verplicht.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6 Paragraaf 3: Brugjaar

Het onderwijs in het eerste leerjaar van alle scholen voor m.a.v.o., h.a.v.o. en v.w.o. omvat dezelfde vakken. Dit brugjaar maakt het overstappen van het ene schooltype naar het andere aan het einde van het jaar mogelijk. Om tot de brugklas te worden toegelaten moeten de leerlingen zich aan een selectie-procedure onderwerpen die tenminste een van de volgende middelen inhoudt:

  • a. toelatingsexamen door leraren afgenomen over de vakken Nederlands en rekenen;
  • b. onderzoek naar de kennis van de kandidaat gedurende de laatste twee jaren van het basisonderwijs;
  • c. psychologisch onderzoek.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 6 Paragraaf 4: Schoolexamen en diploma

Een diploma van de hierboven genoemde scholen kan verkregen worden na het afleggen van een schoolexamen, dat wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van het desbetreffende schoolbestuur door de directeur en leraren van de school, bijgestaan door een college van gecommitteerden. De examenopgaven voor het schriftelijk gedeelte van de examens zijn dezelfde als gelijksoortige examens in Nederland. De getuigschriften, die na goed afgelegd examen worden uitgereikt, zijn dan ook gelijkgesteld met de soortgelijke diploma’s die in Nederland worden behaald.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7: Het beroepsonderwijs
  • Deel 3: Lager beroepsonderwijs en lagere technische scholen

Het lager beroepsonderwijs (l.b.o.) wordt gegeven aan lagere technische scholen (l.t.s.), aan huishoudscholen, aan scholen voor de scheepvaart en aan scholen voor economisch toeristisch en administratief onderwijs (e.t.a.o.). Om tot het l.b.o. te worden toegelaten moeten de leerlingen zes of zeven jaren basisonderwijs met goed gevolg hebben doorlopen. De scholen geven onderwijs in algemene vakken en in op het beroep gerichte vakken. Bovendien kan aan bijzondere scholen godsdienstonderwijs worden gegeven. Van de algemene vakken zijn: Nederlandse taal, Papiamentse taal voor de Benedenwindse Eilanden, een moderne taal, maatschappijleer, rekenen en lichamelijke oefening verplicht.

De lagere technische scholen verzorgen opleidingen in: metaalbewerken, fijn metaalbewerken, elektrotechniek, houtbewerken, motorvoertuigentechniek, installatie- en koeltechniek, schilderen en metselen. Aan een tweetal scholen wordt ook een cursus landbouwkunde gegeven. Voor de meeste vakken bieden deze scholen opleidingen op verschillende niveaus. Men onderscheidt een A-stroom, een P-(praktijk)-stroom en een T-(theorie)-stroom. Deze laatste stroom biedt de leerlingen de mogelijkheid hun opleiding aan een middelbare technische school (m.t.s.) voort te zetten. De cursusduur van de lagere technische scholen is drie jaren voor de A- en P stroom en vier jaren voor de T-stroom.

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 4: Huishoudscholen

De huishoudscholen leiden hun leerlingen op voor het huishouden alsmede voor dienstverlenende en verzorgende groepen. Men kent er twee stromen: Een E-stroom, die veel nadruk legt op de praktijkvakken en een lagere huishoud- en nijverheidsonderwijs-stroom. De cursusduur voor beide stromen is drie jaren. De huishoudscholen verzorgen voorts ook vervolgopleidingen zoals opleidingen voor kinder-, zieken-, bejaarden- en gezinsverzorgsters, opleidingen voor inrichtingsassistenten en voor winkelpersoneel. Afhankelijk van de soort opleiding is de duur van één tot drie jaar. De driejarige opleidingen kunnen beschouwd worden als middelbare beroepsopleidingen en kunnen ook door mavo-abituriënten worden gevolgd.

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 5: Scheepvaartschool

Nadat de scheepvaartschool Alonso de Ojeda per 1 augustus 1982 gesloten werd, heeft het Bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao J. Baarda verzocht de leiding en organisatie van het scheepvaartonderwijs over te nemen. De leerstof van de lagere zeevaartschool Pollux te Amsterdam is nagenoeg ongewijzigd overgenomen en - waar nodig - aan de lokale en regionale omstandigheden aangepast. De geïntegreerde dagopleiding waarbij de leerlingen worden opgeleid zowel voor dek als voor machinekamerwerkzaamheden, duurt één jaar; toelatingseisen: 2 jaar voortgezet onderwijs maar bij voorkeur een l.t.s.-diploma. In januari 1984 hoopt men aan te vangen met een avondcursus voor het behalen van hogere zeevaartdiploma’s als motordrijver, stuurman kustsleepvaart en stuurman beperkte kleine handelsvaart.

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 6: Economische toeristisch administratief onderwijs

Het economische toeristisch administratief onderwijs (e.t.a.o.) ontstond in 1969 als een afdeling van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) met het wel omschreven doel de leerlingen die blijk gaven dat onderwijs niet aan te kunnen een zinvolle opleiding te geven. In de loop der jaren ontwikkelde het e.t.a.o. zich tot een zelfstandige vorm van het l.b.o. met een eigen karakter, sterk gericht op kennis van de praktijk. Het e.t.a.o. omvat vier leerjaren. Na een tweejarige brugperiode met het accent op algemeen vormende vakken vindt via een selectieprocedure determinatie en differentiatie plaats voor een twee-jarige beroepsgerichte opleiding. Het vier de leerjaar wordt afgesloten met een eindexamen.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 7: praktisch beroepsonderwijs

Een nieuwe vorm van beroepsonderwijs, die nog niet wettelijk is geregeld, is het praktisch beroepsonderwijs (p.b.o.). Dit onderwijs is bestemd voor leerlingen die niet aan de gestelde eisen voldoen om tot het lager beroepsonderwijs te worden toegelaten. Naast het onderwijs in de basisvakken lezen, schrijven, technisch rekenen, spreekvaardigheid, algemene techniek en Papiamentse taal wordt sterke nadruk gelegd op opleiding in de praktijk. Het leerplan bezit een grote mate van flexibiliteit. Afhankelijk van het niveau, waarmede de leerling de opleiding aanvangt, duurt deze twee, drie of vier jaren. De opleiding wordt afgesloten met een examen, dat, indien met goed gevolg afgelegd, recht geeft op een certificaat.

Op Aruba is men in 1982 begonnen met een hotelvakschool waar men personeel voor de keuken en het restaurant opleidt.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 8: Middelbaar beroepsonderwijs en middelbare technische school

Het middelbaar beroepsonderwijs (m.b.o.) wordt gegeven aan de middelbare technische school (m.t.s.), de opleidingsschool voor kleuterleidsters en de school voor middelbaar administratief onderwijs (m.a.o.).Ook aan deze scholen wordt onderwijs gegeven in algemene vakken en in op het hoger beroep gerichte vakken. Aan bijzondere scholen kan bovendien godsdienstonderwijs worden gegeven. Leerlingen in het bezit van een lagere technische school-diploma T-stroom alsmede leerlingen met een m.a.v.o. diploma, mits in hun examenpakket de vakken wiskunde en natuurkunde zijn opgenomen, kunnen tot de middelbare technische school worden toegelaten. De m.t.s.-opleiding omvat vier jaren waarvan het derde jaar in de praktijk wordt doorgebracht. Er worden opleidingen gegeven in bouwkunde, werktuigbouw en elektrotechniek. Leerlingen die het voornemen hebben hun studie later op een school voor hoger technisch onderwijs te vervolgen, volgen op de m.t.s. een theoretisch gericht programma met nadruk op de vakken wis- en natuurkunde. Voor de andere leerlingen biedt de m.t.s. een programma dat meer op de praktijk is gericht.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 9:Middelbaar administratief onderwijs (m.a.o.)

Om tot het m.a.o. te worden toegelaten moet de leer ling in het bezit zijn van tenminste het m.a.v.o.-diploma. De opleiding onderscheidt een afdeling administratie, die opleidt voor het praktijkdiploma boekhouden, het diploma moderne bedrijfsadministratie alsmede tot het diploma correspondentie in de moderne talen en een afdeling secretariaat die opleidt voor kantoorvaardigheden en afsluit met correspondentie-examens in de talen Nederlands, Spaans en Engels. De leerlingen die tot de afdeling administratie wensen te worden toegelaten moeten het vak handel in hun examenpakket hebben. Voor de afdeling secretariaat worden de vakken Nederlands, Spaans en Engels vereist. De examenopgaven en derhalve ook de diploma’s zijn afkomstig van de Nederlandse associatie voor praktijkexamens. Zij, die twee of meer associatie-diploma’s hebben verworven, verkrijgen het m.a.o.-certificaat.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 7 Deel 10: Opleiding kleuterleidster

Om tot de opleidingsschool voor kleuterleidsters te worden toegelaten moet men tenminste in het bezit zijn van een m.a.v.o.-diploma of een bewijs van onvoorwaardelijke overgang naar het vierde cursusjaar van een school voor h.a.v.o. De opleiding tot kleuterleidster duurt vier jaren verdeeld over twee afdelingen. De afdeling A omvat drie leerjaren en wordt afgesloten met een examen. Het verkregen diploma verleent de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan kleuterscholen; de afdeling B bestaat uit een leerjaar en beoogt de vorming tot hoofdleidster. Deze afdeling wordt eveneens afgesloten met een examen. Aan de scholen voor kleuterleidsters zijn de vakken Nederlandse taal, opvoedkunde, psychologie, algemene en bijzondere didactiek verplicht.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 8: Hoger beroepsonderwijs
  • Deel 11: Technische faculteit UNA

Het hoger technisch onderwijs wordt in de Nederlandse Antillen gegeven aan de faculteit der technische wetenschappen van de Universiteit van de Nederlandse Antillen (U.N.A.). Men onderscheidt er de studierichtingen elektrotechniek, werktuigbouwkunde en bouwkunde en civiele techniek. Om tot de faculteit te worden toegelaten moet men tenminste in het bezit zijn van een diploma m.t.s., met het zogenaamde h.b.o. of doorstudeer-eindexamenpakket, of van een v.w.o. / h.a.v.o.-diploma met wiskunde, natuurkunde en scheikunde in het examenpakket. Voor v.w.o. /  h.a.v.o. abituriënten, die geen wiskunde op hun eindexamen hebben gedaan, bestaat de mogelijkheid een ‘zomercursus’ in wiskunde te volgen. Zij die de leeftijd van 23 jaren hebben bereikt en niet voldoen aan bovengenoemde eisen kunnen worden toegelaten door middel van een colloquium doctum (colloquium = discussiecollege van een hoogleraar; colloquium doctum = mondeling onderzoek ter vervanging van een schriftelijke examen ten behoeve van toelating tot bijvoorbeeld een universiteit voor een persoon met een bepaalde tekortkoming ten aanzien van de reguliere toelatingsvereisten). Kandidaten die de studie met succes hebben voltooid verkrijgen de graad van bachelor (afgekort Bac.).

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 8 Deel 12: Pedagogische academie en opleiding onderwijzer

De opleiding voor onderwijzers geschiedt op de pedagogische academies van Aruba en Curaçao. Om op deze opleidingsschool te worden toegelaten moet men tenminste in het bezit zijn van een h.a.v.o.-diploma. Daarnaast behoren een psychotechnische test, een medisch- en logopedisch onderzoek tot de selectiemiddelen.

Aan de pedagogische academie zijn de vakken Nederlandse taal, opvoedkunde, psychologie, algemene en bijzondere didactiek verplicht. Tevens worden de leerlingen gedurende een voorgeschreven aantal uren geoefend in de praktijk van het lesgeven. De opleiding tot onderwijzer duurt drie jaren en wordt afgesloten met een schoolexamen. Het verkregen diploma verleent de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in alle klassen van het basisonderwijs en geeft tevens het recht om tot hoofd van een basisschool te worden benoemd. Aan de pedagogische academie is voorts een k.b.o.-opleiding (kleuterleidster in het basisonderwijs) welke ten doel heeft kleuterleidsters op te leiden om in de eerste twee klassen van het basisonderwijs les te geven.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk  Sectie 9: Universitair onderwijs

Aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen (U.N.A.) wordt onderwijs gegeven zowel op doctoraal- als op bachelors-niveau. De universiteit kent drie faculteiten. Aan de faculteit der rechtsgeleerdheid kan men een volledige studie in de rechtsgeleerdheid volgen en deze afsluiten met een doctoraal examen Antilliaans recht.

  • Deel 13: Faculteit sociale en economische wetenschappen

De faculteit der sociale en economische wetenschappen (S.E.F.) omvat de studierichtingen bedrijfskunde en openbaar bestuur. De beide studierichtingen zijn geïntegreerd tot een vierjarige opleiding, waarbij in de tweede helft van de studie wordt gekozen voor een bedrijfskundig of een bestuurskundig afstudeerpakket. Overeenkomstig deze keuze wordt aan de afgestudeerde de graad bachelor bedrijfskunde of bachelor bestuurskunde toegekend.

De faculteit der technische wetenschappen omvat de studierichtingen elektrotechniek, werktuigbouwkunde en bouwkunde en civiele techniek. De faculteit leidt op tot de graad van Bachelor in de technische wetenschappen.

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 9 Deel 14: Toelatingseisen

Om tot het afleggen van de examens in de faculteit der rechtsgeleerdheid te worden toegelaten moet men in het bezit zijn van een diploma v.w.o. dan wel van een diploma gymnasium of h.b.s. Dezelfde eisen gelden ook voor de bachelorsopleiding voor bedrijfskunde en bestuurskunde, met dien verstande dat bij een diploma v.w.o. de vakken wiskunde en economie II in het examenpakket moeten zijn opgenomen en voorts dat een diploma h.a.v.o. met de vakken wiskunde en handelswetenschappen en recht in het examenpakket eveneens toegang tot de examens verleent.

Om tot het eerste studiejaar van de faculteit der technische wetenschappen te worden toegelaten moet men in het bezit zijn van een diploma v.w.o. of h.a.v.o. met in het examenpakket de vakken natuurkunde, scheikunde en wiskunde, of wel van een m.t.s.-diploma met zogenaamde h.b.o.- of doorstudeer-eindexamenpakket. Voor alle faculteiten geldt dat zij, die de leeftijd van 23 jaren hebben bereikt en niet aan de hierboven genoemde eisen voldoen, door middel van een zogenaamde colloquium doctum toelating kunnen verkrijgen.

De UNA en in het bijzonder de faculteit der rechtsgeleerdheid, heeft sinds haar totstandkoming in het jaar 1970 aan velen uit de gemeenschap een kans op een wetenschappelijke opleiding geboden, die zij in hun jeugd niet konden krijgen. De universiteit is gevestigd op Curaçao en heeft een opleiding voor het kandidaatsexamen in de rechten op Aruba. Aan de universiteit is een campus verbonden, die in principe is opgezet voor de opvang en huisvesting van ongeveer 100 studenten afkomstig uit Aruba, Bonaire en de Bovenwindse Eilanden.

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 9 Deel 15: Opleiding N.A.S.K.H.O.: Nederlands Antilliaanse stichting voor klinisch hoger onderwijs

Een additionele opleiding op wetenschappelijk niveau is die van de Nederlands Antilliaanse stichting voor klinisch hoger on¬derwijs (N.A.S.K.H.O.), die in samenwerking met de medische faculteit van de rijksuniversiteit van Groningen doctorandi in de medicijnen voorbereidt op het artsexamen. De opleiding vindt plaats zowel in het St. Elisabeth Hospitaal als in het Dr. Horacio E. Oduber Hospitaal op Aruba. Om tot de opleiding te worden toegelaten moet men ingeschreven zijn bij de Universiteit van Groningen. (Zie ook @: Universiteit van de Nederlandse Antillen; @ N.A.S.K.H.O.).

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 3 Sectie 10: Avond-onderwijs

Naast de dagscholen kent men op de Nederlandse Antillen vele vormen van avondonderwijs. Er zijn technische leergangen die opleidingen verzorgen op l.b.o.-niveau; er zijn cursussen voor lassers op verschillende niveaus. Men vindt er avondopleidingen voor m.a.v.o., h.a.v.o., en m.t.s. Er zijn opleidingen voor administratieve beroepen zowel op lager als op middelbaar niveau. Het avondonderwijs zorgt niet alleen voor een voortgezette scholing in verschillende sectoren, het biedt eveneens aan velen een tweede kans voor een goede opleiding.

 

Onderwijs Hoofdstuk 4: Onderwijsfilm; Eilandelijke Filmotheek; Schoolmediatheekdienst

Op scholen van de Nederlandse Antillen word sinds 1949 gebruik gemaakt van de film als onderwijsmedium. Daartoe stonden in de Eilandelijke Filmotheek te Curaçao, die sinds 1975 verbonden is aan de Openbare Bibliotheek, ongeveer 800 16-mm-onderwijsfilms ter beschikking. Deze filmotheek bezat ook een collectie recreatieve films die geleend konden worden door particulieren. Door financiële en organisatorische problemen werd de collectie amper uitgebreid en nauwelijks vernieuwd. De apparatuur op de scholen was vaak stuk en niet meer te repareren. De laatste jaren liep het gebruik van de filmotheek dan ook sterk terug. Gezien de technische ontwikkelingen op audiovisueel gebied, het nieuwe bibliotheekgebouw en de activiteiten van de Schooladviesdienst op videogebied is in 1982 besloten over te gaan van film naar video. DeFilmotheek werd als zodanig opgeheven, het bezit gesaneerd waarbij onbruikbare films werden verwijderd en het restant of op videoband werd gezet of alsnog bewaard. Video biedt vele voordelen ten opzichte van film: Het is goedkoper, gemakkelijker te produceren en reproduceren, de apparatuur is eenvoudig te bedienen en biedt meer mogelijkheden in de klas. De Openbare Bibliotheek kende al jaren een afdeling Schoolbibliotheekdienst die nu is omgezet in een Schoolmediatheekdienst. In de vorm van zogenaamde onderwijsleerpakketen worden er nu naast de boeken ook nog videobanden (met boeken), día-series en geluidcassettes aan de scholen aangeboden. Dit alles gebeurt in nauwe samenwerking met de Schooladviesdienst die zorg draagt voor het produceren van educatieve videoprogramma’s en de onderwijskundige begeleiding voor het gebruik van audiovisuele materialen op de scholen. Bij het collectioneren van het audiovisueel materiaal wordt getracht zoveel mogelijk lokale produkties op te nemen. Buitenlandse produkties worden, indien mogelijk. aangepast. Ook voor de individuele gebruiker staat in de Openbare Bibliotheek een educatieve audiovisuele collectie ter beschikking (zie ook @: Filmotheken).

 

Onderwijs Hoofdstuk 5: Onderwijsvakverenigingen: Sitek; Sima; Simabo

De onderwijsbonden in de Nederlandse Antillen behoren, voor wat de Benedenwindse Eilanden betreft, tot de koplopers in de lokale vakbondswereld. Naast het behartigen van de tijdelijke belangen van hun leden en het bevorderen van de vernieuwing en Antillianisering van het onderwijs, werpen de eerste bestuursleden van de bonden zich op als maatschappijhervormers in hun eilandelijke gemeenschap. De bonden zijn zeer militant en maken veelvuldig gebruik van de media om hun ideeën en opvattingen kenbaar te maken. De vroegere verenigingen van onderwijzend personeel, die naar geloofsrichting en schooltypen waren onderverdeeld, zijn thans in één vakbond voor elk van de eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao verenigd. Voor Curaçao is dat de Sitek (Sindikato di trahadó den enseñansa na Kòrsou), voor Aruba Sima (Sindikato di maestronan di Aruba) voor Bonaire Simabo (Sindikato di maestranan Boneriano). Een aantal leerkrachten van de RK bijzondere scholen op Curaçao die naast een algemene vakbond een vereniging van rooms-katholieke onderwijskrachten wenste, heeft in juni 1981 de Asosiashon di Maestronan Katóliko (A.M.K.) opgericht. De vereniging stelt zich ten doel het behartigen van de belangen van het RK-onderwijs op Curaçao en van de geestelijke en tijdelijke belangen van haar leden. Later zijn de componenten van de samentrekking A.M.K. gewijzigd in Asosiashon di Maestronan Kristian. Op de Bovenwindse Eilanden bestaat er momenteel geen vakvereniging voor onderwijzend personeel.

 

Onderwijs Hoofdstuk 6: Onderwijsvernieuwing

Sinds het begin van de 1970ger jaren hebben de discussies en de initiatieven op het gebied van de onderwijsvernieuwing in de Nederlandse Antillen zich vooral rond een viertal probleemgebieden geconcentreerd:

  • de externe educatieve structuur van het onderwijs, dat wil zeggen de organisatie van het schoolwezen in verschillende onderwijsniveaus en schooltypes,
  • de interne educatieve structuur, dat wil zeggen de organisatie van concrete onderwijsleerprocessen op grond van een onderwijsleerplan binnen een bepaalde klas of leergroep,
  • het curriculum oftewel onderwijsleerplan en
  • de onderwijsinstructietaal.


  • Onderwijs Hoofdstuk 6 Sectie 11: Mammoetwet en herstructurering

Al spoedig nadat in 1968 in navolging van Nederland de zogenaamde Mammoetwet voor het systeem voortgezet onderwijs in de Nederlandse Antillen werd ingevoerd, stak de onvrede over deze nieuwe structuur de kop op en werden er voorstellen tot (gedeeltelijke) herstructurering gelanceerd, zoals G. Gruppelaar e.a.: Een visie op de toekomstige struktuur van het voortgezet onderwijs in de Nederlandse Antillen (Curaçao, 1971). In de loop van de tijd breidde de kritiek op de onaangepastheid van het op Nederlandse leest geschoeide onderwijssysteem zich gestaag uit; dit leidde tot verdergaande herstructureringsvoorstellen zoals: UNESCO, Education: Issues and Priorities for Development (Parijs, 1976), waarin voor een geïntegreerd systeem van voortgezet onderwijs á la ‘middenschool’ gepleit werd en Beleidsnotacommissie: Enseñansa pa un i tur / Education for one and all (Curaçao, 1981), waarin een aan de Antilliaanse samenleving aangepast stelsel van voorschools, primair, secundair, tertiair en volwassenenonderwijs gepresenteerd werd. Hoewel de plannen voor een fundamentele herstructurering van het Antilliaans onderwijssysteem nog altijd in de discussiefase verkeren, is er niettemin spra¬ke van het daadwerkelijk doorvoeren van voorstellen tot partiële herstructurering, met name op het gebied van het lager beroepsonderwijs en van de opleiding van leerkrachten. Op diverse scholen werd en wordt op initiatief van individuele leerkrachten of van het schoolteam als geheel geëxperimenteerd met alternatieve onderwijsvormen (vergelijk W.A.J.M. de Bekker, ‘Innovatie in het onderwijs’: Barriëres en stroomversnellingen in een Antilliaanse situatie (Nijmegen, 1974).

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 6 Sectie 12: Luister- vs doe-school

Toch wordt het Antilliaans onderwijs anno 1984 nog altijd gekenmerkt door het overheersen van het zogenaamde leerstofjaarklassensysteem als voornaamste verticale organisatievorm en het frontaal en klassikaal onderwijzen / doceren als voornaamste didactische werkvorm. Ofschoon de kritiek op de traditionele ‘luisterschool’ steeds meer terrein wint, is alleen binnen het zogenaamde English Project op de Bovenwindse Eilanden (zie hieronder) op systematische wijze en op grote schaal geëxperimenteerd met alternatieve onderwijsvormen (in het algemeen differentiatie binnen klasseverband); meer recentelijk worden in het kader van het Project Creatieve Expressie, dat voortvloeit uit het Cultureel Akkoord tussen Belgie en de Nederlandse Antillen, additionele pogingen ondernomen om de traditionele ‘luisterschool’ om te vormen tot een ‘doe-school’.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 6 Sectie 13: Antilliaanse inhoud: Commissie Prins

De karakterisering van het Antilliaans onderwijs als op Nederlandse leest geschoeid onderwijs geldt niet alleen zijn structuur, maar in hoge mate ook zijn inhoud, vooral in die sectoren die - op basis van de eigen Antilliaanse keuze - nog altijd binnen het kader van de Nederlandse exameneisen moeten functioneren; met name het algemeen voortgezet onderwijs. Dit neemt echter niet weg dat er sinds vele jaren - in het begin vooral op initiatief van de fraters van Tilburg - gewerkt wordt aan het ontwikkelen van eigen methoden (bijvoorbeeld Zonnig Nederlands, Nos Patría, Nos Tera), maar al met al dient gesteld te worden dat onderwijsleerplan- en onderwijsleermiddelenontwikkeling in de Nederlandse Antillen anno 1984 nog altijd in zo’n prille beginfase verkeert dat het onderwijs in grote mate afhankelijk is van in Nederland ontwikkelde en op de markt gebrachte leergangen. De meest duidelijke aanzet om te komen tot de aanpassing van de leerstof aan de lokale omstandigheden is eind 1960ger jaren, begin 1970ger jaren ondernomen door middel van het rapport van de Commissie-Prins: Leerplan en leidraad voor het basisonderwijs op de Benedenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (Zeist, 1970), maar desalniettemin moet geconstateerd worden dat ondanks de diverse, maar verspreide initiatieven op het gebied van de onderwijsleerplan- en onderwijsleermiddelenontwikkeling (recentelijk bijvoorbeeld De Derde Stap ten behoeve van het aanvankelijk lees- en taalonderwijs op de basisschool en Geonant voor het aardrijkskunde-onderwijs op het m.a.v.o.), dit een gebied is dat nog veel onderzoek en ontwikkeling behoeft.

 

  • Onderwijs Hoofdstuk 6 Sectie 14: De taalprobleem: Papiamentu en Engels

Hoewel de problematiek van de onderwijsinstructietaal binnen het Antilliaans onderwijs reeds in de vorige eeuw (vergelijk A.M. Chumaceiro: Een ernstig woord over een ernstig onderwerp, (Curaçao 1884)) en daarna opnieuw in de 1950ger jaren (volgens A.C. Winkel: Het taalprobleem in het Antilliaans onderwijs in Christoffel, jrg. 1, nr. 2 (1955)) door een enkeling aan de orde is gesteld, is het vooral de publikatie van het rapport Leerplan en leidraad voor het basisonderwijs op de Benedenwindse Eilanden der Nederlandse Antillen (waarin een tweetal visies op genoemde problematiek gepresenteerd wordt: A. van Oirschot: De Nederlandstalige school en A.C. Winkel: De Moedertaalschool) geweest die deze kwestie onder de aandacht van een groter publiek heeft gebracht. 

Op de Bovenwindse Eilanden is men in 1973 in samenwerking met de Bernard van Leer Foundation met het zognaamde English Project, houdende de invoering van het Engels als de onderwijsinstructietaal in het basisonderwijs, gestart, dat echter in het schooljaar 1975/76 op grote problemen is gestuit. Thans is de situatie op de Bovenwindse Eilanden zo dat het Engels in de eerste twee klassen van het basisonderwijs dé onderwijsinstructietaal is en dat vanaf de derde klas op het Nederlands overgeschakeld wordt (het één en ander conform artikel 9 eerste lid van de Landsverordeningbasisonderwijs van 1979), terwijl er op Sint Maarten op een basisschool, de zognaamde M.A.C.-school, geëxperimenteerd wordt met het Engels als onderwijsinstructietaal in alle leerjaren.

Wat de Benedenwindse Eilanden betreft is de discussie over de invoering van het Papiamentu als onderwijsinstructietaal nog altijd niet uitgewoed; was het zo dat in het midden van de 1970ger jaren deze discussie zich vooral concentreerde op de spelling van het Papiamentu, thans vormt het model van de moedertaalschool (invoering van het Papiamentu als onderwijsinstructietaal alleen in de aanvangsklassen of in alle leerjaren) het grote twistpunt.

Het Eilandgebied Curaçao heeft als eerste de knoop doorgehakt en beslist het Papiamentu in alle leerjaren als onderwijsinstructietaal in te voeren, voorafgegaan door een aanloopperiode waarin het als vak in het basisonderwijs ingevoerd zal worden; het wachten is nu op Aruba en Bonaire.

Ondanks alle onduidelijkheden moet niettemin geconstateerd worden dat er in de afgelopen jaren met veel enthousiasme baanbrekend werk is verricht om het Papiamentu zijn verdiende plaats binnen het onderwijs te geven, onder meer door Ruth Akkerman-Zefrin (Centrum Leermiddelen Ontwikkeling), de werkgroep Siña Lesa op Aruba en Jenny Fraai voor wat het Papiamentu-onderwijs in het voortgezet onderwijs betreft: Ata Palabra (1981) en Un palabra ta saka otro (1983)).

 

Onderwijs Hoofdstuk 7: Literatuur

  • E.A.F. Muller, Naar een Papiamentstalige basisschool op de Nederlandse Antillen (scriptie 1975);
  • J.Ph. de Palm, Het Nederlands op de Curaçaosce school (diss. 1969);
  • A.C. Prins-Winkel, Kabes duru? (diss. 1973).

 

@: Ongevallenverzekering (verplichte)
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Onsembar

Iemand die zich door toverkunsten onzichtbaar zou hebben gemaakt, bijvoorbeeld door zich een botje van een zwarte kater om de hals te hangen. Zo zou hij zijn vijanden allerlei ongerief kunnen bezorgen.

 

@: Ontbossing

Sedert de komst der Spanjaarden heeft op alle zes eilanden ontbossing plaatsgevonden (zie onder meer H. Terpstra: De boomgroei op de Benedenwindse Eilanden in vroeger tijd, Amsterdam 1948). Die ontbossing geschiedde voor aanleg van plantages, door kap van brandhout (vooral ten behoeve van houtskool- en kalkbranden) en - in het bijzonder op de Benedenwindse Eilanden, tot ongeveer het einde van de 19de eeuw - door kap van commerciële houtsoorten zoals verfhout (Haematoxylon brasiletto), pokhout (Guaiacum officinale), wayaka shimaron (Guaiacum sanctum), mahók (Swietenia mahagoni). Door de ongecontroleerde veeweide van de eertijds ingevoerde geiten en schapen, vooral op de grotendeels ontboste publieke terreinen der Benedenwinden, is het door het droge klimaat gemakkelijk te verstoren plantendek ernstig aangetast of vernietigd en zijn natuurlijk herstel en herbebossing, behalve wat een aantal resistente soorten betreft, belemmerd of geheel verhinderd; over uitgestrekte gebieden is vrijwel alle vegetatie verdwenen of hebben secundaire groei van al of niet doornig struikgewas en cactuswildernissen (Opuntia) de plaats van de oorspronkelijke begroeiing ingenomen.

De degeneratie van het natuurlijk milieu heeft vanzelfsprekend verarming van flora en fauna tot gevolg gehad. Ernstige voorbeelden van landschappelijke en natuurlijke ontreddering bieden de oostelijke helft van Curaçao en grote delen van Aruba. Het degeneratieproces is, vooral vanwege de toeneming van de bevolkingsdruk, niet tot staan gebracht. Hoewel sedert 25 jaar geen massale boomkap meer plaatsvindt ter wille van hout, houtskool- en kalkbranden of landbouwdoeleinden, gebeurt dat wel, op steeds groter schaal, ten behoeve van de bouw van woonwijken; en nog al te vaak en ten onrechte wordt de hand geslagen aan de fraaie, groene, schaduwgevende mansaliña (Hippo mane mancinella) waarvan de giftigheid in de praktijk van weinig betekenis is.

Het heeft overigens niet ontbroken aan waarschuwende stemmen en aan goedbedoelde pogingen om de destructie van de natuur tegen te gaan. Hieronder volgt chronologisch een beknopt overzicht van in de loop der jaren uitgevaardigde maatregelen en van rapporten en publikaties die direct of zijdelings met deze materie te maken hebben gehad. Van de verordeningen uit de 19de eeuw worden in het bijzonder genoemd het Regeringsreglement van 1815 voor Aruba en Bonaire (art. 42 en 43, o.a. over het tegengaan van misbruik bij de houtkap); het reglement van administratie en bestuur op het eiland Bonaire van 1823 en 1824 (art. 14-18) en de uitvoeringsbepalingen daarvan in publikatie nr. 70 van 1824 (o.a. verbod van houtkap door de commandeur ‘wanneer de begeerde neervelling strijdig mogt wezen met het algemeen belang der kolonie, hetwelk vordert dat de bosschen niet vernield worden en de gronden niet geheel van bomen ontbloot blijven’); de regeling voor het branden van kalk op Aruba, Curaçao en Bonaire (publikatie nr. 107 van 1826) met het doel de illegale houtkap tegen te gaan, welke regeling in 1916, P.B. nr. 36, werd verzacht; uit de periode van gouverneur R.F. Baron van Raders (1836-1845) publikatie nr. 215 van 1838 over de bescherming van bomen en houtgewas in Aruba, Curaçao en Bonaire en publikaties nr. 264 van 1845 en 271 van 1846 over de veeweide op de openbare gronden van Aruba en Bonaire; de verordening op de uitgifte in eigendom of pacht van publieke gronden in de kolonie Curaçao (1867, P.B. nr. 4; 1894, nr. 26). De bepalingen van art. 5 van laatstgenoemde verordening op het gebied van goed grondgebruik en bosbescherming zijn niet of nauwelijks nageleefd. Hetzelfde geldt voor de van 1821, 1839 en 1859 (P.B. nr. 2) daterende bepalingen op het weiden en schutten van vee op Curaçao en de in het, begin van de 20ste eeuw tot stand gekomen keuren op pluk, vervoer en uitvoer van onrijpe dividivi-peulen (Caesalpinia coriaria) op gouvernementsgronden in Aruba (1877, 1903, 1918) en Bonaire (1908, 1915, 1918), idem op houtkappen en kolenbranden op gouvernementsgronden in Aruba, (1908, 1918) en Bonaire (1906, 1918), en op weiden en schutten van vee op publieke gronden in Aruba (1908, 1918) en Bonaire (1908, 1918); zie P.B. 1919 nr. 6 en 25.

Bij een terugblik over het degeneratieproces waaraan in de loop der eeuwen de natuurlijke milieus der eilanden onderworpen zijn geweest, kan in zekere zin een parallel getrokken worden met soortgelijke ontreddering elders ter wereld. P.C. Henriquez heeft in 1965 in een verhandeling over Curaçao de economische, sociologische en psychologische achtergrond als volgt getypeerd: The island is now more and more being transformed into a barren rock: a portent of what will happen in many other regions of the world where such rapid industrialization and growth of the population are permitted without taking the proper measures to defend the rights of the natural environment. The story about the hydrology of Curaçao, intertwined as it is with that of deforestation and erosion, is a sad one, a story of man made misery and of the failure to cope with the situation. The compactness of the area and the relative speed of the process make for an easier understanding of the interplay of the various forces set in motion by the most destructive of all beings: man. We see the tragic inevitability and the inexorable advance of the process, notwithstanding the pathetic endeavours of a few who are, literally and figuratively ‘crying in the wilderness’. The gradualness of the process makes it appear ‘not so important’ at first sight and especially ‘not so urgent’. The necessary countermeasures are most often not accepted. There are many reasons why: they are costly, the effects are not spectacular at short term, they necessitate a degree of planning and a discipline in enforcing that planning which is not compatible with the general sociological and psychological pattern of the community; they run counter to short term vested interests. (Zie ook @: Land- en tuinbouw: Herbebossing).

 

@: Ontdekking
zie @: Geschiedenis: Spaanse periode; @: Ojeda, Alonso de; @: Vespucci, Amerigo.

 

@: Onteigening

ten algemenen nutte in het belang van de Nederlandse Antillen, van één of meer eilandgebieden enzovoorts is mogelijk krachtens Landsverordening van de 13de juli 1887, waarvan een geldende tekst is opgenomen in P.B. 1960, nr. 161. De regeling van de onteigening is in belangrijke mate ontleend aan de Nederlandse Onteigeningswet. Deze regeling werd voor het laatst gewijzigd bij P.B. 1976, nr. 195 in verband met de totstandkoming van de Landsverordening grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning.

 

@: Ontslag, kennelijk onredelijk / @: Kennelijk onredelijk ontslag

In aansluiting op de reglementering van de beëindiging van arbeidsovereenkomsten via de ontslagwet (P.B. 1972 nr. 112) heeft de wetgever naast de toen uitgekiende regels van het gewone ontslagrecht zoals vastgelegd in de vijfde afdeling van title 7A van het Burgerlijk Wetboek, ditzelfde Wetboek via P.B. 1972 nr 113 aangevuld caso quo (c.q.) gewijzigd met een aantal artikelen (art. 1615-S en volgende) betreffende het kennelijk onredelijk ontslag. In deze artikelen wordt bepaald dat indien één der partijen de dienstbetrekking al of niet met inachtneming van de voor de beëindiging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk doet eindigen, de rechter steeds aan de wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding kan toekennen. De benadeelde partij kan zich reeds bij de opzegging tot de rechter wenden maar kan dit ook doen na de beëindiging van het dienstverband. Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  • 1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  • 2. wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de arbeider getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen der beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëndiging;
  • 3. wanneer deze geschiedt in verband met een verhindering van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten tengevolge van militaire- of politiedienst (anders dan bij wijze van beroep te verrichten). Gedurende de hier bedoelde militaire- of politiedienst mag de werkgever niet opzeggen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de minderjarige werknemer, mits hij bij aanvang van de verhindering tenminste 6 maanden in dienst van de werkgever is geweest. Zo kan ontslag voor militaire dienst of onmiddelijk erna onredelijk zijn;
  • 4. wanneer deze geschiedt in afwijking van een in de bedrijfstak of de onderneming krachtens wettelijke regeling of gebruik geldende getalsverhoudings- of anciëniteitsregeling, tenzij hiervoor zwaarwichtige gronden aanwezig zijn.

Beëndiging van de dienstbetrekking door de arbeider zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  • 1. wanneer deze geschiedt zonder opgaaf van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  • 2. wanneer de gevolgen der beëindiging voor de werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de arbeider  bij de beëindiging.

De bepalingen omtrent kennelijk onredelijk ontslag en herstel van de dienstbetrekking zijn niet van toepassing gedurende de wettelijke proeftijd van maximal 2 maanden. Bedingen, waardoor aan één der partijen de beslissing wordt overgelaten of de dienstbetrekking al of niet kennelijk onredelijk is beëindigd, zijn nietig. De rechter kan de wederpartij ook veroordelen de dienstbetrekking te herstellen. Dit geldt ook ten aanzien van de partij die schadeplichtig is geworden door:

  • het doen eindigen van de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen (geen schadeplicht bestaat indien de wederpartij daarin toestemt of sprake is van een dringende reden);
  • het geven aan de wederpartij van een dringende reden voor ontslag, door opzet of schuld, gevolgd door ontslag wegens dringende reden of ontbinding van de overeenkomst door de rechter op grond van zwaarwichtige reden.

De rechter kan dan bepalen vóór of op welk tijdstip de dienstbetrekking moet worden hersteld en kan voorzieningen treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking. De rechter kan bepalen dat de verplichting tot herstel vervalt door betaling van een door hem vastgestelde afkoopsom. Is in het vonnis geen afkoopsom vastgesteld, dan zal de rechter deze alsnog vaststellen, indien één der partijen daartoe een verzoek indient. Een zodanig verzoek, door de tot herstel veroordeelde partij ingediend, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover betreft de veroordeling tot herstel der dienstbetrekking, totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat, wanneer het verzoek is ingediend door de werkgever, deze in ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
Indien de rechter geen afkoopsom vaststelt omdat herstel hem de meest wenselijke oplossing lijkt, maar geen herstel wordt gewenst door de werkgever, dan is er sprake van onbehoorlijk gedrag en wordt derhalve de afkoopsom groter dan de schadevergoeding in het geval geen herstel was bevolen. De rechter stelt de hoogte van de afkoopsom met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid vast en kan toestaan dat de afkoopsom in termijnen wordt betaald. De dienstbetrekking vóór de onderbreking en de dienstbetrekking na het herstel gelden als éénzelfde niet onderbroken dienstverband voor het bepalen van de wettelijke opzeggingstermijn. Tenuitvoerlegging van een vonnis tot herstel van de dienstbetrekking kan worden afgedwongen door middel van lijfsdwang, alsmede door middel van oplegging van een dwangsom.

 

@: Ontslagwet

Onder invloed van de sociale opstand van werknemers en werklozen op 30 mei 1969 op Curaçao kwam in 1972 een drietal nieuwe landsverordeningen tot stand die ten doel hadden de werknemer bescherming te bieden in zijn dienstbetrekking. Naast de invoering van bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag (P.B. 1972 nr. 113) en het recht van een eenmalige cessantía-uitkering zoals werd opgenomen in artikel 1615 j. leden 3, 4, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, kwam ook de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (P.B. 1972 nr. 111) tot stand. In deze onder de benaming ontslagwet zeer bekend geworden landsverordening wordt bepaald dat voor het beëindigen van arbeidsovereenkomsten door de werkgever de toestemming is vereist van de Directeur van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken. Zonder deze toestemming kan het dienstverband niet opgezegd worden (art. 4 lid 1). Toestemming is echter niet vereist indien omstandigheden zich voordoen zoals beschreven in art. 4 lid 2:

  • de beëindiging geschiedt om dringende door de werknemer of de werkgever onverwijld medegedeelde reden. Onder dringende reden dient te worden verstaan zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer welke tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; of zodanige omstandigheden dat van de werknemer redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (art. 1);
  • de beëindiging geschiedt met wederzijds goedvinden;
  • de beëindiging geschiedt tijdens de wettelijke proeftijd (max. 2 maanden);
  • het ontslag betreft van (art. 2):

a. werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam;

b. onderwijzend personeel;

c. geestelijken;

d. vrouwelijke werknemers die uitsluitend of in hoofdzaak huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van private personen verrichten.

 

Voorts is ook geen toestemming vereist:

  • bij het verstrijken van de overeengekomen tijdsduur van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (bij voortzetting of verlenging is wel weer toestemming nodig voor opzegging);
  • bij het beëindigen van het dienstverband door ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen tengevolge van een rechterlijke uitspraak.

 

Krachtens art. 3 wordt de directeur op elk eilandgebied bijgestaan door een adviescommissie bestaande uit tenminste vier leden waarvan twee werkgeversvertegenwoordigers en twee werknemersvertegenwoordigers. Het advies wordt gegeven nadat een ambtenaar van het Departement rapport heeft uitgebracht. Daar de behandelingsduur van ontslagaanvragen erg lang was, is er momenteel (1984) een wijziging in voorbereiding voor wat betreft de samenstelling van de ontslagcommissie en het tijdstip waarbinnen advies moet worden uitgebracht. Volgens de bestaande richtlijnen ter beoordeling van de redelijkheid van het ontslag wordt toestemming verleend indien blijkt dat:

  • inkrimping van het personeelsbestand noodzakelijk is in verband met afnemende bedrijvigheid en tijdelijke overbrugging van de moeilijkheden niet mogelijk is;
  • de betrokken werknemer duidelijk niet geschikt is voor de hem opgedragen werkzaamheden en vaststaat dat geen andere arbeidsplaats in hetzelfde bedrijf beschikbaar is;
  • de verhouding tussen werkgever en werknemer dusdanig is vertroebeld dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk kan worden gevergd. Hierbij kan de schuldvraag een rol spelen.

 

Zodra een werkgever het voornemen heeft om binnen een termijn van 3 maanden 25 of meer werknemers dan wel meer dan 25% van het aantal werknemers in een vestiging van een onderneming te ontslaan dient hij dit minstens twee maanden van te voren kenbaar te maken aan de Directeur (art. 5 lid 1). Binnen acht dagen na deze kennisgeving dient hij een afvloeiingsplan voor te leggen (art. 5 lid 2). Naast de kennisgeving van het collectief ontslag en het voorleggen van het afvloeiingsplan blijft de verplichting bestaan om voor elke bij het collectief ontslag betrokken werknemer toestemming voor ontslag aan te vragen. Een ontslag waarvoor geen toestemming werd gegeven, is nietig (art. 7). De werknemer kan deze nietigheid gedurende 6 maanden inroepen en kan dan doorbetaling van loon eisen zolang hij tot werken bereid is. Het verlenen van ontslag zonder toestemming of het niet in acht nemen van de kennisgevingsplicht wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden en een geldboete van ten hoogste 10.000 gulden hetzij met één van deze straffen. Binnen de geldigheidsduur van de verleende toestemming tot ontslag moet de werkgever de werknemer opzeggen. Indien deze termijn verstrijkt zonder dat de werknemer is opgezegd dan moet opnieuw toestemming worden aangevraagd.

 

@: Ontvanger
zie @: Eilandsontvangers; @: Landsontvangers.

 

@: Ontwikkelingsbanken

De in oktober 1981 opgerichte Ontwikkelingsbank van de Nederlandse Antillen N.V. (O.B.N.A. N.V.) kwam in de plaats van de vroegere, eilandelijk georganiseerde ontwikkelingsbanken. De O.B.N.A. heeft als doel de totstandkoming te bevorderen van projecten die voor de economische ontwikkeling van belang zijn en te streven naar een evenwichtige ontwikkeling van de Antillen. De O.B.N.A. verstaat onder economische ontwikkeling:

  • de ontwikkeling van bedrijven die zich bezighouden met fabricage, assemblage, verwerking en bewerking;
  • de ontwikkeling van dienstverlenende bedrijven op het gebied van civiele constructie, transport en toerisme;
  • de ontwikkeling van projecten in land- en tuinbouw, veeteelt en visserij.

In het eerste boekjaar van de O.B.N.A. werden ten behoeve van vijf projecten tot een totaal van NAf 0,9 miljoen aan leningen uitbetaald. De Antilliaanse overheden met uitzondering van Aruba, zijn tezamen met een aantal particuliere banken aandeelhouders van de O.B.N.A. Institutionele beleggers zijn geen aandeelhouders van de bank. Aruba heeft sinds juni 1982 haar eigen ontwikkelingsbank: Banco Arubano di Desaroyo N.V. Het eilandgebied is hier enig aandeelhouder van. Tot aan april 1983 werd totaal NAf 0,9 miljoen aan acht projecten uitgekeerd.

 

@: Ontwikkelingsfonds, Europees (E.O.F.)

