English -Dutch -   home   contact
Letter A t/m D

Kunst in het Nederlands-sprekend Caribisch Gebied: Aruba

Illustratie: Schilderij "Art of Kunst" van Elvis Harold Tromp (biografie bij @: Tromp Elvis Harold)

Korte handleiding: Alle letters beginnen met het opschrift "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter en een korte beschrijving van de ontwikkeling ervan. Navigeer er snel heen, door in de zoekmachine (ctrl f) het woord "de letter" gevolgd door de desbetreffende letter, in te tikken. Navigeer ook het beste naar het onderwerp van keuze door allereerst de zoekmachine (ctrl f) te activeren en in de blanco spatie het onderwerp in te tikken voorafgegaan door het opschrift @:

De letter A


Inleidend:
1. Zie ook alphabet Papiamentu
2. De Semieten: In dit gedeelte, waar enige eigenaardigheden
van elke letter van het Nederlandse alphabet worden besproken, zullen wij het regelmatig hebben over de Semieten. Dit is het zelfstandige naamwoord van het woord Semitisch, die normaliter in de taalwetenschap en de volkenkunde wordt gebruikt ter aanduiding van een talenfamilie van voornamelijk Midden-Oosterse afkomst, tegenwoordig in het algemeen aangeduid als de Semitische talen, waaronder worden inbegrepen de oude (soms uitgestorven) en moderne incarnaties van onder andere het Amharisch, Arabisch, Aramees, Akkadees, Geëees, Hebreeuws, Foenesisch, Maltees en Tigrisch, namen van volkeren, die in het verre verleden in het Midden-Oosten gebied hebben gewoond en in veel gevallen in het heden nog in dat gebied hun afstammelingen hebben. Het woord is afkomstig van de Bijbelse naam Shem (althans de Griekse vertaling daarvan: Sem), één van de drie zonen van Noach en refereert naar onder andere de talen van de groep volkeren, die van hem afstammen, met name de Hebreeën (Joden) en de direct aan hen gerelateerde volksgroepen. Het is op grond van deze naam en hun directe relatie ermee, dat ook het woord anti-Semitisme ter aanduiding van anti-Joodse gevoelens die met name in de 19de eeuw opkwamen (en in de 20ste eeuw heftig uitbarstten), gebruikt wordt. De Joden (c.q. Hebreeën, c.q. Israëlieten) zijn directe afstammelingen van Sem. Het zijn deze verschillende Semitische volkeren, ook alweer met name en om te beginnen de Hebreeuwen, die gedurende honderden jaren in dat land hebben gewoond, die de eerste Egyptische taalkundige constructies (hieroglyfen) verder hebben ontwikkeld, aanvankelijk in Egypte zelf en daarna in het gebied waar zij naar toe vertrokken na hun exodus uit het land van de Farao’s. Langs deze ontwikkeling, verplaatsing en overbrenging aan andere volkeren van het nieuwe gebied (Kanaän) komt de ontwikkeling van de taal uiteindelijk terecht bij de Grieken en van daaruit bij de Romeinen, die de taal niet alleen met hun eigen inzichten zouden bestempelen, maar deze ook verder over het Europese vasteland zouden verspreidden naarmate zij hun wereldrijk uitbreidden. De beïnvloeding van de taal door de verschillende volkeren in het Midden-Oosten gebied, wordt dus in dit werk aangeduid met hetzij het zelfstandig naamwoord Semieten of de bijvoeglijke vervoeging Semitisch.

 

a is de eerste letter van het Nederlandse alphabet en waarschijnlijk ook de eerste letter van het Semitische alphabet die de grondslag ervan vormt. Haar naam dateert terug tot de eerste klinker van een Semitisch woord dat ‘os’ (soort koe) betekent. Het teken die de allereerste Semitische (Proto-Semitisch) uitdrukking aan deze benaming schonk is een doorontwikkeling van de desbetreffende Egyptische hieroglyfe: Een ossehoofd, die vervolgens door de Foeniciërs in hun alphabet als een op zijn kop staande danwel als een op zijn zijde liggende A (de interpretaties verschillen) werd geconstrueerd. Het was oorspronkelijk een tekening of hoorde als zodanig te worden opgevat, zijnde een wel erg vrije interpretatie van de ossekop, maar kreeg wel een benaming mee: aleph, overigens oorspronkelijk een Hebreeuwse betiteling. Van hieruit ontwikkelden de Grieken hun eerste letter a met de naam alpha en samen met de tweede Griekse letter beta, vormt zij de basis van de naam die wij heden ten dage geven aan de collectie van letters die wij voor het schrijven van woorden hanteren: Het alphabet (Grieks alphabetos). Via de Etrusken, een civilisatie in oud noord- en midden Italië, die vanaf ongeveer 800 vóór Christus tot en met haar opname in het Romeinse rijk (ongeveer 100 vóór Christus) heeft bestaan en in regelmatige contact stond met de Griekse civilisatie door middle van Griekse zeevarende handelaren en bewoners in Griekse vestigingen in het zuiden van oud Italië, is de Griekse alpha het Romeinse Latijn binnengedrongen.
A is door haar ontwikkeling heen, steeds een klinker geweest maar de uitspraak varieert per taal of zelfs in één en dezelfde taal. Het Engels is hierbij een heel goed voorbeeld, waar de a, reeds als enkelvoudige letter met een andere klank wordt uitgesproken, namelijk als de Nederlandse ee. Ook als de Nederlandse è (als in weg, pech, zeg) in Engelse woorden als hat, bragging, rather, bijna als de Nederlandse u (als in vlug, lucht) in Engelse woorden als again (eerste a), incarnation en bijna als de Nederlandse ò (als in lol, vol) in Engelse woorden als ball, tall, overall. In vele Engelse woorden hoor je de a-klank, maar is de letter echter in geen wegen of velden te bekennen, bijvoorbeeld in wise (de i wordt uitgesproken als ai) maar gelukkig kent het Engels ook vele a-woorden, die ook met de normale a-klank worden uitgesproken (articulate, bar), ook al spant de geroutineerde Engelse spreker zich behoorlijk in om ook hier de a-klank zoveel als mogelijk te vervormen. In het Nederlands en het Papiamentu is de uitspraak van de a in het algemeen homogeen; in het Nederlands is de variatie in uitspraak merendeels gebaseerd op de korte (één a: tak; bal; avontuur) of lange (dubbele a: daar; aanzeggen; allemaal) klank. Voorzover het Papiamentu deze variatie kent of  erkent, betreffen het meestentijds woorden die uit het Nederlands zijn geïncorporeerd (zwaai).
De A is een veel gebruikte letter, ook in deze encyclopedie. De naam van één van onze Benedenwindse zustereilanden begint met deze letter: Aruba. Maar ook de naam van het werelddeel waar het grootste gedeelte van de bevolking van Curaçao nog vanaf stamt: Afrika en natuurlijk de naam van het continent waar wij heden ten dage een onderdeel van vormen: Amerika. Andere continenten met de letter A zijn Antarctica, Australië en Azië en met het feit, dat van de zes werelddelen (zeven als Noord- en Zuid-Amerika apart worden opgeteld) vijf (of zes) een naam hebben, die met a begint, bewijst deze letter zeer zeker haar belang. Met een a begint tenslotte de naam Andrew. Andrew? Hoezo Andrew? Andrew Jones natuurlijk!


 

 

@: Aalscholver,
Bigua (Phalacrocorax olivaceus)of dékla, bubi balau of cormorant zou  op het eerste gezicht voor een donkerkleurige eend aangezien kunnen worden. Daarvan verschilt hij door de lange dunne snavel met haakvormige punt, terwijl ook de staart veel langer is. Bij het duiken en onder water vissen wordt de vogel tot op de huid nat en na het zwemmen zit hij vaak met wapperende vleugels zijn veren te drogen. De soort is op alle Benedenwindse Eilanden tussen december en juli waargenomen, maar niet op de Bovenwinden (afgezien van één aalscholver op Ilêt Pinel, St. Maarten). Het zijn meestal jonge exemplaren; broedgevallen zijn niet bekend. Ze bezoeken zoute binnenbaaien, havens en zoetwaterplassen met voldoende vis.

 

@: Aanbesteding, Openbare / @: Openbare Aanbesteding
Is voorgeschreven voor uit te voeren werken en het doen van leveringen of dienstverrichtingen ten behoeve van het Land en de Eilandgebieden. Voor wat het Land betreft kan de minister van Financien van deze regel afwijken, indien hij zulks in het belang van het Land acht.
Met betrekking tot kleinere aanschaffingen en werkzaamheden van geringe omvang tot een bepaald maximumbedrag wordt om doelmatigheidsredenen van de regel van openbare aanbesteding afgeweken. Zolang geen landsverordening tot stand is gekomen houdende voorschriften inzake de uitvoering en het onderhoud van werken, alsmede regelen betreffende te houden openbare aanbestedingen van werken en leveringen, worden mutatis mutandis ter zake van toepassingverklaard de “Algemene voorschriften voor de uitvoering en het onderhoud van werken onder beheer van het departement van Waterstaat” (vastgesteld bij beschikking van 25 maart 1938) en het “Reglement openbare aanbestedingen” (vastgesteld bij K.B. van 30 augustus 1932). Deze regelen worden, ingevolge financieringsovereenkomsten gesloten met de *Europese Economische Gemeenschap te Brussel, eveneens van toepassing verklaard op de door het *Ontwikkelingsfonds ten behoeve van de Nederlandse Antillen gefinancierde werken. Werken, leveringen en diensten van derden ten behoeve van een Eilandgebied, waarvan de waarde een door de Eilandsraad te bepalen bedrag te boven gaat, worden in het openbaar aanbesteed, tenzij het belang van het Eilandgebied of de aard der werken, levering en of dienstverrichtingen zich daartegen verzet. De Beheers- en Bestuursregelen *Meerjarenplan Nederlandse Antillen vastgesteld bij Landsbesluit van 29 december 1965 bepalen dat de uitvoering van, c.q. de levering ten behoeve van de projecten openbaar dient te worden aanbesteed en dat hiervan slechts zal mogen worden afgeweken met voorafgaande schriftelijke toestemming van de regering. Voorts dat bij openbare aanbesteding alleen na verkregen schriftelijke machtiging van de regering de gunning aan de laagste inschrijver kan worden onthouden. 

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu!

@: Aanholt van Fortunato (Fertiko) Hipolito / @: Fortunato van Aanholt / @: Fertiko van Aanholt 

Fortunato a nase dia 30 di yanüari 1927 na Kòrsou. E ta un di nos gran trompetistanan. E trompetista veterano aki ta mucha di Skèrpène ku ta bon riba su tereno i ela komprobá esaki durante su karera largu. For di edad hóben Fortiko a kuminsá supla trompèt den Conhunto Cristal huntu ku grándinan manera defuntu Koster, Chal Atalita i Kai St. Jago. Ela toka ku diferente banda mas i den prinsipio di dekada 1960 ela militá bastante tempu den e gran Conhunto Universal, den kua e tabata fungí komo direktor huntu ku un otro bon trompetista Claudio Aurelio. Fortunato ta un di nos mihó músikonan lokal, ku espesialmente ta konosí komo un bon areglista. Te ahinda e tin masha hopi trabou durante temporada di karnaval, trahando areglo pa hopi banda lokal. E tabata dirigente di Politie Harmonie pa hopi tempu i tambe dirigente di Harmonie Santa Cicilia. Ultimo áñanan e ta un di e fórsanan grandi tras di e konosido Boerenblaaskapel di Limburgse Kabrieten. Banda di esei ela militá den varios grupo di mariachi entre otro den Mariachi Durcal di Claudio.

 

@: Aanvullende werkvoorziening (A.W.V.)
wordt bij de Dienst Arbeidszorg in de vorm van projecten georganiseerd om over een noodzakelijke aanvulling te beschikken op het grote tekort aan arbeidsplaatsen bij het bedrijfsleven. De A.W.V. dient als overgangsinstituut dat de meestal ongeschoolde werklozen voorlopig opvangt en na bemiddeling, om-, her- en bijscholing geschikt maakt om teruggeplaatst te worden bij het bedrijfsleven. De A.W.V.-projecten worden naar aard van de werkzaamheden ingedeeld in:

  1. Saneringsprojecten: Schoonmaken van riolen en bermen;
  2. Agrarische projecten: Ten behoeve van grondverbetering, waterconservering, aanplant van bomen merendeels in samenwerking met de Dienst Landbouw Veeteelt en Visserij;
  3. Toeristische projecten: het aanbrengen van voorzieningen aan gebouwen, terreinen, parken en baaien teneinde de aantrekkelijkheid van het eiland te verhogen;
  4. Maatschappelijke hulpprojecten: Het aanbrengen van voorzieningen aan huis en erf c.q. het bouwen van woningen voor on- en minvermogenden, evenzo aan erven en behuizingen van op grond van maatschappelijke zorg gesubsidieerde instellingen.

 

In 1981 waren ruim 850 personen tewerkgesteld op A.W.V.-projecten op Curaçao. Op Aruba waren in datzelfde jaar ruim 1000 personen tewerkgesteld bij de Tijdelijke Arbeidsvoorziening.

 

@: Aardolie
zie @: Petroleumindustrie.

 

@: Aas
is een gezichts- en/of reukzin prikkelend lokmiddel in de vorm van een prooi, dat bij een aantal visserijmethoden wordt toegepast. Bij het vissen op kleine vis wordt piskechi gebruikt. Bij het vissen met handlijnen worden kleinere vissoorten (masbangu, saldinchi), of gesneden stukjes van een grotere vis, mollusken (inktvis, kiwa, karko) of heremietkreeften (soldachi) als aas aan de haak bevestigd. De Japanse longlinevissers die op de Bovenwindse Eilanden werkten, gebruikten meestal uit Japan aangevoerde diepgevroren aasvis (sauries, fam. Sauridae). Bij het vissen met de sleeplijn wordt getracht aan het sleepaas een vorm en beweging te geven die het patroon van natuurlijk voedingsgedrag van de grotere pelagische roofvissen geen geweld aandoet. Daartoe bevestigt men kleine vissoorten (flerchi, bulado, moulo, masbangu) of repen huid en vlees van grotere vissen (buni) stevig aan de haak. Toepassing van kunstaas in allerlei vormen is speciaal bij sportvissers in zwang. Voorbeelden hiervan zijn haken verborgen tussen bosjes kleurige veren (= pluma in Papiamentu) of in een plastic pijlinktvisje, “lepels” van verchroomd metaal en imitatievisjes van been. Canasters hebben aan de bovenzijde een kokertje van gaas, waarin men het aas stopt, o.m. geroosterde muraene (kolebra), afvalvis, fijngestampte zeeëgels en oude funchi, een uit malsmeel bereide brij.

 

@: Abbring, Hermanns Johannes
(Groningen 28 december 1787 - Amsterdam 14 april 1874)
Nederlandse schrijver, bracht na een militaire loopbaan, onder meer als genie-officier in de Napoleontische legers, de jaren van 1816 tot 1825 op Curaçao door, eerst als kapitein-ingenieur en vervolgens als inspecteur der publieke wegen. Na zijn terugkeer in Nederland heeft hij zijn ervaringen op Curaçao te boek gesteld onder de titel
Weemoedstoonen uit de geschiedenis van mijn leven of mijne reis naar Curaçao (1834), vooral van belang om de milieuschildering. (Zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

 

@: Abraham, Julio Antonio
(Curaçao 10 augustus 1909 - 30 december 1960). Antilliaans politicus, was voorzitter van de Democratische Partij Bonaire. Hij was gedurende de periode 13 augustus 1952 - 30 november 1954 en van 17 september 1958 tot 30 december 1960 lid van de Staten der Nederlandse Antillen. In 1954 werd hij toegevoegd aan de Nederlands-Antilliaanse delegatie naar de conferentie Nederland, Suriname, Nederlandse Antillen van 1952-1954, de
Ronde Tafel Conferentie. Gedurende enkele jaren was hij eveneens lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Bonaire en van juli 1955 tot en met september 1958 gedeputeerde van dit Eilandgebied.
In Kralendijk is een boulevard naar hem genoemd en in Rincon is een borstbeeld voor hem opgericht met als opschrift
luchador incansable pa tur Boneriano di un pueblo agradecido (onvermoeibaar strijder voor alle Bonairianen van een dankbaar volk).

 

@: Abriko
zie @: Makreelachtigen.

 

@: Abusadó
(Spaans abusar = misbruik maken van) gewoonlijk gebruikt voor iemand die gewelddadig optreedt tegen een duidelijk zwakkere. In het vlak van de seksuele contacten wordt er een aanrander, dan wel een persoon die met valse beloften de seksuele gunsten van een jong meisje wint, mee aangeduid. (Zie ook Bandidu).

 

@: Academie
zie @: Nederlands-Antilliaanse academie.

 

@: Accion Social Progresista
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Accountantsdiensten en -bureaus
te onderscheiden in de Landsaccountantsdienst, de Accountantsbureaus van de Eilandgebieden Curaçao en Aruba en de Belastingaccountantsdienst. De Belastingaccountantsdienst verzorgt op alle eilanden van de Nederlandse Antillen belastingonderzoeken ten behoeve van de Inspectie der Belastingen. De taak van de overige accountantsdiensten omvat de côntrôle op het geldelijk en materieel beheer in de ruimste zin; het inrichten van en het toezicht op de administratieve organisaties van de met het geldelijk en materieel beheer belaste diensten, bedrijven, instellingen of andere instanties; de côntrôle in opdracht van de minister van Financiën of het Bestuurscollege van het desbetreffende Eilandgebied van bedrijven, stichtingen of andere instellingen waarbij de centrale overheid of het eilandsbestuur financieel belang heeft, of aan welke steun of krediet vanwege de overheid wordt verleend, alsmede het verrichten van onderzoeken die aan dergelijke steunverlening, kredietverschaffing of financiele deelneming voorafgaan en het in opdracht van het bevoegde gezag verstrekken van adviezen. De instructie voor de Landsaccountantsdienst is vastgelegd in P.B. 1962 nr. 134 en die voor het Accountantsbureau van Curaçao in A.B. 1953 nr. 17. De côntrôletaak van deze diensten inzake de financiering van de projecten van het meerjarenplan is vastgelegd in de Beheers- en Bestuursregelen. Meerjarenplan Nederlandse Antillen (Landsbesluit d.d. 29 december 1965).

 

@: Accountantsbureaus van de eilandgebieden
Zie @: Accountantsdiensten- en bureaus

 

@: Acculturatie

is het proces waarbij als gevolg van een vrij langdurig en breed contact tussen twee of meer culturen overname plaats heeft van culturele trekken, ten gevolge waarvan deze veranderen en ingepast worden in het culturele patroon. Een dergelijk proces heeft ook in de Nederlandse Antillen plaatsgevonden, waar Europese, Indiaanse en Afrikaanse elementen zijn samengesmolten tot een specifieke cultuur. Als algemene term dekt acculturatie verschillende processen van cultuurcontact o.a. assimilatie en amalgamatie. Men spreekt van assimilatie wanneer er sprake is van de aan of inpassing van de cultuur van een minderheid aan of in die van een meerderheid. De begrippen minderheid en meerderheid verwijzen hier vooral naar verschil in bezit, kennis en macht en minder naar numerieke sterkte. Doordat in de historische Antilliaanse verhoudingen een gedeeltelijke vernietiging van het middel van overdracht van de eigen cultuur heeft plaatsgehad - de groep van Afrikaanse afkomst had door de slavernij immers geen familieband - konden de betrokken groeperingen niet gelijkelijk aan het proces van culturele versmelting bijdragen. Cultuurcontact en -versmelting tussen sociaal, economisch en politiek gelijkwaardige groepen zou men amalgamatie kunnen noemen. Waar groepen bewust streven naar handhaving of herleving van hun oorspronkelijke cultuur, spreekt men van (cultureel) *pluralisme. Behalve op Aruba heeft de oorspronkelijke Indiaanse cultuur vermoedelijk zeer weinig sporen in het geestelijke bezit nagelaten.

 

@: Accijns
is een verbruiksbelasting, eigenlijk op binnenlandse produkten; zij wordt door de landsoverheid geheven. De accijnzen in de Nederlandse Antillen zijn:

  1. Omzetbelasting op bier (P.B. 1958 nr. 54), eigenlijk accijns afhankelijk van de omzet van de brouwerij. Het thans geheven tarief is progressief-proportioneel;
  2. Bijzonder invoerrecht op benzine (P.B. 1932 nr. 107). Deze heffing op Aruba, Curaçao en Bonaire heeft bij invoer het karakter van extra invoerrecht en bij binnenlandse produktie het karakter van accijns. Tarief op Aruba en Curaçao NAf 3,- per hl, op Bonaire NAf 1,35 per hl. Dit verlaagde tarief, waarvan 0,5 cent per liter bestemd is voor de sportaccommodaties op de eilanden, werd ingevoerd op 16 juli 1974. Vroeger werd een belasting op petroleumraffinaderijen geheven, welke werd ingetrokken bij P.B. 1933 nr. 50;
  3. Op ingevoerd gedistilleerd (gedistilleerdverordening P.B. 1908 nr. 34, vele malen gewijzigd); tarief NAf 3,50 per liter ad 500/0 alcohol bij 15°C;
  4. Accijns op sigaretten (1 cent per sigaret).


(Zie Financien: financieIe verhouding).

 

@: Administrateurs
De gezaghebber van de Bovenwindse Eilanden die zijn standplaats heeft op het eiland St. Maarten oefende tot 1 April 1983 op Saba en St. Eustatius zijn taak uit door middel van administrateurs, die door de gouverneur werden benoemd, geschorst en ontslagen.
Bij Landsverordening van 11 februari 1983 (P.B. 1983, no. 20) werd met ingang van 1 april 1983 het eilandgebied de Bovenwindse Eilanden gesplitst in drie eilandgebieden, die elk hun eigen gezaghebber kregen. Hiermede is de functie van administrateur komen te vervallen. (Zie Bovenwindse Eilanden).

 

@: Adviesraad voor culturele samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk
ingesteld bij K.B. van 17 januari 1961 met als taak de regeringen van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen gezamenlijk van advies te dienen omtrent de culturele samenwerking tussen deze landen. Sedert 1976 is de taak van de Raad beperkt tot Nederland en de Nederlandse Antillen. De Raad vergadert in beginsel jaarlijks afwisselend in een der landen van het Koninkrijk. De aanbevelingen van de Raad betreffen een breed terrein en hebben vaak stimulerend gewerkt o.m. op het gebied van monumentenzorg en archeologisch onderzoek. Andere ten dele reeds gerealiseerde aanbevelingen:

  • Encyclopedie van de Nederlandse Antillen,
  • schouwburg Curaçao,
  • aanschaf rijdende bibliotheken,
  • uitbreiding Cultureel Centrum Aruba,
  • nieuwbouw diverse openbare bibliotheken en buurtcentra,
  • samenwerking op televisiegebied.


Lit.: Jaarverslagen Adviesraad 1961-1982.

 

@: Advocaten
Ingevolge de Advocatenlandsverordening 1959 (P.B. 1959 nr. 177) is bevoegd inschrijving als advocaat te verzoeken:

  1.  iedere Nederlander die een examen heeft afgelegd voor een commissie bestaande uit de procureur-generaal als voorzitter en twee door de president van het Hof van Justitie aan te wijzen leden van dat college;
  2. iedere Nederlander die hetzij de graad van doctor in de rechtswetenschappen hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten aan een Nederlandse universiteit heeft verkregen. De Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen 1979 verklaart tot die inschrijving eveneens bevoegd degenen die aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen - voordien (Rechts)Hogeschool van de Nederlandse Antillen - de meestertitel heeft verkregen.


De tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door een
Raad van Toezicht en in hoger beroep door een Raad van Appèl. Voorzitter van de Raad van Toezicht is bij voorkeur een lid van het Hof van Justitie. Als voorzitter van de Raad van Appèl treedt op de president van het Hof van Justitie. Straffen zijn waarschuwing, berisping, schorsing van ten hoogste een jaar en schrapping. Er bestaat een Vereniging van Advocaten der Nederlandse Antillen; periodiek: Antilliaans Juristenblad dat in 1974 na 24 jaargangen ophield te verschijnen. Sedert 1980 verschijnt een Tijdschrift voor Antilliaans Recht dat wordt uitgegeven door een gelijknamige Stichting. (Zie Onderwijs: hoger onderwijs; Rechtspraak; Tuchtrecht).

 

@: Aeropuerto Hato
Luchthaven van Curaçao zie @: Luchthavens.

 

@: Aeropuerto Internacional Reina Beatrix
Luchthaven van Aruba zie @: Luchthavens.

 

@: Afkondigingsblad Aruba, @: Afkondigingsblad Curaçao (@: AB / @: A.B.)
is de naam van het officiele blad waarin o.m. de Eilandsverordeningen en Eilandsbesluiten worden gepubliceerd. Art. 83 ERNA schrijft voor, dat deze materie bij Eilandsverordening wordt geregeld, krachtens overgangsbepaling 1 voor de eerste maal bij Landsbesluit houdende algemene maatregelen (P.B. 1951 nr. 116, A.B. Aruba 1952 nr. 2 en A.B. Curaçao 1952 nr. 6). Voor Bonaire en de Bovenwindse Eilanden geschiedt de publikatie door openbare kennisgeving, dat de Eilandsverordening ten kantore van de gezaghebber (sinds 1 april, 1983, na de opsplitsing van de Bovenwinden in drie separate eilandgebieden met elk hun eigen gezaghebber) ter inzage ligt.

 

@: Afrikaanse talen
en wel van West-Afrika, hebben een rol gespeeld bij de vorming van het Papiamentu (zie Creoolse talen; Papiamentu: oorsprong); in hoeverre in de structuur van het Papiamentu hiervoor aanwijzingen zijn te vinden is nog onvoldoende onderzocht, maar ten aanzien van sommige verschijnselen kunnen reeds uitspraken worden gedaan, waarvan hier enkele voorbeelden volgen.
Op fonologisch gebied kan men het voorkomen van lexicale tonen (zie Toontalen; Papiamentu: structuur) beschouwen als een verschijnsel van Afrikaanse oorsprong. Op syntactisch gebied kan in dit verband gedacht worden aan constructies met seriële werkwoorden (zie Papiamentu: structuur). In het vocabulaire vormt een beperkt aantal woorden een duidelijk Afrikaans restant; men vindt deze o.a. in de
Nanzi-verhalen en op het gebied van het volksgeloof: Nanzi (een spinsoort; hoofdfiguur uit de naar hem genoemde verhalen); zumbi (soort geest); luangu (op domme wijze belang hechten aan uiterlijkheden als opzichtige kleding en vleiend eerbetoon); djingueri (zijn vrolijke aard of bui duidelijk tonend). Sommige van deze woorden, zoals *nanzi en *zumbi, hebben een grote verbreiding in het Caribisch gebied.
Voor Afrikaanse linguïstische invloeden moet ook verwezen worden naar het
*gueni (guene).

 

@: Afrikanisme
Cultuurtrek in het huidige cultuurpatroon die verwijst naar een Afrikaanse oorsprong: De term Afrikanisme wordt ook gebruikt om er een streven naar behoud of naar herleving van de oorspronkelijke Afrikaanse cultuur mee aan te duiden. Daarbij is dan sprake van een zekere politieke geladenheid van de betrekkingen tussen de in oorsprong cultureel zeer verschillende groepen, die de samenleving vormen en deze een pluralistisch karakter willen geven (zie Pluralisme).

 

@: Afscheidingscommissie
was de Commissie ingesteld op initiatief van de Raad van Politie op Aruba dd. 13 augustus 1947. De Commissie had zich tot doel gesteld met voorstellen te komen om Aruba af te scheiden van de overige eilanden van de Nederlandse Antillen, teneinde een rechtstreekse band aan te gaan met Nederland. (Zie ook Zelfstandigheidsstreven van Aruba.)
Lit.; W.H. van Helsdingen, Aruba en de Separacion, West-Indische Gids, biz. 113-133, 233-234 (1955).

 

 

@: Agan
Een slaginstrument, ook heru genaamd, dat vroeger gebruikt werd om de * tambu en de * kachu te begeleiden tijdens de oogstfeesten. Ook werd de agan gebruikt om de maat aan te geven bij het verrichten van zware arbeid en bij het dragen van mensen naar het ziekenhuis. Gemaakt van een bijna tot een koker omgebogen afgebroken schaar van een ploeg, heeft dit instrument een lengte van ongeveer 40 cm en een doorsnede van ongeveer 10 cm.
De agan werd met de gleuf naar boven gekeerd liggend op de arm bespeeld door er met een ijzeren staafje, ongeveer 30 cm lang, manga genaamd, op te slaan. Om de huid van de arm van de bespeler te beschermen en tevens om de speelmogelijkheden te vergroten, werd een ijzeren band - barbá - om de pols gedaan bij de hand waarmee de agan werd vastgehouden.
De agan, ook bekend in West-Afrika, Nigeria en Benin, wordt daar bespeeld tijdens rituelen ter ere van “Ogun”, de God van het ijzer. (Vgl. Haïti: “hogan”, Cuba: “ogan”).

 

 

@: Agave

  1. Plantengeslacht uit de familie der Agavaceae. Grote, opvallende planten met dikvlezige, smalle bladeren, in een rozet of op korte stam gerangsehikt; blad eindigt in een stekel, rand bezet met omgebogen stekels; bloeiwijze op een tot meer dan 10 meter hoge steel; bloemen geel; na bloei ontstaan broedknoppen in de oksel van bloemsteeltjes. Door de dikke waslaag op de bladeren zijn de agaves goed aan de droogte aangepast. Pita (di tranké) (Agave karatto) of carato, gebruikt als afrastering. Kuk'i indjan (Agave vivipara), bladsteel wordt in plakken gesneden, geroosterd en gegeten. Sisal (Agave sisalana) levert vezels voor touwfabricage; vroeger hiervoor aangeplant. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.
  2. Stichting in 1983 opgericht met als doel het bevorderen van een beter begrip voor de cultuur van de Nederlandse Antillen in Nederland en in andere landen.

 

@: Agrarische politiek
zie @: Grondbezit.

 

@: Aguinaldo
(Spaans: kerstlied of kerstgeschenk). Gedurende de Kerstdagen worden op Aruba en Curaçao door aguinaldo-groepen  kerstliederen voor het publiek ten gehore gebracht. Met de introductie - in de jaren 1970’s - van deze Venezolaanse gewoonte verschenen ook muziekinstrumenten uit Venezuela zoals de
furruco (een soort Keulse rommelpot) en de harp (kleiner en eenvoudiger van bouw dan de concertharp) in de Antillen, waar inmiddels door lokale componisten Papiamentse aguinaldos worden gecomponeerd.

 

@: Aíchi
(Capsicum frutescens)
Promènté of pepper, is een heesterachtige Spaanse peper met kleine langgesteelde rode, oranje of gele vruchten met een scherpe smaak en een hoog gehalte aan vitamine C en carotenoïden. In groentetuinen en als erfheester op alle eilanden geteeld. Aruba spreekt veelal van ahichi.

 

Foto: Dolomieten bij Ajo (spreek uit: Ayo) - Aruba

 

@: Ajo
Gebied op Aruba tussen Paradera en Andicuri, bekend om de aldaar voorkomende blokhopen (zie @: Casibari; @: Geologie).

 

@: Akademia Pedagogiko Korsou (A.P.)
Verzorgt de opleiding van kleuterleidsters en onderwijzers (zie @: Onderwijs: Het hoger beroepsonderwijs). 


 
@: Akshon
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Alcoholisme
Juiste getallen over alcoholgebruik en -misbruik in de Nederlandse Antillen ontbreken. De importcijfers van alcoholische dranken bieden vanwege de smokkel geen houvast. Een bijkomende factor is de relatief goedkope sterke drank; op St. Maarten kost een fles rum minder dan een fles melk. Wel kan worden gezegd, dat het probleem op Aruba het nijpendst is en in 1936 als zodanig werd gesignaleerd door dominee G.B. Bosch. Op Aruba is ook het eerst het alcoholprobleem systematisch en wetenschappelijk aangepakt. Eerst door de arts R. Turfboer, die, naast verschillende publikaties in 1970 op Aruba het eerste congres over alcoholisme organiseerde. Belangrijk wetenschappelijk werk over het alcoholprobleem op Aruba werd verricht door de Arubaanse internist O.R. Wever, die op dit onderwerp promoveerde (1977). Een vervolgonderzoek werd door hem in 1982 verricht. Bij een groep van 708 onderzochte personen werden 25,6% geheelonthouders aangetroffen, 52,4% sociaal drinkers, 11,7% probleemdrinkers, 3,1% pre-alcoholisten en 7,2% alcoholisten. Omgerekend naar de bevolking ouder dan 14 jaar, betekent dit 2.530 alcoholisten op Aruba.
De
Stichting Bestrijding Alcoholmisbruik (S.B.A.M.) houdt zich bezig met het beheren van 6 districtsgebouwen, alwaar wekelijks door Anonieme Alcoholisten (A.A.: een organisatie van gerehabiliteerde alcoholisten, die zich met elkaar bezighouden en zwakkere broeders ondersteunen op de lange en moeizame weg naar alcoholabstinentie) wordt vergaderd. De stichting houdt zich tevens bezig met het voorbereiden van een rehabilitatiecentrum voor chronische alcoholisten, waarvoor een capaciteit van 30 bedden is gepland.


Lit.: R. Turfboer, The typical Aruban alcoholic in the nineteen fifties. Proceedings of the First Aruban and Antillean Congress on Alcoholism, p. 70-75 (1971). O.R. Wever, Over het alcoholisme op Aruba. Nieuwe West-Indische Gids 50, 89-106 (1975); idem, Jaarlijkse alcoholconsumptie, sterfte tengevolge van alcoholische levercirrose en het voorkomen van alcoholisme op Aruba, 1961-1973. T. Alc. Drugs 2, 57-66 (1976); idem, Alcoholism in Aruba (diss. 1977).

 

@: Aldu
(Mugil curema) of
mullet is een uiterst snelle harder, een vis kenbaar aan zijn kleine kop, vlezige lippen en twee rugvinnen die op afstand van elkaar staan. Zijn lengte is 40 cm. De vissen planten zich in open zee voort. De jongen trekken bij een grootte van een paar cm in scholen de binnenbaaien in; het water mag brak of zout zijn. Het is namelijk niet het zoutgehalte, maar het zijn organische stoffen in het binnenwater, die hen aantrekken. Zij verzamelen zich vooral bij duikertjes en rioolmondingen. Hun voedsel bestaat uit algen en plantaardig en dierlijk afval. In het nauw gedreven kunnen zij geweldige sprongen maken. Op St. Maarten wordt de mullet samen met een grotere harder-soort, de cremole (zie Karmou) in fuiken en met het werpnet gevangen. De harders zijn goede consumptie vissen, die zich ook uitstekend laten roken. Aruba en Bonaire spreken van haldo.

 

@: Algemeen Nederlands Persbureau (@: ANP / @: A.N.P.)
Particulier persbureau, opgericht 1934 (verving o.a. Vas Diaz en Aneta Holland), verleent diensten over en weer aan de dagbladpers in de Nederlandse Antillen en Nederland (zie Nieuwsvoorziening; Persdienst).

 

@: Algemene Bank Nederland N.V. (@: ABN / @: A.B.N.)
Zie @: bank-, geld- en kredietwezen.

 

@: Algemene maatregel van bestuur
Is de benaming van een wettelijke regeling door de Regering (Koning en ministers) buiten de Staten-Generaal om vastgesteld en door één of meer ministers mede ondertekend (art. 89 Grondwet). Sinds het Statuut zijn er geen algemene maatregelen van bestuur, die ook in de Nederlandse Antillen gelden; voor het Statuut wel. Art. 57 Statuut bepaalt namelijk dat alle algemene maatregelen van bestuur, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Statuut in de Nederlandse Antillen golden, de staat van * Algemene maatregel van rijksbestuur verkregen, met dien verstande dat zij, voor zover zij ingevolge het Statuut bij landsverordening kunnen worden gewijzigd, de staat verkregen van landsverordening.

 

@: Algemene maatregel van rijksbestuur (A.M.v.R.B.)
is een wettelijke regeling betreffende een koninkrijksaangelegenheid door de Koning buiten de Staten-Generaal om vastgesteld. De voordracht daartoe geschiedt door één of meer ministers, die haar ook contrasigneren; de Raad van State wordt gehoord; de behandeling heeft plaats in de ministerraad van het Koninkrijk, dit laatste ingevolge art. 4 van het reglement van orde van de ministerraad (Stbl. 1979 nr. 264). De gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen werkt aan de vaststelling mee. De afkondiging heeft plaats in Nederland in het Staatsblad, in de Nederlandse Antillen in het Publicatieblad. Het Statuut bevat geen bepalingen omtrent de totstandkoming van een A.M.v.R.B.; dat behoefde niet, omdat in art. 5 voor “de uitoefening van de koninklijke en de wetgevende macht” naar de Grondwet wordt verwezen, zodat art. 89 van de Grondwet ook op een A.M.v.R.B. van toepassing is. De A.M.v.R.B., die op grond van de bepalingen van het Statuut voor de Nederlandse Antillen verbindend zijn, behoren tot de in art. 2 van de Staatsregeling genoemde wettelijke regelingen.

 

@: Algemene Ouderdoms Verzekering (@: AOV / @: A.O.V.)
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Algemene Rekenkamer
zie @: Rekenkamer.

 

@: Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (@: AWW / @: A.W.W.)
zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Algen
zie @: Wieren.

 

@: Alianza
zie @: Politieke Partijen.

 

@: Alivio del Pobre, Vereniging
Opgericht in 1879 en gevestigd te Willemstad, heeft als doel de geldelijke ondersteuning van de joodse armen op de Nederlandse Antillen.

 

@: All America Cables and Radio Inc. (A.A.C.R.)
Noord-Amerikaanse communicatiemaatschappij die op Curaçao en Aruba telegraafkantoren exploiteert. Nam in 1929 de kabelconcessie over van de
Compagnie Francaise des Cables Telegraphiques en verkreeg in 1930 een concessie voor 25 jaren, die reeds in 1932 werd verlengd tot 40 jaren. Zij verbond Curaçao en Aruba door middel van onderzeese telegraafkabels met Venezuela en de Dominicaanse Republiek en van daaruit met andere plaatsen. De laatste van deze kabels werd in 1973 buiten bedrijf gesteld. Sindsdien maakt A.A.C.R., op grond van een nieuwe concessie tot 1991, gebruik van verbindingen van Landsradio. Inmiddels is de concessie voor telegramverkeer in 1980 geëindigd. Tot 1991 worden uitsluitend diensten verleend op het gebied van de telegraafhuurkanalen en in samenwerking met Landsradio voor de telex.

 

@: Alliance Francaise
Vereniging die zich ten doel stelt grotere bekendheid te geven aan de verschillende uitingen van de Franse cultuur, werd in 1883 door een aantal vooraanstaande personen te Parijs opgericht; de Curaçaosche afdeling in 1955. Tot de activiteiten van het
“Comité de Curacao”, behoren o.m. het organiseren van Franse conversatiecursussen, het uitlenen van Franse boeken (ca. 400 per jaar) en het verzorgen van radio- en televisieprogramma's. De afdeling geeft een tweemaandelijks orgaan uit, Bulletin de L’ Alliance Francaise Comité de Curaçao. In 1967 werd ook op Aruba een afdeling opgericht.

 

@: Alma sola
Armasol, zie @: Brúa.

 

@: Almond tree
zie @: Mangel.

 

 

@: Aloë / @: Aloe
(Aloë barbadensis) of
sentebibu, plantesoort uit de familie der Liliaceae. Dikke, vlezige bladeren, sappig, veel slijm bevattend, de bladrand voorzien van stekels; bloemen geel, hangend in een dichte tros aan een lange steel. Afkomstig uit het Middellandsezee gebied en vooral in Aruba en Bonaire aangeplant in verband met betekenis in farmaceutische industrie. Bij het beschilderen van buitenmuren worden gesneden aloëbladeren in de waterverf gedaan. Gekweekt op Beneden- en Bovenwindse Eilanden. De aloë werd in 1836 door gezaghebber Baron van Raders op Curaçao als gouvernementscultuur geïntroduceerd. De plant is uitgesproken kalkminnend. De jonge uitlopers (siboys, semina) worden van bladschede ontdaan en met ingekorte wortels in de droge tijd uitgezet; ze gaan dan na de eerste regens uitlopen. Na 2-3 jaar kan men bij de inmiddels uitgestoelde plant en in de maanden maart-juni de dikke bladeren afsnijden, waarbij het hart, het groeipunt, gespaard blijft. De bladeren komen in lekbakken te staan, waarna het sap in koperen ketels wordt ingedampt. Het ingedampte sap wordt in kistjes van 50 kg verpakt en verhard tot aloëhars. De aanplant die aloëhars oplevert moet na 10-15 jaar worden vernieuwd.


In de laatste decennia heeft de aloë opnieuw een plaats ingenomen in de landbouwproduktie van de Benedenwindse Eilanden. In het topjaar 1942 voerde Aruba 248.256 kg ter waarde van NAf 527.299,- uit, terwijl Bonaire in dat jaar 62.808 kg ter waarde van NAf 120.755,- uitvoerde. Door de daling van de vraag naar aloë op de wereldmarkt daalde ook de aloëprijs, wat de uitvoer sterk remde: Toch bedroeg in 1955 de uitvoer van aloëhars uit Bonaire nog 52.804 kg ter waarde van NAf 53.593,-. De totale produktie lag in 1967 nabij 120.000-130.000 kg per jaar, verdeeld over 6.000 ha op Aruba en 1400 ha op Bonaire, waar de laatste aloë in 1973 werd verscheept ter grootte van 1.027 kg. De hars wordt voornamelijk naar de Verenigde Staten uitgevoerd.

Literatuur:

  • H. D. Benjamins en J. F. Snelleman, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1914-1917;
  • C. L. Harders, Bijdrage tot de kennis van de Curaçao aloë en van hare opsporing. Diss. (1940).

 

 

@: Alpargata
Ook wel
pargata, schoeisel bestaande uit een stevige leren zool met bovenwerk van grove vezelstof.

 

@: Alternatieve grondwet Autonoom Curacao

(zie @: Grondwet voor Autonoom Curacao - Alternatief op grondwet Politiek Curacao

 

 

@: Alto Vista
Kalksteenheuvel in het noordwesten van Aruba, 70,2m hoog. In de nabijheid van deze heuvel bevindt zich de in 1952 gebouwde Mariakapel, opgericht ter herinnering aan de eerste room-katholieke kerk op Aruba, die omstreeks 1750 werd gebouwd door de in deze omgeving levende indianen. De huidige kapel is een middelpunt geworden voor de devotie tot de H. Maagd; elk jaar wordt naar deze plek een bedevaart gehouden. In de kerk bevindt zich een antiek Spaans kruisbeeld .

 

@: Amalgamatie
Zie @: Acculturatie


 
@: Ambachten
In 1885 begon pastoor Frie met een ambachtsschool die op bescheiden schaal  nuttige vaardigheden bijbracht aan weesjongens; zij leerden timmeren, smeden, kleermaken, schoenmaken en schilderen.
Scheepsbouwers moesten in het begin van de 20e eeuw optornen tegen de concurrenten van Trinidad en Barbados, later hebben vooral Bonairianen zich tot uitstekende vaklieden in deze branche ontwikkeld.
Schrijnwerkers maakten nog ouderwets-degelijke meubelen van massief mahonie. Zij konden echter moeizaam stand houden tegen de modernere en lichtere Amerikaanse en Europese produkten, die met behulp van geïllustreerde catalogi de markt veroverden. Goudsmeden lieten in 1900 monsters van Curaçaosch goudfiIigrainwerk naar Nederland zenden, maar de bestellingen bleven uit.
Schoenmakers zorgden voor een indrukwekkende alpargata-produktie (zie
Coöperatieve Vereeniging en Nijverheid).
Bijzondere vermelding verdient de hoedenvlechterij die tussen 1900 en 1950 op Curaçao zo sterk heeft gebloeid dat een exportproduktie van enkele honderdduizenden guldens jaarlijks werd bereikt dank zij het vlechtonderwijs, dat door de missie en de
Curaçaosche Maatschappij tot bevordering van Landbouw, Veeteelt, Zoutwinning en Visserij werd gegeven. Vooral de cursus onder leiding van H.J. Cohen Henriquez en hoofdvlechtster Isabel Crefte ontwikkelde zich tot de “hogeschool” van de vlechtkunst. De miljoenen strohoeden die tussen 1900 en 1950 werden uitgevoerd naar Amerika, West-Europa en Midden- en Zuid-Amerikaanse landen waren het werk van talloze hoedenvlechtsters, vaak kinderen van tien, twaalf jaar oud (1910: 5031; 1915: 6517; 1925: 7227).
Factoren die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het verval van deze huisnijverheid zijn de vestiging van de olieindustrie (de noodzaak aan het gezinsinkomen bij te dragen viel weg door de grote werkgelegenheid voor mannen), de sterke stijging van de stroprijzen en het gebrek aan stro. Tegenover het gebouw van de Kamer van Koophandel op Pietermaai treft men in de gevel een gedenksteen aan van de vereniging
“Arbeid adelt”, die nog aan de hoedenvlechterij herinnert.


Lit.: J. van Soest, Olie als water (1976). A. van der Veen, De geschiedenis van de Antilliaanse hoedenvlechterij op Curaçao; in: Sticusa Journaal, jrg. 13. no. 93, 1983. Idem, Hoedenvlechten als kostwinning (doct. scriptie 1984).

 

@: Ambtenaar
is ieder die door het bevoegde gezag in een overheidsdienst is benoemd of aangesteld. Spreekt men in Nederland van rijks-, provinciale en gemeenteambtenaren, de Nederlandse Antillen kennen landsambtenaren (meestal landsdienaren genoemd) en eilandsambtenaren. Niet ieder die een ambt bij de overheid bekleedt, is ambtenaar: het ambtenaar-zijn veronderstelt een verhouding van ondergeschiktheid jegens de instantie die hem benoemd heeft. Het gekozen lid van de Staten of van een Eilandsraad vervult wel een ambt of een functie maar is als zodanig geen ambtenaar.
De landsdienaren worden door de Gouverneur benoemd, geschorst en ontslagen, tenzij deze bevoegdheden bij de Staatsregeling aan de Koning zijn voorbehouden of aan de Staten (de griffier). Volgens art. 12 van de Staatsregeling wordt hun rechtstoestand bij landsverordening geregeld (P.B. 1964 nr. 159). De Gouverneur stelt de bezoldigingen vast, tenzij in de Staatsregeling anders is bepaald. De aanspraken op verloven en verlofsbezoldigingen, wachtgelden en pensioenen worden bij landsverordening geregeld (art. 15 Staatsregeling). Voor de vakantieregeling zie P.B. 1969 nr. 44. Personen in overheidsdienst, die als werklieden worden aangeduid, en personen met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten, vallen niet onder de voorschriften van bovengenoemde landsverordening betreffende de rechtstoestand van ambtenaren. Verschillende ambten zijn onverenigbaar met een bepaalde functie om die functie te vrijwaren tegen ongewenste beinvloeding. Zo geeft in de Staatsregeling art. 28 aan, dat een lid van de Raad van Advies niet tegelijk lid van de Staten kan zijn, art. 37 welke ambten niet verenigbaar zijn met het ministerschap, art. 43 met het gevolmachtigde ministerschap, art. 48 met het lidmaatschap van de Staten. In het algemeen zijn ambtenaren niet uitgesloten van het lidmaatschap van de Staten, doch voor zover nodig worden de gevolgen van de vereniging met het lidmaatschap bij landsverordening geregeld (art. 48).

 

@: Ambtenaren Bond, Algemene Nederlands-Antilliaanse (A.N.A.A.B.)
Voorloper van de meeste overheidsbonden, werd opgericht in 1936 met als doel de behartiging van de belangen van de ambtenaren en het bevorderen van een nauwere onderlinge samenwerking. In de 1940ger jaren werd nog het woningbezit bevorderd door de bouw van huurkoopwoningen door de
Stichting Ambtenaren Woningbouw. Evenzo werd een steunfonds opgericht en stond men de instelling van een collectieve ziektekostenverzekering voor. Na de invoering van het Statuut en de Eilandenregeling kwamen meer vakgerichte ambtenarenbonden tot stand, gericht op de belangenbehartiging van specifieke groepen ambtenaren. Desondanks bleven tot in de 1960ger jaren deze bonden verenigd in de Algemene Nederlands-Antilliaanse Ambtenaren Federatie (A.N.A.A.F.). Aangesloten waren de ambtenarenbonden van Aruba en Curaçao, de R.K. Onderwijzersbonden op deze eilanden en de Bond van gepensioneerden der Nederlandse Antillen (B.G.N.A.) in Nederland. De Bond op Curaçao behartigde de belangen van de leden op Bonaire en de Bovenwindse Eilanden.
Als gevolg van de gebrekkige vertegenwoordiging en belangenbehartiging van de overheidswerklieden (arbeiders) en door het stringente onderscheid dat de overheid handhaafde tussen ambtenaren en werklieden in o.m. verschillende regelingen en voorzieningen, werden aan het eind van de 1960ger jaren de
Bond di Trahadonan di Gobierno (B.T.G.) op Curaçao en de Gouvernements Arbeiders Bond (G.A.B.) op Aruba opgericht. Gedurende de 1970ger jaren kwam het georganiseerd overleg met de Centrale Regering tot stand dat een wettige basis verkreeg. In 1973 kwam na een lange onderwijsstaking een inspraak-protocol tot stand; toch zijn de onderwijsbonden nog steeds niet toegelaten tot het georganiseerd overleg. In de meeste gevallen treden de bonden individueel op. Indiën het een gezamenlijk belang betreft treedt men ook wel op in de zogeheten Sindikatonan Uni. Op Aruba functioneerden eind 1983 de volgende overheidsbonden:

  1. A.S.O.A. Asociación di Alto Oficialnan Gubernamental na Aruba.
  2. G.A.B.A. Gouvernements Arbeiders Bond Aruba.
  3. N.A.P.B. Nederlands-Antilliaanse Politie Bond, Afdeling Aruba.
  4. S.E.P.A. Sindikato di Empleado Publiko di Aruba.
  5. S.I.M.A.R. Sindikato di Maestronan di Aruba.

 

Op Bonaire waren in datzelfde jaar de volgende bonden actief:


1. A.B.V.O. AIgemene Bond voor Overheidspersoneel, Afdeling Bonaire.

2. S.I.M.A.B.O. Sindikato di Maestronan di Bonaire

3. S.T.G.B. Sindikato di Trahadónan di Gobiernu di Bonaire.

 

Op Curaçao:

1. A.B.V.O. AIgemene Bond voor OverheidspersoneeI.

2. B.H.L.P. Bond van Haven- en LoodspersoneeI.

3. B.T.G. Bond di Trahadónan di Gobiernu.

4. C.L.V. Curaçaose Loodsen Vereniging.

5. N.A.P.B. Nederlands-Antilliaanse Politie Bond

6. V.H.O. Vereniging voor Hogere Overheidsfunctionarissen.

 

 

Op St. Maarten:

W.I.C.S.U. Windward Islands' Civil Servants Union.

 

@: Ambtenarenrecht

Materieel: geregeld in de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (P .B. 1964 nr. 159). Deze verordening regelt de materiele rechtspositie van de landsdienaren van de Nederlandse Antillen en van de ambtenaren in dienst der Eilandgebieden. De verordening regelt onderwerpen als aanstelling en bevordering, beoordeling en ranglijst, bezoldigingen, uitkeringen en toelagen, dienst- en werktijden, verlof, verlofsbezoldiging en aanspraken in geval van ziekte, disciplinaire straffen en het georganiseerd overleg. De centrale commissie voor georganiseerd overleg bespreekt aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar met de door de betrokken minister daartoe aangewezen vertegenwoordigers alvorens door het bevoegd gezag een beslissing wordt genomen. De verordening is behoudens enkele onderdelen in werking getreden op 1 januari 1966.

Formeel: het procesrecht in ambtenarenzaken is geregeld in de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (P.B. 1951 nr. 134). Het Gerecht in Ambtenarenzaken bestaat uit een lid van het Hof van Justitie. De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken is samengesteld uit de president van het Hof van Justitie - of het lid van het Hof van Justitie dat hem als zodanig vervangt als ambtshalve lid tevens voorzitter - en twee leden, benevens drie leden-plaatsvervangers.

 

@: Ambtseed

zie @: Eed.

 

@: Ambtsmisbruik

is het misbruik dat iemand maakt van de bevoegdheid die hij als ambtenaar heeft. Misbruik van gezag door iemand te dwingen iets te doen of na te laten, is strafbaar.

 

@: Amendementsrecht

is het recht dat aan de Staten en Eilandsraden is toegekend om in ontwerpen van verordeningen wijzigingen aan te brengen. De wijze waarop dit kan worden uitgeoefend wordt in de reglementen van orde geregeld en begrensd.

 

@: Amfibiewet

zie @: Rijkswetten.

 

@: Amigoe

zie @: Pers.

 

@: Amistad

zie @: Pers.

 

 

@: Ampues Juan Martinez de (of Ampíes) / @: Juan de Ampues / @: Juan d’Ampues

(gest. Hispañiola 8 februari 1533) was voor hij zich naar West-Indië begaf kapitein in het Castiliaanse leger en maakte als zodanig een veldtocht mee in Italië. Met een real cedula van 19 mei 1511 werd hij aangesteld tot factor op het eiland Hispañiola. Bij zijn aankomst op het eiland, in oktober van datzelfde jaar, werden hem 200 indiaanse slaven ter beschikking gesteld. Hij bracht het spoedig tot een zekere welstand, bezat huizen en land, paarden en vee, en zelfs een suikerrietmolen.

In 1526 benoemde Karel V Juan de Ampues tot factor over de eilanden Curazao, Ouruba y Buynari. De adviezen uitgebracht door de paters Hieronomieten, die toentertijd een grote invloed op Hispañiola bezaten, moeten dit besluit van Karel hebben begunstigd. Als factor en corregidor (administrateur en bestuurder) kreeg De Ampues de opdracht tot een vreedzame kolonisatie van de Islas de los Gigantes. De eerste stappen door De Ampues in verband met het weer bevolken van deze eilanden ondernomen, hielden in dat hij een aantal vreedzame Arowakken die op Hispañiola waren terechtgekomen weer naar Curaçao, Aruba en Bonaire terugvoerde, waarvoor hij de voorlopige goedkeuring van de Audiencia verkreeg; vervolgens trachtte hij een verbod uitgevaardigd te krijgen tegen de Indiëros (indianenjagers) om deze eilanden te bezoeken. Of het kolonisatieplan van De Ampues, gepaard met het gemelde verbod, geheel en al uit altruïstische motieven voortsproot, valt te betwijfelen. Het is mogelijk dat hij als factor van de drie genoemde eilanden, deze als zijn privé jachtgebied wilde reserveren.

Via de indianen op Curaçao trad Juan de Ampues in contact met de autochtone bewoners op het vasteland. Hier maakte hij spoedig kennis met een bekend cacique, Manaure genaamd, door sommige Venezolaanse historici met de bijnaam sabia (wijze), aangeduid. Het is niet duidelijk of Ampues uit eigen overweging naar het vasteland overstak of dat hij daartoe door Manaure was uitgenodigd. Deze ontving hem met alle eer en sloot met hem een tractaat. De overeenkomst verzekerde De Ampues van een regelmatige aanvoer van indiaanense krijgsgevangenen en het is dus gerechtvaardigd De Ampues een Indiëro pacifico - een vredelievende indianenjager - te noemen. Dat De Ampues ook politieke bedoelingen had met zijn verblijf op het Venezolaanse vasteland blijkt uit de stichting van de stad Santa Ana de Coro, kortweg Coro genoemd. Deze vond plaats op 26 juli 1527, de dag gewijd aan de heilige Anna; de oorspronkelijke bedoeling was om een gunstige uitvoerhaven te hebben voor de te vervoeren indiaanse slaven.

Alarmerende geruchten en een onverkwikkelijk echtscheidingsproces brachten De Ampues in 1528 terug naar Hispañiola. Karel V had grote verplichtingen aan het bankiershuis Welser en wilde deze, naar De Ampues vernam, honoreren door een gedeelte van de Tierra Firme als een leen aan dit huis te schenken. De Ampues wendde zich daarop in een schrijven van 7 september 1528 tot de Audiencia van Santo Domingo, met verwijzing naar de door hem bereikte resultaten en het verzoek om de kolonisering van de provincie Venezuela niet in handen te doen geven van Duitsers, maar hem deze op te dragen. Rechten op het vasteland had hij niet. De Spaanse Raad van Indië, na informatie omtrent De Ampues’ al of niet officiële opdracht om naar het vasteland over te steken, kreeg van de Audiencia van Santo Domingo natuurlijk een negatief antwoord. Daarop zette de Raad van Indië haar besprekingen met de Welsers voort. Zij resulteerden in een contract, waarbij de provincie Venezuela aan het Duitse bankiershuis werd overgedragen. De voor de kust gelegen eilanden waren echter niet in deze overeenkomst begrepen.

Deze politiek van Karel V doorkruiste De Ampues’ eerzuchtige plannen en beperkte zijn invloed tot de drie Curaçao-eilanden. Hoe lang hij daar gewoond heeft valt niet met zekerheid na te gaan. Terwijl het vrijwel vast staat, dat zijn eerste bezoek aan Curaçao plaatsvond in 1527, zal zijn tweede bezoek eind 1528 of begin 1529 hebben plaatsgevonden. Van daar is hij dan voor de laatste maal naar Coro overgestoken om deze stad met de provincie goedschiks - of (volgens sommigen) kwaadschiks - aan de Duitsers over te geven. Waarschijnlijk heeft hij zich daarna weer naar Curaçao begeven, maar het landbouw en veeteeltbedrijf dat hij hier aanvankelijk trachtte op te zetten, schijnt hem toen niet meer te hebben geinteresseerd. Hij vertrok spoedig naar Hispañiola, waar hij in 1533 overleed. Hij liet een dochter na die gehuwd was met de Erasmuskenner Lazaro Bejarano, die zijn schoonvader opvolgde als factor. (Zie verder Geschiedenis Spaanse periode.)

Lit.: Over Juan de Ampues is nog geen biografie verschenen. De gegevens kan men vinden bij Bartolomé de las Casas, Historia de las Indias (vele uitgaven); Juan de Castellanos, Elegías de Varones Ilustres de Indias (vele uitgaven), Martín Fernández de Navarrete, Collección de los Viages y Descubrimientos que hicieron por Mar los Españoles desde fines del siglo XV (vele uitgaven).

 

@: A.N.A.A.B

Zie @: Ambtenaren Bond, Algemene Nederlands-Antilliaanse.

 

@: Anasa

(Ananas comosus) of pineapple is een plant behorend tot de familie der Bromeliaceae, die op geringe schaal op alle eilanden gekweekt wordt. De schijnvrucht wordt graag gegeten. In het Christoffelpark komt de soort in het wild voor, met veel langere bladeren dan de gekweekte soort, zonder eetbare vruchten.

 

@: Anchòk(s)

(Anchoa spec.) of ansjovis, is kenbaar aan een sterk onderstandige, smalle onderkaak, die hem een roofzuchtig aanzien geeft, hoewel hij alleen plankton eet. Vormt scholen en wordt soms samen met de sardien met de reda gevangen.

 

 

De natural bridge, zoals hij er nog bijstond voor 2006, toen hij in elkaar stortte

@: Andicuri

Baai aan de noordkust van Aruba. De kalksteenformatie is hier doorbroken en er heeft zich een klein maar bijzonder schilderachtig strand gevormd. Even ten noordwesten van deze plek, eveneens aan de Baai van Andicuri, ligt de door abrasie in de kalksteen gevormde natuurlijke brug. Deze trekpleister voor de lokale bevolking (weekend-toerisme) is door de natural bridge een van de belangrijkste attracties voor buitenlandse bezoekers geworden. De natural bridge is overigens in 2006 in elkaar gestort.


 

@: Anemaet, Johannes F.

(St. Maarten 19 december 1911) verhuisde op achtjarige leeftijd naar Nederland waar hij in 1930 beroepsmilitair werd. Na een stationering in het voormalig Nederlands-Indië (1930-1949) is hij van 1951-1965 werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine op Curaçao; woont sindsdien in Nederland. Schilder - autodidact - met een meesterlijke techniek. In een beheerst coloriet schept hij heldere, sprekende beelden van de dagelijkse Antilliaanse wereld. Zijn doeken sprankelen van kleur en zijn gemaakt in een picturale, realistische schilderstijl. Exposities: Curaçao (1958; 1972; 1980). Zijn werk is o.a. vertegenwoordigd in de collectie van Sticusa.

 

 

Foto Angelfishes: Boven: French Angelfish of sheu (Holacanthus paru); beneden Queen Angelfish of Rei'i chamba (Holacanthus ciliaris)

@: Angelfishes
 

(Pomacanthus spec. en Holacanthus spec.) behoren tot de fraaiste vissen van het rif. Zij leven vooral van sponsen. De jongen, die sterker aan het rif gebonden zijn dan de ouden, hebben een heel andere kleurtekening; bij de sheu (Pomacanthus spec.) zijn de jongen net een lapje wapperend zwart fluweel met witgele dwarsbandjes, terwijl de volwassen dieren net zwarte stijve schijven zijn. De rock-beauty-jongen (Holacanthus tricolor) zijn fel geel met een zwart stipje dat zich tijdens de groei uitbreidt totdat de vis op kop en vinnen na zwart is. De queen angel-jongen (Holacanthus ciliais) zijn oranje en hemelsblauw met lichte strepen, eveneens een heel ander patroon dan de volwassene. Zij zijn goed in het aquarium te houden, alleen zijn zij tegenover soortgenoten vrij onverdraagzaam.

 

@: Anglicaanse Kerk

In 1952 werd op Steenrijk (Curaçao) de Church of All Saints (750 zitplaatsen) ingewijd, en in 1972 de Chapel of Resurrection op Suffisant, er zijn ongeveer 300 leden. In San Nicolas (Aruba) staat sinds 1945 de Holy Cross Church (400 leden). Saba heeft 2 kerken (400 leden). Op St. Eustatius werd in 1984 een kerk gebouwd. Op St. Maarten zijn thans 2 kerken. Op alle eilanden is de voertaal Engels. (Zie ook Protestantisme).


 

 
 

@: Anglo

(Tribulus cistoides) wangle of daisy, plantesoort uit de familie der Zygophyllaceae. Neerliggend kruid; bladeren enkelvoudig geveerd, met 12-16 blaadjes; bloemen alleenstaand, groot, goudgeel, 5-tallig met 10 meeldraden; vrucht gestekeld, in 5 driezadige deelvruchten uiteenvallend. Algemeen onkruid op landelijk terrein. Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Vooral in regenrijke jaren breidt het zich sterk uit, zodat men grote gele vlakken van bloeiende anglo's ziet. Aan de bitter smakende wortels wordt medicinale betekenis toegeschreven. De wortel wordt geplet, gewassen en gekookt. Het aftreksel wordt gebruikt tegen diarree en koorts, speciaal bij baby's als de tandjes doorbreken. 


 

@: Anguiu

of pipe fishes (fam. Syngnathidae) komen in de Nederlandse Antillen in verscheidene soorten voor. Zij leven rustig tussen de planten en zuigen af en toe een garnaaltje naar binnen.

De mannetjes hebben langs de buik een lange huidplooi, waarin het wijfje haar eieren afzet. De eieren ontwikkelen zich tussen het slijmvlies van die plooi; de jongen komen na enkele weken naar buiten zwemmen net als bij hun verwant, kabai di awa


 

@: Anrooij Anthonie Johannes Wouterus van

(‘s-Gravenhage 9 augustus 1883 - 5 juti 1964) officier Koninklijke Marine, later inspecteur in algemene dienst bij de PTT en hoofd van de afdeling Kust- en Scheepsradiodienst. Kwam in september 1908 als zeeofficier naar Curaçao en plaatste de eerste radiozend- en ontvang-installatie van de Nederlandse Antillen in het Riffort. (Zie ook Landsradio - Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen; Telegraaf- en telefoonverordening).

 

@: Ansjovis

Zie @: Anchòk(s)

 

@: Anthurium

Plantengeslacht uit de familie der Araceae (Aronskelkachtigen), waarvan een drietal soorten in de Nederlandse Antillen voorkomen. Zij gelijken op klimmende kruiden met dikke wortelstokken; bloemen in een kolf, waaronder een grote spatha (schutblad) staat.

Monkey tail (Anthurium cordatum), met langgesteelde, hartvormige bladeren; bloeikolf groenig-geel; spatha groen. In de vochtige bossen op de Bovenwindse Eilanden; gekweekt op Curaçao.

Anthurium (Anthurium nymphaefolium). bladeren hartvormig; langgesteeld; bloeikolf wit; spatha rozerood, glanzend. Gekweekt op Benedenwindse Eilanden.

Anthurium hookeri, bladeren langwerpig tot elliptisch, tot 70 cm lang; bloeikolf groenig-bruin; spatha groen. Curaçao. Zeldzaam, alleen bij de top van de Sint Christoffelberg.

 

@: Antilia

Motorschip, 472 brt., in. 1955 in dienst genomen, onderhield maandelijks vracht en passagiersdienst tussen de Benedenwindse en de Bovenwindse Eilanden. Door de luchtvaartverbindingen verminderde het vervoer per schip. In 1972 maakte de Antilia de laatste reis.

 

 

@: Antillen

is de verzamelnaam voor de eilanden die gelegen zijn tussen het vasteland van Noord-Amerika en dat van Zuid-Amerika, en die de Caribische Zee en de Golf van Mexico, te zamen ook wel Amerikaanse Middelzee genoemd, min of meer omsluiten. De Antillen strekken zich als een langgerekte boog uit van 10° N.Br. tot circa 25° N.Br. en van omstreeks 60° W.L. tot 85° W.L. Het merendeel der eilanden vertoont zowel onderling als met de continenten tektonische en geologische samenhang.

De belangrijkste groepen waarin de Antillen kunnen worden onderverdeeld zijn:

  • de Bahama Eilanden tussen Hispañiola en Florida;
  • de Grote Antillen, bestaande uit Cuba, Jamaica, Hispañiola (staatkundig verdeeld in Haiti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico;
  • de Kleine Antillen, d.i. de boog van talrijke kleine eilanden tussen Puerto Rico en de noordkust van Zuid-Amerika, waarvan o.a. de Nederlandse Antillen deel uitmaken.

De Kleine Antillen worden op hun beurt weer onderscheiden in de eilanden boven de wind en de eilanden beneden de wind. In de Nederlandse, Franse en Spaanse literatuur duidt men met de laatste benaming aan de eilanden die voor of in de nabijheid van de Zuid-Amerikaanse kust liggen. In de Engelse literatuur bedoelt men daarentegen met de Leeward Islands de noordelijke groep van de Kleine Antillen. Door dit merkwaardige verschil in benaming liggen dus de Nederlands-Antilliaanse Bovenwindse Eilanden te midden van de (voormalig) Britse Leeward Islands. Het eilandenrijk van de Antillen wordt enerzijds, onder meer op grond van ligging en klimaat, gekenmerkt door een grote mate van overeenkomst in fysisch-geografische zowel als social-economische zin, anderzijds door een sterke staatkundige verbrokkeling, die leidde tot grote verschillen in politieke organisatie en oriëntatie, tot uiteenlopende cultuurpatronen en tot gebrekkige mogelijkheden tot onderling contact. De staatkundige verbrokkeling is in hoofdzaak toe te schrijven aan het feit dat de Antillen in het verleden als koloniaal bezit werden opgedeeld tussen vele West-Europese landen en in een later stadium ook de Verenigde Staten. Er kon geen groei naar een grotere Antilliaanse eenheid plaatsvinden, daar elke kolonie allereerst banden onderhield met het eigen moederland met verwaarlozingen van de zijde van het moederland dikwijls tegenwerking van de mogelijkheid tot opbouw van een politieke en social-economische samenhang binnen de archipèl. Het resultaat van deze historische ontwikkeling kon slechts zijn een aantal politieke gehelen met uiteenlopende internationale orientatie, maar met een veelal overeenkomstige social-economische structuur en problematiek, hoofdzakelijk als gevolg van de plantage-economie welke eeuwenlang voor deze gebieden kenmerkend is geweest en ten dele nog is. De komst van de Europese kolonialistische ondernemers betekende de ondergang van de autochtone bevolking, die vervangen werd door miljoenen negroïde Afrikanen welke in mijnen en op plantages werden tewerkgesteld. De nakomelingen van deze slaven vormen thans het voornaamste bevolkingselement van de Antillen. Vóór en tijdens de negroïde instromingen vestigden zich in mindere mate Europeanen, sinds de tweede helft van de 19de eeuw ook vele Aziaten. De Antillen worden derhalve gekenmerkt door een grote verscheidenheid van rassen, volken en talen, waartussen veelal scherpe sociale en economische scheidslijnen lopen. De plantage-economie met haar monocultuur drukte niet alleen economisch maar ook sociaal ten zeerste haar stempel op de Antilliaanse samenleving door het doen ontstaan van een in vele opzichten gesegmenteerde samenleving. Door hun grote bevolkingsdichtheid, hun gebrekkige en eenzijdige economische ontwikkeling, het lage levenspeil en de geringe ontwikkeling van het merendeel van de bevolking vormen de eilanden probleemgebieden van de eerste orde. De geograaf G. Etzel Pearcy spreekt van een “politico-socio-economisch dilemma” der West-Indische samenleving. Inmiddels zijn verschillende Engelse Antillen onafhankelijk geworden (zie Caribisch gebied).

De bevolking van de Antillen bedraagt omstreeks 32 miljoen zielen, waarvan tweederde voor rekening komt van Cuba, Haïti en de Dominicaanse Republiek. De bevolkingsaanwas is groot en mag op ca. 3% per jaar worden gesteld. Vooral de kleinere eilanden hebben een zeer hoge bevolkingsdichtheid; Barbados met ca. 650 inwoners per km2 gaat in dit opzicht aan de spits. Aangezien de economische basis van de Antillen overwegend agrarisch is, moet in het algemeen van overbevolking van deze eilanden worden gesproken. Er heerst grote ongelijkheid in grondbezit en -gebruik: enerzijds is de meeste grond in de vorm van grote plantages in handen van een kleine groep grootgrondbezitters, anderzijds wordt het grondgebrek voor de grote massa onder meer als gevolg van de bevolkingsgroei steeds nijpender. Het resultaat is toenemende verpaupering en emigratie.

De voornaamste uitvoergewassen van de Antillen zijn: suiker, tabak, koffie, cacao en bananen. De mijnbouw levert als belangrijke delfstoffen: bauxiet van Jamaica (meer dan 20% van de totale wereldvoorraad), aardolie en natuurlijke asfalt van Trinidad, voorts ijzer-, mangaan-, chroom- en kopererts van oostelijk Cuba. Op dit eiland komt ook aardolie voor. De industriële bedrijvigheid van de Antillen is slechts zwak ontwikkeld; in dit opzicht nemen de Nederlandse Antillen een eerste plaats in. Het toerisme, met name vanuit de Verenigde Staten, is op tal van eilanden een belangrijke bron van inkomsten. De rijkdom van de Antillen aan mooie natuurlijke havens biedt het scheepvaartverkeer vele mogelijkheden, waarvan het toerisme thans dankbaar profiteert; vele eilanden zijn opgenomen in het regionale en/of trans-continentale luchtverkeer. De Antillen worden ook aangeduid met de naam Caribische of West-Indische eilanden.

Lit.: G. Etzel Pearcy, The West-Indian Scene (1965); H. Hoetink, De gespleten samenleving in het Caribische gebied (1962); R.A.J. van Lier, The development and nature of Society in the West-Indies (1950); W.R. Menkman, De Nederlanders in het Caribische zeegebied (1942); L.P. Vermeulen, De bevolkingsstructuur der Nederlandse Antillen (Tijdschrift Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap 1962).

 

@: Antillenhuis

zie @: Kabinet van de gevolmachtigde minister. Zie ook @: Gevolmachtigde minister

 

@: Antillenrechten

zie @: Handel: geschiedenis.

 

@: Antillen Review

zie @: Pers.

 

@: Antilles International Salt Co. N.V. (@: AISCO / @: A.I.S.C.O.)

zie @: Bonaire: zoutwinning.

 

@: Antilliaanse Cahiers

Letterkundig tijdschrift verschenen van 1955 tot 1967 onder redactie van Cola Debrot en Henk Dennert, met het doel een forum te scheppen voor auteurs uit de Nederlandse Antillen. In 1967 is een nummer gewijd aan de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, pseudoniem van H.G. van Ommeren (1929-1982) omdat zijn werk - Yanacuna - duidelijk verwantschap vertoont met de poëzie van zijn tijdgenoten in de Antillen. (Zie Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Antilliaanse Dagblad Pers (@: ADP / @: A.D.P.)

opgericht in 1976 als werkgeversvereniging door de dagbladuitgevers A.B.C. Informa N.V., Amigoe N.V., C.D.U.M. N.V. en De Pers N.V. op Curaçao met als doel het ontwikkelen van een aan haar te vervullen taak beantwoordende dagbladpers. (Zie Pers).

 

@: Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij N.V. (@: ALM / @: A.L.M.)

Voorheen de nationale luchtvaartmaatschappij van de Nederlandse Antillen, opgericht 1 Augustus 1964. Verzorgde intereilandelijke en internationale luchtverbindingen in het Caribisch gebied en naar Noord-, Centraal- en Zuid-Amerika. Vóór 1964 werden de genoemde luchtverbindingen verzorgd door de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (K.L.M.)

Bij de oprichting van de A.L.M. had de regering van de Nederlandse Antillen het recht verkregen de A.L.M. van de K.L.M. over te nemen. Van dit recht is in 1967 gebruik gemaakt. De A.L.M. is van groot belang voor de Antilliaanse economie: zij bevordert directe en indirecte werkgelegenheid, doet aan toeristen-promotie in het buitenland, zorgt voor toestroom van deviezen, heeft een gunstige invloed op de betalingsbalans, en fungeert tevens als “visitekaartje” voor de Nederlandse Antillen in het buitenland.

De A.L.M. opereert met twee DC-9-80, twee DC-9-30 toestellen, alsmede twee Twin Otters; zij onderhoudt tevens een geregelde vrachtverbinding met Miami met een DC-6-vliegtuig en is behalve een vliegbedrijf, tevens een afhandelingsbedrijf (verricht werk voor derden), zoals passagiers- en vrachtafhandeling, catering en technisch onderhoud.

 

@: Antilliaanse Nieuwsbrief

zie @: Persdienst.

 

@: Antilliaanse organisaties in Nederland

De aanwezigheid van een zeer groot aantal Nederlands-Antillianen in Nederland die of deelnemen aan het arbeidsproces of er voor studiedoeleinden tijdelijk gevestigd zijn, werkt het ontstaan van organisaties van social-culturele aard gericht op Antillianen in de hand. Deze organisaties streven verschillende doeleinden na die teruggebracht kunnen worden tot twee hoofdpunten:

a. Rechtstreekse bangenbehartiging van Antillianen in Nederland;

b. Ontspanning en verpozing voor Antillianen waarbij uitstraling van de eigen cultuur mede een niet onbelangrijke rol speelt.

Te onderscheiden vallen eveneens de verenigingen die landelijk actief bezig zijn ten behoeve van Antillianen en hierdoor (mede)gesubsidieerd worden door de Nederlandse overheid, en organisaties die slechts plaatselijk of regionaal bezig zijn. Deze laatsten worden beschouwd als de z.g. “zelf-organisaties” tegenover de eerstgenoemde organen. Het verloop onder beide categorieën is in de loop der jaren vrij groot geweest mede in verband met het zwevend aantal leden in een bepaalde gemeente of regio. Vooral is dit, logischerwijs, het geval met studentenorganisaties en/of verenigingen waar studerenden de meerderheid vormen.

Momenteel (eind 1983) zijn er in Nederland 7 door het Rijk gesubsidieerde Antillianse organisaties en 11 zgn. zelf-organisaties. Het geheel is, sinds begin 1983 gestructureerd in een overkoepelend lichaam dat oorspronkelijk De Koepel zou gaan heten maar uiteindelijk de naam Plataforma di Organisashonnan Antiano heeft meegekregen afgekort tot POA. De gewone leden zijn de door het Rijk gesubsidieerde Antilliaanse organisaties terwijl de zelf-organisaties buitengewone leden zijn. POA is gevestigd te Utrecht.

 

@: Antilliaanse Televisie Maatschappij N.V.  (@: ATM / @: A.T.M.)

Televisiebedrijf opgericht in 1965 waarvan alle aandelen in handen zijn van de Antilliaanse overheid. De A.T.M. exploiteert de t.v.-stations Tele-Curaçao en Tele-Aruba. Zie verder @: televisie

 

@: Antilliaanse Verffabriek N.V.

Is op Curaçao opgericht 30 Oktober 1959 door KoninkIijke Lak-; Vernis- en Verffabriek Molijn en Co. N.V. Fabriek van Compositieverven C.V., B.J. de Castro and Sons en S.E.L. Maduro and Sons N.V. De fabriek met 40 werknemers bedient thans 80% van de binnenlandse markt. In 1972 is op Aruba een dochteronderneming opgericht, de Arubaanse Verffabriek N. V.; thans 12 werknemers en een marktaandeel van ca. 50%.

 

@: Antilliaans Juristenblad

zie @: Rechtspraak.

 

@: Antilliana, Radio / @: Radio Antilliana

Omroepstation op Aruba (zie @: Radio-omroep).

 

@: Antríol / @: Entrejol / @: Dentera

Dorp op Bonaire, ook wel genaamd Entrejol of Dentera. De naam Antriol schijnt afgeleid te zijn van het Spaanse al interior en zou dan wijzen op het ontstaan van deze nederzetting in 1620, toen enige Spanjaarden zich in het binnenland van Bonaire vestigden. In 1981 telde de plaats tezamen met het aan- grenzende Noord’i Salina, 3.237 inwoners.

 

@: AOV @: A.O.V. / @: Algemene Ouderdoms Verzekering

zie @: Sociale voorzieningen.

 

@: Aplidam / @: Dampanchi

(Zizyphus spina-christi) Plantesoort uit de familie der Rhamnaceae. Kleine boom of grote heester met een lange, rechte en een korte kromme doorn aan de voet van de bladsteel; bladschijf aan onderzijde niet behaard, bloemen groenig wit, in korte trosvormige bloeiwijzen; vrucht een gele of bruine op een appeItje lijkende steenvrucht. In 1885 uit Israël ingevoerd door Cornelis Gorsira. Verwilderd. Op Aruba en Bonaire: apeldam. Op de Bovenwindse Eilanden pomme cerette.

 

@: Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (@: APNA / @: A.P.N.A.)

zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Apostolaat
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Apostolaat, Zusters van sociaal
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Aquacultuur

De hoge verdampingsgraad, alsmede de kosten, die aan de produktie van zoet water verbonden zijn, sluiten de mogelijkheid van een winstgevende visserij in visvijvers vrijwel uit.

Toekomstige ontwikkelingen zullen zich op de Antillen dan ook zoveel mogelijk op maricultures moeten richten, d.w.z. cultures van zeeorganismen. De ontwikkelingen op dit gebied verkeren nog grotendeels in een experimenteel stadium, al werd op sommige gebieden (garnalen¬cultuur) in de afgelopen jaren vooruitgang geboekt.

Op Bonaire vindt thans kweek plaats van karko-schelpen (Strombus gigas); wanneer zij een dusdanige grootte bereikt hebben dat zij minder kwetsbaar zijn voor predatoren, zullen zij uitgezet worden in het Lac (Bonaire) en ook bij de andere eilanden. Door overbevissing zijn de oorspronkelijke natuurlijke populaties van de karko sterk gereduceerd. Tevens is het de bedoeling door dit project een beter inzicht te krijgen in de mogelijkheden van karko-cultures op commerciële basis. Voor dit karko-project is de Stichting Marcultura opgericht.

 

@: Aquarium

Hoewel juist de Nederlandse Antillen met hun rijke zeefauna en glashelder water uniek gelegen zijn voor een groot aquarium, bestaan er tot dusver alleen enkele kleinere aquaria die regelmatig te bezichtigen zijn, onder andere het aquarium van het Carmabi aan de Piscaderabaai op Curaçao.

Vele particulieren bezitten bijzonder mooie aquaria, die echter meestal niet met Caribische dieren, maar met geimporteerde zoetwatervis bevolkt zijn.

 

@: Ararat

Heuvel in Willemstad, die het Waaigat en Scharloo domineert, in feite een erosierand van het kalksteenhoogterras. Hier staat een groot Mariabeeld, dat door de katholieke bevolking ter gelegenheid van de Mariafeesten in 1954 is opgericht (ontwerper Antonio del Villar). Hier bevindt zich het F.D. Roosevelthuis, woning en kantoor van de Amerikaanse consul, en het Simon Bolivarhuis ten behoeve van de Venezolaanse consul, beide geschenken van de Nederlands-Antilliaanse regering. De grote vierbaansweg en de opritten naar de vaste brug over de St. Annabaai springen duidelijk in het oog. Aan de zijde van de wijk Parera is een concentratie van dienstverlenende activiteiten.

 

@: Ararut

(Maranta arudinacea) of arrowroot, plant uit de familie der Marantaceae, een overblijvende plant, 40-100 cm hoog, met vlezige, ondergrondse wortelstokken, waaruit het licht verteerbare arrowrootzetmeel wordt gewonnen.

 

@: Arbeid gedwongen / @: Gedwongen arbeid

is in de Nederlandse Antillen krachtens het Arbeidsverdrag nr. 29 verboden. Als tijdelijke maatregel om verloop in bedrijven, die belangrijk waren voor de oorlogvoering in de Tweede Wereldoorlog, tegen te gaan (bijvoorbeeld de olieindustrie, de scheepvaart), heeft de verplichting bestaan in deze bedrijven te blijven werken.

 

@: Arbeidsbemiddeling

De openbare arbeidsbemiddeling is erop gericht de werkzoekende zo snel mogelijk te leiden naar de openstaande arbeidsplaatsen. De Landsverordening Instelling Arbeidsbureau 1946 (P.B. 1946 no. 109, zoals gewijzigd) verbiedt de arbeidsbemiddeling door andere organen en draagt deze uitsluitend op aan het arbeidsbureau. De werkzoekenden die niet direct geplaatst kunnen worden, worden ingeschreven in de arbeidsbemiddelingsregistratie. Eind 1981 stonden bij de Dienst voor Arbeidszorg Curaçao ruim 20.000 personen ingeschreven als werkzoekenden. Hiervan waren gedurende 1981 305 personen aan werk geholpen. Ter verhoging van de kans om weer opgenomen te worden in het arbeidsproces worden werkzoekenden ook wel geplaatst op de Aanvullende Werkvoorziening of op een van de vakopleidingen. Een van de factoren die de lage bemiddelingsscore helpen verklaren, betreft de grote discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Over het algemeen is er een grote vraag naar hooggeschoolde arbeidskrachten en betreft het overgrote deel van het aanbod laaggeschoolden en ongeschoolden.

 

@: Arbeidsbureau

De afdeling Arbeidsbureau van de Dienst voor Arbeidszorg heeft tot taak de arbeids- en bedrijfsregistratie bij te houden en de arbeidsbemiddeling te verzorgen. Verder adviseert zij ten aanzien van werkvergunningen voor buitenlandse arbeidskrachten en oefent zij côntrôle uit op het nakomen van de wettelijke verplichtingen tot inschrijving in een arbeidsregister, op het hebben van een werkboek en op de werkvergunningen van buitenlandse arbeidskrachten.

 

 @: Arbeidsduur

De algemene maximum arbeidsduur is wettelijk vastgesteld op 8 uur per dag en 45 uur per week (Arbeidsregeling 1952, art. 5 lid 1). Afwijking tot 8 ½ uur per dag in een werkweek van ten hoogste 5 dagen is mogelijk. De resultaten van de volkstelling 1981 geven aan dat voor de Antillen 13% van de loontrekkers in vaste dienst minder dan 40 uur per week werkt, 65% tussen de 40 en 42 uur per week en dat 22% langer dan 42 uur per week werkt. Ingevolge collectieve arbeidsovereenkomsten bestaat in de grote bedrijven de vijfdaagse 40-urige werkweek, zoals dit ook het geval is bij de overheden.

Iedere andere afwijking moet afzonderlijk worden goedgekeurd door de Directeur van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken nadat deze eerst de commissie ex artikel 21 van de Arbeidsregeling 1952 heeft gehoord.

Ingevolge deze regeling zijn in het algemeen de zondag en de 10 daarmee gelijkgestelde dagen verplichte rusttijden, evenals de tijd tussen 18.30 uur en 6.00 uur, alsmede een halve werkdag per week vóór of na 13.00 uur. Bij een vijfdaagse werkweek vervalt deze halve dag. Verder moet na 5 uren arbeid een rusttijd van tenminste een half uur worden gegeven; voor bepaalde soorten arbeid - bijvoorbeeld continu arbeid kan bij goedgekeurd rooster van het bovenstaande worden afgeweken.

 

@: Arbeidsgeschil

In een arbeidsgeschil waarbij minder dan 25 werknemers betrokken zijn, wordt door ambtenaren van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken bemiddeld. Indiën de bemiddeling geen resultaat heeft, kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen kosteloze rechtskundige bijstand worden verleend. Indiën het een geschil betreft waarbij 25 of meer werknemers zijn betrokken en uitsluiting of staking dreigt, moet de tussenkomst van de Landsbemiddelaar worden ingeroepen.

 

@: Arbeidshygiëne

zie @: Arbeidsveiligheid.

 

@: Arbeidsinspectie

behoort tot de taken van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken dat belast is met het toezicht op de juiste nakoming van de arbeidswetgeving voor zover hiervoor geen uitvoerende bevoegdheden zijn overgedragen aan de Eilandgebieden hetgeen geschied is voor de arbeidsregistratie en voor stuwadoorsarbeid. Tot de taken van de Afdeling Arbeidsinspectie behoren. onder meer:


  • côntrôle op de minimumloon-uitkering (P.B. 1972 nr. 110);
  • côntrôle op de naleving van de arbeidsregeling 1952 (P.B. 1952 nr. 93) waaronder de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en -tijden;
  • côntrôle op de vakantieregeling (P.B. 1968 nr. 112);
  • verzamelen van gegevens in de bedrijven omtrent onder meer het werkzame personeel, de loonvorming, de werkvergunningen, de c.a.o.’s, dit mede ter, ondersteuning van de loontechnische dienst;
  • onderzoek en rapportage t.b.v. de adviescommissie ex art. 21 inzake de uitvoering van de arbeidsregeling 1952.

 

@: Arbeidsongeschiktheid

ten gevolge van ziekte of ongeval mag niet leiden tot ontslag tenzij de ongeschiktheid tenminste een jaar heeft geduurd (B.W. art. 1615h). Voor het overige wordt onderscheid gemaakt naargelang de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ziekte of van ongeval waarbij respectievelijk de Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966 nr. 15) en Ongevallenverzekering (P.B. 1966 nr. 14) op de werknemer van toepassing zijn.

 

@: Arbeidsovereenkomst

Op de individuele arbeidsovereenkomst zijn  de artikelen 1613 t/m 1615 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De collectieve arbeidsovereenkomst is wettelijk geregeld in de Landsverordening Collectieve Arbeidsovereenkomst (P.B. 1958 nr. 60). De verbindende verklaring van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten is nog niet wettelijk geregeld. Een wetsontwerp hiertoe is reeds jaren onderwerp van discussie. De overgrote meerderheid van de ongeveer 200 op de Antillen bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten is aangegaan tussen één bedrijf en één vakbond. Slechts in sommige bedrijfstakken zoals in de constructie-sector zijn de C.A.O’s aangegaan met een vereniging van werkgevers. Onderstaande staat geeft het aantal geregistreerde C.A.O.’s op Curaçao en Aruba   aan vanaf 1974.

 

@: Arbeidsregister

Zie @: Arbeidsregistratie

 

@: Arbeidsregistratie

In 1946 werd een verplichte inschrijving van de arbeidskrachten ingesteld. Iedere werknemer dient in het bezit te zijn van een werkboekje, terwijl de werkgever een arbeidsregister moet bijhouden. De uitvoering van deze regeling is in 1955 overgedragen aan de eilandgebieden, die daartoe Diensten voor Arbeidszorg resp. Arbeidszaken hebben ingesteld.

Voor Curaçao is de taakstelling van de Dienst voor Arbeidszorg vastgelegd in de eilandelijke regeling Hulpverlening Arbeidszorg (A.B. 1971 nr. 3). Volgens het jaarverslag 1980 van de Dienst voor Arbeidszorg te Curaçao bedroeg het totaal aantal ingeschreven arbeidskrachten aan het einde van dat jaar 75.565. Het aantal gedurende datzelfde verslagjaar uitgereikte arbeidsregisters bedroeg 383. Dit bracht het totaal aan de in de bedrijfsregistratie opgenomen bedrijven tot 4.018.

 

@: Arbeidsreglement

De artikelen 1613i en 1613j van het B.W. bevatten de voorschriften waaraan een werkgever moet voldoen om tot een geldig reglement te geraken. Hierbij is o.m. bepaald, dat een nieuw of gewijzigd reglement zolang tevoren algemeen bekend moet worden gemaakt, dat de arbeider er zich behoorlijk over kan beraden. Is deze tijd te kort geweest en kan de arbeider zich niet met de inhoud verenigen, hetgeen als opzegging van de dienstbetrekking wordt beschouwd, dan wordt de werkgever schadeplichtig.

 

@: Arbeidsveiligheid

De Veiligheidslandsverordening 1942 was de voorloper van de thans van toepassing zijnde Veiligheidslandsverordening 1958. In zoverre komen beide overeen dat zij zelf geen voorschriften bevatten, doch bepalen hoe en in welke vorm de vereiste voorschriften kunnen worden ingegeven. Het Veiligheidsbesluit I daterende uit 1955 is overgenomen als besluit ter uitvoering van de nieuwe Veiligheidslandsverordening 1958. Het bevat uitgebreide algemene voorschriften ook ten aanzien van de arbeidshygiëne. Het Veiligheidsbesluit II is van toepassing op het bouwbedrijf, waaronder mede het sloopbedrijf moet worden verstaan. Voorts is er nog een besluit betreffende propaan- en butaanreservoirs. Inmiddels (1975) is de Veiligheidsinspectie op Aruba en St. Maarten overgedragen aan de Eilandgebieden die deze taak hebben ondergebracht bij de Dienst voor Arbeidszorg. Op Curaçao en Bonaire wordt deze taak nog uitgeoefend door het Departement van Arbeid en Sociale Zaken.

 

@: Arbeidsverzuim

is nog niet statistisch vastgelegd. Enige grote bedrijven beschikken wel over percentages voor eigen gebruik. Verzuim waarbij de werknemer recht op betaling behoudt, is dat wegens ziekte en ongeval en geoorloofd kort verzuim (snipperdag). De wettelijke bepalingen hieromtrent zijn in artikel l6l4c B.W. opgenomen. In de meeste collectieve arbeidsovereenkomsten worden met uitsluiting van dit artikel de omstandigheden opgesomd, welke recht geven op kort verzuim en de duur daarvan (bijv. huwelijk, bevalling, overlijden van bloedverwanten).

 

@: Arbeidsvoorzieningen

De voorzieningen van de overheid om de aanbodzijde (aanbod van arbeidskrachten) van de arbeidsmarkt te beinvloeden. Deze voorzieningen vormen een gedeelte van de beleidsinstrumenten waarover de overheid beschikt om een arbeidsmarktbeleid te voeren. Er bestaan ook beleidsinstrumenten om de vraagzijde (vraag naar arbeidskrachten) te beinvloeden zoals vestigingsfaciliteiten voor bedrijven. De voornaamste arbeidsvoorzieningen zijn:


  • arbeidsbemiddeling,
  • scholing,
  • beroepskeuzevoorlichting, 
  • toelating van buitenlandse arbeidskrachten, 
  • emigratie van lokale arbeidskrachten, 
  • aanvullende / tijdelijke werkvoorziening,
  • sociale werkplaatsen.


De arbeidsvoorzieningen met betrekking tot seholing zijn:


- vakopleidingen (om-, her- en bijscholing),

- training on the job,

- leerlingenstelsel.


Instandhouding van deze voorzieningen is toegewezen aan de Diensten voor Arbeidszorg van de onderscheiden Eilandgebieden.

 

@: Arbeidswetgeving

De arbeidswetgeving, afgezien van de oude slavenreglementen, is in de Nederlandse Antillen van betrekkelijk jonge datum. Vóór de komst van de olieindustrie werd hier blijkbaar geen behoefte toe gevoeld. Eerst toen de industrialisatie een zodanige omvang begon aan te nemen dat het patroon aangepast moest worden aan de nieuwe omstandigheden en het duidelijk werd dat de bestaande paternalistische verhouding tussen werkgever en werknemer tot verdwijnen gedoemd was, kwamen de eerste wettelijke regelingen op arbeidsgebied tot stand. Evenals in Nederland begon dit met een verbod van kinderarbeid (1939). Dit verbod gold voor kinderen beneden de 13 jaar.

Daarop werd het B.W. herzien (1940). “De Vijfde Afdeling des Zevenden Titels” van het derde boek van het B.W. werd vervangen door een “Zevenden Titel A”, handelende over de overeenkomsten tot het verrichten van arbeid en niet meer “omtrent huur van dienstboden en werklieden”.

De verkorting van de arbeidsduur kreeg ook de aandacht. Reeds in 1935 kwam een werktijdenregeling voor winkelpersoneel tot stand, waarbij de maximum arbeidsduur werd vastgesteld op 55 uur per week; hiermee kwam een einde aan de wantoestand van een arbeidsduur van doorgaans meer dan 60 uur per week. Een soortgelijke regeling voor kantoorpersoneel verscheen in 1941, in hoofdzaak bepalende dat de maximum arbeidstijd in kantoren 46 uur per week zou bedragen, en in het kantoor dat bij een winkel behoorde 48 uur. Deze regelingen zijn vervallen bij het in werking treden van de Arbeidsregeling 1952. Gedurende de Tweede Wereldoorlog heeft enkele jaren de verplichting bestaan in bepaalde bedrijven te blijven werken, o.a. in de olie-industrie; ook gold toen vaarplicht voar zeelieden.

Onmiddellijk na deze oorlog kwam veel nieuwe arbeidswetgeving tot stand: In 1945 de Landsverordening tot Inschrijving van Arbeidskrachten (P.B. 1945 nr. 106), waarbij de arbeidsregistratie werd geregeld; in 1946 de Arbeidsbureaulandsverordening, waarbij de arbeidsbureaus werden ingesteld als organen van de openbare arbeidsbemiddeling (P.B. 1946 nr. 109); eveneens uit 1946 dateren de Stuwadoorslandsverordening, waarin bepaalde regelen werden gesteld ten aanzien van stuwadoorsarbeid, en de Loonregeling 1946, die o.a. bepaalde dat minimumlonen konden worden vastgesteld; ook een arbeidsgeschillen-landsverordening kwam in datzelfde jaar tot stand (P.B. 1946 nr. 119); een vakantieregeling verscheen in 1949 (P.B. 1949 nr. 17).

De lang gevoelde behoefte aan een algemene vaststelling van de arbeidsduur leidde tot het tot stand komen van de Arbeidsregeling 1952, waarin behalve deze voorschriften ook voorschriften zijn opgenomen betreffende kinderarbeid, vrouwenarbeid, en arbeid van jeugdige personen. Nieuwe regelingen op het gebied van de arbeidsveiligheid en arbeidshygiëne volgden. Nadat er reeds collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten waren, verscheen de Landsverordening Collectieve Arbeidsovereenkomsten. Voortdurend wordt er nog aan modernisering van de arbeidswetgeving gewerkt. Zo werd o.a. in 1961 in het B.W. een nieuw ontslagrecht opgenomen in hoofdzaak overeenkomende met het Nederlandse.

 

@: Arbeidszaken
zie @: Arbeidszorg Dienst voor.

Foto: Sociale werkplaats van de Dienst voor Arbeidszorg 

@: Arbeidszorg Dienst voor

Op grond van de Overdrachtslandsverordeningen XIII en XIII-2 “Sociale en Economische Zaken” (P.B. 1955 nr. 91 en P.B. 1961 nr. 157) werden aan de Eilandgebieden de uitvoering van de arbeidsregistratie en de openbare arbeidsbemiddeling overgedragen. Door instelling van Diensten voor Arbeidszorg geven de Eilandgebieden uitvoering aan de Landsverordening Inschrijving Arbeidskrachten 1945 (P.B. 1945 nr. 106, zoals gewijzigd) en de Landsverordening houdende instelling van het arbeidsbureau 1946 (P.B. 1946 nr. 109, zoa1s gewijzigd). Deze diensten hebben tot taak maatregelen tot uitvoering te brengen die gericht zijn op het realiseren van een doelmatig arbeidsmarktbeleid en om door middel van instandhouding van arbeidsvoorzieningen tegemoet te komen aan individuele maatschappelijke nood, die het gevolg is van werkloosheid. De Eilandelijke Regeling Hulpverlening Arbeidszorg Curaçao (A.B. 1971 nr. 3, zoals gewijzigd) is een uitvoeringsbesluit van de Eilandsverordening Regeling Maatschappelijke Zorg Curaçao (A.B. 1966 nr. 69) die arbeidszorg definieërt als een onderdeel van de maatschappelijke zorg die beoogt zoveel als mogelijk de gelegenheid te scheppen tot het op passende wijze opnemen of opgenomen houden in het arbeidsproces van degenen die daar onvrijwillig buiten staan of dreigen te geraken en als gevolg daarvan in maatschappelijke nood verkeren of dreigen te verkeren, een en ander op zodanige wijze dat zij in hun onderhoud en dat van hun gezin kunnen voorzien. Volgens deze regeling heeft de Dienst tot taak:

• arbeidsbemiddeling,

• beroepskeuze- voorlichting,

• tewerkstelling bij een vakopleiding,

• tewerkstelling bij een sociale werkplaats,

• tewerkstelling bij een project voor aanvullende werkvoorziening.