Toen België, Nederland, Luxemburg (de zogenaamde Benelux-landen), Frankrijk, de Duitse Bondsrepubliek en Italië in 1957 het verdrag van Rome tot vorming van een gemeenschappelijke markt ondertekenden, was het noodzakelijk speciale voorzieningen te treffen voor bepaalde overzeese gebieden, die bijzondere betrekkingen onderhielden met het ene of het andere land van deze nieuwe gemeenschap: De E.E.G.-landen (Europese Economische Gemeenschap). Er diende rekening gehouden te worden met de belangen van die afhankelijke gebieden die voor het merendeel in Afrika waren gelegen. Zo ontstond een associatie die vooral een empirisch karakter had en die haar praktische waarde spoedig bewees. De activiteit van het uit de associatie voortgekomen Europees ontwikkelingsfonds strekt zich ook uit tot de landen en gebieden overzee (de zogenaamde L.G.O. landen), die speciale betrekkingen onderhouden met de E.E.G.-landen, zoals de Nederlandse Antillen en de Franse overzeese departementen Frans Guyana, Martinique, Guadeloupe en Reunion.

Behalve schenkingen kan het ontwikkelings fonds ook leningen verstrekken tegen lage rente en met lange looptijden tot een maximum van veertig jaar; voorts schenkt het de ontvangende landen geen kant en klare projecten, waarbij het ontvangende land de zorg voor studie, bouw en toezicht uit handen genomen zou worden, maar werkt het in alle stadia met het geassocieerde ontvangende land samen. Deze praktijk is een uitvloeisel van de geest van de associatie. Elk optreden van het fonds is gebaseerd op de verantwoordelijkheid van de geassocieerde staat zelf. De financiële hulp is vooral gericht op de infrastructuur, landbouw en veeteelt, onderwijs en gezondheidszorg. Er wordt eveneens technische hulp verstrekt door het zenden van deskundigen en door beroepsopleidingen, waarvoor vele beurzen ter beschikking worden gesteld. Het Europees ontwikkelingsfonds wees gedurende de eerste vijfjaarlijkse periode (1958-1963) aan de Nederlandse Antillen een bedrag van ca. NAf 25 miljoen toe, waaruit de volgende projecten werden gefinanciërd:

  • bouw en inrichting van 7 scholen op Curaçao,
  • 12 scholen op Aruba,
  • 1 school op Bonaire en
  • 1 school op St. Eustatius; voorts:
  • verbreding St. Annabaai, Curaçao;
  • volkswoningbouw Brievengat, Curaçao;
  • stationsgebouw luchthaven Aruba;
  • weg Kralendijk-Sorobon, Bonaire.

De NAf 36,8 miljoen van het thans geldende vijfde E.O.F. zal worden gebruikt voor de ontwikkeling van het toerisme, de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven, opleiding en training, reserve en technische bijstand. De EEG is inmiddels ver gevorderd met het omzetten van projecthulp in programmahulp. Projecthulp is een stelsel van ad hoc afspraken over het toekennen van bedragen, zonder dat hiervoor het benodigde macro-economische raamwerk beschikbaar is; programmahulp is een hulp, waarbij de ingediende projecten op basis van een uitgewerkt ontwikkelingsplan elkaar aanvullen teneinde een duidelijk omschreven doelstelling te bereiken. Hiermee zou een algemeen kader beschikbaar komen, waarbinnen de prioriteiten kunnen worden afgewogen en de financiële consequenties kunnen worden beoordeeld (zie ook Europese Economische Gemeenschap).

Lit.: Gemengde commissie van deskundigen: Aanzet tot een integraal beleidskader voor de Nederlandse Antillen in de jaren tachtig (1979).

 

@: Ontwikkelingshulp

Door Nederland is in de afgelopen 25 jaar ontwikkelingshulp aan de Nederlandse Antillen verleend op grond van art. 36 van het Statuut (‘Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillenverlenen elkander hulp en bijstand’). De fundamentele doelstelling van ontwikkelingshulp is, dat het ontvangende land binnen een redelijke tijd een zodanige ontwikkeling doormaakt, dat deze hulp overbodig wordt. Essentieel is derhalve het beleid dat achter deze hulp zit. De verantwoordelijkheid hiervoor berust volgens art. 41 van het Statuut bij de regering van de Nederlandse Antillen en de Bestuurscolleges van de eilandgebieden. Tot en met 1967 werd jaarlijks gemiddeld f 9 miljoen naar de Antillen overgemaakt. Hierna neemt de hulp sterk toe tot gemiddeld f 84 miljoen per jaar voor de periode 1968-1978, een stijging, die inmiddels sterk is opgelopen tot ruim f 200 miljoen per jaar. De Official Development Aid (O.D.A.) is een internationaal gehanteerd criterium voor de classificatie van wat als ontwikkelingshulp kan worden beschouwd. Hieronder vallen vooral de fondsen voor de bevordering van de economische verzelfstandiging van het ontvangende land en de fondsen die ertoe bijdragen dat het lot van de allerarmsten verbeterd wordt. Non-O.D.A.-hulp is bijstand die door Nederland wel als ontwikkelingshulp wordt beschouwd maar niet onder de O.D.A.-definitie valt. Het grootste gedeelte van de O.D.A.-middelen zijn de zogenaamde meerjarenplan (M.J.P.)-gelden. In de eerste fase (1962 t/m 1966) zijn voornamelijk infrastructurele werken uitgevoerd. Eerder - in 1958 - was al een garantie door Nederland verleend voor door de Nederlandse Antillen te sluiten leningen tot een bedrag van f 38 miljoen. Bij de keuze van de projecten voor de tweede fase (1967 t/m 1971) werd vooral gelet op de zogenaamde nationaal-economische rentabiliteit d.w.z. het vermogen om bij te dragen aan de economische groei van het land en op de gevolgen voor de overheidsbegrotingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan projecten die kunnen bijdragen tot vergroting van de werkgelegenheid. Uitdrukkelijk is door Nederland bepaald, dat de ontwikkelingshulp van Nederland niet het karakter van begrotingshulp mag hebben. Conform het met de Nederlandse regering overeengekomene stelt de regering van de Nederlandse Antillen haar medewerking aan het verlenen van ontwikkelingshulp aan de eilandgebieden afhankelijk van een financieel gezond beleid van de eilandsbesturen. Tot aan het eind van de 1970ger jaren  lagen de werkelijke bestedingen beduidend beneden de begrote uitgaven. De verwerkingscapaciteit in de Antillen en vertragingen bij het opzetten, goedkeuren en uitvoeren van de projecten waren hiervoor verantwoordelijk. Het gevolg was dat er op de Nederlandse begroting een zgn. ‘stuwmeer’ ontstond van wél begrote maar nog niet uitgegeven middelen. Afzonderlijke projecten worden door het Land, Aruba en Curaçao voorbereid en bij Nederland ingediend. Het Land zorgt voor de projecten van algemene aard en voor de projecten van Bonaire, St. Maarten, Saba en St. Eustatius. Alle Nederlandse ontwikkelingshulp vindt plaats in de vorm van schenking met uitzondering van de M.J.P.-gelden.

Van de Verenigde Naties wordt via het United Nations Development Programme (U.N.D.P.) personele hulp ontvangen: technische experts worden beschikbaar gesteld. De Nederlandse Antillen moeten wel bijdragen in hun lokale kosten. Ook stellen de Verenigde Naties beurzen ter beschikking, in hoofdzaak voor technische studies. (Zie ook @: Ontwikkelingsfonds, Europees.)

  • Lit.: Th.J. Haan, De Antilliaanse ontwikkelings¬hulp 1958-1983, in: Econotities No.7 aug. 1983.

 

@: Onvermogenden
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Onwettige kinderen

zijn geboren uit een seksuele verhouding tussen partners die met elkaar geen huwelijksband hebben. Volgens het Publicatieblad nr. 26 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, artikel 299, moet een kind, dat binnen 307 dagen na de officiële scheiding van man en vrouw wordt geboren, als wettig worden beschouwd. De conceptie van het kind wordt dan geacht plaatsgevonden te hebben nog staande het huwelijk. Onwettige kinderen kunnen sociaal nog worden onderscheiden in kinderen geboren uit een concubinaat en kinderen geboren uit een verhouding met een partner buiten de huishouding, de yu di afó (zie @: Illegitimiteit).

 

@: Oóchi

(tweeling). Aan tweelingen worden bijzondere c.q. magische vermogens toegeschreven. Zo zouden zij geesten kunnen zien en buikpijn verwekken door kohé barika (de buik grijpen) wanneer hun iets, dat men zelf eet, geweigerd wordt. De term wordt voor zowel één- als tweeëiige tweelingen gebruikt, hoewel de ééneiige sterkere vermogens zouden bezitten (zie Desu).

 

@: Oogstfeest
zie @: Seú.

 

 
@: Oost, Cocky van / @: Cocky van Oost

Beroepsnaam van Kommertje van Vliet-van Oost, (Rotterdam 5 februari 1937) leerlinge van Corrie Hartong en Netty van der Valk in haar geboortestad, danste bij Rotterdams Ballet Ensemble 1952/1953 en bij het Nederlands Ballet 1954/1957 waarna zij op Curaçao een eigen balletschool oprichtte: Les Sylphides. Keerde in 1975 naar Nederland terug.

 

@: Opcenten

werden ingevoerd in 1942 in verband met oorlogsspanning; de meeste opcenten werden later in de diverse tarieven geïncorporeerd. De eilandgebieden hebben sinds 1956 bevoegdheid tot heffing van opcenten (15% van winstbelasting, 30% inkomstenbelasting) terwijl op de aanslagen grond- en gebruiksbelasting de opcentenheffing niet aan een maximum is gebonden. Daarvan is sinds 1960 gebruik gemaakt (zie @: Belastingen).

 

@: Openbaar ministerie
zie @: Procureur-Generaal.

 

@: Openbare aanbesteding
zie @: Aanbesteding Openbare

 

@: Openluchtbioscoop / @: Openluchtbioscoop
zie @: Drive-in theaters

 

@: Oranjestad (Aruba)

Hoofdplaats van Aruba, gelegen aan de Paardenbaai aan de zuidkust van het eiland. Omstreeks 1797 ving men aan met de bouw van het Fort Zoutman en uit diezelfde tijd dateert het ontstaan van Oranjestad, omdat bestuur en handel zich allengs verplaatsten van de Commandeursbaai naar de Paardenbaai. Haar huidige naam kreeg de nederzetting in 1824; een tiental jaren later telde zij reeds 185 huizen; omstreeks 1860 woonde er een duizendtal mensen. Thans bedraagt dit aantal naar schatting ongeveer 18.000. Reeds lang is Oranjestad tot ver buiten haar officiële grenzen gegroeid (zie ook @: Architectuur: Aruba).

De stad is allereerst het bestuurscentrum van het eiland, waar nagenoeg alle overheidsdiensten zijn geconcentreerd. Het havenverkeer, hoewel veel minder omvangrijk dan dat van San Nicolas, is veel gevarieerder en vormt de basis voor de sterk verzorgende functie die Oranjestad ten aanzien van het eiland bezit.Typerend voor de overwegende importhandel is het veelal samenvallen van groot- en detailhandel. Door de ontwikkeling van het toerisme begin 1960ger jaren heeft het winkelcentrum zich hier aangepast aan de behoeften (kleding, juwelen, fotografische en elektronische artikelen) van de kooplustige buitenlanders, die tijdelijk op het eiland verblijven.

Oranjestad is voorts het financiële - het geldverkeer verloopt hoofdzakelijk via een aantal particuliere banken (zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen) - en het culturele centrum van het eiland: de scholenconcentratie is hier relatief groot (naast m.a.v.o.-, h.a.v.o.- en v.w.o.opleidingen ook technische scholen en verschillende opleidingsinstituten op allerlei gebied). In 1958 kwam een moderne schouwburg (Cas di Cultura) tot stand, in 1982 is een moderne openbare bibliotheek geopend (Biblioteca Publico Aruba).

De haven van Oranjestad, die de plaats deed ontstaan, onderging aanmerkelijke verbeteringen. Het havencomplex zoals het nu is, ontstond vooral in de jaren 1948-1952 en gedurende 1962. De gezamenlijke kadelengte bedraagt ongeveer 2.000m. De haven kan vanuit zee worden bereikt door een oostelijke of een westelijke toegang van ca. 10m diep bij een breedte van een honderdtal meters. Het geheel ligt beschermd door een rif op ongeveer 240m uit de kust (zie @: Havens).

De haven is dag en nacht voor scheepvaart toegankelijk, en beantwoordt aan alle normale eisen van de scheepvaart. Ten behoeve van opslag en overslag werden ruime loodsen gebouwd, alsmede zoetwater- en olietanks voor bunkerfaciliteiten. Het gehele complex beslaat een oppervlakte van circa 15ha en ligt in de onmiddellijke omgeving van de stad. Men heeft een zogenaamde vrije zône ingesteld, met gunstige financiële en andere voorwaarden voor ondernemingen die zich hier willen vestigen. Ter stimulering van het toerisme worden voor toeristenschepen en voor overige schepen met 50 of meer toeristen aan boord, sterk verminderde tarieven voor loods- en liggelden in rekening gebracht. Deze gunstige regeling geldt eveneens voor schepen die komen bunkeren. Tot de outillage van de haven behoren een in Nederland gebouwde moderne sleepboot, een sleephelling en een werkplaats voor kleinere schepen. Er is ruime ligplaats voor de vele zeilscheepjes (barkjes), die de haven van Oranjestad regelmatig aandoen en vooral fruit uit Venezuela en Colombia aanvoeren (zie ook @: Containerhaven).

 

@: Oranjestad (Sint Eustatius)

 

Hoofdplaats op Sint Eustatius, gelegen aan de westkust van het eiland aan de gelijknamige baai. Hier woont nagenoeg de gehele bevolking van Sint Eustatius (ca. 1.500 personen). In de 17de en 18de eeuw was Oranjestad een belangrijk handelscentrum in het noordelijk deel van de Caribische Zee, de evenknie van Willemstad in het zuiden. Talrijke ruïnes van gebouwen en woonhuizen getuigen nog van de rijke historie van deze plaats (zie ook @: Architectuur: Sint Eustatius). Het huidige Oranjestad ligt over een lengte van ca. 700m aan de rand van het 40 meter hoge kustklif.

Het stratenplan is vrij regelmatig, met elkaar kruisende noord-zuid en oost- west verbindingen. Alle straten zijn met cement geplaveid en voorzien van opststaande randen voor het somtijds in grote massa’s afstromende regen water. Op een vooruitspringend deel van het klif ligt het oude Fort Oranje, in 1636 gebouwd op de resten van een Franse versterking, later meermalen gerestaureerd. Hier zijn thans de overheidsdiensten gevestigd, Op de wallen staan de oude vuurmonden opgesteld, die het laatst dienst deden in 1882 voor het lossen van saluutschoten. Herinneringen aan het verleden vormen ook het monument ter herdenking van het bezoek van Michiel de Ruyter aan Sint Eustatius in 1665 en de in 1939 door de regering der Verenigde Staten geschonken gedenkplaat die eraan herinnert dat op 16 november 1776 vanaf de wallen van dit fort de Amerikaanse oorlogsvlag voor het eerst officieel door een buitenlandse mogendheid werd gegroet.

Het oude Oranjestad bestaat uit een bovenstad (Upper Town) en een benedenstad (Lower Town), verbonden door het steile Baaipad. Van de talrijke pakhuizen en woningen die eertijds in de benedenstad stonden, zijn slechts de bouwvallen overgebleven, nadat de handelsactiviteiten van Oranjestad rond 1800 een einde namen. Een vijftal woningen ervan is nog in gebruik. De benedenstad wordt thans, vermoedelijk door de daling van het eiland, door het zeewater omspoeld. Het klif zelf wordt ondermijnd door het regenwater dat hier na regenbuien met grote snelheid omlaagstroomt en dat bij Claes Ghaut een 30m diepe canyon heeft uitgeslepen. Deze is geheel voorzien van een betonnen, trapvormig overlaatsysteem.

Bij Gallows Bay in de Oranjestad-Bay is in 1967 een grote diepwaterpier gebouwd. Aan het begin hiervan staan de brandstoftanks en de enige benzinepomp. Vlakbij zal in 1984 de nieuwe elektriciteitscentrale verrijzen. In de benedenstad aan het strand staan twee kleine luxe hotels. In de bovenstad staan enkele lagere scholen, een RK en een methodistenkerk, alsmede de ruïnes van de vroegere Nederlands-hervormde kerk en de synagoge.

De hoge historische waarde van Oranjestad, zowel boven- als benedenstad, wordt door de Statianen erkend. De Sint Eustatius Historical Foundation heeft in samenwerking met het eilandsbestuur de stad verfraaid en gebouwen gerestaureerd. Enkele nieuwe gebouwen zijn zoveel mogelijk aangepast zoals de Old Gin House en de nieuwe bibliotheek in het oude centrum. Oranjestad is nu historisch en architectonisch een monument van betekenis. (Zie ook @: Architectuur; @: Bevolking; @: Geschiedenis: Bovenwindse Eilanden).

 

@: Oranje Vereniging Aruba

Op initiatief van W.F.M.Lampe opgericht 18 februari 1948, met het doel de banden met het Huis van Oranje te verstevigen, is de enige Oranjevereniging in de Antillen. Jaarlijks wordt met subsidie van de eilandelijke overheid Koninginnedag met vele activiteiten gevierd.

 

@: Orchideeën

zijn epifytische of terrestrische planten met tweezijdig symmetrische bloem met 6 bloemdekbladeren waarvan er één geheel anders gevormd is: de lip; stuifmeel komt niet vrij maar blijft in polliniën samengepakt; vruchtbeginsel onderstandig; zeer grote familie met ca. 17.000 soorten, overwegend in de tropen; voor de ontwikkeling van de zaden is een infectie met een bepaalde schimmel noodzakelijk (symbiose). In de Nederlandse Antillen zijn ca. 25 soorten, waaronder maar enkele op de Benedenwindse Eilanden.

  • Banana shimaron (Schomburgkia homboldtii) is een grote epifyt met zeer lange, kegelvormige schijnknollen, overlangs gegroefd en voorzien van enige ringen; grote leerachtige bladeren; bloemen paars, in trosvormige bloeiwijze.
  • Brassavola nodosa heeft spitse bladeren en grote, witte bloemen. Beide soorten op Curaçao vooral in het Christoffelgebied, op Aruba in Rooi Prins, op Bonaire op kalkgebied van Plantage Colombia en Plantage Bolivia.

Op de Bovenwindse Eilanden groeit een twintigtal soorten orchideeën, vooral in hogere delen vah Saba en Sint Eustatius, o.a. de wild lily of eyelash orchid (Epidendrum ciliare) en de dancing doll (Oncidium species).

 

@: Oregano

(Lippia alba) Plantesoort uit de familie der Verbenaceae. Vertakte heester met vierkante, behaarde twijgen; bladeren kruisgewijs; verspreiden bij kneuzing de geur van lamunchi (een citrussoort); bloemen lila, zeer klein in hoofdjesachtige bloeiwijzen op lange stelen in bladoksels. Bladeren in soepen, stobá (gestoofd vlees) enz. verwerkt; thee getrokken tegen verkoudheid, buikaandoeningen. Benedenwindse Eilanden. Gekweekt (zie ook Cordia).

 

@: Ore’í raton / @: oréa di raton

(Callisia repens) (oréa di raton) of yerba di awa, plantesoort uit de familie der Commelinaceae. Saprijk kruid met neerliggende stengels wortelend op de knopen, met dikvlezige bladeren waarop paarse vlekjes; bloemen onduidelijk in bladoksel. Op vochtige plaatsen, zoals hofjes en op de Christoffeltop; ook gekweekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Orkaan

Dit artikel is onderverdeeld in de volgende secties:

  • Tropisch weerssysteem; het oog
  • Schade door windruk; neerslag; zee
  • Oorsprong: Tropical waves
  • Levensduur
  • Seizoen
  • Waarschuwing: Hurricane watch en hurricane warning

 

Tropisch weerssysteem; het oog

Een orkaan is een tropisch weersysteem, waarbij een tropische storm zich zo heeft uitgediept, dat rond het centrum van lage druk windsnelheden van tenminste 34 m/s (122 kilometers per uur) worden aangetroffen. De maximum windsnelheid kan soms echter de 80 m/s (288 kilometers per uur) overschrijden. De wind draait daarbij op het noordelijk halfrond tegen de wijzers van de klok in om het centrum van de orkaan heen, dat wel het ‘oog’ van de orkaan wordt genoemd. Het centrum van een orkaan is een gebied van veelal 20 tot 50 km doorsnede met relatief weinig wind, dat door een al of niet geheel gesloten muur van hoogopgaande wolken wordt omgeven. De verplaatsing van een orkaan kan daardoor met behulp van vliegtuigherkenning en beelden van weersatellieten en radar vrij nauwkeurig gevolgd worden. In een goed ontwikkelde orkaan is het oog veelal duidelijk herkenbaar in het centrum van het roterend wolkenveld, dat zich met het daarmee gepaard gaande slecht weer zo’n 300-500 km vanuit het centrum uitstrekt. Het zwaarste weer doet zich daarbij vooral voor in het noordoostelijke kwadrant tot ca. 150 km van het centrum, zodat veelal ook de meeste schade wordt aangericht als het centrum van een tropische storm of orkaan op korte afstand ten zuiden langstrekt.

Schade door windruk; neerslag; zee

De vaak enorme schade die bij het overkomen van een orkaan wordt aangericht, wordt veroorzaakt door de winddruk, de neerslag en - nabij de kusten - de zee. Aangezien de druk van de wind op een voorwerp toeneemt met het kwadraat van de windsnelheid, zal door een orkaanwind van 60 m/s (216 kilometers per uur) een winddruk worden veroorzaakt die viermaal groter is dan met een windsnelheid van 30 m/s (108 kilometers per uur) overeenkomt. De meeste materiële schade en tol aan mensenlevens wordt echter veroorzaakt door de abnormaal sterke neerslag, die op zich zelf reeds rivieren buiten hun oevers kan doen treden en landverschuivingen kan veroorzaken en door de opstuwing van het zeewater, enerzijds in de vorm van hoge golven, anderzijds door de opstuwing van het water tegen de kust, waarbij stormtij van wel 3 tot 8m boven normaal peil mogelijk is. Door de enorme kracht achter de watermassa’s, alsook de gronderosie waardoor fundamenten kunnen worden ondergraven, zijn zelfs grote gebouwencomplexen daartegen bij zwaardere orkanen soms niet bestand gebleken.

Oorsprong: Tropical waves

Salellietbeelden van de afgelopen 20 jaar hebben aangetoond, dat orkanen veelal hun oorsprong vinden in tropical waves die regelmatig in de passaatstroming van het Afrikaanse continent bij de Kaapverdische Eilanden de Atlantische oceaan optrekken. Ook de I.T.C.Z. fungeert als brongebied voor de ontwikkeling van orkanen, terwijl soms een sub-tropische depressie of een storing in de hogere luchtlagen kan uitgroeien tot een orkaan. De verplaatsingen van orkanen wordt min of meer geëxtrapoleerd door het Atlantische Bermuda-Azoren hogedrukgebied: in de passaatstroming over de Atlantische oceaan in westelijke richting met een voorwaartse snelheid van gemiddeld 20 á 30km per uur. Dan ten westen van het Atlantische hogedrukgebied - over het Caribisch gebied, de Golf van Mexico en de wateren langs de oostkust van de Verenigde Staten van Amerika - naar de gematigde breedten in het noorden afbuigend, waarna de orkaan meestal wegtrekt en oplost doordat uit de koudere omgeving onvoldoende energie voor instandhouding geput kan worden. Ook boven land lossen orkanen snel op door gebrek aan energietoevoer en extra weerstand tegen de stormcirculatie, hoewel zware orkaanregens vaak nog enige tijd aanhouden nadat de wind al is afgenomen.

Levensduur

De levensduur van een orkaan beslaat meestal een periode van omstreeks tien dagen of korter, hoewel in 1971 orkaan Ginger pas na 31 dagen van de weerkaarten verdween. Per jaar doen zich in de Atlantische orkaanzone zo’n 25 tropische depressies voor, waarvan er tien stormkracht bereiken. Van deze tropische stormen groeien er gemiddeld zes verder uit tot orkaan. Van jaar tot jaar kan dit aantal evenwel zeer verschillend. Zo deed zich in 1914 slechts één tropische storm voor en geen enkele orkaan, terwijl in 1969 van de 15 tropische stormen maar liefst 12 orkaankracht bereikten.

Seizoen

Het officiële orkaanseizoen, dat wil zeggen de periode in het jaar waarin tropische stormen of orkanen zich voornamelijk voordoen, loopt van 1 juni tot 30 november. In het begin van het seizoen en aan het einde, komen tropische stormen echter vrijwel uitsluitend tot ontwikkeling in het uiterste westen van het Caribisch gebied en in de Golf van Mexico, zodat voor wat betreft de Nederlandse Antillen het orkaanseizoen - ruim genomen - loopt van begin juli tot medio november. De grootste activiteit doet zich meestal voor in de periode van half augustus tot eind september.

Waarschuwing: Hurricane watch en hurricane warning

De lancering vanaf de 1960ger jaren van operationele weersatellieten als aanvulling op de conventionele uitwisseling van weerwaarnemingen van schepen, verkenningsvluchten van speciaal daarvoor uitgeruste vliegtuigen en de weerradarstations, hebben in sterke mate bijgedragen tot de verbetering van de organisatie voor het verstrekken van waarschuwingen voor naderende tropische stormen en orkanen. De ontwikkeling van tropische storingen in de orkaanzone kan vrijwel continu gevolgd worden, waardoor vaak reeds veel dagen voordat een eiland of kust daadwerkelijk gevaar loopt, de eerste berichten terzake uitgegeven kunnen worden. Voor de Nederlandse Antillen is de Meteorologische Dienst in geval van orkaandreiging belast met de uitgifte van waarschuwingen, teneinde landelijke en eilandelijke autoriteiten en rampenorganisaties in staat te stellen tijdig de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen. Onder auspiciën van de Wereld Meteorologische Organisatie vindt daartoe in het regionale Hurricane Committee nauwe samenwerking plaats met andere meteorologische diensten in de regio en met het regionale orkaancentrum te Miami, Florida. Ook de sinds de Tweede Wereldoorlog gebruikelijke benaming van tropische stormen en orkanen - nu in alfabetische volgorde afwisselend meisjes- en jongensnamen uit het Engels, Frans of Spaans - wordt voor een aantal jaren vooruit, door het regionale Hurricane Committee vastgesteld. (Zie ook @: Klimaat).

 

@: Otaheiti

(Thespesia populnea) of palu santu, mahoe, tulip tree, plantesoort uit de familie der Malvaceae. Boom die langs de kusten voorkomt; middelmatig hoog, met langgesteelde, hartvormige, glanzend-donkergroene bladeren; bloemen geel met purperen hart, helmdraden vergroeid. Vooral in kustbossen of resten daarvan, ook achter mangrovevegetatie; soms gekweekt. Duurzaam hout; bast soms gebruikt voor het maken van touw of om bootjes te breeuwen; bladerem tegen hoofdpijn aangewend. Benedenwindse en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Otrobanda

Begin 18de eeuw ontstane wijk van Willemstad aan de overzijde van Punda. Ze kwam, ondanks militaire bezwaren, reeds in die eeuw en nog meer in de 19de eeuw tot belangrijke ontwikkeling; in de 20ste eeuw volgde, na aanplemping van grote delen van het binnenwater De Kreek of Rifwater, enige bebouwing naar de zeezijde. De bebouwing van het oudste, ten westen van de St. Annabaai gelegen gedeelte, bezit ondanks moderniseringen, aan Molen- en Brionplein en in de tot hoofdwinkelstraat geworden Breedestraat, naar de zijde van het voormalig Rifwater en in achterstraten als Consciëntiesteeg, Langestraat en Klipstraat, nog kwaliteiten.

 

Het stadsdeel was met name in de laatste decennia van de 20ste eeuw (1980’s; 1990’s) sterk in verval rakende. Het Brionplein, het gezicht van Otrobanda werd in 1969 sterk aangetast door de onlusten van dat jaar, waarbij verschillende belangrijke gebouwen werden afgebrand. Maar met name in de eerste jaren van de 21ste eeuw, worden er zowel vanuit de Dienst Ruimtelijke Ordening (D.R.O.V.) als vanuit de Stichting Monumentenzorg Curaçao stappen tot regeneratie genomen. Het Brionplein is als plein gehandhaafd en gemoderniseerd en aan de rand ervan is in de geest van de opvallende Hotel Americana een nieuw hotelcomplex gebouwd.

Bijzondere vermelding verdienen enige vrijstaande 18de-eeuwse koopmanshuizen, evenals die op Punda beneden wel voor handelsdoeleinden en boven voor bewoning bestemd maar met aan alle zijden galerijen, alsook topgevels ter afsluitting van het hoge zadeldak en voor de dakkapellen aan de lange zijden. Het gelukkigste voorbeeld biedt Molenplein 18/9, waarbij sinds ca. 1792 de hoofdtoegang met een dubbele bordèstrap langs de lange Molenpleinzijde ligt en niet meer aan die van het thans gedempte Rifwater. Een bescheidener en onregelmatiger voorbeeld vormt Sebastopolstraat 26/8. Stroomzicht, Pater Euwensweg 24, is in de tweede helft van de 18de eeuw gesticht en begin 19de eeuw uitgebreid tot een nog aanzienlijker, op het gedempte Rifwater uitziende, woning; in 1956 met de bijgebouwen onder leiding van architect Ben Smit geheel gerestaureerd door de in 1980 overleden eigenaar-bewoner Chris J.H. Engels. Het huis heeft de gebruikelijke hoofdvorm van een kernbouw tussen gevels met in- en uitgezwenkte toppen en lagere galerijen aan de lange zijden maar met centrale vestibule. Daarop sluit de hogere achterbouw aan met het door architect G.Th. Rietveld ingerichte trappehuis en de achterzaal, die boven een grote regenbak uitgebouwd is. In het huis diverse kunstwerken van Charles Eyk en van het echtpaar Engels-Boskaljon.

(Zie ook @: Willemstad.)

 

@: Ouderdomsverzekering
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Ouderdomsvoorziening
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Oud-tertiaire formaties

Afzettingsgesteenten uit het Oud- Tertiair, hoofdzakelijk van kalkige aard, op Aruba, Bonaire en Curaçao; op laatstgenoemd eiland zijn als zodanig bekend de voorkomens van Ser’i Kueba, Seru Klof en Seru Maïnshi (zie @: Geologie). Deze zijn jonger dan de in diep zeewater afgezette lagen van de Midden-Curaçao-formatie.

 

@: Overbevissing

is een situatie, waarbij door een te grote visserij-intensiteit de natuurlijke visproduktie in een gebied daalt beneden een niveau, waarop een optimale vangst blijvend kan worden gehandhaafd. Kreeft en schildpadden zijn in de Nederlandse Antillen voorbeelden van overbeviste diersoorten. De vispopulatie van het koraalterras langs de gehele zuidkust van Curaçao vertoont symptomen van overbevissing. De oude beroepsvissers constateren hier een afname van hun canaster- en dieplijnvangsten en een afname van de gemiddelde lengte (dus leeftijd) van bodemvissen, zoals papegaaivissen, groupers en snappers. Ook het aantal roofvissen, zoals de barakuda, is afgenomen. Naast de gevolgen van de speervisserij is er ook sprake van algehele overbevissing van demersale vissoorten (rifvissen, bodemvissen). Watervervuiling met industriële afvalstoffen (raffinaderijen van Shell en Lago op Curaçao respectievelijk Aruba) kan plaatselijk de oorzaak van verarming van de zeefauna zijn (zie ook @: Natuurbescherming).

 

@: Overdrachtsbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Overdrachtslandsverordeningen
zie @: Diensten.

 

@: Overgangsbelasting
zie @: Belastingen.

 

@: Overheidsgaranties

werden door het Land en de Eilandgebieden Aruba en Curaçao hoofdzakelijk verleend ten behoeve van woning en hotelbouw. Voorts staat het Land garant voor alle verplichtingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (zie @: Sociale voorzieningen).

 

@: Overheidsschuld

van het Land en van de Eilandgebieden Aruba en Curaçao bestaat uit schuld met een lange looptijd (obligatieleningen en onderhandse leningen) en vlottende schuld, waaronder vooral de kortlopende leningen, opgenomen bij de Bank voor Nederlandse Gemeenten in het kader van de financiëring van de werken van het Meerjarenplan Nederlandse Antillen (zie @: Ontwikkelingshulp) en voorts de rekening-courant-kredieten en kasgeldleningen, opgenomen voor wat het Land betreft bij de Bank van de Nederlandse Antillen en voor wat bovengenoemde eilandgebieden aangaat bij het Land en de plaatselijke particuliere bankinstellingen.

 

@: Oyada

Oyada is het fenomeen, waarbij men gelooft dat sommige mensen de gave of macht hebben, om door middel van hun blik iemands gezondheid nadelig te beïnvloeden of een ander soort negatieve invloed gewild of ongewild kan uitstralen naar een andere persoon. Het heeft dezelfde betekenis als die van de mal wowo, het boze oog. De oyada is niet alleen beperkt tot de cultuur van de ABC-eilanden. Het is een fenomeen dat in veel andere landen en culturen onderkend word. Al tijdens de zwangerschap moest een moeder vroeger rekening houden met de oyada en haar kind beschermen tegen deze negatieve invloeden. Zo was het bijvoorbeeld als gedragsregel gesteld, om niet met een andere zwangere vrouw in huis te wonen, aangezien het gevaar bestond, dat bij overtreding, één van de vrouwen het gevaar van een zeer zware bevalling liep, met de mogelijkheid van hetzij een voortijdig verlies van het kindje of zelfs dat het dood geboren werd. Dit specifieke soort bijgeloof met betrekking tot samenwonende zwangere vrouwen was echter weer aan gradaties onderhevig: Zij was minder sterk op Bonaire, iets sterker op Curaçao en zeer sterk op Aruba.

Algemeen gold wel dat als het kindje eenmaal geboren was het een andere zwangere vrouw niet toegestaan was de kraamkamer te betreden. Voor de moeder en verzorgers - van het kindje - was het vanaf de geboorte ook van groot belang om de boreling en vooral de bezoekers, goed in de gaten te houden in verband met het gevaar van zicht gerelateerde beinvloedingen. De algemene vrees was ondermeer, dat een pasgeboren baby zeer ontvankelijk zou zijn voor de mal wowo of mal bista (het boze oog). Een van de beschermende middelen die men tot op heden ziet op jonge baby’s in verband hiermee is het klein blauw plekje op hun voorhoofdjes, aangebracht met blous (een soort blauwe kleurstof), ter bescherming tegen de oyada.

Volgens Nicolaas van Meeteren (Volkskunde van Curaçao) stamt het woord oyada van hetzij het Spaanse ojeada, wat een blik werpen op betekent, danwel van het Indiaanse (Guarana-Tupí) woord oibado wat boren betekent. Het feit, dat men het oyada-fenomeen ook in Venezuela kent, duidt mogelijk op een Spaans-Indiaanse oorsprong.

Eén van de karakteristieke ei¬genschappen van oyada is dat de¬gene die een ander ermee ‘be¬smet’ niet eens altijd hoeft te we¬ten dat hij (of zij) het ‘boze oog’ heeft. Die persoon kan een ander mens, plant of dier kwaad doen door er alleen maar naar te kijken. Vooral kleine kinderen en baby’s zijn kwetsbaar. Dit heeft te maken met het feit, dat de oyadist een soort voorkeur heeft voor mooie mensen of dingen. Ook mensen die zich mooi aankleden kunnen het doelwit zijn. Of hier misschien een soort jaloezie aan ten grondslag ligt is voer voor psycholôgen.

Oyada-adepten zijn niet automatisch op de hoogte van hun "gave". Mogelijk is echter wel dat iemand die onwetend is van zijn oyada-kundigheid, door gebeurtenissen waarbij hij door het intensieve kijken naar iets of iemand bepaalde nadelige invloed daarop uitoefent, erachter komt, dat hij een op deze wijze ‘begaafd’ is. De mogelijkheid dat zo’n iemand deze macht kan gaan misbruiken is dan uiteraard aanwezig. Het kon ook - en in vroegertijden gebeurde dit vaker - dat men aan bepaalde mensen het boze oog gaat toedichten. Mitsdien vermijdt men zoveel als mogelijk het contact met deze mensen en met name laat men hen niet gemakkelijk toe in een huis met kleine kinderen. Het bestand aan verhalen, al dan niet gebaseerd op werkelijk gebeurde incidenten, rondom het fenomeen is omvangrijk en gevariëeerd.

Om van de oyada te genezen zijn er in de loop van de tijden verscheidene theorieën c.q. gedragswijzen gepresenteerd.  Een aantal hiervan:

  • De draai om de oren: Toepasbaar, als iemand vermoedde door eigen toedoen (door er naar te kijken of een complimentje te hebben gegeven) bij een kind oyada te hebben veroorzaakt.  De geijkte handeling was dan een draai om de oren (van het kind) teneinde het aan het huilen te brengen en zodoende de aandoening stop te zetten. Vermoedelijk werd deze handeling jegens het kind op de één of andere wijze met de ouders afgesproken.
  • Het kledingstuk van de oyadist: Als de oyada van een ander afkomstig was, kon men haar stoppen door het slachtoffer een kledingstuk van de oyadist te geven.
  • De citroenoplossing: Indien de kledingstukoplossing niet werkte, kon men de oyada proberen weg te werken met de citroenoplossing, wat inhield, dat men een citroentje in twee stukjes sneed en vervolgens eerst drie druppels op de grond en daarna drie druppels op het hoofdje van het kind liet vallen.
  • Het stukje brood: Zowel preventief als ter genezing was het gebruikelijk om een stukje brood dat eerst in water en daarna in zout was gedoopt over de keel van een kind te wrijven.
  • De blous: Het meest effectief en nog steeds stiekem gebruikte middel is de blous. Het betreft hier een  blauwe poeder dat gebruikt werd om kleding te witten vóór de opkomst van chloor. Hierbij werd de blous, op correcte wijze gedoseerd teneinde blauwe vlekken in de kleding te voorkomen, bij de laatste spoeling gedaan. De anti-oyada behandeling hield in, dat men met één met blous gedoseerde duim, hetzij een gewone of een kruisafdruk maakte op hetzij de billen, rug, borst of voorhoofd van het kind. Ook voordat een kind gedoopt werd of ter communie ging werd het op deze plaatsen goed ingesmeerd met blous teneinde afgunstige (boze) ogen af te wenden of te blokkeren; hier ziet men weer de samenkomst van het bijgeloof en de katholieke overtuiging.
  • Het kaakbeentje van een leguaan en de tand van een groene slang: Naast het blous konden potentiële slachtoffers, van oyada ook beschermd worden met het kaakbeentje van een leguaan of de tand van een groene slang. Deze werden dan in een soort amulet aan een ketting of touwtje om de hals gedragen. Andere voorwerpen met dezelfde doelstelling: de hanespoor of de bonchi makurá, een soort boon, die aangespoeld aan de kust werd gevonden.
  • De kontra: De zogenaamde kontra (tegen) kon tenslotte ook nog goed helpen. Deze kontra werd soms in de kleding van het kind genaaid of in een stoffen zakje rond de hals gedragen. Het betrof een klein zakje meestal 2 bij 3 centimeter groot en van leer, zeildoek of een andere harde stof gefabriceerd. Eenmaal aangebracht, mocht het zakje niet meer worden afgedaan en werd er zelfs mee gebaad of gezwommen. De kontra had niet een specifieke bereidingswijze. Soms werden de ingrediënten er los ingenaaid; maar ook werden ze soms vermalen en door elkaar gemengd, het een en ander afhanklijk van de voorkeur van de bereider. Enkele van de meer bekende voorwerpen die werden gebruikt: stukjes bot, een stukje palmblad verkregen in de kerk op Palmzondag, een stukje vuursteen, een klein sleuteltje, een stukje knoflook, een schroef of moer, wierook of (daar heb je haar weer) een stukje blous. Dat de kontrabereider / bereidster haar werk heel serieus nam kan worden opgemaakt uit aantekeningen van wijlen pater Brenneker, die o.a. melding maakt van een vrouw die zich had verdiept in het maken van deze middelen. Haar recept voor hele krachtige kontra’s omvatte o.a. het gebruik van een stukje navelstreng van een tweeling, samen met wierookpoeder, uienschillen, palmbladeren en het altijd aanwezige blous.De kracht van de blous werd overigens niet zozeer toegeschreven aan de antiseptische en reinigende werking, maar juist aan de kleur.

 Om je kunuku, hofje of bloementuin te beschermen tegen het boze oog werden ook weer allerlei middeltjes gebruikt. Vlak bij het hek werden op stokjes of takjes halve eierschillen geplaatst of lege blikjes en stukjes spiegel. Deze beschermende maatregelen worden op sommige plekken op het eiland nog steeds gezien. Volgens het volksgeloof is echter het meest afdoende middel om een kunuku te beschermen de plaatsing van hetzij de schedel van een koe of ezel, hetgeen, volgens de overlevering, ook tegen (boze) geesten hielp. Om de beschermende kracht extra te verhogen werd er vaak een kruis getekend op de schedel. Vooral bloemen, groente en andere delicate producten waren gevoelig voor de oyada. Sommige vruchten werden daarom in een periode van moeilijke oogst ter bescherming additioneel bedekt met zwarte doeken.Aangezien met name deze laatste handelswijzen nogal opvielen en men vroeger er niet van hield om over deze beschermpraktijken te praten, werd er op vragen van vreemdelingen hierover óf ontwijkend geantwoord of verwezen naar de meer acceptabel geachte uitleg van de bescherming tegen insecten.

 

@: Ozinga, Murk Daniël

(Pernis 10 november 1902 - Utrecht 21 mei 1968) hoogleraar in de geschiedenis van de bouwkunst te Utrecht (1958). Maakte in samenwerking met de Sticusa in 1954 en 1956 studiereizen naar de Nederlandse Antillen, waar hij de aanstoot gaf tot de oprichting van de Stichting Monumentenzorg. Schreef een standaardwerk over monumenten van Curaçao: De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959)

 

 

De letter P

p is de zestiende letter van het Nederlandse alphabet. Zij heeft haar oorsprong in het Semitische , wat mond betekent en ontwikkelde zich verder in al de talen die daarna volgden, dus ook het Grieks, het Etruskisch en het Latijn in de ook heden ten dage bekende p-klank, ofwel de stemloze dubbellippige plosief, met een aantal uitzonderingen voornamelijk door de Grieken geïntroduceerd. Het betreft hier het gebruik van de p in combinatie met andere letters ter verkrijging van een andere klank. Een voorbeeld is de combinatie ph voor het nabootsen van de f-klank in woorden als philosophie; philanthropie. Een tweede voorbeeld is het gebruik van de p in alweer woorden van Griekse oorsprong als psychologie, waar de p wel in het woord wordt gebruikt maar in de uitspraak wordt weggelaten. De p is echter, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de o, geen algemeen bekende letter. Het Arabisch kent haar bijvoorbeeld niet. Maar in de Westerse cultuur is zij een bekende en veel gebruikte letter.

In het algemeen is de p een letter, die in Nederlandse woorden met de normale plosieve klank wordt uitgesproken (paard, prachtig, probleem, open, aap). Het Nederlands handhaaft bovendien nog de oude spelling in woorden van Griekse oorsprong, zoals pseudoniem, psychiatrie, psychologie en psalm, waarbij de p nog wel een onderdeel van het woord vormt, maar niet wordt uitgesproken. De vorm echter, waarbij de p een f-klank krijgt als zij vergezeld gaat met de medeklinker h komt in het Nederlands (en ook in het Papiamentu) niet meer voor (behalve in het geval van namen - Phillips). Het Nederlands heeft deze constructie vervangen met de f waar naar verwezen wordt en schrijft dus bijvoorbeeld geen philosophie of philanthropie meer zoals dat nog wel in het Engels het geval is bijvoorbeeld (philosophy; philanthropic), maar gewoon filosofie en filantropie, maar verrassend genoeg ook Filippijnen (Philippijnen). In het Papiamentu is ook de ps constructie terzijde gelegd in het voordeel van alleen maar de s: Geen psychologie maar sikología, waarbij ook de ch combinatie door een k is vervangen.

De p is een veel gebruikte beginletter in deze encyclopedie; alleen de g, de b en de s gaan haar voor. P is de eerste letter van de naam van de eerste vestigingsplaats van de Nederlanders op hun nieuwe kolonie Curaçao (de Punt; Punda) en ook van die van de zeer geliefde taal van het eiland: Papiamentu.

Ook op wereldniveau laat de p zich niet onbetuigd. Als beginletter omvat zij een groot en gevarieerd aantal onderwerpen. Verscheidene landen en gebieden op aarde hebben een p als beginletter in hun naam, onder andere Pakistan, Palestina, Panama, Paraguay, Peru, Polen, Portugal, Puerto Rico. En dan belangrijke steden als Parijs en het vroegere Peking, tegenwoordig beter bekend als Beijing. Historische personages als de grote Griekse wijsgeer Plato, de apostels Peter en Paulus, de ontdekkingsrijziger Marco Polo, de bekende componist (Niccolo) Paganini en de zeer bekende schilder Picasso. Ook bekend uit de geschiedenis is het land Perzië, het hedendaagse Iran, de stad Pompeii, verwoest door een vulkaanuitbarsting en de Egyptische piramiden. En met een p als beginletter zijn concepten als paus, pers, post, president die in onze hedendaagse samenleving niet meer zijn weg te denken. Op geloofsgebied hebben wij de p als beginletter in het protestantisme en verder is zij ook als eerste letter aanwezig in de pen en het potlood, schrijfgereedschappen, die ondanks de enorme ontwikkeling van het electronisch medium, nog steeds onontbeerlijk zijn voor de uitdrukking en de communicatie. Tenslotte is de p het beginletter van petroleum of (ruwe) olie, een (delf)stof waar de wereld vooralsnog niet zonder kan.

 

@: Paalworm

(Teredo spec) is geen worm maar een schelpdier. De vrij in het water levende larven worden tegen het eind van hun larvale periode aangetrokken door de organische zuren, die door hout worden afgegeven. Zij trachten dan een porie in het hout te vinden en boren zich naar binnen met behulp van de schelp, die zij als roterende boor gebruiken. Het geproduceerde ‘zaagsel’ dient hun tot voedsel. Naarmate zij groeien wordt het boorgat breder (tot 1cm) en dieper (tot ruim 10cm); het schelpje blijft klein vergeleken bij de wel 10cm lange, wormvormige sifa, die het hele gat vult. Hoe zachter het hout, hoe eerder het wordt aangetast. De relatief geringe hoeveelheid houten steigers in zee is er de oorzaak van dat de paalworm in de Nederlandse Antillen minder schade doet dan langs de kusten en in de mangrove-kreken van het nabije continent, waar de paalworm zowel voor steigers als voor bootjes een plaag kan zijn.