De Dienst voor Arbeidszorg heeft voor bovenbedoelde taken een vijftal afdelingen ingesteld, t.w.:

de afdeling Arbeidsbureau, die tot taak heeft de *arbeids- en bedrijfsregistratie bij te houden en de arbeidsbemiddeling; verder adviseert deze afdeling ten aanzien van werkvergunningen voor buitenlandse arbeidskrachten en oefent zij côntrôle uit op het nakomen van de verplichting tot inschrijving in een arbeidsregister, op het hebben van een werkboekje en op de vergunningen van buitenlandse arbeidskrachten;

- de afdeling Selectie en Begeleiding die o.m. tot taak heeft voor te lichten omtrent beroepskeuze en beroep;

- de afdeling Vakontwikkeling voor volwassenen moet de vakopleiding in de vorm van om-, her- en bijscholing verzorgen;

- de taak van de afdeling * Aanvullende Werkvoorziening (A.W.V.) is het tewerkstellen van werkzoekende arbeidkrachten op aanvullende-werkvoorzieningsprojecten. Deze Aanvullende Werkvoorziening is erop gericht een noodzakelijke complement te vormen van het scheppen van normale arbeidsplaatsen en dient als een overgangsinstituut, dat de gedemoraliseerde werkloze zoveel mogelijk revalideert en geschikt maakt om, na bemiddeling, eventueel na scholing of herscholing, in het bedrijfsleven te worden geplaatst;

- de afdeling Sociale Werkplaatsen heeft tot taak geestelijk en/of lichamelijk gehandicapte werkzoekenden gelegenheid te geven hun arbeidsgeschiktheid te verbeteren dan wel in stand te houden en om in zijn of haar onderhoud te voorzien door hen te werk te stellen op een beschutte sociale werkplaats. Deze voorziening is noodzakelijk omdat deze personen wegens hun lichamelijk en/of geestelijk gebrek niet of voorlopig niet in het normale arbeidsproces kunnen worden opgenomen.

 

 

 

@: Arbitrage in arbeidsgeschillen

In de meeste collectieve arbeidsovereenkomsten wordt bepaald, dat bij tussen partijen gerezen geschillen, waarin geen minnelijke schikking mogelijk blijkt, in laatste instantie het geschilpunt zal worden voorgelegd aan een arbitragecommissie. In de eenvoudigste vorm wijst ieder der partijen een scheidsman aan, terwijl de derde door de aangewezenen gezamenlijk wordt aangezocht.

 

@: Arbovirussen

(afgekort van Arthropod-borne viruses) zijn virussen die zich voornamelijk handhaven door een biologische overdracht van gewervelde dieren (inclusief de mens) en bloedzuigende geleedpotige insecten. Het virus kan zich vermenigvuldigen in het gewervelde dier maar ook in het insekt. Dit laatste moet eerst bloed opzuigen van een ziek gewerveld dier of mens.

Na besmetting met een arbovirus ontstaat in de regel een levenslange immuniteit. Anti-stoffen tegen het ene arbovirus beschermen soms ook tegen infectie met een ander arbovirus.

Er zijn meer dan 350 arbovirussen geïdentificeerd. De belangrijkste ziekten die op de Nederlandse Antillen door arbovirussen worden teweeggebracht zijn dengue en gele koorts. De overbrenger is een mug, Aëdes aegypti.

(Zie @: dengue; @: gele koorts; @: muggen).

 

@: Archeological Field School
Zie @: St. Eustatius.

 

 

Foto: Archeologische opgravingsplaats te Tanki Flip Aruba. Onderzocht werd hier 0,6 ha grond

@: Archeologie

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Vondsten en opgravingen

Hoofdstuk 3: Datering

Hoofdstuk 4: Geschiedenis

Hoofdstuk 5: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

 

Hoofdstuk 1: Inleiding

Is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de materiële resten van vroegere bewoners van een bepaald gebied. Doorgaans bevinden deze resten zich aan de oppervlakte, in de bodem of onder water.

In de Nederlandse Antillen richt dit onderzoek zich vooral op de oudste bewoners,  de indianen; sinds kort ook op material uit de koloniale tijd, dit ter aanvulling van de bestaande historische bronnen (Zie ook onder Prehistorie).

Hoofdstuk 2: Vondsten en opgravingen

Men onderscheidt immobiele en mobiele objecten. Onder de eerste vallen de resten van nederzettingen met hun grondsporen. Grondsporen zijn verkleuringen in de grond die het resultaat zijn van vroegere activiteiten: Bijvoorbeeld grafkuilen, paalgaten voor hutconstructie en stookkuilen. De bodem van langdurig bewoonde nederzettingen is vaak donkerder dan die van de omgeving. Ook zijn vaak verschillende bewoningslagen boven elkaar door kleurverschil te onderscheiden. Ook rotstekeningen zijn immobiele objecten. Mobiele objecten worden veelal in groten getale in de nederzettingen aangetroffen. In neo-indiaanse context zijn dit vooral aardewerkscherven maar ook voorwerpen van steen en schelp; meestal is alles beschadigd of kapot. Een uitzondering hierop vormen de grafkuilen, waarin naast menselijke skeletten soms grafgiften en urnen betrekkelijk onbeschadigd worden aangetroffen. Op sommige objecten is men bij toeval gestuit bijvoorbeeld tijdens wegenaanleg of bij telefoonkabelaanleg; andere zijn verkregen uit systematisch archeologisch opgravingsonderzoek. Opgravingen worden uitgevoerd volgens een strenge systematiek; het doel hiervan is zoveel mogelijk gegevens in horizontale en verticale vlakken zichtbaar te maken en vast te leggen op tekeningen; ook de positie van de vondsten wordt hierop vastgelegd.

 

Hoofdstuk 3: Datering

Verschillende vindplaatsen in de Nederlandse Antillen zijn direct of indirect gedateerd met de radiokoolstof-methode (C-14 datering). De ouderdom wordt daarbij opgegeven in C-14- “jaren”. Gebleken is dat deze C-l4- “jaren” afwijken van kalenderjaren, voor sommige periodes meer dan voor andere. Hiervoor werden recentelijk correctietabellen opgesteld. De ouderdomsopgaven onder prehistorie zijn reeds gecorrigeerd en wel volgens de tabellen van Klein et al., 1982.

 

Hoofdstuk 4: Geschiedenis

De oudste vermelding van archeologica in de Nederlandse Antillen is een beschrijving van de rotstekeningen van Fontein op Aruba door Bosch in 1836. Het belangrijkste onderzoek in de negentiende eeuw werd verricht door Van Koolwijk, die tussen 1870 en 1886 een grote hoeveelheid archeologica op de drie Benedenwindse Eilanden heeft verzameld en vervolgens heeft doorgestuurd naar Leiden. Zowel Leemans als Van Koolwijk zelf hebben publikaties gewijd aan deze collectie. Een samenvatting van de aan het begin van deze eeuw bekende resultaten is gegeven door Ten Kate. De Josselin de Jong heeft een uitgebreide publikatie gewijd aan de collectie Van Koolwijk; enkele jaren later heeft hij deelgenomen aan de "Deensch-Nederlandsche archeologische expeditie naar de Antillen”, waarbij hij op de drie Bovenwinden en op Aruba en Curaçao een veldinventarisatie heeft gedaan en opgravingen heeft verricht. Het materiaal, verzameld tijdens deze expeditie, bevindt zich te Leiden, evenals zijn ongepubliceerd dagboek. Belangrijk is de publikatie van De Josselin de Jong van het Saladoïde materiaal van St. Eustatius en Saba.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben de publikaties van Wagenaar Hummelinck (rotstekeningen), Tacoma (menselijk skeletmateriaal), Du Ry en Van Heekeren sterk de aandacht getrokken. Een samenvatting van de stand van zaken eind 1960er jaren is gegeven door Cruxent en Rouse, van wie eerstgenoemde ook veldwerk op Curaçao en Aruba verrichtte.

In 1967 werd een eigen archeologisch instituut opgericht: het  Archeologisch Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen (A.A.I.N.A.). Het archeologisch onderzoek wordt mede verricht door Jay Haviser. Archeologisch onderzoek op Aruba o.l.v. Boerstra gaat momenteel uit van het in 1981 geopende Archeologisch Museum Aruba. Musea zijn er ook op de andere eilanden, waar archeologische collecties van het desbetreffende eiland berusten. In de afgelopen jaren zijn bijdragen over archeologie van de Nederlandse Antillen verschenen van de hand van o.a. Boerstra, Chris Engels, Figueredo, Gould, Heidecker & Siegel, Haviser, Sterks en Tacoma (zie ook Prehistorie.)

Sinds 1981 wordt een historisch archeologisch onderzoek op St. Eustatius verricht door de University of South Florida en het College of William and Mary in samenwerking met het Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen (A.A.I.N.A.).

In 1984 is het A.A.I.N.A., in samenwerking met het Instituut voor Prehistorie van de Leidse universiteit en de Historical Foundation of St. Eustatius, aangevangen met een onderzoek, verband houdende met de prehistorie van St. Eustatius.

 

Hoofdstuk 5: Literatuur

Lit.: G.B. Bosch, Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Zuid- en Noord-Amerika, II. Utrecht. (1836); J. M. Cruxent & I. Rouse, Archeologie. In:

H. Hoetink, Encyclopedie van de Nederlandse Antillen, 29-39. (1969);

Chr. Engels, Opgravingen te Malmok op Aruba. De kwestie “Gigan”. (1970);

H.R. van Heekeren, Studies on the archaeology of the Netherlands Antilles II. A survey of the nonceramic artifacts of Aruba, Curaçao and Bonaire. N.W.I.G. 40, no. 2: 103-120, (1960); idem, Studies on the archaeology of the Netherlands Antilles III. Prehistorical research on the islands of Curaçao, Aruba and Bonaire in 1960. N.W.I.G. 43, no. I: 124, (1963);

J.P.B. de Josselin de Jong, The praecolumbian and early postcolumbian aboriginal population of Aruba, Curaçao and Bonaire. Intern. Archiv Ethnogr. 24: 51-114. (1918); idem, Verslag van de Deensch-Nederlandsche Archaeologische Expeditie naar de Antillen. Bulletin 79 van het Rijksmuseum voor Volkenkunde: 3-8. (1923); idem, Archaeological material from Saba and St. Eustatius, Neth. Antilles. Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde I: I-54. (1947);

H.F.C. ten Kate, Oudheden. In: H.D. Benjamins & J.F. Snelleman, Encyciopaedie van Nederlandsch West-Indië: 541-546. (1914/17);

J. Klein et aI., Calabration of radiocarbon dates, Radiocarbon, 24, no. 2: 103-150;

A.J. van Koolwijk, De Indianen-Caraiben, oorspronkelijke bewoners van Curacao, -T.A.G., 5: 57-68. (1881); idem, De Indianen-Caraiben, oorspronkelijke bewoners van het eiland Aruba (West-Indië). T.A.G., 6: 222-229. (1882);

C. Leemans, Antiquites americaines recemment acquises pour le Musée Royal Neerlandais d' Antiquités á Leide. Compte-rendu du 3e Congrès des Americanistes, 1: 657-675. (1880); idem, Altertümer von Curaçao, Bonaire und Aruba, Mitteilungen Niederl. Reichsmuseum Volkerkunde, Veroff. (2) 9: 7-17. (1904);

C.J. du Ry, Studies on the archaeology of the Neth. Antilles: L Notes on the pottery of Aruba, Curaçao and Bonaire. N.W.LG., 40, no. 2: 81-102. (1960);

J. Tacoma, Indian skeletal remains from Aruba, W.LG., 39, no. 2-4: 95-112. (1959); idem, Kunstmatige schedeldeformatie in Aruba, N.W.LG., 43, no. 3: 211-222 (1964).

N.B. (N.)W.I.G.: (Nieuwe) West-Indische Gids; T.A.G.: Tijdschrift van het Nederlands Aardrijkskundig Genootschap.


@: A.A.I.N.A. / @: AAINA / @: Archeologisch-Antropologisch Instituut Nederlandse Antillen

Aanvankelijk (1967) opgericht als een sectie van het Bureau voor Cultuur en Opvoeding met de nadruk op het archeologisch onderzoek heette het instituut Archeologisch Instituut Nederlandse Antillen (A.I.N.A.). Door uitbreiding met een afdeling sociaal-culturele antropologie in 1977 werd de naam gewijzigd in A.A.I.N.A. Het doel van het instituut is het reconstrueren van de geschiedenis van de Nederlandse Antillen en het doen van sociaal-cultureel antropologisch onderzoek.

De afdeling archeologie doet opgravingen; het gevonden materiaal wordt geclassificeerd, geregistreerd en geconserveerd en daarna in een theoretische context geplaatst (zie voorts Archeologie: geschiedenis).

De afdeling onderwater-archeologie, opgericht in 1983 houdt zich o.a. bezig met een survey rond de eilanden van de Nederlandse Antillen en met een onderzoek naar historische resten in het Schottegat en in het Spaanse Water.

De afdeling sociaal-culturele antropologie verricht in het bijzonder studies van religie, folklore, orale traditie en historie, muziek en dans.

 

 

@: Archieven

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Historische documentatie

Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in Nederland

Hoofdstuk 3: Vindplaatsen in de Nederlandse Antillen

Hoofdstuk 4: Literatuur

Hoofdstuk 5: Enkele thematische bronnenoverzichten

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Archieven Hoofdstuk 1: Historische documentatie

De geschiedenis van de Nederlandse Antillen vormt een onderdeel van (en is in sterke mate verweven met) de geschiedenis van het Caribisch gebied in zijn geheel. Dit geldt niet alleen voor de politiek-staatkundige geschiedenis met zijn talrijke vlagwisselingen in de 17de-18de eeuw, maar ook voor de sociaal-economische geschiedenis (handels- en scheepvaartbetrekkingen, slavenhandel, migratie van arbeiders). De complexiteit van dit geschiedbeeld wordt weerspiegeld in de locatie van de bronnen: Deze bevinden zich ten dele in de regio, daarnaast in de omringende landen (Latijns-Amerika, speciaal Venezuela; Verenigde Staten) en voor het overgrote deel in de voormalige koloniserende landen (Spanje, Frankrijk, Engeland, Nederland). Met het oog op de problematiek die voor het historisch onderzoek hieruit voortvloeit (en die mutatis mutandis voor alle landen van de Derde Wereld geldt) zijn onder de auspiciën van de UNESCO en de Internnationale Archiefraad drie series bronnengidsen op stapel gezet: Latijns Amerika, Afrika ten zuiden van de Sahara, Azie en Oceanië. (Guides to the Sources for the History of the Nations).

Van de serie Latijns-Amerika zijn voor de geschiedenis van de Nederlandse Antillen vooral de gidsen inzake de bronnen in Nederland, Spanje, Engeland, de National Archives in Washington en het Vaticaan van belang (zie literatuurlijst); het eveneens belangrijke deel betreffende bronnen in Frankrijk is nog niet verschenen. Uiteraard is de omvang van het bronnenmateriaal in Nederland het grootst; de Nederlandse gids en de aanvullingen daarop komen hieronder ter sprake bij de beschrijving van de voornaamste depots in Nederland. De overige gidsen geven interessante aanvullingen en laten ook onvermoede verbanden zien. Enkele voorbeelden mogen dit verduidelijken: De bibliotheek van H.M. Customs and Excise te Londen bevat 297 delen met gegevens over invoerrechten op West-Indische plantageprodukten,  waaronder drie delen Curaçao 1807-1816 en een deel Suriname 1804-1824. De archieven van de Amerikaanse consuls te Curaçao over 1797-1943 beslaan ongeveer twaalf strekkende meter, daarnaast zijn er dertien delen “dispatches” (periodieke rapporten) over 1793-1906 (National Archives, Washington; zie over één van die consuls de biografie van J. Hartog; 1971). In de Biblioteca Nacional te Madrid treffen we diverse manuscripten van Curaçao aan, waaronder een gekleurde kaart van Juan Liguera Antayo uit 1742 (met veel details van het Schottegat, St. Annabaai enz.). Het archief van de pauselijke nuntius te ‘s Gravenhage 1802-1896 (nu in het geheim archief van het Vaticaan) bevat  uitvoerige correspondentie met diverse personen en instanties over de missie op Curaçao en in Suriname vanaf 1834. (Het belang van deze stukken wordt vergroot door de omstandigheid, dat de archieven van de apostolisch vicaris/bisschop van Curaçao voor het merendeel verbrand zijn op 30 mei 1969. Het generalaatsarchief van de Dominicanen te Rome heeft een bundel stukken betreffende de missie op Curaçao ‘ab origine missionis usque ad an. 1891’ (vgl. o.m. ‘Geschiedenis der missie van Curaçao ... 1945’ en de uitvoerige bibliografie van de artikelen van de paters Euwens, Latour e.a. in Hartog 1981.

 

Archieven Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in Nederland

Een overzicht van het zich in Nederland bevindende bronnenmateriaal betreffende Latijns-Amerika vindt men in Roessingh 1969; zie voor een aanvulling hierop (betreffende het Caribisch gebied) Van Laar 1975. Toegespitst op de Nederlandse Antillen - en daarom uitvoeriger, vooral met betrekking tot de 17de en 18de eeuw - is Meilink-Roelofsz 1954, 1968. Naast deze specifieke overzichten is voor archiefonderzoek onmisbaar de serie “Overzichten van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland” (Samsom, Alphen aan den Rijn, 1979-). Naast een opsomming van de aanwezige archieven bevatten deze overzichten inlichtingen over de openbaarheid, de toegankelijkheid (inventarissen en andere ontsluitingsmiddelen), literatuurverwijzingen en verdere aanwijzingen voor onderzoek. Voor materiaal betreffende de Nederlandse Antillen zijn de delen III, VII-X van belang, betreffende archieven in Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Amsterdam en het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.

Een afzonderlijke vermelding van alle relevante archiefdepots, bibliotheken, musea en documentatiecentra met een opsomming van zich daarin bevindende West-Indische archieven, handschriftcollecties en kaarten is ondoenlijk en ook onvruchtbaar; men zie hiervoor de reeds vermelde gidsen en overzichten.

Hieronder volgen de voornaamste vindplaatsen met een algemene karakteristiek van het zich aldaar bevindende materiaal.

Algemeen Rijksarchief, Prins Willem Alexanderhof 20, Den Haag (A.R.A.):

Een verzameling zeer instructieve beschouwingen over de betekenis van het A.R.A.voor de overzeese geschiedenis vindt men in Itinerario, Bulletin of the Leyden Centre for the History of European Expansion (Doelensteeg 16, Leiden), “Special issue: The New Algemeen Rijksarchief', 1980, Nr. 2.

De Eerste Afdeling van het A.R.A. bevat de archieven van de centrale regeringsorganen vóór 1795 (onder meer de Staten-Generaal), van de Oost- en West-Indische Compagnieën en van de besturen in de voormalige koloniën, voorzover deze naar Nederland zijn overgebracht (o.m. West-Indische bezittingen eind 17de eeuw-1846). Daarnaast ook een aantal familie- en persoonsarchieven. Van de Eerste W.I.C. (1621-1674) is het grootste deel van het archief verloren gegaan; het archief van de Tweede W.I.C. (1674-1791) bevat uitvoerige series notulen en daaraan gerelateerde series correspondentie, rapporten en andere stukken. De uit West-Indië (Suriname en de Nederlandse Antillen) overgebrachte archieven (gouverneursarchieven, administratie van financiën, notariële archieven enz.) vormen hiervan het complement. Vooral bij de correspondentie tussen Nederland en de koloniën zijn een aantal stukken in tweevoud aanwezig. Dit is een gunstige omstandigheid bij het onderzoek, omdat van de overgebrachte archieven een deel door klimaatsinvloeden sterk beschadigd is en niet kan worden geraadpleegd. Er bestaan inventarissen in typoscript van de archieven van de Eerste en Tweede W.I.C.; de uit de West overgebrachte archieven zijn beschreven in gedrukte inventarissen met inleidingen door R. Bijlsma; van het gedeelte 1828-1846 bestaan inventarissen in typoscript, eveneens met inleidingen. De overige ontsluitingsmiddelen (repertoria, indices, alfabetische klappers, inhoudslijsten van de delen met brieven en bijlagen) zijn, voorzover aanwezig, tamelijk gebrekkig. Door middel van indiceer- en microfilmprojecten wordt hierin geleidelijk aan voorzien. Bronnenpublikaties als het West-Indisch Plakaatboek en gedrukte archiefseries als Publicatiebladen en Koloniale Verslagen zijn bij het onderzoek van deze archieven onmisbaar.

De Tweede Afdeling omvat de archieven van de centrale organen van de staat sedert de oprichting van de eenheidsstaat ca. 1795, archieven van niet-overheidsinstellingen (banken, cultuurmaatschappijen, verenigingen) en familie / persoonsarchieven. Van belang voor de geschiedenis van de Nederlandse Antillen zijn onder meer Ministerie van Koloniën en opvolgende besturen 1814-1963, Ministerie van Buitenlandse Zaken 1813-1918 (-1946; met hiaten, deels nog niet overgebracht naar het A.R.A.), Ronde- Tafel-Conferenties Nederland-Suriname-Curaçao 1945-1951 (openbaarheid beperkt), Nederlandsche Handel Maatschappij 1823-1963 (openbaarheid beperkt) en de familie / persoonsarchieven Baud, Van den Bosch, Krayenhoff en Van Lansberge. Inventarissen merendeels in typoscript, ten dele gedrukt. De archieven van Koloniën en Buitenlandse Zaken zijn goed toegankelijk door middel van indices en klappers.

 

Dit is: Archieven Hoofdstuk 2: Vindplaatsen in Nederland (vervolg)

De Derde Afdeling (Rijksarchief in Zuid-Holland) behoeft hier geen afzonderlijke bespreking.

De Kaartenafdeling bevat een groot aantal manuscriptkaarten en gedrukte kaarten afkomstig van de Westindische Compagnieën, het Ministerie van Koloniën en het Ministerie van Marine. Inventarissen in typoscript en gedrukt. Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam, Amsteldijk 67, Amsterdam:

Notarissen ter standplaats Amsterdam, 1578-1895. Totale omvang van dit fonds 3000 strekkende meter, chronologisch geordend. Het gedeelte 1578-1842 bevat plusminus 20.000 protocollen (delen). Manuscript-inventaris en indices op de namen der notarissen en op de namen van partijen, genoemd in de notariële akten. Op de notarisprotocollen zijn (en worden) indices op fiches vervaardigd, onder meer volgens onderwerpen, beroepen, geografische namen en topografie van Amsterdam.

“Slechts de periode 1701-1710 is volledig bewerkt, daarnaast zijn incidenteel bepaalde rubrieken ter hand genomen. Onlangs is een handleiding gereed gekomen die het zoeken in het gevolgde fichessysteem vergemakkelijkt. Aangezien het gehele systeem nog in bewerking is, zijn de fiches slechts op met redenen omkleed verzoek en alleen via een archiefmedewerker te raadplegen. De toegankelijkheid van deze archieven wordt verder beperkt door de grote brandschade die zij in 1762 hebben opgelopen”. (De archieven in Amsterdam, 1981, p. 26.)

De notariele archieven vormen een rijke bron voor de geschiedenis van de overzeese betrekkingen van Amsterdam, onder meer met de Nederlandse Antillen (testamenten, bevrachtingscontracten etc.).

Classis Amsterdam van de Nederlands Hervormde Kerk, 1582-1950, omvang 25 strekkende meter. Inventaris in handschrift. De classis (= onderdeel van een provincie in de organisatie van het kerkbestuurbij de Prot. Kerken) Amsterdam van de N.H.K. hield zich onder meer bezig met de uitzending van predikanten naar de koloniën en correspondeerde met de hervormde gemeenten in de koloniën. Het archief bevat correspondentie met Curaçao over 1639-1804 en met de andere Antillen over 1710-1789.

Portugees-Israëlitische gemeente te Amsterdam, 1614-1939, 84 strekkende meter. Inventaris van W. Chr. Pieterse over het gedeelte 1614-1870 (Amsterdam, 1964). Het archief bevat boedelpapieren, familiepapieren, bemoeiingen met buitenlandse gemeenten en stukken betreffende kolonisatie en handel, voor een deel betrekking hebbend op (joden in) Curaçao, Suriname, Brazilie, Essequebo.

Van de overige instellingen die handschriften, kaarten, topografische afbeeldingen en foto's met betrekking tot de Nederlandse Antillen bezitten, dienen te worden genoemd:

Koninklijk Instituut voor de Tropen, Mauritskade 63, Amsterdam;

- Rijksmuseum Nederlands Scheepvaartmuseum, ‘s Lands Zeemagazijn, Kattenburgerplein, Amsterdam;

- Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (met Caribische Afdeling), Reuvensplaats 2, Leiden;

- Maritiem Museum Prins Hendrik, Scheepmakershaven 48, Rotterdam (1986-: Leuvehaven, Rotterdam).

 

Archieven Hoofdstuk 3: Vindplaatsen in de Nederlandse Antillen

- Centraal Historisch Archief van de Nederlandse Antillen (C.H.A.), Roodeweg 7a, Willemstad, Curaçao.

Het C.H.A. is opgericht bij Landsbesluit van 26 augustus 1969 (P.B. 1969, no. 128). Een ontwerp-Landsverordening tot regeling van het archiefwezen in de Nederlandse Antillen is op 19 februari 1982 aan de Staten aangeboden. Zie hierover Van Meerendonk 1982. Overzichten van het in de Nederlandse Antillen aanwezige archiefmateriaal en de toegankelijkheid daarvan in Meilink-Roelofsz 1966, 1968-9 en Van Soest 1980. Het C.H.A. publiceert tweemaal per jaar het tijdschrift Lanternu, Guia pa nos historia (Gids voor onze geschiedenis; Guide to our history - februari 1983), waarin artikelen over Antilliaanse geschiedenis verschijnen, gebaseerd op nog ongepubliceerd historisch materiaal. Tevens worden hierin inlichtingen over aanwinsten en inventarisatie verstrekt.

Er bestaat geen overzicht van de inhoud van het C.H.A.-depot; de bronnenlijsten bij Van Soest 1976 en Renkema 1981 geven een algemene indruk. Het voornaamste bestanddeel is het zogenaamde Gouverneursarchief 1846-1939, met de archieven van afzonderlijke diensten als de Administratie van Financien en bestuurscolleges als de Koloniale Raad. Van het Gouverneursarchief bestaat een inventaris (plaatsingslijst) in handschrift, die periodiek wordt aangevuld en herzien. Het gedeelte 1846-1880 omvat het gouvernementsjournaal (een besluitenlijst) met bijlagenseries (binnen- en buitenlandse correspondentie, correspondentie met diverse functionarissen, etc.). Deze series hebben afzonderlijke inhoudslijsten en klappers. Van 1880 tot ca. 1920 is een verbaalstelsel bijgehouden (Gouverneursbesluiten op datum en dagnummer, met de bijlagen), voorzien van agenda's en klappers. Het gedeelte ca. 1920-1939 was eertijds geordend volgens een rubriekenstelsel (onderwerpen van bestuur), dat nog gedeeltelijk intact gebleven is. In 1939 werd voor de lopende registratuur een decimale classificatie ingevoerd; in de daaropvolgende jaren is een groot deel van het oud-archief volgens deze code herordend, waarbij ca. 2000 onderwerpsdossiers zijn gevormd. Het verband met de oude orde (de diverse series vóór 1880, het verbaal 1880-1920, de rubrieken na 1920) is hierbij verloren gegaan. Het onderzoek in het oud-archief moet dus altijd langs twee lijnen verlopen. Er bestaat een “Klapper op de objectendossiers van het C.H.A., 1630-1956”, (Willemstad, 1970) stencil 229 pp., en een “Klapper met alfabetische inhoudsopgave van dossiers van de Koloniale Raad van het C.H.A., 1906-1938” (Willemstad, 1971) stencil 284 pp. Andere (deel)inventaris¬sen en klappers zijn in voorbereiding.


Archieven Hoofdstuk 4: Literatuur

  • Lit.: Guides to the Sources for the History of the Nations. First Series: Latin America.
  • Roessingh, M.P.H., Guide to the Sources in the Netherlands for the History of Latin America, (The Hague, General State Archives, 1968).
  • Guia de fuentes para la historia de Ibero-America conservadas en España, (Madrid, Dirección Gene¬ral de Archivos y Bibliotecas; 2 vols., 1966, 1969). Walne, P., A Guide to the Manuscript Sources for the History of Latin America and the Caribbean in the British Isles, (London, Oxford University Press, 1973).
  • Ulibarri, G. S. & J. P. Harrison, Guide to Materials on Latin America in the National Archives of the United States (Washington, National Archives and Records Service, 1974).
  • Pàsztor, L., Guida delle fonti per 1a storia dell’America Latina negli archivi delia Santa Sede e negli archivi ecclesiastici d’Italia, (Citta del Vati¬cano, Archivio Vaticano, 1970).
  • Overige geciteerde literatuur (archiefgidsen, mono¬grafieën):
  • Geschiedenis der missie van Curaçao. Door enkele paters Dominicanen, (Curaçao, Scherpenheuvel, 1945).
  • Hartog, J., US consul in 19th century Curaçao; the life and works of Leonard Burlington Smith, (Oranjestad, Van Dorp, 1971).
  • idem, Registerdeel en Historische Bibliografie (bij de Geschiedenis van de Nederlandse Antillen; Oranjestad, De Wit, 1981).
  • Laar, E. van, A survey of the archives in the Netherlands pertaining to the history of the Caribbean area (The Hague, Algemeen Rijksarchief, 1975). Meerendonk, H.J. van, “Landsverordening tot regeling van het archiefwezen in de Nederlandse Antillen”, Nederlands Archievenblad 86 (1982) p. 186-20l.
  • Meilink-Roelofsz, M. A. P., “A survey of archives in the Netherlands pertaining to the history of the Netherlands Antilles”, West-Indische Gids 35 (1955) p. 1-38; reprint Algemeen Rijksarchief, Den Haag, 1968.
  • idem, Een archiefreis in West-Indië. Rapport 16 mei 1966 (Stencil Algemeen Rijksarchief, Den Haag). Ook in Nieuwe West-Indische Gids 46 (1968) p. 261-287, 47 (1969) p. 67-90.
  • Renkema, W. E., Het Curaçaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw, (Zutphen, De Walburg Pers, 1981).
  • Soest, J. van, Olie als water; de Curaçaose economie in de eerste helft van de twintigste eeuw (Curaçao, Hogeschool van de Nederlandse Antillen / Centraal Historisch Archief, 1976).
  • idem, “Archival sources to the history of the Netherlands Antilles; a challenge for archivists and historians”, Nieuwe West-Indische Gids 54 (1980) p. 73-93.

 

Archieven Hoofdstuk 5: Enkele thematische bronnenoverzichten:

  • Opstall, M.E. van, “Archival sources in the Netherlands”,
  • Vera Rubin & Arthur Tuden (ed.), Comparative perspectives on slavery in New World plantation societies, (New York, The New York Academy of Sciences, 1977), p. 501-509.
  • Wijnaendts van Resandt, W., “In Nederland aanwezige gedrukte en handschriftelijke bronnen voor genealogisch en historisch onderzoek naar personen of families in de gebieden eertijds ressorterende onder de West-Indische Compagnie en de met haar verband houdende Societeiten”, Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 4 (1950) p. 160-204.
  • Wichard Timmers, W., “Handschriftelijke bronnen voor genealogisch, biografisch of historisch onderzoek naar personen of families in West-Indië, aanwezig in het Algemeen Rijksarchief te ‘s Gravenhage, van 1828 tot omstreeks 1880”, Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 20 (1966) p. 1-13.

Zie ook de literatuuropgaven bij de trefwoorden Bestuursregeling, Geschiedenis en West-Indische Compagnie.

 

@: Architectuur

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Algemeen

Sectie 1: Historische / traditionele architectuur en monumentenzorg

Sectie 2: Literatuur Algemeen

Sectie 3: Recente architectuur

Hoofdstuk 2: Aruba

Sectie 4: Traditionele architectuur

Sectie 5: Monumentenzorg

Sectie 6: Moderne architectuur

Hoofdstuk 3: Bonaire

Sectie 7: Traditionele architectuur

Sectie 8: Monumentenzorg

Sectie 9: Moderne architectuur

Hoofdstuk 4: Curaçao

Sectie 10: Historische architectuur

Sectie 11: Monumentenzorg

Sectie 12: Moderne architectuur

Hoofdstuk 5: Saba

Sectie 13: Traditionele architectuur

Sectie 14: Monumentenzorg

Hoofdstuk 6: St. Eustatius

Sectie 15: Historische en traditionele architectuur

Sectie 16: Monumentenzorg

Hoofdstuk 7: St. Maarten

Sectie 17: Traditionele architectuur

Sectie 18: Monumentenzorg

Sectie 19: Moderne architectuur

 

Foto: De beroemdste gevel van Curacao en een typisch voorbeeld van 18e eeuwse architectuur: de gevel van het Julius L. Penhagebouw

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Hoofdstuk 1: Algemeen

Sectie 1: Historische / traditionele architectuur en monumentenzorg

Uit de pre-Nederlandse periode zijn, behoudens enkele indiaanse rotstekeningen en enig schaars aardewerk, op de Nederlandse Antillen geen sporen meer aanwezig van cultuur van de oorspronkelijke bewoners of vroegere bezetters van deze eilanden. Voor zover het de bouwkunst betreft, is slechts in globale schets een kapelletje bekend uit de tijd van de Spaanse bezetting, dat zich op de plantage Santa Barbara op Curaçao zou hebben moeten bevinden, vermoedelijk op de plaats van het huidige landhuis. Later hebben de zes eilanden elk een karakteristieke en bij de omgeving passende vorm van bouwen ontwikkeld, die doorgaans tot in de 1930er jaren een opmerkelijke continuïteit vertoont. Tussen de Boven- en Benedenwinden bestaan grote verschillen. Culturele invloeden, economische mogelijkheden, klimatologische omstandigheden en beschikbare materialen speelden daarbij een rol. Boven: Kleine, strakke natuursteenblokken en baksteen naast veel hout, ook voor de dakbedekking; veel wit, dikwijls Engelse detaillering. Beneden: Dikke muren van ruwe, bepleisterde natuursteenbrokken, weinig baksteen maar daken van golfpannen; geel en andere kleuren, forse profielen, zoals die ook in de Spaans-Portugese wereld voorkomen. Relatie dus tussen taal en architectuur! De belangrijkste centra en gebouwen worden hieronder per eiland behandeld. Na 1930 doen nieuwe technieken (o.m. het betonblok) en nieuwe vormen - meer internationaal gericht - hun intree. Tot 1950-1960 bleef echter de traditionele architectuur dominant. Wel maakten velen zich zorgen over het verval van, veelal verlaten, historische panden, vooral op Curaçao: Het oprichten van de Stichting Monumentenzorg aldaar was het gevolg (zie verder bij @: Curaçao). Op landsniveau werd men zich bewust van de wenselijkheid een beleid ten aanzien van het historisch bestand te kunnen voeren. Er werd opdracht verleend een concept-monumentenlijst te maken (1966) en er werd een ontwerp landsverordening monumentenzorg gemaakt (1970). Later nog, om de lijst uit te werken tot een Facetplan. Na vele discussies werd de verordening in 1977 aangenomen, maar kort nadien weer ingetrokken in het kader van de decentralisatie: De eilanden dienden zelf het beleid te bepalen. Zodoende continueren deze activiteiten, zonder landelijk juridisch kader, zoals dat verderop per eiland wordt vermeld.

De grootste gevaren, die het waardevolle bestand aan historische en traditioneIe architectuur bedreigen zijn:

  • Verval door verwaarlozing,
  • sloop in verband met nieuwbouw,
  • onharmonische of grootschalige nieuwbouw in de onmiddellijke omgeving,
  • ondeskundige verbouwingen.

Het te voeren beleid dient daarom gericht te zijn op: Zoeken naar goede bestemmingen, het vaststellen van planologische beschermingsmaatregelen voor waardevolle gebieden en het kweken van begrip voor de kwaliteiten.

 

Sectie 2: Literatuur Algemeen

  • W. van Alphen, De woonhuisarchitectuur van de Nederlandse Antillen in relatie met die van het Caraibisch gebied in zijn geheel (scriptie 1979);
  • J. Berthelot en M. Gaume, Kaz Antiye Jan Moun Ka Rete (1982);
  • D. Buisseret, Historic Architecture of the Caribbean (1980);
  • P.C. Henriquez, Ontstaan en functie van monumentenzorg in de Nederlandse Antillen. In: Sticusa Journaal, ge jg. no. 65 (1979);
  • Monumentenraad N.A., Standpuntbepaling t.a.v. de voorlopige aanpak (1980);
  • F. Oudschans Dentz en H. J. Jacobs, Onze West in Beeld en Woord (1917, 1929);
  • M.D. Ozinga, De monumenen van Curaçao in woord en beeld (1959);
  • C.L. Temminck Groll, Monumentenzorg in Suriname en de Nederlandse Antillen (1967);
  • C.L. Temminck Groll m.m.v. F. Julian Labrafia, Facetplan monumentenzorg Nederlandse Antillen met uitgewerkte monumentenlijst (1976).

In de werken van J. Hartog (zie aldaar) wordt ook steeds aandacht aan de architectuur besteed.

 

Foto: Ex ABN bankgebouw (per 2007 Landsfinanciengebouw) te Pietermaaiweg Punda: een voorbeeld van moderne architectuur met een deftige laat 19e eeuwse invloed (architect A. Badaraco)

Sectie 3: Recente architectuur
 

De vrij plotseling gekomen industriële revolutie sedert de vestiging van de olieindustrie (1916) en de voorspoed gedurende lange jaren - vooral na 1933 bracht aanvankelijk veel architectonische verwarring. De industrialisatie leidde op Curaçao indirect tot (verder) verval van plantages en de daarop staande landhuizen en bijgebouwen. Interessant in de jaren 1920 en 1930 is een zekere invloed vanuit het toenmalige Nederlands-Indië. Sedert 1945 viel er zowel bij de overheid - door het aantrekken van architecten uit Nederland - als bij het zakenleven en vooraanstaande particulieren een streven naar verantwoorde moderne vormgeving waar te nemen. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich geleidelijk een nieuwe, jonge generatie architect en van Antilliaanse geboorte op de verschillende eilanden: onder andere ir. R. Statius van Eps, ir. E. R. Matthew, T. Muyale, D. Oduber, ir. W. R. Monzon en R. Peterson.

 

Hoofdstuk 2: Aruba

@: Architectuur Aruba

Sectie 4: Traditionele architectuur

Foto: Traditioneel architectuur op Aruba: eind 19e eeuwse monumentaal huis aan de Wilhelminastraat hoek Kruisweg Oranjestad

Minder dan op Curaçao en Bonaire vormt hier de traditionele architectuur van vóór 1930 nog een dominant in het totaalbeeld. Van voor 1800 rest alleen Fort Zoutman (1796), dat pas in 1867 zijn markant silhouet kreeg door toevoeging van de toren Willem III (kop meermalen gewijzigd). Begin 19de eeuw ontwikkelde zich hier, bij de Paardenbaai, Oranjestad; zo genoemd in 1824. Er zijn geen oude bestuursgebouwen meer. Oudste huizen (1870 e.v.) in de op het fort aanlopende Wilhelminastraat. Gevarieerde versiering van de zijgeveltoppen. Een bijzonder pand staat op de hoek van de Kruisweg; 2 lagen, 3 toppen; toestand heel slecht. Protestants kerkje uit 1846 met kleine toren; bleef staan toen in 1950 de nieuwe, wat theatrale, grote kerk werd gebouwd. De R.K. St. Franciscuskerk uit 1919, met 8kante toren op de hoek, is sedert 1813 de 4de op deze plaats. School van 1888, later bibliotheek, met dorisch portiek. Het dorp Noord had al eind 18de eeuw een R.K. kerk. De fraaie huidige St. Anna, 1914-1919, is een breed eenbeukig gebouw met 8-kante westtoren en veelhoekige koorsluiting, verwant aan de Santa Rosa op Curaçao. Rijk neogotisch altaarretabel (H. v.d. Geld, 1865) uit Scheveningen, hier in 1928 geplaatst. Pastorie 1877 en interessant kerkhof. Aan de zuidoost-zijde ligt de Commandeursbaai, waaraan vóór 1800 de belangrijkste nederzetting, sedert 1840 Savaneta geheten. Brede weg, evenwijdig aan de kustlijn, met aan weerszijden traditionele éénlaagshuizen, ‘op de wind’ gesitueerd. De royale Heilig Hartkerk van 1900 is ca. 1970 gesloopt. Ten oosten daarvan St. Nicolaas (San Nicolaas), ontstaan ca. 1880, bouwhistorisch niet interessant.
 

Een boeiende bijdrage tot het landschap wordt, vooral op het westelijk deel, geleverd door de kleine landhuisjes, soms enigermate bijeen gelegen, maar nooit echte dorpskernen vormend (Santa Cruz, R.K. kerk van 1891 vernieuwd 1949, pastorie 1863, Piedra Plat - protestantse kerk 1860 vernieuwd 1932 -, Paradera, Tanki Leendert, Ponton). Gepleisterde éénlaagshuizen in velerlei kleuren, met zadeldak (en lage aankappingen) of schilddak(en). De traditie gaat nog even door, wanneer rond 1920 het betonblok de natuursteen verdringt. Bij de latere ziet men dikwijls decoratieve randen met z.g. ‘indianenmotieven’. Van de oude lemen huisjes met tortodak, cas di torto, is vrijwel niets overgebleven.

Op Westpunt een hoge vuurtoren met monumentaal (leegstaand) torenwachtershuis. Aan de noordkust en bij Franse Pas indrukwekkende restanten van goudsmelterijen: Bushiribana 1872 en Balashi 1899. De kapel van Alto Vista van 1952 bij de noordkust had hier al in 1750 een voorganger. Bezit oud Spaans processiekruis.

Lit.: M. Denters, Het Arubaans Woonhuis, scriptie (T.H.-Delft 1980).

 

 

Foto: Een van de meest opvallende monumenten van Aruba: Fort Zoutman met Willem III-toren te Oranjestad

Sectie 5: Monumentenzorg
 

@: Monumentenzorg Aruba
 

Hoewel de Stichting Aruba Nostra in 1964 werd opgericht, is de enige feitelijke restauratie uitgevoerd dank zij de Adviesraad voor culturele samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk: Fort Zoutman/toren Willem III; voormalig binnengebouw voor museale doeleinden gereconstrueerd. Stinapa beschermt de kalkoven uit 1892 en het waterreservoir van 1900, beide in Oranjestad. Enkele oudere gebouwen in de stad zijn goed onderhouden, onderscheidene echter verwaarloosd. Door uitbundige nieuwbouw is er geen samenhang meer. Op het land is het anders: sedert 1970 ziet men een ‘revival’ in de belangstelling voor het traditionele kleine landhuis uit 1900-1930. Soms wat romantisch opgeknapt, maar het is een geluk dat deze zo goed op klimaat en landschap afgestemde huizen weer een toekomst hebben.

 

Sectie 6: Moderne architectuur

@: Moderne architectuur Aruba

Het valt niet licht om in de recente architectuur (na 1950) van Aruba een lijn te ontdekken. De anonieme architectuur in met name de woningbouw vertoont hier sterker dan op de andere eilanden een patroon van navolging van een min of meer succesvol lokaal toegepast voorbeeld van stijlvormen uit andere streken. Bekend uit de 1960er en begin 1970er jaren is de ‘bogen’architectuur: Een waarschijnlijk aan de Spaans-Amerikaanse hacienda-stijl ontleende vorm, als nieuwe gevel geprojecteerd voor de bestaande, aldus een galerijvormige porch creërend. Merkwaardig is hier de functionele vormovereenkomst met de oorspronkelijke galerij van de architectuur van het*landhuis. Het meest dringen zich op, door zowel de fysiek overweldigende afmetingen en vaak overdadige aankleding, alsook de met deze economische sector geassocieerde economische status, de bouwvormen zoals in de hotels toegepast. Van de grote hotels biedt het ‘Americana’ een meer serieuze poging tot architectuur. Geheel in tegenstelling tot de universele, ‘plaatsloze’ vormgeving van de grote hotels staan de kleine schaal en de inpassing in het milieu van de middelgrote hotels, met name Manchebo Beach Hotel, Divi-Divi Beach Hotel en Talk-of-the-Town, alle prettig aandoende bewijzen van aangepaste hotelbouw. Behoudens enige opvallende bouwwerken in andere sectoren, onder andere Casa Cuna (Janga,1983) en kleuterschool Savaneta (Monzon, 1980), wordt voor het overige het panorama gedomineerd door de commerciele architectuur. De met de wegstraal meegebogen gevelwanden van de Mgr. Van der Veen Zeppenfeldtstraat in San Nicolas beheersen hun omgeving. In de Nassaustraat (tegenwoordig Kaya Betico Croes) te Oranjestad, de voornaamste winkelstraat van het eiland, is een ‘modernisering’ waarneembaar, soms authentiek, zoals bij het Ennia kantoorgebouw, maar meest als façade-architectuur: Een bewerkelijk vernis van moderne materialen over een bestaande gevel.

Voorbeelden van verantwoorde moderne architectuur zijn onder meer:

  • Hotel-vakschool, architect Associated Architects (Ant.);
  • Hotel Americana, architect Toro en Ferrer (Puerto Rico);
  • Dr. Horacio Oduber Hospitaal, architect Van Oerle en Schrama (Ned.);
  • R.K. Emanuelkapel, architect V. Kock (Ant.).

 

 

Hoofdstuk 3: Bonaire

@: Architectuur Bonaire

Sectie 7: Traditionele architectuur

Bouwkundige objecten uit de periode tussen de ontdekking en het begin van de 19de eeuw zijn er niet meer, maar de traditionele architectuur uit 1830-1930 (veelal van na de ontsluiting van 1868) neemt nog steeds een belangrijke plaats in: Gepleisterde, geel-gesauste gebouwen van plaatselijke natuursteen, meestal één bouwlaag, met kap; architectuur uit 1930-1960 is doorgaans niet beeldverstorend; na 1960 doen vormen hun intree, die het totaalbeeld aantasten. In de hoofdplaats Kralendijk (Playa) liggen rond het aantrekkelijke Wilhelminaplein: het grote tweelaags voormalige gezaghebbershuis (1827, nu eilandskantoor), daarachter het bescheiden Fort Oranje (met oudheidkamer onder de vuurtoren van 1932); het eilandskantoor van 1925, in stijl vergroot 1962; de protestantse kerk van 1847, fraai omhekt maar inwendig van geen belang; de Pasangrahan (overheidsdiensten, mooi voorbeeld van het blokkentype, kas di kaha, met schilddaken en omgaande lijsten, dat ca. 1890 zijn intree doet); het vismarktgebouwtje uit 1935; een kantoor en enkele huizen. De Breedestraat, achter dit plein, evenwijdig aan de kustlijn, heeft enkele goede één- en tweelaagshuizen, maar verloor na 1960 zijn harmonisch totaalbeeld ten gevolge van sloop en vernieuwing. De situering in 1829, van de R-K St. Bernarduskerk (vernieuwd 1947; er omheen waardevolle panden van ca. 1900) meer landinwaarts, gaf de plaats een driehoekige vorm.

Ten zuiden van Kralendijk de Zoutpannen: Rode-, witte-, blauwe- en oranje-pan, met gekleurde obelisken, stoere opzichtershuizen tweede kwart 18de eeuw en zogenaamde slavenhuisjes (overnachtingsbouwsels). Aan het eind van deze kuststrook (waarachter flamingo’s huizen) de Willemstoren, 1837/1838, in de vorm van een dorische zuil. Aardige dorpskernen te Rincon (oudste nederzetting, 2 kerkjes) en ten oosten van Kralendijk te Noord’i Saliña, Antriol, Nikiboko (met tweelaags landhuis, 1885 Pueblo Nobo) en Tera Cora. Vele huizen met symmetrische hoofdruimte met zadeldak, waartegen aan één of twee zijden lage aangekapte zijbeuk(en), keuken aan het einde van zo’n zijbeuk (kas di hala).