 

@: Paardenbaai

Ongeveer 2km lange, 600m brede, door koraaleilandjes en -riffen gedeeltelijk afgesloten baai aan de zuidkust van Aruba bij de hoofdplaats Oranjestad. De naam van de baai ontstond in de Compagniestijd, toen hier paarden werden verscheept naar de suikereilanden. De baai biedt ligplaats aan vele kleine scheepjes, o.a. fruitbarkjes; de eigenlijke zeehaven van Oranjestad is terzijde van de Paardenbaai aangelegd.

 

@: Pad
zie @: Dori.

 

@: Paddestoelen
zie @: Parasol di zumbi.

 


@: Padrino
zie @: Verwantschap.

 

@: Padvindersbeweging
zie @: Jeugdbewegingen.

 

@: Padvindstersvereniging van de Nederlandse Antillen
zie @: Jeugdbewegingen.

 

@: Pakus
zie @: Handel: binnenlandse handel.

 

 
@: Palabrúa
zie @: Uilen; @: Vogels.

 

@: Pal’i funchi / @: palu di funchi

is een stok van ongeveer 35cm, gesneden uit het hout van de watakeli, die gebruikt wordt om de funchi te bereiden. De stok wordt tot ongeveer de helft plat gesneden; het andere gedeelte wordt rond gehouden. De funchi, een uit maismeel bereide brij, is het voornaamste volksvoedsel op de Benedenwindse Eilanden (zie @: Voedingsgewoonten).

 

@: Pal’i lechi / @: palu di lechi

is de naam voor twee plantesoorten.

  • 1. Cryptostegia grandiflora of cordon di Francisco (de Arubaanse naam), behorende tot de familie; der Asclepiadaceae. Heester met lange, klimmende twijgen; bladeren gaafrandig, glimmend; bloemen 7cm lang, witlila, in armbloemige bloeiwijzen; vrucht 2-delig, lang; zaden met zaadpluis. Afkomstig uit Zuidoost-Azië. Gekweekt en sterk verwilderd.
  • 2. Bumelia obovata of plaka chikitu, palu di pluta, rambeshi, behorende tot de familie der Sapotaceae. Boom, vaak met takdoorns; bladeren leerachtig, donkergroen; bloemen wit, in bundels; vrucht zwart, afgeplat. Vooral op kalkplateaus grote bomen vormend.

 

@: Pal’i sía blanku / @: palu di sía blanku

(Bursera bonairensis) of palu di sía dushi, palu di sía machu, loofverliezende boom met lichtgekleurde of roodachtiggroene stam; bladeren 3-5(-7)-tallig; bloem klein; vrucht bolvormig. Algemeen, Benedenwindse Eilanden.

 

@: Pal’i sía korá / @: palu di sía korá

(Bursera simaruba) gum tree of balsam tree, plantesoort evenals de vorige uit de familie der Burseraceae; grote, loofverliezende boom met gladde stam en rood-bruine bast die in dunne velltjes loslaat; blaadjes 5-9-tallig; bloempjes klein; vrucht stomp-driekantig. Algemeen, Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Palm, Edgar Rudolf Roemer  / @: Edgar Palm

(Curaçao 8 december 1905) pianist en organist, achterkleinzoon van Jan Gerard Palm en zoon van Rudolf Theodorus Palm, is vooral bekend om zijn streven de Antilliaanse dansmuziek te conserveren en wederom tot bloei te brengen in een periode waarin nieuwe invloeden van buiten het eigene dreigen te verdringen. Studeerde theorie aan het Haags conservatorium; wijdt zich sedert zijn pensionering van de Shell geheel aan het verzamelen, componeren en vertolken van Antilliaanse muziek.

  • Wrk.: Muziek en dans, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977); Muziek en musici van de Nederlandse Antillen (1978).

 

@: Palm, Jacobo Jesus María (Shon Coco)

(Curaçao 28 november 1887 - 1 juli 1982) kleinzoon van Jan Gerard Palm, veelzijdig instrumentalist en componist, is één der begaafdste muziekpedagogen die Curaçao heeft gekend; was jarenlang concertmeester van het inmiddels opgeheven Curaçaosch Philharmonisch Orkest; maakte vooral naam als pianist en organist. Zijn composities verraden een gedegen - overigens geheel door zelfstudie verkregen - kennis van de theorie.

  • Wrk.: Obras de Jacobo Palm, album met pianomuziek (1981).

 

@: Palm, Jan Gerard

(Curaçao 2 juni 1831 - 10 december 1906) stamvader van de bekende, muzikale, Curaçaosche familie Palm, speelde als kapelmeester, organist, componist en leraar gedurende vijftig jaar een zeer belangrijke rol in het muziekleven van Curaçao. Het karakter van de Antilliaanse dansmuziek is mede door hem bepaald.

 

@: Palm, Jean Bernard Antonio

(Curaçao 19 juni 1885 - 31 mei 1963) musicus (piano, orgel), neef van Jan Gerard Palm, componist van veel stijlvolle danza’s en van het Bonairiaans volkslied - Himno Boneriano - dat in 1963 als Antilliaans volkslied is aanvaard.

 

@: Palm, Jules de / @: Jules de Palm

Schrijversnaam van Julius Philip de Palm (Curaçao 25 januari 1922), neerlandicus, was van 1959-1982 hoofd van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaosche Bursalen te Den Haag; is vice-voorzitter van Sticusa. Kreeg vooral bekendheid met Ilushon di Anochi, een Papiamentse bewerking van Midsummernight’s Dream van Shakespeare (1967).

  • Werken:
  • Het Nederlands op de Curaçaosche school (diss. 1969);
  • Julio Perrenal, dichters van het Papiamentse lied (samen met Julian Coco 1979);
  • Antiya (1981);
  • Kinderen van de fraters (ter perse).

 

@: Palm, Rudolf Theodorus

(Curaçao 11 januari 1880 - 11 september 1950) kleinzoon van Jan Gerard Palm, was, evenals zovele andere leden van deze uitzonderlijk muzikale familie, een veelzijdig musicus. Speelde piano, orgel en fluit, componeerde een groot aantal walsen, marsen enz. en was tevens een bekwaam arrangeur.

  • Wrk.: Bam Canta, liederenbundel (in samenwerking met Nilda Pinto) (1948).

 

@: Palm, Telésforo Alberto

(Curaçao 5 januari 1903 - 10 juli 1958) musicus, achterkleinzoon van Jan Gerard, was één der populairste componisten van Antilliaanse muziek. Albert Palm was contrabassist en als zodanig jarenlang lid van het Curaçaosch Philharmonisch Orkest (inmiddels opgeheven) maar zijn plaats in de Curaçaosche muziekgemeenschap dankt hij aan zijn composities - vooral zijn vrolijke, tweedelige walsen - en de onnavolgbare wijze waarop hij deze op de piano ten gehore bracht.

 

@: Palm, Walter Joseph Marten

(Curaçao 21 januari 1951). Exponent van de generatie rondom het tijdschrift Watapana. Publiceert zijn gedichten in het Engels, Nederlands en Papiamentu.

  • Werken:
  • Winds of words (1978);
  • Genesis en Apocalypse (1980);
  • Un boka di poesía (1983).

 

@: Palm Beach

Deel van de zuidwestelijke kust van Aruba, bekend om het mooie strand. Sinds enige jaren is dit deel van Aruba’s kust de grote trekpleister voor het toerisme; er zijn verscheidene grote, op het internationale (vooral Amerikaanse) toerisme afgestemde hotels gebouwd.

 

@: Palmen

(Palmae) zijn bomen die maar zelden vertakt zijn. Bladeren waaiervormig of veervormig gespleten, aan de top van de stam; bloemen in grote bloeiwijze die door een schede is omsloten. In de Nederlandse Antillen is een 7-tal soorten vertegenwoordigd:

  • Palmit (Copernicia tectorum), blad waaiervormig, bladsteel met grote, bruine teruggebogen stekels. Curaçao. Gekweekt en verwilderd.
  • Dader (Phoenix dactylifera) of dadelpalm, date. Stam ruw door resten van afgevallen bladeren; bladeren veervormig, waarvan de vinnen eindigen in een punt; bloemen in grote, sterk vertakte trossen; vrucht een ovaalvormige, langgerekte, geelbruine bes met een zeer hard, langwerpig zaad. Vrucht eetbaar, geconfijt in de handel gebracht. De dader is aangeplant in vele hofjes en wordt ook benut voor verfraaiing van perken en plantsoenen.
  • Koko (Cocos nucifera) of coco nut, water nut, kokospalm, klapper. Bladeren veervormig; bloemen in aren, die in grote pluimen gerangschikt zijn; bloeiwijze in jonge toestand ingesloten door een dik-leerachtige, aan één zijde opengescheurde schede; vrucht: een steenvrucht; vruchtwand uit 3 lagen opgebouwd waarvan de middelste laag vezelig en de binnenste laag zeer hard is (steen); binnen de steen het zaad met dunne zaadhuid, een laag vlezig kiemwit en waterig kiemwit; vlezig kiemwit ten onrechte ‘vruchtvlees’ genoemd - is eetbaar; kan in gedroogde vorm (kopra) worden uitgeperst en levert de klapperolie, grondstof voor margarine, zeep en kaarsen; het waterig kiemwit is drinkbaar (liplap of klappermelk); top van de jonge plant levert een groente (palmkool); het hout wordt als timmerhout verwerkt; bladeren worden voor dakbedekking en vlechtmateriaal gebruikt; vezellaag van vruchtwand wordt verwerkt tot touw of ‘kokosmatten’. De kokospalm werd vermoedelijk door de Spanjaarden via de Kaapverdische Eilanden naar de West-Indische Eilanden gebracht. In 1820 telde men op Curaçao 10.000 palmen. Op Patrick vindt men nog de resten van een grote kokosaanplant, terwijl ook de plantages Klein en Groot St. Joris, Klein Santa Martha en Lagun uitgebreide aanplantingen bezaten. De laatste jaren worden op de Benedenwindse Eilanden veel kokosbomen aangeplant ter verfraaiing van het landschap in verband met het streven het toerisme te stimuleren.
  • Mountain cabbage (Euterpe globosa), palm met gladde stam en veervormige bladeren. Saba rond en nabij de top van Mount Scenery.
  • Koningspalm (Oreodoxa regia) of royal palm, hoge boom met een naar de top opgezwollen stam en in het bovenste deel groen. St. Maarten.
  • Kabana (Sabal palmetto), lage boom met waaiervormige bladeren; bladsteel zonder stekels; bIoemen in grote pluimen. Zeldzaam. Curaçao (Christoffel¬park) en Bonaire (Plantage Lima).

 

@: Palomba
zie @: Duif.

 

@: Paluli
zie @: Tweekleppigen.

 

@: Pamflet
zie @: Letterkunde in de Nederlandse AntiIIen.

 

@: Pam pa mi ruman, Stichting

In 1964 nam pater Brenneker het initiatief om in Otrobanda een broodhuis op te richten; waar arme mensen iedere dag een belegde pan franses konden krijgen. Er werden jaarlijks ongeveer 30.000 broodjes uitgedeeld. Om praktische redenen heeft men het uitdelen van broodjes vervangen door het verschaffen van voedselpakketten, wat nu merendeels gebeurt door tussenkomst van de pastoors van de verschillende parochies. De onkosten worden gedekt door giften, die nagenoeg ongevraagd binnenkomen.
(Zie ook: @: Pater Brenneker; @: Drecha Kas, @: Kas pa nos tur.

 

@: Pampano / @: Pampu

(Trachinotus goodei) cobbler of pampano, valt op door zijn schijfvormige bouw en zijn lange eerste vinstralen. Bij de jonge dieren zijn deze vinstralen zo lang, dat zij als lange rafels achter de vis aan wapperen, zodat de dieren ogenschijnlijk moeilijk vooruitkomen.

 

@: Pampuna

(Cucurbita maxima) of pumpkin is een kruid behorend tot de familie der Cucurbitaceae, met ronde of langwerpige vruchten; het vruchtvlees wordt, gestoofd of gekookt, met vlees gegeten.

 

@: Paña di kabes
of lensu (zie @: Klederdrachten).

 

@: Pan-Amerikaanse Unie

wordt in de statuten van de O.A.S. (Organization of American States), sedert 2 mei 1948, aangeduid als permanent hoofdorgaan van de O.A.S. en als Secretariaat van de Organisatie. Het Koninkrijk der Nederlanden en dientengevolge de Nederlandse Antillen hebben een waarnemersstatus in zittingen van de organisatie. Er is een resolutie aangenomen waarin de conferentie zich uitsprak tegen het voortbestaan van kolonialisme en de occupatie van Amerikaanse gebieden door landen buiten het Amerikaanse continent.

 

@: Pan batí
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Panikrak
zie @: Krabben.

 

@: Paniweri

(Spaans: parihuelas) draagbaar, brancard. Op Bonaire, waar men de Curaçaosche verbastering niet heeft overgenomen, spreekt men van pariwela.

 

@: Papaya

(Carica papaya) of pawpaw behoort tot de familie der Caricaceae; de plant wordt op aIle eilanden geteeld om de voedzame vrucht die - ook groen - gestoofd wordt gegeten.

 

@: Papegaaien

(familie Psittacedae) zijn alleen op de Benedenwindse Eilanden te vinden. Elk der drie eilanden heeft zijn eigen endemische ondersoort van prikichi (Aratinga pertinax) of parkiet; de Bonairiaanse vorm heeft het meeste geel en de Arubaanse vorm het minste geel aan de kop. De vogels vallen direct op door hun luidruchtig gekrijs en hun onwaarschijnlijk groene kleur. Ze leven van allerlei droge zowel als sappige vruchten, van wilde- en gekweekte boom- en cactussoorten, ook van maïshi chikitu (‘kleine’ maïs). Merkwaardig is hun gewoonte om in grote kogelvormige boomnesten van termieten hun eigen nestholte met nauwe toegangskoker uit te hakken. Ook nestelen ze wel in holen en steile kalkrotsen, een enkele keer in een holle (palm)boom. De stevige eieren (4-5 per nest) zijn rond. De nog niet vlugge jongen worden nogal eens uit het nest gehaald en in kooien gehouden. Op Curaçao is bij Plantage Raphael de halsbandparkiet Psittacula krameri uit tropisch Noord-Afrika en Zuid-Azië ingeburgerd. De kleine bibitu (Forpus passerinus), die geheel groen is en een korte rechte staart heeft, ziet men af en toe op Curaçao en schijnt uit Venezuela over te vliegen, maar is ook uit Colombia ingevoerd.

De lora

De lora (Amazona barbadensis) is op Aruba omstreeks 1947 uitgestorven; de Bonairiaanse ondersoort ervan, die ook op Blanquilla en Margarita voorkomt, handhaaft zich nog in het noordwesten van Bonaire en Margarita. De lora is forser dan de prikichi, heeft een kortere staart, gele en rode vlekken op de vleugel en maakt een duidelijk ander, zwaarder geluid. Indien aan de bescherming van de vogel niet zeer streng de hand wordt gehouden, zal deze ondersoort spoedig uitgestorven zijn (zie @: Natuurbescherming).

 

@: Papiamentu

Inhoudsopgave

  • Hoofdstuk 1: Inleiding: Een kleine taal
  • Hoofdstuk 2: Geschiedenis
    Sectie 1: De eerste vermeldingen
    Sectie 2: Oorsprong
  • Hoofdstuk 3: Functie en status
  • Hoofdstuk 4: Structuur
    Sectie 3: Algemeen
    Sectie 4: Lexicon
    Sectie 5: Fonologie
    Sectie 6: Morfologie
    Sectie 7: Syntaxis
  • Hoofdstuk 5: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden
  • Hoofdstuk 6: Standaardisatie en instrumentalisatie
  • Hoofdstuk 7: Literatuur
    Sectie 8: Bibliografieën
    Sectie 9: Algemeen
    Sectie 10: Oorsprong en geschiedenis
    Sectie 11: Functie
    Sectie 12: Structuur
    Sectie 13: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden
    Sectie 14: Spelling

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp

  • Papiamentu de taal Hoofdstuk 1: Inleiding: Een kleine taal

Papiamentu is de moedertaal van de Antillianen op de Benedenwindse Eilanden Curaçao, Aruba en Bonaire (zie @: Dialecten). Het aantal Papiamentu-sprekenden zal naar schatting tussen 175.000 en 190.000 liggen. Dat betekent, dat het op wereldniveau met een bevolking van ongeveer 6.5 miljard, mensen (schatting 2008) het een hele kleine taal is. Mandarijn Chinees dat in het algemeen als de belangrijkste taal der Chinezen wordt beschouwd en daarmee die door de meeste mensen ter wereld gesproken taal is, telt zo’n 1 miljard sprekers. Het Engels, dat in de grootte der door meeste mensen gesproken talen op de tweede plaats komt - de belangrijkste taal van het Westen -  telt zo’n 514 miljoen sprekers en de taal van de Hindu’s (Hindustani met al zijn dialecten daarbij inbegrepen) telt ook rond de 500 miljoen; 496 miljoen volgens de schattingen. Het Spaans staat op de vierde plaats (475 miljoen) en op de vijfde plaats komt het Russisch met 275 miljoen sprekers.

De naam Papiamentu betekent in deze taal "gepraat", afgeleid van het werkwoord papia (praten), dat vermoedelijk afkomstig is van het oud-Portugees papear, waar echter een denigrerende connotatie aan verbonden is. Op het Spaanssprekende eiland Puerto Rico wordt de term papiamento nog gebruikt in de betekenis van taaltje of gebroken Spaans.

 

  • Papiamentu de taal Hoofdstuk 2: Geschiedenis
  • Sectie 1: De eerste vermeldingen

De eerste meldingen van een creoolse taal (zie @: Creoolse talen) op de Nederlandse Benedenwindse Eilanden dateren uit het begin van de 18de eeuw, wanneer een missionaris - pater Schabel meedeelt, dat de mensen er een soort ‘gebroken Spaans’ spreken. Enige tijd later, in 1732, vermeldt één van de brieven van pater Caysedo dat men er onder andere kennis nodig had van ‘de taal van het land’, zoals door pater W.M. Brada is aangehaald in zijn werk Prefect Caysedo 1715-1738 (1956). Maar absolute zekerheid dat Caysedo hiermee het Papiamentu bedoelde, is er niet. (De nu in onbruik geraakte term van latere datum landstaal verwees wel naar het Papiamentu). Ruim dertig jaar na bovenvermelde brief van Caysedo wordt de term creoolse taal gesignaleerd. Van de paters franciscanen is bekend dat zij vanaf 1776 in het Papiamentu predikten. De oudste in het Papiamentu gestelde tekst dateert uit 1775; het is een uit twee brieven bestaande correspondentie tussen twee echtgenoten, leden van de sefardische (= Joodse) gemeenschap op het eiland Curaçao (zie @: Portugees). Uit 1825 dateert de eerste tekst van enige omvang en van publieke aard, de catechismus van M.J.Niewindt: Declaracion corticu di catecismo pa uso di Catholica di Curacao.
 

  • Papiamentu de taal Sectie 2: Oorsprong

Het Papiamentu moet na 1634, het jaar waarin de Nederlanders Curaçao veroverden, ingevoerd zijn, aangezien alle daar aanwezige personen, op enkele tientallen indianen na, het eiland toen moesten verlaten. Spaanse invloeden van vóór 1634 kunnen dus nauwelijks een rol hebben gespeeld bij de vorming van het Papiamentu. Nu is het lexicon van deze taal hoofdzakelijk van Portugees/Spaanse afkomst. Het is daarom zeer wel mogelijk dat de oorsprong in West-Afrika moet worden gezocht, waar in de Portugese slavenkampen een bevolking te vinden was, die - wat het Afrikaanse element betreft - uit mensen van verschillende stammen bestond, die niet altijd onderIing verstaanbare talen zullen hebben gesproken. Voor de communicatie tussen deze groepen, en van deze met de Portugese heersers, kan een lingua franca ontstaan zijn, een pidgintaal (zie @: Creoolse talen) met een hoofdzakelijk aan het Portugees ontleend lexicon. De schepen die ná 1634 slaven aanvoerden, hadden soms aalmoezeniers aan boord die Spaanstalig waren. Vandaar dat het voor het Papiamentu niet mag worden uitgesloten dat de oudste lexicale kern van het Portugees afkomstig is geweest, waarmee reeds aan boord van de slavenschepen (gedeeltelijke) relexificatie (zie @: Creoolse talen) kan hebben plaatsgevonden in de richting van het Spaans. Het in Afrika ontstane pidgin was toen immers nog van zeer recente datum. Deze relexificatie werd versterkt doordat spoedig Spaanssprekende missionarissen op het eiland werden toegelaten die zich aan de kerstening van de slaven gingen wijden. Een andere verklaring van het Portugees als eerste bron van de woordenschat staat in verband met de tijdelijke heerschappij van de Nederlanders in een deel van Brazilië. Aan het einde van deze periode werd er o.a. uitgeweken naar de Antillen, waarbij Portugeestalige sefardische joden zich op het eiland Curaçao vestigden. Maar ook zijn toen slaven naar het eiland overgebracht, die wellicht een creoolse taal spraken (of misschien een pidgin gebruikten) waarvan het lexicon hoofdzakelijk gebaseerd moet zijn geweest op dat van de taal van hun Portugeessprekende meesters. Ook volgens deze theorie moet later relexificatie hebben plaatsgevonden in de richting van het Spaans.

Ten aanzien van de bijdrage van Afrikaanse talen aan de vorming van het Papiamentu kan gesteld worden, dat die niet zozeer op het gebied van het lexicon ligt als wel op dat van de fonologie en de syntaxis (zie @: Afrikaanse talen).

 

Papiamentu de taal Hoofdstuk 3: Functie en status

Voor de op Curaçao aanwezige slaven zal het Papiamentu geleidelijk aan definitief de rol zijn gaan vervullen van moedertaal, al zal het daarnaast als lingua franca dienst zijn blijven doen, niet alleen tussen de slaven en hun Portugees of Nederlands sprekende meesters, maar vermoedelijk ook tussen de sefardische joden en de Nederlandse bevolkingsgroep. Dit zal de situatie zijn geweest tot in de eerste helft van de 18de eeuw, terwijl in de tweede helft de eerste aanwijzingen aan te treffen zijn van een verdere uitbreiding van het Papiamentu: het verkrijgt in deze periode de functie van moedertaal van althans een deel van de sefardische bevolkingsgroep (zie boven: Geschiedenis), daarbij het Portugees verdringend dat nog wel enige tijd gehandhaafd bleef in officiële stukken. Berichten uit het begin van de 19de eeuw melden, dat het Papiamentu ook in de minder ontwikkelde gezinnen van NederIandse afkomst het Nederlands als voertaal had verdrongen, terwijl dit soms eveneens bij de ‘meest beschaafden en geletterden’ werd geconstateerd (zie @: NederIands).

Deze penetratie van het Papiamentu in de maatschappij heeft niet verhinderd, dat men het heel lang minachtend bleef bejegenen, al droeg de omstandighed dat het waarschijnlijk als lingua franca werd gebruikt tussen twee ontwikkelde bevolkingsgroepen van Europese afkomst (zie boven) er toe bij dat deze minachting voor het ‘negertaaltje’ minder groot was dan elders in het Caribisch gebied. Maar toch kwam het voor, dat zelfs als men een beschrijving van de structuur van het Papiamentu gaf, men zich tevens afvroeg of het wel een taal was (zie het onder Lit.: Structuur genoemde werk van A. Jesurun). En ook werd de mening verkondigd dat het nadelig was voor het aanleren van andere talen en zelfs schadelijk voor het verstand van kinderen.

In de 20ste eeuw is het Papiamentu de algemene moedertaal geworden op de Benedenwindse Eilanden. Dit heeft geleid tot de nieuwste fase in de wijziging van functie en status van de taal, namelijk het Papiamentu in het schoolonderwijs. Was het tot voor kort nog zo dat het de leerlingen op school verboden was om Papiamentu te spreken, ook tijdens de pauze op de speelplaats, nu zijn de voorbereidingen voor het invoeren van deze taal als leervak op de basisscholen al in een vergevorderd stadium, zodat de daadwerkelijke onderwijsactiviteiten niet lang meer op zich zullen laten wachten. De volgende stap die wordt voorbereid is het Papiamentu als voertaal in het onderwijs.

 

Papiamentu de taal Hoofdstuk 4: Structuur

  • Sectie 3: Algemeen

Vanaf het einde van de 19de eeuw, toen de eerste beschrijvingen van het Papiamentu het licht zagen, tot aan de 1950ger jaren analyseren de grammatica’s die werden gepubliceerd, de taal volgens de traditionele Europese spraakkunst, een benadering die ook voor de moderne Indo-europese talen niet zonder meer te handhaven is en die voor het Papiamentu ongeschikt kan worden genoemd. Bovendien wordt niet altijd het descriptieve van het normatieve onderscheiden. Een uitzondering op de werken uit deze periode vormt de studie van R. Lenz, die een poging tot bestudering ‘vanbinnen uit’ heeft gedaan (zie Lit.: Structuur), voor zover zijn onvoldoende kennis van de taal dit toeliet. Van groot nut, ondanks bovengenoemd niet adequaat uitgangspunt, is het werk van E. Goilo: ’Papiaments leerboek’, dat voor talrijke geïnteresseerden de handleiding is geweest bij het aanleren van de taal.

Sinds de 1950ger jaren verschijnen studies van de hand van modern opgeleide linguïsten, wat hoofdzakelijk zijn verklaring vindt in een duidelijke opleving van de algemene creolistiek. De schrijvers zijn veelal niet-Antillianen, vaak afkomstig uit de Verenigde Staten en behandelen over het algemeen deelgebieden van de structuur. De nieuwere leerboeken en woordenlijsten / woordenboekjes zijn bijna altijd geschreven door Antillianen.

 

  • Papiamentu de taal Sectie 4: Lexicon

Zoals reeds gezegd is de woordenschat voor een groot deel van Spaanse afkomst, vermoedelijk als vervanging van de oude Portugese kern. Er zijn nog woorden aan te wijzen die zeer waarschijnlijk van het Portugees zijn afgeleid: "tin" (hebben); "bai" (gaan); "na" (aan, te, in). Veel woorden gaan duidelijk op het Spaans terug, maar voor een niet onaanzienlijk aantal geldt dat zowel Spaans als Portugees de oorsprong kan zijn. Uitsluitsel hierover kan slechts verkregen worden na gedegen onderzoek. De etymologie heeft weliswaar velen die zich met het Papiamentu hebben beziggehouden geboeid, maar helaas is dit zelden op wetenschappelijk verantwoorde wijze gebeurd. Hierin valt echter de laatste jaren een voorzichtige kentering ten goede waar te nemen. Van de nieuwe woorden levert het Spaans het grootste deel van de terminologie voor abstracte begrippen. Andere talen die belangrijke bijdragen hebben geleverd en nog leveren zijn: het Nederlands (men denke aan de invloed van het schoolonderwijs en van de overheidsinstanties) en het Engels (techniek, handel). Opmerkelijk is dat het Frans voor enkele beroepen een beperkt aantal termen heeft geleverd.

 

  • Papiamentu de taal Sectie 5: Fonologie

Het Papiamentu kent de volgende tien vocalen:

  • a (zeer open klank) - "kas" (huis);
  • è (ongeveer als in het Nederlands bed) - Papiamentu: "nèchi" (mooi, netjes);
  • é (ongeveer als in het Spaans mesa) - Papiamentu "néchi" (noot);
  • i (ongeveer als in het Nederlands vies) - Papiamentu "spil" (spiegel);
  • ô (ongeveer als in het NederIands bos) - Papiamentu "nô" (neen);
  • ó (ongeveer als in het Spaans cosa) - Papiamentu "no" (niet);
  • ü (ongeveer als in het Nederlands zuur) - Papiamentu "zür";
  • u (ongeveer als in het Nederlands doen) - Papiamentu "muf" (bewegen);
  • û (ongeveer als in het Nederlands bus) - Papiamentu "bûs";

Van de 24 consonanten klinken de volgende ongeveer als in het Nederlands: p-b-t-d-k-f-v-s-z-g (scherpe g)-h-l-r (met de tongpunt!)-m-n. Daarnaast komen voor:

  • g (een zware g met een vleugje zware k erin als in het Frans garçon; Papiamentu "garóshi" = kar);
  • ng, voorgesteld door een "n" aan het eind van een woord (Papiamentu "nan" = zij maar ook de bijvoegsel ter verkrijging van de meervoudsvorm: auto - autonan);
  • ñ (ongeveer als in het Nederlands Spanje; Papiamentu "haña" = krijgen);
  • w (bilabiaal, als in het Engels);
  • y (j-klank; Papiamentu "yora" = huilen);
  • de vier palatale consonanten sh (als in het Engelse shaking;), zj (als in het Frans Jean), ch (als in het Spaans mucho), dj (als in het Engels Jack). 

Aan het begin van een woord komen maximaal drie consonanten voor, aan het eind twee: "sklama" (klagend uitroepen); "bals" (kauwgum). Verder komen tweeklanken en drieklanken voor. Als toontaal (zie @: Toontalen) kent het Papiamentu ook toonfonemen: een hoge of een lage toon op iedere lettergreep. Deze lexicale tonen worden onafhankelijk van het klemtoonsysteem gebruikt: Voorbeelden: "bèrdè" (tonen hoog-laag, klemtoon op de eerste lettergreep: groen); "bèrdè" (tonen laag-hoog, klemtoon op de tweede lettergreep: waar, niet gelogen); "sin káska" (hoog-hoog-laag, klemtoon op de tweede lettergreep: zonder schil); "sin kaska" (hoog-laag-hoog, klemtoon op de tweede lettergreep: zonder te schillen); "tur ta sunchi" (hoog-hoog-hoog-laag, klemtoon op de eerste en de derde lettergreep: zij zoenen allemaal); "tur ta sunchi" (hoog-laag-hoog-laag, klemtoon op de eerste en de derde lettergreep: het zijn allemaal zoenen).

Sommige onbeklemtoonde lettergrepen hebben geen eigen toon, maar krijgen er één toegewezen,waarbij de keuze door polarisatie ten opzichte van de toon van de erop volgende lettergreep bepaald wordt: Als er een lage lettergreep volgt, wordt aan de polariserende lettergreep een hoge toon toegekend, en vice versa. In de volgende voorbeelden wordt een hoge toon aangegeven door een streep boven de vocaal, een lage toon door een streep onder de vocaal:

  • "un kashi pa Kolá" (een kast voor Klaas); omdat de lettergreep "Ko" een lage toon heeft, krijgt de polariserende lettergreep "pa" een hoge, en als gevolg hiervan krijgt de polariserende lettergreep "shi" weer een lage toon. De uitspraak wordt dus: "un kashi pa Kolá";
  • "un kashi pa Pe" (een kast voor Piet) wordt volgens dezelfde regels: "un kashi pa Pe";
  • "mi ta kèns" (ik ben een sufferd) wordt «mi ta kèns» en
  • "mi ta kansá" (ik ben moe) wordt: "mi ta kansá".

Ten aanzien van de lexicale tonen dient ook gewezen te worden op de beïnvloeding door de tonen van de zinstonatie: de uiting "un kashi grandi yen" wordt in een bevestigende zin gerealiseerd met tonen die zigzaggend afdalen: In de vragende zin "Kwa kashi grandi yen?" ontstaan afdalende terrassen:

  • Papiamentu de taal Sectie 6: Morfologie

Deze is tamelijk beperkt, maar toch uitgebreider dan in bestaande grammatica’s wordt aangegeven, wat o.a. daaraan te wijten is dat de toonfonemen niet in de beschrijving worden opgenomen, ook niet in de leerboeken, terwijl toch de schrijvers van deze laatste categorie bijna altijd het Papiamentu als moedertaal hebben en zelf de tonen uiteraard feilloos hanteren. Hoe belangrijk dit tonale element is, moge blijken uit de vormen van het volgende werkwoord:

  • "buta" (laag-hoog, klemtoon op de lage lettergreep: leggen, zetten);
  • "buta" (hoog-laag, klemtoon op de hoge lettergreep: imperatief van leggen, zetten);
  • "buta" (laag-hoog, klemtoon op de hoge lettergreep: participium van leggen, zetten);
  • "butando" (laag-hoog-laag, klemtoon op de hoge lettergreep: tegenwoordig deelwoord van leggen, zetten).

Bij werkwoorden als "dal" (hoog met klemtoon: slaan) en 'keiru" (hoog-laag, klemtoon op de hoge lettergreep: kuieren, een ommetje maken, wandelen) bestaat slechts een tweede vorm: "edal' of "idal" en "ekeiru" of "ikeiru", als participium; aparte vormen voor de imperatief hebben ze niet, en evenmin kunnen ze gebruikt worden in constructies waar een tegenwoordig deelwoord vereist is. Een werkwoord als "ataká" (laag-laag-hoog, klemtoon op de hoge lettergreep: aanvallen) heeft ook slechts een tweede vorm, maar in dit geval komt het tegenwoordig deelwoord "atakando" voor; er zijn geen aparte vormen voor de imperatief of voor het participium.

Het Papiamentu kent verder het gebruik van voor- en achtervoegsels, zoals bijvoorbeeld: "konsehá" (aanraden); "deskonsehá"; (afraden); "fèrf" (verven); "fèrfdó" (schilder); "fèrfmentu" (het schilderen); "seku" (droog); "sekura" (droogte); "flaku" (mager); "flakura" (het mager zijn, de magerheid); "flakesa" (wee gevoel ten gevolge van bijvoorbeeld honger); "konsiderá" (overwegen); "konsiderashon" (overweging); "mi kas" (mijn huis); "mi kasnan" (mijn huizen).

 

  • Papiamentu de taal Sectie 7: Syntaxis 

Het verbale systeem is het meest ingewikkelde. In een actieve zin bestaat de kern uit de vorm van het werkwoord die onder het hoofd morfologie als eerste is genoemd, al of niet voorafgegaan door een van de partikels "ta", "tabata", "a"; het geheel weer al of niet voorafgegaan door het partikel "lo"; met deze combinaties worden tijden en aspecten aangegeven. Voorbeelden:

  • "kome" (eten);
  • "nan ta kome" (zij eten, zijn aan het eten)
  • "nan sa kome" (zij plegen te eten);
  • "nan tabata kome" (zij aten, verleden tijd van het vorige voorbeeld; waren aan het eten, voltooid verleden tijd; hadden de gewoonte om te eten);
  • "nan a kome" (zij hebben gegeten, zij hadden gegeten);
  • "nan lo kome" (zij zullen eten);
  • "nan lo ta kome / komiendo" (zij zullen aan het eten zijn);
  • "nan lo tabata kome" (verleden tijd van vorige voorbeeld);
  • "nan lo a kome" (zij zouden eten, zullen gegeten hebben, zouden gegeten hebben).

In passieve zinnen (een zeer weinig gebruikte constructie) wordt vlak voor de participiumvorm van het werkwoord, dus achter eventuele partikels, het hulpwerkwoord van het passivum geplaatst. Het Papiamentu kent ook de vrij algemeen in Creoolse talen voorkomende verbale constructie met seriële werkwoorden: "Nan ta [lanta, para]" (zij richten zich op; zij gaan staan); "Belita a [bula lanta kana bai porta]" (B. [sprong, stond op, liep, ging] naar de deur; B. sprong op en snelde naar de deur).

Enkele voorbeelden van nominale constructies: "kas" (huis, zonder nadere bepaling omtrent enkelvoud of meervoud); "tres stul" (drie stoelen); "e tres stulnan" (de drie stoelen); "franses gusta biña" (Fransen houden van wijn); "fransesnan a gana seis pa dos" (de Fransen hebben met 6-2 gewonnen); "e kas bunita" (het mooie huis); "e kasnan bunita" (de mooie huizen). De normale woordvolgorde is: onderwerp - verbale constructie - meewerkend voorwerp - lijdend voorwerp. Voorbeeld: "e hòmber ta duna su ruman un buki" (de man geeft zijn broer een boek). Voorplaatsing van een voorwerp, vaak voorafgegaan door het partikel "ta", geeft focalisatie: "e hòmber ta kome karni" (de man eet vlees); "(ta) karni e hómber ta kome" (het is vlees wat de man eet; het is vlees wat de man aan het eten is). Let op de inversie en op de benadrukking.

In koppelwerkwoordconstructies plaatst men voor het zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord of het bijwoord één van de partikels "ta" of "tabata", al of niet voorafgegaan door het partikel "lo". Enige voorbeelden:

  • "nan ta rabia" (zij worden boos)
  • "nan ta rabiá" (zij zijn boos; let op de zware accent op de a van de tweede lettergreep);
  • "nan lo ta rabiá" (zij zullen boos zijn);
  • "nan tabata na kas" (zij waren thuis);
  • "nan lo tabata na kas" (zij zouden thuis zijn, zullen/zouden thuis geweest zijn).

 

Papiamentu de taal Hoofdstuk 5: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden

Al in de vorige eeuw verschenen woordenlijsten met ‘samenspraken’, evenals woordenboekjes (Papiamentu - Nederlands en/of Spaans). De opgaven op dit gebied uit de 20ste eeuw bevatten veelal ook uitdrukkingen en spreekwoorden. De woordenboeken die, tot nu toe zijn uitgekomen zijn eerder te beschouwen als uitgebreide alfabetische woordenlijsten. Een omvangrijker werk is in voorbereiding. Het grootste struikelblok, namelijk het ontbreken van een officiële spelling waardoor het vaststellen van de alfabetische volgorde enigszins willekeurig was, is nog niet definitief uit de wereld, maar met de huidige spelling Römer-Maduro-Jonis, die men, met enkele wijzigingen, op het eiland Curaçao wil gaan volgen (en die voornamelijk gebaseerd is op fonologische analyses) kunnen allerlei werkzaamheden van start gaan, al hoort hiermee de spellingkwestie geenszins tot het verleden.

 

Papiamentu de taal Hoofdstuk 6: Standaardisatie en instrumentalisatie

Het in het vorige hoofdstukje beschrevene leidt vanzelf tot het onderwerp Standaardisatie en Instrumentalisatie. Een officiële spelling is zelfs een onmisbare voorwaarde voor instrumentalisatie. En de beslissing omtrent het al of niet opnemen van een lemma in het woordenboek is onderdeel van de standaardisatie. Wil men het voornemen om het Papiamentu in het onderwijs te gebruiken op een geslaagde manier in daden omzetten, dan zal men op dit gebied nog zeer veel werk moeten verzetten. En ook buiten het onderwijs moet de standaardisatie, nu geleidelijk aan voorschriften, aankondigingen, verkeersaanwijzingen en dergelijke in het Papiamentu worden gesteld, als een zeer belangrijk punt worden beschouwd, zowel bij de keuze uit al bestaande mogelijkheden als bij het scheppen van nieuwe.

 

Papiamentu de taal Hoofdstuk 7: Literatuur

  • Sectie 8: Bibliografieën
    Literatuur: Bibliografieën:
  • J. Clemesha, Ensayo de bibliografía temática del Papiamento, Trayecto 2 (1980);
  • F. Martinus, Bibliografie van het Papiamentu (1966-1972);
  • W.J. Primus, Creole and pidgin languages of the Caribbean: a select bibliography (1972);
  • J. Reinecke e.a., A bibliography of pidgin and creole languages (1975),

 

  • Sectie 9: Algemeen
    Literatuur: Algemeen:
  • A.A, Fokker, Papiamentoe, in: Encyclopaedië van Nederlandsch West-Indië, D. H. Benjamins en J.F. Snelleman red., (1914-1917, 1981);
  • A. Jesurun, zie hierna onder Structuur (1897);
  • R.G. Römer, De taalsituatie op de Nederlandse Antillen, in: Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen, R.A. Römer red. (1977).

 

  • Papiamentu de taal Sectie 10: Oorsprong en geschiedenis
    Literatuur: Oorsprong en geschiedenis:
  • M.A. de Almeida, Fonología historica del Papiamento, MA-scriptie (1972);
  • M. Alvarez Nazario, Un texto literario del Papiamento documentado en Puerto Rico en 1830, voordracht Symposium Willemstad (1970);
  • J.C. Birmingham jf., Papiamentu’s West African cousins, in: 1975 Colloquium on Hispanic linguistics, F.M. Aid e.a. red. (1976);
  • I.S. en S.A. Emmanuel, History of the Jews of the Netherlands Antilles (1970);
  • O. Ferrol, La cuestion del origen y de la formacion del Papiamento, doctoraalscriptie (1977; 1982);
  • M. Goodman, The Portuguese element in the New World Creole, in: Papers from the parasession on nondeclaratives, R. Schneider e.a. red. (1977);
  • G. de Granda, El repertorio de los sefarditas de Curaçao durante los siglos XVII y XVlII y el problema del origen del Papiamento, Romance Philology (1974);
  • C. de Haseth; Een poging tot rekonstruktie van de gemeenschap waarbinnen zich het Papiamentu vormde, Kristof VI (1982);
  • H. Hoetink, Het patroon van de oude Curaçaosche samenleving - Een sociologische studie (1958, 1971);
  • R. Lenz, zie hierna onder Structuur (1928);
  • A.J. Maduro, Papiamentu - origen y formacion (1965);
  • Idem, Procedencia di palabranan Papiamentu i otro anotacionnan (A-M) (1966);
  • Idem, Procedencia di palabranan Papiamentu i otro anotacionnan (N-ZJ) (1966);
  • Idem, Appendix, in: Bon Papiamentu (1971);
  • F. Martinus Arion, The Guene Kriole of the Netherlands Antilles, Conference of the Society of Caribbean Linguistics (1980);
  • N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977);
  • M.J. Niewindt, Declaracion corticu di catecismo pa uso di Catholica di Curaçao (1825);
  • L.A. Richardson, Ensayo de etimología de algunas palabras del Papiamento: las partes del cuerpo humane y algunas funciones del mismo, licentiaat-scriptie (1972);
  • R.A. Römer, Un pueblo na kaminda Een sociologisch historische studie van de Curaçaosche samenleving, dissertatie (1977);
  • R.E. Wood, zie hierna onder Structuur (1970);
  • Idem, New light on the origins of Papiamento: an eighteenth century letter, Neophilologus (1972).

 

  • Papiamentu de taal Sectie 11: Functie
    Literatuur: Functie:
  • R. Domingos, Attitude and language choice in a multilingual society: Urban Curaçao, dissertatie (1974);
  • E. Muller, Naar een Papiamentstalige basisschool op de Nederlandse Antillen (1975);
  • A.C. (= N.) Prins-Winkel, Kabes duru?, dissertatie (1973);
  • N. Prins-Winkel, Educational myths, ideals and realities on the A-B-C-islands of the Netherlands Antilles, in: Papiamentu - problems and possibilities, E. Muller red. (1983);
  • R.G. Römer, zie hierboven onder Algemeen (1977);
  • W.A. Stewart, Creole languages in the Caribbean, in: Study of the role of second languages, F.A. Rice red. (1962).

 

  • Sectie 12: Structuur
    Literatuur: Structuur:
  • R.W. Andersen, Nativization and hispanization in the Papiamentu of Curaçao, Netherlands Antilles - A sociolinguistic study of variation, dissertatie (1974);
  • P. Baum, Sistema vocálico del Papiamento, dissertatie (1974);
  • J.C. Birmingham jf., The Papiamentu language of Curaçao, dissertatie (1970); M(artha) B. Dijkhoff, The process of pluralization in Papiamentu, Amsterdam Creole Studies IV (1982);
  • N.J. Evertsz, Compendio de la gramatica del Papiamento o sea metodo para aprender a hablarlo y a escribirlo en corto tiempo (met woordenlijst) (1898);
  • E.R. Goilo, Papiaments leerboek (1951, 1973);
  • Idem, Gramatica Papiamentu (1953);
  • Idem, Papiamentu textbook (1962);
  • Idem, Hablemos Papiamento (1974);
  • C.C. Harris, Papiamentu phonology, dissertatie (1952);
  • A. Jesurun, Eenige beschouwingen over de volkstaal op Curaçao, Eerste jaarlijksch verslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (1897);
  • Idem, Het Papiëmentsch, Tweede jaarlijksch verslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (1898);
  • M. de Jesus e.a., Papiamentu voor beginners (1978);
  • R. Lenz, El Papiamento - La lengua criolla de Curazao (1928);
  • A.F. María, Pía-Pía Methode Papiamentu I en II, (1978);
  • A. Pijpers, Theoretische spraakkunst der Papiamentsche taal (1898);
  • R.G. Römer, Polarization phenomena in Papiamentu, Amsterdam Creole Studies I (1977);
  • Idem, Papiamentu tones - how speakers use them and how they bind speakers, in: Papiamentu problems and possibilities,
  • E. Muller red. (1983); I. Silva Fuenzalida, Papiamentu morphology, dissertatie (1953);
  • A.F. Sintiago, Gramatica Corticoe di Idioma Papiamentoe (1898);
  • R. Todd Dandare, Analisis de la estructura basica en Papiamento, Magister-scriptie (1975);
  • M. Valeriano Salazar, A comparison of the Papiamento and Jamaican creole verbal systems, MA-scriptie (1974);
  • A. van der Veen Zeppenveldt, Praktische handleiding der Papiamentsche spraakkunst (1928);
  • R.E. Wood, Papiamentu: Dutch contributions, dissertatie (1970).

 

  • Papiamentu de taal Sectie 13: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden
    Literatuur: Vocabulaire, taaleigen, spreekwoorden:
  • P. Brenneker, Proverbio - 1000 spreekwoorden Papiamento - Nederlands (1963);
  • Idem, Mil palabra poko usa - Duizend vreemde woorden (1978);
  • M(ario) Dijkhoff en M. Vos-de Jesus, Dikshonario - Woordenboek (Papiamentu - Ulandes, Ulandes - Papiamentu) (1980);
  • J. Fraai, Ata palabra (1981);
  • Idem, Un palabra ta saka otro (1983);
  • P. Hoefnagels en W. Hoogenbergen, Antilliaans spreekwoordenboek (1980);
  • W.M. Hoyer, Woordenlijst en samenspraak Hollandsch - Papiamentsch - Spaansch (1918, 61950), geheel herzien door A.J. Maduro (1980);
  • Idem, A little guide English - Papiamento - Netherlands (1949, 1958);
  • N.M. Jesurun - Pinto, Nos dushi Papiamento (1947);
  • P. Lauffer, Mi lenga I (1970);
  • Idem, Mi lenga II (1971);
  • Idem, Un selekshon di palabra i ekspreshon I (1971);
  • Idem, Un selekshon di palabra i ekspreshon II (1974);
  • A.J. Maduro, Un coto di dicho, refran, proverbio i expresionnan Papiamentu i nan nificacion na ulandes (1959);
  • Idem, Loque a sobra den e macutu di dicho, refran, proverbio, frase i palabranan di nos lenga i nan nificacion na ulandes (1960);
  • Idem, Proverbio-, refran-, dicho- i expreshonnan Papiamentu i nan nificashon na ulandes (1969);
  • Idem, Algun anotashon mas tokante nos lenga i otro asuntunan (1973);
  • Idem, Vokabulario Papiamentu - Ulandes (A-Mazurka) (1978);
  • Idem, Anotashonnan tokante e vokabulario titula ‘Mil palabra poko usa (Duizend Vreemde Woorden)’ 1978 skirbi pa Paul Brenneker (1980);
  • Idem, Woordenlijst en samenspraak Nederlands - Papiamentu - Spaans, samengesteld door W.M. Hoyer, herzien door A.J. Maduro (1980);
  • Idem, Eror- i omishonnan di , Dikshonario ‘Papiamentu-Ulandes, Ulandes-Papiamentu’ skirbí pa Mario Dijkhoff ku koperashon di Magalis Vos-de Jesus (1981):
  • Idem, Terminonan di aritmetika i geometría elemental (1983);
  • Idem, Komparashonnan popular I, Kristof VI (1983);
  • E. Muller, Papia Kòrsou (1982) .