Op het land zag men vroeger het simpele kas di bara, van takken en leem met schilddak van stro, dikwijls tweede huisje om bij het veld te kunnen verblijven. Nu bijna verdwenen. De stenen variant, kas di piedra, had hetzelfde aanzien, maar is iets degelijker. Sedert 1868 een aantal land / plantagehuizen: Vergrote vorm van het dorpshuis, dikwijls met toegangstrap op dwars-as. Enkele, bijvoorbeeld Santa Barbara en Washikemba, zijn bewoond; andere, als Boven-Bolivia en Jatu Bacu, staan als haast onbereikbare ruïnes in prachtige landschappen. Mogelijk is er nog toekomst, zoals voor Slagbaai (vroeger Slachtbaai: vlees en zout), dat Stinapa wil benutten; deze schting liet reeds het interessante Karpata en de gebouwen van Washington herleven.

Lit.: F. Booi, Bonaire, manuscript over woonhuisontwikkeling. A. Klomp, Het ‘oude’ Bonairiaanse woonhuis, Nieuwe W.I. Gids, 54e jrg .• (1980).

Sectie 8: Monumentenzorg

@: Monumentenzorg Bonaire

Sedert ca. 1970 is een vrij groot aantal restauraties uitgevoerd op basis van overheids- en particuliere initiatieven: De gebouwen bij de Zoutpannen, bestuurskantoren rond het Wilhelminaplein, de Magasina di Rey boven Rincon (van vóór 1828), landhuis Karpata, gebouwen Washington, huis familie Debrot, enkele stads-, dorps- en landhuizen. Toch gaat het bestand aan traditionele architectuur achteruit: verwaarlozing, sloop, verminking, onharmonieuze nieuwbouw tegenover slechts een enkel geval van goede aanpassing. In 1980 werd de Stichting Monumentenzorg Bonaire opgericht, die zich inzet om de genoemde tendensen te bestrijden.


Sectie 9: Moderne architectuur

@: Moderne architectuur Bonaire

De moderne architectuur kent hier een zekere tweeslachtigheid. Enerzijds zijn de buitenlandse invloeden sterk aanwezig in de woning- en de hotelbouw, anderzijds ontwaart men een hang naar de oorspronkelijke Bonairiaanse bouwstijlen. Kenmerkend in deze is het bankgebouw aan de Kerkweg, gebouwd in 1976 uit beton en betonmetselblokken, maar met een consequente toepassing van de stijlelementen van het lokale stadshuis. Scholenbouw, de sterkst vertegenwoordigde bouwsector naast de hotelbouw, wordt tot in de 1970er jaren gekenmerkt door standaardbouwvormen, overgenomen uit Curaçao. In latere tijden ontstaan geheel nieuwe vormen voor scholen, varierënd van de tentdakarchitectuur van de huishoudschool tot de sterk klimatologisch en functioneel gerichte bouw van de scholengemeenschap en technische school.

Voorbeelden van verantwoorde moderne architectuur zijn:

- Maduro & Curiel’ Bank, architect ir. G. A. Abbad, bureau Plan D2 (Ant.);

- Trans World Radio, architect kantoor en powerstation: J. Fresco en G. Roovers, architect studio: Alberto Badaracco.

 

Hoofdstuk 4: Curaçao

Sectie 10: Historische architectuur

@: Historische architectuur Curaçao

Na de inbezitneming van de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, St. Eustatius en St. Maarten door de W.I. Compagnie, werd Curaçao het hoofdeiland door zijn maritiem-strategische en handelsbetekenis, dank zij de prachtige natuurlijke haven in het Schottegat en de veilige rede in de Caracasbaai. De bodemexploitatie speelde slechts een aanvullende rol. Dientengevolge kreeg gaandeweg, naast de gewichtige militaire architectuur (fortenbouw), vooral de stedelijke architectuur van het havencentrum Willemstad betekenis. Overigens voltrok de stadsarchitectuur zich vermoedelijk wel in enige wisselwerking met de ‘landhuizen’ op de - numerendeels niet meer als zodanig geexploiteerde - plantages of ‘hofjes’ van voormalige ambtenaren en kooplieden, die met hun bijgebouwen nog steeds elementen van architectonische waarde in het landschap vormen.

Het voornaamste bouwmateriaal kon tot omstreeks 1950 slechts - afgezien van de thans vrijwel verdwenen lemen huisjes met ‘strodaken’ (kas di pal’i mai(n)shi) in de kunuku - de lokale, grillig gevormde koraalsteen of de al dan niet rechthoekig behakte kalksteen zijn. Uit de toepassing van deze materialen vloeide de in- en uitwendige bepleistering in kalkspecie voort, waartoe de eilanden eigen kalkbranderijen bezaten, waar kalk uit koraalsteen vervaardigd werd.

De gepleisterde gevelvlakken zijn in kleur gesaust, met wit lijstwerk langs topgevels en overige gevelbanden. De gepleisterde binnenmuurvlakken treft men veelal wit gesaust aan.

In ballast uit Nederland aangevoerde baksteen, gewoonlijk klein-formaat lichte gele IJssel-steen, werd gebruikt voor profielen en bogen, meestal rode Nederlandse pannen werden toegepast op de steeds hoge zadeldaken ter opvanging van het regenwater in naastgelegen bovengrondse, veelal monumentale regenbakken. De oudste huizen van De Punt (Punda) genaamde oude kern van Willemstad, blijken echter veelal geheel of gedeeltelijk in baksteen te zijn opgetrokken; deze dateren uit het begin van de 18de eeuw en nog deels uit het eind van de 17de eeuw. Steen- en beeldhouwers stonden ook daardoor slechts incidenteel ter beschikking. Timmerhout was op het eiland nauwelijks te vinden; het geliefde mahoniehout kon het best uit de Dominicaanse Republiek komen. Aan particuliere architecten kan Curacao met zijn dunne sociale bovenlaag vóór de late 19de en vooral vóór de komst van de olie-industrie in de 20ste eeuw (1916), nauwelijks een werkkring geboden hebben. Hun plaats moet zijn ingenomen door, al dan niet ter wille van een belangrijk bouwwerk overgekomen, meester-timmerlieden, zoals bijvoorbeeld bij de bouw van de voornaamste synagoge Mikve Israël in 1730-‘32 is gebleken.

Ook de sinds 1741 permanent op het eiland gestationeerde militaire bouwtechnici, later genie-officieren, zouden, evenals in Nederland, niet alleen openbare bouwwerken hebben opgericht, maar ook particuliere bouwpraktijken hebben uitgeoefend.

Bij deze beperkingen is het des te meer opmerkelijk tot welke resultaten men vooral in de laat-18de-eeuwse bloeitijd door aanpassing aan lokale mogelijkheden en gebruikmaking van het toen levende en zich voor populair gebruik lenende, barokke vormgevoel gekomen is. De meest opvallende noot vormden de in oorsprong open galerijen aan de lange zijden van de hogere rechthoekige woonkern; in de stadshuizen met verdiepingen werd eerst sinds het midden der 18de eeuw de galerij aan de straat zijde vóór het eigenlijke woonhuis gelegd.

De invloed van dit type zou zich tot op het tijdelijk (tot 1917) door de West-Indische Compagnie bezette Deense eiland St. Croix hebben kunnen doen gevoelen (zie O. Svensson, Three towns, conservation and renewal of Charlotte Amalia, Christiansted and Fredericksted of the U.S. Virgin Islands (1965)). De koloniale huizen onder Nederlandse invloed onderscheiden zich gewoonlijk door hun extra hoge, tussen gevels gevatte zadeldaken. De puntvormen van de geveltoppen moesten in de 18de eeuw vaak wijken voor de in- en uitgezwenkte omtreklijnen; in het bijzonder aan de op de voorgrond tredende gevels, welke detaillering zich kan herhalen bij de vele kleine of enkele grote dakkapellen. Vanuit de middenzaal (-zalen) geven schuiframen met kleine roede-indeling alsmede getoogde en soms gesneden dubbele deuren uitzicnt op galerijen. Na een oudere periode waarin buitenluiken en gazen ramen in gebruik zijn geweest (lit.: Hering 1779), werden deze schuiframen in de loop van de 18de eeuw allengs algemeen om tot in de 19de eeuw toegepast te blijven; hierna zijn zij overwegend door houten ‘shutterramen’ verdrongen. Ze vormen een aanwijzing temeer dat de ook als gangen dienende galerijen vroeger alle open waren. Op hun beurt werden de houten ‘shutters’ na de Tweede Wereldoorlog veelal verdrongen door glazen ‘shutterbladen’ al dan niet gevat in houten kozijnen. In de 18de eeuw rustten in Willemstad de arcaden van de verdiepingen (en in voorkomende gevallen ook die van de begane grond) veelal op karakteristieke balustervormige kalkstenen zuiltjes, die men evenals de fantasierijke gevelbekroningen vroeger onder invloed van de Spaanse overwal, tot stand gekomen achtte.

Het laat intredend classicisme, sinds het midden van de 19de eeuw niet zonder Noord-Amerikaanse invloed, kon standhouden en heeft nadien nog lang tot zeer aanvaardbare resultaten geleid. Van het gebruik van neo-stijlen in eigenlijke zin was daardoor weinig sprake; bij de landhuizen kreeg alleen De Hoop aan de ingangszijde een quasi middeleeuws aanzien. Neo-gotische vormen treft men ook in een aantal R-K kerken aan (zie de kathedraal van Willemstad en de kerk van St. Willibrordus). Eerst tegen 1900 verschijnt in de nieuwere wijken van Willemstad een Zuid-Amerikaans getinte art-nouveaustijl van zekere allure.

 

Sectie 11: Monumentenzorg

@: Monumentenzorg Curacao

Op 5 April 1954 is door het Prins Bernhardfonds Nederlandse Antillen opgericht de Stichting Monumentenzorg Curaçao met als voornaamste doelstellingen het kweken van waardering voor de oude monument en van bouwkunst, het behoud en herstel van die monumenten waarvan de historische en/of kunstzinnige waarde vaststaat en het exploiteren ervan voor zover deze in eigendom aan de stichting behoren. Directe aanleiding was de bouwvalligheid van het landhuis Brievengat, eigendom van Shell Curaçao, die op het punt stond het pand te doen slopen vanwege de verregaande staat van verval. In die situatie werd het landhuis met een groot deel van het omliggende terrein als schenking aan de jonge stichting overgedragen; met een aanzienlijke financiële bijdrage van de zakenman B. van Leer kon dit eerste restauratieproject worden uitgevoerd (architect S. Alexenko). Voorzitter werd de bankier F. Karner, die niet alleen culturele belangstelling paarde aan daadkracht maar tevens met de beperkte financiële middelen wist te woekeren. Na vijfentwintig jaar werd hij opgevolgd door de notaris dr. J.A. Schiltkamp. Door successieve aankopen en/of schenkingen in de loop der jaren bezit de stichting thans een zestal huizen, twee forten, enkele grote huizen in Scharloo en Otrobanda, benevens binnenstadshuizen in Punda (waaronder het Joods Historisch Museum) en sedert kort een groot aantal kleinere huizen in Otrobanda. Dit laatste hangt samen met het streven een essentïele bijdrage te leveren aan de regeneratie van deze zo karakteristieke wijk. Ook werd daartoe door het architectenbureau Plan D2 in opdracht een totaalvisie op Otrobanda-zuid ontwikkeld.

De stichting financierde in 1959 de uitgave van het standaardwerk De monumenten van Curaçao in woord en beeld door prof. dr. M. D. Ozinga. In 1974 is begonnen met de jaarlijkse uitgifte van de tot 500 exemplaren beperkte serie Delfts-blauwe wandborden waarop afgebeeld een Curaçaosch monument; één werd gemaakt ten gunste van de Historical Foundation van St. Eustatius. Door de stichting worden aan eigenaars van monumenten bronzen muurplaquettes toegekend voor gedegen instandhouding van hun eigendom. De werkzaamheden van de stichting zijn mede mogelijk door de toekenning van Nederlandse financiële steun voor restauratieprojecten en door subsidies van de landelijke en eilandelijke overheden. Sedert 1980 wordt het bestuur bijgestaan door een directeur en beschikt de stichting over een eigen kantoor Monumentenzorg Curaçao.

Naast de stichting dragen ook de landelijke en de eilandelijke overheden, de kerkgenootschappen, particulieren en bedrijven of instellingen in soms zeer belangrijke mate bij tot de instandhouding van het architectonisch erfgoed. Met name de inbreng van de overheid is hierbij van groot belang geweest: Sinds 1990 is er juridische bescherming voor monumenten door middle van de Monumenteneilandsverordening Curaçao (AB 1990 no 5) bedoeld tegen de voorheen ongelimiteerde mogelijkheden voor sloop, verval of onharmoniërende vervanging van tot monumenten benoemde of benoembare gebouwen of andere bouwwerken. De overheid van Curaçao heeft zich sinds met name dat jaar (1990) via haar Monumentenplan ten doel gesteld om het behoud en de reconstructie van monumenten in goede banden te leiden. Als onderdeel van dit beleid is men sinds 1993 begonnen met het aanwijzen van monumenten in de historische binnenstad en is op basis hiervan ook in het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (E.O.P.) aan de binnenstad de status van beschermd aangezicht verleend, wat wil zeggen, dat niet alleen de gebouwen maar ook de structuur en het aangezicht van de stad beschermd zijn. Het streven tot het behoud van monumenten in het algemeen leidt in December 1997 tot een bijzonder hoogtepunt als Willemstad door de World Heritage Committee van de UNESCO op de lijst van werelderfgoedconstructies en locaties geplaatst wordt. Ondertussen is het meer dan tien jaar geleden van dit memorabel feit.

 

Sectie 12: Moderne architectuur

@: Moderne architectuur Curaçao

Voorbeelden van verantwoorde moderne architectuur:

- Mgr. P.I.Verriet Instituut, architect Gerrit Rietveld (Ned.);

- Kantoor Ogem (Kodela), architect J. Fresco & G. Roovers (Ned.);

- Kapel Klooster Alverna, architect Ben Smit (Ned.);

- Algemene Bank Nederland, architect Alberto Badaracco (Ant.);

- Jeugdhuis Pasa Dia, architect ir. T. Janga (Ant.);

- Kantoor Fatum, architect Zingel-Broos-Van Werkhoven (Ned./Ant.);

- Maduro & Curiel's Bank, architect F. Julian (Sp.);

- Protestants Technische School, architect H.J. Nolte (Ned.);

- Curacao International. Trustkantoor (Curacao International Trust Co CITCO), architect J. Smeulders (Sur.);

- Algemeen Pensioenfonds N.A. torengebouwgroep, architect K. Schotborg (Ant.);

- Maria Immaculata Lyceum, architect ir. C.M. Bakker (Ned.);

- Peter Stuyvesant College, architect A. de Vries (Ned.);

- Postkantoor Waaigat, architect ir. A.A. van Ammers (Ned.);

- Jongenstehuis San Fernando, architect G. Manders (Ned.);

- Hilton Hotel, architect Toro en Ferrer (Puerto Rico).

(Zie verder Volkshuisvesting).

 

 

Hoofdstuk 5: Saba

Sectie 13: Traditionele architectuur

@: Traditionele architectuur Saba

De totaalbeelden van The Bottom, Windwardside, St. John's en Hell's Gate worden nog beheerst door het traditionele, witgeschilderde houten Sabaanse woonhuis. Klein van schaal, één bouwlaag, gedekt met roodgeschilderde houten shingles, uitgebouwde stenen keuken met schoorsteen, dikwijls een verfijnd gedetailleerde galerij of porch. Zoals ook elders op de Bovenwinden voorkomt, liggen de plafonds hoger dan de dakvoet, zodat de ruimten afschuiningen hebben langs de dakranden; zulks om het huis laag te kunnen houden (orkaangevaar!). Tot eind 19de eeuw was de opzet eenvoudiger: Blokvormige, rondom met shingles beklede huisjes met schilddak. De erven hebben houten hekken of muurtjes van plaatselijke natuursteen. Typerend zijn voorts grote waterbakken en familiegraven (er bestaat een recht tot begraven in eigen tuin). De eenbeukige kerkjes (anglikaans, R-K of Wesleyan Holiness) zijn van steen, maar zo bescheiden, dat ze de dorpsbeelden niet domineren. Windwardside, waar een huis als H. L. Johnson Museum is ingericht, is het meest gaaf.

Sectie 14: Monumentenzorg

@: Monumentenzorg Saba

In 1975 werd de gedachte geopperd, van Saba een National Park te maken, met beschermende maatregelen zowel voor de prachtige natuur als voor de zo aantrekkelijke bebouwing. Ondertussen ziet men een soort natuurlijke monumentenzorg: Gebouwen worden goed onderhouden en op passende wijze hersteld, zowel vanwege particuliere eigenaars als vanwege de overheid. Toch is er ook aantasting: In The Bottom zijn veel huizen vervallen en in Hell’s Gate en St. John’s gaan meer internationaal-tropisch aandoende moderne gebouwen een steeds grotere plaats innemen.

 

Hoofdstuk 6: St. Eustatius

@: Architectuur St. Eustatius

Sectie 15: Historische en traditionele architectuur

Het eiland bezit een groot aantal herinneringen aan zijn bloeitijd: De 18de eeuw. Het uit de historie bekende 17de-18de-eeuwse Fort Oranje, hooggelegen bij de Claesgut, heeft een kwart cirkelvormige opzet en bevat bestuurskantoren en herinneringen aan het verleden. In de aanliggende ‘bovenstad’ liggen o.m. ruïnes van de Hervormde kerk (1774): Langschip met één dwarsarm en forse toren; overwegend natuursteen, en van de synagoge Honen Dalim van 1738: Een rechthoekig gebouw van gele baksteen. Van de andere bakstenen gebouwen hebben het zogenaamde Huis De Graaff, het logeergebouw en de voormalige Gertrude Judson library alle twee lagen. Voorts diverse één- en enkele tweelaags houten huizen, met shingles gedekt. Natuurstenen Methodistenkerk, 1843 met latere toren, en eenbeukige R-K kerk van 1910. Begraafplaatsen, waaronder een joodse, met interessante monumenten.

In de zogenaamde Benedenstad resten van de ruim 1,5 km lange rij pakhuizen; nog enkele gebouwen hebben een functie. Baksteen en natuursteen komen beide voor. Van een zeer groot huis, The Castle, ten oosten van de Benedenstad (Gallows Bay) rest een overwoekerde ruïne.

Buiten de stad zijn er onderdelen van diverse kleine fortjes, als De Windt en Tumble Down Dick (Tommelendijk 1740). Voorts resten van plantages en fraaie 19de-eeuwse suikerfabrieken als English Quarter.

Sectie 16: Monumentenzorg

@: Monumentenzorg St. Eustatius

In 1972 werd gevraagd om een opname van het historisch bezit. In 1974 werd de Historical Foundation opgericht, welke zeer actief is. In 1976-1977 werd Fort Oranje ingrijpend gerestaureerd (annex de naastliggende Claesgut, die door uitspoeling verzakkingsgevaar voor de omgeving met zich meebracht). De Hervormde Kerk werd geconserveerd, Fort De Windt gerestaureerd, de begraafplaatsen en de Benedenstad werden geschoond, in het 19de-eeuwse pand Prinsesweg 23 werd een museum ingericht dat, dankzij de Historical Foundation, thans een onderkomen heeft gevonden in het zogenaamde Huis De Graaff. Onderscheidene plannen zijn in voorbereiding.

Literatuur:

  •  Y. Attema, St. Eustatius: A short history of the island and its monuments (1976, 1981);
  • H. Garrett en & R. Grode, Gravestone inscriptions, St. Eustatius, (1976);
  • H.J.F. de Roy van Zuydewijn, Conserveringsplannen St. Eustatius, (1984);
  • C.L. Temminck Groll, Restauraties op St. Eustatius, in Sticusa Journaal jrg. 12 nr. 87 (1982).

 

Hoofdstuk 7: St. Maarten

@: Architectuur St. Maarten

Sectie 17: Traditionele architectuur

De snelle veranderingen sinds 1965 maakten dat de oudere architectuur hier nog maar een bescheiden rol speelt. Typerend waren de, ook op andere Bovenwindse eilanden voorkomende, twelaags woonhuizen met schilddak; beneden van lokale natuursteenblokken, boven van hout, dak gedekt met houten singels, galerijen langs de voorzijde (op het Franse deel ziet men dikwijls een uitgekraagd balkon). Ook: Het houten eenlaagshuis op lage stenen onderbouw en het zeer eenvoudige houten huis, rondom bekleed met shingles.

Van het strategisch op een schiereiland gelegen Fort Amsterdam (1737) resten muren met kantelen, kanonnen en nog niet onderzochte fundamenten. De hoofdstad Philipsburg (1733; genoemd naar Gouverneur John Philips) ligt op een 1,5 km lange landtong tussen de de Grote Baai en het zoutmeer. Parallel liggen de Voorstraat (Frontstreet) en de Achterstraat (Backstreet), doorkruist door een groot aantal stegen. Centraal staat tegenover plein en piertje, het Court House 1793: Steen en hout, met torentje; meermalen vernieuwd. Belangrijke Methodistenkerk, 1851, hout op stenen voet, driebeukig met galerijen. R.K. kerk St. Martin 1844 werd vernieuwd in 1952. Behoudens onderscheidene huizen in de straten is vooral van belang het huis Vineyard (1971), gelegen tegenover het oostelijk uiteinde van de stad (typerende galerij op de verdieping).

Enkele restanten van fortjes; enige land / plantagehuizen bleven min of meer in historische vorm bewaard: Mary’s Fancy, Belvéderè, Bellevue, Prince’s Quarter. Bij Nederlands Cul-de-Sac lag de eerste nederzetting; het fundament van de Hervormde Kruiskerk 1648 is nog te zien.

Sectie 18: Monumentenzorg

@: Monumentenzorg St. Maarten

Rond 1980 werd de Methodistenkerk, waarvan het houtwerk niet meer te redden was in de oude vorm vernieuwd. Een plan om het fortterrein van ‘Amsterdam’ te bebouwen wekte veel weerstand op en bevorderde de bezinning op de waarde van historische gebouwen. Enige huizen zijn goed onderhouden, soms wordt naar harmonie gezocht, maar zeer vaak is die volkomen afwezig. Stinapa-St. Maarten wil een landhuis behouden.

Sectie 19: Moderne architectuur

@: Moderne architectuur St. Maarten

Tussen de 1920er en de 1960er jaren heeft de architectuur op Sint Maarten weinig wijzigingen ondergaan. De invoering van nieuwe bouwmaterialen en -methoden (betonmetselblokken, betonbouw, staalbouw) gaf echter aanleiding tot een verandering in de aanblik van gebouwen. De ontwikkeling van met name het woonhuis was vrijwel gelijk aan die op de Benedenwindse Eilanden, met dit verschil dat orkaangevoelige materialen (zoals dakpannen, asbestcement golfplaten, glas) werden geweerd. Voor het overige bleven de basisvormen van plattegrond, gevels en dak gedurende deze periode grotendeels ongewijzigd. De porch-architectuur is wel de meest zichtbare nieuwe ontwikkeling in deze periode.

In de 1960er jaren begint een stormachtige ontwikkeling van het toerisme, gepaard gaande met een aanzienlijke toename van bouwactiviteiten. De vanuit het buitenland geimporteerde resorthotelarchitectuur doet zijn intrede, met volkomen uitheemse vormgeving en materiaalgebruik. Tegelijkertijd ontstaat een grote behoefte aan meer woonvoorzieningen, scholen en andere algemene voorzieningen. Thans vertoont de architectuur een volkomen hybridisch uiterlijk, waarbij de toepassing van een veelvoud van stijlinvloeden niet alleen het totaalbeeld kenmerkt, maar vaak zelfs het enkele gebouw.

Bij een gebouw als het Mullet Bay Beach Hotel is de efficiënte bouwarchitectuur, waarachter de filosofie van een investeringsorganisatie schuilgaat, duidelijk zichtbaar.

Bij verscheidene overheidsgebouwen en gebouwen van commerciële-, openbare-, culturele- of onderwijsaard zijn pogingen tot architectuur zichtbaar ondernomen door jonge Antilliaanse architectenbureaus, waarvan de meeste op de Benedenwindse Eilanden zijn gevestigd. Deze pogingen gaan echter grotendeels verloren door de grote tegenstellingen in vorm, zowel onderling als ten opzichte van de oudere bebouwing.

De verregaande aantasting van schaal en bouwkenmerken van de Voorstraat in de hoofdstad Philipsburg is een schoolvoorbeeld van de dominante rol die in de toeristische economie gespeeld wordt door de uitheemse hotelarchitectuur. Het oorspronkelijke straatbeeld van de Voorstraat wordt gaandeweg vervangen, en voorzover nog aanwezig, overweldigd door de hoogbouw die vlak aan de straat wordt gepleegd in een onaangepaste mengeling van bouwvormen.

Voorbeelden van verantwoorde moderne architectuur zijn o.m. Beach House Apartments en Spritzer & Fuhrmann. De toeristische industrie heeft zowel Saba als Sint Eustatius grotendeels ongemoeid gelaten. Het behoudend element is hier sterk aanwezig. De toepassing van andere vormen is ook hier voornamelijk in de openbare sector geschied. Op Sint Eustatius is ook de woningbouw gebruik gaan maken van nieuwe vormen. Nog echter worden op Saba huizen gebouwd in dezelfde houtskeletbouwmethode als vanouds, met toepassing van dezelfde materialen.

De grootste architectuuractiviteiten beperken zich tot restauratiewerken en enkele openbare gebouwen. De Openbare Bibliotheek op Sint Eustatius (architect ir. G. A. Abbad, bureau Plan D2) en het Bestuurskantoor op Saba zijn voorbeelden van toepassing van moderne bouwmaterialen en functies in een aan de omgeving aangepaste vormgeving. De Administrateurswoning (architect ir. C. Wilson, bureau C.P.I.) is een voorbeeld van verantwoorde moderne architectuur.

Lit.: R. G. Gill, ‘Is een eigen architectuur op de Antillen mogelijk?’: Een analyse (1983).

 

@: Arend Petroleum Maatschappij N.V.

In 1927 opgericht door de Koninklijke Shell groep om op Aruba, in navolging van Curaçao (zie @: Shell Curaçao N.V.) een raffinaderij te bouwen, die in 1928 in bedrijf werd gesteld en al spoedig een verwerkingscapaciteit van 3000 ton per dag bereikte. Sterk verbonden met de N.V. Curaçaosche Petroleum Industrie Maatschappij, bleef de raffinaderij zeer bescheiden van omvang. De raffinageactiviteit werd van 1942-1945 geheel gestaakt en het bedrijf bleef werkzaam als opslag- en overlaadstation. Na de oorlog werd de raffinage tot 1950 hervat; in 1953 werd de bedrijfsactiviteit geheel gestaakt. Op 31 december 1960 werd de naam gewijzigd in Shell Ne¬derlandse Antillen Verkoopmaatschap¬pij N.V. (S.N.A.V.).

 

@: Arends, Jacobo de Jesus (Co)

(Aruba 15 oktober 1892 - Curaçao 28 maart 1953) Arubaans medicus, die na de voltooiing van zijn studie te Amsterdam (1920) van 1921-1934 praktijk uitoefende op Curaçao. In 1931 benoemd tot lid van de Koloniale Raad. Van 1945-1953 directeur van de Openbare Gezondheidsdienst voor de Nederlandse Antillen.

 

@: Arends, Jacobo Eloy Maria (Loy)

(Aruba 10 April 1893 - 22 januari 1960) Arubaans medicus, die na de voltooiing van zijn studie in Amsterdam gouvernementsarts en huisarts op Aruba is geweest. De eerste Arubaan die benoemd is tot lid van de Raad van Advies.

 

@: Arends, Jacobo Rudolf (Coco)

(Aruba 14 juni 1892 - New York 12 oktober 1965) Arubaans medicus, die zich, na de voltooiing van zijn studie in Amsterdam, in 1928 als gouvernementsarts op Bonaire vestigde. In 1931 werd hij directeur van de Openbare Gezondheidsdienst voor de Nederlandse Antillen. Van Curaçao verhuisde hij naar Aruba waar hij als gouvernementsarts optrad. Bij de eerste verkiezingen voor de Staten (1937) werd hij als lid voor de Arubaanse K.V.P. gekozen. Zijn politieke carriëre werd voortgezet als lid van het College van Algemeen Bestuur (21 augustus 1948 - 10 mei 1949 en 17 augustus 1950 - 18 apri11951) en als lid van de Regeringsraad (8 december 1953 - 8 december 1954).

 

@: Arikok

188 meter hoge heuvel in het midden¬deel van Aruba, opgebouwd uit diabaasgesteenten. In rotsformaties werden Indiaanse tekeningen aangetroffen.

 

@: Arion, F.M. / @: Frank Martinus Arion

zie @: Martinus Arion, Frank.

 

@: Armenzorg

zie @: Sociale Voorzieningen.

 

 

@: Arnoldo, Frater María / @: Frater María Arnoldo

Wereldlijke naam Adrianus Nicolaas Broeders (Stratum 23 april1906 - Curaçao 9 mei 1981): Fotograaf, auteur van publikaties en leerboekjes over Benedenwindse flora en fauna.

Wrk.: Zakflora - wat in het wild groeit en bloeit op Curaçao, Aruba en Bonaire (1954, 1964); Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen (1954, 1971); Buniteza den secura (1961); Handleiding tot het gebruik van inheemse en ingevoerde planten op Aruba, Bonaire en Curaçao (1967).

 

@: Arowakken (Arawakan)

zie @: Archeologie; zie ook @: Geschiedenis: Spaanse periode.

 

@: Artesisch water

Water in de bodem dat onder hydrostatische druk staat. Op de zo droge Benedenwindse Eilanden waar het watervraagstuk altijd belangrijk is geweest, werd nooit drinkbaar artesisch water gevonden. Een gouvernementswaterboring op Aruba bij Oranjestad in 1942 trof artesisch water aan op een diepte van ca. 250 meter, echter met een zoutgehalte van 6%.

 

 

@: Aruba

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Geografische en geologische beschrijvingen

Hoofdstuk 2 Economische activiteiten
 

Sectie 1: Landbouw, veeteelt en visserij

Paragraaf 1: Akkerbouw; aloë; veeteelt

Paragraaf 2: Visserij

Paragraaf 3: Goud

Paragraaf 4:Fosfaat

Paragraaf 5: Industrie

Paragraaf 6: Handel en verkeer

Paragraaf 7: Toerisme

Hoofdstuk 3: Bevolking

Hoofdtsuk 4: Referenties

Hoofdstuk 5: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp

 

Aruba Hoofdstuk 1: Geografische en geologische beschrijvingen

 

Het eiland (hoofdstad: @: Oranjestad) ligt tussen 12°25’ en 12°38’ N.Br., en tussen 69°52’ en 70°3’ W.L.; het wordt slechts door een zeestrook van ca. 30 km breedte gescheiden van het Venezolaanse schiereiland Paraguana, dat men bij helder weer vanaf Aruba aan de zuidelijke kim kan zien liggen. Ten zuiden van Aruba neemt de diepte van de zee vrij snel toe tot op een afstand van ca. 2 km van de kust maximale diepten van 200 meter worden bereikt, waarna de diepte weer afneemt. Aan de noordzijde van het eiland daalt de zeebodem echter abrupt tot enige duizenden meters diepte.

De oppervlakte van Aruba bedraagt 190 km² het eiland is langgerekt van vorm met een zuidoostelijk-noordwestelijk verlopende lengte-as. De grootste lengte, gerekend vanaf de noordwestelijke punt (Cudarebe) tot aan het uiterste zuidoosten (Punta Basora) bedraagt ca. 31 km; de grootste breedte wordt ongeveer halverwege het eiland gevonden en bedraagt daar ca. 8 km. Evenals Curaçao en Bonaire bestaat Aruba uit een kern van oude stollings-en afzettingsgesteenten, die in latere tijd omringd en overdekt werden door jongere sedimenten. Meer dan de andere eilanden echter is het oude gedeelte aan tektonische krachten onderhevig geweest waardoor het in geologisch opzicht een gecompliceerder beeld oplevert.

Wat de algemene opbouw betreft kan men in Aruba drie delen onderscheiden t.w. het heuvelachtige middendeel met aan weerszijden daarvan in het noordwesten het sterk verweerde en afgevlakte kwartsdiorietgebied, in het zuidoosten een geleidelijk aflopend, gedeeltelijk onderbroken kalksteenplateau. Niet alleen in de opbouw maar eveneens in de aard en de ouderdom der gesteenten, de hydrografie, de vegetatie en het bodemgebruik vertonen deze drie delen duidelijke verschillen.

(Aruba: Geografie / Geologie) 

Het heuvellandschap van Aruba kan bij benadering als volgt worden begrensd: van Bushiribana aan de noordkust in zuidoostelijke richting tot voorbij de Ceru Santa Lucia (102,4 m), vervolgens in zuidelijke richting tot Mira Lama (135 m), van hier westwaarts tot Rooi Frances, vervolgens via Rooi Taki naar het oosten tot Baranca Cora en vanaf dit punt in noordoostelijke richting tot Rooi Prins aan de noordkust. In dit gebied liggen de hoogste toppen van het eiland zoals de 189 meter hoge Jamanota en de nagenoeg even hoge Arikok, voorts de Ceru Cabai (174 m), de Gran Tonel (157 m), de Ceru Largu (119 m), de Piedra Cacho (146 m) en de Kleine Jamanota (120 m). De dalen in dit gebied verlopen hoofdzakelijk oost-west, de hellingen zijn meestal niet erg steil met uitzondering van diep-ingesneden rooien als Rooi Fluit, Rooi Prins, Rooi Tambli en Rooi Daimari, die aIle op de noordkust uitkomen. De meeste dalen eindigen blind aan de kust aangezien een kalkterras van geringe breedte het heuvellandschap van de zee scheidt. Onder andere bij Noordkaap bereiken de heuvels de zee en vormen daar een vooruitstekend deel van de kust. Dit deel van Aruba is nagenoeg onbewoond en ongecultiveerd. Bij Andicuri, Daimari en Rooi Prins bevinden zich in de uitmonding der rooien kokospalmtuinen.

Het kwartsdiorietgebied ten noordwesten van het heuvelland werd door de krachten van verwering en erosie sterk afgevlakt. De noordrand wordt gemarkeerd door een lage rug, ongeveer evenwijdig aan de kust verlopend, waarvan heuvels als de Jaburibari (90 m), Ceru Gerard (84 m), Ceru Cristal (68 m) en Alto Vista (70 m) deel uitmaken. Plaatselijk treft men resten aan van de kalksteenformaties die dit gebied eertijds overdekt moeten hebben; zulke geïsoleerde ‘getuigebergen’ zijn onder andere de Ceru Plat (96 m) langs de noordrand en aan de zuidzijde de Ceru Canashitu (74 m) en de lage plateautjes van San Barbola en Ceru Patrishi. Het vrijkomende verweringsmateriaal van dit gebied werd voor een deel langs en in de nabijheid van de west- en zuidkust neergelegd in de vorm van uitgestrekte zandvlakten en rooien zoals Santu Grandi, Rooi Santu, Salifia’i Cerca, de vlakte van Bubali en Washington, de omgeving van Tarabana en van de Canashitu, enz.

Het diorietlandschap is overdekt met uitgestrekte blokvelden en blokhopen: reusachtige steenstapelingen die de resten vormen van de in het Quartair verwijderde gesteenten. De bekendste blokhopen zijn die van Ajo en van Casibari; het zijn typische voorbeelden van spheroïdale verwering. Merkwaardig zijn de veelvuldig hierin voorkomende, dikwijls van de wind afgekeerde verweringsholten in deze rotsblokken. Opmerkelijke vormingen in dit landschap zijn voorts de hardkoppen (monad-nocks) waarvan de Hooiberg (167,5 m) als een schoolvoorbeeld mag gelden. Deze kegelvormige heuvel rijst steil uit het vlakke diorietgebied omhoog: hij bestaat uit de zeer harde en donkere hooibergiet, een gesteente dat zijn naam aan deze heuvel ontleent en dat meer weerstand tegen verwering biedt dan de omringendegesteenten. Andere hooibergietverheffingen zijn hier onder andere de Ceru Bientu (86,8 m), Ceru Warawara (90 m) en de Ceru Pretu (70 m). Het zuidoostelijk deel van Aruba bestaat overwegend uit kalksteenformaties; waar deze door verwering en erosie verwijderd werden, komt meestal de kwartsdioriet aan de oppervlakte. Het gebied heeft een plateaukarakter, neemt in zuidoostelijke richting in hoogte af en vertoont cuesta's en steilranden. Langs de zuidkust gaat het kalksteenplateau vrijwel zonder onderbreking over in een breed kustterras dat zich over de gehele lengte van het eiland voortzet, slechts hier en daar onderbroken door rooien en verweringszandvlakten. Enkele hiervan zoals Rooi Frances en het Canashitu-Mahuma-systeem, zijn qua vorming volledig te vergelijken met de oud-pleistocene dalstelsels van Curaçao en Bonaire. Op Aruba zijn geen binnenbaaien ontstaan zoals op Curaçao omdat deze oude dalen niet zo diep ingesneden waren dat ze in het Holoceen vol liepen als gevolg van de zeespiegelstijging van de laatste ijstijd. Slechts bij het Spaans Lagoen, dat ter hoogte van Balashi door de kalksteen heen breekt, waren de omstandigheden van dien aard dat er een blijvend kanaal landinwaarts kon ontstaan.

(Aruba: Geografie / Geologie)

Langs de noordkust is het kalksteen kustterras veel smaller dan aan de zuidkust en op verschillende plaatsen ontbreekt het geheel. De noordkust is veelvuldig ingesneden door grotere en kleinere baaien, die hun ontstaan danken aan de afbraakkrachten der branding. Langs de noordkust van oost naar west zijn de voornaamste baaien (boca’s): Boca Grandi, Boca Rincon, Boca Prins, Boca Dos Plaja, Boca Ketu, Daimari, Andicuri, Boca Mahos, Boca Pos di Noord, Boca Cuni en Boca Druif. Dikwijls worden de baaien aan de landzijde afgesloten door een zandstrandje en lage duinen. Bij Boca Druif en Boca Prins bereiken deze duinen een hoogte van 25 m. Op vele plaatsen waar het kustterras door de branding wordt bespoeld, zijn diepe brandingsnissen en zogenaamde sawa-banken ontstaan, elders grotten en spleten waarin het zeewater toegang heeft, en in de nabijheid van Andicuri is een natuurlijke kalksteen-overspanning gevormd, de zogenaamde natuurlijke brug waar het zeewater onderdoor bruist. Deze natuurlijke brug is er overigens sinds 2006 niet meer; hij is ingestort! Het gedeelte van de noordkust vanaf Rincon tot bijna aan de Ceru Colorado bestaat uit een langgerekt zandstrand, bij Boca Grandi door duinen aan de landzijde afgesloten. Ten zuiden van Fontein wordt het kustterras landinwaarts door een steil wand van ca. 6 meter hoogte afgesloten. Hierin worden de grotten van Fontein en van Quadirikiri aangetroffen.

De zuidkust van Aruba vertoont een veel minder sterke geleding dan de noordkust; het reeds genoemde Spaans Lagoen is de enige diepe inham in deze kust. Andere baaien aan de zuidkust zijn de Paardenbaai, de Commandeursbaai, de Sint Nicolaasbaai en het Klein Lagoen. Vanaf de Paardenbaai strekt zich over de gehele lengte van het eiland in zuidoostelijke richting op enige afstand voor de kust een, op verschillende plaatsen onderbroken, kustrif uit. Ten westen en ten noorden van de Paardenbaai ontbreekt dit; de kust is hier laag en bijna overal zandig. In plaats daarvan (vanaf Paardenbaai tot bijna aan Malmok) heeft zich bijna overal een fraai strand gevormd waar verscheidene luxe-hotels staan.

Bodem en begroeiing van Aruba zijn uiteraard beïnvloed door de semi-aride klimaatsomstandigheden van het eiland. Blijvende grasgroei ontbreekt, de overige vegetatie is spaarzaam en overwegend xerofytisch van karakter. Waar wind en/of zout water overheersen, vooral dus langs de noordkust, ontbreekt bijna elke plantengroei. Langs de zuidkust komt op verschillende plaatsen een dichte mangrove-vegetatie voor. Grondwater van betekenis wordt op het eiland (bijna) niet aangetroffen. Bij Fontein heeft zich op het scheidingsvlak tussen de kalksteen en de onderliggende lagen een natuurlijke bron gevormd.

(Aruba: Geografie / Geologie)

Door de aanleg van dammen heeft men hier en daar waterreservoirs (tanki’s) gevormd, welke tegenwoordig nog slechts voorzien in de waterbehoefte van het vee. Vrijwel alle woningen op het eiland zijn aangesloten op het waterleidingnet, dat gevoed wordt vanuit de waterfabriek bij Balashi (zie @: Watervoorziening). 

 

Aruba Hoofdstuk 2 Economische activiteiten

  • Sectie 1: Landbouw, veeteelt en visserij
  • Paragraaf 1: Akkerbouw; aloë; veeteelt

De voorwaarden voor akkerbouw en veeteelt zijn op Aruba zeer ongunstig, en het is begrijpelijk dat de bevolking na de vestiging van de olie-industrie, waardoor in ruime mate andere werkgelegenheid ontstond, zich van de akkerbouw afkeerde. Naar schatting is slechts 2500 ha van het eiland enigermate bruikbaar voor de akkerbouw, maar het grootste deel van dit oppervlak ligt sinds tientallen jaren onbewerkt en overdekt met een secundaire begroeiing van cactussen en doornstruiken. De oudere Arubanen op het platteland echter hebben het planten nimmer geheel opgegeven en verbouwen op kleine perceeltjes bij hun woning met wisselend succes hun kleine mais, boontjes, aardnoten en veldvruchten, als een aanvulling op het voedingspakket van buitenlandse herkomst. De omvang van het in gebruik zijnde akkerbouw-areaal wisselt sterk van jaar tot jaar, afhankelijk als deze is van de neerslag. Omstreeks 1840 werd op Aruba de aloëplant ingevoerd, waarvan de hars als grondstof dient in de farmaceutische industrie. De veeteelt wordt op Aruba zeer extensief bedreven; men houdt vooral kleinvee zoals geiten, schapen en varkens. Men laat dit vee tot schade van de natuurlijke begroeiing volkomen los weiden. In de afgelopen jaren heeft de pluimveeteelt enige betekenis gekregen. De groenteteelt is vooral in hand en van Chinezen, tuinen bevinden zich onder andere te Fontein en Bubali. Omstreeks 1957 werd bij Paradijs, even ten noordwesten van Oranjestad een zogenaamde nutriculture-farm opgezet; tot dusverre zijn de bedrijfsresultaten als gevolg van de concurrentie van geïmporteerde groenten en fruit nogal teleurstellend geweest (zie @: hydroponics).

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 2: Visserij

Evenmin als de landbouw speelt de visserij op Aruba in het geheel der bestaansmiddelen thans nog een rol van enige betekenis. Uiteraard zijn er wel personen die in één dezer bedrijfstakken aanvullende werkgelegenheid vinden. Men beoefent vooral de kustvisserij met eenvoudige middelen; vanouds worden de meeste vissers gevonden in Sabaneta, in de Rancho (een wijk van Oranjestad) en in de omgeving van Noord.

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 3: Goud

In de vorige eeuw kreeg Aruba enige bekendheid door de ontdekking van goud. In 1824 werd het eerste goud gevonden in Rooi Fluit; sindsdien heeft men het met wisselend, doch altijd gering succes gewonnen tot het jaar 1916. Het goud kwam vooral voor in de kwartsgangen langs de noordkust en in het heuvelachtige middendeel van het eiland. Bij Bushiribana en Balashi herinneren de ruïnes van de goudsmelterijen nog aan de thans verdwenen goudwinning; hier en daar treft men nog oude gangen en schachten aan. In 1946 werden uitvoerige exploitatieboringen verricht op de Ceru Cristal, die echter niet geleid hebben tot hernieuwde exploitatie.

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 4: Fosfaat

Gedurende korte tijd was de fosfaatwinning op Aruba van betekenis. Deze delfstof werd in 1873 in de omgeving van Ceru Colorado aangetroffen en werd in de periode 1881-1915 aldaar afgegraven en uitgevoerd. Door uitputting van de gemakkelijk bereikbare hoogwaardige lagen werd de exploitatie tenslotte gestaakt. Onderzoekingen in het begin van de zestiger jaren van de 20ste eeuw hebben uitgewezen dat in dit gebied op enige diepte nog fosfaatlagen aanwezig zijn. Om technische en economische redenen is de winning hiervan niet aan te raden.

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 5: Industrie

Het zwaartepunt van de economie van Aruba ligt sinds de 1920er jaren van de twintigste eeuw in de petroleumindustrie van de Lago. Van 1927-1953 vestigde zich op het eiland eveneens de Arend Petroleum Maatschappij N.V., die haar etablissementen had bij Druif.

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 6: Handel en verkeer

Handel en verkeer, bouwnijverheid en de dienstverlenende sector zijn thans naast de industrie de belangrijkste bestaansmiddelen.

Aruba Hoofdstuk 2 - Sectie 1 Economie Paragraaf 7: Toerisme

Deze paragraaf behoeft nog een beschrijving.

 

Aruba Hoofdstuk 3: Bevolking

De bevolking nam in nog geen 50 jaar toe van ca. 8000 tot bijna 60.000 inwoners, onder andere door een massale immigratie (zie @: Bevolking). De voornaamste nederzettingen zijn thans: de hoofdplaats Oranjestad, voorts San Nicolas, Santa Cruz, Sabaneta, Noord en Paradera, die onderling door een uitstekend wegennet worden verbonden.

 

Aruba Hoofdtsuk 4: Referenties

Voor gegevens omtrent de Arubaanse bevolking zie @: Bevolking; Nederlandse AntilIen; voor verdere informatie zie o.m. @: Archeologie; @: Architectuur; @: Economie; @: Eilandenregeling; @: Geneeskunde; @: Geologie; @: Geschiedenis; @: Kiesrecht; @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen.

 

Aruba Hoofdstuk 5: Literatuur

  • Jaarverslagen Eilandgebied Aruba;
  • Publikaties van de Dienst voor economische ontwikkeling te Aruba;
  • P. Wagenaar Hummelinck, Over verweeringshalten in diarietblokken op Aruba, in: West-Indische Gids jrg. 20 (1938).

Voor overige literatuur zie opgave bij Nederlandse Antillen, Benedenwindse Eilanden.

 

@: Aruba
Voorlichtingsblad van het Eilandgebied Aruba, zie @: Pers.

 

@: Arubaanse Courant zie @: Pers:

 

@: Arubaanse dans- en balletschool

Opgericht in 1952, een van de een van de belangrijkste dansscholen met 700 leerlingen - van de kleuter- tot de volwassen leeftijd - waar onder leiding van Iris Bernabela- Arispe, Sonja Geevers en Diana Wever-Antonette worden beoefend, het klassiek, modern en jazz-ballet, flamenco en de gestileerde volksdans. Naast de dans in eigenlijke zin wordt ook de discipline van lichaamsbewegingen onderwezen, die tot de categorie van gymnastische oefeningen moeten worden gerekend. Zowel op Aruba (Cas di Cultura, hotels en particuliere clubs) als in het buitenland (o.a. Venezuela, Colombia, Guyana) wordt regelmatig opgetreden.

 

@: Arubaanse Industrie en Mijnbouw Maatschappij Aruminco, N.V. / @: Aruminco

is een voortzetting van de in 1960 door het eilandgebied Aruba opgerichte Arubaanse Exploratie en Mijnbouw N.V. Behalve de naamsverandering op 9 december 1961 is door statuten-wijziging ook het oorspronkelijke doel, namelijk het ontginnen van delfstoffen in de Arubaanse bodem, het verhandelen en verwerken daarvan en het deelnemen in andere ondernemingen van gelijke aard, uitgebreid. Het vestigen en exploiteren van andere industrieën en het exploiteren van landbouw- en visserijbedrijven gingen ook tot de doelstellingen van de N.V. behoren. Thans richt de Aruminco zich uitsluitend op de exploratie van olie en gas ter zee.

 

@: Arubaanse Pedagogische Academie (@: APA / @: A.P.A.)

die onder de Stichting Middelbaar Onderwijs Aruba ressorteert, verzorgt de opleiding van kleuterleidsters en van onderwijzers (zie @: Onderwijs: Het hoger beroepsonderwijs).

 

@: Arubaanse Vereniging voor Handel en Industrie

zie @: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van

 

@: Arubaanse Volkspartij (@: AVP / @: A.V.P.)

Foto: Standbeeld te Oranjestad van J.H.A. "Henny" Eman, grondlegger van de A.V.P. Op de sokkel staat het inschrift "defensor di pueblo - pionier di e gran lucha pa autonomia (verdediger van het volk - pionier van de grote strijd voor autonomie").