 

  • Papiamentu de taal Sectie 14: Spelling
  • Literatuur: Spelling:
  • L.H. Daal e.a., Rapòrt final di e trabow hasí pa e komishon ‘fo’i hopi un so’ ku a studia posibilidat di adoptá un ortografía di transishon pa Papjamentu (1961);
  • E. Diaz L., Algun observacion tocante pronunciacion y un proposicion pa usa un ortografía uniforme pa skirbi Papiamentu (1953);
  • W.M. Hoyer, Papiamentoe i su manera di skirbi’é (1918);
  • A.J. Maduro, Ensayo pa yega na un ortografía uniforme pa nos Papiamentu (1953);
  • Suplemento di Vocabulario Etimologico (Capitulo X) di e Ensayo pa yega na un ortografía uniforme pa nos Papiamentu (1953);
  • Idem, E ortografía ku Komishon di Ortografía a proponé Gobiernu Sentral (1972);
  • Idem, Ortografía fonológiko (Revisá) (1976);
  • R.G. Romer, Ontwerp voor een spelling van het Papyamentu (1969, 1970);
  • Eilandgebied Aruba, Ortografía Papiamento (Besluit van de Eilandsraad van Aruba van 30 oktober 1976 tot vaststelling van de schrijfwijze van de Papiamentse taal) in: Afkondigingsblad Aruba (1977);
  • Eilandgebied Curaçao; Ortografía di Papiamentu (Edishon di Sekshon Informativo di Schooladviesdienst di Teritorio Insular di Kòrsou) (1983, 1983).

 

@: Paradera

deel van Aruba met verspreide bewoning, waarvan het middelpunt gevormd wordt door de op een 47m hoge, gelijknamige heuvel gelegen RK kerk. De wijk telt ca. 4.000 inwoners.

 

@: Para di misa

(Dendroica petechia) chibichibi bachi hél (Bonaire), bananabird, yellow warbler of canary, komt op alle eilanden voor behalve op Saba. Het is een bijna geheel geel vogeltje, op borst en flanken met wat bruine streepjes na; de mannetjes van de Benedenwindse Eilanden hebben een bruinrood schedelkapje. De soort is in de eerste plaats een bewoner van mangrove- en conocarpusbossen, maar komt ook in mondi, kunuku en tuinen voor, tot zelfs in de kerk - vandaar zijn naam para di misa. Met zijn dunne spitse snavel vangt hij kleine insekten en spinnen. De zang klinkt een beetje weemoedig. Het nest wordt gemaakt in takvorken van lage bomen en struiken. Het bestaat uit een stevig kommetje van takjes, dat van buiten met dor blad en van binnen met zacht materiaal is afgewerkt. Er worden 2 of 3 eieren gelegd.

 

@: Para karpinté

(Caprimulgus cayennensis) is broedvogel op de Benedenwindse Eilanden; overdag slaapt hij op verborgen plekken op de grond, tegen de schemering begint hij te jagen op vliegende insekten, vooral kevers. De kleine snavel kan, met de ernaast zittende ‘grijpborstels’, tot een enorme bek opengesperd worden. ‘s Nachts ziet men de vogel in het licht van autokoplampen op de grond zitten, waarbij zijn ogen rood oplichten; pas vlak voor de auto vliegt hij op. Op Bonaire heet hij (wellicht om dit gedrag) wel Tapakaminda (wegbedekker). Hij bouwt geen echt nest maar de twee eieren worden op de kale grond onder struiken uitgebroed.

 

@: Parasòl di zumbi

zijn ‘vruchtlichamen’ van bepaalde schimmels, waarin de sporen gevormd worden; de schimmeldraden leven in de bodem; na versmelting van 2 draden vormen zij de bovengrondse paddestoel; sporen gevormd aan plaatjes (‘plaatjeszwam’), in buisjes (‘buisjeszwam’) of binnen in de paddestoel (‘buikzwam’, ‘stuifzwam’). Een bekende soort is de inktzwam of djinpopo. Vooral op vochtige plaatsen. Voor de Nederlandse Antillen is deze groep nog niet onderzocht.

 

@: Parel
zie @: Tweekleppigen.

 

@: Pargo
zie @: Snappers.

 

@: Parken

Eén van de mogelijkheden om de natuur te beschermen tegen de gevolgen van de recente bevolkingsexplosie op de Nederlandse Antillen is het stichten van natuurparken, zowel op het land als in zee.

  • Landparken

In 1968 werd plantage Washington door de Landsregering gekocht en voor beheer als nationaal park aan Stinapa overgedragen. In 1977 slaagde Stinapa erin de aangrenzende plantage Slagbaai te verwerven, waarna het eilandsbestuur ook plantage Brasil en het Gotomeer aan Stinapa in beheer gaf Het Nationale Park Washington-Slagbaai beslaat daarmee een areaal van 6.000 ha, grotendeels omgeven door rijke koraalriffen. De binnenbaaien vormen het voedselgebied voor vele vogels, met name voor de flamingo’s. Aan de boka van Slagbaai bevindt zich het landhuis waar Cola Debrot, bekende schrijver en gewezen gouverneur van de Nederlandse Antillen, opgroeide, geflankeerd door de fraaie zout-magasina en het opzichtershuis. Hoge heuvels, met als hoogste de Brandaris markeren het landschap.

Op Curaçao kreeg het Makuaku-eiland in de St. Jorisbaai in 1960 de status van beschermd gebied. In de jaren 1968/69 kocht het eiland de plantages Savonèt, Zorgvlied en Zevenbergen, die samen met een gedeelte van plantage Knip als natuurpark aaneengevoegd werden. Door toedoen van Stinapa werd een inrichtingsplan voor dit Christoffel Nationaal Park’ ontworpen. Sedert 1978 is dit park open voor het publiek, 'onder beheer van Stinapa. Blikvanger in dit park is de. Christoffelberg, die met de omliggende heuvels en rooien een unieke flora bezit, met diverse plantesoorten, die nergens verder worden aangetroffen, zogenaamde endemische soorten. Een tweede blikvanger is het landhuis Savonèt met al zijn bijgebouwen. Het is de opzet hier geleidelijk aan een openluchtmuseum te verwezenlijken.

Op Aruba kregen de noordwand van de Canashitu, het Spaans Lagoen en de rifeilandjes langs de zuidwest-kust een beschermde status in de 1970ger jaren en het eilandsbestuur gaf in 1972 het Arikokgebied aan Stinapa in pacht. Vervolgens werd door het eiland, in samenwerking met Stinapa, een plan voor het Jamanota-park (3.000 ha) uitgewerkt; de verwezenlijking van het wegenplan om het als park toegankelijk te maken, is (in 1983) helaas nog niet gelukt.

Naar verwacht mag worden, zullen op Saba en St. Eustatius binnen afzienbare tijd natuurparken verwezenlijkt worden, terwijl Stinapa ook hard werkt aan een park op St. Maarten.

  • Onderwaterparken

Deze hebben ten doel de aantasting van het milieu in ondiep water tegen te gaan. Daarbij wordt op de Nederlandse Antillen niet gekozen voor totale afsluiting van bedreigde gebieden, maar voor open parken. Het eerste onderwaterpark (Bonaire Marine Park) werd in 1979 op Bonaire ingesteld met financiële hulp van het Wereld Natuur Fonds Nederland; het omvat alle koraalriffen langs de kust alsmede het Lac (totaal oppervlak 2.600 ha). In 1982 werd op Curaçao begonnen met de opzet van een onderwaterpark, eveneens met een subsidie van het W.N.F.-Nederland, in het gebied tussen Oostpunt en het toenmalige Princess Beach Hotel te Marie Pompun (heden ten dage het Breezes Hotel - oppervlakte 600 ha). Door middel van een uitgebalanceerd beheer wordt ernaar gestreefd het economische potentieel, namelijk recreatie en visserij, optimaal te benutten, d.w.z. een zo groot mogelijk aantal mensen van deze gebieden te laten profiteren, zonder dat het gebruik leidt tot aantasting van het milieu. Dit brengt bepaalde restricties met zich mee ten aanzien van de te gebruiken visserijmethoden, het verzamelen van koraal en andere rifbewoners, het ankeren op het rif, enz. Een belangrijke taak voor het onderwaterparkbeheer is door middel van voorlichting het publiek bewust te maken van de betekenis van het marine milieu - speciaal de koraalriffen. Het dagelijks beheer van de onderwaterparken is in handen van Stinapa.

De opzet van zowel de land- als de onderwaterparken omvat dus niet alleen het beschermen van de natuur tegen aantasting, maar ook het bevorderen van de recreatie, zonder dat de economische exploitatie genegeerd mag worden (zie Natuurbeheer). Om goed inzicht in deze vaak ingewikkelde materie te krijgen, doet het Carmabi allerlei onderzoek, zowel in het laboratorium als vooral ook in het veld. Daardoor wordt bereikt, dat zinvolle maatregelen en regelingen kunnen worden getroffen - al wordt dit niet door iedereen begrepen, wat niet verwonderlijk is, gezien de vaak tegenstrijdige belangen van natuurbescherming, recreatie en exploitatie.

 

@: Parlatino

Acroniem voor Parlamento Latino-Americano. Het Latijns-Amerikaanse Parlement is een lichaam waar democratisch gekozen parlementen van Latijns-Amerikaanse landen lid van kunnen worden. Het Parlatino werd in het leven geroepen te Peru in 1964. De doelstelling omvat in hoofdzaak de bevordering van de politieke, sociale, economische en culturele integratie van Latijns-Amerikaanse la¬den. Het Parlatino bestaat uit een voorzitter, 6 ondervoorzitters en een secretaris-generaal.

Tijdens de Ve (vijfde) Algemene Vergadering (Asamblea Oridinaria) gehouden in augustus 1971 te Caracas werden de Staten van de Nederlandse Antillen geïnstalleerd als lid. Eind april 1977 werd op Curaçao de VIIIe (achtste) Algemene Vergadering gehouden.

Sinds 1974 vinden er om de twee jaar interparlementaire conferenties plaats tussen het Parlatino en het Europees Parlement.

 

@: Parlement
zie @: Staten; @: Staten-Generaal.

 

@: Parrotfishes
zie @: Gutu.

 


@: Partido Independiente Arubano (P.I.A.)
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Partido Obrero Boneriano / @: P.O.B. / @: POB

Staatkundige partij op Bonaire, opgericht in 1967; de partij vindt in hoofdzaak zijn aanhang in Rincon; bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 behaalde zij geen zetel.

 

@: Partido Nashonal di Pueblo / @: P.N.P. / @: PNP

voorheen genoemd Nationale Volkspartij (N.V.P.), staatkundige partij op Curaçao, opgericht in 1949 door de grote politieke leider M.F. da Costa Gomez, op christelijk democratische grondslag en op grond van de overtuiging, dat de staat de vrijheid van zijn burgers niet verder mag inperken dan absoluut noodzakelijk is voor het volbrengen van het algemeen welzijn. Als zodanig is de principiele standpunt van de leider en zijn partij dat de staatsalmacht op welke grondslag ook, onaanvaardbaar is. Een andere grondregel van de N.V.P. is, dat alle kerkgenootschappen van staatswege gelijke bescherming verdienen. De partij voert ook vanaf haar vestiging de erkenning van de souvereiniteit van het Huis van Oranje.

Enkele programmapunten:

  • handhaving autonomie van de Nederlandse Antillen en van de zelfstandigheid van de eilanden;
  • goede betrekkingen met Nederland en Suriname;
  • vernieuwing in het onderwijs;
  • verbreding van de economische basis;
  • regeling van de arbeid, gericht op het waarborgen van de arbeidsvrede onder verwerping van het idee van de klassenstrijd.

De partij die in 1973 tot N.V.P.-U. werd omgedoopt na incorporatie van de politieke partij Union Reformista Antillano (U.R.A.), bereikte bij de verkiezingen van 1979 een dieptepunt, vooral als gevolg van het uittreden van haar gewezen leider J.M.G. ‘Juancho’ Evertsz, die na zijn breuk met de N.V.P.-U de politieke partij Akshon oprichtte en met deze partij ook aan de verkiezingen van dat jaar meedeed. Hierna leefde de N.V.P.-U echter weer op: Bij de Statenverkiezingen van 1982 behaalde zij drie en bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 (met mevrouw. María Liberia-Peters als lijsttrekker) zeven zetels. In die tijd ging men ook officieel de Papiamentse naam voeren (1982): Partido Nashonal di Pueblo P.N.P.).

 

@: Partido Patriotico Arubano / @: P.P.A. / @: PPA

Staatkundige partij op Aruba, in november 1949 opgericht door Juan E. Yrausquin en Porfirio (‘Fichi’) Croes. Het belangrijkste programmapunt was: het zelfbeschikkingsrecht voor Aruba op de grondslag van het rapport- Van Poelje en binnen het Koninkrijksverband (zie ook @: Zelfstandigheidsstreven van Aruba). Andere doelstellingen: bevordering van de bestaanszekerheid van één ieder, ongeacht godsdienst, kleur, ras of landaard; handhaving van de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. J.E. Yrausquin was tot zijn overlijden minister van Financiën voor de partij. Van 1955-1967 bepaalde de P.P.A. het eilandsbestuur; sindsdien is de partij in de oppositie. In de jaren 1970 is de partij zeer sterk achteruitgegaan mede door de opkomst van de Movemento Elec toral di Pueblo (M.E.P.). Bij de Statenverkiezingen van 1982 behaalde de partij een zetel, en bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 drie zetels.

 

@: Partido Radical Popular (P.R.P.)
zie Politieke Partijen.

 

@: Partido Revolucionario Obrero (P.R.O.)
zie Politieke Partijen.

 

@: Partido Social Democratico / @: P.S.D. / @: PSD
den hierbij aan zijn politieke leider Efraim Cijntje. zie verder Politieke Partijen.

 

@: Passaat
zie @: Klimaat.

 

 
@: Passaat, De

Voormalig maandblad voor employés van de N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) en de Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij (C.S.M.). Het blad verscheen van 1943-1963.

 

@: Passiebloem

passion flower of marcusa, aanduidingen van het plantengeslacht Passiflora, behorende tot de familie der Passifloraceae. Klimplanten met ranken in bladoksel; bloemen 5-tallig, meeldraden en vruchtbeginsel op een uitgegroeide bloembodem (androgynofoor), op aanhechtingsplaats van de kroon een groot aantal draadvormige blaadjes ‘corona’).

  • Korona di labirgen (Passiflora joetida) of kruizebloem, maraka, shoshori, shonshon, sosoro, yerba di krus, met 3-lobbige, zachtbehaarde bladeren, onder de okselstandige bloem 3 gedeelde schutbladen, bloem wit-lila-paars. De bloemen gaan ‘s nachts open en verwelken voor de middag. Zij zijn rijk aan nectar, wat veel kolibri’s en insekten aantrekt. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Zeer algemeen.
  • Bèshi di tinta (Passiflora suberosa) of nebuha, met 2 gesteelde klieren op de bladsteel iets onder de bladvoet; bloemen met 2-tallen op dunne stelen in bladoksel, groenig, corona gelig. Algemeen.
  • Bell apple (Passiflora laurifolia), met leerachtig blad met klieren langs de top en 3 klieren aan top bladsteel, bloem okselstandig, groot, wit met rode spikkelso Vrucht geel met witte vlekken, eetbaar. Gekweekt. Bovenwindse Eilanden.
  • Granadiya (Passiflora quadrangularis), met lange, 4-vleugelige stengels; bladeren groot op korte bladsteel die 3 paar klieren draagt; bloem 10-12 cm in doorsnee, witachtige kelk, roodgestippelde kroon en paarse corona. Vrucht eetbaar. Bovenwindse Eilanden. Gekweekt.

 

@: Pastechi
zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Pastorale medewerker
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Patroonschap

Naar het voorbeeld van het Portugese donatario-systeem en, dichter bij huis, van het Engelse systeem met patrons en patronships en misschien ook gebaseerd op dezelfde gedachten welke de indikingsoctrooien tot landaanwinning door middel van particulier initiatief belichaamden, waren de patroons en de patroonschappen een middel om ter behoorlijke uitoefening van het Hoge Gezag staatsrechtelijke functies op te dragen aan ‘ambachtsheren’, die in verband met het feit dat hun gezag een kolonie betrof, patroon genoemd werden. De kolonie werd een patroonschap genoemd. De stichting en de instandhouding van een patroonschap stelde zware eisen aan de patroon, vooral in financieel opzicht. Bovendien waren er vele en vaak onbekende risico’s aan zulk een stichting en instandhouding verbonden. Vandaar dat de patroon vaak niet de enige promotor van een kolonie was, al trad hij als zodanig wel naar buiten op. Hij vormde meestal een soort van maatschappij met participanten die tot zijn familie of vriendenkring behoorden. Binnen de kring van een aldus gevormde maatschappij gold het beginsel van beperkte aansprakelijkheid. De functie van patroon was erfelijk.

Hoewel de Nederlandse nederzettingen op het Amerikaanse halfrond vóór de stichting in 1621 van de West-Indische Compagnie (W.I.C.) patroonschappen mogen worden genoemd, daar zij door zulk een patroon, al of niet een compagnie vertegenwoordigend, werden gepromoveerd, dateert het eerste overgeleverde contract waarbij een patroon overheidsrechten benevens andere regalia kreeg toebedeeld, van 1628.

Als patroon op de Wilde Kust en in het Caribisch gebied werd ieder erkend, die bij de bevoegde autoriteit - vóór de stichting van de W.I.C. was dat de Staten-Generaal (via de Provinciale Staten), ná de stichting waren dat de Heeren XIX (via de respectieve Kamers) - aangaf van plan te zijn een kolonie ‘te planten’. Het minimum vereiste aantal koloniërs was zestig (in Nieuw Nederland vijftig). De ‘vrijheden en exemptien’ vingen aan met het tijdstip, dat de patroon de vestigingsphlats van zijn kolonie deed registreren. Een andere kolonie mocht dan op die plaats niet meer gesticht worden, maar moest zich minstens zeven of acht mijl daarvan verwijderd vestigen.

De door de patroon vervoerde koloniërs moesten zelf hun overtocht betalen meestal werd dit bedrag door de patroon voorgeschoten - en een bepaalde minimum uitrusting meebrengen: een jas, drie hemden, een nachthemd, twee sterke linnen pakken, drie paar kousen, enz. Aanvankelijk, toen gezinnen werden overgebracht, was vereist dat ieder gezin een musket bezat, benevens een zwaard, enige bijlen, drie schoppen, enz. Later wordt van deze eisen niet meer gerept, maar het is zeker dat de meeste bleven gehandhaafd. Het weven was de koloniërs verboden. Hier vindt men één van de weinige voorbeelden, dat een poging werd gedaan de vaderlandse industrie te beschermen.

Daar het een algemeen beginsel was van de Compagnie om de Indiaanse bevolking tot vriend te houden, werd gelast ‘Zoo wie eenige coloniën sullen planten ... sullen gehouden wesen de Wilden van die plaetse voor den grond te conrenteren’. Koop was daar, waar het geen niemandsland betrof, een voorwaarde voor eigendomsrecht op het land. Het lijdt gerechte twijfel of aan dit beginsel in de praktijk de hand werd gehouden. De Indianen mochten niet als slaaf worden gebruikt; veelal nam de Compagnie de verplichting op zich de koloniërs van slaven te voorzien.

Het ‘planten van colonien’ had voor de patroon verscheidene, niet gering te achten voordelen, vooropgesteld natuurlijk dat de kolonie succesvol was. Hij kocht van zijn kolonisten hun produkten. Vanzelfsprekend waren dit produkten voor de Europese markt, zoals tabak, cacao, enz. De kolonisten konden alleen van hem en in zijn opslagplaatsen kopen wat zij nodig hadden. Werden er door hen kostbare mineralen ontdekt, dan waren deze voor de patroon, ofschoon de vinder een beloning of zeker percentage van de opbrengst ontving, terwijl ook de Compagnie een zeker recht deed gelden, te vergelijken met het Spaanse quinto. Het eerste recht, dat in de kolonie werd gewezen was het scheepsrecht, maar de patroon was door zijn staatsrechtelijke functie verplicht voor politie en justitie zorg te drag en en dientengevolge ontwikkelden zich bepaalde regelingen. De functionaris door de patroon met het oppergezag in de kolonie bekleed, de commandeur, moest voorzien zijn van een ‘behoorlijke’ instructie op de basis van die regelingen (zie @: Bestuursregeling). Deze instructie moest vóór zijn vertrek naar de kolonie aan de bewindhebbers der Kamer in de provincie van de patroon worden ‘vertoond’ en door hen worden goedgekeurd. De patroon had eveneens zekere militaire verplichtingen te vervullen. De defensie van een patroonschap vormde echter steeds haar zwakke punt. De patroonschappen stonden onder het toezicht van de Kamers van Amsterdam en van Zeeland. Zeer bekende patroons waren Jan de Moor en Pieter van Rhee die zich vooral interesseerden in de kolonisatie van de Kleine Antillen en de Wilde Kust en Abraham van Pere die patroon was van een kolonie aan de Berbice. Zij waren van Zeeland. Bekende Amsterdamse patroons waren Jan Claessen Langendijck, David Nassy en Ridder Gerbier.

 
Verval der patroonschappen

 

 

De voortdurende onrust in het Caribisch gebied als gevolg van de Europese oorlogen waarin de Verenigde Provinciën gewikkeld waren en die hun weerslag vonden aan de overkant van de Atlantische Oceaan, veroorzaakten het verval, de ontvolking en de ruïne van vele Nederlandse patroonschappen in dit gebied en op de Wilde Kust. Successievelijk gingen de patroons die terugdeinsden voor de vele politieke en interne moeilijkheden in hun patroonschap, er toe over hun bezit over te doen aan de West-Indische Compagnie. Op die wijze kwamen met of na de vrede van Nijmegen in 1678 Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten rechtstreeks onder de nieuwe West-Indische Compagnie. Hetzelfde geschiedde met de patroonschappen aan de Wilde Kust, ofschoon Berbice een patroonschap bleef tot diep in de 18de eeuw (zie verder @: Geschiedenis: Bovenwindse Eilanden (Nederlandse periode); @: Koloniërs; @: Plantages).

Literatuur: Voor de kennis der Nederlandse patroonschappen is onontbeerlijk het werk van

  • G.J. van Orol, De Grondpolitiek in het West-Indische Domein der Generaliteit, 3 din. (1934-1947, 1980);
  • J.H.J. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische Eilanden, 4 dln. (1901-1909, 1979), en
  • de artikelen van Hamelberg in de jaarverslagen van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap te Willemstad.

 

@: Patrushi
zie @: Sloké.

 

 
@: Patu

Alleen de Bahama pijlstaart (Anas bahamensis bahamensis), of patu di aña schijnt broedvogel te zijn op Curaçao en Bonaire; deze eend is verder waargenomen op Aruba en op St. Maarten. Tien andere soorten werden in klein aantal tussen september en mei als wintergasten gezien, waaronder de blauwvleugeltaling (Anas discors) of patu morèkè, de Amerikaanse smient (Anas americana) en de Amerikaanse toppereend (Aythya affinis), waarvan de eerste voornamelijk in zoetwaterplassen zit, de andere in saliña’s en binnenbaaien.

 

@: Patu morèkè
zie @: Patu.

 

 
@: Pèchi

  • (1) pet;
  • (2) zie @: Klederdrachten.

 

@: Pechu di kalumba

is een muziekboog die op hetzelfde principe berust als de benta. De boog is echter gespannen met een vislijn of ijzerdraad in plaats van met een kokosvezel. Voor de resonantie wordt gebruik gemaakt van een legeblikkenbus waarbij de punt van de boog op de rand van de bus steunt.

De pechu di kalumba, met de wijsvinger bespeeld in plaats van met de manigueta, werd vroeger gebruikt om kinderen vertrouwd te maken met dansritmen. Bij het bespelen van de pechu di kalumba werd bij herhaling gezongen: Pechu di kalumba, b'a kibra mi lomba. (Pechu di kalumba je hebt mijn rug gebroken). Deze muziekboog-versie is in Centraal-Afrika vooral verspreid in Uganda en de Centraal-Afrikaanse Republiek. Hier is de boog zelf en niet de punt met de metalen trom (resonantiekast) verbonden.

 

@: Pedagogische Academie
zie @: Onderwijs

 

 
@: Peetouderschap
zie @: Verwantschap.

 

@: Pegá

is de naam voor verschillende vissen, die zich kunnen vastzuigen: de remora, de rock skipper (Ophioblennius atlanticus), die overigens geen zuignap heeft maar zich desondanks door handig manoeuvreren zelfs in de branding weet te handhaven, en de echte pegá’s, de clingfishes (o.a. Gobiesux nudus). Deze clingfishes hebben de vorm van kikkervisjes; met hun tot zuignap vergroeide buikvinnen hechten zij zich aan stenen vast, zelfs tot in de branding; zij leven daar vooral van kleine crustaceeën (zie ook Brant).

 

@: Pekelkreeft

(Artemia salina) is een doorzichtig of rood garnaaltje van maximaal 1cm lengte, dat men alleen in water van hoog zoutgehalte aantreft, dus in afgesloten baaien en in zoutpannen. Bij de winning van zout spelen pekelkreeftjes een rol bij het neerslaan van gips uit het water. Zij kunnen zo massaal optreden, dat het water in wriemelende beweging is. In het zuidwestelijk deel van Goto (Bonaire) is jaar in jaar uit een vrij dichte populatie te vinden. In water dat minder dan 80% zout bevat, planten pekelkreeftjes zich met eieren voort, maar in zouter water zijn zij levendbarend. De eieren zijn zo tegen uitdroging bestand, dat zij in jaren van droogte hun kiemkracht behouden en ontkiemen als de regen de droge vlakte weer onder water zet. De droge eitjes vinden aftrek in de aquariumhandel.

 

@: Pekelmeer

Lang en smal zoutwatermeer in het uiterste zuiden van Bonaire. Vroeger was dit zoutwatermeer gescheiden van de zee door een smalle dam van koraalstenen. In en bij dit meer lagen de zoutpannen, van noord naar zuid: de Blauwe Pan (Saliña Abou), de Witte Pan (Cabaye) en de Oranje Pan (Pelike). Tegenwoordig heeft het, ten behoeve van de moderne zoutwinning, een open verbinding gekregen met de zee. Hierdoor is het zoutgehalte gedaald. De huidige zoutpannen liggen nu ten noorden en ten oosten van het Pekelmeer en ook de flamingo’s waar het Pekelmeer vroeger om bekend stond, zijn naar het zoutere gedeelte vertrokken (zie @: Flamingo’s).

 

@: Pekelorganismen

zijn bacteriën, planten en dieren, die uitsluitend in water van hoog zoutgehalte leven. In de Nederlandse Antillen treft men ze aan waar zeewater aan indamping bloot staat, dus in afgesloten lagunen en baaien en in zoutpannen. Bekende pekelorganismen zijn de ijzerbacteriën, die de bruin-roze kleur in de zoutpannen veroorzaken. Microscopische zweepalgjes (Flagellata) brengen een zuurtjes-roze kleur teweeg. In het pekelwater komen slechts enkele grotere diersoorten voor, zoals tandkarpers, pekelkreeft en larven van de pekelvlieg.

 

@: Pekelvlieg

(Ephydra cinerea) treft men soms massaal aan op de vochtige strandjes van afgesloten binnenbaaien en saliña’s; deze zwarte, 1 cm grote vliegjes zwermen omhoog als men hen nadert, maar ze steken niet. Zij leggen hun eieren in het water, waaruit de gelige pekelvlieglarf komt, die op de modderige bodem van algen leeft en bijna 2 cm lang wordt. De larf hecht zich bij het verpoppen aan stenen, waar men de zwart-bruine poppen soms mannetje naast mannetje ziet zitten. Hun belangrijkste belager in de zoutmeren is de flamingo. Op Bonaire maken pekelvlieglarven en -poppen het hoofdvoedsel van de flamingo’s uit.

 

@: Pelikaan

(Pelecanus occidentalis) ganshi, rogans of pelican, is op de Bovenwindse Eilanden broedvogel; op de Benedenwindse Eilanden is hij vooral op Aruba talrijk, minder op Bonaire en Curaçao; vooral in de zomermaanden is hij daar langs de zuidelijke en westelijke kusten aan het vissen. Daarbij zeilen de vogels met hun brede gevingerde vleugels en met ingetrokken hals onder de kust boven het rustige zeewater, maken een bocht en storten dan steil omlaag het water in, hun vleugels half opgevouwen en hun hals gestrekt. Zij duiken niet vaak geheel onder, maar reiken met hun lange hals en snavel waaraan een grote keelzak zit, vrij ver onder water. Als ze dan weer boven water komen, blijken zij een halve slag rondgedraaid te zijn. Allerlei soorten vis(jes) vormen het voedsel. Jonge vogels zijn vaalbruin met witte onderzijde en met grijsbruine kop en hals, volwassen dieren meer zilvergrijs gestreept met donkergrijze onderzijde en met gele en witte hals en kop; in de broedtijd hebben ze ook nog roodbruin aan de kop. Ze broeden op Pelican Island en Green Key bij St. Maarten en soms op de rif-eilandjes van Aruba. Men vindt de nesten in lage struiken en op de rotsen. Er zijn 2 of 3 witte eieren, die vaak met bloed bevlekt zijn. De vogels zijn door de wet beschermd.

 

@: Pensioenen
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Pensioenfondsen
zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Pepchi
zie @:Lipvissen.

 

@: Pèrla di vruminga

zijn het derde larvestadium van een in de grond op wortels voorkomende soort van schildluis (Margarodes jormicarum). Het dier, dat in deze vorm wel meer dan 10 jaar kan voortleven, ziet er uit als een glanzend, geel pareltje van 2 tot 4 mm. Vroeger werden er halskettingen van gemaakt.

  • Lit.: A. Reyne, Beaufonia, Vol. II, no. 140 (1964).

 

@: Perlman, Suzanne

(Budapest 18 oktober 1923) heeft zich in 1940 op Curaçao gevestigd; heeft gestudeerd aan de Columbia Universiteit van New York en aan kunstacademies in London (St. Martin’s) en in Mexico (San Miguel de Allende); zij heeft gewerkt in het atelier van Oscar Kokoschka in Salzburg (Oostenrijk).

Haar stijl is expressionistisch en vertoont invloeden van de Parijse fauvisten Vlaminck, Roualt, Derain, maar ook van Munch en Kokoschka. Kenmerkend zijn vertekening van lijnen, manipulaties van vormverhoudingen en een levendig en heftig kleurgebruik. Haar oeuvre omvat landschappen, architectuur maar ook stillevens. Tegenwoordig werkt ze vooral abstract en haar palet vertoont een meer ingetogen karakter. Haar voornaamste uitdrukkingswijze is olieverf op doek. Ze heeft een groot aantal internationale exposities gehouden, o.a. in Europa (Gouda, London, Parijs, Rome) en in Noord- en Zuid-Amerika; in 1982 heeft het Curaçaosch Museum een overzichtstentoonstelling van haar werk verzorgd ter gelegenheid van de 250ste verjaardag van de Mikvé-Israël-Emanuel Synagoge. Suzanne Perlman is winnares van verschillende internationale prijzen; haar doeken zijn opgenomen in vele internationale collecties.

 

@: Pernambuco
zie @: West-Indische Compagnie, Eerste.

 

@: Perrenal, Julio

pseudoniem van Jules de Palm, Pierre Lauffer en Rene de Rooy, die in het begin van de 1940tiger jaren getracht hebben de waardering voor het Papiamentu te stimuleren door het creeëren van Curaçaosche liedjes.

  • Lit.: J. de Palm en J. Coco, Julio Perrenal, dichters van het Papiamentse lied (1979).

 

@: Pers

Foto: Voorpagina allereerste editie Curacao Gazette per vrijdag december 11, 1812

 De oudst bekende krant in de Nederlandse Antillen is de St. Eustatius Gazette, een uitgave van een Engelsman, Edward Luther Low, en verschijnend (voor zover bekend) in de jaren 1790-1793. Gedeeltelijk Engels, gedeeltelijk Nederlands. Op Curaçao verscheen als eerste krant in 1812 The Curaçao Gazette and Commercial Advertiser, uitgegeven door de uit Venezuela overgekomen Schot William Lee. Uit dit in de Engelse taal verschijnende blad is in 1816 de Curaraosche Courant voortgekomen, die, hoewel een particuliere uitgave, sedert jaren als het officiële mededelingenblad fungeert.

Een werkelijke opiniepers verscheen niet vóór 1870, in hoofdzaak geredigeerd door vluchtelingen uit Venezuela, die zich hetzij op Curaçao inburgerden, dan wel van Curaçao uit hun journalistieke activiteit op Venezuela richtten. Als Curaçaosche journalist uit deze periode kan worden genoemd de advocaat Abraham Mendes Chumaceiro Azn, die in 1870 zijn periodiek Noticioso het licht deed zien, waarin het beleid van de toenmalige Venezolaanse president Guzman Blanco werd bestreden. Hij redigeerde voorts het blad De Onpartijdige, een weekblad dat in 1874 onder de Spaanse titel El Imparcial werd voortgezet. Bekende bladen uit die tijd zijn ook het in het Papiamentu verschijnende Civilisado (1871) en De Onafhankelijke 1872), die zich in de ’zaak-Sassen’ achter de ontslagen procureur-generaal W.K.C. Sassen opstelden. Civilisado werd geredigeerd door Casten David Meijer, die later ook in de bladen De Vrijmoedige en De Wekker zijn liberale denkbeelden zou verkondigen. Meijer en de journalist Willem Cornelis Grünings bestreden in hun bladen (Grünings gaf verschillende bladen uit, die meestal een korte levensduur hadden), de RK-missie, o.a. in de schoolstrijd en droegen daartoe mogelijk bij tot de oprichting van een eigen RK-pers, eerst in de Amigoe di Curaçao, opgericht in 1884 als weekblad in het Nederlands en Papiamentu en later ook in La Union, eerst opgericht in 1889, onder pater Ludovicus Jansen als redacteur en later opnieuw opgericht in 1922. Als volksblad in het Papiamentu verscheen voorts in 1900 La Cruz.

Grondlegger van wat genoemd mag worden een dagbladpers was intussen de uit Venezuela gevluchte Agustin Bethencourt. In 1867 stichtte hij een boekhandel en drukkerij. Uit zijn Boletin de la Librería de Agustin Bethencourt e Hijos (1879) kwam in 1897 de Diario del Comercio voort, in 1908 omgedoopt in Boletin Comercial-Handelsblad, welk oudste dagblad van Curaçao (achtereenvolgens geredigeerd door Pedro da Costa Gomez, David Dario Salas, M.M. Pinedo en I. Bloch) tot 1951 zou blijven bestaan.

In 1928 verscheen als dagblad in het Spaans La Prensa, eerst onder redactie van Jorge B. Suarez, later onder Emilio Lopez Henriquez die opgevolgd werd door Luis H.Daal, die een Papiamentu pagina introduceerde. In de loop der 1950ger jaren is La Prensa omgezet in een volksdagblad in het Papiamentu.

Na de vestiging van de olie-industrie op Curaçao met veel Europees-Nederlandse employés heeft het nog vrij lang geduurd alvorens het eerste Nederlandstalig dagblad verscheen. Eerst was dat de Curaosche Volkskrant (I.A.A. – Dries – Kramers, Otto Cras) die na enige jaren bezweek (1934-1939). In 1935 werd de Beurs en Nieuwsberichten opgericht, voortgekomen uit een gestencild blaadje (Gratis Nieuwsberichten van de Emmabode). Oprichter was de onderdirecteur van de Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij, W. van Eijck. Het blad trok de eerste Europees-Nederlandse journalist naar Curaçao aan, Johan van de Walle, die in 1943 werd opgevolgd door Hendrik de Wit (1943-1946). In de loop der jaren is het blad enige malen van uitgever veranderd.

Sedert 1941 is ook de Amigoe di Curaçao een dagblad, na eerst in het Nederlands en het Papiamentu een weekblad (van 1884 tot 1935) te zijn geweest en van 1935 tot 1941 een tweemaal per week verschijnend blad. Sedert de oprichting van La Cruz in 1900 als Papiaments blad werd Nederlands de hoofdtaal van de onder een Papiamentse naam werkende Amigoe.

Nadat in het verleden pogingen om op Curaçao een ochtendblad uit te geven mislukten, eerst met Today en later met Morgenster, werd in 1973 met succes het papiamentstalige Nobo gelanceerd in 1975 gevolgd door Extra en in 1982 door Ultimo Notisia. Met deze drie ochtendbladen werd ook de straatverkoop van kranten geïntroduceerd.

Op Aruba, dat in de loop der jaren een verscheidenheid aan bladen heeft gekend, meest in het Spaans, verscheen in 1938 de Aruba Post als eerste dagblad, in het Engels. Redacteur-uitgever S. Vieyra. Later zou de Aruba Post de naam Arubaanse Courant aannemen en met de Beurs- en Nieuwsberichten en La Prensa bij een uitgever op Curaçao worden ondergebracht. Sinds 1980 verschijnt op Aruba het ochtendblad Diario in het Papiamentu. Voorts het Engelstalig dagblad The News en het weekblad The local. Het in het Papiamentu verschijnend voorlichtingsblad Aruba informeert de bevolking over de officiële activiteiten van de eilandelijke overheid. Het blad, dat zesmaal per jaar verschijnt, wordt in een oplage van 15.000 gratis verspreid. Niet onvermeld mogen blijven het weekblad Curaçao, dat, opgericht in 1938, in de loop der jaren (tot 1959) veel invloed op de behandeling van politieke vraagstukken heeft gehad en het sociaal-culturele maandblad Christoffel dat in 1955 voor het eerst verscheen, om na enkele jaren op te gaan in de in Nederland uitgegeven Nieuwe West-Indische Gids. Op Curaçao verscheen na de oorlog het humoristische blad Lorito Real en op Aruba Chuchubi.

Bonaire is afhankelijk van de op Curaçao verschijnende dagbladen. Sinds enige jaren verschijnt daar in klein formaat Bonaire Weekly. De Bovenwindse Eilanden hebben naast import van de Curaçaosche kranten in de Nederlandse taal, ook import vanuit Puerto Rico (San Juan Star) en Miami (Miami Herald). Op St. Maarten verschijnen twee nieuwsbladen wekelijks: The New Age, the Clarion (St. Maarten Star); Windward Islands Newsday komt tweemaal per week uit. Op St. Eustatius verschijnt de St. Eustatius Gazette terwijl het kleinste eiland Saba het maandblad Saba Herald kent als enige eigen krant.

Op de Antillen verschijnen voorts een groot aantal tijdschriften waarvan genoemd kunnen worden Antillen Review (informatief, cultureel), Amistad (populair), Boulevard (populair), Enfasis (onderwijsblad), Kristòf (cultureel), Wega (sport), Tambú (populair). Daarnaast nog een aantal bedrijfspublikaties zoals Nos Isla (Shell Curaçao N.V.), Aruba Esso News, Intercom (A.L.M.), vakbondsbladen, partijbladen en verenigingsorganen.

Literatuur:

  • J. Hartog, Journalistiek leven in Curaçao (1944);
  • idem, Publiciteit op Aruba, in: Christoffel, jrg, 2 nr 4 (1957);
  • A.G. Jansen, De pers op Curaçao, in: Christoffel, jrg, 2 nr 4 (1957);
  • Th.H. Oltheten, Communicatie in de Nederlandse Antillen (1978);
  • N. Hendrikse, De Pers, in: Cultureel Moizaïek van de Nederlandse Amillen (1977).

 

@: Persbureaus
zie @: Nieuwsvoorziening; @: Persdienst.

 

@: Persdienst

Een officiële voorlichtingsdienst werd voor het eerst ingesteld in de Tweede Wereldoorlog door de oprichting van de Gouvernementspersdienst, in juni 1940, onder leiding van E. Elías (tevens censor). De dienst ressorteerde onder de regering in Londen (regeringsvoorlichtingsdienst) en werkte in de praktijk onder de gouverneur. Het terrein van de voorlichtingsdienst werd ruim bestreken, o.a. door het uitgeven van een blad Economische Berichten. Bij zijn vertrek naar de Verenigde Staten in juni 1944 werd Elias opgevolgd door E.A. Winters. Na de oorlog, toen ook Winters Curaçao verliet, kwamen de werkzaamheden van de dienst tot een eind.

Na de politieke zelfstandigwording kwam er een officiële persdienst van de Nederlandse Antillen tot stand onder de naam: Regeringsvoorlichtingsdienst der Nederlandse Antillen, welke sindsdien tot een efficiënte organisatie is uitgegroeid en overzichtelijk voorlichtingsmateriaal heeft uitgegeven, o.a. het boekje De Nederlandse Antillen (in verscheidene talen). De dienst verschaft ook het materiaal voor een Antilliaanse Nieuwsbrief, die wekelijks in Nederland wordt verspreid.

Naast de voorlichtingsdienst van het Land, hebben de eilandsbesturen van Curaçao en Aruba eigen (eilandelijke) voorlichtingsdiensten ingesteld. Op Bonaire en op de Bovenwindse Eilanden wordt deze voorlichting door de kantoren van de gezaghebbers behartigd. Voor het belangrijke aspect der toeristische voorlichting werken er op Curaçao en Aruba toeristenbureaus, die veel materiaal in de vorm van folders (o.a. via een affiliatie in New York) verspreiden. In de 1950ger jaren was H. Hermans als Commissaris voor de Voorlichting belast met het verstrekken van (vooral culturele) informatie omtrent Nederland in de Nederlandse Antillen. Deze functie is thans opgeheven. Uiteraard kennen enkele grote ondernemingen eigen voorlichting naar buiten, in de vorm van public-relationsafdelingen. Zij, die in deze sector werken, zijn in een eigen organisatie verenigd. In dit verband mag niet onvermeld blijven Arturo (Tula) J. Jesurun, die op het terrein van de public relations baanbrekend werk heeft verricht.

Particuliere persbureaus, werkzaam in de Nederlandse Antillen, zijn: Het Algemeen Nederlands Persbureau in Den Haag en de Amerikaanse bureaus Associated Press en United Press International uit de Verenigde Staten (zie ook Nieuwsvoorziening).

  • Lit.: J. Hartog, Journalistiek leven in Curaçao (1944).

 

@: Persvereniging

In April 1943 kwam op initiatief van Isidore Bloch de eerste journalistenorganisatie tot stand, de Curaçaosche Persvereniging, waarvan Joh. Hartog voorzitter was. Deze vereniging verwierf vermaardheid, doordat zij, als symbolische daad in oorlogstijd, de zetels naar Curaçao bracht van de Nederlandse Journalisten Kring (N.J.K.) en de Nederlandse Rooms Katholieke Journalisten Vereniging (N.R.K.J.V.). Ook journalisten buiten de eilanden van de Nederlandse Antillen traden tot de Curaçaosche Persvereniging toe. Op 2 augustus 1943, kort voor het 60-jarig bestaan van de N.J.K. en het 40-jarig be¬staan van de N.R.K.J.V. werd via Radio Oranje een boodschap naar Nederland gezonden, in het bijzonder gericht tot journalisten werkzaam in de ondergrondse pers. Thans is op Curaçao gevestigd de Sociedad di Periodistanan di Corsow en op Aruba de Aruba Press Club.

  • Lit.: J. Hartog, Journalistiek leven in Curaçao (1944).

 

@: Persvrijheid

Zoals in Nederland de Grondwet dit doet, zo wordt in de Nederlandse Antillen de persvrijheid gegarandeerd door de Staatsregeling, art. 8: Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren. Een landsverordening (drukpersverordening van 1933) regelt verantwoordelijkheid en waarborgen. Deze bepaling inzake de persvrijheid is nog overgenomen uit het Regeringsreglement van 1866.

Slechts eenmaal is de persvrijheid opgeheven, toen in de Tweede Wereldoorlog, op 10 mei 1940, censuur werd afgekondigd, uitgewerkt in een algemene bekendmaking van 4 juni 1940. De procureur-generaal Th. van der Laan droeg de uitoefening van de censuur op aan E. Elías, tevens hoofd van de Gouvernementspersdienst. De preventieve censuur werd opgeheven op 1 september 1942, behalve voor militaire en maritieme aangelegenheden. Het kwam tot een conflict op 18 maart 1942, toen de Amigoe di Curaçao een verschijningsverbod kreeg opgelegd, dat op 21 maart weer werd opgeheven. Achtergrond vormde de zeeliedenstaking, welke bij de Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij was uitgebroken en waarbij doden en gewonden waren gevallen. Op de plaats waar de Amigoe de mening der scheepsofficieren inzake betere veiligheidsvoorzieningen had willen afdrukken, wat door de censor niet werd toegestaan, had het blad o.a. art. 4 van de Staatsregeling afgedrukt: Slavernij wordt in Curaçao niet geduld, waarop het verschijningsverbod volgde.

Een conflict van andere aard deed zich voor bij de uitwijzing van de journalist A. de Wit, hoofdredacteur van Beurs- en Nieuwsberichten, in 1958 (niet te verwarren met de journalist H. de Wit, die van 1943 tot 1946 aan het blad was verbonden). A. de Wit had door de denigrerende toon waarop hij toestanden en overheidspersonen hekelde, de wrevel van de minister van Justitie, S.W. van der Meer, opgewekt, die tot uitwijzing besloot. A. de Wit ging in beroep bij Gouverneur Speekenbrink, die de zaak bevroor. De zaak bleef slepende, als een prestigeconflict tussen gouverneur en minister zonder dat er een strafvervolging werd ingesteld. De zaak eindigde, toen A. de Wit en zijn vader L.W. de Wit, welke laatste directeur van de uitgeverij was, werden ontslagen en vrijwillig naar de Verenigde Staten uitweken. Uitwijzing van een journalist was overigens geen novum. In 1873 werd Hendrik Conquet, redacteur van het blad De Onafhankelijke, dat het voor de ontslagen procureur-generaal Sassen had opgenomen, door Gouverneur Wagner uitgewezen, na een veroordeling wegens smaadschrift. Hij vertrok naar de Dominicaanse Republiek. Hetzelfde lot trof zijn opvolger Jan C. Prince. Tien jaar later kreeg Conquet gratie en kon hij naar Curaçao terugkeren. Iets dergelijks gebeurde met J.A. Morera Colon, verbonden aan het blad Mañana, die in 1922, bij een bootwerkersstaking, van Curaçao werd verwijderd.