Staatkundige partij op Aruba, opgericht door J.H. (Henny) Eman, die in 1942 voor de eerder door hem opgerichte partij de naam A.V.P. koos. De partij stelt zich blijkens de in 1983 goedgekeurde statuten ten doel het algemeen belang en welzijn van het Arubaanse volk te dienen en te bevorderen door haar sociaal christelijke democratische beginselen langs wettige middelen in wetgeving en bestuur tot gelding te brengen.

Voorzitter van de partij is thans een kleinzoon van de oprichter, eveneens Henny Eman genoemd. De A.V.P. behaalde bij de Statenverkiezingen van 25 Juni 1982, twee zetels en bij de Eilandsraadsverkiezingen van 29 april 1983, 5 zetels.

 

@: Arubaans Museum

Zie @: Musea.

 

@: Aruba Bank N.V.

Zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Aruba dushi tera

Zie @: Himno nacional di Aruba.

 

@: Aruba Esso News

Zie @: Pers

 

@: Arubahuis

Zie @: vertegenwoordiging van Aruba

 

@: Aruba Nostra

Stichting opgericht in 1964 met als hoofddoel de cultuur- en natuurmonumenten van het eiland te behouden en te beschermen.

 

@: Aruba Ports Authority N.V. (A.P.A.)

Beheert namens het Eilandgebied Aruba de havens en haventerreinen van Oranjestad en Barcadera. Het bedrijf is een overheidsvennootschap waarvan 100% van de aandelen in handen is van het Eilandgebied Aruba. Oprichting van het bedrijf op 12 januari 1981 was onderdeel van een totale havenreorganisatie welke een voorwaarde was van de Nederlandse regering voor financiering van de nieuwe containerhaven.

De taken van het bedrijf zijn:

- het aanleggen, beheren, onderhouden en exploiteren van de havens en haventerreinen te Oranjestad en Barcadera inclusief de daarbij behorende beboeiing, bebakening en verlichting;

- het doen loodsen van zeeschepen en het exploiteren van een sleepdienst;

- het handhaven van de orde en veiligheid in de havens door middel van een havenbewakingsdienst;

- het bevorderen van het cruise-toerisme.

De A.P.A. beschikt over een tweetal zeegaande sleepboten, die ook dienst doen te San Nicolas ten behoeve van de Lago. Tevens heeft het bedrijf een vijftal loodsboten in de vaart alsmede een speciaal tendervaartuig dat tevens fungeert als officiële Arubaanse reddingsboot. Er zijn ca. 120 man in dienst. Als eerste algemeen-directeur werd mr. Chr. van Krimpen benoemd.

De vennootsehap heeft een concessie verleend aan een stuwadoorsmaatschappij, de Aruba Stevedoring Company N.V. die alle havenarbeiders van Aruba in vaste dienst heeft. Alle tarieven van deze stuwadoorsmaatsehappij zijn onderworpen aan de goedkeuring van de A.P.A. (Zie ook Containerhaven).

 

@: Aruba Press Club (A.P.C.)

zie @: Persvereniging.

 

@: Aruba Trade and Industry Association (@: ATIA / @: A.T.I.A.)

zie @: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van.

 

@: Arubus

Nadat op 28 september 1979 de aandelen van West End Transportation N.V., een particulier bedrijf dat auto busdiensten exploiteerde, door het eilandgebied Aruba werden overgenomen, kon het openbaar vervoer door de overheid worden gereorganiseerd. Dank zij Nederlandse ontwikkelingshulp konden 14 Volvo-autobussen worden aangeschaft (NAf 6,4 miljoen; oftewel ruim 457.000 per voertuig).

Van de lijndiensten maken per maand 100.000 passagiers gebruik; de speciale schoolbussen vervoeren ± 1200 kinderen per dag. Om sociaal-economische redenen worden de tarieven laag gehouden. Het eilandgebied subsidieert het bedrijf tot omstreeks 50% van de totale kosten; in 1983 NAf 2,2 miljoen.

 

@: Aruminco

zie @: Arubaanse Industrie en Mijnbouw Maatschappij Aruminco N.V.

 

@: Ascension

zie @: Landhuizen.

 

@: Asfaltmeer

Voor de geweldige oorlogsinspanningen van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog waren enorme hoeveelheden olieprodukten nodig: Benzine voor de vliegtuigen en het rollend materieel, brandstof voor de schepen en voorts diverse soorten smeerolie. De olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba hebben onder hoge spanning gewerkt om aan de behoeften van de geallieerden te voldoen. De produktie werd zover opgevoerd, dat de raffinaderijen elk per dag 25 á 30.000 ton afleverden. De behoefte aan lichte olieprodukten was in de oorlogsjaren hoog. De vraag naar de zware produkten, die in het raffinaderijproces vrijkomen, nam in verhouding af. Daardoor zagen de raffinaderijen zich geplaatst voor het probleem, waar zij deze zware produkten moesten laten.

Als gevolg hiervan werden op Curaçao grote hoeveelheden gekraakte asfalt gestort in een afgedamd deel van de Buskabaai in het Schottegat, dat sedertdien het ‘Asfaltmeer’ heet. Het heeft een oppervlakte van 52 hectaren en bevat naar schatting ongeveer 1,2 miljoen ton asfalt. Op Aruba werd het asfalt nabij de oostkust op het land gestort. Deze grote hoeveelheden asfalt zijn daar na de oorlog tientallen jaren ongebruikt blijven liggen.

Door de oliecrisis in de 1970ger jaren stegen de olieprijzen enorm. Als gevolg hiervan werden industrieële verbrandingsprocessen ontwikkeld, waarbij gebruik wordt gemaakt van de minder kostbare zware olieprodukten. Hierdoor werd het lonend om het gestorte asfalt uit de oorlogsjaren te exploiteren. Op Aruba wordt het nu afgegraven en verscheept en op Curaçao is de firma Nareco (Neth. Ant. Recycling Co.) aangevangen met het terugwinnen van het asfalt uit het asfaltmeer.

Lit.: J. Hartog, Curaçao, van kolonie tot autonomie, deel II (1961).

 

@: Ashkenazische gemeente

zie @: Joodse gemeenten: Komst der Ashkenazim.

 

@: Asiento

Eigenlijk: Asiento de negros, was de benaming van het contract, gesloten tussen de Spaanse overheid en handelscompagnieën of particulieren tot levering van negerslaven aan de Spaanse koloniën in Amerika. De asiëntisten hadden het monopolie van de invoer aldaar, maar waren voor de leverantie merendeels afhankelijk van compagnieën of handelshuizen die relaties met West-Afrika hadden, zoals de West-Indische Compagnie (W.I.C.) of de Royal African Company. Van 1677 en volgende jaren zijn contracten tussen de W.I.C. en agenten van het asiento bewaard. Spanje sloot in 1662 een asiento af met Domingo Grillo (of Fullo), vermoedelijk een Spanjaard en de Genuees Ambrosio Lomelino. Deze betrokken de slaven voornamelijk via de W.I.C. De directeurs van Curaçao traden soms op als agenten voor Grillo en Lomelino. Tussen 1668 en 1671 kwam, in verband met de financiering, een apart fonds voor de slavenhandel tot stand, met gelden bijeengebracht door de W.I.C. en particuliere reders. Aanvankelijk was 3/5 van de winst voor de Compagnie en 1/5 voor de reders, later werden gelijke porties uitgekeerd. Het asiento werd na de dood van Lomelino in 1668 door Grillo voortgezet, het kwam in 1670 voor korte tijd in handen van de Portugees Antonio Garcia en werd vervolgens door de Consulado (een koopliedengilde) te Sevilla beheerd. Hoewel dit lichaam aan uitgifte van consenten voor de slavenhandel een verbod van aankoop op Curaçao (bij de ketterse Hollanders) verbond, blijkt bij een overeenkomst, gesloten in 1675, dat de Amsterdammers Balthasar en Joseph Coijmans (nauw verbonden met de W.I.C.) als financiërs optreden. Balthasar Coijmans verkreeg in 1684 de administratie van het asiento, welke overeenkomst in 1687 werd geannuleerd omdat Coijmans als niet-katholiek voor de Spanjaarden toch onaanvaardbaar was. Tot 1701 bleef het asiento in handen van Spanjaarden en Portugezen en tijdens de Spaanse Successieoorlog in handen van de Fransen.

Na de Vrede van Utrecht (1713) verkreeg de Engelse South Sea Company het contract en behield het, afgezien van een onderbreking tijdens, de zogenaamde asiento-oorlog (1739), tot 1750, toen de Spaanse kroon het voor £ 100.000 afkocht. Van ca. 1660-ca. 1713 was Curaçao de belangrijkste aanvoerhaven, van waaruit de asiëntisten de slaven naar de Spaanse koloniën vervoerden. Men heeft de Curacaosche plantage Asiento wel met deze handel in verband gebracht, en gemeend dat daar het slavenkamp van de W.I.C. gevestigd was. De Compagnie gebruikte echter de plantages Zuurzak en Groot-St. Joris voor dit doel. (Zie @: Slavenhandel, ook voor literatuur over het asiento).

 

 

@: Asiento, Sport- en ontspanningsvereniging

Oorspronkelijk opgericht ten behoeve van gezinnen van de Shell-gemeenschap op Curaçao, omvat (1983) 22 clubs en 6000 leden, waarvan 40% niet behorend tot de Shell-gemeenschap.

 

@: Asiento-formatie

Oude naam voor het fossiele koraalrif, thans laagterras langs de binnenbaaien van Curaçao.

 

@: Assimilatie
zie @: Acculturatie.

 

@: Asten, Zusters van / @: Zusters van Asten
zie @: Bisdom Willemstad.

 

 

@: A.T.I.A. Aruba Trade and Industry Association
zie @: Werkgevers en ondernemers, Organisaties van.

 

Het volgende artikel is in het Papiamentu:

@: Atalita Eleazar “Chal” Cecilio / @: Chal Atalita
 

(7 augustus 1930 - 24 mei 2006). Na edad di 15 aña Chal a mustra interes den müzik i deporte, banda di su determinashon pa bai dilanti den bida. Asina el a siña toka trompèt komo mucha hòmber ku ta bai skol na Skèrpènè, praktikando tur dia, pasombra e kier a bira un tremendo trompetista.

Ora gruponan tabata bin for di afó, Chal tabata bai wak i skucha i hopi biaha kombersá ku e trompetistanan pa e siña for di nan. Ela kolekshoná hopi literatura di tantu trompèt i di teoría di müzik. Ora ela bai for di Skèrpènè e no tabatin trompèt mas pa e toka. Ku su promé sueldo di trabou el a bai hunga poker. Ku e sèn ku ela gana, ela logra kumpra su promé trompèt.

Chal a toka entre otro pa Conhunto La Plata, Conhunto Cristal, Jovenes del Caribe i All Star Combo. Den áñanan 1970, Chal a enkabesá un agrupashon musikal, ku, riba enkargo di Gobiernu di Kòrsou, a bai toka na New York i tambe Canada. Chal tabata na kuna di lantamentu di AMAK (Asosashon di Musiko i Artista di Korsou), kaminda e tabata fungi komo tesorero.

 

@: Augustijnen, Paters
zie @: Bisdom Willemstad.

 

@: Autobusbedrijf Curaçao N.V. (@: ABC / @: A.B.C.)

werd opgericht december 1943 met als enige aandeelhouder de Nederlandse Antillen. Als doelstelling werd in de statuten vermeld: Het onderhouden van autobusdiensten op het eiland Curaçao en het uitoefenen van het autobusbedrijf met alles wat daarmee in de ruimste zin des woords verband houdt.

Aanvankelijk bediende het Autobusbedrijf het oostelijk gedeelte van het eiland, alsmede de verbinding met het vliegveld; tevens onderhield het de zogenaamde route om het Schottegat. Het westelijk deel van het eiland was toevertrouwd aan een particuliere onderneming genaamd Bakhuis Busline. Nadat Bakhuis het bedrijf liquïdeerde viel ook dat deel van het eiland onder het verzorgingsgebied van het Autobusbedrijf.

Door de opkomst van het autobezit en nog andere factoren begonnen de zaken achteruit te gaan en raakte het bedrijf in verval; op een gegeven tijdstip reed er nog maar één bus, terwijl de behoefte aan openbaar vervoer steeds dringender werd. Per 1 oktober 1972 werd het Autobusbedrijf overgenomen door het Eilandgebied Curaçao, dat dan ook de enige aandeelhouder werd. Het wagenpark bestond toen uit 1 lijndienstbus en 2 gehuurde schoolbussen. Eind 1973 kreeg het bedrijf de beschikking over 8 nieuwe Daf-bussen die werden ingezet op de traditionele routes volgens een nieuwe dienstregeling. Het Autobusbedrijf nieuwe stijl begon in 1974 met een wagenpark van 8 lijndienst-bussen en vervoerde dat jaar 809.866 passagiers. Het had een personeelsbestand van total 41 werknemers. Het bedrijf was in die tijd gevestigd aan de Schottegatweg Oost te Salina. 

Eind 1982 beschikt het over een wagenpark van 40 lijndienst-bussen, 5 schoolbussen en nog een vijftal bedrijfsauto's. Het personeelsbestand is uitgegroeid tor 163 personen. Het bedrijf onderhoudt dagelijks 8 routes bestaande uit 24 lijnen en verbindt zodoende diverse punten van oost- tot westpunt met het centrum van de stad. De bussen rijden ongeveer 18 uur per dag en leggen tezamen dagelijks 9.183 km af. Per eind 1982 vervoerde her A.B.C. totaal 5.209.937 passagiers. Eind 1978 verhuisde het bedrijf van de Schottegatweg Oost naar een nieuw gebouw te Buena Vista.

Het Autobusbedrijf Curaçao, zijnde een overheids-N.V., wordt gesubsidieerd door het Eilandgebied om de tarieven laag te houden teneinde het vervoer betaalbaar te maken voor de minst draagkrachtigen. Naar bedrijfseconomisch rendement wordt niet gestreefd; het bedrijf heeft een maatschappelijke functie. Omdat de komst van de autobus samenviel met het begrip ‘konvooi’ (in de Tweede Wereld oorlogsjaren) wordt de autobus nog immer aangeduid met de benaming konvoi.

 

@: Autonomie

 

betekent in het Staatsrecht letterlijk zelfwetgeving; naar de letter genomen valt het bezitten van autonomie samen met souvereiniteit. Meer speciaal wordt de autonomie in de Nederlandse Antillen in verband gebracht met de zelfstandigheid van de Nederlandse Antillen als deel van het Koninkrijk der Nederlanden ten opzichte van het Europese gedeelte van het Koninkrijk, namelijk Nederland, binnen het kader van het Statuut. (Zie ook Decentralisatie).

 

@: Autonomiebeweging

is een in het begin van de 1940er jaren onder invloed van de Democratische Partij en dr. M.F. da Costa Gomez op gang gekomen beweging die een verandering van het bestuursstelsel van het gebiedsdeel Curaçao wenste, inhoudende een aan de Staten verantwoordelijk bestuur. Op 25 juni 1946 werd namens de Staten van Curaçao aan H.M. Koningin Wilhelmina een petitie aangeboden, waarin het verlangen naar autonomie van het gebiedsdeel werd geformuleerd. Met de inwerkingtreding van de Interim-regeling 1950, waarbij een volwaardig parlementair systeem werd ingevoerd voor de behartiging van de inwendige aangelegenheden, werd de autonomie een feit.

Literatuur:

  • M. P. Gorsira, De Staatkundige emancipatie van de Nederlandse Antillen (1951);
  • A. Kasteel, De Staatkundige ontwikkeling der Nederlandse Antillen (1956).

 

@: Awakati

(Persea americana) (familie der Lauraceae) avocado of pear tree, is een altijd groene, middelmatig grote tot hoge boom met ronde of peervormige vruchten, die eiwit- en vetrijk zijn, met hoge voedingswaarde.

 

@: AWV / @: A.W.V.

zie @: Aanvullende Werkvoorziening.

 

@: AWW / @: A.W.W. / @: Algemene Weduwen- en Wezenverzekering

zie @: Sociale Voorzieningen.

 

@: Ayaka

zie @: Voedingsgewoonten.

 

@: Azijn Banana

pseudoniem van Oscar Enau van Kampen (Curaçao 17 April 1916); heeft vooral bekendheid verkregen door zijn humoristisch weekblad Lorito Real (1948-1958), waarin hij zijn geschreven en getekende parodieën, met een uitgesproken politieke inslag, publiceerde. (Zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen). 
 

 

 

De letter B

b is de tweede letter van het Nederlandse alphabet. In het Semitische alphabet werd deze letter beth genoemd, hun aanduiding voor ‘huis’, een teken die zij van de Egyptische hieroglyfentaal overnamen en die als een eenvoudige plattegrond van een huis werd geschreven. De Foeniciërs trokken het teken, die door zowel de Egyptenaren als de (Proto) Semieten als een rechthoek met een opening werd getekend, uit elkaar en transformeerden haar tot een soort schuin huisje met een dakje; een soort hoekige cijfer 9. Dit was ongeveer in het jaar 1.050 vóór Christus. Bij hun overname ervan, werd de beth door de Grieken als beta vertaald en ontwikkelden zij haar zover, dat het teken reeds als een moderne b kon worden onderscheidden. Zoals reeds gesteld bij de behandeling van de letter a, gingen de Grieken er op een gegeven ogenblik toe over om de collectie van letters, die zij hadden ontwikkeld om woorden te formeren, met de naam alphabetos aan te duiden. Het Griekse alphabetos reisde met hun mee, onder andere op hun handels- en kolonisatietochten naar oud-zuid Italië, waar de Griekse cultuur in aanraking kwam met die van de Etrusken. Dezen kenden in hun taal de letter b aanvankelijk niet, maar namen het van de Grieken over. Vervolgens werd de b samen met de gehele Etruskische beschaving door de Romeinen en hun Latijns geabsorbeerd en evolueerde de uitspraak van de letter langzaam naar de korte klank die wij heden ten dage kennen.

De b is een klank die met de lippen op elkaar als het ware en met kracht wordt uitgespuugd; als de uitspreker weinig kracht gebruikt, dan verkrijgt hij al gauw een p in plaats van b.

Het gebruik van de b in het Engels varieert behoorlijk, van een krachtige klank in woorden als bacteria, bad, beauty, tot een hele zachte, bijna p-achtige klank in rob, tot een b die nagenoeg niet wordt uitgesproken als in tomb, dumb. In woorden als subtle en debt, verdwijnt de b-klank zelfs helemaal. Het Spaans kent een andere variatie. In deze taal wordt de normale b-klank gehanteerd en duidelijk gehoord in woorden als bailar, barrio en gebruikt men een v voor het produceren van een zachte b-klank als in vacilar en vengansa. Het Nederlands gebruikt de b doorgaans als een duidelijke maar toch relatief zachte klank als beginletter (boom; beroep), maar verliest zich vaak in een b die als een p wordt uitgesproken, als de letter in het midden (of aan het einde) van het woord staat: abnormaal, eb (tegenovergestelde van vloed). Het Papiamentu spreekt doorgaans een krachtige b ook voor de oorspronkelijk zachte b-klank in Spaanse v-woorden.

Ook de b is een veel gebruikte letter; in deze encyclopedie zit hij bijna aan de top. Het is de beginletter van één van de twee Benedenwindse zustereilanden van Curaçao: Bonaire. Een aantal van de grootste componisten in de geschiedenis hebben (achter) namen die met een b beginnen: Bach, Beethoven, Brahms, Berlioz, maar ook Bernstein. En met een b begint één van de meest geliefde hapjes bij de maaltijd op Curacao: de banaan. Voor de Venezolaanse onafhankelijkheid is de naam Bolivar natuurlijk van onschatbare waarde, evenals die van Brion, die behalve voor de vrijheidsoorlogen in Zuid-Amerika, ook voor zijn geboorte-eiland Curaçao enorm veel heeft betekent.

 

 

@: Baki

zie @: Handel: Binnenlandse handel.

 

@: Bakoba

zie @: Banaan.

 

@: Balahoo

zie @: Halfbek.

 

@: Balashi

Terrein op Aruba aan het Spaans Lagoen. Hier bevindt zich de ruïne van de omstreeks 1900 gebouwde goudsmelterij, die tot in de Eerste Wereldoorlog - hoewel met moeite - in bedrijf is geweest. Aan de zuidkust bij Balashi liggen thans de water- en elektriciteitsbedrijven van de Watervoorzieningsdienst van Aruba; tegenwoordig W.E.B.: Water & Energie Bedrijf.

 

 

@: Balaú

is de Papiamentse naam voor een groep grote, pelagische vissen, die gekenmerkt zijn door hun speervormig verlengde bovenkaak: de zwaardvis of swordfish (Xiphias gladius), balaú bandera of sailfish (Istiphorus american us), balaú kabritu of spearfish (Tetrapterus belone) en de balaú blanku of marlin (Makaira spec.). Zij zwemmen solitair of in paren en zij leven van vis. Hun geweldige grootte, kracht en snelheid maakt hen zeer geliefd bij de sportvisserij, terwijl hun vlees marktwaardig is.

 

@: Balaú di flambéu

zie @: Halfbek.

 

@: Bali’e sinta

(baliá di sinta) lintendans, is een volksdans van Europese oorsprong, die bij bijzonder feestelijke bijeenkomsten wordt uitgevoerd. Op de maat van mazurka of wals worden in deze groepsdans linten om een paal gevlochten.

 

@: Bali’e tambú

(baliá di tambú) zie @: Tambú.

 


@: Ballonvissen

komen in de Nederlandse Antillen in drie soorten voor; ten eerste de bias (Canthigaster rostrata), puffer of swellfish, en voorts twee soorten egelvissen, djindja of hedgehog (fam. Diodontidae). Als ballonvissen in het nauw gebracht worden, slikken ze hun maag zo vol met water of lucht, dat ze ballonvormig opzwellen. Bij de egelvissen gaan dan bovendien alle stekels rechtuit staan. De bias blijft klein en leeft van kleine prooi. De veel grotere egelvissen zijn slakken- en krabbeneters, die met hun zwaar gespierde, tandeloze kaken stevige schelpen en pantsers kraken. Zij pakken een krab ergens willekeurig beet; soms heeft de krab dan gelegenheid de vis in zijn oog te knijpen maar zelfs flinke hoornvliesbeschadigingen plegen in enkele dagen te genezen zonder dat infectie optreedt. Verschillende inwendige organen van de ballonvissen zijn giftig.

 


@: Balsamin

(Impatiens balsamina) of balsams, plantesoort uit de familie der Balsaminaceae. Kruid met dikke saprijke stengels, bladeren gesteeld, lancetvormig met scherp gezaagde rand; bloemen in klein aantal in bladoksel, met 3 kelkbladeren waarvan één gespoord en 5 purperen, violette, roze of witte kroonbladeren. Afkomstig uit tropisch Azië. Gekweekt op Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Baly, Camille E.

(Sint Maarten 1 Maart 1936) Engelstalige exponent van de moderne dichtkunst in de Nederlandse Antillen. Publiceerde poëzie en korte verhalen in Windward Islands’ Opinion, Simadan en Ruku.

Wrk.: Sonny (1965). In voorbereiding: The Village (verhalen ontleend aan de orale geschiedenis van St. Maarten).

 

@: Bamba

Een muziekinstrument dat uit twee uitgeholde stukken bamboe, kaña brabu genaamd, bestaat. De bamboestengels treft men aangespoeld op de kusten Bonaire en Curaçao aan. Uit deze stengels, met een doorsnee van ongeveer 7 á 8 cm, worden twee stukken van ongelijke lengte - 60 en 70 cm - gesneden. Met uitzondering van het onderste tussenschot worden alle andere tussenschotten van ieder stuk doorgestoken. Het onderste deel van de bamba wordt 10 cm onder het niet doorgestoken tussenschot afgesneden. De bamba wordt bespeeld door er ritmisch mee op een harde bodem te stampen; samen met andere instrumenten, waaronder de kwarta en de gitaar, wordt de bamba gebruikt ter begeleiding van liederen tijdens de San Juan- en San Pedro-feesten op Bonaire. Bij deze begeleiding heeft de bamba de functie van de contrabas.

De lengtes worden dan ook zodanig afgesneden dat, uitgaande van het langste stuk als grondtoon, het kleinste stuk de vierde toon zoveel mogelijk benadert. Dit instrument, in de organologie bekend als stamping tubes, kent een wereldwijde verspreiding: Afrika, Centraal- en Zuid-Amerika, Azië, Zuidzee. Door zijn eenvoudige structuur wordt het beschouwd als een van de oudste ritme-instrumenten.

 

@: Banaan

(Musa) behoort tot de familie der Musaceae. Men onderscheidt de suikerrijke bakoba, sweet banana of vigs (Musa sapientium), die men uit de hand eet en de zetmeelrijke banana, plantain of porteau (Musa paradisiacal, die gebakken of gekookt wordt. Omstreeks 1915 waren er tamelijk grote bananenaanplantingen op de Benedenwindse Eilanden. Nu wordt vooral de bakoba op beschutte plaatsen in de hofjes geteeld. Bij de bakoba onderscheidt men drie soorten: Bakoba kaska hel (gele schil), bakoba kaska bèrdè (groene schil) en bakoba titiaru (klein formaat).

 

@: Banana di ref

Naam van twee plantesoorten:

1. Sesuviumc portulacastrum, op de Bovenwindse Eilanden sea purslane, behorende tot de familie der Aizoaceae. Vlezige, neerliggende plant, zeer variable van vorm en kleur; bloemen alleenstaand de bladoksels, groen aan buiten-, roze aan binnenzijde. Op zilte standplaatsen, vooral langs zoutpannen en saliñas, voornamelijk op kalk. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

2. Batis maritima, op de Bovenwindse Eilanden wild banana, behorende tot de familie der Batidaceae. Vlezige, overwegend rechtopgroeiende plant; bloemen moeilijk te onderscheiden, gelig-groen, in okselstandige, korte bloeiwijzen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Banana shimarón

Zie @: orchideeën.

 

@: Banco di Caribe N.V.

Zie @: Geld- en Kredietwezen.

 

@: Banco Industrial de Venezuela

Zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Band

of banda, heeft op de Antillen in het algemeen betrekking op een dansorkest, onafhankelijk of het een combo, een konhunto, een sexteto, quinteto, een tipiko of een steelband betreft. Een muziekkorps wordt ook banda genoemd.

 

@: Band’abou

Het westelijk gedeelte van Curaçao. In de 19de eeuw was Band’abou bestuurlijk verdeeld in het vierde en vijfde district. Later werd het gehele gebied in een (het derde) district ondergebracht met een districtmeester op de plantage Dokterstuin. Na de inwerkingtreding van de Eilandenregeling kwam de districtenverdeling te vervallen. Op Dokterstuin vindt men thans een hulpkantoor van het Centrale Bestuurskantoor. De laatste tien jaar is het wegennet sterk verbeterd. Hierdoor onder meer geraakt Band’abou steeds meer uit zijn traditionele isolement.

Barber heeft zich ontwikkeld tot het belangrijkste verzorgingscentrum van Band’abou terwijl de nieuwe wijk op Tera Korá een snelle ontwikkeling meemaakt. Band’abou is voor velen woon- en recreatiegebied. Dit laatste uit zich in het feit dat de meeste grote baaien hier te vinden zijn evenals oude landhuizen, veel natuurschoon en het Christoffelpark (zie Parken).

Band’abou kent nog veel particulier grootgrondbezit. In dit deel van Curaçao, door het C.B.S. (Centraal Bureau voor de Statistiek) aangeduid als district West, woonden 18.854 personen in 1981. Ten westen van de lijn Seru Grandi-St. Michielsbaai vinden we slechts ruim 11.000 personen. Band’abou kan dus als dun bevolkt gekarakteriseerd worden.

 

@: Band’ariba

Het gedeelte van Curaçao beoosten Willemstad. Evenals Band’abou was Band’ariba in de 19de eeuw verdeeld in twee districten, het tweede en het derde. Later kwam dit gebied bestuurlijk onder een districtmeester te vallen, die zetelde op de plantage Rust en Vrede. De twee districten werden samengetrokken. Met de Eilandenregeling werd ook dit nieuwe district opgeheven. Op Rust, zoals het landhuis in de volksmond heet, is nu een hulpkantoor van het Centraal Bestuurskantoor.

Band’ariba maakt als woongebied een snelle ontwikkeling door. De belangrijkste traditionele centra zoals Sta. Rosa en Montaña groeien steeds meer naar elkaar toe en vormen in steeds toenemende mate een deel van het verstedelijkt gebied van Curaçao.

In dit deel van Curaçao komt nog veel particulier grootgrondbezit voor zoals onder meer de plantages Oostpunt, Fuik, Klein St. Joris, Groot St. Joris, Sta. Catharina en andere. Dit grootgrondbezit beïnvloedt hier op duidelijke wijze de ruimtelijke ordening: de bevolkingsconcentraties houden bij deze plantagegrenzen op.

In de door het C.B.S. (Centraal Bureau voor de Statistiek) gehanteerde districtenindeling valt een belangrijk gedeelte van het traditionele Band’ariba nu onder ‘Uitbreiding Stad’. Dit laatste omvat onder meer de wijken Sta. Rosa, Labadera en Montaña Abou waar een belangrijke bevolkingsconcentratie te vinden is. Het district Oost (volgens C.B.S.) telt 13.804 inwoners (1981).

 

@: Banderita

Letterlijk vlaggetje, de naam voor populaire rijmen, geschreven op smalle strookjes papier die om een stokje worden gewikkeld (zie @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Bandidu

(Spaans bandido = bandiet) wordt in het vlak van de seksuele contacten gebezigd om zeer loszinnige jongelieden, die zich weinig of geen zorgen maken om de eventuele consequenties van hun daden, aan te duiden. De term wordt enigszins geamuseerd gebruikt en getuigt van een zekere bewondering voor deze vorm van mannelijk gedrag, hetgeen samenhangt met het manbaarheidscomplex (machismo). Als zodanig is de betekenis ook veel positiever dan die van abusadó.

 

@: Bank-, Geld- en Kredietwezen

@: Bankwezen; @: Geldwezen; @: Kredietwezen

Foto: MCB (Maduro & Curiel's Bank) bankgebouw te Scharloo. De MCB is de grootste bankorganisatie van Curacao en Caribisch Nederland met filialen op bijna alle eilanden

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Geschiedenis

Hoofdstuk 2: Vestiging van commerciële banken

  • Sectie 1: Curaçao
  • Sectie 2: Aruba
  • Sectie 3: Bonaire
  • Sectie 4: Bovenwinden

Hoofdstuk 3: Internationale ontwikkelingen

Hoofdstuk 4: Secundaire bancaire instellingen

Hoofdstuk 5: Consumentenleningen

Hoofdstuk 6: Instutionele beleggers

Hoofdstuk 7: Centrale Bank

Hoofdstuk 8: Girodienst

Hoofdstuk 9: Banken algemeen

Hoofdstuk 10: Literatuur


Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Bank-, Geld- en Kredietwezen Hoofdstuk 1: Geschiedenis

@: Geschiedenis Bankwezen; Geldwezen; Kredietwezen

Het geringe aantal banktransacties waaraan de 19de-eeuwse handel behoefte had, werd door enkele handelsfirma’s verricht naast hun normale alledaagse handelszaken. Van deze firma's kunnen worden genoemd de nog belangrijke lokale firma’s S.E.L. Maduro & Sons, Edwards Henriquez & Co., en verder Correa Hermanos, Araujo & Meyer, en A.B. Jesurun. In de toenmalige kolonie Curaçao waar landbouw, veeteelt, mijnbouw en industrie nauwelijks tot ontwikkeling konden komen, was de doorvoerhandel vanouds de beste bron van inkomsten. Dank zij de goedgelegen en goedvoorziene havens, werd Curaçao en later ook Aruba een knooppunt voor opslag en distributie. Het aantal scheepvaartlijnen dat Curaçao in hun vaarplan opnam, nam de tweede helft van de 19de eeuw hand over hand toe. Bij gebrek aan voldoende Nederlandse of koloniale munten waren hier in de 19de eeuw vrij veel Venezolaanse zilveren munten in omloop. In 1893 trof de regering van Venezuela bepaalde monetaire maatregelen, als gevolg waarvan deze munten afvloeiden, waardoor moeilijkheden voor de handel ontstonden. Verscheidene firma’s, zoals de genoemde S.E.L. Maduro & Sons, Araujo en Meyer en verder Jones & Borchert, Rivas, Fensohn en Co., en de Weduwe W.P. Maal, op Curaçao, Ch. Eman op Aruba, en J.W.F. Hellmund op Bonaire, brachten daarop tegen het einde van 1893 particuliere bonnen van 25 cent, 50 cent, 1 gulden en f 2,50 in omloop, die inderhaast op Curaçao waren gedrukt, en later, in opdracht van de firma S.E.L. Maduro & Sons in New York. Deze ‘muntbiljetten’ bleven gangbaar totdat de Muntwet van 1889 in 1901 werd afgekondigd.

Behalve dat zij muntbonnen in omloop brachten, boden sommige van deze handelshuizen aan het publiek de gelegenheid wissels getrokken op enkele van de toenmalige financiële centra te kopen of te verkopen. Zij kregen dan ook de naam: ‘Casas de Cambio’ - wisselkantoren.

Daarnaast bestonden twee hypotheekbanken, namelijk de Spaar- en Beleenbank van Curaçao, opgericht in 1850, en de Curaçaosche Hypotheek Bank, in 1875 opgericht, die zich uitsluitend bezighielden met het ontvangen van spaargelden, het nemen van gelden in administratie tegen een bepaalde rente en het rendabel maken van die gelden door uitzetting op hypotheek. Eerstgenoemde bank verstrekte ook nog voorschotten op roerend goed bij wijze van pand, waarvoor echter alleen in aanmerking kwamen gouden en zilveren voorwerpen en edelstenen.

De Curaçaosche Bank, als Centrale Overheidsbank, gevestigd in 1828 en in 1962 van naam veranderd in Bank van de Nederlandse Antillen (Centrale Bank) beperkte zich tot het in omloop brengen van betaalmiddelen en aanvullend optreden op het terrein van de kredietverlening. Van een eigenlijk bankbedrijf kon niet gesproken worden.


Bank-, Geld- en Kredietwezen Hoofdstuk 2: Vestiging van commerciële banken

Sectie 1: Curaçao

@: Commerciele banken Curaçao

Met de vestiging van de olie-industrie op Curaçao in 1916 begon een algemene economische opleving van het toenmalige gebiedsdeel. Ook de bankzaken namen dusdanig toe, dat de behoefte ontstond die in een zelfstandig bedrijf onder te brengen. De pionier van het bankwezen in de Nederlandse Antillen, Joseph Alvarez Correa, firmant van het in 1871 gevestigde handelshuis Correa Hermanos, besloot in december 1916, samen met de in 1837 opgerichte firma S.E.L. Maduro & Sons, tot de oprichting van de eerste commerciële bank in de Nederlandse Antillen, de N.V. Maduro’s Bank, die ook een der eerste bankbedrijven was in het gehele Caribisch gebied, met een volgestort kapitaal van fl. 1.000.000,=

Niet alleen de olie-industrie en zijn employés boden de nieuwe bank de gelegenheid hun bankzaken te behartigen maar de oprichting van Maduro’s Bank kwam tevens op het juiste ogenblik om de plaatselijke handel, die zich moest aanpassen aan de nieuwe tijd, te helpen. De eerste betekenis van de Maduro’s Bank was en is nog altijd de lokale handel.

 

Foto's: Oprichters van de Maduro's Bank in 1917: De heren Joseph Alvarez Correa (links) en Salomon Elias Levy Maduro (rechts). De fusie met de Curiel's Bank ter vorming van de Maduro & Curiel's Bank NV kwam in het begin van de 1930er jaren

In 1917 werd door de oude Curaçaosche handelsfirma Morris E. Curiel & Sons de Curiel’s Bank opgericht. De nieuwe financiele instelling opende de deuren op Januari 2, 1917 aan de nog maagdelijke Plaza Jojo Correa met een basiskapitaal van een miljoen guldens en zes werknemers. De vooruitzichten waren goed, ondanks dat de komst van de Shell naar Curacao nog een jaar in de toekomst lag. Bij de grote malaise die in het begin van de 1930er jaren ook Curaçao trof - de salarissen bij de Shell daalden van 1930 tot 1932 van NAfl 21.500.000 tot NAfl 7.500.000 - verlieten 5.000 mensen in 1931 het eiland om een beter bestaan te zoeken in het buitenland. De economische structuur van Curaçao werd zodanig ontwricht, dat de Maduro’s Bank en de Curiel’s Bank tot een fusie besloten: Zij hadden beide dezelfde kring van cliënten en konden met gecombineerde middelen ruimere faciliteiten ter beschikking stellen. De handelsstand, die, nadat de malaise voorbij was, nieuwe initiatieven aan de dag legde, had hieraan behoefte.

Als gevolg van deze fusie kwam de Maduro & Curiel’s Bank N.V. (M.C.B.) tot stand; de eerste gecombineerde balans werd op 1 januari 1932 gepubliceerd, waarop een statutair kapitaal van NAfl 6.000.000 voorkwam en een gestort kapitaal van Nafl 1.500.000. De Maduro & Curiel's Bank N.V. heeft vervolgens een grote bloei gekend. In de 1940er jaren werd een activa van ca 37 miljoen guldens op de balans gepresenteerd; in de 1950er jaren bedroeg het werknemersaantal 150 mensen. Op Curaçao zijn momenteel 9 filialen in gebruik, met moderne (technische) faciliteiten, zoals de computer. Op Bonaire heeft de volledige dochtermaatschappij Maduro & Curiel’'s Bank Bonaire N.V. twee kantoren. De op Aruba met 3 filialen gevestigde Caribbean Mercantile Bank N.V. is ook in handen van de Maduro & Curiel's Bank N.V. Op St. Maarten is de M.C.B. met een 77% aandeel in de Windward Islands Bank vertegenwoordigd.

In 1969 nam The Bank of Nova Scotia te Toronto, Canada,  een aandeel in de Maduro & Curiel’s Bank, waarmee de groeiende internationale verwevenheid van het Antilliaanse bankwezen bevestigd werd. Door de overname van het 10% aandeel van Bank Mees & Hope verkreeg The Bank of Nova Scotia een totaal-aandeel van iets minder dan 50%. M.C.B. is momenteel eigenaar van bovenvermelde twee hypotheekbanken.

In het trustwezen is M.C.B. actief via de beheersmaatschappijen AMACO N.V., de Maduro & Curiel’s Trust Company N.V. en de Caribbean Mercantile Trust Company N.V. Op Aruba en Curaçao is de Caribbean Credit Corporation gevestigd, met name gericht op de persoonlijke kredietverschaffing terwijl de effectenhandel gevoerd wordt door de N.V. Trust- en Administratie Maatschappij van Maduro & Curiel’s Bank N.V. Maduro & Curiel’s Bank Insurance Services N.V. verzorgt de afdeling verzekeringen. Mede door al deze dochters is de MCB veruit de grootste financiële instelling op de Antillen. Eind 1982 bedroeg haar balanstotaal meer dan Nafl 820 miljoen.

Enkele jaren na de oprichting van de MCB werd door een in Nederland gevestigde groep van banken - de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika en de Hollandsche Bank voor de Middellandse Zee - in samenwerking met de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (K.N.S.M.), besloten tot het oprichten van de Hollandsche Bank voor West-Indië, met zetel te Amsterdam. Het eerste kantoor van deze bank werd in 1919 te Willemstad geopend. In 1935 kwam een samensmelting van deelnemende banken onder de naam Hollandsche Bank-Unie N.V. tot stand. De sterke groei die het bankwezen doormaakte wordt eind 1960ger jaren getypeerd door vele fusies en overnames. De Hollandsche Bank-Unie doet in 1968 haar intrede op Bonaire door de Bonaire Commercial Bank, overgenomen door Edwards Henriquez & Co. N.V. Deze bank wordt zelf vervolgens weer overgenomen door de Hollandsche Bank-Unie, welke naam vervolgens veranderd wordt in Antilliaanse Bank Unie N.V. Nadat de Algemene Bank Nederland N.V. met hoofdkantoor in Amsterdam, al eerder eigenaar was geworden van de Antilliaanse Bank Unie, worden in 1972 tenslotte de naam en stijl van de eigenaar van toepassing op de overgenomen banken. Sindsdien is de afkorting A.B.N.-Bank de gangbare naam voor deze banken. Trustzaken worden behandeld door de A.B.N. Trust-company Curaçao en St. Maarten, N.V. Fides en de Nederlandse Handelsmaatschappij Trust Kantoor Curaçao N.V. Daarnaast is de A.B.N. eigenaar van de Antilliaanse Financieringsmaatschappij ‘ANFIMIJ’ N.V., die zich bezighoudt met financieringen van aankoop van auto’s, en de Algemene Hypotheekbank N.V.

De huidige Barclays Bank of the Netherlands Antilles N.V. werd in 1953 door  particulieren gesticht onder de naam Arubaanse Financieringsmaatschappij N.V. De naam veranderde in 1954 in Antilliaanse Financierings Maatschappij en in 1959 in Banco Popular Antiliano N.V., in 1976 in Banco Barclays Antiliano en tenslotte in 1982 in Barclays Bank of the Netherlands N.V. Het is een volledige dochter van Barclays Bank International Ltd Londen. Het is de enige bank op de Antillen die op alle zes eilanden is vertegenwoordigd.


De in 1973 op Curaçao opgerichte Banco di Caribe N.V. is samen met de Aruba Bank de enige bank die volledig in Antilliaanse handen is. Eind 1983 opende zij een kantoor op Aruba.

Sinds 1969 is de Bank of America N.T. & S.A. met een filiaal op Curaçao in de Antillen vertegenwoordigd. In December 1983 werd dit filiaal overgenomen door de Amerikaanse bank Bank of Boston. Ook Banco Industrial de Venezuela heeft sinds 1973 een kantoor op Curaçao. 

 

  • Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 1 - Sectie 2: Aruba
    @: Commerciele banken Aruba

Op Aruba zien wij soortgelijke ontwikkelingen als op Curaçao. Door de firma John G. Eman, die gedurende enige tijd in beperkte mate bankzaken deed, werd in samenwerking met de Maduro & Curiel’s Bank in 1936 overgegaan tot de oprichting van de eerste bank op Aruba, de Aruba Bank N.V. te Oranjestad. In 1962 kwam deze samenwerking ten einde en onder dezelfde naam Aruba Bank N.V. zetten de erven van Eman de bank voort. De Maduro & Curiel’s Bank bleef haar relaties dienen met een bijkantoor op Aruba totdat zij in samenwerking met de Nederlandse Overzee Bank N.V. in 1963 de Caribbean Mercantile Bank N.V. oprichtte.

In dezelfde tijd als de Aruba Bank opende ook de Hollandsche Bank-Unie N.V. een kantoor in Oranjestad, en zowel de Aruba Bank als de Hollandsche Bank-Unie openden in 1946 bijkantoren in San Nicolas, speciaal ten gerieve van de aldaar werkzame Lago Oil & Transport Company Ltd. en haar buitenlandse employés. Door samenwerking met Edwards, Henriquez & Co. en enige handelaren op Aruba, kwam in 1949 de oprichting tot stand van de Aruba Commercial Bank N.V. Zoals hierboven onder ‘Curaçao’ al vermeld, gaat deze bank in 1972 samen met de Hollandsche Bank-Unie op in de Algemene Bank Nederland N.V. In 1959 vestigde Banco Popular Antiliano N.V. zich op Aruba. In 1965 opende deze bank een filiaal op Curaçao en in 1963 één op St. Maarten, gevolgd in 1968 door een vestiging op Saba en in 1969 door één op St. Eustatius. Zoals vermeld werd in 1982 de naam veranderd in Barclays Bank of the Netherlands Antilles N.V. In 1969 opende de Amerikaanse bank Citicorp een filiaal onder de naam Citibank op Aruba. Het in 1974 geopende filiaal op Curacao werd in 1978 gesloten.

 

  • Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 1 - Sectie 3: Bonaire
    @: Commerciele banken Bonaire

Aan het begin van de 1960er jaren eisten de ontwikkelingen op Bonaire en de Bovenwinden, speciaal door het toegenomen toeristische verkeer, ook de aandacht van de bankinstellingen op Aruba en Curaçao op. Sinds de oprichting van de Curaçaosche Bank had deze via agentschappen op Bonaire en St. Maarten de handel op deze eilanden een beperkte bankservice geboden. In 1962 ging de Maduro & Curiel’s Bank over tot het vestigen van een dochter op Bonaire, onder de naam Maduro & Curiel’s Bank (Bonaire) N.V. Ook in 1962 opende Edwards, Henriquez & Co.’s Bank N.V. een bank op Bonaire, onder de naam Bonaire Commercial Bank N.V.; de activiteiten werden in 1968 overgenomen door de huidige Algemene Bank Nederland N.V. Barclays Bank of the Netherlands Antilles opende in 1966 een filiaal op Bonaire.

 

  • Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 1 - Sectie 4: Bovenwinden
    @: Commerciele banken Bovenwinden

In 1959 vestigde de Maduro & Curiel’s Bank in samenwerking met haar correspondent C.W. Wathey de eerste bank op St. Maarten, de Bank van de Bovenwinden N.V. (The Windward Island Bank Ltd.). In 1963 volgde de toenmalige Banco Popular. Deze bank opende in 1968 en 1969 als enige bank op de Antillen ook filialen op Saba en St. Eustatius. Met de overname van Edwards, Henriquez & Co.’s Bank N.V. verkreeg de Algemene Bank Nederland N.V. ook een vestigingsvergunning voor St. Maarten, waar zij in 1973 gebruik van maakte. In 1969 stichtte de Bank of Nova Scotia uit Toronto, Canada een dochtermaatschappij op St. Maarten: The Bank of Nova Scotia N.V. Zij werd hierin gevolgd door de Chase Manhattan Bank uit de V.S., die in 1971 een filiaal opende op St. Maarten: The Chase Manhattan Bank N.A.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 3: Internationale ontwikkelingen

Tot 1969 was het beleid gericht op zo min mogelijk buitenlandse (deelnemingen in) banken. Door het toenemende belang van de off-shore sector voor de Antillen, gepaard gaande met een stijgend vertrouwen van het buitenland in de Antillen, veranderde dit. Ook het inzicht dat internationale concurrentie positief zou uitwerken op het bankwezen en het toenemende belang van het toerisme wijzigden het beleid. Eerst werd één buitenlandse bank per eiland toegestaan, later meer. Zo veranderde binnen 25 jaar het bankwezen van lokaal gerichte instellingen met een voornamelijk Antilliaans karakter naar een internationaal georiënteerd financieel systeem.

De toegenomen onderlinge concurrentie zorgde voor een betere service en een moderne bedrijfsvoering en een nog steeds toenemend netwerk van filialen.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 4: Secundaire bancaire instellingen

De ontwikkelingen van de secundaire bancaire instellingen, waaronder vallen die financiële instellingen waarmee de cliënten geen rekening-courant-verhouding kunnen aangaan en waarbij tegelijkertijd kortlopende leningen kunnen worden opgenomen, bleven achter bij die van de primaire banken.

Wat het spaar- en hypotheekwezen betreft, naast de eerder genoemde Spaar- en Beleenbank N.V. en de Curaçaosche Hypotheek Bank N.V., welke beide dochters zijn van de Maduro en Curiel’s Bank N.V., werd in 1905 opgericht de Curaçaosche Post Spaarbank, later genoemd de Postspaarbank van de Nederlandse Antillen, met kantoren op alle eilanden. De tegoeden van de inleggers worden door het gouvernement gewaarborgd (zie verder @: Posterijen). De pogingen van de overheid om de hypotheekmarkt te versterken hadden geen succes. De in 1956 opgerichte Bouwkredietbank van de Nederlandse Antillen is inmiddels opgeheven. Hetzelfde lot onderging de in 1962 opgezette Volkskrediet Bank van de Nederlandse Antillen. De particuliere banken zijn nog wel met relatief kleine hypotheekbanken vertegenwoordigd. Curaçao: M.C.B.: zie boven; A.B.N.: Algemene Hypotheek Bank (1973) en Barclays: Antilliaanse Hypotheek Bank N.V. (1968). Daarnaast hebben de overheidspensioenfondsen in 1977 de Centrale Hypotheekbank N.V. met kantoren op Curacao en Aruba opgericht.

Eveneens bevinden zich op Aruba: Banco Nacional de Hipotecas N.V. (1975) en de Stichting Bouwfonds N.V. Electriciteits-Maatschappij ’Aruba’ (1978). De op St. Maarten gevestigde Caribbean Mortgage Bank N.V. (1975) is in handen van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (A.P.N.A.). Genoemd kunnen nog worden de twee nieuwe ontwikkelingsbanken, de Ontwikkelingsbank van de Nederlandse Antillen N.V. en de Banco Arubano di Desarayo N.V. (zie @: Ontwikkelingsbanken).


Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 5: Consumentenleningen

@: Consumentenleningen

De financiering van onder anderen duurzame consumptiegoederen kunnen op Curaçao verkregen worden bij de Corporashon pa Desarollo di Corsow (Codeco) N.V.

Op Curaçao en Aruba heeft de M.C.B. de Caribbean Credit Corporation (1964) en de A.B.N. de Antilliaanse Financieringsmaatschappij (Anfimij) N.V. (1969). De firma H.J. Ruiz op Aruba verstrekt ook consumentenleningen. Op St. Maarten heeft I.T.T. Financial Corporation de Island Finance N.V. (1979) opgericht, waarna ook vestigingen kwamen op Curaçao en Aruba.  Ook de 34 Credit Unions verstrekken persoonlijke leningen aan hun leden. Eind 1982 hadden de gezamenlijke secundaire bancaire instellingen voor Nafl 57,5 miljoen aan hypotheken en Nafl 15,4 miljoen aan andere leningen aan de private sector verstrekt. Hiertoe hadden zij NAfl 20,1 miljoen aan spaar- en termijn deposito's opgenomen, en voor Nafl 58,8 miljoen aan fondsen geleend, waarvan Nafl 26,7 van financiële instellingen. De buitenlandse activa bedroegen 4,5%, namelijk Nafl 4,1 miljoen van de totale activa.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 6: Instutionele beleggers

@: Institutionale beleggers

Een grote rol bij het genereren en reguleren van spaargelden hebben de levensverzekeringsmaatschappijen en pensioen-, spaar- en voorzieningsfondsen. Tezamen met de secundaire bankinstellingen vormen deze zogenaamde institutionele beleggers de secundaire financiële instellingen. Ennia en De Nationale Nederlanden (Fatum) hebben op de Antillen zowel een levensverzekerings- als een schadeverzekeringsbedrijf. Andere grote levensverzekeringsbedrijven zijn van American Life, British American Travelers, Crown Life en National Life. Eind 1982 was van de totale passiva á Nafl 173,0 miljoen van de Anttilliaanse levensverzekeringsmaatschappijen Nafl 149,2 miljoen afkomstig uit de geaccumuleerde premie-opbrengsten, die kunnen worden gezien als besparingen. Van de totale active was 36,1 % belegd in het buitenland. De belangrijkste institutionele beleggers zijn de pensioen-, spaar- en voorzieningsfondsen. Praktisch alle grote Antilliaanse bedrijven hebben een eigen pensioen-, dan wel een voorzieningsfonds.

Van het balanstotaal van eind 1982 á NAfl 860,7 miljoen was Nafl 809,= miljoen geboekt als kapitaal en premiereserves. Nafl 529,0 miljoen, wat overeenkomt met 65,3%, was in het buitenland belegd. Totaal was eind 1982 door alle secundaire financiële instellingen tezamen 59,0% van hun activa in het buitenland belegd. Dit was totaal Nafl 567,7 miljoen. Aan hypotheken Nafl 140,1 miljoen verstrekt en aan overige leningen Nafl 212,7 miljoen = aan particulieren en Nafl 47,8 aan de overheid. Het totaal aan premie-reserves en kapitaal was opgelopen tot Nafl 969 miljoen.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 7: Centrale Bank

@: Centrale Bank 

Officieel genaamd Bank van de Nederlandse Antillen. De op 26 februari 1828 opgerichte Overheids-Bank, de oudste Centrale Bank van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, trad tot 1908 voornamelijk aanvullend op inzake de kredietverlening aan de handel. Tevens fungeerde zij als circulatiebank daar zij de uitgifte van bankbiljetten verzorgde. In 1907 werd het Bankstatuut uit 1828 herzien. Tegelijk met een nieuwe naam, de Curaosche Bank, kreeg de bank ook een duidelijk omschreven doel naast de taak te fungeren als circulatiebank, namelijk de bevordering van de economische ontwikkeling van de kolonie Curaçao.

Krachtens dit nieuwe bankstatuut (P.B. 1907, no. 9) werd aan haar werkzaamheden de wisselhandel toegevoegd. De werkzaamheden van de bank bepaalden zich toen nog hoofdzakelijk tot de uitvoering van financiele commissies voor het gouvernement, het in- en verkopen van wissels op de Bovenwindse Eilanden door tussenkomst van haar vertegenwoordigers en het in ontvangst nemen van stortingen voor het doen van overmakingen aan het Nederlandse Clearing Instituut. Bij de bezetting van Nederland, in mei 1940, werden verschillende deviezen-noodmaatregelen getroffen, waarbij de Curaçaosche Bank enige bevoegdheden werden toegekend. Bij de zorg voor een behoorIijke voorziening in de bankbiljettencirculatie, welke zich ten gevolge van de economische opbloei snel en zeer belangrijk uitbreidde, ontstond voor de bank de moeilijkheid voldoende deviezen beschikbaar te hebben voor de handel en moest ze voorts ook, zoveel als in haar vermogen lag, trachten de Curaçaosche gulden zeker te stellen tegenover de zwak geworden Europese valuta’s. Hieruit kwam de Curacaosche Muntregeling 1942 voort (zie @: Muntwezen). Sinds 23 december 1971 geldt voor de Antilliaanse gulden: US $ 1 = Nafl 1.79000.

De Deviezennoodmaatregel (Deviezenlandsverordening 1940), waarbij het toezicht op het deviezenverkeer aan de Centrale Bank werd toevertrouwd, bleef na de oorlog in enigszins gewijzigde vorm bestaan, terwijl een deviezencommissie belast werd met de côntrôle op de naleving van de uitgevaardigde voorschriften. In 1961 werd het Bankstatuut vernieuwd (P.B. 1961, no. 158) waarbij naast de naamsverandering tot Bank van de Nederlandse Antillen (B.N.A.), de bank als taak kreeg het bevorderen van de stabiliteit van de waarde van de geldeenheid. Daarnaast werd de B.N.A. de centrale deviezenbank van het Land, met het beheer over en de côntrôle op de besteding van de beschikbare deviezen. Tot uitoefening van deze laatste taak werd de bank in staat gesteld bij de opheffing in 1971 van de deviezencommissie, die haar taken naar de B.N.A. (P.B. 1971, nr. 149) overrhevelde.

Een nauwkeurige opstelling van de betalingsbalans werd nu mogelijk. De tot dan toe gevraagde verklaring van invoer van goederen werd opgeheven. De registratie vond nu achteraf plaats. Alleen voor een beperkt aantal transacties is nog vooraf toestemming nodig. De totaal opgebrachte zogenaamde deviezenprovisie, die men verschuldigd is bij transacties, die ten laste gaan van de Antilliaanse deviezenvoorraad, beliep in 1982 Nafl 15,8 miljoen. In 1983 werd de heffing verhoogd van 0,8% naar 1,3%. De B.N.A. stelt dagelijks de wisselkoersen van de buitenlandse valutas vast, uitgaande van de vaste koppeling aan de US-dollar, waartegen de banken moeten handelen. Het bankstatuut maakte de Bank tevens tot ‘lender of last resort’. De B.N.A. kan onder andere wissels en schatkistpapier belenen en daarmee banken helpen hun tijdelijke liquiditeitstekorten te overbruggen. Dagelijks vindt ten kantore van de B.N.A. de ‘clearing’ plaats, van gemiddeld 4.000 transacties met een totale waarde van Nafl 6 miljoen. De banken houden een rekening aan bij de B.N.A. De bank kan ook andere gelden op deposito of rekening-courantbasis of in consignatie opnemen. Tevens kan zij kasvoorschotten aan de Centrale Regering verstrekken om tijdeIijke tekorten te dekken. Hiervan maakt het land vanaf 1972 gebruik. In 1970 werd de rol van de B.N.A. als circulatiebank vastgelegd in P.B. 1970, nr. 105. In 1972 werden zowel het kapitaal als de reserves van de B.N.A. verhoogd van Nafl 4 naar Nafl 10 miljoen. Daarnaast zijn inmiddels bijzondere reserves opgebouwd tot Nafl 43,8 miljoen. Een groot gedeelte van de winst wordt aan de Landsregering afgedragen.

Door de Landsverordening houdende regeling van het toezicht op het bank- en kredietwezen 1972 (P.B. 1972, nr. 138 en 212) heeft de B.N.A. de beslissingsbevoegdheid bij het toelatingsbeleid ten aanzien van financiële instellingen. Ook stelt deze wet haar in staat om effectief bedrijfseconomisch toezicht op de toegelaten kredietinstellingen uit te oefenen, onder andere door het opleggen van solvabiliteits- en liquiditeitseisen en door middel van de maandelijke rapportages van de instellingen.

Na jaren van lage inflatie en dienovereenkomstige evenwichtige monetaire ontwikkelingen nam in de jaren 1973-1975 en 1979 en 1980 de geldontwaarding jaarlijks met meer dan 10% toe. De bankbiljettencirculatie en de saldi bij de Centrale Bank namen door stijgende spaartegoeden minder toe. Door hoge deviezeninkomsten uit de olie- en financiële off-shoresector bleef het dekkingspercentage stijgen. Het totaal van de door de Centrale Bank in circulatie gebrachte bankbiljetten, alsmede de saldi in rekening-courant bij deze instelling, werden eind oktober 1983 voor meer dan 150% gedekt door de aanwezige goud- en deviezenvoorraad.

In de jaren 1969-1974, 1979-1980 en 1983 werd in overleg met het bankwezen besloten de kredietverlening te beperken om zodoende de bestedingen af te remmen. In 1978 vierde de bank haar 150jarig bestaan onder andere door de uitgifte van het door dr. J. van Soest geschreven boek: Trustee of the Netherlands Antilles, dat de geschiedenis van de B.N.A. behandelt. In 1977 betrok het hoofdkantoor op Curaçao en in 1978 het bijkantoor op Aruba een nieuw gebouw. Hierboven is de balans van de B.N.A. per eind oktober 1983 weergegeven. De goudvoorraad staat gewaardeerd tegen Nafl 75,57 per troy ounce.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 8: Girodienst

@: Girodienst

In 1965 werd door het Eilandgebied Curaçao een girodienst begonnen, gebaseerd op het systeem van de Amsterdamse gemeentelijke girodienst. Deze dienst, waarvan vooral gebruik wordt gemaakt door overheidsinstanties, groeide gestaag tot en met 1977. Daarna trad een stabilisatie in met een totale inleg van privé-rekeninghouders van rond de NAfl 25 miljoen. Het Eilandgebied maakt gebruik van de middelen, wat haar enig rentevoordeel oplevert. Eind 1982 had de Girodienst een claim van Nafl 55 miljoen op Curaçao.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 9: Banken algemeen

Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft zich in de 1960ger en 1970ger jaren een sterke expansie voorgedaan in de financiële wereld. Het aantal toegelaten primaire (deviezen) banken nam sterk toe, evenals het aantal filialen. De geld- markt speelt zich geheel via het bankwezen af evenals het kapitaalverkeer bij afwezigheid van een kapitaalmarkt. De totale werkgelegenheid bij de financiële instellingen is sterk toegenomen. Eind 1982 werkten rond 1500 mensen bij de primaire banken. Totaal bood de financieele sector rond 5.000 mensen werk. Op Curaçao, Aruba en de Bovenwinden hebben de bankiers zich verenigd in bankiersverenigingen. Ook de offshorebanken hebben een belangenvereniging opgericht.

De rekening-couranttegoeden groeiden veel harder dan het volume munten en bankbiljetten, hetgeen een teken is van een goed ontwikkelde geldmarkt. De totale termijndeposito’s en spaartegoeden namen ook sterk toe, waardoor het inflatie-effect van de 1970ger jaren werd gematigd. De banken houden 20% van het geldaanbod aan als rekeningcourant en 55% in de vorm van termijndeposito’s en spaartegoeden. Half 1983 had het publiek bij de primaire banken 211.225 spaarboekjes en spaarrekeningen, wat zeer opmerkelijk is, daar de bevolking rond de 250.000 bedraagt. Totaal is er NAfl 779.6 miljoen via deze rekeningen gespaard, wat neerkomt op NAfl 3.691,- per rekening. Gemiddeld ligt de duur van zo'n rekening op 15 maanden. Sinds 1970 ligt de rente op spaartegoeden op 5%. Het accent bij de kredietverlening van de banken blijft op de korte termijn gericht op de sectoren handel, particuliere consumptie en de bouw. De banken blijven door de jaren heen substantiële tegoeden in het buiten land aanhouden. 75% van het totale geldaanbod van NAfl 1,4 miljard staat bij het bankwezen. Het restant is verdeeld over bankbiljetten, munten en de girodienst.

 

Bank-, Geld- en Kredietwezen - Hoofdstuk 10: Literatuur

  • Bank van de Nederlandse Antillen, Quarterly Bulletins en Jaarverslagen;
  • H.C. Beers, An introduction to the financial system of the Netherlands Antilles (1980);
  • idem, Savings behaviour, longterm capital shortage and the role of the commercial banks in the Netherlands Antilles (1983);
  • C.S. Gorsira J.P .Ezn., Het Nederlandsch courant in Curaçao en zijne gevaren voor de welvaart van dit gebiedsdeel (1941);
  • J. Hartog, Het verhaal der Madur’s (1962);
  • Nationale Rekeningen van de Nederlandse Antillen 1957-1979;
  • J. van Soest, Trustee of the Netherlands Antilles (1978).

 

 

@: Bank of America NT&SA .

zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Bank of Nova Scotia N.V., The
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 


@: Bank van de Nederlandse Antillen
zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen; zie @: Centrale Bank

 

@: Barakuda

(Sphyraena barracuda) of piku(da) behoort tot de meest spectaculaire vissen die men onder water ontmoet. Deze snoeken, die een lengte van 2 meter kunnen bereiken, grijpen met hun ontzagwekkend gebit, prooien die half zo lang als zijzelf zijn en soortgenoten van ¾  van hun eigen lengte. Kleine vis gaat in zijn geheel naar binnen, grotere vis wordt met een beet in twee stukken gebeten. Zij maken de indruk erg nieuwsgierig te zijn en volgen zwemmers op korte afstand. Aanvallen van barakuda’s zijn - althans in helder water - nauwelijks bekend. Hun vlees wordt veel gegeten. Op de Bovenwinden zijn bepaalde visgronden berucht vanwege de ciguatera-ziekte, die het consumeren van daar gevangen barakuda’s met zich meebrengt (zie @: Voedselvergiftiging).

 

@: Barba di kadushi

(Tillandsia recurvata) Marí di palu of old man’s beard, plantesoort uit de familie der Bromeliaceae. Epifyt, als grijze bollen op takken van bomen levend; bladeren lijnvormig, grijsgeschubd; bloemstelen naar buiten stekend; bloempjes 3-tallig, liehtpaars; zaden met lang zaadpluis. De planten werden op de Bovenwindse Eilanden gebruikt om matrassen en kussens op te vullen. Algemeen. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Barba di jònkuman

(Albizzia lebbeck) of woman’s tongue, plantesoort uit de familie der Mimosaceae. Grote boom met dubbel veervormig samengestelde bladeren waarvan de blaadjes tot 4cm lang en 2cm breed zijn; bloemen in hoofdjes, klein en groenig maar met veel, zeer lange meeldraden; peulen lang en plat, gelig wit. Gekweekt maar ook verwilderd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Barber

dorp in het westen van Curaçao langs de grote weg naar Westpunt met het belagrijkste verzorgingseentrum van Band’abou: kerk (begin 19de eeuw), verschillende typen scholen, markt, politiebureau en dergelijke. Barber, 2074 inwoners (1981), heeft tevens een aantal detailhandelszaken en dienstverlenende instellingen. Zie verder ook @: Band’abou

 


@: Barbí(shi)

of goatfish is de naam die aan twee verwante vissoorten gegeven wordt: Mulloidichthys martinicus en Pseudopeneus maculatus. Beide soorten zijn in de Nederlandse Antillen zeer algemeen. Zij zwemmen in scholen en zijn gedurig bezig met hun twee naar buiten uitgestoken kinbaarden de bodem op iets eetbaars af te tasten. Deze vlezige baardjes zitten vol zintuigcellen. Soms steken de Barbelen hun kop ver in het zand, waarbij het zand dat zij met de mond opnemen, ter weerszij door de kieuwspleten naar buiten geblazen wordt. Zij leven uitsluitend van kleine bodemorganismen en van detritus.

 

@: Barbulètè

barbuleta, barbulèt, butterfly of moth, vormen de orde Lepidoptera of Schubvleugelige insekten. Uit hun eieren komen de rupsen (die algemeen bichi worden genoemd), die meestal van plantevoedsel leven en na verpopping weer vlinders leveren. Deze orde is nog verre van volledig bekend in de Nederlandse Antillen; in het Tijdschrift voor Entomologie van 1887 staat een lijst van P.C.T. Snellen, waarin 153 soorten worden vermeld. Dit aantal zal bij serieus verzamelen wellicht tot het dubbele kunnen stijgen. Slechts enkele opvallende soorten en families worden hier genoemd. Een heel algemene dagvlinder is Dione vanillae, oranjebruin met parelmoervlekken aan de onderkant der vleugels; de rups leeft op de korona di la birgen.

Ascia monuste zou men een koolwitje kunnen noemen; de groene rups vindt men op de bènbom.

Urania leilus is een bijzonder fraaie grote zwart met groene trekvlinder uit Venezuela, met lange wit en blauwe ‘staarten’ aan de aehtervleugels. Het is een overdag vliegende nachtvlinder, behorende tot de Spanners. Vele soorten van blauwtjes (Lycaenidae) en dikkopjes (Hesperidae) komen af op bloemen van de dividivi en mata di galiña. Een bekende trekker, ook wel inheems op de Asclepiadeceae is de monarch (Danaus erippus), geelbruin met zwarte vleugeladers en witte puntjes langs de vleugelranden. Een op de oleander (Plumeria) schadelijke rups, zwart met gele ringen en roze poten, levert een pijlstaartvlinder of hawk moth (Pseudosphinx tetrio).  Erebus odora, op de Bovenwindse Eilanden bat genoemd, is een donkerbruine nachtvlinder (familie Noctuidae), die in het volksgeloof een voorbode van de dood is. ‘s Avonds verschijnen bij de lamp talloze ‘Uiltjes’ (Noctuidae) en Spanners (Geometridae); de rupsen van de laatste kruipen als landmeters zieh krommend en strekkend voort. Verder wemelt het van vele kleine soorten motjes uit diverse families, wel aangeduid als Microlepidoptera.

 

@: Barclays Bank of the Netherlands Antilles N.V.

zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen.

 

@: Barigonchi

zie @: Tandkarpers.

 

@: Barika-hel

(Coeraba flaveola) is één van de meest talrijke en geliefde zangvogeltjes van de Nederlandse Antillen. Het komt in verschillende ondersoorten voor. Terwijl het op Aruba dezelfde naam draagt als op Curaçao - barica geel - (lett. geelbuikje), sommigen spreken van pechu geel (lett. geelborstje), wordt het op Bonaire chibichibi bachi pretu (lett. zwartjasje) genoemd.

Het vogeltje, dat op de Bovenwindse Eilanden yellow breast heet, is door de Nederlanders omgedoopt tot suikerdiefje: het wordt vaak zo tam, dat het op de porch of tot in huis toe uit de suikerpot komt snoepen. Het is een echte bloemenbezoeker maar vangt ook talloze kleine insekten. Het nest wordt tot vlak bij of zelfs in huizen gehouwd, een bolvormige hechte constructie, waarin allerlei vezelig materiaal kan worden verwerkt, met een opening aan de zijkant. Er zijn meestal 3 eieren en er wordt in alle maanden van het jaar gebroed.

 

@: Bark’i bela

(barku di bela) zie @: Vissersvaartuigen.

 

@: Basiruti

Deel van de zuidwestelijke kust van Aruba, aansluitend bij Palm Beach, waar in 1957 het eerste resort-hotel werd gebouwd.

 

@: Basisleerplan

zie @: Onderwijsvernieuwing.

 

@: Bastaard

is een persoon die uit een onwettige verhouding van een man en een vrouw werd geboren. In oude tijden kregen sommige onwettige nazaten van de Nederlandse adel wel de toevoeging ‘bastardus’ bij hun naam, hetgeen hen in status wel verhief boven de vrouw van lagere stand bij wie zij waren verwekt, zonder dat zij echter tot de stand van de vader werden gerekend. In Nederland droeg de onwettig geborene een niet gering sociaal stigma. In de Nederlandse Antillen heeft het principe van legitimiteit echter een bijzonder karakter, waardoor met name in de lagere sociale strata men iemand zijn illegitieme geboorte niet zo zwaar aanrekent. Hoewel het wettige, monogame huwelijk - en dus ook de legitieme geboorte - voor grote delen van de lagere bevolkingsgroepen normatief is, kan men het eigen normbesef op dit punt onder meer verklaren uit de historische, sociale en economische tenachterstelling van deze groepen. Door gebrek aan middelen kon men niet in het huwelijk treden.

Voor zover het seksuele voor- en buitenechtelijke gedrag van de vroegere blanke groepen als richtinggevend aan het handelen in de gekleurde lagere strata kan worden gezien, mag ook daaraan een verklarende betekenis ten aanzien van het eigen normbesef toegekend worden. (Zie @: Illegitimiteit)

 

@: Bastèl

Een slaginstrument, dat bestaat uit een voor driekwart met water gevulde tobbe en een halve, uitgeholde kalebas (crescentia cujete) die met de holle kant op het water drijft, werd bespeeld met de toppen van de vingers, waarmee op de bolle kant van de kalebas werd getrommeld. De bastèl werd gebruikt als inspirerend, ritme-ondersteunend instrument bij het componeren van seú-liederen, ook wel ‘kantik'e makamba’ genaamd.

Deze liederen werden daarom ook ‘kantika di bastèl’ of simpelweg ‘bastèl’ genoemd. Oogstfeest- of seú dansen heten ook bastèl. Deze dansen werden uitgevoerd op de ‘seú-liederen’, begeleid door de tambu, kachu en agan. Onder de benaming gi dunu is deze watertrom eveneens bekend in West-Afrika. Het zijn vooral de Malinke (Guinee, Mali, Senegal) en de Senufu (Ivoorkust) die dit instrument bij voorkeur in paar (kwart-interval) bespelen.

 

@: Batata dushi

zie @: Ipomoea.

 

@: Bati huda

(lett. Judas een pak slaag geven) werd vroeger door jongens op Paaszaterdag gedaan: tegen of op Goede Vrijdag werd een oud kostuum opgevuld met houtkrullen en restjes van stoffen. Deze reuzepop werd door de straten gesleurd terwijl de jongens met stokken gewapend, onder het uiten van verwensingen aan Judas’ adres er zo lang op los sloegen totdat de pop helemaal uit elkaar viel. Judas werd op deze wijze symbolisch voor zijn verraad gestraft.

 

@: Batrei, Bolo di / @: Bolo di batrei

Taartsoort bestaande uit verschillende verdiepingen, die vooral voor communie-feest of voor bruiloft wordt gemaakt. Op Aruba: bolo di bruid of bolo di andana.

 

@: Batrei, Djaka di / @: Djaka di batrei

(batterij-rat), denigrerende naam voor afstammelingen van personen die tot de lagere rangen van het garnizoen hebben behoord.

 

@: Baúl

Bij delen van de lagere bevolking in de Antillen bestaat de gewoonte kleren, waardepapieren of geld op te bergen in een houten kist met een gewelfd deksel. Het binnenwerk wordt steevast met behangselpapier bekleed. Ook andere opbergruimten zoals bijvoorbeeld hutkoffers worden baúl genoemd. (Spaans baúl = grote koffer).

 

@: Beaujon, Alette

Antilliaanse dichteres (Curaçao 1 mei 1934). Haar gedichten zijn geschreven in een sfeer van vage dromerigheid, waarin het Antilliaanse landschap zich niettemin vaak in vaste omlijning vertoont (zie ook @: Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

Wrk.: Gedichten aan de baai en elders (1957).

 

@: Beckers, Hubert Hendrik Adolf

(Curaçao 17 december 1922) behaalde aan het Utrechts conservatorium cum laude het solistendiploma voor zang. Was tot 1982 werkzaam als zangleraar aan de Muziekakademie, de middelbare scholen en de Fundashon di Musika (F.I.M.); treedt op in oratorium- en operaconcerten.

 

@: Bedrijfsleven

zie @: Vereniging Bedrijfsleven Curaçao (@: V.B.C.).

 

@: Bedrijfsregistratie

zie @: Arbeidsregistratie.

 

@: Bedrijfsscholen

zijn scholen die aan een bedrijf zijn verbonden en een opleiding verzorgen voor een specifieke functie in dat bedrijf. De bedrijfsschool van de Shell Curaçao N.V. op Curaçao heeft de laatste jaren sterk aan betekenis ingeboet. Naar behoefte worden cursussen ingesteld voor de opleiding tot ‘plantmechanics’, machinemonteur, instrumentatievakman, laborant, 'process-operator', movement-operator, of utility-operator. De meeste cursussen duren twee jaar. Toelatingseisen: diploma I.T.S. of Mavo IV met wiskunde. In 1983 telde de bedrijfsschool 51 leerlingen waarvan 25 de opleiding machinemonteur volgden.

De bedrijfsschool van de Curaçaose Dokmaatschappij leidt op voor: scheepsbankwerker, scheepsmetaalbewerker, pijpfitter, ketelmaker, lasser, smid en draaier. Al deze opleidingen zijn gericht op de behoeften van het bedrijf en zijn ingebed in een carriëre¬planning, die ongeveer 8 jaar duurt. Toelatingseis: diploma lagere technische school (lts); daarnaast is er een selectieprocedure, die een technische test, een psychologische test en een interview omvat.

 

@: Beeldende kunsten

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Beeldende kunsten vóór de 20ste eeuw

Hoofdstuk 3: Beeldende kunst 20ste eeuw

Hoofdstuk 4: Kunstenaars

Hoofdstuk 5: Expositie mogelijkheden

Hoofdstuk 6: Kunst aan de bevolking

Hoofdstuk 7: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Beeldende kunsten Hoofdstuk 1: Inleiding

Overal en altijd - ongeacht de omstandigheden - neemt de mens deel aan het kunstleven, dat minimaal bestaat uit de drie elementen:

  • kunstenaar,
  • kunstwerk en
  • kunstpubliek.

Om in het kort een dwarsdoorsnede te geven van de plaats en de staat van ontwikkeling van de beeldende kunsten in de Nederlandse Antillen is uitgegaan van de volgende criteria:

a. spreken de betreffende werken van een kunstenaar van een herkenbare Antilliaanse leef-, denk- en gevoelswereld;

b. heeft de kunstenaar werken gemaakt, die in belangrijke mate bepalend zijn voor de esthetische beeldvorming met betrekking tot de eilanden.

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 2: Beeldende kunsten vóór de 20ste eeuw

Van de oorspronkelijke bewoners van de Nederlandse Antillen zijn geen tekenen gevonden van kunst in eigenlijke zin. Wel ritueel beeldschrift in grotten op de drie Benedenwindse Eilanden en verder sporen van decoratieve kunst in resten van gebruiksvoorwerpen (zie @: Archeologie). Van de specifieke inbreng van de van oorsprong Afrikaanse cultuurgroep op Curaçao is, buiten het gebied van de bouwkunst, in de beeldende kunst weinig of niets overgebleven. Aangenomen wordt dat in de 17de eeuw schilders uit Nieuw-Nederland herhaaldelijk de eilanden hebben bezocht en dat met name de schilder W. van Duynkercke zich in die tijd blijvend op de Antillen heeft gevestigd, alhoewel tot nu toe geen werken van hem zijn achterhaald. Bij verschillende oude gebouwen worden werken in steen en kalk aangetroffen die geen deel uitmaken van de architectonische constructie zelf maar in zo hoge mate met de architectuur harmoniëren, dat ze zeker in de Nederlandse Antillen tot stand moeten zijn gekomen. Als het oudste van deze stukken moet waarschijnlijk worden beschouwd een dubbele vogel, een sculptuur in steen, waarvan de voet aangrijpt in een muur in Punda; de stijl doet Iberisch-barok aan. Van de beroemde grafsteensculpturen op de joodse begraafplaats Beth Haim op Bleinheim, moet echter worden aangenomen, dat ze in Amsterdam en Genua uit het marmer zijn getrokken en vervolgens verscheept. De gewoonte om pilaren van poorten en huizen te versieren met Neptunusbeelden of vrouwenfiguren dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de tijd van het empire. Ook uit ander materiaal, onder andere hout en koraal, zijn beelden bekend, die zowel uit de periode van de West Indische Compagnie als uit de 19de en 20ste eeuw stammen. In de 18de eeuw bestond algemeen bij deftige vermogende families, dus vooral op Curaçao en op St. Eustatius vraag naar, familieportretten, die in verschillend formaat, van miniatuur tot levensgroot, werden vervaardigd. De portretschilders zouden van Italiaanse oorsprong zijn maar hun namen zijn tot nu toe niet achterhaald. Bekend is daarentegen Jacob Ernst Marcus (St. Eustatius 19 maart 1774). In de 19de eeuw waren het vooral de schilders Cornelis Gorsira (vogelstillevens), John de Pool (pentekeningen), Johnny Ecker, Nechi Pieters en Willem Kroon, die op de voorgrond traden.

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 3: Beeldende kunst 20ste eeuw

In de 20ste eeuw onderging de beeldende kunst een opleving die in bepaalde opzichten zelfs als een bloei kan worden aangemerkt. Deze betreft vooral de schilderkunst. Door de komst van de olie-industrie doen de Antillen hun intrede in de moderne wereld en komen onder invloed van alle vigerende stromingen in de kunst. Dit werkt wel remmend op de eigen inbreng van de meer decoratieve kunst (bijvoorbeeld glasschilderkunst) en op de continuïteit in het ambachtelijke werk als meubelkunst, houtsnijwerk en architectonische sierelementen. Verschillende stromingen in de schilderkunst kunnen worden genoemd. Er bestaat zowel op Curaçao als op Aruba een grote groep conventionele schilders, ook wel zondagsschilders genoemd met onder andere Herbert Boye, Theo van Delft, Gil Hagedoorn, Dick Hoogerwerf, Joannes Pandellis, Tharcisio Pieters Kwiers en Ati Schotborgh, frêre Adrianus, Anna Kock-Herrera, Padu Lampe en Truus Marchant. Door de prentbriefkaarten, die van zijn werken zijn gemaakt, is Luis Benjamin (‘Luigi’) Pinedo bekend geworden. Meer door internationale, moderne stromingen zijn beïnvloed Ru Jas, Charles Corsen, Suzanne Perlman en het echtpaar Chris en Lucila Engels. Een stroming die soms als primitief dan weer als naïef wordt gekenschetst, vertoont enige verwantschap met de Haïtiaanse kunst (Paulita Cornet, Hipolito Ocalia en Elis Juliana).

De gebeurtenissen van 30 mei 1969 op Curaçao hebben een doorbraak teweeggebracht van de artistieke identiteit van het negroide element in de Antilliaanse cultuur; er ontstaat een verhevigde produktiviteit.

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 4: Kunstenaars

Sedert de 1960ger jaren hebben velen zich terwille van hun ontwikkeling tot en als kunstenaar naar het buitenland begeven, veelal naar Europa. Het is ondoenlijk om in dit kader aan alle kunstenaars aandacht te besteden. Bovendien zou men over een duidelijke norm moeten beschikken om Antilliaanse beeldende kunst te onderscheiden van niet-Antilliaanse, afgezien nog van het probleem wat de ‘Antilliaansheid’ van een werk bepaalt: de maker of het werk (inhoud, thematiek, plaats van ontstaan).

Van de kunstenaars die de afgelopen decennia bepalend zijn geweest voor het Antilliaanse kunstleven in het algemeen en het zelf-beeld van de Antillen in het bijzonder kunnen de volgende genoemd worden:

• Op Aruba de schilders Evelino Fingal, Pablo Teófilo (Toton) Quant, Wouter van Romondt en Wim de Waal;

• op Bonaire vooral de ‘primitieve’ schilder E.C. ‘Papa’ Melaan;

• op Curaçao Jose Maria Capricorne, Wilson Garcia, Jean Girigorie, Jubi Kirindongo, Eb Marcano, Nildo Marchena, Maximiliano Nepomuceno en Felix de Rooy;

• op de Bovenwindse Eilanden Johannes Anemaet, Cynrie Griffith, Patsy Johnson en Roland Richardson.

Voorts verdienen verschillende kunstenaars vermelding die, hoewel geen geboren Antillianen, werken hebben voortgebracht die in bijzondere mate door landschap en samenleving van de Nederlandse Antillen zijn geïnspireerd: in de 19de eeuw G.W.C. Voorduin, die een vrij groot aantal aquarellen schilderde, die later bekend werden door de lithografieën van jonkheer J.E. van Heemskerck van Beest; in de 20ste eeuw Dolf Henkes, vooral bekend om zijn muurschilderingen in de kapel van het St. Elisabeth Hospitaal en in de hal van de Curaçaosche luchthaven en Frieda Hunziker met vele schilderijen met Curaçaosche motieven; Charles Eyck heeft niet alleen de invloeden ondergaan van Curaçao maar op zijn beurt heeft hij ook in hoge mate vele plaatselijke talenten beïnvloed. Voorts dienen in dit verband genoemd te worden W.C. Dieleman met oorspronkelijk werk met academische inslag, Corneille, die op Curaçao een twintigtal gouaches schilderde en Jan Henderikse, die met zijn assemblages zowel op Curaçao als in het buitenland op de voorgrond is getreden.

De plastische kunst wordt beoefend door onder andere Jubi Kirindongo, Elis Juliana en het echtpaar Nel en Norva Simon (keramiek). De in 1974 overleden René de Rooy heeft een groot aantal houtsculpturen nagelaten. Ook in Nederland wonende makers van moderne beeldhouwwerken in de Nederlandse Antillen mogen niet onvermeld blijven omdat deze werken door hun aanwezigheid mede de sfeer van het stadsbeeld in Willemstad bepalen: Fred Carasso, bekend om zijn beeld voor de IIe Wereldoorloggevallenen aan het Waaigat, Termote met het beeld van de vrouwe des overvloeds bij het Gouvernementshuis. In de tuin van het Curaçaosch Museum bevinden zich een bronzen buste van Brion vervaardigd door John de Pool en een beeld van Brion in zittende houding van de jong gestorven beeldhouwster Gabriëlle de St. Denis.

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 5: Expositie mogelijkheden

De bevolking van de Nederlandse Antillen is zich meer en meer gaan interesseren voor de kunst dank zij het feit, dat zowel van particulieren als van de overheid een stimulerende werking is uitgegaan. Zo werd in 1959 Galerie / kunsthandel De Boog geopend met het doel de moderne beeldende kunst in de Nederlandse Antillen te stimuleren en bekendheid te geven aan de internationale stromingen. Aanvankelijk gehuisvest in de boogvormige gewelven van het Waterfort, verhuisde zij in 1966 naar het landhuis Bloemhof; zij werd daarna opgeheven. Gallery R.G. (1966-1976) gevestigd in het gerestaureerde pand Keukenstraat 20, Punda, richtte zich vooral op de moderne grafiek omdat deze zich bijzonder leent om de smaak van het publiek te vormen terwijl het werk vrijwel voor iedere beurs toegankelijk was. Kunst op Zolder was een in 1967 in de Columbusstraat, Punda, ingerichte tentoonstellingsruimte waar iedereen die zich op de één of andere wijze kunstzinnig wist te uiten, zijn (haar) stukken aan het  publiek kon tonen en ter verkoop aanbieden. Kunst op Zolder is inmiddels opgeheven in tegenstelling tot Galerie Bloemhof, die sedert de 1960ger jaren een bloeiend bestaan leidt. In de jaren 1970 is geopend de galerie Café De Tempel, in 1982, Hart’s Gallery - beide op Curaçao - en in 1983 de Erato Gallery op Sint Maarten. Speciale vermelding verdienen de culturele centra op de zes eilanden, die zich inspannen om alle facetten van het kunstleven te belichten.

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 6: Kunst aan de bevolking

Op initiatief van Hubert Booi, tot voor kort Hoofd van het Bureau Cultuur en Opvoeding op Aruba, werd in 1971 aangevangen met jaarlijkse exposities in Sociedad Bolivariana (Arte Popular) waaraan de hele bevolking kon deelnemen. Het niveau was daardoor niet hoog maar de opvoedkundige en vormende waarde ervan mag zeker niet worden onderschat. Het werk van Booi is voortgezet door Leo Tromp als directeur van Instituto di Cultura, een dienst van het eilandgebied Aruba. Op Curaçao moeten zeker genoemd worden de ‘kunstmarkten’ (plaza di arte), een initiatief dat in 1973 werd genomen door de eigenaresse van Gallery R.G., mevrouw Egberdien van Rossum met de bedoeling de bevolking kennis te laten nemen van hetgeen op artistiek gebied op Curaçao wordt gepresteerd en kennis te laten maken met de lokale kunstenaars. In de loop der jaren zijn er zeker 160 kunstenaars aan het publiek voorgesteld.

Terwijl op Curaçao de sectie cultuur van de dienst Onderwijs en Cultuur onder leiding van Pacheco Domacasse bijzonder actief is, heeft Bonaire veel baat bij de activiteiten van het hoofd Bureau Cultuur en Opvoeding, Frans Booi, zelf plastisch kunstenaar, die met een verscheidenheid van materiaal van zandsteen tot metaal - allerlei werk heeft vervaardigd. Tenslotte moet gewezen worden op de invloed van de kunstrecensent, die zich sedert de 1970ger jaren definitief een plaats heeft veroverd in de Antilliaanse pers, al ontbreekt het hem aan een gedegen begrippen-apparaat en referentiekader om zijn taak naar behoren uit te voeren; hij kampt bovendien met de moeilijkheid dat er nog geen Antilliaanse kunstgeschiedenis bestaat en hij blijft stuiten op een beperkt begrip van het grote publiek zolang onderwijs en museumbeleid niet samen convergeren in een educatief kunstbeleid. In 1983 heeft de Antilliaanse overheid voor het eerst een nota met betrekking tot cultuurbeleid het licht doen zien, een eerste stap in de richting van een ontwikkeling van een evenwichtig cultuur- en kunstbeleid. (Zie ook @: Architectuur; @: Culturele Centra; @: Kunstonderwijs; @: Musea).

 

Beeldende kunsten Hoofdstuk 7: Literatuur

  • J.M. Capricorne, Beeldende Kunsten. In: Culturee1 Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
  • I.S. Emmanuel, Precious stones of the Jews of Curaçao (1957);
  • J. Hartog, Aruba in oude ansichten (1974);
  • idem, Curaçao in oude ansichten (1974);
  • M.D. Ozinga, De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959);
  • J. de Pool, Del Curazao que se va (1935);
  • W. van Romondt, Beeldende kunsten. In: Culturee1 Mozaïek van de Nederlandse Antillen (1977);
  • Catalogi van het Curaçaosch Museum;
  • Catalogus van de Sticusa uitleencollectie Antilliaanse kunst;
  • Jaarverslagen Sticusa.

 

@: Beeldvorming

Proces waarbij sociale groepen gefixeerde, stereotiepe beelden van elkaar ontwikkelen, wat goede contacten, en dus ook de mogelijkheid tot correctie van dit beeld, in de weg staat. Met betrekking tot de Nederlandse Antillen kan onder andere gesproken worden van beeldvorming over en weer tussen de oude kernbevolking en de Europese Nederlanders, die zich de laatste decennia op de eilanden vestigden. Vanzelfsprekend vindt beeldvorming met stereotiepen of vooroordeel ook plaats tussen de sociale strata, tussen de diverse etnische groepen, tussen de Antilliaanse eilanden en zelfs - binnen een bevolkingscategorie - tussen delen daarvan op verschillende plaatsen op een eiland. Beeldvorming geeft eensdeels uitdrukking aan (gedeeltelijke) onbekendheid met andere groepen, anderdeels aan de aard van de verhoudingen tussen groepen. In vrijwel alle situaties met intergroeps- of inter-etnische relaties kunnen zich beeldvorming en vooroordeel voordoen (zie @: Nederlanders).

 

@: Begonia

Plantengeslacht uit de familie der Begoniaceae. Kruid, meestal met saprijke stengels; bladeren handnervig en zeer scheef; bloemen eenslachtig, mannelijke bloem met veel meeldraden, vrouwelijke bloem met onderstandig 3-hoekig vruchtbeginsel dat voorzien is van 3 vleugels. Diverse soorten worden gekweekt; slechts de soort Begonia retusa of pelda, ala di angel, mountain manna, komt in het wild voor op Saba en St. Eustatius, als ondergroei in de bossen op The Mountain en The Quill.

 

@: Begraafplaatsen (historische)

Op Curaçao werd de ommuurde begraafplaats op enige afstand oostelijk van de oude stadsmuur van Punda, ter plaatse van het huidige Wilhelmina- en Hendrikplein, na de teistering door de orkaan van 1808 verlaten en allengs geruimd onder aanleg van een nieuwe aan de Roodeweg op Otrobanda. Behoudens enige graven en grafstenen op particuliere plantages is aldus als historische begraafplaats slechts de ommuurde Joodse begraafplaats Beth Haim intact gebleven.

St. Eustatius. Aan de periferie van Oranjestad treft men de vroegere Joodse begraafplaats aan met enige vaak rijk bewerkte grafzerken; de oudste is van 1742, de jongste van 1825. Ook om de Reformed Church (1774/1775) waarvan men de ruïnes bezoekt, ligt een kerkhof met tweeënzeventig, doorgaans kostbaar uitgevoerde, monumentale graven.

Literatuur:

  • J. Hartog, Curaçao (1961);
  • idem, Geschiedenis van St. Eustatius (1976);
  • N. van Meeteren, Het kerkhof op Fo’i Poorta in: Geschiedkundige opstellen t.g.v. de 80ste verjaardag van W. M. Hoyer.

 

@: Begraafplaatsen, Israëlitische

De Verenigde Nederlands Portugees-Israëlitische Gemeente Mikvé Israël Emanu-El houdt twee begraafplaatsen in stand. De oudste, Beth Haim, is gelegen aan de noordelijke oever van het Schottegat aan de westzijde van de Shell-raffinaderij. De tweede is gelegen op Berg Altena, niet ver van het centrum van Willemstad. Deze dodenakker is een samenvoeging van twee begraafplaatsen, waarvan de oudste in 1865 werd ingewijd door Tempel Emanu-El en die van latere datum in 1880 door Mikvé Israël.

Lit.: I.S. Emmanuel, Precious stones of the Jews of Curaçao, Curaçaon Jewry 1656-1957 (1957).

 

@: Begrafenisgebruiken

De gebruiken rondom dood en begrafenis zijn zo talrijk, zo aan veranderingen onderhevig en van plaats tot plaats zo verschillend, dat het alleen mogelijk is deze in grove trekken weer te geven. Vast staat, dat zij alIeen voorkomen bij het negroïde volksdeel en dat zij snel aan het verdwijnen zijn. De stervende, voorzien van de laatste sacramenten, werd meestal omringd door familieleden, buren en kennissen, die vooral goed moesten luisteren naar zijn of haar laatste wensen. De wensen van een stervende en de beloften aan hem of haar gedaan, golden als iets heiligs. Wanneer hieraan niet zou worden voldaan, zou de dode geen rust vinden en zou zijn geest terug kunnen komen om de levenden aan te manen door hen aan de benen te trekken (e ta bin hala nan pía).

Wanneer de dood eenmaal was ingetreden, werd de labadó di morto besteld, die het lijk moest afleggen: een man kreeg zijn beste (trouw)kostuum aan, een vrouw haar bruidsjurk (morto na bruit) of het lijkkleed (mortaha). Nadat er vier kaarsen waren ontstoken (bela di morto), die overigens telkens werden vervangen door andere, die door familieleden waren meegebracht, vulde zich de lijkkamer met vrouwen die op luide toon bij de gestorvene weeklaagden en vaak  zijn of haar goede kwaliteiten verkondigden. Vroeger kwam het op Curaçao wel eens, voor dat tegen betaling gebruik werd gemaakt van de diensten van een professionele weeklaagster (yoradó di morto). Dit gebeurde wanneer er niet voldoende familieleden of kennissen aanwezig konden zijn en men de goegemeente toch ervan wilde overtuigen, dat de gestorvene diep betreurd werd.

Voordat de kist werd gesloten kon het wel eens voorkomen dat van de meest intieme verwanten de maat werd genomen met een stuk stof of met garen, dat in de kist - aan het voeteneinde - werd gelegd om te voorkomen, dat de gestorvene terug zou keren om zijn of haar meest geliefde mee te nemen. De gewoonte om in het doodskleed een speld te steken zou erop kunnen duiden dat men de geest in het lichaam wilde ‘vastpinnen’ zodat hij niet zou ronddwalen op zoek naar anderen. De aanwezigheid van een bakje met spelden (met een rond kopje) ten behoeve van aanwezigen zou hiervoor een indicatie kunnen zijn. Men zou deze daad ook kunnen beschouwen als een laatste vaarwel zoals een hand op het voorhoofd van de gestorvene leggen of zoals op Aruba - de neus tussen wijs-en middelvinger beroeren.

Het sein tot vertrek naar het kerkhof (santana) werd gegeven door de aanspreker (folester = verbastering van voorlezer), die zich tot voor kort nog bij voorkeur van het Nederlands bediende. De stoet naar kerk en kerkhof werd vroeger uitsluitend door mannen gevormd, de laatste tijd lopen ook vrouwen mee; hoe langer de stoet, hoe eervoller. Personen die gestorven waren zonder dat zij hun Pasen hadden gehouden - in de vastentijd werd de biechteling(e) geregistreerd - of die zelfmoord hadden gepleegd mochten niet op gewijde aarde worden begraven. Voor deze ‘snoodaards’ was er een apart plekje gereserveerd dat in de volksmond chiké (varkenskot) werd genoemd. Ook op de openbare, dus ongewijde, begraafplaats te Kolebra Berde konden zij ter aarde worden besteld. Voor nabestaanden was het een grote schande indien een geliefde op één van die plaatsen werd begraven temeer omdat zij dan de status verhogende stoet hadden moeten missen.

Na de begrafenis was het gebruikelijk, dat naaste familieleden en meest intieme vrienden naar het sterfhuis terugkeerden, waar zij, nadat zij de handen hadden gewassen, werden onthaald op koffie, thee of rum. Van lieverlee is de term laba man (handen wassen) geprofaneerd tot het gebruiken van alcoholica zodat velen na de begrafenis in plaats van het sterfhuis, een koffiehuis (in de volksmond snack) binnenlopen of daar gaan staan. Veel ouderen kenden aan het handen wassen behalve een hygiënische ook nog een symbolisch, religieus motief toe: zij wasten hun handen - evenals indertijd Pilatus - om aan te geven, dat zij niet verantwoordelijk waren voor het heengaan van de betreurde. Twee dagen na de begrafenis werd aangevangen met het bidden voor de zielerust van de overledene; hiervoor werd een provisorisch altaartje (altá) ingericht ten behoeve van de voorbidster (resadó) die - tegen vergoeding - gedurende acht dagen (ocho dia) met de aanwezigen (hoofdzakelijk vrouwen) een rozenhoedje en de litanie van de Heilige Maagd bad. Ter afsluiting van de noveen werd een bijzondere ceremonie (ocho dia) gehouden waarvoor ook verre familieleden en vrienden werden uitgenodigd. Nadat alle aanwezigen met wijwater het kruisteken hadden gemaakt, werd met gebed begonnen waarbij ditmaal de volledige rozenkrans (15 geheimen) werd gebeden, gevolgd door de litanie, die vaak gezongen werd. Bij een gezongen ocho dia, ook wel yukán genoemd, berustte de regie bij de sakristán, over het algemeen een geacht persoon van middelbare leeftijd. Wanneer de hele ceremonie gezongen werd in een mengeling van Papiamentu, Spaans en Latijn - danig verhaspeld - sprak men van kanta salve. Gedurende de hele ceremonie werden aIle ramen aan de oostkant dichtgehouden; deze mochten pas geopend worden nadat de sakristán het altaar had ‘afgebroken’, alle aanwezigen hun stoel hadden omgekeerd en men zodoende ervan verzekerd was, dat de geest geen kans kreeg zich te verbergen maar de kamer ongestoord kon verlaten. Na de ceremonie werd men onthaald op koffie, rum, geitesoep en gebraad en kon men zich scharen rondom een echado of hinchado di kuenta, die zijn gehoor de rest van de nacht met zijn verhalen boeide.

Literatuur:

  • Elis Juliana, Guia Etnologiko no. 2 (1977);
  • N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977);
  • L.F. Triebels, Ocho dia of novena (1980).