  • Lit.: J. Hartog, Journalistiek leven in Curaçao (1944).

 

@: Peter
zie @: Verwantschap.

 

@: Petitierecht

is het recht van elke staatsburger om verzoekschriften in te dienen bij de bevoegde macht zowel van het Koninkrijk als van de Nederlandse Antillen (zie artikel 9 Staatsregeling). Het recht behelst niet het recht op antwoord van het bevoegde gezag (zie Staten: bevoegdheden).

 

@: Petroleumindustrie

De ontdekking van het ruwe olieveld Mene Grande (Venezuela) in 1914 heeft de stoot gegeven tot de ontwikkeling van de petroleumindustrie in de Nederlandse Antillen. Het transport van de Venezolaanse ruwe olie geschiedde met schepen van geringe diepgang en beperkte grootte, die via een zich verplaatsende ondiepe doorvaart vanuit het Meer van Maracaibo de open zee bereikten. Vervoer in bulk over de oceanen in schepen van kleine tonnage was economisch niet aantrekkelijk zodat overlaadstations noodzakelijk waren. Aruba en Curaçao beschikten over een goede kust en hadden een uitstekende geografische positie welke nog versterkt was door de opening van het Panamakanaal in 1914. Shell liet in 1915 zijn keuze voor vestigingsplaats van het overlaadstation vallen op Curaçao en in 1924 besloot de Lago Oil & Transport Company op Aruba een overlaadstation in te richten. In beide gevallen werd de keuze na korte tijd gevolgd door de bouw van een raffinaderij. De Koninklijke Shell groep begon haar raffinage-activiteiten op Curaçao in 1918 (zie @: Shell Curaçao N.V.) en op Aruba in 1928 (zie @: Arend Petroleum Maatschappij N.V.); de Lago volgde in 1929 op Aruba (zie @: Lago Oil & Transport Company, Ltd.).

Reeds in de beginjaren bezette de petroleumindustrie een dominerende plaats in de Antilliaanse volkshuishouding en samenleving, hetgeen met de bevolkingsgroei kan worden geïllustreerd (zie ook @: Bevolking). Terwijl de periode 1900-1920 een toeneming liet zien van 1.600 inwoners, bedroeg deze in de periode 1920-1930 bijna 23.000 en in de periode 1930-1940 rond 30.000 inwoners. Deze stijging kan slechts worden verklaard door de vestiging van de petroleumraffinaderijen op Aruba en Curaçao: in 1949 waren op de Lago-raffinaderij in Aruba rond 8.300 personen werkzaam op een totaal aantal beschikbare arbeidskrachten van ca. 11.000. Terwijl de raffinaderijen gedurende de oorlogsjaren op topcapaciteit hadden gewerkt - als gevolg van de steeds toenemende vraag naar olieprodukten voor de geallieerde oorlogsvoering, werd in snel tempo een uitbreidingsprogramma uitgevoerd (in 1941 was 80 tot 85% van de totale voorraad vliegtuigbenzine van de geallieerden afkomstig uit de Nederlandse Antillen) - ondervond men spoedig daarna concurrentie uit andere landen die deels het gevolg was van een aanhoudend overschot in het wereldaanbod van ruwe olie, deels het gevolg van het gestadig verrijzen van petroleumraffinaderijen in de consumptiegebieden. Een vergelijking van produktie met exportopbrengsten toont de daling van het wereldmarktprijspeil voor olieprodukten in algemene zin aan. De raffinaderijen in de Nederlandse Antillen waren dan ook gedwongen een grotere mate van efficiëntie te bereiken waartoe de bedrijven gereorganiseerd, gestroomlijnd en geautomatiseerd werden.

De gevolgen waren enorm voor de Antilliaanse volkshuishouding. Het personeelsbestand, direct door de oliemaatschappijen geëmployeerd (excl. varend personeel op de op Curaçao thuisbehorende tankervloot), dat in 1952 nog 18.489 bedroeg, daalde tot 5.526 personen per ultimo 1967, en beliep per ultimo 1982 ongeveer 3.030. Deze terugloop van het werknemersbestand werd de voornaamste oorzaak voor de structurele kern van de werkloosheid die vooral op het eiland Curaçao zeer groot is (in 1982 ruim 19% van de beroepsbevolking).

De macro-economische betekenis van de petroleumindustrie is voor de Antilliaanse eilanden gering, in vergelijking met de omvang van de operaties. De commerciële en financiële transacties vinden buiten de Nederlandse Antillen plaats. Vanuit het buitenland worden belastingen, salarissen en betalingen aan lokale aannemers overgemaakt. Om al te grote wisselingen in overheidsinkomsten vanwege de raffinaderijen te voorkomen, is bij Landsverordening van 29 maart 1974 een minimum-niveau bepaald voor wat betreft te betalen Winstbelasting van NAf 37 miljoen voor de Arubaanse raffinaderij, en NAf 34,8 miljoen voor de Curaçaosche raffinaderij later gewijzigd in NAf 28,7 respect ievelijk NAf 24,4 miljoen).

In het begin van de 1980ger jaren kan nog van een succesvolle operatie van de Lago raffinaderij op Aruba gesproken worden, hoewel de raffinaderij pessimistisch gestemd is over de verwachte leveringscondities van zware Venezolaanse crude, waarvan ze afhankelijk is. De Lago raffinaderij is traditioneel dé leverancier van zware stookolie (residual fuel) aan de Noord-Amerikaanse oostkust.

De Shell Curaçao heeft een meer gedifferencieerde produktie, en heeft in de 1970tiger jaren andere afzetmarkten ontwkkeld, vooral in de regio. Begin 1980ger jaren is de Shell Curaçao gestart met een rigoureus bezuinigingsprogramma. De internationaal zwakke petroleummarkt en de overcapaciteit aan raffinage heeft de operaties van het bedrijf beïnvloed en de noodzaak van stroomlijningsoperaties aangegetoond. In 1983 is er een nieuwe thermische kraker gereed gekomen, hetgeen als een belangrijke investering gekarakteriseerd kan worden.

De bijdrage van de oliebedrijven aan de economische ontwikkeling is in de loop der jaren sterk afgenomen. In 1961 was ruim 22% van de beroepsbevolking van de Nederlandse Antillen werkzaam in de petroleumindustrie, in 1972 was dit gekelderd tot maar nog 7,6%. En het aandeel is blijven afnemen tot ongeveer 5% in 1981. De bijdrage aan het Nationaal Produkt is in  de loop der jaren eveneens - hoewel minder drastisch - gedaald: 40% in 1957, 25% in 1967 en 17% in 1980. De groei van de Antilliaanse economie is te danken aan de ontwikkeling van andere sectoren (zoals het toerisme sinds de 1960ger jaren, de off-shore- en andere sectoren in de 1970ger jaren).

 

 

@: Philipsburg

Hoofdplaats van het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van Sint Maarten, gelegen op een circa 1.700 m lange, smalle zandbank tussen Great Bay en de Great Salt Pond. De plaats werd omstreeks 1740 gesticht door de toenmalige commandeur John Philips. Tot 1968 had de stad door haar merkwaardige situering slechts twee lange straten: Front Street (Voorstraat) en Back Street (Achterstraat), die door een aantal dwarssteegjes met elkaar zijn verbonden. In de Voorstraat bevinden zich de meer aanzienlijke huizen en hotels en de grotere zakenpanden. De erven van de huizen aan de zeezijde grenzen aan het zandstrand van Great Bay. Aan de zijde van Great Salt Pond is tussen 1966 en 1968 een strook grond van ca. 200 m breedte drooggelegd om ruimte te scheppen voor uitbreidingsplannen. Deze zogenaamde Pond Fill was in 1983 voor een groot deel volgebouwd. Als eigenaresse drukt de eilandelijke overheid enigszins een stempel op dit gebied. Centraal staat het in 1978 in gebruik genomen stadhuis, de Administration Building. Ervoor is een grote, ongeplaveide parkeerplaats en er omheen is veel ruimte vrijgelaten voor de uitbreiding van gouvernementsgebouwen. Het overige deel van de Pond Fill is in erfpacht uitgegeven om er voornamelijk zakenpanden op te bouwen. Een uitzondering hierop vormen de gouvernements-politiewoningen die op een dubbele rij langs de Pond Fill Road staan. In 1983 waren slechts twee dwarswegen op de Pond Fill verhard.

De zoute bodem is ongeschikt voor beplanting. De architectuur van de meeste zakenpanden is louter functioneel d.w.z. blokvormig. Deze drie aspecten geven de Pond Fill een boom-town uiterlijk. Het centrum van Philipsburg wordt gevormd door het De Ruyterplein, waar een kleine aanlegsteiger ligplaats biedt aan de tenders van de cruiseschepen, de dingy’s van de jachten en af en toe een lokaal vracht/passagiersscheepje. De plaats is voor grotere schepen onbereikbaar, aangezien op enige afstand voor de kust een geleidelijk in hoogte toenemende zandbank dwars door de Great Bay ligt. Een asfaltweg verbindt Philipsburg met de diepwaterpier van Point Blanche en het haventerrein aldaar. Vanaf het midden der 1960ger jaren ondergaat het oude Philipsburg vele veranderingen. De woonfunctie van de Front Street wordt geleidelijk aan vervangen door de commerciële functie. Werden aanvankelijk winkels gevestigd in de mooie oude houten huizen met maximaal twee verdiepingen, nu worden steeds meer deze karakteristieke gebouwen gesloopt om plaats te maken voor betonnen gebouwen van velerlei architectuur. Het (éénrichtings) verkeer in de Front Street is vaak zeer druk. Daarbij komt nog de strook geparkeerde auto’s zodat de voetganger maar weinig ruimte wordt gelaten. Een RK-kerk, een methodistenkerk, vier lagere scholen, vier banken, het postkantoor, het politiebureau, de gevangenis, restaurants vindt men in de Front Street en Back Street. In de Back Street en de zijsteegjes overheerst nog steeds de woonfunctie en kan men er de traditionele Sint Maartense sfeer nog aantreffen (zie @: Architectuur).

 

@: Philipszoon, Jacques Anton

(Paramaribo 18 juni 1905 - Amsterdam 21 februari 1983) Surinaams geneesheer, opgeleid aan de Geneeskundige School te Paramaribo. Van 1930-1936 gouvernementsarts op St. Eustatius. Zijn patiënten bezocht hij te paard, gewapend met schetsboek omdat hij ook schilderde. Ontwierp het in 1933 onthulde De Ruyter monument op dit Bovenwindse eiland; op een postzegel (1958) is dit ontwerp als symbool voor St. Eustatius gekozen. Werkte daarna nog enige jaren op Curaçao en vestigde zich tenslotte in Amsterdam. Ontwikkelde zich tot een zeer verdienstelijk schilder; ontving de Therese Schwartzemedaille en -prijs. Publiceerde over ziekten, voorkomende op de Bovenwindse Eilanden, borstvoeding en oyada (boze oog).

  • Wrk.: Kinderhygiëne en volksgewoonten in verband met den kinderleeftijd in Nederlandsch W. Indië. Geneesk. Gids, 1941, 24 april, 1 en 8 mei.

 

@: Piar, Manuel Carel / @: Manuel Carel Piar / @: Manuel Piar

(Curaçao 1778 - Angostura, Ciudad Bolivar, Venezuela 16 oktober 1817) belangrijke figuur in de strijd voor de onafhankelijkheid van Venezuela. Woonde als jongeman enige tijd in Haïti; nam in 1806 deel aan de Francisco de Miranda’s invasie van Coro en werd in 1811 door deze benoemd tot stafofficier in het revolutionaire leger. Na succesvolle deelname aan veldtochten tegen de royalisten in het oosten van het huidige Venezuela en aan de maritieme blokkade van Puerto Cabello (1813), werd hem in 1814 de generaalsrang verleend. In dit laatste jaar leed hij zware nederlagen bij Cumami. Na het verlies van Cartagena aan de royalisten (1815), dat het einde van de zogenaamde Tweede Republiek betekende, vertrok Piar naar Haïti, waar een verzoening met Simon Bolívar plaatsvond; hun eerdere wrijving was ontstaan uit wat Bolívar als insubordinatie had uitgelegd. In 1816, tijdens de hernieuwde campagne in oostelijk Venezuela, verleende Bolívar hem de titel van bevelhebber. Door Piars overwinning van San Felix (1817) legde hij één der belangrijkste grondslagen voor de verdere dekolonisatie van het land. Hij bleek echter moeilijk te kunnen verdragen dat Bolívar zich vervolgens persoonlijk met de Guyanese veldtocht ging bemoeien; niet alleen vroeg hij ontslag uit het leger (29 juni 1817), maar ook begon hij tot actie tegen Bolívar op te zetten. In september van dat jaar werd hij gearresteerd en na door een militaire krijgsraad - onder voorzitterschap van zijn landgenoot, de Curaçaoenaar Luis Brion - te zijn beschuldigd van insubordinatie, samenzwering en desertie, veroordeeld tot de dood door de kogel.

Dit gewelddadig einde van Piar - dat zowel door afgunst van mede-officieren als door raciale conflicten schijnt te zijn bevorderd - bleef lang een omstreden brok Venezolaanse geschiedenis. Eerst in de 20ste eeuw werden zijn grote verdiensten door zijn tweede vaderland algemeen erkend: Piar en Brion zijn de enige niet-Venezolanen die op het vrijheidsmonument (1956) op de Paseo de los Proceres te Caracas staan afgebeeld. In Punda, is een plein naar Piar benoemd: Het Plaza Piar; zijn standbeeld, volgens het opschrift aangeboden door de regering en het volk van Venezuela, werd op 5 juli 1963 onthuld door de Venezolaanse minister van onderwijs, Dr. Reinardo L. Mora en de toenmalige voorzitter van de Staten van de Nederlandse Antillen, de heer J.A.O. Bikker.

Literatuur:

  • J.J. Arocha, Manuel Carlos Piar El héroe y el genio (1961);
  • W.M. Brada, Piar (1955);
  • J.  Hartog Manuel Carel Piar - De jongen van Otrobanda (1967);
  • A.J. Maduro: El proceso del curazoleño Manuel Piar (1963).

 

@: Pidgintalen
Zie @: Creoolse talen.

 

@: Piëdra di bos

(Letterlijk: dondersteen), stenen beitel van de oorspronkelijke Indiaanse bewoners van deze eilanden. Het volksgeloof wil dat deze stenen in het heelal uit stofdeeltjes zijn gevormd en met de bliksem diep de grond in geslagen zijn. Worden op Aruba piedra di strena (bliksemsteen) genoemd.

 

@: Piëdra Plat

Aan de noordelijke flank van de Hooiberg gelegen woonwijk op Aruba. Hier vindt men de enige in de buitendistricten gebouwde protestantse kerk (1898) en school.

 

@: Pierson, Heldring & Pierson Curaçao
Zie @:Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Pietermaai

Foto: Pietermaai kent drie gedeelten, die gemakkelijk van elkaar zijn te onderscheiden als men vanuit Punda richting Oost rijdt. Het eerste gedeelte ligt aan de weerszijden van de Pietermaaiweg. Hier liggen nog de statige kantoorgebouwen, zoals de toren van het voormalige ABN / AMRO-gebouw (anno 2008 kantoor van 's lands Departement van Financien), het kantoor van de Kamer van Koophandel (KVK) Curacao en het gebouw van de Tourism Board. Daarna volgt Pietermaai Smal (foto), het gedeelte tussen het water van de Caribische Zee en dat van het Waaigat, met als voornaamste verkeersader de Kaya Wilson "Papa" Godett, de vakbondsleider, die een vooraanstaande rol speelde tijdens de onlusten van 30 mei 1969 en het als leider van de politieke partij Frente Obrero i Liberacion 30 di Mei (FOL) tot minister zou schoppen.  Anno 2008 zijn vele van de gebouwen in dit gebied, niet zo lang terug sterk in verval, gerestaureerd. Het gebied bruist anno 2008 van economische- en sociale activiteiten, waar niet zolang geleden voornamelijk aan drugsverslaafden en andere minder socialen, een heenkomen zochten. Hierna verwijdt het gebied zich weer en vindt men er onder andere de Johan van Walbeeckplein met het pas gerestaureerde ex Nationale Bibliotheekgebouw; anno 2008 kantoor van de NAAM (Nationale Anthropoligisch en Museum). In dit gebied ligt ook de Ansinghstraat met het vergaderingsgebouw van de Curacaosche Eilandsraad, het gebouw van de kantoren van de eilandsraadsleden. en de kathedraal van Pietermaai, het voornaamste religieuze bouwwerk van het eiland.

Volgens de traditie naar een zekere Pieter de Mey genoemde buitenwijk in Willemstad ten oosten van Punda, waarvan de verbinding met deze kern eerst na het opgeven van de verdediging der stad naar de landzijde tot stand kon komen. Vooral de hoofdstraat, de Pietermaaiweg / Kaya Wilson "Papa" Godett, droeg grotendeels nog een deftig laat 19de-eeuws karakter door een aantal grote huizen uit de laatste classicistische fase maar is thans helaas zeer verwaarloosd. Aan de ten oosten daarvan volgende Penstraat (naar huize The Penn of Belle Alliance) liggen nog enige overblijfsels van vroegere buitenhuizen, o.a. Huize Vianen.

 

@: Piki punta
Zie @: Risibimentu.

 

@: Piku
Zie @: Barakuda.

 

@: Piña, Nicolás Antonio

(Tococopero, Venezuela 6 december 1921- Aruba 1 juni 1967), heeft zich in zijn gedichten, hoofdzakelijk verschenen in Simadan en Antilliaanse Cahiers en nog steeds niet gebundeld, zowel van het Nederlands als het Spaans en Papiamentu bediend, waarbij hij van een uitzonderlijke taalbeheersing blijk heeft gegeven. Hij heeft zich voorts verdienstelijk gemaakt als mede-oprichter en redacteur van het tijdschrift Simadan (zie ook @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Pineapple
Zie @: Anasa.

 

@: Pinto, Nilda / @: Nilda Pinto

Schrijversnaam van Nilda María Geerdink-Jesurun Pinto (Curaçao 12 december 1918 -Hengelo 17 apri1 1954) vooral bekend om de levendige wijze waarop zij Curaçaosche volksvertellingen, in het bijzonder de Nanzi-verhalen, in het Papiamentu heeft opgetekend (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Werken:

  • Corsouw ta conta (1954);
  • Nos dushi papiamentu (1947);
  • Bam Canta (in samenwerking met R.Th. Palm) (1948);
  • Cuentanan di Nanzi (1952) (postume herdruk 1965).

 

@: Piscaderabaai

  1. Baai aan de zuidkust van Curaçao, ten westen van Willemstad. Hier werd een fort gebouwd ter verdediging van Willemstad. Maar deze baai is vooral bekend geworden als recreatiecentrum, vooral voor de zwemsport, door de activiteiten van de Piscaderabaai Club opgericht door de Shell ten behoeve van haar employés. Ter wille hiervan werd een deel van de baai met haaienetten afgesloten. Daarna is op het terrein van de voormalige Piscaderabaai-club een Hiltonhotel met 200 kamers verrezen, dat in 1967 werd geopend. Dit hotel is in 1983 overgenomen door het Concordeconcern.
  2. Een groot binnenwater achter bovengenoemde baai. Hierin wordt afvalwater, na eerst enigszins gezuiverd te zijn, geloosd. Hierdoor is het binnenwater niet geschikt als recreatiegebied en ook de visstand is hierdoor sterk teruggebracht.

 

@: Pishiporko

of varkensvissen is de naam waarmee zowel de trekkervissen of trigger fish (familie Balistidae), als de vijlvissen of filefish (familie Monacanthidae) worden aangeduid. Varkensvissen hebben een zware rugvinstekel, die achterwaarts omlaag in een groeve geklapt kan worden. Zij zwemmen niet met de staart alleen maar in de eerste plaats met rug- en aarsvin. Bij de trekkervissen maken deze vinnen een heen en weer wuivende beweging, bij de vijlvissen maken ze een kleine golfbeweging. Met hun zwaar gebit knabbelen zij aan rotsen, koraal, enz. In de winter komen jonge queen triggerfishes, ter grootte van een muntstuk, vaak in scholen op de riffen voor; naarmate zij groter worden trekken zij naar dieper water. Varkensvissen zijn in het aquarium goed houdbaar.

 

@: Piská kòrá
zie @: Snappers.

 

@: Piskèchi

(Allanetta harringtonensis en Atherinomorus stipes) koornaarvis, tray of silversides onderscheiden zich van andere scholende soorten kleine witvis door hun dubbele rugvin en hun overlangse zilveren streep over de flank. Langs de kust vormen zij samen met de saldinchi het stapelvoedsel voor grotere vis. Zij trekken in dichte scholen de binnenbaaien binnen. Op ondiep water worden zij wel met de trai gevangen om als aas te dienen. Ondanks hun kleine afmetingen worden zij ook nog wel gegeten.

 

@: Pita di tranké
zie @: Agave.

 

@: P.J.D.2
Omroepstation op St. Maarten zie @: Radio-omroep.

 

@: Placenta
zie @: Geboortegebruiken.

 

@: Plankton

omvat plantaardige en dierlijke organismen, die in zee en in het zoete water ‘zweven’, in tegenstelling tot het nekton, dat zwemmende dieren zoals vissen en dolfijnen omvat. Plankton-organismen kunnen wel een eigen beweging hebben, maar deze is dan relatief gering. Een zwemmend vislarfje wordt tot het plankton gerekend, maar naarmate het larfje groter wordt, wordt het bij het nekton ingedeeld. Tot het plankton behoren ten eerste alle microscopische waterorganismen, maar ook een aantal grotere, zoals Sargassowier, kwallen en salpen.

Het plantaardige plankton (phytoplankton) vermeerdert zich al naargelang voedingszouten en zonlicht aanwezig zijn (primaire produktie). Doordat de Antilliaanse wateren relatief arm aan voedingszouten zijn, is hier de primaire produktie laag, ook al is er aan de oppervlakte voldoende zonlicht.

Het dierlijke plankton (zooplankton) leeft grotendeels van het plantaardige plankton (secundaire produktie); onder de grote zooplanktonten zijn er ook vele, die van kleiner zooplankton leven. Het plankton vormt het stapelvoedsel zowel voor het gros der bodemdieren als voor de vissen. Het gebrek aan voedingszouten in het oppervlaktewater van de Nederlandse Antillen brengt mee, dat niet alleen de hoeveelheid plankton gering is, maar dat dientengevolge ook de visstand hier arm is. Pogingen om het plankton voor de menselijke voedselvoorziening aan te wenden, verkeren tot nog toe in het experimentele stadium (zie ook @: Visserij).

 

@: Plantages

  • Inhoudsopgave
  • Hoofdstuk 1: Het plantagesysteem van de kolonisatoren
  • Hoofdstuk 2: Plantagesysteem Benedenwindse Eilanden
    • Sectie 1: Curaçao
      • Paragraaf 1: Compagniesplantages
        • Deel 1: De eerste ‘tuinen’ voor eigen voedselvoorziening
        • Deel 2: Uitbreiding teelt door slavenasiento
        • Deel 3: Verhuur en verkoop Compagnieplantages
      • Paragraaf 2: Particuliere plantages
        • Deel 4: Ontstaan: De eerste mislukte koloniërs
        • Deel 5: Het Jodenkwartier
        • Deel 6: Negerstuynen
      • Paragraaf 3: Definitie plantage; aantal en oppervlakte
      • Paragraaf 4: Usurpatie van compagniesgrond
      • Paragraaf 5: Eigenaars: Blanke protestanten en Joden
      • Paragraaf 6: Produkten
        • Deel 7: Landbouw
        • Deel 8: Veeteelt
        • Deel 9: Houtskool; brandhout; dividivipeulen
        • Deel 10: Waterplantages en zoutwinning
      • Paragraaf 7: Bedrijfseconomische aspecten
        • Deel 11: Weersomstandigheden: Regen
        • Deel 12: Handel en scheepvaart
        • Deel 13: De grondbelasting van 1828
        • Deel 14: Geringe financiële voordelen
      • Paragraaf 8: De slaven
        • Deel 15: Betere omstandigheden dan rest Caribisch gebied
        • Deel 16: De emancipatie en daarna
    • Sectie 2: Aruba: Nooit een plantageeiland
    • Sectie 3: Bonaire
  •  Hoofdstuk 3: De Bovenwindse Eilanden
    • Sectie 4: Algemene gegevens
    • Sectie 5: De patroonschappen, 1636-1682
    • Sectie 7: St. Eustatius - 1682-1816
    • Sectie 8: St. Maarten - 18de eeuw
    • Sectie 9: Bovenwinden 19de eeuw
  • Hoofdstuk 4: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het artikel

Hoofdstuk 1: Het plantagesysteem van de kolonisatoren

Portugezen, Spanjaarden, Engelsen, Fransen, Nederlanders en andere Europeanen koloniseerden in de 16de en 17de eeuw het hele Caribisch gebied en grote gedeelten van het Amerikaanse vasteland. Ter exploitatie van de agrarische mogelijkheden van hun kolonies voerden ze er het plantagesysteem in. Met slaven als werkkrachten - eerst werden Indianen als zodanig gebruikt, later uit Afrika ingevoerde negers - verbouwden de Europese eigenaars van de plantages tropische landbouwprodukten voor de Europese markt. Op de meeste plantages legde men zich toe op de teelt van één produkt: suikerriet, tabak, katoen of indigo. De verbouw van voedingsgewassen en de veeteelt waren van ondergeschikt belang.

Op de door hen in het Caribisch gebied in beslag genomen eilanden legden ook de Nederlanders plantages aan. Deze kunnen echter slechts voor zover het de Bovenwindse Eilanden betreft tot het normale type plantages van het Caribisch gebied gerekend worden. Het soort plantages dat op Curaçao voorkwam week hier op belangrijke punten van af. Op de Curaçaosche plantages zal in dit overzicht de nadruk vallen; door de stand van het onderzoek komt de 19de eeuw daarbij beter tot haar recht dan de 17de en 18de.

 

Hoofdstuk 2: Plantagesysteem Benedenwindse Eilanden

  • Sectie 1: Curaçao
  • Paragraaf 1: Compagniesplantages
  • Deel 1: De eerste ‘tuinen’ voor eigen voedselvoorziening

Vrijwel onmiddellijk na 1634 zag de West-Indische Compagnie (W.I.C.) de noodzaak in zelf haar voedselvoorziening op Curaçao te verzorgen. De weinige Indianen die na het vertrek van de Spaanse bezetters op het eiland waren achtergebleven, verbouwden slechts produkten voor hun eigen levensonderhoud; daarnaast hielden ze zich bezig met de veeteelt. Enkele Indianen traden naderhand op als hoeders van het compagniesvee.

Aan de oostzoom van het Schottegat, in het zogeheten Ruyterskwartier, werden de eerste ‘tuinen’ aangelegd, waar vooral sorghum (de zogenaamde kleine maïs of maïshi chikitu) en bonen werden verbouwd. Spoedig legde de Compagnie ook plantages aan in andere gedeelten van het eiland, bijvoorbeeld bij de baaien St. Michiel, St. Marie en St. Jan, waar ook zout werd gewonnen. Deze plantages bestonden slechts voor een klein gedeelte uit omheinde percelen grond waar akkerbouw werd bedreven; het grootste deel van de terreinen werd niet in cultuur gebracht en diende als weide voor rundvee, schapen en geiten. Het beheer over de compagniesplantages was toeverttouwd aan een factoor.

  • Deel 2: Uitbreiding teelt door slavenasiento

Omstreeks 1660, toen Curaçao dankzij de contracten die de W.I.C. sloot met de houders van het slavenasiento het belangrijkste slavendepot werd voor het Spaanse vasteland, breidde de W.I.C. haar plantages sterk uit om de slaven van voedsel te kunnen voorzien. Afgezien van kleinere percelen (de tuinen bij het Schottegat werden aan het eind van de 17de eeuw verkocht) beheerde de Compagnie omstreeks 1700 een negental plantages: Oostpunt, Duivelsklip, Koraal Tabak, Noordkant, Rooi Canarie c.a., Hato c.a., Piscadera c.a., St. Marie en Leliënberg c.a. Afgezien van de veeteelt en de verbouw van sorghum en bonen werden ook pogingen ondernomen handelsgewassen te verbouwen. De teelt van suikerriet en katoen werd nooit een succes, de indigocultuur schijnt een betrekkelijk grote uitbreiding te hebben gehad maar werd in de 18de eeuw toch ook opgegeven.

  • Deel 3: Verhuur en verkoop Compagnieplantages

Kort na het begin van de 18de eeuw nam de Curaçaosche betekenis als centrum in de slavenhandel af. Daardoor werd de noodzaak tot voedselverbouw minder urgent voor de Compagnie. Omdat het beheer van de plantages bovendien veel te wensen overliet, besloot de compagnie deze te verkopen. Nadat een poging hiertoe was mislukt (1707), werden de plantages aan de meestbiedende voor de termijn van zes jaar verhuurd (1717). In loop van de 18de eeuw werd de huurtermijn enkele malen verlengd. De plantage Hato was niet verhuurd; zij diende deels als buitenverblijf voor de directeur en deels tot weide van het compagnievee. De Raad der Koloniën verkocht in 1796 alle negen plantages en enkele kleinere percelen grond.

  • Paragraaf 2: Particuliere plantages
  • Deel 4: Ontstaan: De eerste mislukte koloniërs

Als vertegenwoordiger van de soeverein, de Staten-Generaal, had de W.I.C. het feitelijke eigendom van de grond in de koloniën. Als zodanig had zij de bevoegdheid grond uit te geven aan particulieren. Met het oog op de mogelijkheid dat zij de grond terug nam als niet aan haar voorwaarden werd voldaan - één voorwaarde was dat het land bebouwd moest worden - noemt Van Grol dit ‘het uitgeven in (W.I.) eigendom’. Van het begin af aan heeft de compagnie geprobeerd koloniërs aan te trekken, maar daarin slaagde zij niet. De weinige particuliere landbouwers die in de jaren dertig en veertig van de 17de eeuw uit Holland op Curaçao kwamen of na hun diensttijd bij de Compagnie zich er als boer vestigden, moesten hun pogingen, om van de landbouw te bestaan, opgeven. Zij waren de eersten die hun streven gedwarsboomd zagen door de semi-aride klimaatsomstandigheden. Enkele nieuwe kolonisten kwamen kort na 1650, toen de Staten-Generaal opnieuw bekend maakten dat het eiland open stond voor ‘vrije lieden, bekwaam om hun kost te verdienen’ en voor patroonschappen. Hen verging het niet beter: ze waren na het seizoen 1655/56 genoodzaakt onderstand te vragen aan de vice-directeur. Enkele Joodse patroonschappen - in 1651 was er sprake van het patroonschap van Joao de Yllan, die beloofde 50 kolonisten naar Curaçao te brengen, in 1652 werd een soortgelijke overeenkomst gesloten met David Nassy - mislukten vooral door gebrek aan belangstelling.

  • Deel 5: Het Jodenkwartier

In dezelfde tijd waarin de W.I.C. haar plantagebedrijf uitbreidde in verband met de slavenhandel, omstreeks 1660, ontstonden de eerste plantages van particulieren. In 1659 kregen de Joodse Isaac da Costa en een groot aantal geloofsgenoten, waarvan velen lange tijd in Brazilie hadden gewoond, toestemming zich op Curaçao te vestigen. Vice-directeur Beck wees hun een strook grond toe langs de noordwestelijke oever van het Schottegat. Dit gebied, dat zich na latere uitbreidingen uitstrekte van de Compagniesplantage Rooi Canarie tot het tegenwoordige Veeris, kreeg in de volksmond de naam Jodenkwartier. Vanaf 1660 werden hier verschillende, vrij kleine plantages aangelegd, zoals Gasparito, De Hoog, Valentijn, Marchena en Habaai.

Tegelijkertijd werden door compagniesfunctionarissen en particulieren, van wie eveneens velen in Brazilië hadden gewoond, in andere delen van het eiland plantages aangelegd. Dit voltrok zich in snel tempo. Omstreeks 1660 werd een begin gemaakt met plantages als Klein Sint-Joris, Girouette, Siberie, Cas Abao, Klein en Groot Santa Barbara, St. Nicolaas, St. Kruis, Spaansche Put, Dokterstuin, Wacao en Knip. Kort na 1700 werden o.a. Jan Kock, Blauw, St. Sebastiaan, Puerto Marie, Barber, St. Hironimus en Zorgvliet (bij Savonèt) aangelegd. Uit inventarisaties die in 1696, 1721 en 1725 werden opgemaakt, kan worden afgeleid dat vrijwel alle belangrijke plantages omstreeks 1725 reeds bestonden. Nadien zijn er slechts kleine plantages bijgekomen, vooral rondom het Schottegat en in de oostelijke helft van het eiland.

  • Deel 6: Negerstuynen

Afgezien van de plantages en zogenaamde tuinen waren er nog enkele percelen die door Indianen werden gebruikt en vele ‘negerstuynen’, die clandestien waren aangelegd. De onvruchtbare, weinig begeerlijke gedeelten van het eiland, die gelegen waren op plaatsen ver van de kust, waren niet in plantages verdeeld. Over deze percelen, de zogenaamde Compagniessavanen, hield de Compagnie de beschikking maar particuliere planters kregen het recht er hun vee te laten weiden (weideprivileges).


  • Paragraaf 3: Definitie plantage; aantal en oppervlakte

Definitie:

In de literatuur komen over het aantal plantages dat Curaçao heeft gekend cijfers voor die uiteenlopen van omstreeks 100 tot ruim 400. Dat er zo weinig eenstemmigheid bestaat over het aantal plantages heeft te maken met de op het eiland bestaande neiging - vroeger zowel als nu - elk in cultuur gebracht stuk grond een plantage te noemen. Worden alle terreinen die in transportakten ooit als plantage zijn aangeduid opgeteld, dan kan ongetwijfeld een aantal van 400 worden onderscheiden, maar dat geeft een vertekend beeld. Om administratieve redenen is kort na 1840 geprobeerd de kenmerken van een plantage nauwkeurig vast te stellen. Het begrip plantage werd gereserveerd voor die landbouwbedrijven waarop een stenen woonhuis en stenen bijgebouwen (magasina’s), alle voorzien van een pannendak, voorkwamen; kenmerkend voor een plantage was verder de aanwezigheid van slaven en het bezit van een privilege voor het houden van vee. Landbouwbedrijven waarop slechts een stenen woonhuis, zonder stenen bijgebouwen, stond werden ‘tuin’ genoemd. De overige percelen grond, al of niet voorzien van eenvoudige strohutten, vielen onder de noemer ‘stuk grond’, ‘kanoekje’ of ‘savaan’. Uitgaande van deze begripsomschrijving - die overigens noch in de overheidsstukken noch in het dagelijks spraakgebruik consequent werd toegepast - kan, in afwachting van de resultaten van nader onderzoek, worden aangenomen dat het aantal plantages in de 18de eeuw vanaf omstreeks 1725 steeds ruim 100 bedroeg. Door samenvoeging van twee of drie naast elkaar gelegen plantages zijn sommige in de loop van de eeuwen verdwenen. In de 19de eeuw liep het aantal terug van 99 (in 1820) tot omstreeks 90 aan het eind van de eeuw. Daarnaast kwamen enkele tientallen ’tuinen’ voor en vele percelen grond van een á twee ha die door ex-slaven werden bewerkt; het kleinlandbouwbedrijf onderging in de 19de eeuw, met name in het laatste kwart, een sterke uitbreiding.

Grootte:

In oppervlakte bestonden er aanzienlijke verschillen tussen de plantages. Dicht bij de stad en bij het Schottegat waren vele niet groter dan enkele tientallen ha. In de verst van de stad gelegen districten kwamen de grootste plantages voor; niet zelden werd hier een omvang van 400 á 600 ha bereikt; slechts enkele plantages waren groter dan 1000 ha.

  • Paragraaf 4: Usurpatie van compagniesgrond

Welke omvang de plantages hadden was overigens, zeker in het begin, weinig duidelijk. Van het aan particulieren toegewezen terrein werd een klein gedeelte geschikt gemaakt voor de teelt van sorghum en andere akkerbouwgewassen; het grootste deel bleef woest liggen als weide voor het vee. Daardoor was de grens tussen de particuliere plantages en de compagniessavanen nauwelijks herkenbaar. Dit bood de planter de gelegenheid, bij het omheinen van zijn terrein of bij het vernieuwen van een omheining, meer land in te ‘zerken’ dan hem rechtmatig toekwam. Dit proces van ‘usurpatie’ van compagniesgrond begon reeds vóór 1700, maar kwam vooral in de 18de en zelfs ook nog in de 19de eeuw voor. Niet zelden waren langdurige conflicten en processen tussen planters er het gevolg van aangezien het omheinen van compagniesgrond door de ene planter betekende dat anderen er hun vee niet meer konden laten lopen.

De meest direct benadeelde partij was echter de W.I.C. De Heeren X gelastten de directeur op Curaçao herhaaldelijk tegen usurpaties op te treden. Hoewel geusurpeerde gronden soms weleens werden teruggenomen, bijvoorbeeld in 1721, kwam hier in de praktijk weinig van terecht, mede doordat de directeur en andere compagniesfunctionarissen zelf dikwijls niet vrijuit gingen. Wel werd het besluit van 1713, dat iedere planter jaarlijks een belasting van 30% van de getaxeerde waarde van het geusurpeerd stuk grond diende te betalen, van kracht. Deze belasting is tot 1844 blijven bestaan; de opbrengst liep op den duur sterk terug doordat de planters de gelegenheid kregen de geusurpeerde stukken grond alsnog te kopen. Door het ontbreken van een nauwkeurige kaart waarop de plantagegrenzen waren aangegeven en door langdurige gezagscrises, bijvoorbeeld in de tijd van Collen en Gales, 1730-1740, konden usurpaties steeds weer voorkomen. Ook de bepaling uit 1744 dat bij het transport van een plantage door de opperfactoor van de W.I.C. een nieuwe belendingsbrief van de plantage moest worden opgemaakt, waarmee de buren moesten instemmen, heeft dit euvel niet doen verdwijnen.

  • Paragraaf 5: Eigenaars: Blanke protestanten en Joden

Na de stichting van de eerste plantages door compagniesfunctionarissen of pas gearriveerde kolonisten is in de loop van de 17de en de 18de eeuw een klein aantal autochtone plantersfamilies ontstaan, die onderling dikwijls nauw verwant waren aan elkaar. Van een gesloten plantersklasse was echter geen sprake. Steeds waren er nieuwkomers die een plantage kochten en door de overigen als gelijken werden geaccepteerd. Zij waren voor het merendeel afkomstig uit de handels- en scheepvaartwereld of uit de kringen van de compagnie c.q. het 19de eeuwse gouvernement; onder de nieuwkomers was ook het militaire element steeds sterk vertegenwoordigd. In oorsprong waren vele eigenaars van plantages in de 18de eeuw afkomstig uit andere gebieden dan de Republiek der Verenigde Nederlanden; in het begin van de 19de eeuw waren er vele planters van Engelse afkomst.

De planters vormden een blanke, aristocratische bovenlaag van de bevolking; het bezit van een plantage gaf de eigenaar prestige. De meesten behoorden tot de heersende protestantse kerk, maar vanouds kwam onder de planters een aanzienlijk aantal Joodse eigenaars voor. Onderzoek in de transportakten uit de 19de eeuw heeft uitgewezen dat toen slechts een klein aantal plantages drie generaties of langer achtereen eigendom bleef van dezelfde familie; gegevens voor de 18de eeuw zijn nog niet beschikbaar. Met name bij de kleinere plantages in de oostelijke helft van het eiland traden zeer vaak eigenaarswisselingen op. Een verklaring hiervoor is dat de hier gelegen plantages door kooplieden werden gebruikt als buitenplaats of soms ook als speculatieobject. Er zijn aanwijzingen dat het aantal kooplieden onder de plantage-eigenaars in tijden van handelswelvaart steeds toenam; dit was bijvoorbeeld zeker het geval in het midden van de 19de eeuw.

Het verschijnsel absenteïsme, dat elders in het Caribisch gebied veel voorkwam, was op Curaçao onbekend. De eigenaars woonden allen op het eiland, de meesten aanvankelijk zelfs op hun plantage. Velen bezaten echter ook een huis in de stad; de verplichting om steeds op de plantage te wonen werd als een soort verbanning beschouwd. In de loop van de 19de eeuw, zeker na 1863, kwam het steeds meer voor dat de eigenaar in de stad ging wonen en het beheer van de plantage overliet aan een factoor.

  • Paragraaf 6: Produkten
  • Deel 7: Landbouw

Evenals bij de compagniesplantages het geval was, nam de teelt van handelsgewassen (suikerriet, tabak, koffie etc.) op de particuliere plantages vrijwel nooit een grote plaats in. In het algemeen moet de oorzaak hiervan vooral gezocht worden in het ontbreken van de voor deze gewassen benodigde hoeveelheid neerslag. Op plantages die laaggelegen, vochtige kustterreinen hadden - bijvoorbeeld Groot St. Joris, Santa Barbara, Klein St. Michiel, Groot Santa Martha, St. Kruis - werd vanouds tot het begin van de 19de eeuw een kleine hoeveelheid suikerriet verbouwd, maar dit diende slechts als grondstof voor de lokaal geconsumeerde rum. Ook katoen en tabak kwamen in onbetekenende hoeveelheden voor. Indigo is in het laatst van de 17de en in de 18de eeuw op grote schaal op het eiland verbouwd, maar naar de precieze betekenis van dit produkt en naar de oorzaak van het verdwijnen ervan is nog geen onderzoek verricht. In de 19de eeuw werd tijdens de bestuursperiode van gezaghebber Van Rader (1836-1845) een begin gemaakt met de verbouw van nopalcactussen, die als voedsel dienden voor de cochenilleluis, en met de aloëcultuur. De bedoeling was dat Curaçao nu eindelijk een belangrijk agrarisch exportprodukt zou krijgen. De experimenten met de cochenille verliepen door de tegenwerkende klimatologische omstandigheden teleurstellend en werden dan ook kort na het vertrek van Van Raders beeindigd. Voor de aloëplant bleken klimaat en bodem wel geschikt maar de geringe afzetmogelijkheden en de grote prijsschommelingen weerhielden de planters ervan veel werk te maken van dit produkt. De voornaamste akkerbouwprodukten die op de plantages werden verbouwd, waren voedselprodukten. De boomgaard die bij elke plantage hoorde, het zogenaamde hofje, bracht een veelheid aan vruchten voort, waaronder de larahá die op beperkte schaal voor de likeurbereiding werd gebruikt. Rankvruchten (meloenen, pompoenen, komkommers etc.) en groenten werden op de vochtigste gedeelten van de plantage verbouwd. Vruchten en groenten werden deels in de stad uitgevent, deels op de plantage zelf geconsumeerd. Het belangrijkste akkerbouwprodukt was de kleine maïs (sorghum), dat als voedsel voor de slaven diende; de maïsstengels vormden een goed en goedkoop voedingsprodukt voor het vee. Soms werd een deel van de maïsoogst verkocht naar de stad, maar doorgaans was de op Curaçao verbouwde sorghum niet toereikend voor de voeding van de hele bevolking.

  • Deel 8: Veeteelt

Nog belangrijker (als bron van inkomsten) dan de akkerbouw was de veeteelt. De veestapel bestond uit runderen, schapen en geiten; verder waren paarden, ezels en muilezels van betekenis als rij- en lastdier. Dicht bij de stad gelegen plantages verkochten elke dag verse melk aan de stadsbewoners; verder weg gelegen plantages maakten kaas en boter. Verreweg het belangrijkst was echter de verkoop van slachtvee. De grote plantages uit het westen van het eiland verkochten eind 19de eeuw jaarlijks 10 a 15 runderen á fl. 15,- per stuk en omstreeks 100 schapen á fl. 6,-. In de jaren 1890-1899 werden op Savonèt, toen duidelijk de best beheerde plantage van het eiland, gemiddeld 63 runderen, 585 schapen en 312 geiten verkocht; deze aantallen werden op geen enkele andere plantage zelfs ook maar benaderd.

  • Deel 9: Houtskool; brandhout; dividivipeulen

Van elke plantage waren verder produkten als houtskool en brandhout afkomstig. In de tweede helft van de 19de eeuw werden op plantages in de westelijke helft van het eiland dividivipeulen verzameld. De peulen, die van de her en der op de woeste terreinen verspreid staande bomen werden geplukt, waren bestemd voor de export. De vraag was echter aan grote schommelingen onderhevig, de opbrengst was dikwijls zeer gering.

  • Deel 10: Waterplantages en zoutwinning

Verder waren er nog plantages met bijzondere produkten. Rondom het Schottegat lagen de zogenaamde waterplantages (en watertuinen) die was- en drinkwater aan stad en haven leverden; het werd vervoerd in karren of ponten. Verschillende plantages aan de zuidkant van het eiland, waar afsluitbare zee-inhammen de kustlijn een grillig karakter geven, maakten vanaf omstreeks 1830 veel werk van de zoutwinning (in de 17de en 18de eeuw werd slechts voor lokaal gehruik geproduceerd). De belangrijkste zoutplantages lagen aan de baaien van Jan Thiel (pl. Jan Thiel en Labadera), St. Marie (Hermanus, Jan Kock, Rif) en St. Martha (Groot en Klein Santa Martha, St. Nicolaas); ook in het Schottegat vond op kleine schaal zoutwinning plaats. Bij tijden was de zoutwinning een lucratieve bezigheid, maar men was sterk afhankelijk van de exportmogelijkheden naar de Verenigde Staten. Alleen als de zoutoogst op de dichter bij de V.S. gelegen Turks Islands en elders mislukte, kon de Curaçaosche zoutplanter hoge prijzen bedingen. Export naar Europa was niet lonend door de hoge transportkosten.

  • Paragraaf 7: Bedrijfseconomische aspecten
  • Deel 11: Weersomstandigheden: Regen


Zoals uit het voorgaande blijkt, werd een deel van de produkten op de plantage zelf geconsumeerd; dit gold met name het belangrijkste akkerbouwprodukt, sorghum (maishi chiki). Een ander deel (vruchten, zuivelprodukten, slachtvee) werd verkocht aan de bewoners van de stad en de opvarenden van de vele schepen die de haven aandeden. Enkele produkten (huiden, pinda’s, dividivi, zout) werden geëxporteerd.

De welvaart van de planters was in hoge mate afhankelijk van de weersomstandigheden. Mislukte de sorghumoogst door te geringe neerslag in de periode september/oktober (de zaaitijd) tot maart/april (de oogsttijd) dan moest de planter al gauw voedsel kopen voor zijn slaven en vee. In perioden van langdurige droogte - zowel in de 18de eeuw als in de 19de viel enkele malen vier of vijf jaar achtereen zeer weinig regen - verhongerde het vee, verdorden alle vruchtbomen en verschroeiden de maisvelden.

  • Deel 12: Handel en scheepvaart

Een tweede factor die van invloed was op het inkomen van de planter werd gevormd door de gang van zaken in handel en scheepvaart, die bepalend was voor de welvaartssituatie van het eiland. In tijden waarin de handel niet floreerde en er weinig schepen in de haven kwamen, kon de planter slechts lage prijzen voor zijn produkten verkrijgen. Als beide factoren, de neerslagsituatie en de handelsomstandigheden, tegenwerkten verzeilde de planter in onoverkomelijke financiële problemen. Een dergelijke combinatie deed zich bij herhaling voor in de jaren 1820-1850. In deze periode konden vele planters niet aan hun hypothecaire verplichtingen voldoen. Velen raakten failliet en moesten hun plantage tegen zeer lage prijzen van de hand doen. De belangrijkste verstrekker van hypothecair kapitaal, de weeskamer, zag haar kapitaal door verliezen sterk slinken.

  • Deel 13: De grondbelasting van 1828

Ten onrechte zijn de problemen van de planters en andere bezitters van onroerend goed in de jaren tussen 1830 en 1850 wel toegeschreven aan de in 1828 ingevoerde grondbelasting. Aangezien hypotheekschulden in mindering werden gebracht op de waarde van de plantage waarover de aanslag werd berekend, betaalden vele planters slechts geringe bedragen aan grondbelasting. Slechts een derde deel van de eigenaars betaalde een bedrag van enkele honderden guldens, de overigen minder.

  • Deel 14: Geringe financiële voordelen

Ook als de omstandigheden gunstig waren, leverde de plantage de eigenaar doorgaans slechts betrekkelijk geringe financiële voordelen op. Nu stelde de planter ook geen hoge eisen. Hij was tevreden als zijn plantage hem, het ene jaar door het andere gerekend, in staat stelde een overigens weinig luxueus leven te leiden als een soort hereboer, temidden van zijn dienstpersoneel, dat zich zowel op de plantage als in zijn huis in de stad bevond. Hierop sluit aan dat hij weinig neiging vertoonde de traditionele landbouwmethoden te wijzigen of kapitaalintensieve investeringen in de plantage te doen.

 

  • Paragraaf 8: De slaven
  • Deel 15: Betere omstandigheden dan rest Caribisch gebied

Afgezien van een klein aantal vrijen waren de werkkrachten op de plantage negerslaven. Voor hen was de periode van zes maanden van de zaaitijd tot de oogsttijd de drukke periode; in de overige zes maanden van het jaar was er betrekkelijk weinig werk op de plantage. De omvang van de maïsoogst was in sterke mate bepalend voor de levensomstandigheden van de slaaf: was de oogst goed dan wist hij dat er voldoende voedsel voor hem was en dat zijn eigenaar hem ook van de verdere benodigdheden als kleding kon voorzien; werd er daarentegen weinig of niets geoogst dan leed de slaaf honger en moest hij zelfs vrezen dat zijn eigenaar hem naar het buitenland zou verkopen teneinde middelen te krijgen voor het kopen van voedsel voor de resterende slaven. Op deze wijze zijn tussen 1816 en 1847 tenminste 4.000 slaven geëxporteerd (uit de 18de eeuw zijn geen gegevens bekend). Dat de slavenbevolking desondanks slechts licht terugliep - het aantal schommelde in de 19de eeuw tussen omstreeks 5000 en 7500 - wijst er op, dat de Curaçaosche slavenbevolking een flinke natuurlijke groei vertoonde. Dit in het Caribisch gebied opmerkelijke verschijnsel geeft aan dat de omstandigheden van de Curaçaosche slaaf beter waren dan die van zijn lotgenoten op suiker- of koffieplantages elders. Algemeen worden de condities van de slavernij op Curaçao als relatief mild omschreven. Dat neemt niet weg dat de slaaf, wat zijn basisbehoeften (voedsel, kleding) betreft, dikwijls in kommervolle omtandigheden verkeerde.

  • Deel 16: De emancipatie en daarna

Anders dan elders in het Caribisch gebied had de afschaffing van de slavernij op Curaçao geen grote schadelijke gevolgen voor het plantagebedrijf. De planters slaagden er na 1863 in de ex-slaven in een afhankelijke positie te houden door de zogenaamde paga-tera-overeenkomsten. De geëmancipeerde mocht in zijn strohutje op de plantage blijven wonen, er een stukje grond bewerken voor zijn eigen levensonderhoud en enig kleinvee houden. In ruil hiervoor moest hij een aantal dagen in het jaar gratis werk verrichten voor de planter en de stengels van de door hem verbouwde sorghum afstaan. Bij gebrek aan andere mogelijkheden sloten de meeste ex-slaven een dergelijke overeenkomst met hun vroegere eigenaar. Voor de planter had dit het voordeel dat hij wel over de werkkracht van de geëmancipeerden kon blijven beschikken, maar niet meer voor hun levensonderhoud hoefde te zorgen. De slaaf kreeg weliswaar zijn vrijheid in 1863 maar bleef nadien in een van de planter afhankelijke positie verkeren; bovendien moest hij voortaan zelf voor zijn levensonderhoud zorgen, hetgeen in jaren van droogte niet lukte zoals uit de gevallen van scheurbuik of tijdelijke emigratie die dan voorkwamen, kan worden afgeleid.

De geëmancipeerden probeerden wel aan de greep van de planters te ontkomen door van het gouvernement een perceel domeingrond te huren, maar deze percelen werden, mede als gevolg van de tegenwerking van de planters, slechts mondjesmaat beschikbaar gesteld. Pas aan het eind van de 19de eeuw wees de overheid meer percelen toe; daardoor nam de vanouds reeds bestaande klein landbouw sterk toe, vooral in de oostelijke helft van het eiland. In 1908 en 1913 kocht het gouvernement enkele plantages op, die in kleine percelen werden verhuurd aan gegadigden maar ook toen kon aan de vraag naar huurpercelen lang niet worden voldaan. Met recht kan worden gesteld dat de geëmancipeerden en hun afstammelingen zich pas aan de greep van de plantagebezitters konden onttrekken toen de olie-industrie een andere bestaansmogelijkheid gaf. Vanaf dat moment ging het met de plantages, waarvan het beheer doorgaans toch allang te wensen overliet aangezien de eigenaars in de stad woonden, zeer snel bergafwaarts. In feite bleef er, afgezien van de gebouwen, van de meeste niet veel meer over dan wat verwaarloosde landerijen waarop rundvee, schapen en geiten in het wild rondliepen. Een groot aantal plantages werd in de jaren twintig van de 20ste eeuw voor de waterwinning verkocht aan het oliebedrijf.

 

  • Sectie 2: Aruba: Nooit een plantageeiland

Een plantage-eiland is Aruba nooit geweest. Na de eerste uitgifte van grond door de W.I.C. in 1754 kon de klein-landbouw er langzaam tot ontwikkeling komen; door nieuwe gronduitgiften tegen het eind van de 18de en vooral in de 19de eeuw nam het aantal bewerkte percelen sterk toe. Men verbouwde er dezelfde produkten als op Curaçao: sorghum (maishi chiki), bonen, pinda’s en vruchten; uitvoer van deze produkten vond niet plaats. Daarnaast hield men vee, voornamelijk ezels en geiten, in mindere mate rundvee en schapen. De aloëcultuur, die in 1840 door Van Raders op Aruba werd geïntroduceerd, heeft vanaf het midden van de 19de eeuw een grote populariteit gekend bij de Arubaanse landbouwers. De omvang van de produktie van aloëhars wisselde echter sterk als gevolg van de grote prijsfluctuaties op de wereldmarkt. 

 

  • Sectie 3: Bonaire

Het eiland Bonaire werd vanouds als een gouvernementsplantage geëxploiteerd. De voornaamste nijverheid vormden de winning van zout en de kalkbranderij. Daarnaast werd er hout gekapt (o.a. het bekende verfhout) en bedreef men veeteelt en akkerbouw, met sorghum als hoofdprodukt. Ook was enig kleingrondbezit ontstaan, doordat het gouvernement gronden in concessie had uitgegeven onder de verplichting deze te bebouwen en enkele herendiensten te verrichten, maar van plantages was geen sprake.

Toen het gouvernement in 1868 grote gedeelten van het eiland verkocht, ontstond op Bonaire het particuliere grootgrondbezit. De bewoners van het eiland waren na 1868 voor hun werkgelegenheid grotendeels op de eigenaars hiervan aangewezen. De ‘plantages’ van Bonaire werden zeer extensief geëxploiteerd. Ze leverden o.a. brandhout, houtskool, dividivipeulen en slachtvee; soms was ook de aloëcultuur van betekenis. Door de uitvinding van chemische verfstoffen verloor het verfhout zijn waarde.

Vanaf 1883 werden braakliggende gouvernementsgronden in kleine percelen aan de bevolking verhuurd. Daardoor kwam er ook op Bonaire een groep van kleine landbouwers die voor eigen levensonderhoud sorghum, bonen etc. verbouwden en kleinvee hielden. Evenals op Aruba was bij hen de aloëcultuur bij vlagen populair.

 

Hoofdstuk 3: De Bovenwindse Eilanden

  • Sectie 4: Algemene gegevens

Het plantagebedrijf op de Bovenwindse Eilanden is tot dusver geen onderwerp van systematisch onderzoek geweest. Er zijn slechts te hooi en te gras enige gegevens uit de archieven verzameld. Een definitief beeld van de betekenis en de ontwikkeling van de plantages kan dan ook niet worden geschetst. Duidelijk is in ieder geval dat het om kleinschalige bedrijven ging. In 1818 werden op St. Maarten bijvoorbeeld 28 suikerplantages geteld. Gemiddeld hadden deze een oppervlakte van omstreeks 45 ha, waarvan nog niet de helft werd bebouwd. De plantages op St. Eustatius waren nog kleiner.

Saba was geen plantage-eiland. De relatief kleine terreinen op dit geaccidenteerde eiland, die geschikt zijn voor akkerbouw, werden door de bewoners voornamelijk gebruikt voor de teelt van voedingsgewassen voor eigen gebruik. Daarnaast werden er kleine hoeveelheden katoen, tabak, koffie en suikerriet geoogst.

 

  • Sectie 5: De *patroonschappen, 1636-1682

De uitgifte van gronden aan particulieren geschiedde op St. Eustatius, St. Maarten en Saba aanvankelijk door middel van patroons, die als leenmannen van de W.I.C. optraden. Van hen verkregen de kolonisten het land in eigendom, onder voorwaarde dat de grond bebouwd werd. Op deze gronden legden zij reeds vóór 1650 plantages aan. In het begin verbouwde men vooral tabak en katoen. Rond 1650 waren St. Eustatius en St. Maarten zelfs vrijwel geheel met tabak beplant. In de daaropvolgende jaren begon echter de suikerrietverbouw de tabaksproduktie te verdringen. Bij elke plantage behoorden verder enige kostgronden en bedreef men veeteelt.

 

  • Sectie 7: St. Eustatius - 1682-1816

Nadat St. Eustatius in 1682 reehtstreeks onder het bestuur van de W.I.C. was gekomen, bezat de compagnie er zelf enkele (4) plantages. Wat op Curaçao gebeurde, vond ook hier plaats: al gauw bleek dat de compagniesplantages werden verwaarloosd. In 1716 besloten de Heeren X daarom twee plantages te verhuren; één van de beide resterende mocht de commandeur gebruiken, de tweede moest dienen als kostgrond voor het garnizoen. Later deed de W.I.C. haar plantages van de hand. Voor de particuliere planters had de bestuursoverdracht van 1682 geen grote gevolgen: de rechten en plichten van de patroon vielen zonder meer terug op de W.I.C. De bewindhebbers droegen in 1686 de commandeur in zijn instructie op, de aanleg van voldoende kostplantages te bevorderen, naast die met suiker, katoen of indigo als hoofdprodukt, zodat de inwoners voor hun voedselvoorziening zo min mogelijk afhankelijk zouden zijn van de aanvoer van buitenaf. Tijdens de Engels-Franse oorlogen in de periode 1688-1713, waarbij de Republiek bondgenoot was van Engeland, werd St. Eustatius enkele malen door Fransen veroverd en gebrandschat. Velen verlieten in deze tijd het eiland, waardoor plantages verlaten kwamen te liggen. De W.I.C. probeerde de eigenaars onder bedreiging dat ze anders hun rechten op de grond zouden verliezen te bewegen tot terugkeer naar St. Eustatius, maar pas na de vrede van Utrecht (1713) trad een economisch herstel in. In 1715 telde St. Eustatius slechts elf suikerplantages, maar sindsdien nam het aantal, deels als gevolg van splitsing van bestaande plantages, sterk toe. Op een kaart uit 1775 worden er 76 vermeld. Dit laatste cijfer duidt er op dat de plantages toen gemiddeld zeer klein waren.

Suikerriet bleef steeds het hoofdprodukt; daarnaast werden voedingsgewassen als groenten, yams en sweet potatoes (zoete aardappelen) verbouwd, Verder bedreef men veeteelt (rundvee, schapen, geiten) maar van een goede verzorging van het vee was nauwelijks sprake.

De plantages droegen in de 18de eeuw weinig bij aan de welvaart van het eiland. Weliswaar werd er veel suiker en rum naar Europa en Noord-Amerika verscheept maar deze was afkomstig van naburige Franse, Engelse en Spaanse eilanden. De handel en de scheepvaart vormden de belangrijkste bronnen van bestaan; met name in de tweede helft van de 18de eeuw kwam de doorvoerhandel bij tijden tot grote bloei. In deze periode kregen de plantages steeds meer het karakter van buitenverblijf voor de eigenaars die zich op handel en scheepvaart toelegden.

 

  • Sectie 8: St. Maarten - 18de eeuw

Ook op St. Maarten lagen in het begin van de 18de eeuw verschillende plantages onbeheerd. In 1715 werden er vooral voedingsprodukten en verder katoen en indigo verbouwd; daarnaast hield men vee. Het eiland was slechts voor eenderde gedeelte in cultuur gebracht. In 1736 waren er 35 plantages, maar nog steeds werden grote gedeelten van het eiland niet bewerkt. Daarom trachtte commandeur John Philips omstreeks 1740 bewoners van de omliggende eilanden aan te lokken door hun grond aan te bieden. Door hun komst breidde het aantal plantages zich uit. Naast de oude produkten werd op de Nederlandse helft van het eiland nu ook suikerriet verbouwd. Op het Franse gedeelte, waar de grond vruchtbaarder was, hadden suikerplantages een grote betekenis. Hier waren ook de meeste slaven. Naarmate het St. Eustatius meer voor de wind ging, nam ook de handel op St. Maarten toe en verbeterden de afzetmogelijkheden. Dit had een gunstige weerslag op de agrarische omstandigheden. In 1789 waren er 92 plantages. Ongeveer 25 daarvan verbouwden suiker als hoofdprodukt. De overige hadden kostgrond en hielden vee. De bodemcultuur bleef echter minder intensief dan op St. Eustatius en Saba.

  • Sectie 9: Bovenwinden 19de eeuw

Door de langdurige oorlogssituatie omstreeks 1800 en door het verschuiven van de handel naar St. Thomas en andere eilanden was de economische toestand op de Bovenwindse Eilanden in het begin van de 19de eeuw weinig rooskleurig. Dat gold ook voor de plantages. Bij het herstel van het Nederlandse gezag in 1816 werden op St. Eustatius en (Nederlands) St. Maarten 16 resp. 28 kleine suikerplantages geteld. In de loop van de eeuw nam de betekenis van de suikercultuur verder af. In totaal konden nooit meer dan enige scheepsladingen suiker, melasse en rum worden geëxporteerd. Na de afschaffing van de slavernij (op St. Maarten in feite reeds in 1848) verdween de suikerrietcultuur vrijwel geheel, mede door de concurrentie op de wereldmarkt.

Op St. Maarten werd naast de suiker ook nog een kleine hoeveelheid katoen verbouwd. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog kende deze cultuur ook op St. Eustatius een kortstondige opleving. Op Saba kwam eveneens katoenteelt voor; het produkt diende hier als grondstof voor de lokale kousen- en handschoenennijverheid. Voor het overige werden op de plantages en kleine percelen grond ook in de 19de eeuw vooral voedingsgewassen verbouwd. Daarnaast bleef de veehouderij steeds een onderdeel van het landbouwbedrijf uitmaken.

Op St. Eustatius verkochten de planters na de afschaffing van de slavernij slechts betrekkelijk weinig plantagegrond aan geëmancipeerden. Daardoor is het kleingrondbezit hier niet goed tot ontwikkeling gekomen. De verlaten plantages veranderden er voor het grootste deel in wildernissen. Op St. Maarten werd wel plantagegrond verkocht aan vrijgelatenen, waardoor hier meer kleingrondbezit ontstond. Men bepaalde zich tot de teelt van produkten voor eigen gebruik. In het eerste kwart van de 20ste eeuw is op alle drie eilanden door de kleine grondbezitters veel werk gemaakt van de katoenteelt. Ondanks de steun van de overheid heeft men als gevolg van de lage prijzen op de wereldmarkt en andere tegenwerkende factoren deze cultuur in de 1920ger jaren moeten opgeven. Vele Bovenwinders gingen sindsdien bij de oliebedrijven op Curaçao en Aruba werken.

 

Hoofdstuk 4: Literatuur

Literatuur:

  • G.J. van Grol, De grondpolitiek in het West-Indische domein der generaliteit (3 dln., 1934-1947, 1980);
  • LH.J. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische eilanden (1901-1909, 1979);
  • J. Hartog, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen (5 din., 1953-1981);
  • L. Knappert, Geschiedenis van de Nederlandsche Bovenwindsche eilanden in de 18de eeuw (1932, 1979);
  • E.J. Prins, Ontstaan en overzicht van de rechten op de gronden op Aruba (stencil, 1955);
  • W.E. Renkema, Het Curaçaosche plantagebedrijf in de 19de eeuw (1981);
  • M.A. Visman, Artikelenserie over Jan Kock, Groot Sint Joris en de herkomst van Curaçaosche streek- en plantagenamen, in Waya (1976-1982).

 

@: Plantagenamen (Op Curaçao)

De meeste planters gaven bij of kort na de aanleg van een plantage hun bezit een naam. Een eenmaal gegeven naam hoefde echter niet altijd te blijven bestaan. Bij de verkoop van een plantage verzon de nieuwe eigenaar dikwijls een nieuwe naam.

De officiële, in transportakten voorkomende naam verschilde nogal eens van de in het dagelijks spraakgebruik gangbare benaming. De volksmond verbond aan plantages vaak de eigennaam van de eerste of een latere eigenaar. Dat vond in de 17de en 18de eeuw ook wel plaats in overheidsstukken. In een rapport uit 1721 werd bijvoorbeeld gesproken over de ‘trankeer van philip wep’ (= de omheining van plantage Philip, officieel Klein Paradera geheten, eigendom van Philip Webb) en over ‘een stuk land van gerrit pannekoek’ (= plantage Pannekoek). Bij de omschrijving van de ligging van een plantage in transportakten werden de buurplantages in de 18de eeuw dikwijls aangegeven met de naam van de eigenaar. Zo lag de plantage Weitje in 1768 ‘tusschen de Plantagie van Jan Willemsz en Frans Grootenstam van Uijtrecht’.

De hele 18de eeuw door bleef het gebruik bestaan dat plantages in de wandeling naar een eigenaar werden geheten. In de 19de eeuw kwam dit minder voor. Het was daardoor mogelijk dat voor een plantage op een bepaald moment drie of vier verschillende namen gebruikt werden: de eerste officiële naam, een tweede officiële naam die door een latere eigenaar was gegeven, een naam ontleend aan (één van) de eerste eigenaar(s) en een naam ontleend aan een latere eigenaar. Een goed voorbeeld geeft de plantage Siberie. In de transportakte van 1695 wordt gesproken van een naamloze plantage, ‘geleegen op dit Eijlandt aan de wegh van Malpaïs’. In de akte van 1717 heet het landgoed Malpaïs, maar één van de 18de-eeuwse eigenaars noemt het St. Joris en deze naam blijft vanaf 1784 in de transportakten steeds voorkomen. In de volksmond heette de plantage in de tweede helft van de 18de eeuw echter Redoch, naar de eigenaar Pieter Redoch (1743-1771); deze naam werd in 1827 nog gebruikt. Intussen werd de plantage in de wandeling ook al genoemd naar de Venezolaanse eigenaar Silberio Cafière (1784-1813), Deze naam (eerst Silberio, Silberie of Seberie, later Siberie) heeft de andere op den duur verdrongen. Verwarrend is daarnaast dat verschillende plantages en stukken grond dezelfde naam kregen. Veel voorkomende namen waren bijvoorbeeld Buena Vista, Malpaïs, Rust en Vrede of Welgelegen; vele andere namen komen twee of drie keer voor. Een complicerende factor is verder dat bepaalde namen herhaaldelijk verkeerd worden gespeld of werden verbasterd (bijvoorbeeld St. Cincon, St. Cioen of Sencion voor Ascencion). Het herkennen van de plantages in de overdrachtsakten wordt verder nog bemoeilijkt door het feit dat de namen van tuinen en kleine percelen grond op dezelfde manier tot stand zijn gekomen en eveneens veelvuldig wijzigingen ondervonden. Bovendien kregen allerlei percelen van plantages ook nog weer aparte namen.

Al met al is het niet verwonderlijk dat de Koloniale Raad in 1839 ter voorkoming van administratieve vergissingen besloot dat naamsverandering van plantages en tuinen slechts mocht geschieden na voorafgaande toestemming van het gouvernement. Overigens dient te worden opgemerkt dat er verschillende plantages zijn te noemen die vanaf het begin tot heden steeds dezelfde naam hebben gehouden. Hieronder zal een aantal plantagenamen worden opgesomd; ze zijn onderverdeeld in rubrieken. Lang niet alle namen kunnen hier worden genoemd. Er is een selectie gemaakt uit de namen van plantages en grote tuinen; aan die van kleine tuinen en percelen grond wordt in dit kader geheel voorbijgegaan.

  • Heiligennamen

Opmerkelijk is dat verschillende plantages een heiligennaam kregen. In andere Nederlandse gebieden met plantages, zoals Suriname, kwam dit niet voor. De meeste van deze plantages liggen aan gelijknamige baaien, waarvan de naam dateert uit de Spaanse tijd. De belangrijkste zijn Groot en Klein St. Joris, St. Barbara, Groot en Klein St. Michiel, Oud St. Marie (= Hermanus), (Nieuw) St. Marie (= Rif), St. Jan, Groot en Klein St. Martha en St. Pieter. Niet aan gelijknamige baaien liggende plantages zijn St. Catharina, St. Jakob, St. Elisabeth (= Oud St. Michiel = Klein Blauw), St. Sebastiaan, St. Nicolaas en St. Clara (= Plantersrust en een deel van Philip). St. Hironimus is waarschijnlijk naar een Indiaan genoemd. Dezelfde Spaanse herkomst hebben namen als Ascencion, Klein Ascencion ( = Dokterstuin) en St. Kruis. Uit Spaanse tijd dateren eveneens namen als Asiento en Hato. Verschillende plantages met een heiligennaam hebben nooit een naamsverandering ondergaan.

  • Namen met landschapselementen

In vele namen is een landschapselement als een heuvel, berg, klip, put etc. opgenomen: Brakkeput, Cabrietenberg (= Barber), Cattenberg (= Ma Retraite = Gasparito), Fontein, Grote Berg, Kleine Kloof (= Pannekoek), Ligtenberg of Lugtenberg (= Mahúma), Montagne, Mount Pleasant, Mount Vernon (= Van Engelen), Oranjeberg, Pos Cabai, Rif, Ronde Klip, Rooi Catootje, Scherpenheuvel, Spaanse Put en Zevenbergen. Berg Carmel (= Parera) is één van de zeer weinige namen met een bijbelse achtergrond. Naar de geografische ligging verwijzen namen als Noordkant, Oostpunt en Puerto Marie.

  • Afleidingen

Zeer veel kwam het voor dat kleine plantages en tuinen door de eigenaar of in de volksmond werden genoemd naar een grotere, doorgaans naburige plantage. Aan de naam werd dan eenvoudig het woordje ‘Klein’ toegevoegd. Voorbeelden zijn: Klein Ascencion, Klein Blauw, Klein St. Kruis (opgenomen in Gasparito), Klein Bloemhof, Klein Malpaïs, Klein Paradera en Klein Zuurzak (= Janwe). Bij enkele baaien, maar ook elders liggen twee plantages met dezelfde naam, maar onderscheiden van elkaar door de toevoeging ‘Groot’ en ‘Klein’. Voorbeelden zijn genoemd bij de heiligennamen. Bij de Piscaderabaai lagen naast Groot Piscadera zelfs twee plantages die Klein Piscadera werden genoemd. Zeer bekend zijn verder Groot en Klein Kwartier.

  • Abstracte namen

Het aantal abstracte namen is legio; verschillende ervan werden aan meer dan één plantage gegeven. Opvallend is dat vele namen niet wijzen op de bedrijvigheid, maar juist op de rust en de vredigheid die het plantagebedrijf uitstraalde:

Rust en Vrede, Rust en Burg, Blije Rust (= Blauw), De Gerust(ig)heid (= Cas Chiquito), Nijdrust (= Cas Grandi), Plantersrust, Stadsrust (= Salinja Ariba), Buitenrust (= Sapateer), Vrede (= Klein Kwartier), Vreeland (= Gaito), Vredenberg. Andere eigenaars brachten hun blijdschap, tevredenheid of toekomstverwachting in de naam tot uitdrukking: Weltevreden, Vergenoeging (= Jongbloed), Nooitgedacht, Paradijs, Genoegen is ‘t al (= Salinja Abao), De Hoop, Goed Begin (= Janwe), Zeegening (= Stenen Koraal). Andere abstracte namen waren bijvoorbeeld Eendracht, Buena Vista of Goedgezicht, De Eenzaamheid, Ma Retraite en Zorgvliet.

  • Papiamentse namen

In het spraakgebruik zijn voor veel plantages Papiamentse namen bekend (bijvoorbeeld Chincho voor St. Joris, Dain voor Daniël, Raphé voor Raphaël, Skèrpènè voor Scherpenheuvel). Er zijn echter maar betrekkelijk weinig plantages waarvan de Nederlandse naam op den duur geheel door de Papiamentse is verdrongen. Het bekendst zijn Cas Còra (oorspronkelijk Vredenberg), Cas Abou (oorspronkelijk Engelenberg), Cas Chiquito (oorspronkelijk Gerust(ig)heid) en Cas Grandi (ook wel Nijdrust genoemd); bij deze vier heeft de plantage de naam gekregen die de volksmond aan het landhuis gaf.  Andere voorbeelden zijn Montagne Ariba ( = Vaersche Put) en Pos Cabai (= Suikertuintje).

Bij andere gaat het slechts om een Papiamentse of Spaanse aanpassing c.q. vertaling van de Nederlandse naam, bijv. Jansofat (Jan Zoutvilt), Wechi (Weitje), Labadera (Waschtuin), Santa Cruz (St. Kruis), Pos Spaño (Spaanse Put), San Pedro, San Juan en andere heiligennamen.

  •  Eigennamen

Zeer frequent en vanuit historisch oogpunt het meest interessant zijn de plantagenamen die tot een eigennaam te herleiden zijn. Soms verbond een eigenaar zelf welbewust zijn naam aan een plantage, maar deze namen zijn meestal slechts kortstondig in gebruik geweest, hoewel ze in transportakten wel langdurig kunnen voorkomen. Voorbeelden zijn: ’t Slot van Uytrecht (vroeg-18de eeuwse naam voor Paradera), Raven Lust (naam die Cornelis Raven begin 19de eeuw aan Fontein gaf), Ravenslot (in 1806 noemde Lucas Raven een deel van het latere Klein Piscadera zo), Starckenborgh (eind 18de / begin 19de eeuw door mr. P.B. van Starckenborgh aan Valentijn gegeven) en Penso’s Park (in 1892 door J.E. Penso voor Cas Cora bedacht).

Een aantal eigennamen is wel een tijdlang in gebruik geweest als eigen naamsaanduiding voor een plantage, maar werd op den duur verdrongen door andere, bijvoorbeeld Daantje Boom (Weitje), Moron (Bloempot), Ravenstein (Valentijn), Redoch (Siberie), Koeimans (Klein St. Kruis) en Rijkenberg (Girouette), deze namen gaan terug op eigenaars uit de l8de eeuw. Veel andere eigennamen zijn wel de definitieve naam van een plantage geworden. Voorbeelden zijn: Barber (begin 18de eeuw aangelegd door Barbara Exteen; de oorspronkelijke naam was Kabrietenberg), Bever (Daniel Beevers, eigenaar in eerste helft l9de eeuw), Blauw (aangelegd in 1700 door Anno Blauw), Daniël (verwijst naar Daniël Ellis, begin 18de eeuw); Engelenberg (vroegere naam van Cas Abou, in 1686 aangelegd door Willebrord van Engelen), Van Engelen (begin 18de eeuw aangelegd door Jan van Engelen), Gasparito (heette eerst Cattenberg; de naam verwijst naar de eigenaar Gaspar de Quirigasoe: 1745-1754), Girouette (afgeleid van de Fransman J.P. Surhouet of Surhuet, tweede helft 18de eeuw), Habaai (Jacob Gabay Henriquez, tweede helft 18de eeuw), Hermanus (vroeg-18de-eeuwse eigenaar Hermanus Storck), Jan Kock (Adriaan of Arian Kock, die zijn plantage Zevenhuizen begin 18de eeuw aanlegde), Jan Thiel (Jan Thielen, begin 18de eeuw), Jan Zoutvat (naar Jan Houtvat, eigenaar eerste helft 18de eeuw; de plantage komt in de akten ook voor als Uylenburg, Burg of Vredenberg), Jongbloed (Jan Jongbloed, eigenaar 1723-1746), Koraal Specht (sinds tweede helft 18de eeuw eigendom van eerst Jan Hendrik Specht, daarna van diens zoon Daniël, daarna van diens kinderen), Parera (Elías Pereira, eigenaar eerste helft 18de eeuw), Raphaël (Raphaël Alvares Correa, eigenaar eind 18de eeuw; de plantage heette officieel Klein Piscadera), Valentijn (Valentijn Pronck, midden 18de eeuw), Veeris (Abraham Veeris werd in 1722 eigenaar van De Drie Gebroeders, dat in de 19de eeuw met enkele andere plantages werd samengevoegd), Weitje (Elias Weijdtie of Wijdtje, eerste helft 18de eeuw eigenaar van Klein Malpaïs). De herkomst van de namen Pannekoek, Philip en Siberie is hiervoor al vermeld.

Een enkele plantagenaam is van het beroep van de eigenaar afgeleid, bijvoorbeeld Bottelier (eind l8de eeuw was Nicolaas Hansen, waarschijnlijk bottelier, eigenaar van de Grote Tuin) en Dokterstuin (tot 1699 eigendom van dokter Jan Bernagie).

Ook zeer veel namen van kleine tuinen en percelen grond (zoals Abrahamsz, Zjaro, Dominguito, Gosie, Heintje Kool, Janwe, Urdal, Wawoe) zijn afgeleid van namen van vroegere eigenaars.

  • Overige namen

Enkele plantages hebben hun naant ontleend aan bloemen of land- en tuinbouwprodukten: Bloemhof, Leliënberg, Knip, Zuurzak, Koraal Tabak en Suikertuintje. Namen die herinneren aan geografische namen in Europa of elders komen weinig voor: Steenwijk, Damascus (= Jan Thiel), Zeelandia en Terburg(a), Texel (= deel van Mount Pleasant). Enkele namen gaan terug op een Indiaanse oorsprong. Niet nader te rubriceren zijn namen als Brievengat, Fuik, Kanga, Malpaïs, Paradera en Savonèt.

  • Literatuur: M.A. Visman: De herkomst van onze streek- en plantagenamen, in Waya. Informatiebulletin van de stichting voor Antillianen Den Haag en omstreken (1981-1983).

 

@: Plantain
zie @: Banaan.

 

 

@: Plantentuin
zie @: Cas Còrá.

 

Het volgende artikel is in Papiamentu

@: Danillo ”Denny” Ivan Plantijn / @: Denny Plantijn

(3 november 1959 - 29 mart 2007)
Denny Plantijn tabata un basista i kuartista konosí, ku regularmente tabata presentá komo artista invitá den varios agrupashon musikal manera Harmonía i Kueru, Jazz Ensemble di Stanley Betrian, John Monfeca, Norman Moron i su Combo, Serenada, Survival, Tipiko Pasa Bon i Walther Wout Jazz Ensemble. Tambe Denny a forma parti di diferente grupo musikal ku nan tabata forma pa algun evenemento spesial. Esnan ku mas ta sobresalí ta esnan ku kompañá artistanan internashonal manera Celia Cruz i Daniel Santos. Komo maestro di musika Denny tabata duna su aporte na formashon musikal di nos pueblo. Ela duna les na diferente skol. Su kontribushon no tabata solamente limitá na duna les den klas, pero e tabata enkurashá lantamentu di kornan hubenil. E tabata mira esaki komo instrumento pa tene nan huntu riba e bon kaminda. Pa garantisá bon uso di su don musikal e tabata huza e talento aki na bienestar di diferente organisashonnan deportivo, sosial, kultural i religioso. Espesialmente su areglonan úniko ta loke ta sigi biba den kurason di e pueblo aki.

 

@: Plataforma di Organisashonnan Antiano (P.O.A.)
zie @: Antilliaanse organisaties in Nederland.

 

@: Playa

Papiamentu voor strand. Oranjestad (Aruba) en Kralendijk (Bonaire) worden in de volksmond ook ‘Playa’ genoemd.

 

@: Plengoffer

Vele gebruiken in de Nederlandse Antillen, die men vooral bij de negroide bevolking aantreft, wekken de indruk dat er sprake is van het brengen van een plengoffer. Zo zal men dikwijls de eerste druppels van een pas aangebroken fles op de grond laten vallen; als de vrouw des huizes een pan met bonen op het vuur zet, zal zij er een paar uit halen en naar buiten gooien. Mogelijk hebben we hier oorspronkelijk te doen met een offer aan de voorouders.

 

@: Pletters

Hollandse arbeiders die omstreeks 1916 naar Curaçao kwamen voor constructiewerkzaamheden ten behoeve van de Shell. Zij schokten met hun gedrag het ideaalbeeld van de ‘Europeaan’ als een cultuurmens met een zekere levensstijl, zoals dat bij de Curaçaoenaar bestond. Van een blanke die zich onbehouwen en stijlloos gedraagt, zegt men: e ta hasi, ko'i plèter (kos di plèter).

 

@: Plum rose

(Syzigium jambos) of pommerose, plantesoort uit de familie der Myrtaceae. Boompje met leerachtige, tegenoverstaande bladeren; bloemen 5 cm in diameter, met zeer kleine kelk en kroon en zeer veel lange meeldraden. Afkomstig uit Oost-Azië. Curaçao en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt. Vruchten wit-roze vlezig, eetbaar, verwerkt in jam en confituren.

 

@: Pluralisme

is een situatie van sociaal-culturele verscheidenheid, die zich binnen een afzonderlijke samenleving voordoet, waarbij een deel van de bevolking een reeks gewoonten heeft op sociaal, economisch, politiek en/of godsdienstig terrein, duidelijk verschillend van die van een ander deel of andere delen. Cultuurcontact tussen groepen brengt vrijwel altijd onderlinge beïnvloeding, acculturatie, mee. Sociale, economische, politieke, en enigermate numerieke verschillen tussen de betrokken groepen, en de omstandigheden waaronder zij elkaar ontmoeten, bepalen de aard van het cultuurcontact en de mate en de soort van de wederzijdse culturele beïnvloeding. (Cultureel) pluralisme komt in zuivere vorm niet of heel weinig voor. Het bestaat vaak als (cultuur)politiek streven van minder- en meerderheden om het eigen culturele bezit te behouden of te doen herleven. Op en tussen de eilanden van de Nederlandse Antillen komt een dergelijk streven in variabele mate wel voor. (Zie @: Afrikanisme; @: Segmentarische maatschappij).

 

@: Poema, El

Letterkundig tijdschrift dat een kortstondig bestaan heeft geleid in 1895-1896 (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Poinsettia
zie @: Euphorbia.

 

@: Point Blanche-formatie

De oudst bekende gesteenteserie van Sint Maarten, bestaande uit vulkanische tuffen en marine sedimenten: ouderdom Jong-Eoceen (zie @: Geologie).

 

@: Pokhout
zie @: Wayaká.

 

@: Politie

De taak van de politie is ingevolge de Politieregeling (P.B. 1962 nr. 64):

  • a. handhaving van de openbare orde en de bescherming van personen en goederen alsmede de brandbestrijding;
  • b. de opsporing van strafbare feiten en het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften op welker overtreding straf is bedreigd;
  • c. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de veiligheid van het land, de inlichtingen- en vreemdelingendienst;
  • d. het verricnten van andere werkzaamheden, welke haar in verband met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, worden opgedragen.

De politie in de Nederlandse Antillen draagt de naam Korps Politie Nederlandse Antillen (K.P.N.A.) en staat in beginsel onder de bevelen van de minister van Justitie die zich daarbij bedient van de hoofdcommissaris van politie. Zijn hoofdkantoor is gevestigd in het Fort Amsterdam.

Voor de taak als omschreven sub a staat de in de eilandgebieden dienstdoende politie onder de bevelen van de plaatselijke hoofden van politie: de gezaghebbers. De procureur-generaal is belast met de justitiële taak der politie in de Nederlandse Antillen.

Op Aruba en Curaçao hebben de gezaghebbers voor de dagelijkse leiding de beschikking over een commissaris. Op St. Maarten en Bonaire treedt een Inspecteur van Politie als brigadecommandant op; op Saba en St. Eustatius treedt een hoofdagent op als postcommandant. Zowel op Aruba als op Curaçao is sprake van specialisatie in afdelingen recherchedienst, verkeersdienst, vreemdelingendienst, kinder- en zedenpolitie en havenpolitie. Op Bonaire en St. Maarten zijn er minder volledige afdelingen terwijl op Saba en St. Eustatius kleine politie-eenheden tezamen de volledige politiedienst verrichten. Het politie-internaat te Rio Canario Curaçao heeft een capaciteit van 60 personen en huisvest de adspirant-agenten die hun opleiding volgen aan de politieopleidingsschool. Gedurende 1982 slaagden 43 adspiranten voor hun elementaire politieopleiding.

Aan de Nederlandse Politie Akademie te Apeldoorn waren 5 politieambtenaren in opleiding voor politie-officier (Inspecteur). Naast deze opleiding worden vele specifieke vakcursussen gegeven aan het politiepersoneel. De huidige (eind 1982) sterkte van het K.P.N.A. bedraagt 1.086 man. Met de komst van de beroepsbrandweer is in de 1970er jaren op Curaçao, Aruba en Bonaire de brandbestrijding uit het takenpakket gelicht.

 

@: Politieke partijen

Na de laatste Statenverkiezingen (1982) en na de laatste Eilandsraadverkiezingen (1983) zijn de volgende partijen vertegenwoordigd in de regeringen op lands en eilandsniveau (zie tabel):

Hierbij een korte beschrijving van een aantal politieke partijen:

  • Katholieke Volks Partij (K.V.P.). opgericht op 23 januari 1936 op Curaçao. In het bestuur had o.m. zitting M.F. da Costa Gomez, die voor de verkiezingen van november 1945 met een nieuw program kwam, dat in vele opzichten overeenstemde met dat van de Democratische Partij. Reeds toen bleek, dat niet de gehele partij achter de denkbeelden van haar fractieleider stond. De definitieve breuk kwam in 1948 toen Da Costa Gomez aftrad en de Nationale Volks Partij oprichtte. In hetzelfde jaar werd een nieuwe katholieke partij opgericht onder de naam Katholieke Volks Partij, die bij latere verkiezingen steeds meer aanhangers verloor; hierin kwam geen verbetering toen de naam werd gewijzigd in Konstructieve Volkspartij. Na 1963 heeft de partij niet meer aan de verkiezingen deelgenomen.
  • Curaçaosche Onafhankelijke Partij (C.O.P.), staatkundige partij op Curaçao, opgericht in 1948 door o.a: W. P. Maal en de Europese Nederlanders P. van der Hoeven die van 1963-1967 gedeputeerde van Financiën, Onderwijs en Cultuur van het Eilandgebied Curaçao is geweest en W. Meyer, met het doel mee te werken aan een zover mogelijk doorgevoerde autonomie. Sinds 1969 niet meer deelgenomen aan verkiezingen nadat de C.O.P. sinds 1958 samengewerkt had met de N.V.P. door middel van een gecombineerde lijst.
  • Movemento pa Adelanto Social Antillano (M.A.S.A.), opgericht op 24 november 1970 onder leiding van C.D. Kroon als afsplitsing van de Democratische Partij. Bij de Eilandsraadverkiezingen van Curaçao behaalde zij 3 zetels; bij de Statenverkiezingen van 1973 werd geen zetel behaald.
  • Alianza, onder leiding van Rufus MacWilliam in 1977 opgericht als afsplitsing van de N.V.P.-U., heeft bij de verkiezingen in 1977 en 1979 vergeefs getracht in de volksvertegenwoordiging te komen.
  • Partido Independiente Arubano (P.I.A.), opgericht op Aruba in 1966 door Fabian S. Kelly en Maximo Croes.
  • Partido Radical Popular (P.R.P.), opgericht op 6 maart 1961 door dr. Frank de Castro (r.i.p). In 1969 voor de laatste keer deelgenomen aan de verkiezingen, nadat zij in 1967 tezamen met N.V.P. en C.O.P. 6 zetels in de Curaçaosche eilandsraad behaalde.
  • Partido Revolucionario Obrero (P.R.O.), staatkundige partij op Aruba, die bij de verkiezingen van 1967 samen met de Union Nacional Arubano en de Partido Independiente Arubano in de eilandsraad van Aruba 3 zetels behaalde.
  • Union, opgericht in 1982 onder leiding van S.G.M. "Boy" Rozendal als afsplitsing van de Democratische Partij. Bij de Statenverkiezingen van 1982 heeft zij geen zetel behaald.
  • Union Nacional Arubano (U.N.A.), opgericht in 1948 door o.a. F.B. Tromp en A.F. Dussenbroek, maakte tot 1962 deel uit van de regering, in 1967 ging zij in de oppositie.
  • Union Reformista Antillano (U.R.A.), opgericht in 1965 onder leiding van Edsel (Papy) Jesurun. Bij de Eilandsraadverkiezingen van 1967 behaalde zij 2 zetels. In 1969 heeft de U.R.A. voor het laatst deelgenomen aan de Statenverkiezingen. De meeste oprichters zijn in 1973 teruggegaan naar de partij waarvan zij zich hadden afgescheiden: de N.V.P., die vanaf dat moment tot N.V.P.-U. werd omgedoopt ter aanduiding van het feit, dat de U.R.A. geïncorporeerd was geworden.

 

Aparte vermelding verdienen nog:

  • Meta, opgericht in 1979 onder leiding van drs. Elmer Wilsoe, die zowel aan de Eilandsraadverkiezingen van Curaçao in 1979 als aan de Statenverkiezingen in 1982 heeft deelgenomen zonder een zetel te behalen. Tot deze partij behoorde ook mevr. Mirtha Leetz-Cijntje, die door de Meta werd uitverkoren tot lijsttrekker en daarmee de eerste vrouw werd op deze functie in de politieke geschiedenis van Curaçao en de Nederlandse Antillen.
  • Partido Social Democratico (P.S.D.), opgericht in 1973 onder leiding van R.J. Isa, als afsplitsing van de Democratische Partij. Na een aanvankelijk succesvol optreden - de partij heeft gedeputeerden geleverd bij de samenstelling van het Bestuurscollege - is bij de Statenverkiezingen van 1982 en bij de Eilandsraadverkiezingen van 1983 geen zetel meer behaald.
  • Ruba, opgericht in 1975 onder leiding van Watty Vos als afsplitsing van de M.E.P. Bij de Eilandsraadverkiezingen van 1979 behaalde zij 2 zetels. In 1983 werd de lijst gecombineerd met die van de Arubaanse Volkspartij (A.V.P.).

 

@: Polka

Behoorde met de mazurka tot de dansen die naast de meer typische Antilliaanse wals, tumba en danza, in de 19de eeuw in de Nederlandse Antillen populair werden. Er is door Antilliaanse musici een groot aantal polka’s gecomponeerd, maar een eigen stempel, waarvan bij de mazurka nog enigszins sprake is, werd er niet aan gegeven.

 

@: Pontonbrug
Koningin Emmabrug zie @: Bruggen.

 

@: Pool, John de / @: John de Pool

(Curaçao 1873 - Panama 1947), Spaansschrijvende prozaist, geniet in de naburige Zuid-Amerikaanse republieken vooral naam als kenner van de geschiedenis van Simon Bolivar en diens tijdgenoten, maar heeft op Curaçao in het bijzonder bekendheid gekregen als beschrijver van mensen en toestanden rondom de eeuwwisseling, waarin op half melancholieke, half ironische toon gesproken wordt van oude mensen en dingen die voorbijgaan. Hij behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Spaanse school (zie @: Beeldende kunsten; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). Om zijn herinnering in gedachtenis te houden is in de wijk Brievengat (Brievengat Bieuw - oftewel Oud Brievengat: De eerste van het complex volkswoningen op deze plaats) een straat naar hem vernoemd. In Bievengat en (gedeelte) Bonam dragen verscheidene straten de namen van bekende Curacaoenaars, die hun sporen op cultureel / artistiek gebied hebben achtergelaten.