 

@: Begroting

is een raming van ontvangsten en uitgaven voor een bepaalde periode (meestal een jaar), die door een persoon of een organisatie (bijvoorbeeld een regering) wordt opgesteld. Als het door de regering (het bestuur) opgemaakte ontwerp door het volksvertegenwoordigend lichaam (de Staten), al dan niet geamendeerd, is goedgekeurd en de begroting daarna is vastgesteld, is daarmee de regering (het bestuur) gemachtigd de daarin genoemde middelen (belastingen, enz.) te innen en de uitgaven te doen tot een maximum van het bij iedere post voor het daarin genoemde doel aangegeven bedrag. De behandeling van de begroting in het vertegenwoordigend lichaam geeft dit een grote invloed en côntrole op de uitvoerende macht.

(1) Rijksbegroting heet de begroting voor Nederland (voor de betekenis van de extra lettergreep zie Rijk) dus niet voor het Koninkrijk. Er komen wel uitgaven op voor ten bate van de Nederlandse Antillen, doch niet ten laste van beide landen. Indiën dit laatste wel het geval was, zouden die landen althans bij de desbetreffende posten betrokken zijn en de begroting bij rijkswet worden vastgesteld en niet zoals nu bij wet conform artikel 133 Grondwet.

(2) Landsbegroting is de begroting voor de gehele Nederlandse Antillen (art. 83 en 86 Staatsregeling). Door de regering ontworpen, wordt zij bij Landsverordening vastgesteld en in het P.B. afgekondigd. Zij heeft betrekking op het aangegeven kalenderjaar, eventueel tot de datum waarop de volgende begroting in het P.B. is geplaatst.

(3) Eilandsbegroting is de begroting voor de eilandgebieden.zie @: Eilandsbegroting; @: EilandsRekening.

 

@: Beiaard

Een door Eijsbouts-Lips gegoten carillon De vier Koningskinderen hangt in het Curaçaosch Museum. Bijdragen van de burgerij maakten de aanschaf mogelijk. Iedere schenker kreeg bij de inwijding, in 1952, een klok op zijn naam toegewezen. De grootste klok, waarnaar het carillon genoemd is, eert de prinsessen van het koninklijk gezin. Een afgietsel ervan werd aan H.M. Koningin Juliana door de directie van de klokkengieterij aangeboden.

 

@: Bejaardenzorg

In een tijd dat verhoogde vergrijzing van de bevolking wordt waargenomen, die mede wordt veroorzaakt door een geringere aanwas, en de vroeger zo vanzelfsprekende zorg van de jongere generatie voor de oudere begint af te nemen - drie-generatiegezinnen komen minder vaak voor dan vroeger - is het niet verwonderlijk, dat men meer belangstelling krijgt voor geriatrische vraagstukken. Deze vergrijzing heeft economische en sociale gevolgen: er wordt een groter en steeds groter wordend beroep gedaan op de bestaande voorzieningen en op de vormen van hulpverlening, zodat hiervoor op de meeste eilanden wachttijden bestaan zowel voor de extra- als voor de intramurale zorg (zie @: Sociale voorzieningen).

 

@: Bejaardenzorg Aruba

kent als extramurale vorm van hulpverlening de wijkverpleging van het Wit-Gele Kruis. Voor de intramurale beijvert zich vooral de Stichting Algemene Bejaardenzorg. In het Michael Paviljoen, een vleugel van het vroegere San Pedro di Verona Hospitaal, zijn veertig bejaarden opgenomen en in Huize Maris Stella ongeveer honderd. (7% van de bevolking van ca. 65.000 is ouder dan 65 jaar).

 

@ Bejaardenzorg Bonaire

kent sinds een aantal jaren een goed functionerend Open Bejaardenwerk naast de wijkverpleging. Onder de Stichting Zieken- en Bejaardenzorg Bonaire ressorteert het verzorgingshuis ‘Cas di Sosiego’ waarin 95 bejaarden zijn opgenomen. (9,5% van de bevolking is ouder dan 65 jaar).

 

@: Bejaardenzorg Curaçao

had de primeur van georganiseerde bejaardenzorg: In 1935 is door de Verenigde Protestantse Gemeente het Koningin Wilhelmina Tehuis opgericht, dat helaas in 1983 wegens financiële problemen gesloten moest worden. In 1943 volgde de Stichting Birgen di Rosario (Wit-Gele Kruis), die in Huize Welgelegen (Habaai) - eertijds een internationaal meisjesinternaat - een bejaardenhuis oprichtte voor uitsluitend vrouwen. Thans is dit tehuis het grootste centrum op de Nederlandse Antillen voor huisvesting van bejaarden (140 vrouwen, 20 mannen en 6 dubbelgehandicapte niet-bejaarde volwassenen). In 1982 is hier ook met dagopvang voor bejaarden begonnen. De Stichting heeft in 1954 het Richardustehuis opgericht dat aan 73 mannen plaats biedt. Onder leiding van Zr. Deutekom-Schutte is de Neutrale Wijkverpleging in 1955 begonnen met een tehuis voor ouden van dagen ‘Ouvada’, dat in 1962 werd ondergebracht op het landgoed van wijlen dr. M.J. Hugenholtz naar wie het instituut is genoemd. Casa Dr. M.J. Hugenholtz, ook Villa Maria genoemd, kan 40 bejaarden huisvesten terwijl Casa Hermandad, waarvan de leiding op adventistische grondslag haar activiteiten ontplooit, naast jongere personen ook bejaarden huisvesting biedt.

In snel tempo is het Open Bejaardenwerk, uitgaande van de Stichting Birgen di Rosario, gegroeid: Aan 130 bejaarden kan thans thuishulp worden geboden door 27 bejaardenhelpsters. De woningen van deze bejaarden laten vaak te wensen over (zie @: Fundashon Kas Popular).

Bij de hulpverlening aan bejaarden spelen de Stichting Kwido pa Famia (Wit Gele Kruis) en drie organisaties voor wijkverpleging een belangrijke rol. Hoewel alle bejaardentehuizen in de Nederlandse Antillen uit particulier initiatief zijn ontstaan zijn de bejaarden, over het algemeen weinig draagkrachtig voor hun onkostenvergoeding, aangewezen op de Afdeling Sociale Zaken van het eilandgebied. (8,7%  van de bevolking van Curaçao is ouder dan 60 jaar, hiervan is 50% ouder dan 65).

Op Groot-Kwartier is in 1973 door Groot-Kwartier Appartementen N.V. aangevangen met een moderne vorm van huisvesting van bejaarden. In het centrale gebouw worden de hulpbehoevenden verzorgd terwijl degenen die nog uit de voeten kunnen kleine bungalows bewonen (20 appartementen). Naast de N.V. is ook een stichting opgericht. Deze stichting wordt niet gesubsidieërd. Zij ontvangt giften en leent geld van de N.V. op renteloze basis.

 

@: Bejaardenzorg Bovenwindse Eilanden

Op deze eilanden wordt door jongere familieleden nog veel hulp aan bejaarden geboden. Het St. Martin’s Home, gelegen naast het Saint Rose Hospital op St. Maarten biedt plaats aan 45 bejaarden. (8% van de bevolking is ouder dan 60 jaar).

Sint Eustatius, waar 10% van de bevolking ouder is dan 60 jaar, heeft geen bejaardenhuis. Voor zover niet door familieleden verzorgd, worden de bejaarden ondergebracht in het bejaardenhuis op Sint Maarten en in het Beatrix Ziekenhuis ter plaatse.

Saba beschikt wel over een bejaardenhuis, bestaande uit 24 tweepersoonskamers, maar dit is na 5 jaar door de sterke verwantschapszin van de bevolking nog niet geheel in gebruik.

 

@: Bejarano, Lazaro

Bestuurder van Curaçao, Aruba en Bonaire in de jaren 1540-1541. Bekend Erasmus-kenner (zie ook @: Ampues, Juan de; Geschiedenis: Spaanse periode; Letterkunde in de Nederlandse Antillen).

 

@: Bekú

Een muziekinstrument gemaakt van een uitgeholde sorghostengel (de stengel van de zogenaamde "maishi chiki" plant) van 40 a 50 cm lengte en 2 cm dikte. Op ongeveer 3 cm van een der gaatjes, echter op de lijn die gevormd wordt door de twee gaatjes, wordt in de lengte van de stengel een tongetje ingesneden, waardoor beurtelings wordt geblazen en gezogen. De toonhoogte-verschillen worden verkregen door de gaten met de duimen beurtelings af te sluiten en te openen. De bekú werd gespeeld om de tijd te doden bij het bewaken van de sorghovelden tegen vernieling door vogels en andere dieren. Ook werd de bekú tijdens familiefeesten gespeeld, begeleid door de wiri en de bamba. Wordt vandaag nog gespeeld in Benin en Opper-Volta, respectievelijk papo en bumpa genoemd.

 

@: Belá

Iemand die men getracht heeft te betoveren door het aansteken van een kaars, onder het aanroepen van kwade krachten. Zo iemand wordt dan verondersteld niet helemaal meer bij zinnen te zijn. Belá is ook de aanduiding voor een persoon die vreemd doet of vreemde dingen zegt.

 

@: Belastingdienst

Hoofd van de belastingdienst, die rechtstreeks onder de minister van Financiën ressorteert, is de directeur der belastingen. Aparte inspecties der belastingen zijn er op Aruba en Curaçao, zowel voor de directe belastingen als voor de invoerrechten en accijnzen. Bonaire en de Bovenwindse Eilanden ressorteren onder de inspectie van Curaçao. Op elk eiland zijn er lands- en eilandsontvangers. Op Bonaire en de Bovenwindse Eilanden oefent één en dezelfde persoon de functies uit.

 

@: Belastingen

In 1981 hebben de belastingen de volgende opbrengsten geproduceerd:

  • winst-, inkomsten- en loonbelasting NAfl 658 miljoen;
  • grond- en gebruiksbelasting NAf 7,7 miljoen;
  • invoerrecht, bijzonder invoerrecht en accijnzen (gedistilleerd, tabak, bier) NAf 130 miljoen;
  • overdrachtsbelasting, zegel- en successierecht NAf 13,5 miljoen.
  • Totaal Nafl 809.2 miljoen.

In de Nederlandse Antillen gelden belastingfaciliteiten voor industrievestiging en hotelbouw (tax-holiday) ingevolge P.B. 1953 nr. 194. Deze verleent onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van invoerrechten, grond-, gebruiks-, inkomsten- en winstbelasting gedurende tien jaar aan nieuwe bedrijven. Daarnaast is er de mogelijkheid ingevolge P.B. 1964 nr. 77 voor vrijstelling van belasting ingeval van grondontwikkeling.

 

  • @: Belastingregeling voor het Koninkrijk (@: BRK)

Rijkswet stb. 1964 nr. 425, P.B. 1964 nr. 178 geeft een afgeronde regeling van de onderlinge betrekkingen op belastinggebied tussen de rijksdelen: de landen zuIlen op het gebied van belastingheffing geen discriminatie toepassen tegenover vreemdelingen en tegenover personen die in een land van het Koninkrijk bedrijfswerkzaamheden verrichten zonder daar te wonen. De belastingregeling heeft betrekking op inkomsten-, winst- en vermogensbelastingen, successie-, schenkings- en zegelrechten en motorrijtuigenbelastingen. Zij bevat regels ter voorkoming van dubbele belasting. Het verlenen van onderlinge bijstand bij de belastingheffing is eveneens in de Rijkswet geregeld. 
 

Beroep in belastingzaken (P.B. 1941 nr. 12) ligt bij de bezoldigde leden van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen.

In de Nederlandse Antillen worden geheven:

  • gebruiksbelasting (P.B. 1908 nr. 45); oorspronkelijke grondslagen van deze directe belasting: huurwaarde, paarden, automobielen, rijwielen, piano’s, orgels, elektrisch licht, thans slechts huurwaarde (5%); grondbelasting (P.B. 1908 nr. 27); afwentelbare belasting op Aruba, Bonaire en Curaçao op onroerend goed, waarbij jaarlijks de belastbare waarde wordt vastgelegd; tarief voor gebouwde eigendommen 0,6%, voor ongebouwde 0,5%;
  • inkomstenbelasting (P.B. 1956 nr. 9) daterend uit 1943 en geënt op de Indische inkomstenbelasting 1932, daarna vele malen herzien; deze reële heffing met verrekening van een voorlopige aanslag (er bestaat ook een loonbelasting) komt in grote lijnen overeen wat de bronnen van inkomsten betreft met de Nederlandse heffing; op de aanslagen in de inkomstenbelasting worden 25 opcenten geheven: tarief bij NAf 100.000 - 41-44% (incl.opcenten), kinderaftrek, ook voor natuurlijk erkende kinderen; het systeem van deze belasting is in de loop der jaren weinig veranderd in zijn voornamelijk fiscale karakter: reeds vanaf 1906 werd een belasting naar het inkomen geheven, maar voor 1943 volgens het bronnenfictiesysteem; loonbelasting (P.B. 1975 nr. 254) werd in 1976 ingevoerd;
  • invoerrechten (P.B. 1949 nr. 62): in dit P.B. is de geldende tekst opgenomen van de Algemene verordening op de in-, uit- en doorvoer welke dateert uit 1908; deze verordening is een aftreksel van de Nederlandse Algemene wet van 1922; het eenvoudige tarief van de invoerrechten is in 1956 verhoogd en gebaseerd op een vereenvoudigde Benelux Nomenclatuur; het tarief werd daarna verschillende malen gewijzigd, onder andere door associatie met de E.E.G.; bij invoer (en bijna alles moet in de Nederlandse Antillen worden ingevoerd) wordt een betrekkelijk laag tarief geheven over de C.I.F.waarde, de meeste artikelen betalen 5,5%, terwijl in diverse sectoren specifieke rechten gelden; de hoogste tarieven worden geheven op tabaksartikelen: 55% (met uitzondering van sigaretten), jam e.d. 20% en op vuurwerk 55%; auto's betalen 22%; op niet in de Nederlandse Antillen geproduceerd bier wordt een invoerrecht geheven van Naf 100 per hl. verhoogd met het accijns; deze afwentelbare belasting levert een betrekkelijk lage druk op: van oudsher zijn de invoerrechten een zuiver fiscale heffing; de tarieven hebben bij de meeste artikelen die buitenlandse toeristen kopen een zo geringe invloed op de prijs dat deze veelal de Nederlandse AntiIlen als vrijhaven beschouwen; op de Bovenwindse Eilanden worden geen invoerrechten geheven. Ter bescherming van binnenlandse produktie zijn diverse economische heffingen ingevoerd (verhoogde invoerrechten) onder andere op meubilair, matrassen, papieren en plastic zakken enz.;
  • motorrijtuigbelasting wordt door de Eilandgebieden geheven voor het gebruik van de openbare weg;
  • overdrachtsbelasting (P.B. 1908 nr. 49): heffing op overdracht van onroerende zaken, tarief 2,75 %; registratierecht (P.B. 1908 nr. 47): voor de formaliteit van registratie, waaraan onderworpen zijn de niet-uitgezonderde notariële akten, vonnissen, akten van deurwaarders en onderhands in het buitenland opgemaakte bewijsstukken is NAf 1 per stuk verschuldigd;
  • successierecht (P.B. 1908 nr. 57): heffing van de vermogensvermeerdering verkregen als erfgenaam of legataris; als de vermogensvermeerdering van onroerende zaken binnen de Nederlandse AntiIlen gelegen, verkregen is van een niet ingezetene, heet de heffing (8%) overgangsbelasting: successierecht wordt als schenkingsrecht geheven in geval van vermogensvermeerdering onder de levenden; tarief successiebelasting is proportionee1 progressief van 1-16%, afhankelijk van de verwantschap en het verkregen bedrag;
  • uitvoerrecht op mijnprodukten, welke niet vallen onder de mijnverordening ingevolge artikel 10 van de Curaçaosche mijnwet (Stb. 1909 nr. 213);
  • verkopingsbelasting (P.B. 1908 nr. 51): heffing ten behoeve van het Land op publieke verkoping van roerend goed, tarief 5%;
  • winstbelasting (P.B. 1958 nr. 58) in 1941 ingevoerde, op de Indische vennootschapsbelasting 1925 geënte heffing van de winst van rechtspersonen, alsmede van commanditaire vennootschappen op aandelen;
  • voor olieverwerkende maatschappijen bestaat een minimum heffing afhankelijk van de verwerkingscapaciteit; terwijl voor beleggingsmaatschappijen, holding- en octrooimaatschappijen bijzondere tarieven gelden; tarief 31,05-39,1 %;
  • logeergastenbelasting: 5% van de kamerprijs wordt geheven van de hotelgasten op alle eilanden (eilandsheffing);
  • tankbelasting op Curaçao geheven op buiten een bepaald rayon boven de grond gebouwde tanks naar inhoud; zegelbelasting (P.B. 1956 nr. 108), uit 1908 afkomstig samenstel van heffingen te voldoen door middel van gekochte zegels. (Zie verder Accijns).

 

  • @: Geschiedenis belastingen Nederlandse Antillen

Bij het reglement voor de West-Indische Compagnie van 26 April 1634 werd haar het recht toegekend ‘om met goedkeuring van de Staten-Generaal eenige kleyne bezwaernis te stellen op de consumptie van eetbare en drinkbare waren’. Bij het einde der 17de eeuw werden op het eiland Curaçao (met zijn onderhorigheden Aruba en Bonaire) als voornaamste belastingen geheven: hoofdgeld (naar het aantal slaven), familiegeld (naar inkomsten), waaggeld, uit- en invoerrechten, accijns op sterke drank, en vendurecht. Omtrent belastingen op de Bovenwindse Eilanden in die tijd is weinig bekend.

In het midden en tot aan het einde der 18de eeuw werden op Curaçao geheven: invoerrechten en accijns op sterke drank, successiebelasting, belasting op overdracht van onroerend goed, op openbare verkoop van roerend goed en een weerbaarheidsbelasting. Vanaf 1816 (de West-Indische Compagnie was inmiddels in 1792 opgeheven) is het belastingwezen sterk beïnvloed door de wijzigingen in de bestuursinrichting: in 1815 werden de zes eilanden over twee koloniën verdeeld, van 1828-1845 vormden de zes eilanden met Suriname een kolonie West-Indië. Van 1828-1833 stond Curaçao onder een gemeentebestuur. Vanaf 1845 vormden de 6 eilanden een kolonie tot 1954. 

Deze bestuurswijzigingen gingen steeds gepaard met wijzigingen in de belastingverordeningen. Die van 1828 richtte zich - althans voor Curaçao - op enige hoofdbeginselen: afschaffing van aIle in-, uit- en doorvoerrechten, geen differentiële scheepvaartrechten, geen accijnzen, een soort personele belasting (op huurwaarde en meubilair), patentbelasting, zegelbelasting, loods- en havengelden. Ook op Aruba en de andere eilanden werden de belastingen herhaaldelijk gewijzigd.

In 1882 traden op Curaçao nieuwe belastingverordeningen in werking; wijzigingen van verscheidene reeds voor de gehele kolonie geldende. Het doel van de herziening van 1882, om meer uniformiteit in de belastingwetgeving te brengen, werd bij een belastingherziening van 1908 - waarvan de inspecteur der registratie en domeinen, P. de Joncheere, de auctor intellectualis was - krachtiger doorgevoerd, mede volgens het beginsel van belasting naar draagkracht: Heffing van in- en uitvoerrechten tussen de eilanden onderling werd afgeschaft, ongewenste belastingen die de ontwikkeling van scheepvaart, handel, landbouw en nijverheid belemmerden, werden opgeheven en de techniek van wetgeving en administratie werd verbeterd. De voornaamste wijzigingen waren: Verlaging van de grondbelasting, afschaffing van alle scheepvaartrechten en van alle uitvoerrechten (behalve die op mijnprodukten, welke echter werden verlaagd), invoering van een gebruiksbelasting. Die belangrijke herziening van 1908 is in grote trekken bepalend geweest voor de thans nog bestaande belastingen (zie hiervoor), zij het in onderdelen herhaaldelijk gewijzigd. De meeste belastingverordeningen dateren nog uit 1908.

De invoering van de Eilandenregeling in 1951 bracht vanzelfsprekend ingrijpende veranderingen, mede dank zij de regeling van de financiële verhouding tussen Land en Eilandgebieden (zie Financiën, financiele verhouding), welke in 1956 werd herzien. Thans wordt weer een grote reorganisatie van het belastingstelsel overwogen. De zogenaamde status aparte van Aruba en de voorgenomen ver door te voeren decentralisatie zullen ook op het gebied der belastingen gevolgen hebben. - einde-

 

@: Belastingfaciliteiten

zie @: Industrievestiging en hotelbouw.

 

@: Beleggingsmaatschappijen

zie @: Bank-, Geld- en Kredietwezen; @: Handel: indeling en aard.

 

@: Bello Andres

(Caracas, Venezuela 29 november 1781-Santiago, Chili 16 oktober 1865), Venezolaans schrijver, dichter, linguïst, filosoof en jurist. In 1810 vertrok hij naar Engeland als secretaris van de delegatie (Simon Bolivar en Luis Lopez Mendez) die steun hoopte te krijgen voor de Venezolaanse vrijheidsstrijd tegen Spanje. Gedurende zijn verblijf in Engeland (1810-1829) had hij veel contacten met de literaire wereld; hij is toen vooral bekend geworden als schrijver en dichter. Na zijn terugkeer vestigde hij zich in Chili waar hij zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt zowel op linguïstisch als op juridisch gebied. (Hij stelde een burgerlijk wetboek samen). Zijn omvangrijk oeuvre - 22 delen - (Obras Completas) is in Caracas heruitgegeven van 1951-1965. Op Curaçao is in Otrobanda een plein naar hem genoemd en is een borstbeeld van hem geplaatst (zie ook @: Centro Bolivar y Bello).

Werken:

  • Alocución a la poesia (1823);
  • Silva a la agricultura de la zona tórrida (1826);
  • Principios de ortologia y metrica de la lengua castellana (1835);
  • Gramatica de la lengua castellana destinada al uso de los Americanos (1847).

 

Literatuur:

  • R. Caldera, Andres Bello (1935, 1965);
  • P. Grases, Tiempo de Bello en Londres y otros ensayos (1962);
  • O. Rojas Jimenez, Andres Bello y el idioma Castellano (1981).

 

@: Bembe (shimaron)

zie @: Portulaca.

 

@: Benbom

(Moringa oleifera) of marengo, brenoli, moringo, orenga, orseli, salaster, horse radish tree, plantesoort uit de familie der Moringaceae. Boom of hoge heester, met zeer lange, 2 a 3 maal geveerde bladeren; bloemen wit-paarsig, in grote trossen, 5-tallig met 5 fertiele en 5 steriele meeldraden; vrucht lang, 3-kantig met 3 kleppen openspringend; zaden met 3 vleugels. Gekweekt en soms verwilderd op Beneden- en Bovenwindse Eilanden. Afkomstig uit India. Zaden bevatten olie die in de kosmetische en in de horloge-industrie gebruikt wordt.

 

@: Benedenwindse Eilanden

zie @: Antillen; @: Nederlandse Antillen.

 

@: Benta

Een muziekinstrument bestaande uit een gebogen tak van de karawara (cordia alba), of een andere taaie houtsoort, waarop de vezel van een kokosblad wordt gespannen. Een der uiteinden van de boog wordt zodanig tegen de geopende lippen gehouden dat de mondholte als resonator kan dienen. Om tonen voort te brengen wordt de vezel in trilling gebracht door er met een stokje, de manigueta, vlak bij de mond tegenaan te tikken. De toonhoogte wordt veranderd door de mondholte te vergroten of te verkleinen; dit gebeurt door bewegingen met de tong. De spanning van de vezel wordt gewijzigd door er met een stuk metaal of met de achterkant van een mes tegenaan te drukken.

In Centraal-Afrika, van waaruit deze mondboog zich heeft verspreid over een groot gedeelte van Midden- en Zuid¬Amerika, wordt hij bij voorkeur door meisjes en jonge vrouwen bespeeld als begeleiding van korte verhaaltjes. De twee tonen die erop gespeeld worden verhouden zich in seconde-afstand. Diverse benamingen worden gebruikt: lusuba, lukunga, guru, inkoko, enz.

 

@: Bentana

zie @: Handel: binnenlandse handel.

 

@: Berbice

zie @: Koloniërs.

 

@: Berg Altena

Oude woonwijk van Willemstad, Curaçao, lag oorspronkelijk buiten de stad maar werd geleidelijk in de oude bebouwing opgenomen. De wijk is bekend door de typische, langs de oplopende weg trapsgewijs gebouwde huisjes, waarvan de bouwstijl onmiskenbaar Hollandse trekken vertoont.

 

@: Beroepsonderwijs

In de Nederlandse Antillen bestaat de mogelijkheid na het voltooien van een school voor mavo, havo of vwo een opleiding te volgen tot onderwijzer, kleuterleidster, verpleegster, praktizijn, hulpapotheker en leerling-analist. Leerlingen die de lagere school met goed gevolg hebben doorlopen, kunnen rechtstreeks een beroepsopleiding krijgen bij het Nijverheidsonderwijs. Jongens die een beroep bij de zeevaart kiezen, kunnen een opleiding ontvangen op de scheepvaartschool. Pupillen van het Gouvernements Opvoedingsgesticht (G.O.G.) krijgen in deze inrichting een praktische vakopleiding. Er zijn voorts cursussen die opleiden voor politieambtenaar, douanebeambte, administratieve functies voor overheidskantoren, observator meteorologische dienst en landmeter bij het kadaster (zie Onderwijs: vakscholing).

 

@: Bèrs / @: Bers

zie @: Snapper.

 

@: Beschikkingen

Eenzijdige beslissingen van overheidsorganen, die niet het karakter van een (algemeen geldende) wettelijke regeling hebben. Hebben zij dit karakter wel dan worden zij landsbesluiten, houdende algemene maatregelen of eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen genoemd (art. 2, sub 3° en sub 5°j° art. 24 Staatsregeling en art. 59 ERNA).

 

@: Besparingen, Nationale / @: Nationale besparingen

zie @: Investeringen en besparingen, Nationale.

 

@: Bestedingen, Nationale / @: Nationale bestedingen

zie @: Investeringen en besparingen, Nationale.

 

@: Bestuurders

zie @: Bestuursregeling: geschiedenis; @: Geschiedenis: bestuurders.

 

@: Bestuurscollege

is het college dat onder voorzitterschap van de gezaghebber het dagelijks bestuurde over een Eilandgebied uitoefent.

Samenstelling

Het Bestuurscollege van Aruba en dat van Curaçao bestaat uit de gezaghebber als lid, tevens voorzitter en ten minste twee en ten hoogste zes gedeputeerden als leden; dat van Bonaire uit de gezaghebber en drie leden (art. 107 Eilandenregeling Nederlandse Antillen - ERNA). Voar de Bovenwindse Eilanden gelden afzonderlijke bepalingen. Zowel de Eilandsraad van Aruba als die van Curaçao wijzigden herhaaldelijk het aantal gedeputeerden. De gedeputeerden worden in de eerste vergadering van een zittingsperiode voor de gehele duur daarvan door de Eilandsraad al dan niet uit zijn midden gekozen. Ten minste de helft van het aantal gedeputeerden wordt door de Raad uit zijn midden gekozen. Een gedeputeerde, die geen lid van de Raad is, heeft daarin een adviserende stem. De meeste voor een lid-gedeputeerde geldende bepalingen zijn overigens op hem van toepassing (art. 47 ERNA). Eindigt het lidmaatschap van een lid-gedeputeerde, dan houdt hij ook op gedeputeerde te zijn (art. 48 ERNA). Art. 49 j ° art. 64 ERNA geven aan welke betrekkingen of functies onverenigbaar zijn met de betrekking van gedeputeerde. Ingeval hij met deze bepalingen in strijd komt, neemt of krijgt hij ontslag (art. 50 ERNA). Als bijvoorbeeld een gedeputeerde het Statenlidmaatschap aanneemt, dan neemt hij ontslag als gedeputeerde; zo niet, dan wordt hij door de Eilandsraad van zijn betrekking van gedeputeerde vervallen verklaard. Art. 64 ERNA behelst ook enige verbodsbepalingen om te voorkomen dat hij persoonlijk voordeel zou trekken uit zijn gedragingen als gedeputeerde; hij mag dus niet rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn bij financiële contacten met de overheid. Bij eilandsverordening kan aan gedeputeerden een toelage worden toegekend (art. 51 ERNA).

Bevoegdheden en taak

Art. 57-61 ERNA vermeIden een lange lijst van bevoegdheden, waarvan de voornaamste zijn:

  • het voorbereiden van voorstellen aan de Eilandsraad;
  • het uitvoeren der besluiten van de Raad;
  • het beheer der financiën en eigendommen;
  • gedurig toezicht op al wat het Eilandgebied aangaat;
  • waar nodig medewerking verlenen aan de uitvoering van landsverordeningen en landsbesluiten, houdende algemene maatregelen;
  • het vaststellen van eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen;
  • het benoemen, schorsen en ontslaan van eilandsambtenaren;
  • het uitbrengen jaarlijks van een eilandsverslag.

De gezaghebber of een der gedeputeerden verdedigen in de Eilandsraad waar nodig het standpunt van het Bestuurscollege; zij kunnen zich daartoe doen bijstaan door anderen (art. 40). Het Bestuurscollege is voor zijn beleid verantwoording verschuldigd aan de Eilandsraad. Zijn leden geven mitsdien alle door de raad verlangde inlichtingen (art. 62).

Vergaderingen

De regeling omtrent de vergaderingen is grotendeels vervat in het reglement van orde. De voornaamste voorschriften zijn echter opgenomen in art. 53-55 ERNA, namelijk over het quorum (meer dan de helft der leden moet tegenwoordig zijn, wil een vergadering geldig zijn), het besluiten bij meerderheid van stemmen, het staken van stemmen, onthouding van beraadslagen en stemmen over zaken en benoemingen, waarbij de naaste familie betrokken is, de niet-vervolgbaarheid en eventuele geheimhouding. Voor onbestuurbaarheid zie @: Eilandgebieden: onbestuurbaarheid.

 

@: Bestuursregeling

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Algemeen: 1634 – ca 1800

Hoofdstuk 2: Nederland: ca 1800 – ca 1940

Hoofdstuk 3: Nederlandse Antillen: ca 1674 ca 1940

Hoofdstuk 4: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Bestuursregeling: Hoofdstuk 1: Algemeen: 1634 – ca 1800

Met de stichting van de West-Indische Compagnie kwam vrij spoedig het probleem aan de orde, hoe de onder haar jurisdictie gestelde koloniën zouden worden bestuurd. Voor het neutrale en onbeheerde Nieuw Nederland achtten de Heeren XIX een ‘Provisioneele Orde’ - gedateerd 28 maart 1624 - voldoende. Voor de nieuwe kolonie in Brazilie - Bahia de todos os Santos met de stad São Salvador - werd echter een geheel nieuw reglement ontworpen.

Binnen enige weken na het bekend worden van de nieuwe ‘conqueste’ werd een ‘Concept van Regieringe, soo in policie als justicie onder de authoriteyt van de Ho: Mo: Heeren de Staten Generael van wege de .... Westindische Compagnie aen te stellen in de Bahia de Todos os Santos ende andere plaetsen (met Gods hulpe) noch te veroveren in Brasil’ aan de Staten-Generaal ter hand gesteld die dit met enige wijzigingen en met de goedkeuring van de Prins van Oranje goedkeurden. Het verkreeg kracht van wet op 1 november 1624.

In 1629, aan de vooravond van de verovering van Pernambuco, werd dit reglement gewijzigd en kreeg het een minder tot Brazilie beperkt karakter. Het luidde nu: ’aen te stellen in de Plaetse ofte Plaetsen ... te veroveren,’ terwijl het eerst aangegeven lokale bestuur van Bahia - ’Raden over de Bahia ende andere quartieren van Brasil’ - nu werd genoemd ‘een College over de te veroveren Plaetsen’. Een andere wijziging had betrekking op een verruiming van godsdienstige tolerantie ten opzichte van de Portugezen, Brazilianen, ’Spaignaerden ... ende Naturellen van den Lande’. Onder dit regeringsreglement vielen ook de Benedenwindse Eilanden toen zij door de W.I.C. veroverd werden. Het reglement voorzag in de vestiging van een hoge en lage regering. De hoge regering was in Brazilië gevestigd, terwijl de directeur van de Curaçao-eilanden met ambtenaren als raden naast zich de zogenaamde lage regering vormden. Deze lage regering was ondergeschikt aan de hoge, dat wil zeggen de directeur van de Curaçao-eilanden ontving zijn orders uit Pernambuco, hoewel van al zijn correspondentie een kopie naar de Heeren XIX ging. Deze ondergeschikte verhouding met Nieuw Holland eindigde met de val van Recife in 1654.

In de tien jaren die verliepen tussen deze val en de verovering van Nieuw Amsterdam door de Engelsen, werden de Curaçao-eilanden met Nieuw Nederland tot één bestuurseenheid verbonden. Pieter Stuyvesant, de toenmalige directeur van deze bestuurseenheid was dit dus ook van Curaçao, Aruba en Bonaire, terwijl te Willemstad een vice-directeur zetelde. Deze bestuurseenheid had meer zin dan die met Brazilië, daar navigatie tussen beide delen in noordelijke zowel als zuidelijke richting mogelijk was. Tussen Nieuw Holland en het Caribisch gebied was deze immers slechts in noordelijke richting mogelijk. Van Curaçao naar Pernambuco moest de tijdrovende omweg via Afrika worden gemaakt.

Na de val van Nieuw Nederland werd de vice-directeur van de Curaçao-eilanden weer directeur en vormden de drie eilanden Aruba, Curaçao en Bonaire een gesloten bestuurseenheid. De Bovenwindse Eilanden waren in de aanvang patroonschappen.  

Het regeringsreglement van 1629 heeft een lang leven gehad. Het werd voor het Caribisch gebied in feite eerst vervangen door een nieuw tijdens de regering van Koning Willem I. Eigenlijk stierf het eerst in 1916 op vreemde - zij het voormalig Nederlandse - bodem, namelijk in Brits-Guyana dat de koloniën Demerary, Essequibo en Berbice omvatte. Het overleefde dus niet alleen de Oude en Nieuwe West-Indische Compagnie, de Sociëteit van Suriname en de zogenaamde Franse tijd, maar ook de gehele negentiende eeuw.

 

Bestuursregeling: Hoofdstuk 2: Nederland: ca 1800 – ca 1940

Na het aflopen van het octrooi der Tweede West-Indische Compagnie in 1791 ging het bestuur der West-Indische koloniën over op de Staten-Generaal. Op 13 november 1792 trad de Raad der Coloniën in functie. Het centraal bestuur werd uitgeoefend door negen leden, uit de verschillende gewesten afkomstig, terwijl in de steden waar de kamers van de W.I.C. gevestigd waren geweest, departementen voor de West-Indische handel werden ingesteld, die onder meer de belastingen en recognitiegelden inden. Er was dus sprake van een geleidelijke overgang van Compagnie naar Staatsbestuur. In 1795, tijdens de Bataafsche Republiek, maakte de Raad plaats voor een Comité tot de Zaken van de Coloniën en Bezittingen op de Kust van Guinea en America. Het opperbestuur berustte bij de 21 leden gezamenlijk, terwijl militaire, huishoudelijke en handelszaken aan drie afdelingen met ieder zeven leden toevielen. Hoewel de afzonderlijke directies van Suriname en Berbice nu werden opgeheven en er dus meer uniformiteit kwam in het koloniaal bestuur, bleek dit veelhoofdig Comité toch niet erg doelmatig. De Raad der Americaansche Coloniën en Bezittingen, ingesteld op grond van de Staatsregeling van 1798 en in werking getreden op 1 januari 1801, telde vijf leden. Tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810) berustte het bestuur bij het ministerie van Koophandel en Koloniën (na 1808 het ministerie van Marine en Koloniën). Gedurende de inlijving bij Frankrijk (1810-1813) bestond er te Parijs een Division Hollandaise bij het Ministêre de la Marine et des Colonies.

Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 werden de koloniale aangelegenheden behandeld door een ministerie van Koloniën, in wisselende combinaties met bestuurstakken als Marine, Koophandel e.d. De Koning voerde ‘bij uitsluiting’ (namelijk van de Staten Generaal) het opperbestuur over de koloniën. De regeringsreglementen van 1815, 1828, 1833 en 1848 voor de Nederlandse Antillen werden dan ook bij Koninklijk Besluit ingevoerd. De grondwet van 1848 verlangde regeling van regeringsreglementen bij de wet. Verschillende omstandigheden (onder meer de emancipatie van de slaven) hielden de behandeling van de voorstellen in de volksvertegenwoordiging geruime tijd op. Ten slotte werd het ontwerpreglement voor de Nederlandse Antillen van de minister van Koloniën I.D. Franssen van de Putte op 31 mei 1865 tot wet verheven.

 

Bestuursregeling: Hoofdstuk 3: Nederlandse Antillen: ca 1674 ca 1940

Het bestuur van Curaçao en onderhorige eilanden tijdens de 2de W.I.C. was geregeld in een instructie voor directeur Liebergen, vastgesteld door de Heeren X bij resolutie van 24 augustus 1679. Deze instructie bleef in hoofdzaak gelden tot 1803. De directeur was drager van het hoogste gezag ter plaatse. Hij werd bijgestaan door een raad, benoemd door de Heeren X, waarin vier (later zes) ‘Compagnie’s bedienden’ en drie á vier burgers zitting hadden. De eerste vier leden waren de directeur, als voorzitter, met recht op twee stemmen, de commissaris van de train en vivres (belast met het toezicht op de magazijnen), de kapitein-luitenant der militie en de commissaris van de slavenhandel. De samenstelling van de Grote Raad is herhaaldelijk gewijzigd; zo kregen de kapitein van de burgerwacht en de vaandrig der militie een plaats in de raad, terwijl tevens de fiscaal (officier van Justitie) ambtshalve zitting had. De raad was niet alleen Raad van Politie (bestuur), maar tevens van civiele en criminele justitie. Het getal burgerleden, dat langzamerhand was aangegroeid, werd in 1718 bepaald op drie. Deze werden alleen bij de behandeling van rechtszaken toegelaten. In 1717 stelde directeur Jonathan van Beuningen de zogenaamde Kleine Raad in, bestaande uit vijf commissarissen, voor rechtspraak in zaken die een bedrag van 300 pesos niet te boven gingen.

Aan het hoofd van de eilanden Aruba en Bonaire stonden commandeurs. Van vertegenwoordiging der burgerij was hier geen sprake (zie Geschiedenis: Nederlandse periode).

Volgens de instructie van de Heeren X van 13 december 1686 voerde een commandeur het opperbewind over St. Eustatius en Saba. Hij was voorzitter in de raad, welke was samengesteld uit een zestal burgers van beide eilanden. Deze raadsleden werden door de commandeur gekozen uit door de burgerij voorgedragen personen. Op Saba en - na de verovering in 1703 - ook op St. Maarten werden vice-commandeurs aangesteld. Op St. Maarten werd deze gezaghebber, die zich, wanneer hij als zodanig optrad, ‘commandeur’ placht te noemen, bijgestaan door een raad van vier der bekwaamste ingezetenen. Bestuurlijk bleef St. Maarten aan St. Eustatius ondergeschikt tot 1802.

Aan het einde van de 18de eeuw en tijdens de periode van de Engelse bezetting, eindigend met de teruggave van de eilanden aan Nederland in 1816, vonden herhaaldelijk bestuurswijzigingen plaats die evenwel aan het grondpatroon niet veel veranderden. In de plaats van de Nederlandse gouverneur of commandeur trad uiteraard een Engels gezaghebber, maar de raden (samengesteld uit ambtenaren en uit de burgerij gekozenen) bleven doorgaans in functie. Na het herstel van het Nederlands gezag traden nieuwe regeringsreglementen in werking, gearresteerd bij Koninklijk Besluit van 14 september 1815 nr. 58. Er waren nu drie West-Indische koloniën: Suriname onder een gouverneur-generaal, Curaçao en onderhorige eilanden met een gouverneur-generaal en twee commandeurs (op Aruba en Bonaire) en de Bovenwinden onder een Gouverneur, zetelend op St. Eustatius, met een commandeur op St. Maarten. In 1820 werd de titel gouverneur-generaal gewijzigd in Gouverneur. Van volksinvloed op het bestuur was nauwelijks sprake; de burgerleden van de Raden van Politie (op Curaçao, St. Eustatius en St. Maarten) werden door de overheid gekozen. Commissaris-generaal Van den Bosch voerde in 1828, volgens de wens van de Koning, nieuwe centraliserende bestuursregelingen in, waarmee Willem I onder meer bezuiniging hoopte te bereiken. De drie koloniën werden samengevoegd tot één gouvernement-generaal (met de gouverneur-generaal zetelend in Paramaribo). Curaçao kwam onder een directeur, St. Eustatius met Saba onder een commandeur, evenals St. Maarten. Laatstgenoemd eiland was rechtstreeks ondergeschikt aan het algemeen bestuur te Paramaribo. In 1833 werden de titels directeur en commandeur gewijzigd in gezaghebber. Van den Bosch meende, dat de samenvoeging zou leiden tot een gelijkmatiger verdeling van lasten over de koloniën en tot economische samenwerking van Suriname met de eilanden. Er kwamen gemeenteraden voor Paramaribo, Curaçao en St. Eustatius met Saba. De leden werden benoemd door de commissaris-generaal. De bevoegdheid van deze raden was slechts gering, want alle ontworpen reglementen en dergelijke moesten eerst door de directeur in Rade en vervolgens door de gouverneur-generaal goedgekeurd worden, alvorens zij kracht van wet bezaten. De gemeenteraden zijn reeds in 1833 verdwenen toen weer nieuwe bestuursreglementen werden ingevoerd. Curaçao en onderhorige eilanden, St. Eustatius en Saba en St. Maarten werden nu op één lijn gesteld. Aan de gezaghebbers werden koloniale raden toegevoegd, die een uitsluitend voorlichtende bevoegdheid kregen. De Hoge Raad der West-Indische Bezittingen opgericht in 1828 - verdween eveneens, om plaats te maken voor een koloniale raad als adviesorgaan van de gouverneur-generaal, zodat deze, onder de bevelen van de Koning, vrijwel alleen regeerde.

Bij Koninklijk Besluit (K.B.) van 9 april 1845 nr. 8 werd het in 1828 ingestelde gouvernement-generaal van de West-Indische koloniën weer opgeheven. De optimistische verwachtingen van Van den Bosch over de resultaten van de samenvoeging waren niet in vervulling gegaan. ‘In het geheele jaar 1843 bijvoorbeeld’ schreef minister Baud aan de Koning, ‘is de handel tusschen Suriname en Curacao gedreven door twee vaartuigen, waarvan het ene drie, het andere slechts eenmaal de reis heeft gedaan’. De gezaghebber van Curaçao, R.F. baron van Raders, had zich in 1843 in een brief aan de minister van Koloniën tegen de onderschikking van de eilanden aan Suriname gekant, een toestand die elk initiatief tot economische ontplooiing smoorde. Bij bovengenoemd K.B. werd nu bepaald, dat de gezaghebber van Curaçao, wiens bestuur zich ook over de Bovenwinden zou uitstrekken, in rechtstreekse verbinding zou staan met het departement van Koloniën. In 1848 kwam het nieuwe regeringsreglement voor Curaçao en onderhorigheden, dat wil zeggen voor alle Nederlandse Antillen, tot stand (K.B. van 27 januari 1848 nr. 51). Hoogste gezagsdrager was de Gouverneur te Curaçao, die het bestuur uitoefende met een Koloniale Raad als adviserend lichaam naast zich. De leden van de raad (twee ambtenaren, vier ingezetenen) werden door de Koning benoemd. De andere eilanden werden onder het oppergezag van de Gouverneur bestuurd door gezaghebbers. Adviescommissies van twee ingezetenen, door de Gouverneur benoemd, werden hun toegevoegd.

Zoals reeds vermeld, heeft het tot 1865 geduurd eer een regeringsreglement voor de Nederlandse Antillen bij de wet tot stand kwam. Dit reglement is geënt op de Grondwet van 1848, hetgeen uit de indeling, het opnemen van grondrechten en dergelijke blijkt. Wetgeving en rechtspraak zouden, zoveel mogelijk overeenkomstig de in Nederland bestaande wetten, door koloniale verordeningen worden geregeld (art. 138). Invoering van de nieuwe wetgeving waarbij dus het oude Romeins-Hollandse recht verlaten werd - heeft te middernanacht tussen 30 april en 1 mei 1869 plaats gevonden.

In tegenstelling tot Suriname verkregen de Nederlandse Antillen geen door de inwoners te kiezen vertegenwoordiging. De Gouverneur was bekleed met de uitvoerende macht en werd bijgestaan door een adviserend college, de Raad van Bestuur. Deze raad bestond uit de Gouverneur als voorzitter, een ondervoorzitter (tot 1901 was dit de procureur-generaal) en drie door de Koning benoemde leden. Daarnaast werd een Koloniale Raad ingesteld, bestaande uit de Raad van Bestuur als vaste leden, en acht door de Koning benoemde leden die vier jaar zitting hadden. Bij de wijziging van het regeringsreglement in 1901 verdween de Raad van Bestuur uit de Koloniale Raad, de 13 leden werden voortaan voor vier jaar door de Koning benoemd. De Koloniale Raad beraadslaagde over de verordeningen door de Gouverneur aangeboden en had tevens het recht van initiatief en amendement. Hij kon de Gouverneur uitnodigen om wegens zaken, de kolonie betreffende, mondeling of schriftelijk inlichtingen aan hem te geven. Indien de Gouverneur zich met een beslissing van de Raad niet kon verenigen, moest hij daarvan aan de Koning en aan de Raad kennis geven. ‘In abstracto heeft de Kroon het recht den Gouverneur te bevelen, toch de verordening vast te stellen, doch het ligt voor de hand, dat dit eene voor het gezag van den Gouverneur gevaarlijke politiek zou zijn’. (H.W.C. Bordewijk in Encyclopedie Nederlands West- Indie). Overigens kon de regering in Den Haag alle zaken bij Koninklijk Besluit regelen. Maar de invloed van de Staten-Generaal van Nederland deed zich vooral bij de behandeling van de begroting voelen: wanneer er namelijk een tekort was (en dat was meestal het geval) moest de begroting bij de wet worden vastgesteld.

De afzonderlijke eilanden, behalve Curaçao, werden bestuurd door gezaghebbers, bijgestaan door twee landraden. De landraden werden door de stemgerechtigde ingezetenen voor vier jaar gekozen (op de kleinere eilanden werd het kiesrecht dus wel ingevoerd!). Samen met de gezaghebber maakten zij de Raad van Politie uit, die onder meer bevoegd was plaatselijke keuren te maken.

In 1936 kwamen ingevolge de grondwetswijziging van 1922 staatsregelingen voor Curaçao en Suriname tot stand, die op 1 april 1937 in werking traden. Curaçao verkreeg toen een vertegenwoordigend lichaam, de Staten van Curaçao, bestaande uit vijftien leden, waarvan er vijf door de Gouverneur werden benoemd en tien gekozen volgens een beperkt census- en capaciteitskiesrecht. (Voor namen van bestuurders, zie Geschiedenis: bestuurders; zie verder Staatsregeling).

 

Hoofdstuk 4: Literatuur

 

  • H.W.C, Bordewijk, Ontstaan en ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao (1911);
  • idem, Handelingen over de reglementen van Suriname en Curaçao (1914);
  • R. Bijlsma, Het oud archief van Curaçao en onderhoorige eilanden Bonaire en Aruba;
  • De oude archieven van St. Eustatius, St. Martin en Saba, in: Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven (1920, 1924);
  • Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indie (1917, 1981);
  • Groot Plackaetboeck en Groot Nederlandsch Placaatkundig Woordenboek;
  • G. J. van Grol, De Grondpolitiek in het West-Indische domein der Generaliteit (1934-1947, 3 din., 1980),
  • W.H. van Helsdingen, De Staatsregeling van de Nederlandse Antillen van 1955: Historische toelichting en praktijk (1956);
  • A.J.M. Kunst, Recht, commercie en kolonialisme in West-Indie vanaf de zestiende tot in de negentiende eeuw (1981);
  • Honderd jaar codificatie in de Nederlandse Antillen (1969);
  • J.A. Schiltkamp, Bestuur en rechtspraak in de Nederlandse Antillen ten tijde van de West-Indische Compagnie (1972);
  • J.Th. de Smidt, T. van der Lee en J. A. Schiltkamp (eds.), Publicaties en andere wetten alsmede de oudste resolutie betrekking hebbende op Curaçao, Aruba, Bonaire; 1638-1816 (2 dIn. 1978) (West-Indisch Plakaatboek 2);
  • J. Th. de Smidt en T. van der Lee (eds.), Publicaties en andere wetten betrekking hebbende op St. Maarten, St. Eustatius, Saba, 1648/1681-1816 (1979) (West-Indisch Plakaatboek 3).