Werken:

  • Del Curazao que se va (1935),
  • Zo was Curaçao (vertaling van Del Curazao que se va) in: Antilliaanse Cahiers jrg. 4, nr. 1-4 (1960);
  • El primer chispazo del genio (1943),
  • Manuel Carlos Piar, conquistador de la Guyana (1946).
  • Lit.: J.Terlingen, Lengua y literatura españolas en las Antillas Neerlandesas (1956).

 

@: Poor white

is de algemeen gebruikte aanduiding van blanken van de laagste sociaal-economische klasse. In de Nederlandse Antillen treft men thans maar weinig arme blanken aan. Deze groep heeft de economische opbloei die de eilanden hebben meegemaakt, ten gevolge van de vestiging van de raffinaderijen op Curaçao en Aruba, in het algemeen benut voor een sociale stijging. Ook het enger worden van de kloof tussen hogere en lagere protestanten, in een gemeenschappelijk front tegenover nieuwkomers uit Europa; heeft tot een sociale stijging van de tweede groep geleid. Het onderscheid tussen hogere en lagere (blanke) protestanten (op Curaçao werd een bepaalde groep hiervan Yakumènchi genoemd), dat tot in het eerste kwart van de 20ste eeuw nog gold, ontstond in de 18de-eeuwse maatschappij. De hogere blanken waren de (protestantse) hogere beambten van de West-Indische Compagnie, de officieren van het garnizoen en de voorname zakenlieden, onder wie ook vele (sefardische) Joden waren. De lagere blanken waren de manschappen van het garnizoen, scheepsvolk, winkeliers en ambachtslieden.

Op St. Maarten werd het afzonderlijk gelegen vissersdorpje Simpson Bay vroeger bijna uitsluitend bewoond door arme blanken, die zichzelf afzijdig hielden van de meerderheid van de samenleving en een vrij onafhankelijk bestaan leidden. In het westelijk deel van Philipsburg, Down Street genoemd, woonde een aantal arme blanke families die zich noch qua sociale positie noch in de ligging van hun huisjes onderscheidden van de arme gekleurde klasse. Door de enorme na-oorlogse toeristische ontwikkelingen op St. Maarten en de (semi-) permanente vestiging van vele buitenlanders (vooral Noord-Amerikanen) op dit eiland, zijn de samenstelling van de bevolking en het patroon van verdeling van somatische kenmerken, rijkdom en macht ingrijpend gewijzigd. Daarnaast, door de aanleg van nieuwe woonwijken en wegen, is het oude vestigingspatroon grotendeels veranderd.

Op Saba wordt zonder meer de aanwezigheid erkend van arme blanken op een lager economisch niveau, maar er is geen duidelijk afgebakende lijn tussen de klassen behalve ten aanzien van de vroegere bewoners van de afzonderlijke nederzetting van Mary’s Point, die door het gouvernement in 1933 naar een deel van The Bottom (Promised Land) werden overgebracht en die nog steeds zeer teruggetrokken leven. St. Eustatius heeft geen klasse van arme blanken. De verandering in het regeringsbestel van 1954 verschafte overigens deze groep op de Bovenwinden enige politieke invloed gepaard gaande aan grotere economische kansen die de meer vooruitstrevenden uitzicht gaf op enige sociale stijging.

 

@: Porgies

(fam. Sparidae) zijn zilvergrijze, hooggebouwde vissen, die in scholen langs de kusten der Nederlandse Antillen voorkomen. Enkele soorten (Calamus spec.) staan op de Benedenwinden bekend als djent’i maï(n)shi, andere soorten als brim en als boneknap. Als zij zo hier en daar wat van de bodem oppikken, maakt hun wijze van zwemmen een haastige indruk, of schoon het geen snellIe zwemmers zijn.

 

@: Portugees

was de moedertaal van de sefardische Joden die zich in de 17de eeuw in de Nederlandse Antillen kwamen vestigen. Er zijn aanwijzingen dat reeds in de tweede helft van de 18de eeuw in de dagelijkse omgang, inclusief de correspondentie van vertrouwelijke aard, het Portugees althans in sommige gezinnen van deze bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk door het Papiamentu was vervangen (zie @: Papiamentu: geschiedenis). Ook onder invloed van het Spaans verzwakte de positie van het Portugees. Omstreeks het midden van de 19de eeuw ziet men dat de sefardische bevolkingsgroep algemeen het Papiamentu als moedertaal gebruikt. Het Portugees werd vanaf die periode als een vreemde taal beschouwd; de laatste rabbijn die nog in het Portugees predikte, Aron Mendes Chumaceiro, vertrok in 1869 weer naar Nederland.

 

@: Portugezen

Om over een ruimer aanbod aan arbeidskrachten te kunnen beschikken en daardoor ook de lonen in de hand te houden heeft de Shell op Curaçao reeds vanaf 1929 vele arbeiders aangetrokken van de Portugese eilanden Madeira en de Azoren. Vooral van Madeira zijn duizenden naar Curaçao vertrokken. In 1938 maakten zij 42% uit van alle arbeidskrachten bij de Shell. Hoewel zeer gewild door hun ijver en toewijding kregen deze, meestal ongeschoolde, arbeiders een relatief slechte behandeling en waren zij meestal de eersten die weer weggestuurd werden.

Door onder meer de culturele verschillen, de taalbarriëre en de nationaliteitenpolitiek (politiek, gericht op het gescheiden houden van de verschillende immigrantengroepen onderling en met de lokale bevolking) van de Shell, bleven zij lange tijd een vrij geïsoleerde groep in de Curaçaosche samenleving.

In de jaren vijftig van de 20ste eeuw werd het overgrote deel teruggestuurd. De kleine groep achtergeblevenen waren toen vooral werkzaam in de tuinbouw en als laaggeschoolde arbeiders.

In de 1960ger jaren en daarna wist een deel zich op te werken met name in de levensmiddelen- en horeca-sector. De levensmiddelensector op Curaçao wordt voor wat betreft de kleine en middelgrote fruterías en supermarkten grotendeels beheerst door deze nieuwe middenstand. Zij zijn echter ook actief in andere branches.

Bij de volksteIling in 1981 werden 2.094 personen van Portugese nationaliteit geregistreerd. Een deel van de Portugese immigranten is echter inmiddels genaturaliseerd terwijl de op Curaçao geboren, jongere generatie voor een groot deel geïntegreerd is geraakt in de Curaçaosche samenleving.

 

@: Portulaca

Plantengeslacht uit de familie der Portulacaceae, in de Nederlandse Antillen door een 9-tal soorten vertegenwoordigd.

  • Kruiden; bloemen met 2 kelkbladen, 5 kroonbladen, veel meeldraden en een niet-onderstandig vruchtbeginsel aan top van de stengel, omgeven door schutbladen, bloeien in ochtenduren. Bembe (Portulaca oleraceae) of purslane, postelein, sappig kruid met dikvlezige, spatelvormige bladeren en goudgele bloempjes. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt en als groente gebruikt; ook verwilderd, maar dan plat neer liggend.
  • Yerba di coneu (Portulaca halimoides) of yerba di konènchi, yerba di pushi, pía di palomba, silk cotton, purslane, meestal dicht behaard, laag kruid met lange witte haren in bladoksel; bladeren minder dan 5 mm breed; bloemen geel of roze-achtig met een aantal bijeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Onkruid.
  • Bembe shimaron (Portulaca venezuelensis) of yerba di coneu machu, pía di palomba, rechtop groeiend kruid met rolronde, lijnvormige bladeren; bloem 1-2 cm in diameter, rood, purperrood, of wit, met paarse meeldraden. Benedenwindse Eilanden. Algemeen onkruid.
  • Bolberá (Portulaca grandiflora) of portulac, laureana, mariana burachi, janchi burachi, kiss me quick, neerliggend of afhangend kruid, met vlezige stengels en dikvlezige, rolronde bladeren; bloemen tot 3 cm in diameter, van verschillende kleur, soms gevuld. Heeft zonnige standplaats nodig. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Gekweekt.

 

@: Porvenir, Sociedad El

een in 1863 opgerichte vereniging van een groep Curaçaosche sefardische Joden die een gelijknamig maandblad uitgaf en in 1864 besloot tot de oprichting van de * Nederlands Hervormde Israëlitische Gemeente Emanu-El. El Porvenir bleef nog enige tijd na de totstandkoming van de nieuwe gemeente bestaan om die acties te voeren die men niet vond passen in het kader van zuiver kerkelijke arbeid.

 

@: Pos

(lett.: put), komt voor in tal van samenstellingen, zoals Pos Chikitu, Pos di Noord, Dos Pos, enz.

 

@: Pos di pía

Grote gegraven put met trappen, zodat het vee bij elk waterpeil kan drinken.

 

@: Posterijen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Periode tot 1890
  • Paragraaf 1: De allereerste zorg: De ambtenaar ter gouvernementssecretarie
  • Paragraaf 2: Reglement van 23 november 1858
  • Paragraaf 3: Aankondiging van post: De witte vlag
  • Sectie 2: Verordening van 31 december 1889

 

Hoofdstuk 2: Huidige organisatie

Hoofdstuk 3: Briefpost

Hoofdstuk 4: Pakketpost

Hoofdstuk 5: Postwissels

Hoofdstuk 6: Frankeerzegels

  • Sectie 3: Standaard- en bijzondere zegels
  • Sectie 4: Geschiedenis
  • Paragraaf 4: De eerste officiële zending en verder
  • Paragraaf 5: De Tweede Wereldoorlog
  • Paragraaf 6: De eerste serie bijzondere frankeerzegels
  • Paragraaf 7: Naamaanduiding Nederlandse Antillen
  • Paragraaf 8: Nieuwste ontwikkelingen

 

Hoofdstuk 7: Postzegelontwerpen

Hoofdstuk 8: Postspaarbank

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Posterijen Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Periode tot 1890
  • Paragraaf 1: De allereerste zorg: De ambtenaar ter gouvernementssecretarie

Het eerste reglement op de posterijen in de toenmalige kolonie Curaçao werd uitgevaardigd in 1825 (voordien gold in de kolonie het Nederlands reglement van 1818 op de behandeling der correspondentie van en op de koloniën). De zorg voor de posterijen was toen opgedragen aan een ambtenaar ter gouvernementssecretarie. Bij aankomst van een schip in de haven moesten alle brieven op straffe van geldboete terstond door schipper, schepeling of passagier aan de oppervisitateur of diens vervanger afgegeven worden om door deze onverwijld bij de postdirectie te worden bezorgd. Vóór en na kantooruren, alsmede op zon- en feestdagen, mocht de oppervisitateur of diens vervanger, als iemand van het postkantoor aanwezig was, de brieven onder zich houden en aan de eigenaren die erom vroegen, tegen betaling van het port afgeven. Brieven die langer dan 24 uur onafgehaald op het kantoor lagen, werden, tenzij de eigenaar zelf anders had verzocht, aan de woning van betrokkene bezorgd, met strafport ten behoeve van de ambtenaar.

  • Posterijen Hoofdstuk 1 sectie 1 Paragraaf 2: Reglement van 23 november 1858

Bij reglement van 23 november 1858 werd ter wering van de vele misbruiken bij het brievenvervoer met ingang van 1 januari 1859 een nadere regeling van het postwezen vastgesteld. Daarbij werd aan het gouvernement de uitsluitende bevoegdheid toegekend om gesloten of ongesloten brieven of pakketten, papieren bevattende, in ontvangst te nemen en aan rechthebbende uit te keren. Tevens werd het gouvernement belast met de verzending van brieven en pakketten, papieren bevattende; de bevoegdheid tot verzending zonder tussenkomst van het postkantoor, behalve met gelegenheden door den lande bekostigd, bleef evenwel vrij. Niemand, behalve het personeel der postadministratie mocht zich belasten met de distributie van brieven, pakketten enz. Aan degenen die zulks verlangden, werden de brieven binnen de stad onmiddellijk na aankomst thuisbezorgd door van gouvernementswege benoemde brievenbestellers, tegen betaling van een contributie van f 1,- per maand door belanghebbenden. ‘s Zondags geschiedde deze distributie slechts eenmaal. Onmiddellijk na het binnenvaren van een vaartuig moest een postambtenaar aan boord om de aangebrachte brieven af te halen. Tegen vertoning van het door deze ambtenaar af te geven reçu werd aan de gezagvoerder van het vaartuig een vergoeding uitgekeerd van vijf cent per stuk. De geadresseerde was niet verplicht een aan hem gerichte brief aan te nemen en daarvoor port te betalen, mits de brief onmiddellijk afgewezen of teruggegeven werd op het ogenblik dat deze door of namens het postkantoor werd aangeboden en vóórdat de brief geopend of het zegel daarvan geschonden werd. Geschiedde de weigering uit hoofde van onvermogen, dan werd de brief, op daartoe door de koloniale secretaris verleende autorisatie, gratis door de postbeambte aan de belanghebbende uitgereikt.

  • Posterijen Hoofdstuk 1 sectie 1 Paragraaf 3: Aankondiging van post: De witte vlag
  • Na aankomst van een mailvaartuig werd, als de brieven gesorteerd waren, op het Waterfort op Curaçao onder de Nederlandse vlag een witte vlag met een blauw blok in het midden gehesen; dat was het sein dat de brieven ter afhaling gereed lagen. Indien het te laat was voor de uitreiking, werd de volgende ochtend om zes uur de witte vlag met blauw blok gehesen en een schot van het Waterfort gelost. De ambtenaar der posterijen was verplicht behoorlijk aantekening te houden in daartoe bestemde boeken van alle ontvangen en te verzenden brieven met vermelding van het aantal, de ge¬wichten en of zij al dan niet gefrankeerd waren.
  • Sectie 2: Verordening van 31 de¬cember 1889
  • In 1890 werd de verordening van 31 de¬cember 1889 bevattende nadere regeling van de postdienst in Curaçao afgekon¬digd. Onder de orders van de gouver¬neur werd de Administrateur van Fi¬nanciën belast met het beheer der poste¬rijen. De beslissing van geschillen be¬treffende postaangelegenheden tussen het publiek en de postadministratie ver¬bleef bij de gouverneur.

  • Hoofdstuk 2: Huidige organisatie
  • De posterijen in de Nederlandse Antil¬len ressorteren sedert 1957 onder het De¬partement van Verkeer en Vervoer en hebben de zorg voor het briefpost-, pakketpost- en postwisselverkeer, als¬mede het beheer over de postspaarbank. Aan het hoofd staat een Directeur der Posterijen met standplaats Willemstad, aan wie het beheer van de posterijen voor de zes eilanden is opge¬dragen. Aan het hoofd van de post¬dienst op Curaçao en op Aruba staat een postdirecteur, terwijl de leiding van de postdienst op de overige eilanden aan een chef is toe¬vertrouwd. De postdirecteuren en chefs zijn rechtstreeks verantwoording schul¬dig aan de directeur der Posterijen. Voordat deze organisatie in 1957 werd ingevoerd ressorteerden de posterijen onder de Administrateur van Financien.
  • Hoofdstuk 3: Briefpost
  • Het briefpostverkeer wordt onderschei¬den in binnenlands en buitenlands ver¬keer. Het binnenlands verkeer omvat de verzending tussen de verschillende ei¬landen onderling, alsook de verzending tussen de verschillende post- en hulp¬postkantoren op eenzelfde eiland.
  • In de laatste decennia is het briefpost¬verkeer in de Nederlandse Antillen aan¬zienlijk toegenomen. Werd het brief¬postverkeer zowel intereilandelijk als met het buitenland tot omstreeks 1935 hoofdzakelijk per boot onderhouden, sedert de vestiging van de luchtvaart¬maatschappijen in de Nederlandse An¬tillen is men er geleidelijk aan toe over¬gegaan voor het briefpostverkeer van de luchtverbindingen gebruik te maken. De grafiek toont de ontwikkeling aan van de behandelde briefpoststukken (binnen- en buitenland) in de afgelopen vijfenzeventig jaar.
  • Hoofdstuk 4: Pakketpost
  • De pakketpostdienst met het buitenland werd in de toenmalige Kolonie Curaçao ingevoerd in 1894, drie jaar na toetre¬ding van de kolonie tot de in¬ternationale pakketpostovereenkomst van Wenen (1891). Dit verdrag werd nl. ondertekend onder voorwaarde dat in¬voering van de dienst niet direct behoef¬de plaats te vinden. Met ingang van 1 mei 1906 werd de gelegenheid open¬gesteld voor verzending van postpak¬ketten tussen de eilanden Aruba, Bonai¬re, Curaçao, St. Maarten Nederlands gedeelte, St. Eustatius en Saba, waar¬door de binnenlandse pakketpostdienst een feit werd. Zowel voor het buiten¬lands als voor het binnenlands verkeer was het toegelaten maximum gewicht voor postpakketten 5 kg. Geleidelijk aan werd dit maximum verhoogd tot 20 kg. Ofschoon verzending van postpakketten per boot nog dominerend is, gaat men allengs ertoe over postpakketten per luchtpost te verzenden. Er worden meer postpakketten van het buitenland ontvangen dan naar het buitenland ver¬zonden. De grafiek geeft een beeld van het pakketpostverkeer over de jaren 1930 tlm 1979.
  •  
  • Hoofdstuk 5: Postwissels
  • Gelden kunnen door middel van post¬wissels worden overgemaakt, zowel in het verkeer met het buitenland als lo¬kaal en intereilandelijk. De postwissel¬dienst met het buitenland bestaat al se¬dert het jaar 1892, bij het in werking treden van de internationale postwissel¬overeenkomst van 1891, tot welke over¬eenkomst de toenmalige Nederlandse koloniën waren toegetreden. Met de landen welke niet toegetreden zijn tot de internationale overeenkomst kunnen de Nederlandse Antillen een postwisselver¬keer aan de hand van bilaterale overeen¬komsten onderhouden. In het buiten¬lands verkeer werd de postwisseldienst in Curaçao eerst in het jaar 1903 inge¬voerd.
  • Hoofdstuk 6: Frankeerzegels
  • Sectie 3: Standaard- en bijzondere zegels
  • Deze worden onderscheiden in stan¬daardzegels en bijzondere zegels. Stan¬daardzegels dragen over het algemeen naast de naamaanduiding en de fran¬keerwaarde, de beeltenis van de Ko¬ning(in). Lagere waarden vertonen slechts de frankeerwaarde in grote cij¬fers. Bijzondere zegels vertonen in het zegelbeeld andere motieven, zoals bij¬zondere evenementen, gebouwen, kunstvoorwerpen enz.
  • Sectie 4: Geschiedenis
  • Paragraaf 4: De eerste officiële zending en verder
  • In 1873 werd de eerste officiële zending frankeerzegels in de Nederlandse Antil¬len (toenmalige kolonie Curaçao) ont¬vangen. Het zegelbeeld vertoonde de beeltenis van koning Willem III. De frankeerzegels waren tot 1880 verkrijg¬baar bij de Koloniaal Ontvanger; daar¬na werden zij op Curaçao verkrijgbaar gesteld ten postkantore. Sedertdien zijn er vele uitgiften van frankeerzegels ge¬weest. Verscheidene keren zijn wegens een tekort aan bepaalde waarden de frankeerzegels van een nieuwe opdruk voorzien, voor het eerst in 1891, terwijl in het jaar 1918 wegens een gebrek aan frankeerzegels, de waarden van 2 c en 2½ c diagonaal door midden werden geknipt en iedere helft afzonderlijk als frankeerzegel gebruikt. De frankeerze¬gels droegen behalve de beeltenis van de Koning, later van de Koningin en het waardegetal, de naamaanduiding Cu¬raçao (in de jaren 1903-1908 de aandui¬ding Kolonie Curaçao). Verder ver¬schenen er frankeerzegels met als zegel¬beeld het waardecijfer (het zgn. cijferty¬pe). Dit waren hoofdzakelijk de zegels met lagere waarden. Luchtpostzegels zijn slechts van 1929 tot 1947 in gebruik geweest. Nadien werden de lucht¬poststukken gefrankeerd met gewone frankeerzegels.
  • Paragraaf 5: De Tweede Wereldoorlog
  • Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden de frankeerzegels, tot dusverre in Nederland gedrukt, in de Verenigde Staten van Amerika, in Engeland, als¬mede in het voormalig Nederlands-In¬dië vervaardigd. In deze tijd verschenen ook de eerste bijzondere frankeerzegels met een toeslag ten bate van charitatieve en nationale doeleinden. Zo verscheen in 1941 een serie (8 waarden) frankeer¬zegels met toeslag ten bate van het Prins Bernhard Fonds en in 1943 een serie (4 waarden) met toeslag ten bate van de krijgsgevangenen. In 1944 verscheen een serie (8 waarden) ten bate van het Internationale Rode Kruis; in 1946 een serie met toeslag met de aanduiding: Helpt Nederland en Helpt onze Oost.
  • Paragraaf 6: De eerste serie bijzondere frankeerzegels
  • In 1948 werd de eerste serie bijzondere frankeerzegels uitgegeven met toeslag ten bate van de Nederlandse Antillen (6 waarden). Sindsdien hebben geregeld bijzondere frankeerzegel-uitgiften ten bate van charitatieve, sociale en culturele doeleinden plaatsgevonden. Ook na¬tionale evenementen werden door uit¬gifte van bijzondere frankeerzegels her¬dacht. Tegenwoordig vindt jaarlijks een uitgifte plaats van bijzondere frankeer¬zegels met toeslag ten bate van de kin¬derzorg, terwijl er in het vervolg ook jaarlijks een uitgifte zal plaatsvinden van een weldadigheidsserie, waarvan de toeslag ten goede komt aan instellingen die andere charitatieve, sociale en/of culturele doelstellingen nastreven.
  • Paragraaf 7: Naamaanduiding Nederlandse Antillen
  • In 1949 werd de naamaanduiding Cu¬raçao op de frankeerzegels vervangen door Nederlandse Antillen. Behalve frankeerzegels bestaan er ook postzegels welke gebruikt kunnen wor¬den voor kwijting van het te betalen strafport.
  • Paragraaf 8: Nieuwste ontwikkelingen
  • De verkoop van frankeerzegels is in de laatste jaren aanzienlijk gestegen in ver¬band met de grote toeneming van de filatelie in het internationale verkeer. De frankeerzegel, in hoofdzaak een middel tot vooruitbetaling van de door de posterijen te verlenen diensten, heeft juist door de filatelie een grote propa¬gandistische waarde gekregen voor het land van uitgifte.
  • De zegelbeelden, die aanvankelijk hoofdzakelijk de beeltenis van het staatshoofd vertoonden, geven tegen¬woordig veelal nationale, sociale en cul¬turele activiteiten van het land weer. Hierdoor wordt meer bekendheid gege¬ven aan hetgeen er in het land leeft. In verband hiermee wordt grote aan¬dacht besteed aan het propageren van de frankeerzegel in het buitenland, door middel van brochures die aan buiten¬landse postzegelverzamelaars en filate¬listische journalisten worden toegezon¬den en waarin tevens een beschrijving wordt gegeven van de achtergrond van de afbeeldingen op frankeerzegels.

  • Hoofdstuk 7: Postzegelontwerpen
  • De postzegelontwerpen werden vroeger in Nederland gemaakt door S.L. Hartz, A. van Vossen, P. Wetselaar en ande¬ren. In de 1960ger jaren van de 20ste eeuw zijn enkele An¬tillianen, die een speciale opleiding hier¬voor hebben gehad, op de voorgrond getreden: E.N. Ayubi, M.H. Namías de Castro, O. Ravelo Nadal. Ook de op Curaçao gevestigde Nederlandse teken¬leraar Wim G. Dieleman heeft enkele ontwerpen gemaakt. Speciale aandacht verdient de bloemenserie in 1955 ont¬worpen door J. Pander, naar kleuren¬opnamen van het echtpaar F.M. Chu¬maceiro. Het Amerikaanse tijdschrift Life wijdde hieraan een artikel. Te¬genwoordig worden de postzegelont¬werpen hoofdzakelijk door Antillianen vervaardigd.
  • Hoofdstuk 8: Postspaarbank
  • De postspaarbank werd in de toenmali¬ge kolonie Curaçao opgericht in het jaar 1904 (P.B. 1904, nr. 43). Aanvankelijk droeg zij de naam Koloniale Postspaar¬bank. Deze werd in 1944 veranderd in Curaçaosche Postspaarbank. Sedert 1952 draagt zij de naam Postspaarbank van de Nederiandse Antillen. Het be¬heer, aanvankelijk opgedragen aan de postdirecteur te Willemstad, ging in het jaar 1957 over op de directeur der Posterijen. Inlagen en terugbetalingen kunnen geschieden op alle post- en hulppostkantoren. Op de toestand en het beheer der Postspaarbank wordt toezicht gehouden door een Raad be¬staande uit een door de minister (belast met de zorg voor de zaken van de dienst der Posterijen) benoemde voorzitter, twee leden en twee plaatsvervangende leden. De aan spaarders toe te kennen rentevoet alsmede het maximum rente¬gevend tegoed wordt bij landsbesluit houdende algemene maatregelen vastge¬steld. Het Land waarborgt de volledige nakoming door de Postspaarbank van de verplichtingen haar door of krach¬tens landsverordening opgelegd. De grafieken geven een beeld van de ont¬wikkeling van de Postspaarbank vanaf de oprichting tot en met 1980 (zie ook Bank-, geld- en kredietwezen).
  • @: Postspaarbank van de Nederlandse Antillen
  • zie @: Bank-, geld- en kredietwezen; @: Poste¬rijen.
  • @: Postwissels
  • zie @: Posterijen.
  • @: Postzegels en postzegelontwerpen,
  • zie @: Posterijen.

 

@: Pot, Arnoldus Wilhelmus

(‘s-Gravenhage 24 mei 1898 - Curaçao 1 oktober 1950) Nederlands medicus,bacterioloog-seroloog. Na zijn studie in Leiden, zijn specialisatie in Utrecht en zijn promotie, is hij tot 1939 werkzaam geweest op het Centraal Laboratorium van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid te Utrecht. Op Curaçao; waar hij van 1939-1950 hoofd was van het Laboratorium van de Gezondheidsdienst, ging zijn wetenschappelijke belangstelling vooral uit naar de bacteriële darmziekten, waaraan hij een aantal publikaties wijdde. De frequentie van bacillaire dysenterie werd geanalyseerd en de verschillende, op Curaçao voorkomende soorten, gedetermineerd. Op advies van dr. Pot werden en worden alle nieuw opgenomen patiënten in het St. Elisabeth Hospitaal door middel van één of meer rectaaluitstrijken kosteloos op het landslaboratorium onderzocht op de aanwezigheid van dysenterie- of tyfus/paratyfusbacteriën in het darmkanaal. Dit bleek een belangrijke opsporingsmethode van infectiebronnen en daardoor van groot belang bij de bestrijding van besmettelijke darmziekten. Op deze wijze kon een nieuw type paratyfus op Curaçao worden ontdekt: Salmonella Curaçao.

  • Werken:
  • De lichaampjes van Guarnieri (diss. 1931).
  • Uit een totaal van 28 publikaties zijn de volgende van belang voor de Nederlandse Antillen:
    • De soorten en types der op Curaçao gekweekte dysenterie bacteriën. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunkunde 90: 650-653 (1946);
    • Bijdrage tot de kennis der bacillaire dysenterie op Curacao. Geneeskundig Tijdschrift Nederlands Indië 82: 234-250 (1942) met H.G.S. van Raalte en A. v.d. Sar).

 

@: Potvis
Zie @: Walvissen.

 

@: Pourier Miguel Arcangel

Foto: Drie generaties minister-presidenten Nederlandse Antillen bij elkaar: van links naar rechts Domenico "Don" Martina (1979-1984), Miguel Pourier (1979; 1994-1998; 1999-2002; Suzy Römer (1998-1999)

 

 

Oud minister-president van de Nederlandse Antillen in het door hem geleide kabinet Pourier 1994-1998, minister-president in het zakenkabinet Pourier 1979 en uiteindelijk minister-president in de periode november 1999 tot en met juni 2002. Hij werd opgevolgd door premier Louisa Godett. Samen met ex minister-presidenten María Liberia-Peters en Don Martina, de grootste stemmentrekkers uit de verkiezingsgeschiedenis van het land.

 

Pourier zag het levenslicht op Bonaire op September, 29, 1938 . Deed nog zijn lagere school op zijn geboorteeiland, maar vertrok daarna, zoals velen vóór hem, met hem en na hem naar Curaçao, voor het volgen van zijn middelbareschoolopleiding, waar hij in 1957 zijn diploma behaalde. Hierna vertrok hij naar Nederland om daar fiscaal recht te studeren aan de Koninklijke Belastingrecht Academie te Rotterdam, waar hij in 1962 afstudeerde.

 

Vervolgens keerde hij terug naar Curaçao, alwaar hij het bedrijfsleven binnenstapte om tussen 1962 en 1973 bij de Nederlands-Antilliaanse Belastingsdienst te gaan werken in verschillende functies. Zo was hij gedurende vele jaren eerst Inspecteur der Belastingen en daarna Directeur der Belastingen. Ondertussen bekwaamde hij zich verder op het gebied van onder andere fiscaal recht maar ook kennis van het algemene bankwezen door middel van allerlei cursussen.

 

Tussen 1973 en 1979 nam Pourier voor de eerste keer een politieke functie op zijn schouders als Minister van Ontwikkelingssamenwerking, terwijl hij in die periode gedurende 6 maanden ook de functie van Minister van Financien en gedurende 4 maanden Minister van Economische zaken was. Curaçao en de Nederlandse Antillen bevonden zich in die tijd in een moeilijke politieke situatie op grond van de verwikkelingen rondom de regering Rozendal, die uiteindelijk tot de val van dat kabinet leidde.  Na de val van het kabinet Rozendal, nam een zogenaamde zakenkabinet het bestuur van het land voor de periode van 4 maanden over met Miguel Pourier als de 12e minister-president in de geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Het was de tweede keer dat een tijdelijke regering – het kabinet Sprockel 1969 was de eerste – de bestuursaangelegenheden van het land dienden over te nemen.

 

Per eind 1979 kon het nieuwe kabinet, de eerste van drie Don Martina regeringsploegen de teugels van het land in de handen nemen. Miguel Pourier kon weer naar het bedrijfsleven terugkeren, maar hij behaalde in 1980 eerst een doctorale graad fiscaal recht aan de Katholieke Universiteit in Tilburg. Vervolgens trad hij in dienst van de ABN Trustcompany  (1980-1983) als directeur van het bedrijf. Vervolgens werkte hij tussen 1983-1991 als algemeen directeur van de ABN Bank Nederlandse Antillen en Aruba.  In 1992 vestigde Pourier zijn eigen consultancybedrijf, wellicht met de bedoeling om gedurende vele jaren zijn hoogwaardige ervaring aan anderen beschikbaar te gaan stellen.  In 1993 werkte hij nog aan de voorspoed van zijn eigen bedrijf maar daarna nam zijn leven een total andere wending.

 

Curaçao en de Nederlandse Antillen hadden zich in de tijd dat Pourier zich had teruggetrokken uit de politiek, op politiek gebied niet geheel rustig ontwikkeld. Don Martina, die hem in 1979 als minister-president opvolgde, kende tussen 1979 en 1984 maar liefst drie kabinetten, die allen voortijdig eindigden. Ook de regeringen van María Liberia-Peters, die hierna volgden werden gekenmerkt door allerlei politiek / sociale strubbelingen. Op staatkundig gebied werd een belangrijk onderdeel van het land geamputeerd: Aruba verliet de Antilliaanse constellatie op Januari 1, 1986 om haar status aparte in het Koninkrijk der Nederlanden te gaan innemen, na een lange periode van actie, overleg en onderhandelingen. Niet lang daarna, in September 1990, akkoordeerden de Curaçaosche politici een protocol tot het streven naar de autonome status binnen het Koninkrijk ook voor Curaçao, waarna in 1993 het eerste volksplebisciet ooit – het referendum – plaatsvond, voorafgegaan door het ontstaan als politieke beweging van de P.A.R.: Partido Antiyas Restrukturá, gesticht door oa Miguel Pourier zelf en de bekende politica Lucille Wout; een beweging, daarna politieke partij, waar Pourier uiteindelijk een wezenlijk onderdeel van zou gaan uitmaken.  Met de landsverkiezingen in aantocht werd de PAR van beweging in politieke partij omgezet; zij won met overmacht de verkiezingen en Pourier werd nu de 18e minister-president van de Nederlandse Antillen op basis van een nationaal kabinet (1994 – 1998), die ook de MAN van Don Martina zou omvatten. Kabinet Pourier zou een zeer bewogen periode in de geschiedenis van de Nederlandse Antillen meemaken: Orkanen van zowel natuurlijke als bestuurlijke aard op Sint Maarten, die onder andere ingrijpen door middel van een maatregel van rijksbestuur door de Koninkrijksregering nodig zou maken, de pogingen om het land te herstructureren op basis van het bekende rapport Make It Work en het treffen van maatregelen, ter beteugeling van de kritieke financiële situatie. Uit deze periode dateren de BTO (Business Turnover Tax) van Sint Maarten en de ABB (Algemene Bestedingsbelasting) op Curaçao.

 

In 1998-1999 was Pourier lid van de Eilandsraad van Curaçao en voor een korte periode (4 maanden) ook lid van de Staten, het parlement van de Nederlandse Antillen. Tussen 1999 en 2002, na de val van de kortstondige kabinet Suzanne Römer, was Pourier voor de derde keer in zijn politieke loopbaan minister-president van de Nederlands Antillen (November 1999 tot Juni 2002); nummer 20 dit keer. Van  2002 tot en met heden werkte hij ook als lid van verscheidene toezichtsorganen van de natie.

 

Behalve zijn lange staat van dienst ter dienste van zijn land en eiland heeft Pourier ook zijn bijdrage geleverd als lid, bestuurslid of voorzitter van een groot aantal commissies bijeengebracht ter bestudering en / of vergemakkelijking van de besluitname van allerlei projecten of themas. Hierbij een bloemlezing van deze activiteiten en een aantal andere projecten waar hij bij betrokken was:

 

  • Commissie ter bestudering van het uittreden uit het Nederlands-Antilliaans verband van Aruba (1982);
  • Commissie voor de analyse en het verstrekken van aanbevelingen voor de verbetering van de regeringsstructuur van St. Maarten (1992);
  • Commissie ter bestudering van de economische mogelijkheden van eilandgebied Bonaire (1993);
  • 1980-1994: Adviseur en bestuurslid van Arubaanse en Curaçaosche en lokale vestigingen van multi-nationale bedrijven;
  • Leider van de PAR, eerst als politieke beweging tegen de des-integratie van de Nederlandse Antillen in de aanloopperiode naar het volksplebisciet (referendum) van 1993, later als politieke partij. Onder andere door de positieve boodschappen van de PAR, maar ook door het bewustzijn van broederschap tussen de bevolkingen van de eilanden van de Nederlandse Antillen, verkreeg optie A bij het referendum 1993 (het behoud van de Nederlandse Antillen als land) bijna 75% van de uitgebrachte stemmen op Curacao (bijna 90% en zelfs meer dan 90% op respectievelijk Bonaire / Saba en Sint Eustatius) en werd een duidelijke nee tegen des-integratie van het land uitgesproken;
  • Stichter van de politieke partij “Partido Antíyas Restrukturá”, (PAR), die vanaf haar vestiging tot heden, de belangrijkste politieke partij van de Nederlandse Antillen is geworden.

 

Miguel Pourier trok zich van de actieve politiek terug in 2002, maar de PAR handhaaft hem als Eerbare President en lid van de Hoge Adviescollege van de partij. Pourier is ook nog steeds actief in het bedrijfsleven, waar hij werkt in toezichtsorganen van verscheidene bedrijven, onder andere van de verschillende RBTT vestigingen in de Nederlandse Antillen en Aruba, maar ook in de toezichtsorgaan van de moedermaatschappij (the Holding) in Trinidad / Tobago zelf, alsmede als lid van het bestuur van lokale vestigingen van multinationale bedrijven als Hunter Douglas, Fugro, AON, Travelsure Insurance Company en Océ. Voor zijn geboorteeiland Bonaire verleent Pourier adviesdiensten op het gebied van de politieke herstructurering van het eiland bij de afbouw van de Nederlandse Antillen en de opname van Bonaire, als onderdeel van Nederland, tezamen met Saba en Sint Eustatius, anno 2009 bekend als de BES-eilanden.

 

De uitgebreide en zeer positieve staat van dienst van deze uitzonderlijke Antilliaan, Boneriaan van geboorte en Curaçaoenaar in de opbrenging gaat natuurlijk niet onopgemerkt voorbij.  Hij is op grond hiervan bekleedt door het Koninkrijk met de condecoratie van Commandeur in de Orde van Oranje Nassau en door Venezuela met de Orden del Libertador, Grado “Gran Cordon”.

Pourier blijft er rustig onder; zijn aandacht aan het spelen van tennis, het spelen van de gitaar of het lezen - zijn hobbies - lijden er niet onder. Ook en zeker niet zijn aandacht voor zijn levensgezellin en hun familie: Pourier is getrouwd met mevrouw Lidia Hilly en het echtpaar heeft 3 kinderen.

 

@: Prehistorie

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Algemene indeling periodes

Hoofdstuk 2: Paleo-indianen

Hoofdstuk 3: Meso-indianen

Hoofdstuk 4: Neo-indianen

  • Sectie 1: Opkomst van de landbouw
  • Sectie 2: De neo-indiaan op St. Eustatius, Saba, St. Maarten
  • Sectie 3: De neo-indiaan op Curaçao, Aruba en Bonaire

Hoofdstuk 5: Indianen uit de koloniale periode

Hoofdstuk 6: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het artikel:

Prehistorie Hoofdstuk 1: Algemene indeling periodes

De Amerikaanse indianen trokken de Nieuwe Wereld binnen via de Beringstraat omstreeks 20.000 jaar voor Chr., toen de zeespiegel door ijsopslag aan de polen zo laag was, dat er daar een landverbinding tussen Azië en Amerika bestond. Zij zwierven toen verder midwaarts, hun jachtwild achterna, door een corridor in de ijslaag, die destijds het grootste deel van Canada bedekte. Daarna hebben zij zich verspreid over de Verenigde Staten, Mexico en vandaar over Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Men onderscheidt in hoofdlijnen vier tijdperken in de indiaanse bewoning van het Caribisch gebied:

  • 1. de paleo-indiaanse periode vóór 5000 v .Chr.;
  • 2. de meso-indiaanse periode van 5000 tot 1000 v. Chr.;
  • 3. de neo-indiaanse periode van 1000 v. Chr. tot 1500 na Chr.;
  • 4. de indiaans-Europese periode van 1500 tot heden.

Dit zijn globale benaderingen, die kunnen variëren per regio: bijvoorbeeld in de Orinocodelta leven in de 20ste eeuw nog groepen die wij door hun levenswijze tot de meso-indianen rekenen.

 

Prehistorie Hoofdstuk 2: Paleo-indianen

Anders dan bijvoorbeeld Trinidad waren de eilanden van de Nederlandse Antillen van het vasteland gescheiden vóór het begin van menselijke bewoning daar. Het is onwaarschijnlijk, dat de paleo-indiaan de Nederlandse Antillen heeft bereikt: hij had geen boten of andere middelen om de zee over te steken. Hij leefde van de jacht op mammoeten en andere grote zoogdieren, die vooral in de, toen uitgebreidere savannegebieden op het vasteland voorkwamen.

De dichtstbijzijnde paleo-indiaanse nederzettingen bevinden zich te Muaco en Taima-Taima, op het vasteland tegenover Curaçao. Hier bevonden zich drinkplaatsen van dit groot wild. Opgravingen door Cruxent tonen aan dat deze dieren werden gevangen in hinderlagen, gedood en geslacht met behulp van houten speren en ruwe stenen hakmessen, vervaardigd met een soms heel fraaie afslagtechniek. Dateringen met C-14 geven aan dat deze vondsten tussen ca. 15.000 en 11.000 v. Chr. gedateerd moeten worden.

 

Prehistorie Hoofdstuk 3: Meso-indianen

Aan liet einde van de paleo-indiaanse periode was, mogelijk ten gevolge van een te intensieve jacht, het groot wild uitgestorven. Anderen zoeken de oorzaak meer in de aanzienlijke klimaatsverandering na de laatste ijstijd. De meso-indianen hebben nieuwe voedselbronnen gezocht. Aan de kust vingen zij vooral vis en verzamelden zij schelp- en schaaldieren. Deze activiteiten in de buurt van water leidden tot het gebruik van vaartuigen, met als resultaat dat de indianen in staat waren ook de eilanden te bereiken. Langs de kust van Venezuela kenmerken de nederzettingen uit deze periode zich door afvalhopen van voedselresten, waarin veel schelpen en door de meso-indianen vervaardigde voorwerpen werden aangetroffen. Bovendien joeg men op klein wild en verzamelde men bosvruchten. Landbouw werd niet bedreven.

Het dichtst bij de Nederlandse Antillen liggen de nederzettingen bij Cerro Iguanas, EI Heneal en Indio Libre ten zuiden van Bonaire op het vasteland. Aardewerk, dat kenmerkend is voor de neo-indiaanse woonplaatsen, ontbreekt. C-14 dateringen van Cerro Iguanas liggen tussen 4.720 en 3.775 v.Chr. El Heneal is jonger: de oudste datering van deze nederzetting ligt tussen 1.965 en 1.540 voor Christus.

Op Curaçao is een meso-indiaanse nederzetting bekend: Rooi Rincon. Het verschil met de Venezolaanse nederzettingen is dat Rooi Rincon een abri, een schuilplaats in de rotsen is. Een afvalhoop van schelpen heeft men bij deze abri aangetroffen. De artefacten bestaan slechts uit enkele krabbers en vormloze steensplinters, die voor verschillende doeleinden gebruikt kunnen zijn. Cruxent verkreeg vijf dateringen voor Rooi Rincon; deze liggen tussen 3.480 en 2.325 voor Christus. Gould onderzocht schelpmateriaal van Rooi Rincon; dateringen die hij direct van het schelpmateriaal verkreeg bevestigen dat we hier te maken hebben met de vroegste menselijke bewoning van deze eilanden. Vergelijkbaar schelpafval en vergelijkbare dateringen leverden Gould’s onderzoek bij Kintjan en bij Tafelberg op Curaçao op.

Ook op Aruba verzamelde Gould schelpen, die duidelijk voedselafval zijn, en wel bij Ceru Canashito, maar hier in associatie met grof, onversierd aardewerk. Twee schelpdateringen leveren data omstreeks 500 na Christus op: Het is vooralsnog niet duidelijk of we hier met een meso-indiaanse bewoning, die zich hoofdzakelijk met schelpdieren voedde of met een landbouwende neo-indiaanse (zie onder) bewoning te maken hebben.

Op Saba is bij Fort Hill een aantal werktuigen van schelp te voorschijn gekomen uit de laag boven de jongste vulkanische afzettingen. Eén daarvan is met C-14 gedateerd tussen 1.655 en 1.335 voor Christus.

 

Prehistorie Hoofdstuk 4: Neo-indianen

  • Sectie 1: Opkomst van de landbouw

In de tijd dat de meso-indiaanse bewoners van de eilanden en van de kust van het vasteland vissers en zeevaarders werden, gingen zij die in het binnenland leefden, over op een leefwijze waarin plantaardig voedsel een belangrijke rol speelde. Er vond een verschuiving plaats in het voedselpakket, waarbij de nadruk kwam te liggen op het verzamelen van wilde planten, jacht op klein wild en wat visvangst. In het wild voorkomende eetbare planten komen slechts zeer verspreid in de tropen voor. In de loop der tijd ging men deze bij elkaar planten, kennelijk met de bedoeling meer voedsel tot zijn directe beschikking te hebben. Dit was het begin van een langdurige ontwikkeling, die leidde, door middel van selectie en kruising, tot produkten met een steeds hogere opbrengst. Door dit proces ontstonden gedomesticeerde soorten d.w.z. soorten die voor hun voortplanting de mens nodig hebben. Deze landbouwgewassen nemen een belangrijke plaats in in het voedselpakket van de neo-indiaan. In het tropisch bos was het hoofdprodukt cassave, in bergachtige gebieden vooral maïs.

Het is nog niet duidelijk waar en wanneer cassave voor het eerst werd gedomesticeerd. Over het verbouwen van maïs is iets meer bekend: Zowel in Peru als in Mexico zijn vroege gedomesticeerde vormen gevonden teruggaand tot omstreeks 4.000 voor Christus. Welke de wilde voorouder van deze maïs is geweest, is nog niet duidelijk.

In Centraal-Amazonië bevond zich al vroeg een landbouwcentrum met cassave als hoofdgewas. Vanuit dit centrum trokken groepen indianen naar alle richtingen en zo ook via de Rio Negro en Casiquiare naar het Orinocogebied. De oudst bekende vindplaats van deze vroege landbouwers in Venezuela is bij La Gruta aan de Midden-Orinoco. Deze dateert van omstreeks 2.000 voor Christus. In het hele Orinocogebied, en aansluitend daarop ook in de oostelijke en noordelijke Caribische eilanden, bleef cassave een belangrijk voedselgewas, hoewel onlangs door Roosevelt is aangetoond dat daar in latere tijd ook maïs is verbouwd. In westelijk Venezuela en daarmee ook Aruba, Bonaire en Curaçao zijn duidelijke bewijzen gevonden dat de neo-indianen als hoofdvoedsel maïs hadden.

Men ziet op vele plaatsen ter wereld en Zuid- en Midden-Amerika vormen geen uitzondering, dat het verbouwen van gewassen leidde tot een bestaan voor langere perioden op één plaats. Daarbij ontstaat de behoefte vloeistoffen en voedsel te bewaren en te koken. Men ziet dan ook, dat de opkomst van landbouw gepaard gaat men het vervaardigen van aardewerk. Het verschil tussen oostelijk en westelijk Venezuela is ook duidelijk zichtbaar in het aardewerk. De neo-indianen van Saba, St. Eustatius en St. Maarten behoren tot de oostelijke cultuurgroep, terwijl die van Aruba, Bonaire en Curaçao tot de westelijke behoren. Het verdient aanbeveling de twee eilandengroepen afzonderlijk te bespreken. Bij de volgende behandeling wordt uitgegaan van het vasteland, aangezien de neo-indianen, evenals de meso-indianen vaarend, vanuit Venezuela de eilanden bereikten.

  • Prehistorie Hoofdstuk 4 Sectie 2: De neo-indiaan op St. Eustatius, Saba, St. Maarten

Vroege neo-indiaanse overblijfselen in het oosten zijn gevonden op een terrein bij Saladero, gelegen even boven de delta van de Orinoco. Hier ligt een vindplaats waar fragmenten van bakplaten en een groot aantal aardewerkscherven aan het licht kwamen. Deze scherven zijn dunwandig en hard; technisch staan ze boven aardewerk van later datum. Karakteristiek is beschildering met witte verf op rode ondergrond. Aardewerk met dezelfde karakteristieken is inmiddels van vele andere vindplaatsen bekend. Rouse en Cuxent hebben dit naar de vindplaats Saladero ‘Saladoïd’ genoemd. Dit is de oorsprong van een aantal jongere cultuurgroepen aan de oostkust van Venezuela, op Trinidad, de Kleine en de Grote Antillen en in de Guianas tot in Suriname. In eerste instantie zijn de Saladoïde indianen door de Orinoco delta naar de oostkust van Venezuela en naar Trinidad getrokken, waar zij ook de zee als voedselbron gingen gebruiken. Vervolgens trokken zij noordwaarts naar de Kleine en Grote Antillen en oostwaards richting Suriname. Daarheen brachten zij het kenmerkende aardewerk mee en ook landbouw en andere aspecten van de neo-indiaanse cultuur. Nog in het kustgebied van Venezuela worden de versieringsmotieven van hun aardewerk uitgebreid met een nieuwe karakteristieke component: kruisgewijze versiering in zônes.

In 1923 trof De Josselin de Jong de combinatie van aardewerk met deze kruisgewijze versiering en scherven met rood op wit beschildering aan bij Golden Rock op St. Eustatius. Hier bevond zich een uitgestrekt dorp, centraal op het eiland. Het terrein bevatte gebroken schelpen, visgraten, scharen van krabben, werktuigen van steen, been en schelp. Stukken van aardewerken bakplaten getuigden van cassavelandbouw en inderdaad lag de nederzetting in de voor landbouw geschikte Cultuurvlakte. De stijl van het aardewerk past in de omwikkelingslijn van de Saladoïde-reeks. De Josselin de Jong vond ook stenen bijlen, beitels, polijststenen, maalstenen en onregelmatig gevormde sreensplinters. Stukken koraal werden gebruikt om te slijpen; een bot diende voor de vervaardiging van een speld. Van schelp gemaakte bijlen, beitels, lepels, kralen en hangers zijn bij Golden Rock eveneens opgegraven.

De opmars van de Saladoïde indianen vanuit de Orinocovallei, de Antillen langs, begon omstreeks het begin van onze jaartelling. St. Eustatius werd waarschijnlijk omstreeks 300 na Christus. bereikt. In 1975 ontdekte Figueredo een belangrijke nederzetting aan de zuidwestkust van St. Eustatius bij de Godet-plantage. Hij onderscheidde drie verschillende lagen in zijn test put tot ongeveer een meter diepte: het diepste niveau leverde Saladoïd materiaal op met vooral rood op witte beschildering. Kruisgewijze arcering ontbreekt. Figueredo interpreteert dit niveau als een nederzetting, iets jonger dan Golden Rock en vooral gericht op exploïtatie van zee en kust. Hij veronderstelt een intensieve uitwisseling van goederen tussen de Godet en Golden Rock bewoners.

In de bovenste lagen trof hij zowel indiaans aardewerk aan in de stijl van het op Antigua gevonden Marmora Bay aardewerk - dat daar gedateerd is tussen ongeveer 900 en 1.300 na Christus. - als Europees materiaal uit de koloniale tijd. Een fragment van een schedel gaf aanwijzingen voor kunstmatige schedeldeformatie. Dit fragment is afkomstig uit de diepstgelegen laag, behorend bij de Saladoïde bewoning.

Haviser ondernam recentelijk een archeologische veldinventarisatie op St. Eustatius. Dit leverde naast de reeds bekende relatief grote nederzettingen als Golden Rock en Godet een groot aantal kleinere vindplaatsen op, waarvan sommige door hem geïnterpreteerd worden als kampplaatsen, gebruikt voor een speciaal doel gedurende kortere periodes: tijdelijke kampen voor werkzaamheden als houtbewerking, koraalbewerking, vuursteenbewerking en als wachtpost. Op grond van de vondsten lijkt voor een aantal van deze kampen gelijktijdigheid met de Golden Rock en Godet hoofdnederzettingen, die respectievelijk op landbouw en zeeëxploitatie gericht waren, waarschijnlijk.

Toen de Saladoïde indianen de Kleine Antillen bereikt hadden, ontwikkelde zich daar een aantal lokale aardewerkstijlen, die op hun beurt blootstonden aan invloeden vanuit het vasteland, maar soms ook terug vanuit de Grote Antillen. Doordat hun aardewerk minder karakteristieke potvormen en versieringspatronen vertoont, is het vaak moeilijk deze lokale cultuurgroepjes met elkaar in verband te brengen. Een belangrijke nederzetting van deze wat latere neo-indianen is The Bottom op Saba, ook onderzocht door De Josselin de Jong in 1923. Evenals bij Golden Rock werden hier delen van bakplaten gevonden, waarop de indianen hun cassavebrood bakten. De aardewerkscherven zijn dikker, ruwer en brosser; een proces van technische achteruitgang dat ook elders voorkomt in deze tijd. Het aardewerk bestaat uit eenvoudige, wijde kommen, maar deze zijn niet zo sierlijk naar buiten gebogen als die van Golden Rock. Sommige oren zijn ingewikkelder van vorm en vertonen zowel mens- als diervormen. In de versiering is het meest opvallend een breedlijnige inkerving. Kruisgewijze versiering is verdwenen en de wit op rood beschildering is minder gaaf. De stenen werktuigen omvatten bladvormige bijlen, stampers, onregelmatige splinters en kleine driepuntige steentjes. Er komen stampers voor, gemaakt van koraal en uit schelp vervaardigde bijlen, beitels en sieraden. Het The Bottom aardewerk kan beschouwd worden als een late ontwikkeling met slechts gedeeltelijk Saladoïde kenmerken. Het vertoont enige gelijkenis met aardewerk van de Ostenoïdgroep op Puerto Rico, een lokale ontwikkeling vanuit de Saladoïd cultuur op de Grote Antillen, gedateerd op ongeveer 800-1000 na Christus. Waarschijnlijk is ook de nederzetting bij The Bottom in deze periode te dateren.

In 1961 onderzochten de heer en mevrouw Bullen een nederzetting bij Cupecoy Bay te St. Maarten. Zij troffen hier schelpafval aan, scherven en bakplaten, ongeveer 900 potscherven en een aantal werktuigen van steen en schelp. Het meeste aardewerk heeft geheel eigen kenmerken; het is nog dikker en grover dan het materiaal uit Saba en dateert mogelijk uit een latere periode van de neo-indiaanse tijd.

Samenvatting: De verschillende terreinen op St. Eustatius (Golden Rock en Godet), op Saba (The Bottom) en St. Maarten (Cupecoy Bay) verschaffen ons een illustratie van de ontwikkeling van het aardewerk en andere componenten van neo-indiaanse cultuur op de oostelijke helft van de Nederlandse Antillen. Deze begon met het aardewerk meegebracht door de Saladoïde immigranten en werd vervolgens voortgezet door plaatselijke ontwikkelingen. Kenmerkend is de technische achteruitgang, vervlakking van vormen en verschuiving in de versieringspatronen.

  • Prehistorie Hoofdstuk 4 Sectie 3: De neo-indiaan op Curaçao, Aruba en Bonaire

De overeenkomsten, archeologisch gezien, zijn voor de neo-indiaanse periode van de Benedenwindse Eilanden zo opvallend, dat het verantwoord is deze tezamen te bespreken. Aardewerk en andere kenmerken blijven nagenoeg gelijk voor aIle vindplaatsen. C-14 dateringen van de nederzettingen bij Knip en San Juan op Curaçao liggen tussen 450 en 1.405 na Christus, van Ceru di Noka, Sabaneta en Tanki Flip op Aruba tussen 880 en 1.390 na Christus en de enige datering van Bonaire, verkregen van skeletmateriaal, komt ongeveer overeen met de Arubaanse dateringen.

Het archeologisch materiaal van de drie eilanden en ook dat van het aangrenzende deel van het vasteland, behoort in de neo-indiaanse periode tot de Dabajuro-cultuur. Het verspreidingsgebied daarvan in noordwest Venezuela beslaat onder meer de provincie Falcón met het bijbehorende schiereiland Paraguami. Zoals al eerder besproken is het aardewerk uit dit gebied totaal verschillend van dat van oostelijk Venezuela. Tijdens het eerste millennium na Christus heeft de Dabajuro-cultuur zich in oostelijke richting verspreid en hebben de dragers ervan zich ook gevestigd op Curacao, Aruba en Bonaire.

Opvallende overblijfselen, mogelijk gerelateerd aan de Dabajuro-indianen op de eilanden zijn de rotstekeningen. Er is geen direct verband tussen de plaats van de rotstekeningen en woonplaatsen vast te stellen. De eerste zijn gebonden aan grotten of abri’s, de laatste aan de -zee, zoet water of landbouwgrond.

Sommige nederzettingen zijn groot, tot meer dan tien hectare, andere beslaan niet meer dan enige tientallen vierkante meters. Dit betekent niet dat deze grotere terreinen in iedere bewoningsfase over de hele oppervlakte tegelijkertijd bewoond zijn geweest. De bovenste aardlaag van de grote vindplaatsen is meestal verstoord door recente landbouw of andere activiteiten tot een diepte van 30-40 cm. Als de vindplaats op zandig terrein ligt - en dat is vooral op Bonaire en Aruba het geval - dan bevinden zich onder de verstoorde laag grote en kleine door de indianen gegraven kuilen, herkenbaar aan de donkere vulling die zich in de ongestoorde ondergrond aftekent, wanneer de bovengrond verwijderd is. De soort vulling, de vorm, grootte, diepte, inhoud aan afval en de distributie in het terrein van de kuilen leveren informatie over de structuur van de nederzettingen. Uitgestrekte nederzettingsterreinen zijn te vinden bij: Wanapa en Amboina op Bonaire, Santa Barbara, San Juan en de Savaan op Curaçao en Sabaneta, Santa Cruz, Tanki Leendert en Tanki Flip op Aruba.

Vooral grafkuilen zijn goed bewaard gebleven; deze zijn door de prehistorische bewoners na het bijzetten van de dode dichtgemaakt en daarna zijn ze over het algemeen niet meer aangeraakt. Bij de opgravingen in Aruba is gebleken dat daar verschillende begraafwijzen werden toegepast. Voor chronologische verschillen is tot nu toe geen aanwijzing gevonden; mogelijk weerspiegelen de verschillende begraafwijzen de verschillen in status binnen de gemeenschap. Het meest komt primaire begraving voor. Daarbij is de dode met opgetrokken knieen in een kuil gelegd, die daarna opgevuld is met aarde. Bij de opgraving vindt men in zo'n grafkuil alleen het skelet. Bij een aantal van deze graven is aan de dode een bijgift meegegeven, vaak een pot of een schaal, rechtop of ondersteboven.

Een andere, zeldzamer manier van teraardebestelling is een primaire urnbegraving, alleen gevonden te Sabaneta en Ceru di Noka op Aruba. Hier vinden wij het skelet, diep in de grond ingegraven, in een grote aardewerken urn, met een tweede urn ondersteboven er over heen. Meestal is de bovenste urn ernstig beschadigd. De beenderen vertonen duidelijke onderlinge samenhang. Zowel van Curaçao als van Aruba zijn primaire begravingen bekend, waar de dode bedekt is met een grote urn. Een geval van secundaire urnbijzetting is gevonden te Santa Cruz op Aruba. De beenderen van een volwassene waren hier in een vrij kleine urn, te klein om een mens in zijn geheel te bevatten, bijgezet, en de schedel, apart, in een nog kleinere. Het bijzetten in de urn kan pas hebben plaats gevonden nadat het lichaam was verteerd. Een dergelijke manier van secundaire urnbijzetting is nog steeds in gebruik bij de indianen van Guajira, het schiereiland tussen Venezuela en Colombia.

Tacoma heeft een aantal skeletten van de drie eilanden onderzocht en beschreven, waarbij hij bij verschillende individuen kunstmatige schedeldeformatie heeft geconstateerd. De grafkuilen vormen kleine, verspreide groepjes. Van de andere soorten kuilen daartussen is vaak niet meer te reconstrueren waar ze voor gediend hebben. Erg talrijk zijn paalgaten, die waarschijnlijk in verband stonden met muren van hutten of andere bouwsels. Op grond van deze paalgaten zijn ovale hutten met een maximum lengte van ongeveer vijf meter te reconstrueren. Er zijn kuilen met aan elkaar passende stukken van kookpotten gevonden samen met voedselafval en andere resten van kookactiviteiten er in. Daarnaast zijn er grote kuilen gevuld met houtskool en door het vuur gebarsten stenen. Misschien is daarin aardewerk gebakken. Een aantal rechte, ondiepe goten in Tanki Flip op Aruba hebben misschien gediend voor afwatering; hun ligging in het terrein wijst daar op. De ligging van de kuilen ten opzichte van elkaar doet vermoeden dat de mensen in familiegroepen bij elkaar woonden en dat elke groep zijn doden bij hun eigen huttencomplex ter aarde bestelde.

Overal in de vindplaatsen, in vele kuilen en in en op de bovengrond liggen grote hoeveelheden afval: potscherven, stukken steen en schelpresten. Van de laatste is het merendeel afkomstig van de karko (Strombus gigas L.), maar ook vele andere soorten komen voor. Schelpdieren zijn op grote schaal gegeten, evenals vis en mogelijk zeeschildpad. Botten van zoogdieren zijn vooral op Curaçao aangetroffen o.a. hert (Odocoileus en Mazama) en haas (Dasyproctera en Agouti paca). Het is zonder meer duidelijk dat men zijn dierlijk proteïne vooral verkreeg van zee en kust. Van de plantaardige produkten die men heeft gegeten is niets overgebleven, maar vele fragmenten van maalstenen, zowel de grote holle metates als de kleinere wrijfstenen of manos, bakplaten en indrukken van de korrels in aardewerk zijn aanwijzingen dat men maïs heeft verbouwd.

Ruim 90% van het aardewerk is dik en gladgemaakt, maar verder onversierd. Het heeft simpele vormen: grote, halfronde of eivormige potten, platte schalen en kommen met standvoeten. De kleur is vaal donkerrood met grijze vlekken. De kookpotten en de begrafenisurnen behoren tot dit aardewerk. Gezien het enorme aantal scherven dat hiervan gevonden is, kunnen we dit beschouwen als het gewone gebruiksaardewerk. Vaak zijn de potten verstevigd door de rand aan de buitenkant dikker te maken met een naar buiten uitstekende ribbel. Het aantal ribbels kan tot zeven oplopen; deze grote aantallen komen in Curaçao en Bonaire vaker voor dan in Aruba. Soms is een versieringseffect bereikt door een aantal van deze ribbels boven elkaar aan te brengen. De potten zijn opgebouwd uit kleiringen, zonder pottenbakkersschijf. De klei is verschraald met kwartsgruis; op Curaçao en Bonaire ook wel met magnesiumhoudend steengruis.

Het versierde aardewerk is dunner en fijner; de versiering bestaat grotendeels uit beschildering. Er zijn twee groepen met een rode ondergrond en met een witte of grijze. Er zijn andere kleisoorten gebruikt en de verschraling bestaat vaak uit fijn schelpgruis of kalkpoeder. Het rode aardewerk is het zeldzaamst. Het bestaat voornamelijk uit kommetjes met een gesloten standvoet. Het grijze en witte aardewerk heeft een zeer grote verscheidenheid aan vormen en versieringsmotieven: de beschildering kent een grote variatie aan geometrische vormen. Deze zijn opgebouwd in zwart of zwart en rood. De gemodelleerde versiering kan bestaan uit simpele ribbels en knobbels in applique, maar ook uit ingewikkelder vormen, waaronder gestyleerde dierenkopjes, complete dierfiguren, waarbij vaak een kikkermotief voorkomt en mensengezichtjes.

Bijna alle ‘zware’ werktuigen zijn van steen: hamers, bijlen, beitels, messen en schuur- en slijpstenen. Beide laatste werktuigen zijn van zandsteen, de eerste meestal van ruw afgeslagen en daarna bijgeslepen stukken basalt. Sommige bijlen zijn aan alle kanten prachtig geslepen, de meeste echter alleen op de snede. Een enkele keer vindt men ook bijlen van karko, vooral op Curaçao. Ronde stenen met een ingeslepen groef rondom zijn misschien slingerstenen geweest. Een belangrijk indiaans wapen was een slinger, waarbij twee stenen, verbonden door een touw, al ronddraaiend weggeslingerd werden.

Sieraden maakte men van schelp. Er zijn vele schijfjes met doorboring die gediend kunnen hebben als kralen voor arm- en enkelbanden en halskettingen. Er zijn een aantal bijzondere voorwerpen. Een hiervan is een bijna 30 cm hoog beeldje van een zittende mannefiguur, van witte, kristallijne kalksteen, gevonden in Tanki Leendert op Aruba. Opvallend zijn een aantal potscherven met indrukken van textiel en vlechtwerk. Op de eilanden zijn deze erg zeldzaam; in Falcon vindt men ze veel vaker. Te San Juan op Curaçao is een tabakspijpje van aardewerk gevonden. Fragmenten van platte, en ook van cilindrische rolstempels zijn bekend van Aruba en Curaçao. Ze zijn gemaakt van gebakken klei. Mogelijk hebben ze een rol gespeeld bij lichaamsbeschildering.

 

Prehistorie Hoofdstuk 5: Indianen uit de koloniale periode

Het is duidelijk dat deze periode niet meer tot de prehistorie behoort; toch is door de schaarste aan geschreven bronnen uit de vroegste historische tijd, archeologisch onderzoek van deze periode belangrijk. In de 16de eeuw zijn de indianen van het Caribisch gebied door o.a. de Spanjaarden op grote schaal als slaaf gebruikt voor diverse economische activiteiten: het encomienda-systeem, parelvisserij en mijnbouw. Dit ging gepaard met deportatie en uitroeiing op grote schaal en ook ‘Europese’ ziekten eisten een grote tol. Op de Benedenwinden is met name de in 1515 uitgevoerde deportatie naar Hispaniola berucht. Archeologisch zien we aanknopingspunten bij geïsoleerde vondsten van bijvoorbeeld Dabajuro-aardewerk in een Spaanse context op Hispaniola en Cubagua en in missieposten op het vasteland. Belangrijke documenten voor de indiaanse bewoning in de koloniale tijd zijn verschillende oude kaarten met indiaanse nederzettingen zoals de kaart van De Laet van omstreeks 1635 van Curaçao en ook twee Spaanse kaarten uit dezelfde tijd eveneens van Curaçao. De indiaanse slaven werden geleidelijk in de 17de eeuw vervangen door ingevoerde slaven uit Afrika. Toch werden bijvoorbeeld op St. Eustatius in 1665 nog tenminste 400 indianen als slaaf gebruikt, die in dat jaar door Engelsen werden buitgemaakt en weggevoerd. Na afloop van deze periode van slavernij handhaafden zich in uithoeken groepjes indianen. Het is veelal niet duidelijk of deze afstammelingen van de daar eerder wonende neo-indianen zijn. Op Curaçao was in de 18de eeuw nog een indiaanse restbevolking aanwezig; op Aruba werden in 1816 nog ruim 550 indianen gerapporteerd. Op Bonaire was ook in de 19de eeuw het indiaanse element nog vertegenwoordigd. Op Aruba hebben de indianen zich en met name ook hun cultuur en taal, het langst kunnen handhaven: Van Koolwijk vermeldt dat aan het begin van de 19de eeuw nog een traditionele urnbegraving plaats vond. N.B.: zie voor de gebruikte dateringen onder @: Archeologie.

 

Prehistorie Hoofdstuk 6: Literatuur

Literatuur:

  • E.H.J. Boerstra, Preliminary Report on the 1971 Ceru Noka Excavations, Aruba, Neth. Antilles. Proc. 5th Int. Conge. Precol. Cult. L.A.; 13-21. (1974);
  • idem, Burying the dead in pre-Columbian Aruba. Proc. 6th Int. Conge. Precol. Cult. L.A.; 125-134 (1976);
  • idem, De precolumbiaanse bewoners van Aruba, Curaçao en Bonaire (1982);
  • idem, Some of the Soil Marks in the Tanki Flip excavation, Aruba, Neth. Antilles; the ditches. Proc. 9th Int. Conge. Precol. Cult. L.A.; 173-183 (1983);
  • R.P. Bullen & A.K. Bullen, Three Indian Sites on St. Martin, N.W.I.G. 45, no. 2-3; 137-144 (1966);
  • idem, Inferences from cultural diffusion to Tower Hill, Jamaica, and Cupecoy Bay, St. Martin. Proc. 5th Int. Conge. Precol. Cult. L.A.: 48-60 (1974);
  • A. E. Figueredo, Saladoid Settlement Patterns in St. Eustatius, Netherlands Antilles; 1-23. typescript z.j.;
  • S.J. Gould, The Paleontology and Evolution of Cerion II; Age and Fauna of Indian Shell Middens on Curaçao and Aruba. Breviora, 372; 1-26 (1971);
  • J.B. Haviser, An Inventory of Prehistoric Resources on St. Eustatius, Neth. Antilles, 1-20. typescript Curaçao (1982);
  • L. Heidecker & M.I. Siegel, Preliminary Report on the excavation of the Henriquez I site, Tanki Flip, Aruba, Neth, Antilles;
  • Florida Anthropologist, 22 no. 1-4: 12-26, (1969);
  • B. Pickersgill & C.B. Heizer, Origens and distribution of plants domesticated in the New World Tropics. In: C.A. Reed, Origin of Agriculture: 803-855 (1977);
  • M.J. Roobol & A.L. Smith, Archaeological implications of some radiocarbon dating on Saba and St. Kitts. Proc. 8th Int. Congr. Precol. Cult. L.A.: 168-177 (1980);
  • A.C. Roosevelt, Parmana, Prehistoric Maize and Manioc Subsistence along the Amazon and Orinoco. New York (1980).
  • I. Rouse & L. Allaire, Caribbean. In: R.E. Taylor & C.W. Meighan, Chronologies in New World Archaeology: 431-481. New York (1978);
  • I. Rouse & J.M. Cruxent, Venezuelan Archaeology. New Haven (1963);
  • W. Sterks, Het archeologisch aardewerk van Aruba, Curaçao en Bonaire, met als uitgangspunt de Van Heekeren collectie, typescript (1982);
  • J. Tacoma, A prae-Columbian skeleton from Bonaire, N.W.I.G. 54: 229-258 (1980);
  • E. Wagner & A. Zucchi, Unidad y Variedad, Caracas (1978);
  • F.L. Wojciechowski, De indianen van de West-Indische eilanden in de historische periode. N.W.I.G. 54 no. 2: 108-139 (1980),
  • N.B. 1: N.W.I.G. = Nieuwe West-Indische Gids;
  • N.B. 2: Proc. Int. Congr. Precol. Cult. L.A, = Proceedings of the International Congress for the Study of the Pre-Columbian Cultures of the Lesser Antilles,

 

@: Prensa, La / @: La Prensa
zie @: Pers

 

@: President Franklin D. Roosevelt Luchthaven
Luchthaven van St. Eustatius; zie @: Luchthavens.

 

@: Prikichi
zie @: Papegaaien.

 

@: Prins Bernhard Fonds Nederlandse Antillen

Stichting geaffilieerd met het gelijknamige Fonds in Nederland; steunt culturele activiteiten en publikaties van sociaal-wetenschappelijk of cultureel belang voor de Nederlandse Antillen.

voor steun aan tuberculose-patiënten en hun familieleden in de Nederlandse Antillen, in 1956 opgericht op initiatief van de medicus L.W. Statius van Eps. De financiëring vindt plaats door een jaarlijkse collecte en door donaties.

 

@: Prinses Wilhelmina Fonds

voor de kankerbestrijding in de ruimste zin des woords, opgericht in 1949 op initiatief van S.A. Correa-Maduro. De stichting werd oorspronkelijk gefinancieërd uit gelden bijeengebracht voor het geschenk van de Nederlandse Antillen aan koningin Wilhelmina ter gelegenheid van haar 50-jarig jubileum als vorstin; de ontvangsten worden thans verkregen uit een jaarlijkse collecte, contributies en donaties.

 

@: Procesvoering
zie @: Burgerlijke rechtsvordering.

 

@: Procureur-Generaal

Ingevolge art. 112 van de Staatsregeling wordt het openbaar ministerie bij het Hof van Justitie uitgeoefend door de procureur-generaal. Hij wordt door de Koning, na overleg met de Gouverneur, benoemd en ontslagen. Zijn bezoldiging wordt door de Gouverneur vastgesteld onder goedkeuring van de Koning. Hij is hoofd van het openbaar ministerie en is belast met de zorg voor de  justitiële politie in geheel de Nederlandse Antillen. Hij is bevoegd aan de ambtenaren, die met politiële taken belast zijn, zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing en nasporing van misdrijven of overtredingen als hij in het belang ener goede justitie nodig oordeelt. Hij waakt voor de juiste uitoefening van de taak der politie en is bevoegd te dien aanzien de voorstellen te doen, die hem dienstig voorkomen. Elke politiële instantie is verplicht hem daartoe de nodige inlichtingen te verschaffen. Hij vertegenwoordigt de Nederlandse Antillen en, desgevorderd, het Koninkrijk en Nederland in rechten. (Zie ook @: Advocaten; @: Toelating en uitzetting).

bazuur

@: Promèntè

  • zie @: Aichi.
  • @: Promentòn
  • (Capsicum annuum) of paprica, bird’s pepper, plantesoort uit de familie der Solanaceae. Kruidach¬tige plant met verspreide, of 2-3 bij el¬kaar staande, elliptische tot lancetvor¬mige, asymmetrische bladeren; bloemen wit of geel-wit; vrucht verschillend van vorm, meestal rood, maar ook groen, oranje, geel of paars. Beneden- en Bo¬venwindse Eilanden gekweekt. Vrucht heeft scherpe smaak en wordt in de keu¬ken gebruikt om pikante smaak aan spijzen te geven.
  • @: Promiscuïteit
  • Letterlijk een toestand in de maatschappelijke verhoudingen, waarin mannen met vrouwen zonder een formele overeenkomst (huwelijk) of andere (familie) verband met elkaar gaan samenleven, maar in de algemene taal ook gebruikt ter aanduiding van de situatie waarbij een persoon (man of vrouw) met meerdere partners geslachtsverkeer aangaat zonder aanzien des persoons. Het mar¬kante verschil tussen promiscuïteit en concubinaat aan de ene kant en ten opzichte van *prostitutie ligt respectievelijk in het aangaan van de relatie met meerdere personen en in de onza¬kelijkheid van de verhoudingen; de geliefden betalen elkaar niet voor de sexuele dienstverlening, zoals dat wel een basisvoorwaarde is voor de relatie met de prostituee. Het is onbekend of en in hoeverre er gedurende de periode van de slaver¬nij er onder de slaven promiscue ver¬houdingen kunnen zijn voorgekomen en hoezeer promiscuïteit zich heden ten dage in de Nederlandse Antillen voordoet is niet of nauwelijks onderzocht. In het algemeen kan wel worden aangenomen, dat promiscuïteit in de zin van de eerste definitie ervan nagenoeg niet wordt aangetroffen maar dat wat het aangaan van sexuele relaties met verscheidene partners betreft, het een heel ander verhaal betreft, ondanks dat het door de gemeenschap moreel sterk wordt afgekeurd. In het algemeen kunnen de mate van instabiliteit van verhoudingen en ille¬gitimiteit van geboorte niet als ‘bewijzen’ van een promiscue staat worden aangenomen, omdat deze niet in directe verhoudingen staan met het fenomeen. Maar, waar in het alge¬meen de monogamie en de vaderschap als instituten worden gewenst en erkend, kan promiscuïteit niet als cultuurelement bestaan.
  • @: Pro-paupere-(P.P.)-kaarten
  • zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Prostitutie

is het zich beschikbaar stellen voor geslachtsverkeer met elke willekeurige partner tegen geldelijke vergoeding. Als zodanig moet zij niet verward worden met promiscuïteit, waar de sexuele relatie op basis van onzakelijkheid een normale vereiste is. De modernisering van Aruba en Curaçao sedert het begin van de 20ste eeuw heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de ontwikkeling van de stedelijke prostitutie. Deze nam een zeer grote omvang aan, hetgeen onder meer is toe te schrijven aan het feit dat jaarlijks enige honderdduizenden zeelieden Curaçao en Aruba aandoen. Nadat in 1944, mede ter bestrijding van geslachtsziekten, de prostitutie op Curaçao gereglementeerd was, werden in 1949, ter opheffing van de ongeregelde straatprostitutie, de buitenlandse prostituees op een afgelegen plaats in Campo Alegre gekazerneerd waarmee het beoogde doel in belangrijke mate werd bereikt. Bovendien is hierdoor de medische profylaxe zeer effectief. Plannen tot kazernering op Aruba mislukten; de prostitutie van met name buitenlandse vrouwen concentreerde zich in hoofdzaak in de stedelijke omgeving van San Nicolas. De bloei van het toerisme veroorzaakte in de 1980er jaren op de eilanden, inclusief Bonaire en de Bovenwinden, een toename van de prostitutie in die jaren vooral van vrouwen afkomstig uit de Dominicaanse Republiek maar tegen het einde van de eeuw met een steeds groter aandeel van Colombiaanse prostituees.

De Papiamentse aanduiding van prostituee is in het algemeen puta. Met de aanduiding prostituta, drukt men zich iets netter uit. Bij de autochtone prostitutie, die ondanks het prostitutieverbod nooit is verdwenen, wordt onderscheid gemaakt tussen puta, muhé di kaya en muhé di bida.

De muhé di kaya (vrouw van de straat) is een synoniem van puta, al klinkt de omschrijving minder cru. De muhé di bida (vrouw van het leven) is een term, die gebruikt wordt voor een vrouw die seksuele omgang heeft met verschillende partners, promiscue dus ware het niet voor het feit van de geldelijke vergoeding, die haar formeel van deze definitie ontrekt. Maar zij is geen tippelaarster; zij gaat ook selectiever te werk waardoor zij in de samenleving hoger gewaardeerd wordt dan de muhé di kaya. Terwijl de puta haar beroep in het algemeen in de bebouwde kom uitoefent zonder aanziens des persoons, kan de muhé di bida eerder in aanmerking komen om door haar cliënt meegenomen te worden naar een kuí (spreek uit: koei), een privé rendez-vous huisje, meestal buiten de stad gelegen, gebruikt voor amoureuze ontmoetingen (kuí of trampa wordt ook gebruikt voor een val, door jongens opgezet, om vogeltjes te vangen).

Voor homoseksuele prostituees bestaan geen wettelijke bepalingen, die reglementering mogelijk maken. In landen met een sterk manbaarheidscomplex ligt het voor de hand, dat de mannelijke homoseksueel - mariku - in bijzonder laag aanzien staat. De lesbiënne - kambrada of kachapera - wordt daarentegen meewarig door de samenleving geaccepteerd. De term kambrada wordt overigens ook vriendelijk gebruikt in de zin van vrouwelijke kameraad. (Zie ook @: Geneeskunde: ziekten.)

  • Lit.: E. van der Kuyp, Veneral deseases in the Netherlands Antilles, Documenta de Medicina, jrg. 4 nr. 3, blz. 286-287 (1952)

bazuur

@: Protestantisme

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Curaçao
  • Paragraaf 1: De ‘gereformeerde’ religie vóór 1900
  • Paragraaf 2: De vestiging van de olieraffinaderij: Protestantisme 20ste eeuw
  • Sectie 2: Aruba
  • Sectie 3: Bonaire
  • Sectie 4: Bovenwindse Eilanden
  • Sectie 5: Huidige situatie

Hoofdstuk 2: Protestantse gemeenten

 

Nu volgt de behanmdeling van het onderwerp:

Hoofdstuk 1: Geschiedenis

  • Sectie 1: Curaçao
  • Paragraaf 1: De ‘gereformeerde’ religie vóór 1900

In 1634 brachten Nederlandse kolonisten de ‘gereformeerde’ religie mee naar Curaçao. Predikanten (eerste voorganger: F. Vitteüs, 1635) stonden in dienst van de West-Indische Com¬pagnie (W.I.C.). Dat velen van hen tijdens het koloniale tijdperk in botsing kwamen met de diverse directeuren (gouverneurs), valt te herleiden tot de sterke band, die er tussen de kerken en de W.I.C. bestond. De laatste echter was geen zendingsgenootschap en de zorg voor het behoud van de godsdienst overzee kwam voor haar op het tweede plan.


Hoewel een bestuursinstructie aan predikanten in 1636 voorschreef om Portugezen, Spanjaarden, Indianen en ‘zwarten’ tot de christelijke religie te bekeren, kwam hiervan weinig terecht. Portugezen en Spanjaarden waren reeds te diep van het rooms-katholieke geloof doordrongen om nog beïnvloed te kunnen worden door het protestantisme; om het godsdienstig leven van de Indianen en de geïmporteerde Afrikaanse slaven heeft de W.I.C. zich in feite weinig bekommerd. Nog vele jaren na de afschaffing van de slavernij is op Curaçao de klassegrens met de kerkgrens samengevallen.

Door het toenemend aantal vestigingen van Duitse en Scandinavische kooplieden ontstond in 1755 een Lutherse Gemeente, waarvan J.G. Muller de eerste predikant was. De politieke gebeurtenissen tussen 1797 en 1804 (waarbij de Lutherse kerk in vlammen opging) waren oorzaak van een teruglopend ledental bij zowel de Lutherse als de Hervormde Gemeente, evenals een vermindering van de activiteit der leden. Bij gebrek aan een hervormd predikant en een Lutherse kerk, werd het kerkgebouw in het Fort voor gecombineerde diensten gebruikt, waarin de Lutherse dominee voorging. In navolging der gebeurtenissen in Duitsland (waar in 1817 de Hervormde en Lutherse Kerk tot een Evangelische Kerk werden verenigd) besloot koning Willem I om Europees-politieke redenen de Hervormde en Lutherse Kerk in 1825 samen te smelten tot de Verenigde Protestantse Gemeente. De verschillen tussen beide geloofsrichtingen vervaagden in de loop der jaren om ten slotte geheel te verdwijnen. Momenteel is in de Verenigde Protestantse Gemeente ook plaats voor aanhangers van andere gezindten.

  • Paragraaf 2: De vestiging van de olieraffinaderij: Protestantisme 20ste eeuw

Het protestantisme ging een geheel nieuwe periode tegemoet bij de vestiging van de olieraffinaderij in 1915. Het aantal Europese Nederlanders, onder wie vele hervormden en gereformeerden, nam aanzienlijk toe. Vanuit Suriname kwamen in groten getale Hernhutters en Lutheranen. In 1930 ontstond vanuit de Verenigde Protestantse Gemeente de Protestantse Gemeente Emmastad met een eigen predikant; deze gemeente smolt echter in 1959 samen met de Verenigde Protestantse Gemeente onder de oude naam: Verenigde Protestantse Gemeente (zie ook @: Unie van Protestantse Kerken).

  • De gereformeerden kregen in 1934 en de Evangelische Broedergemeente in 1944 een eigen predikant. In 1937 werd de Ebenezerchurch - een protestantse kerk voor Engelssprekenden en ont¬staan in 1929 - bij de Verenigde Pro¬testantse Gemeente getrokken. Van de Brits-West-Indische eilanden kwamen methodisten en anglicanen, die momen¬teel eigen kerken en voorgangers heb¬ben.

 

  • Sectie 2: Aruba

Immigratie vanuit Curaçao bracht omstreeks 1780 het protestantisme naar Aruba. In 1816 bedroeg het aantal Hervormden en Luthersen (die zich in 1825 verenigden) 290. Tot aan de komst van de eerste godsdienstleraar (Klaas van Eekhout 1821-1831) hadden deze protestanten geen geestelijke verzorging. Naast de opeenvolgende godsdienstleraren, bezochten predikanten van Curaçao (in 1823 voor het eerst G.B. Bosch) vrij regelmatig het eiland. In 1858 kreeg Aruba zijn eerste eigen predikant (N.A. Kuiperi) en in 1860 een eigen kerkgebouw. De vestiging van de Lago Oil and Transport Company Ltd. bracht een groot aantal immigranten uit Engeland, Canada, de Verenigde Staten en de Brits West-Indische eilanden op Aruba. Hierdoor worden naast de hervormden (bij wie in 1958 de gereformeerden werden opgenomen) ook Methodisten, Anglicanen, Adventisten en Hernhutters aangetroffen.

  • Sectie 3: Bonaire

Over het protestantse kerkelijke leven uit de 17de eeuw is niets bekend, behalve dat er een ‘ziekentrooster’ gevestigd was in 1638, die het garnizoen (10 man) verzorgde. De kleine groep protestanten, voornamelijk ambtenaren, die twee eeuwen later wordt aangetroffen, werd tweemaal per jaar bezocht door A.I.K. Meyer van Curaçao; op diens instigatie werd te Kralendijk een kerk gebouwd, die in 1847 in gebruik werd genomen. Tot aan de komst van een eigen predikant (W.F.H. Laret) in 1861, werd het werk gedurende bepaalde perioden verzorgd door de onderwijzers W.F. Meinhardt (1849-1860) en M.L. Statius van Eps (1878-1882).

Na 1920 vestigden zich ook andere groeperingen. Sedert 1925 hebben de zevendedags adventisten vaste voorgangers en een eigen kerk; de Jehova’s getuigen zijn sinds 1952 werkzaam, evenals de Evangelical Alliance Mission. 

  • Sectie 4: Bovenwindse Eilanden

De komst van de eerste kolonisten bracht de Gereformeerde Staatskerk (in 1820 omgedoopt in Hervormde Kerk) naar de Bovenwinden. Duitse en Noorse kooplieden stichtten op St. Eustatius een Lutherse Kerk in 1771, welke echter weer in 1783 werd opgeheven. Omstreeks het midden van de 18de eeuw werden onder Engelse invloed de Presbyteriaanse en de Anglicaanse kerkgenootschappen gesticht. Geen der hiervoor genoemde kerken bedreef echter zending onder de slaven of vrije kleurlingen, reden waarom (vanaf 1784) het Methodisme uitstekend wortel kon schieten op de Bovenwindse Eilanden. De voortdurende controversen tussen predikanten en commandeurs en de bloei van het Methodisme zijn oorzaak geweest, dat de belangstelling voor de andere kerken geleidelijk terugliep. De Presbyteriaanse Kerk verdween en na 1923 was van enige activiteit der Hervormde Kerk ook niets meer merkbaar. De Anglicaanse Kerk heeft nog leden, voornamelijk op Saba. De Methodisten zijn op St. Maarten en St. Eustatius nog actief. Daarnaast komen en gaan kleine sekten regelmatig op de Bovenwinden.

  • Sectie 5: Huidige situatie

Het grote aantal door immigratie en evangelisatie ontstane kleinere kerken en geestelijke groepen maakt het niet mogelijk een volledig overzicht te geven. Volstaan wordt met een verwijzing naar hetgeen hieronder is vermeld over Protestantse Gemeenten (zie ook Anglicaanse Kerk, Church of God, Ebenezerchurch, Evangelical Alliance Mission, Evangelische Broeder Gemeente, Gereformeerde Kerk, God is liefde, Iglesia Biblica, Jehova’s Getuigen, Leger des Heils, Methodist Church, Noorse Zeemanskerk, Pilgrim’s Holiness Church, Stromen van kracht, Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao, Zevendedagse Adventisten).

Hoewel het protestantisme thans onder alle lagen der bevolking van de Nederlandse Antillen aanhangers vindt, blijft het op de Benedenwindse Eilanden een kleine minderheid. In 1948 werd bepaald dat door de regering, op voordracht van een kerkgenootschap en op grond van verkregen (meestal historische) rechten, geestelijken kunnen worden aangesteld en gesalarieërd (zie ook @: Bisdom Willemstad). Voor de numerieke aanhang der kerkelijke gezindten zie Nederlandse Antillen.

 

Hoofdstuk 2: Protestantse gemeenten

Aruba

De Protestantse Gemeente van Aruba, opgericht in 1822, is onderverdeeld in 3 wijkgemeenten (Oranjestad, Piëdra Plat en San Nicolas), elk met een kerkgebouw. Oranjestad heeft een eigen predikant, de beide andere wijkgemeenten samen één. Het aantal zielen bedroeg in 1982 ongeveer 2.400, verdeeld over Arubanen, Surinamers en Europese Nederlanders. In Oranjestad en San Nicolas wordt uitsluitend in het Nederlands gepreekt. In Piëdra Plat in het Papiamentu. Hier bevindt zich ook een jeugdcentrum.

Bonaire

De Protestantse Gemeente Bonaire werd gevormd op 2 juli 1843, toen ds. A.I.K. Meyer uit Curaçao daar in de woning van mevr. de wed. J.J. Debrot een dienst leidde. De ca. 240 zielen tellende gemeente (1982) heeft een kerkje in Kralendijk en in Rincon en bestaat uit Bonairianen, enkele Surinamers en Europese Nederlanders. De kerkdiensten worden meestal in het Papiamentu gehouden, soms in het Nederlands of Engels (speciaal voor toeristen).

Curaçao

De Protestantse Gemeente Emmastad werd in 1930 vanuit de Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao als zelfstandige gemeente gesticht. Het initiatief was uitgegaan van het groeiende aantal Europese Nederlanders, die bij de Shell werkzaam waren. Zij kreeg een eigen predikant. In 1959 kwam de samenvloeiing tot stand met de Verenigde Protestantse Gemeente (zie Verenigde Protestantse Gemeente van Curaçao).

 

@: Protestantse Vereniging voor Liefdadigheid en Maatschappelijk Werk

Opgericht in 1935, begon de vereniging in het oude landhuis Zeelandia het Koningin Wilhelmina tehuis voor ouden van dagen. De vereniging werd in 1973 opgeheven en het bejaardenwerk werd voortgezet door de Stichting Zeelandia. Momenteel (1983) worden nog maar 5 bejaarden verzorgd in het tehuis en overweegt de stichting de bouw van een bejaardenverzorgingscentrum ten behoeve van op het landgoed te bouwen woningen voor zelfstandige, fysiek nog actieve bejaarden die tot nog toe weinig plaatsingsmogelijkheden kennen.

 

@: Prijsbeheersing
zie @: Economie Nederlandse Antillen: economische politiek.

 

@: Publicatieblad

is de naam van het officiële orgaan van de Nederlandse Antillen, waarin sinds 1846 de afkondiging plaatsheeft van de door het Land vastgestelde wettelijke regelen, zoals de landsverordeningen (art. 22 Staatsregeling) en de landsbesluiten, houdende algemene maatregelen (art. 25 Staatsregeling) en andere belangrijke officiële stukken, waaraan algemene bekendheid gegeven moet worden bijvoorbeeld het reglement van orde voor de Raad van Advies (art. 31) en natuurlijk ook de wettelijke regelingen op koninkrijksniveau, die in de Nederlandse Antillen geldig zijn: het Statuut, internationale overeenkomsten, rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur (reglement voor de gouverneur artt,. 19 en 21) zomede koninklijke besluiten (reglement van de gouverneur artt. 24 en 25). Het verschijnt niet op vaste tijden, maar steeds als een afkondiging moet plaatshebben.

  • Lit.: P.V. Sjiem Fat, Het ontstaan van het Publicatieblad, Justicia, eerste kwartaal 1982.

 

@: Puimsteen

komt over het gehele eiland St. Eustatius voor, maar vooral in de tuffen van de Quill-vulkaan. Een Amerikaanse maatschappij voerde in 1934-1935 puimsteen van de White Wall (Sugar Loaf) uit. De kwaliteit werd onvoldoende bevonden en de opzet was slecht georganiseerd. In 1966 verkreeg de White Cliff N.V., te Willemstad een exploitatievergunning voor puimsteen.

 

@: Pumpkin
zie @: Pampuna.

 

 

@: Punda

heet de tot 1861 - behalve de vroegere Waterkant, thans Handelskade, langs de haven - ommuurde stadskern van Willemstad. Het woord is een verbastering van de oorspronkelijke benaming De Punt, die door de allereerste bewoners aan de plaats werden gegeven. Ze ontstond in de tweede helft van de 17de eeuw onder bescherming van het Fort Amsterdam op de landtong nabij de St. Annabaai genaamde haventoegang. Uit die periode zijn nog verschillende (soms geheel bakstenen) huizen of gedeelten daarvan aanwezig, die minder de aandacht trekken dan een aantal spectaculaire constructies uit de 18de eeuw. Bij de beperktheid van het beschikbare bouwterrein kent de historische bebouwing overwegend in de diepte gelegde, door smalle stegen gescheiden smalle panden, hoewel op straathoeken en andere geschikte punten ook huizen met evenwijdig aan de straat lopende hoofdas en noklijn voorkomen. Deze perceelsgrenzen werkten uiteraard ook sterk na in de latere bebouwing.

 

De oorspronkelijk ingesloten huizen met tenminste één verdieping werden geleidelijk aan meestal voorzien van op de openbare weg. uitgebouwde stenen (of houten) galerijen, die in de loop der 18de eeuw in de hoofdstraten architectonisch steeds meer met het achtergelegen huis verbonden en vaak met sierlijke topgevels voor grote dakkapellen bekroond werden. Het benedengedeelte van de huizen diende in het algemeen voor magazijn en/of winkel, het bovengedeelte voor bewoning. Bij het kapitale pand Heerenstraat-hoek Breedestraat en Handelskade valt het proces van geleidelijke groei der galerijen in de loop der 18de eeuw gedocumenteerd te volgen. De oudst gedateerde toppen zijn die van Heerenstraat 29-31 uit 1706. In de latere 18de en nog een groot deel der 19de eeuw moeten de eenvoudige galerijen beneden aan de straat en de rijker uitgevoerde van het woongedeelte geopend zijn geweest en met name aan de Waterkant en de Breedestraat een zeer karakteristiek aanzien verleend hebben. Thans zijn van deze merkwaardige huizen nog slechts weinige voorbeelden min of meer intact over: Breedestraat 3-7, 14-16a (zorgvuldig herbouwd 1953), 15-17, 20-22; Handelskade 12; het ook door zijn ligging opvallende, ca. 1708 gestichte maar eerst later in zijn definitieve vorm gebrachte en in de 19de eeuw opgesierde Heerenstraat 1.

In de tweede helft van de 19de eeuw kwam de neiging op buiten de oude kern te gaan wonen, waardoor, na een periode van verpaupering, aldaar een cityvorming inzette, die de schaal ernstig dreigt aan te tasten. In 1969, tijdens de onlusten van 30 mei, is een deel afgebrand. (Zie Architectuur; Willemstad.)

  • Lit.: M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959).
  • einde van deze lettergroep! 

 

 

Het volgende artikel is in Papiamentu; de vertaling in het Nederlands komt spoedig:

 

 @: Maal Liane


- Dutch -