 

@: Bestuur van de Nederlandse Antillen

in engere zin, de regering, de uitvoerende macht, behoort aan de Gouverneur onder verantwoordelijkheid van de minister(s). (art. 11, 12 en 37 Staatsregeling).

 

@: Bestuur van elk Eilandgebied

bestaat uit: de Eilandsraad, het Bestuurscollege en de gezaghebber (art. 3 ERNA). Het dagelijks bestuur wordt uitgeoefend door het Bestuurscollege bestaande uit de gezaghebber als lid-voorzitter en gedeputeerden.

 

@: Bethencourt, Agustin

(Santa Cruz de Tenerife 23 november 1826 - Curaçao 14 juni 1885) heeft gedurende zijn vijfentwintigjarig verblijf op Curaçao door zijn stimulerende en inspirerende persoonlijkheid een belangrijke bijdrage geleverd tot de beoefening van muziek en letterkunde, in het bijzonder door de oprichting in 1867 van de Uitgeverij-Drukkerij A. Bethencourt e Hijos waar werken van auteurs en componisten niet alleen uit Curaçao, maar ook uit de omliggende republieken - vooral uit Venezuela - het licht zagen. Van 1886-1888 werd bij de door hem opgerichte drukkerij het literaire blad Notas y Letras gedrukt. Uit het Boletin de la Libreria de Agustin Bethencourt (14-daags, 1879-1897) kwam de Diario del Comercio (1897-1908) voort en vervolgens het Boletin Comercial (1908-1951), als oudste dagblad van Curaçao.

Als amateur-cellist was hij lid van het eerste strijkkwartet dat op Curaçao werd gevormd. Bethencourt was tevens initiatiefnemer tot de oprichting van Curaçao’s eerste symphonie-orkest ‘Harmonie’ (1879). Zijn boekhandel importeerde ook muziek en instrumenten, waarbij de eigenaar zich vaak meer liet leiden door didactische dan door commerciële overwegingen. (Zie @: Letterkunde; @: Pers.)

Literatuur:

  • R. Boskaljon, Honderd jaar muziekleven op Curaçao (1958);
  • Corona funebre a la memoria de Agustin Bethencourt (1886);
  • J. Hartog, Journalistiek leven in Curaçao (1944).

 

@: Beth Haim

Oude Joodse begraafplaats op Curaçao binnen bij herhaling vernieuwde ommuring aan de noordwestzijde van het Schottegat, ingewijd ca. 1656 in het toen dusgenaamde Joodse Quartier, thans ingeklemd tussen de aan de Shell Curaçao N.V. behorende voormalige plantages Bleinheim, De Hoop en Gasparitu, door uitleg in 1726, 1750, 1800, 1822 en 1879 vergroot tot ruim 1 ha. Beth Haim was tot de stichting van een afzonderlijke begraafplaats in 1864 voor de Nederlands Hervormde Israëlitische Gemeente de enige Joodse begraafplaats ter plaatse, in 1880 opgeh¬ven voor een naast deze laatste gelegen begraafplaats op de Berg Altena. De begraafplaats geniet een grote vermaardheid door de vele nog aanwezige gebeeldhouwde marmeren of hardstenen grafzerken, die meestal in Amsterdam besteld, doch sinds begin 19de eeuw ook ter plaatse vervaardigd of uit Genua betrokken werden. De oudste nog bestaande grafsteen is van leudith Nunes Da Fonseca, gedateerd 1668 (of misschien 1662). Er zijn op deze historische dodenakker meer dan 5000 graven, waarvan sommige zijn voorzien van matsevoth (grafstenen), die zeldzame en fraaie voorbeelden vormen van grafbouwkunst (typerend voor, Sefardisch-Joodse begraafplaatsen) met vaak Bijbelse taferelen, ingegeven door de naam van de overledene.

Daar de zwavelhoudende rook van de nabijgelegen olieraffinaderij zeer schadelijk op tal van figuratieve zerken inwerkt, heeft de Stichting Monumentenzorg Curaçao in de afgelopen jaren van een aantal der voornaamste afgietsels laten maken door de architect S. Alexenko. (Zie ook @: Begraafplaats, Israëlitische).

Literatuur:

  • I.S. Emmanuel, Precious Stones of the Jews of Curaçao, Curaçaon Jewry 1656-1957 (1957);
  • M. D. Ozinga" De monumenten van Curaçao in woord en beeld (1959);
  • Verslagen der Stichting Monumentenzorg Curaçao.

 

@: Beth Israël

zie @: Joodse gemeenten: Aruba.

 

@: Beurs- en Nieuwsberichten

zie @: Pers.

 

@: Bevolking Nederlandse Antillen

Inhoudsopgave:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Registratie en publikatie van de gegevens

Hoofdstuk 3: Bevolkingstal en –groei

Hoofdstuk 4: Natuurlijke bevolkingsgroei

Hoofdstuk 5: Migratie

Sectie 1: Inleidende notities / definities migratie

Sectie 2: Buitenlandse migratie of Immigratie

Sectie 3: Binnenlandse of interinsulaire migratie

Sectie 4: Migratie op de Bovenwindse eilanden

Sectie 5: Migratie Bonaire

Sectie 6: Forensisme op Aruba en Curaçao

Sectie 7: Enige aantekeningen bevolkingsspreiding Bonaire / Bovenwinden

Hoofdstuk 6: Samenstelling en leeftijdsopbouw van de bevolking

Sectie 8: Samenstelling

Sectie 9: Leeftijdsopbouw

Sectie 10: Gemiddelde en mediane leeftijd

Sectie 11: Getalsmatige verhouding tussen de seksen: vrouwen- of mannenoverschot

Sectie 12: Bevolkingspiramiden

Sectie 13: Burgerlijke staat

Sectie 14: Beroepsbevolking

Sectie 15: Beroepsbevolking en pensioengerechtigde leeftijd

Hoofdstuk 7: Literatuur

 

Nu volgt de behandeling van het onderwerp:

Bevolking Ned. Antillen: Hoofdstuk 1: Inleiding

De omvang en de samenstelling van de bevolking van de Nederlandse Antillen wordt vastgelegd door de bevolkingsregisters en de registers van de burgerlijke stand, die in ieder eilandgebied aanwezig zijn.

 

Bevolking Ned. Antillen: Hoofdstuk 2: Registratie en publikatie van de gegevens

Publikaties omtrent de stand en loop van de bevolking vinden plaats door de eilandgebieden in hun jaarlijkse eilandsverslagen en in de periodieke uitgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek (C.B.S.) o.a. het jaarlijks verschijnende Statistisch Jaarboek Nederlandse Antillen en de maandelijkse Statistische Mededelingen Nederlandse Antillen. Ter côntrôle en aanvulling van de aldus verzamelde gegevens worden volkstellingen gehouden. In de 20ste eeuw geschiedde dit in de Nederlandse Antillen viermaal, namelijk in 1930, in 1960, in 1972 en in 1981. De volkstelling 1930 werd tegelijkertijd in het gehele gebied van de Nederlandse Antillen georganiseerd, die van 1960 werd op een verschillend tijdstip door twee verschillende instanties in verschillende gebieden van de Nederlandse Antillen uitgevoerd. Mede door afwijkingen in opzet en methodiek zijn de uitkomsten van de onderzoeksdata van 1930 en 1960 niet volledig met elkaar vergelijkbaar. Het is de intentie om - conform de richtlijnen van de United Nations - in het begin van ieder decennium door het C.B.S. een volkstelling te laten uitvoeren voor het grondgebied van de Nederlandse Antillen.

De bevolkingsregisters van de zes eilanden geven samen een bevolkingstotaal van 253.334 mensen per ultimo 1980, terwijl de volkstelling van 1 februari 1981 aan een totaal van 231.932 komt. Dit betekent dat er een verschil van 21.402 personen blijft bestaan tussen bevolkingsregisters en Census 1981. De registratie vertoont fouten wanneer mensen van of naar een bepaald eiland verhuizen zonder zich in het bevolkingsregister te laten in- of uitschrijven. Omdat in de Nederlandse Antillen voor water-, gas- en elektriciteitsaansluitingen een uittreksel uit het bevolkingsre¬gister nodig is, is de kans dat mensen die zich op een bepaald eiland vestigen zich niet laten inschrijven, vrij klein. Dit geldt echter niet voor het uitschrijven; tijdens de volkstelling werd vele malen geconstateerd dat mensen die volgens het bevolkingsregister op een bepaald adres woonden al geruime tijd het eiland hadden verlaten.

Wanneer personen naar een ander eiland van de Nederlandse Antillen vertrekken zonder zich te laten uitschrijven, terwijl ze zich op het eiland van vestiging wel laten inschrijven, dan is het gevolg dat ze op twee eilanden in het bevolkingsregister voorkomen. In de census worden ze natuurlijk maar één keer geteld. Een andere consequentie is dat ze voor de Nederlandse Antillen als totaal als immigrant gezien worden. Immers normaal gesproken staat bij interne migratie een vertrek op het ene eiland tegenover een vestiging op het andere eiland zodat het saldo niet beïnvloed wordt. In het bovengenoemde geval is er alleen maar een vestiging zodat het saldo ook een vestiging te zien geeft en de bevolking dus te groot wordt. Hetzelfde is het geval wanneer mensen naar het buitenland vertrekken zonder zich in de Nederlandse Antillen te laten uitschrijven. Dit laatste is vooral van belang voor Nederlanders die niet in de Nederlandse Antillen geboren zijn,omdat zij na een verblijf van tien jaar in de Antillen de status van Antilliaan krijgen en als zodanig geen verblijfsvergunning meer nodig hebben. Het verschijnsel overregistratie in de bevolkingsregisters blijkt echter niet tot deze groep beperkt te zijn.

Vergelijking van de uitkomsten van de volkstellingen alsmede van de overige bevolkingsregistraties geven de mogelijkheid zich een indruk te vormen van de numerieke verschuivingen die zich binnen de bevolking gedurende kortere of langere tijd hebben voltrokken. (Voor de etnische samenstelling zie Nederlandse Antillen).

 

Bevolking Ned. Antillen: Hoofdstuk 3: Bevolkingstal en –groei

Per 1 februari 1981 bedroeg het aantal inwoners van de Nederlandse Antillen 112.148 mannen en 119.784 vrouwen, in totaal 231.932 personen; deze bevolking was als volgt over de verschillende eilanden verdeeld: Curaçao 147.388, Aruba 60.312, Bonaire 8.753, St. Maarten 13.156, St. Eustatius 1.358 en Saba 965 inwoners. Gerelateerd aan de oppervlakte geeft dit een bevolkingsdichtheid van 233 inwoners per km(2) in de gehele Nederlandse Antillen, en voor ieder eiland afzonderlijk als volgt. Curacao 332, Aruba 312, Bonaire 30, Sint Maarten 356, Sint Eustatius 65 en Saba 74 inwoners per km(2) (gegevens met betrekking tot de oppervlakte van de eilanden, ontleend aan o.a. het Statistisch Jaarboek).

In de periode 1920-1981 is de bevolking van het land toegenomen van 53.702 tot 231.932 inwoners; een tabel toont deze toename voor wat betreft de laatstgenoemde periode in tienjaarlijkse tijdvakken en laat tevens duidelijk zien dat ze overwegend op rekening gesteld moet worden van de eilanden Curaçao, Aruba en St. Maarten. Bij een vergelijking vande bevolkingsgroei van de Nederlandse Antillen in de periode 1920-1981 met die van Curaçao en Aruba over hetzelfde tijdsbestek, blijkt dat de Nederlandse Antillen in hun geheel een groeicijfer vertonen van 332% en Curaçao van 350%. De bevolkingsgroei van Aruba in dezelfde periode komt daar ver bovenuit namelijk 630%. Opmerkelijk is te noemen de bevolkingsgroei van St. Maarten in de afgelopen twee decennia: In 1960 telde St. Maarten 2.728 inwoners terwijl in 1981 dit aantal gestegen was tot 13.156, een groeicijfer in 21 jaar van 382%! Een vergelijking van het aandeel van de Curaçaosche, Arubaanse en St. Maartense bevolking in het bevolkingstotaal 1981 met die van het jaar 1920, laat zien, dat dit aandeel van 81% tot 95% gestegen is. Curaçao alleen herbergt per 1981 ongeveer 64% van de totale bevolking van de Nederlandse Antillen.

 

Bevolking Ned. Antillen: Hoofdstuk 4: Natuurlijke bevolkingsgroei

De toename van de Antilliaanse bevolking is tot stand gekomen door enerzijds de natuurlijke groei of het geboortenoverschot, dat is het verschil tussen het geboortecijfer en het sterftecijfer, anderzijds door een positief

saldo of vestigingsoverschot gedurende een groot aantal jaren. Het is duidelijk dat bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een geboortenoverschot kan toenemen door een verhoging van het geboortencijfer (d.i. het aantal levendgeborenen per jaar per duizend van de gemiddelde bevolking) dan wel door een verlaging van het sterftecijfer (eveneens uitgedrukt in promillages van de gemiddelde bevolking per jaar). Sinds 1926 was het geboortencijfer constant hoger dan 30; zij  heeft pas vanaf 1965 een duidelijk dalend verloop (in 1981 was het geboortencijfer in de Nederlandse Antillen - exclusief de Bovenwinden 19,7%o).

Deze nataliteit heeft inmiddels bijna het peil bereikt van de ontwikkelde landen. Dit in tegenstelling tot de geboortencijfers van Midden- en Zuid-Amerika die in het algemeen boven de 25%o  liggen. Beter dan door het bruto geboortecijfer wordt het geboortenniveau uitgedrukt door het algemeen vruchtbaarheidscijfer, waaronder men verstaat het aantal levendgeborenen per jaar per duizend vrouwen van 15 t/m 49 jaar. De tabel hierover, ontleend,aan de volkstelling 1981, geeft een vergelijking van het Antilliaanse vruchtbaarheidscijfer met dat van enkele andere landen. De overeenkomst met de omliggende gebieden wordt nog duidelijker wanneer de niet in de Nederlandse Antillen geboren vrouwen bij de berekening van het vruchtbaarheidscijfer buiten beschouwing worden gelaten. In 1960 blijkt dit cijfer voor Curaçao dan 188 per duizend te zijn.

Inmiddels is het algemeen vruchtbaarheidscijfer in de Nederlandse Antillen de laatste jaren sterk gedaald. Was dit in 1965 nog 131, in 1981 is dit gedaald tot 69,1 (dit laatste cijfer exclusief de Bovenwinden). De nataliteit blijkt dus te verminderen. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door moeilijkheden op economisch gebied, resulterend in de sterk teruggelopen werkgelegenheid, maar ook andere factoren, als bijvoorbeeld de algemene stijging van de levensstandaard en veranderende inzichten op het gebied van de gezinsgrootte, spelen hierbij een rol. Al lang bestaat bijvoorbeeld op Curaçao de Fundashon Famia Planea (Stichting tot Bevordering van Verantwoord Ouderschap), waarin vertegenwoordigers van de overheid en van de voornaamste levensbeschouwelijke richtingen zitting hebben. Dit alles wijst op veranderingen die in het geboortenklimaat gaande zijn. Men mag aannemen dat de daling van het bruto geboortencijfer zich in de toekomst verder tot het peil van de westerse landen zal voortzetten.

Een ander fenomeen die zich op dit vlak voordoet is dat van de "wettigheid" van de geboorten met referentie naar het al dan niet in een huwelijk geboren worden van kinderen. Het aantal onwettige of buitenhuwelijk geboren kinderen in de Nederlandse Antillen is hoog. Verschillende schrijvers wijzen in dit verband op de samenhang tussen het relatief hoge aantal illegitieme geboorten en de aanwezigheid van huwelijksvormen en -normen in de Antilliaanse samenleving welke van die van de westerse wereld afwijken. Opmerkelijk is dat het percentage onwettig geboren kinderen in de periode 1940-1950 op Curaçao en Aruba een dalende lijn vertoont, maar daarna weer stijgt. Momenteel (1982) valt zelfs te constateren dat 48% van de levendgeborenen op Curaçao onwettige kinderen zijn.

Het sterftecijfer in de Nederlandse Antillen vertoonde tot 1926 sterke schommelingen; sinds dat jaar trad een sterke doorgaande daling op en sedert 1953 ligt het rond de 5%o (promille). Hiermee behoren de sterftecijfers in de Nederlandse Antillen tot de laagste ter wereld. Nu is het zogenaamde brutosterftecijfer een vrij gebrekkige indicatie voor de werkelijke stand van de mortaliteit van een bevolking op zeker moment. Er bestaan daarom verscheidene correctiemethoden die een zuiverder beeld van de mortaliteit verschaffen; in dit bestek kan hierop niet nader worden ingegaan.

Volstaan moge worden met te wijzen op het jeugdig karakter van de Antilliaanse bevolking tien jaar geleden. Dit is momenteel duidelijk aan het veranderen (in 1972 was 38,0% van de Nederlands-Antilliaanse bevolking tussen 0-14 jaar, terwijl dit in 1981 nog slechts 28,8% was). Hierdoor ligt het in de lijn van de verwachting dat in de toekomst het sterftecijfer een duidelijke stijgende tendens zal gaan vertonen

In 1971 was het gemiddelde sterftecijfer van de Benedenwinden 5,6%o. Per eiland bekeken was dit op Bonaire veruit het hoogst en wel een promillage van 7,9; scherp in vergelijking met een promillage op Curaçao van 5,7 en op Aruba van 5,3. Het hoge karakter van het Bonairiaanse sterftecijfer heeft duidelijk te maken met een hoger percentage ouderen binnen de bevolking. Hieronder zal nader op de oorzaken van de bevolkingsopbouw van de Antilliaanse bevolking worden ingegaan.

Uiteraard zijn de lage sterftecijfers mede een gevolg van de aanzienlijk verbeterde sociaal-hygiënische en medische voorzieningen gedurende de afgelopen halve eeuw, met name op Curaçao en Aruba (zie @: Geneeskunde). De zuigelingensterfte op Curaçao daalde in het tijdvak 1935-1981 van ruim 12% tot 1,2% van het aantal levendgeborenen per jaar (in de V.S. was dit in 1977 1,6%). De Curacaosche cijfer is voor deze (Caribische) regio uitzonderlijk laag. Ook het aantal doodgeborenen is zeer gering en bedraagt thans 1,9% van het aantal geboorten. Samenvattend kan vastgesteld worden dat de lage mortaliteit in de Nederlandse Antillen allereerst moet worden toegeschreven aan het nog steeds relatief jeugdig karakter van de bevolking, voorts dat de volksgezondheid door tal van maatregelen duidelijk gunstig is beïnvloed en tenslotte dat er tussen de eilanden vrij aanzienlijke verschillen in het algemeen sterftecijfer zijn aan te wijzen. Het gebruik van leeftijdsspecifieke sterftecijfers, waardoor de sterfte per leeftijdsklasse wordt uitgesplitst, maakt deze verschillen kleiner.

Het geboorteoverschot maakt in eerste instantie een tegenovergestelde ontwikkeling door. Bedroeg het geboortenoverschot van de Antilliaanse bevolking in het jaar 1926 ca. 3 pro mille, sindsdien is het met sprongen toegenomen, hoofdzakelijk als gevolg van de snel afnemende sterftecijfers. Sedert ongeveer 1950 lag het geboortenoverschot rond de 30 pro mille, om na 1960 ten gevolge van de daling in de geboortencijfers af te nemen tot 22,2 pro mille in 1965. In 1972 bedroeg het geboortenoverschot 18%o, terwijl in 1981 dit verder gedaald is tot 14,1%o. De natuurlijke groei van de bevolking van de Benedenwindse Eilanden is het kleinst op Bonaire, hij bedraagt hier 10,6 promille. Aruba volgt methet op één na laagste geboortecijfer van de Benedenwindse Eilanden: 12,1%o. Curaçao vertoont de sterkste natuurlijke groei met een geboorteoverschot van 14,9 pro mille. Te verwachten wijzigingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking waardoor het sterftecijfer al wat stijgende is, gevoegd bij de voortgaande daling in het geboortencijfer maken het aannemelijk dat de vertraging in de natuurlijke groei van de Antilliaanse bevolking zich in de toekomst in versterkte mate zal voortzetten.

 

Bevolking Ned. Antillen: Hoofdstuk 5: Migratie

  • Sectie 1: Inleidende notities / definities migratie

In het voorgaande werd de betekenis van de geboorten- en sterftecijfers belicht; van niet minder belang zowel voor de toeneming als voor de samenstelling van de huidige Antilliaanse bevolking is het verschijnsel van de migratie. De betekenis hiervan blijkt o.a. uit de volgende gegevens welke ontleend werden aan de volkstelling van 1981. In dat jaar was 14,4% van de bevolking van Curaçao niet op dat eiland geboren, op Aruba was 18,5% van elders geboortig. Het aantal vreemdelingen op de Bovenwinden bedroeg 35,7%, hoofdzakelijk afkomstig van de omliggende Caribische eilanden en van het Franse deel van Sint Maarten. De bevolkingssamenstelling van Sint Maarten is ook opmerkelijk vanwege het feit, dat slechts 41 % van de bevolking bestaat uit aldaar geboren Nederlands-Antillianen.

Het begrip migratie dat in het algemeen vestiging in, of vertrek uit een bepaald woongebied inhoudt, dient ter wille van de bruikbaarheid nader omschreven te worden. Men spreekt van externe of buitenlandse migratie wanneer het gaat om vestiging van personen vanuit het buitenland in de Nederlandse Antillen (immigratie), dan wel om vertrek van personen uit de Nederlandse Antillen teneinde zich in het buitenland te vestigen (emigratie). Daarnaast bestaat een niet minder belangrijke beweging van vestiging en vertrek tussen de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen, welke wordt aangeduid met de term interne of binnenlandse migratie. Zowel buitenlandse als binnenlandse migratie worden bijgehouden door de bevolkingsregistraties op de verschillende eilanden. Verhuizingen binnen de grenzen van een eiland hebben geen in- of uitschrijvingen in het bevolkingsregister ten gevolge en worden dus niet als migratie aangemerkt.

 

  • Sectie 2: Buitenlandse migratie of Immigratie

De buitenlandse migratie in de Nederlandse Antillen vertoonde in de jaren vóór de vestiging van de grote aardolieraffinaderijen op Curaçao en Aruba een overwegend negatief beeld. De weinig rooskleurige economische omstandigheden van die dagen noodzaakten vele eilandbewoners, met name van Curaçao en Aruba, te trachten elders in hun levensonderhoud en dat van hun - al dan niet achterblijvend - gezin te voorzien. Het ging dan weliswaar lang niet altijd om blijvende vestiging in het buitenland maar in jaren dat de eigen oogst ongunstig uitviel, en dat waren er vele, lokten in de oogsttijd de suikervelden op Cuba en andere eilanden, of de plantages in Venezuela en Colombia. Vanuit de Bovenwinden was de trek vooral naar het noorden, o.a. naar de Verenigde Staten, gericht. Vrij veel Sabaanse mannen bijvoorbeeld monsterden als schepeling op Amerikaanse koopvaardijschepen, sommige van hen brachten het zelfs tot stuurman of kapitein.

Het is vanzelfsprekend niet zo dat deze toestand met de vestiging van de Shell-raffinaderij op Curaçao in 1916 op slag veranderde. Door de oorlogsomstandigheden konden de werkzaamheden trouwens pas na 1918 goed op gang komen. Tot het jaar 1921 bestond er nog een vertrekoverschot op Curaçao maar van het jaar 1922 af verandert dit in een vestigingsoverschot. Het keerpunt voor Aruba ligt in het jaar 1926 toen zich op dit eiland de Lago Oil and Transport Company vestigde. Het grote landelijke vertrekoverschot van 1931 weerspiegelt de algemene wereldcrisis van die dagen, waarvan het effect nog versterkt werd door de beëindiging van de eerste opbouwfase in de olie-industrieën. Het is bovendien niet onwaarschijnlijk dat hier een corrigerende invloed aanwezig is van de volkstelling 1930, waardoor onjuistheden in de bevolkingsboekhouding van de Nederlandse Antillen op rekening van het jaar 1931 zijn weggewerkt. Het landelijk migratiesaldo blijft vervolgens positief tot 1950, waarbij de oorlogsomstandigheden met hun voorspel en nawerking het beeld nogal ‘springerig’ maken. In 1953 zet een definitieve teruggang in, gevolg van de snelle inkrimping van de werkgelegenheid in de aardolie-industrie door automatisering en verdere rationalisering van het produktieproces, zonder dat van vervangende werkgelegenheid vooralsnog sprake is. Het zijn allereerst de vele buitenlandse arbeiders die dan bijdragen tot het vertreksaldo, in veel mindere mate en op een veel later tijdstip gevolgd door emigrerende Nederlands-Antillianen.

Gedurende een dertigtal jaren vormden Curaçao en Aruba aldus krachtige aantrekkingsgebieden (concentratiegebieden) voor buitenlandse arbeidskrachten. Daarbij moet niet uitsluitend gedacht worden aan de directe werkgelegenheid die het gevolg is van een stijgende economische conjunctuur en de daarmee gepaard gaande toenemende koopkracht. Belangrijk in dit opzicht waren ook de vele uitbreidingen in de verschillende overheidsdiensten en bij het onderwijs, waarvoor aanvankelijk in grote mate een beroep moest worden gedaan op buitenlandse (voornamelijk Nederlandse en Surinaamse) deskundigen.

Een derde deel van de gezamenlijke bevolking van deze eilanden bestond volgens de tabel Bevolking naar nationaliteit (1947) uit niet-Antillianen; op Curaçao bedroeg het aandeel van de buitenlanders in de bevolking 26%, op Aruba zelfs 44%. De grootste groep niet-Antillianen op dit eiland werd destijds gevormd door personen met een Engelse nationaliteit; deze waren in hoofdzaak afkomstig van de toenmalige Brits West-Indische eilanden en van (Brits) Guyana. In de volksmond werden ze allen bidgie genoemd (met de eerste "i" van wip en een samentrekking tussen de "d" en de "g" naar een "ch" klank toe) op grond van de Engelse uitspraak van de beginletters van Brits Guyana. Hun aantal werd op Curaçao overtroffen door dat van de Europese Nederlanders; dit ligt voor de hand daar de Shell-raffinaderij vele Europese Nederlanders als employés in dienst had. Bovendien werden vele Europese Nederlanders aangewezen om werkzaam te zijn als midden- en hoger kaderpersoneel in welhaast alle sectoren van de zich snel ontwikkelende Antilliaanse samenleving. Viel de grote instroming van de Europese Nederlanders vooral na de Tweede Wereldoorlog, die van de Surinaamse Nederlanders begon reeds voor 1940, om rond de 1950er jaren geleidelijk tot stilstand te komen.

Vele Surinamers zijn thans reeds tientallen jaren in de Nederlandse Antillen gevestigd en vooral de tweede generatie is geheel met land en volk vergroeid. Meer dan de Europese Nederlander is de Surinamer een ‘blijver’ in de Antilliaanse samenleving.

De Portugezen op Curaçao waren vooral werkzaam als arbeiders in de olie-industrie; het overgrote deel van hen liet zijn gezin achter en verbleef op het eiland met de vooropgezette bedoeling na verloop van tijd weer terug te keren naar Madeira of de Azoren. De tijdelijkheid van hun aanwezigheid toen werd onderstreept door de huisvesting in een speciaal kamp in de wijk Suffisant.

In de laatste twee oorlogsjaren kwam er een nieuwe immigratiegolf van Portugezen, van wie velen zich blijvend hebben gevestigd. Momenteel spelen de Portugezen een vrij belangrijke rol in o.m. de levensmiddelendetailhandel en de tuinbouw. Ook deze groep kan als ‘blijvers’ worden beschouwd.

Het grote aandeel van de Noord-Amerikanen in de buitenlandse bevolking van Aruba was uiteraard een gevolg van de aanwezigheid van de Lago-raffinaderij.

Uit de tabel Bevolking naar nationaliteit (1947) blijkt duidelijk de aanzienlijke Europees-Surinaamse component in de niet-Antilliaanse bevolking van Curaçao, tegenover de omvangrijke Amerikaans-Engelse instroming op Aruba; eveneens de grotere aantrekkingskracht van Aruba als vestigingsplaats voor Zuid-Amerikanen. Onder het hoofd overige nationaliteiten worden aangetroffen personen uit de meest uiteenlopende gebieden van de aarde, samengestroomd om op enigerlei wijze een plaats te bezetten in het toentertijd expanderende produktieapparaat van de Nederlandse Antillen. Men registreerde meer dan veertig nationaliteiten zowel op Curaçao als op Aruba. Hieronder bevonden zich o.m. de vooral sinds de 1930ger jaren geïmmigreerde, overwegend van Roemeense afkomst zijnde Ashkenazische Joden, niet te verwarren met de oude joods-Curaçaosche families van Zuid-Europese herkomst. Vindt men de laatste groep vooral in de grote, vanouds gevestigde zakenwereld, eerstgenoemden legden zich vooral toe op de detailhandel, die zij - aanvankelijk klein begonnen - dikwijls tot bloeiende zaken wisten uit te bouwen. Tot de kringen van de handeldrijvende middenstand en winkeliers behoren voorts o.a. Syriërs, Libanezen, Indiërs en Chinezen.

Het jaar 1953 betekende, zoals boven reeds is vermeld, een keerpunt in de migratie: het verzadigingspunt was bereikt en zelfs verkeerden de beide eilanden Curaçao en Aruba in zogenaamde afstotingsgebieden (expulsiegebieden) met een sindsdien bijna constant negatief migratiesaldo, waardoor het landelijk migratiebeeld vrijwel volkomen wordt bepaald. Vanaf ongeveer 1965 tot het begin van de 1980er jaren ontstaat er ook een geleidelijk toenemende emigratie naar Nederland onder invloed van de verslechterende economische situatie in de Nederlandse Antillen en betere mogelijkheden tot arbeidsontplooiing in Nederland. Anno 1983 was het aantal Antillianen in Nederland 34.900. De tabel Bevolking van Aruba en Curaçao naar nationaliteit (per 31 december 1966 en per 1 februari 1981) geeft een overzicht van het aantal buitenlanders in die jaren. Het aandeel van de niet-Antillianen in de gezamenlijke bevolking van Curaçao en Aruba is nu teruggelopen tot minder dan 1,9 deel; het aantal niet-Antillianen op Curaçao bedroeg in 1981 nog slechts 10%, op Aruba ca. 12% van de bevolking. Er is dus duidelijk een daling te zien van het aantal mensen met de Nederlandse nationaliteit niet op de Antillen geboren en ook van het aantal vreemdelingen. De daling van het aantal niet-Antillianen op Curaçao en Aruba in de laatste decennia is vooral veroorzaakt door verdergaande rationalisering binnen de aardolieverwerkende industrie (en hiermee deels samenhangend de grote groei van de werkloosheid vooral op Curaçao) en door het Antillianiseringsproces.

Uit de tabel Geboortenoverschot en migratiesaldo Nederlandse Antillen 1920-1981 blijkt de grote betekenis die aan de buitenlandse migratie moet worden toegekend met betrekking tot de groeisnelheid van de bevolking in de Nederlandse Antillen; de samenhang tussen beide is evident. 

 

  • Sectie 3: Binnenlandse of interinsulaire migratie

De binnenlandse migratie - dat wil dus hier zeggen: de interinsulaire migratie binnen de Nederlandse Antillen - is evenals de buitenlandse migratie in de afgelopen 60 jaar geactiveerd door de industriële ontwikkeling van Curaçao en Aruba. De recente toeristische ontwikkeling van St. Maarten drukt haar stempel op het migratiebeeld.

Het ligt voor de hand dat na de vestiging van de olieraffinaderijen op deze eilanden een krachtige toestroming vanuit de minder bedeelde gebieden van de Nederlandse Antillen plaatsvond. De betekenis van de binnenlandse migratie naar Curaçao en Aruba blijkt o.a. uit een in 1954 op Aruba door Tjon Sie Fat ondernomen telling, die uitwees, dat het aantal kiesgerechtigde Bovenwinders op Aruba groter was dan het totaal aantal personen boven de 20 jaar op de Bovenwinden zelf. Voorts bleek uit de volkstelling van 1960 dat van de totale bevolking van Curaçao ruim 5500 personen, dit is 4.5% van de toenmalige eilandbevolking, was geboren op Bonaire of op de Bovenwinden. Zuiver kwantitatief vormde de binnenlandse migratie slechts een bescheiden onderdeel van de totale migratie. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat in de periode 1920-1960 slechts 13% van de totale mobiliteit (dit is het totaalcijfer van vestiging plus vertrek) in de Nederlandse Antillen voor rekening kwam van Bonaire en de Bovenwinden. Dit neemt overigens niet weg dat in vele andere opzichten de binnenlandse migratie wel degelijk van grote betekenis was: als voorbeeld diene de geringe omvang van de Bonairiaanse en Bovenwindse bevolking, waardoor deze qua aantal en samenstelling zeer sterk door de migratie werd beïnvloed, aan de achteruitgang van de agrarische sector op deze eilanden door het wegtrekken van een belangrijk deel van de mannelijke beroepsbevolking, en voorts - niet minder belangrijk - aan het doorbreken van het ruimtelijk en sociaal isolement van de eilanden.

Uiteraard dient bij de binnenlandse migratie eveneens gedacht te worden aan de wederkerige vestiging op en vertrek van Curaçao en Aruba; in demografisch opzicht is de migratiestroom tussen Bonaire en de Bovenwinden enerzijds, en Curaçao en Aruba anderzijds echter veel belangrijker geweest.

Het is mogelijk om twee perioden in dit migratieverloop te onderscheiden, namelijk de eerste periode van 1920-1960, gekenmerkt door een sterke maar na 1950 verminderde aantrekking van Curaçao en Aruba; de tweede periode, na 1960, wordt gekenmerkt door afstoting van Curaçao en Aruba met gelijktijdige remigratie naar Bonaire en vooral naar de Bovenwinden, met name Sint Maarten, onder invloed van de sterke opbloei binnen de toeristensector de afgelopen vijftien jaar.

Reeds werd opgemerkt dat het jaar 1953, dat voor de totale migratie in de Nederlandse Antillen een keerpunt betekende, dit nog niet was ten aanzien van de binnenlandse migratie. De afvloeiing van buitenlandse arbeidskrachten werkte voorlopig als een buffer voor de Antilliaanse migranten.

 

  • Sectie 4: Migratie op de Bovenwindse eilanden

Pas sinds 1960 is er in mindere mate op Bonaire dan op de Bovenwinden sprake van een voortdurend jaarlijks vestigingsoverschot, veroorzaakt door remigratie vanuit Curaçao en Aruba. Het meer recente vestigingsoverschot op de Bovenwinden komt totaal voor rekening van St. Maarten ten gevolge van de sterke uitbreiding van de toeristische ontwikkeling. 
 

Bij nadere beschouwing van de eerste periode vertoont het migratiesaldo van de Bovenwinden tussen 1920 en 1929 een negatief beeld, was gedurende enkele daarop volgende jaren positief (wereldcrisis!) en vervolgens tot 1950 weer uitgesproken negatief. Daarna is het vertrekoverschot van de Bovenwinden onbetekenend klein tot het na 1960 omslaat in een vestigingsoverschot. Dit bedraagt in dat jaar het betrekkelijk hoge aantal van 1358 personen; vermoedelijk gaat het hier gedeeltelijk om personen die reeds langer op de Bovenwinden gevestigd waren, maar van wie het bestaan administratief pas bekend werd door de volkstelling 1960.

Het totale vertrekoverschot van de Bovenwinden in de periode 1920-1950 bedroeg 3590 personen, van 1920 tot 1960 2946 personen. Het waren overwegend personen in de produktieve leeftijdsklassen die van de eilanden wegtrokken, waardoor belangrijke verschuivingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking optraden: relatief werden immers de oudere leeftijdsklassen zwaarder bezet. Hierdoor werd het sterftecijfer van de Bovenwinden in ongunstige zin beïnvloed.

Op een merkwaardige omstandigheid moet hier nog de aandacht worden gevestigd. Het bleek namelijk dat gedurende een aantal jaren de Bovenwinden, die zelf zo sterk de aantrekking van Curaçao en Aruba ondergingen, op hun beurt concentratiepunten werden voor nabijgelegen buitenlandse eilanden. De reden van de - dikwijls illegale - vestiging was gelegen in de omstandigheid dat de Bovenwinden meedeelden in de welvaart van de ‘olie-eilanden’ en daardoor voor de omliggende armere gebieden aantrekkelijke vestigingsplaatsen werden. De geldmiddelen van de overheid namen immers aanzienlijk toe, waarvan ook de Bovenwinden profiteerden (denk aan openbare werken, sociale voorzieningen, enz.), terwijl ook privé de welstand toenam o.a. als gevolg van de zogenaamde ‘postwisselindustrie’, d.w.z. de regelmatige geldovermakingen van Bovenwinders op Curaçao en Aruba naar familieleden op het geboorte-eiland, waardoor jaarlijks grote bedragen naar de Bovenwinden toevloeiden. In 1960 bedroeg het aantal vreemdelingen op Saba 4% van de bevolking, op Sint Eustatius 13% en op Sint Maarten zelfs 39%. Volgens de gegevens van de Census 1981 blijkt het percentage vreemdelingen op St. Maarten gelijk gebleven te zijn. Er zijn echter sterke vermoedens dat het aantal vreemdelingen in werkelijkheid beduidend hoger moet zijn. Dit als gevolg van het toegenomen aantal illegalen onder de vreemdelingen. De verklaring voor de mogelijke stijging van het percentage illegalen is te vinden in het feit dat de behoefte aan laaggeschoolden in een korte tijd sterk is gestegen. Door het kleine en niet altijd even efficiënt werkend overheidsapparaat, zowel voor wat betreft de registratie als ook de naleving van bepalingen op het gebied van de arbeidsmarkt en de immigratie, is het fenomeen van de illegaliteit sterk toegenomen.

 

  • Sectie 5: Migratie Bonaire

Voor het eiland Bonaire gold tot 1960 in grote lijnen (met uitzondering van hetgeen hierboven geschreven werd omtrent de instroming van de vreemdelingen) hetzelfde als voor de Bovenwinden. Het vertrekoverschot was op dit eiland het grootst in 1926 toen ca. 2000 personen Bonaire verlieten, een aantal dat zich sindsdien nimmer meer heeft voorgedaan. Het totale vertrekoverschot van Bonaire in de periode 1920-1960 bedroeg 5655 personen. Het is duidelijk dat ook hier de gevolgen voor de leeftijdsopbouw en de samenstelling van de bevolking groot waren. Het grootste deel van de Bonairiaanse migranten trok naar Curaçao, terwijl de van huis uit Engelssprekende Bovenwinders zich overwegend op Aruba vestigden, waar de voertaal in de olie-industrie Engels is. In de 1960ger jaren vond een zeer sterke groei van de bevolking in Bonaire plaats waarbij de re-immigratie een belangrijke factor vormde terwijl in de 1970ger jaren de bevolking zich stabiliseerde en de migratie weer negatief werd.

 

  • Sectie 6: Forensisme op Aruba en Curaçao

Op enige bijzondere aspecten van de migratie in de Nederlandse AntilIen moge nog in het kort worden gewezen. Dit betreft dan in de eerste plaats de betekenis van het verborgen forensisme op de eilanden Curaçao en Aruba. Onder forensisme verstaat men het heen en weer trekken van de beroepsbeoefenaars tussen woon- en werkgemeente. Aangezien er geen gemeenten zijn op Curaçao en Aruba (men zou ook kunnen zeggen dat de ‘gemeentegrenzen’ samenvaIlen met de eilandsgrenzen), kan er weliswaar in formele zin niet gesproken worden van forensisme op deze eilanden, maar dat neemt niet weg dat er in feite een belangrijke pendel bestaat tussen woon- en werkplaats.

Uiteraard was het aIlereerst de vestiging van de aardolieraffinaderijen die tot het verborgen forensisme heeft geleid. De autochtone bevolking was weinig geneigd te verhuizen naar de onmiddellijke nabijheid van de raffinaderijen. Openbaar en particulier busvervoer, daarnaast ook in belangrijke mate eigen vervoer, verschaften voldoende transportmogelijkheden om in de eigen vertrouwde omgeving te blijven wonen. Het laat zich aanzien dat de gebondenheid aan eigen woonmilieu op Aruba sterker is dan op Curaçao en dat het pendelverkeer op eerstgenoemd eiland daardoor relatief van groter omvang is dan op laatstgenoemd. Door het ontbreken van exacte gegevens dienaangaande kan hier echter niet nader op worden ingegaan. Duidelijk is evenwel dat van een waarlijk grootscheepse trek naar de stad, zo kenmerkend voor vele industriestreken in de wereld, binnen de eilandsgrenzen van Curaçao noch van Aruba sprake is geweest. Het verschijnsel was uiteraard niet geheel afwezig, met name in de oorlogsjaren was bijvoorbeeld de trek van het Curaçaosche platteland naar Willemstad vrij groot als gevolg van de toen bestaande vervoersmoeilijkheden; de groei van de steden Willemstad op Curaçao, Oranjestad en San Nicolas op Aruba moet echter allereerst worden toegeschreven aan vestiging vanuit de overige eilanden van de Nederlandse Antillen en vanuit het buitenland. Willemstad - vanouds een stad met belangrijke handels-, verkeers- en bestuursfuncties - telde in het jaar 1915 14.084 inwoners op een totale eilandbevolking van 33.361 personen; er waren dus ongeveer 42% stadsbewoners, in 1981 was dit ongeveer 21,6% en bij medeberekening van de naaste omgeving van Willemstad, stijgt het percentage tot 56,2% van de totale eilandbevolking van Curaçao.

Van een dermate sterke samentrekking van de bevolking als op Curaçao kan op Aruba niet gesproken worden, hetgeen wel een gevolg is van de geringere afmetingen van het eiland, die een meer verspreide bewoning toestonden. Ongeveer 50% van de bevolking van Aruba is woonachtig in de beide grootste woonkernen Oranjestad en San Nicolas. De laatste plaats dankt zijn bloei geheel aan de vestiging van de olieraffinaderij van de Lago.

  • Sectie 7: Enige aantekeningen bevolkingsspreiding Bonaire / Bovenwinden

De spreiding van de bevolking van het eiland Bonaire beschouwend, blijkt het grootste deel van de inwoners woonachtig te zijn in de plaatsjes Kralendijk, Nikiboco, Antriol en Rincon. Aangezien hier geen economische structuurwijziging als op Aruba en Curaçao heeft plaatsgevonden, mag de concentratie van het merendeel van de Bonairiaanse bevolking in deze vier genoemde woonkernen als min of meer traditioneel beschouwd worden. Ongetwijfeld heeft het feit dat Bonaire lange tijd uitgestrekte gouvernements- en particuliere plantagegronden heeft (gehad), op deze toestand zijn invloed doen gelden. Van de Bovenwinden wordt met name het eiland Sint Eustatius gekenmerkt door een uitermate sterke concentratie van de bevolking in het plaatsje Oranjestad. Deze is secundair: oorspronkelijk woonde men meer verspreid over het eiland maar het verdwijnen van de plantages, gevoegd bij de geringe mogelijkheden om land in eigendom te verwerven, dreef de bevolking aIlengs te zamen in Oranjestad.

 

Hoofdstuk 6: Samenstelling en leeftijdsopbouw van de bevolking

  • Sectie 8: Samenstelling

Een uitermate belangrijke invloed heeft de buitenlandse en binnenlandse migratie gehad op de samensteIling en leeftijdsopbouw van de verschiIlende eilandbevolkingen. In vele opzichten vormden tot kort geleden Curaçao en Aruba als (voormalige) aantrekkingsgebieden enerzijds, en Bonaire en de Bovenwinden als afstotingsgebieden anderzijds elkaars tegenpolen. St. Maarten heeft dit patroon echter verbroken. Vanaf een ver verleden is Curaçao een eiland geweest waar mensen van velerlei herkomst een tijdelijk of blijvend bestaan vonden: de Curaçaosche samenleving werd dan ook vanouds gekenmerkt door een grote verscheidenheid naar ras, herkomst, nationaliteit, taal, godsdienst, zeden en gewoonten. Sinds de jaren twintig van de 20ste eeuw werd deze verscheidenheid wel zeer vergroot door de sterke instroming van ‘buiten-eilandelijke’ arbeidskrachten. Niet alleen op de strikt demografische maar op bijna alle terreinen van de samenleving had dit zijn gevolgen. De in het begin van deze eeuw zoveel kleinere en meer homogene Arubaanse bevolking zag zich eveneens gesteld voor de opgave in enkele jaren tijds een enorme toestroming van mensen op te vangen, waardoor niet alleen het demografische patroon maar het gehele maatschappijbeeld zich sterk wijzigde.

  • Sectie 9: Leeftijdsopbouw

De leeftijdsopbouw van de bevolking wordt verkregen door het totaal aantal inwoners van de Nederlandse Antillen uit te splitsen in leeftijdsklassen van een of meer jaren. Uiteraard is deze leeftijdsopbouw in sterke mate beïnvloed door de wijzigingen op demografisch terrein, welke in het voorgaande zijn beschreven. De omvangrijke immigratie, vooral van personen in de produktieve leeftijdsklassen gevoegd bij de daling van de sterftecijfers, resulteerde in een aanzienlijke verjonging van de bevolking en een toename van het groeitempo. Het percentage 0-14 jarigen nam van 1930 tot 1960 aanzienlijk toe. Van 1960 tot 1981 is in dit verband een verschuiving opgetreden. De jeugdige bevolking van 0-14 jaar is enorm afgenomen en wel van 41,4% in 1960 tot 28,8% in 1981. Daarentegen is de bevolking van 65 jaar en ouder gestegen van 4,3% in 1960 tot 6,6% in 1981. In het laatste decennium is vooral het percentage produktieven zeer sterk toegenomen in de Nederlandse Antillen, vooral ten gevolge van de opgetreden gezinsverdunning in het afgelopen decennium. Deze sterke groei van het percentage actieven brengt vooral op Curaçao grote sociaal-economische problemen met zich mee, vooral op het gebied van de werkgelegenheid.

Grote verschillen in leeftijdsopbouw bestaan er momenteel tussen de eilanden St. Maarten, Aruba en Curaçao enerzijds en de drie overige eilanden anderzijds. Bonaire, St. Eustatius en Saba hebben de hoogste percentages 65-jarigen en ouder, resp. 10,2%, 22,1% en 19,3%. Daarentegen is het percentage 65-plussers op St. Maarten 4,5%, op Aruba 6,7% en op Curaçao 6,5%. Gelet op het aandeel van de produktieve bevolking kan gesteld worden dat dit op St. Maarten, Curaçao en Aruba duidelijk groter is dan op de drie overige eilanden.

  • Sectie 10: Gemiddelde en mediane leeftijd

Een indruk van de leeftijdsopbouw van de bevolking kan o.m. verkregen worden aan de hand van de gemiddelde leeftijd. De gemiddelde leeftijd wordt bepaald door alle leeftijden te enumereren en vervolgens te delen door het aantal inwoners. Naarmate de jongere leeftijdsklassen sterker bezet zijn, zal de gemiddelde leeftijd van de bevolking uiteraard dalen. Verjonging en veroudering van een bevolking kunnen derhalve met behulp van de gemiddelde leeftijd zichtbaar worden. In de volkstelling 1960 op Aruba werd een ander gegeven gehanteerd, nl. de leeftijdsmediaan van de bevolking. Deze bedroeg in dat jaar 18,4 jaar, hetgeen betekent dat 50% van de bevolking destijds ouder was dan deze leeftijd en 50% jonger.

  • Sectie 11: Getalsmatige verhouding tussen de seksen: vrouwen- of mannenoverschot

Een belangrijk gegeven in de demografie is de getalsmatige verhouding tussen de seksen, meestal uitgedrukt als het aantal vrouwen per duizend mannen in de bevolking. Is dit aantal groter dan 1000, dan spreekt men van een vrouwenoverschot, in het omgekeerde geval van een mannenoverschot.
 

In het algemeen kon men in de jeugdige leeftijdsklassen een mannenoverschot waarnemen, omdat er normaliter meer jongens dan meisjes worden geboren. Deze zogenaamde masculiniteit van de geborenen bedroeg in de Nederlandse Antillen in 1980 per 100 meisjes 104 jongens. Bij gelijke sterftekansen voor de mannelijke en vrouwelijke bevolking, en bij overigens gelijkblijvende omstandigheden zou deze masculiniteit moeten resulteren in een mannenoverschot in de totale bevolking. Dat dit niet het geval is, is in de eerste plaats een gevolg van het feit dat de sterfte onder de mannelijke bevolking in het algemeen groter is dan onder de vrouwelijke bevolking. Zodoende ontstaat een met de leeftijd toenemend vrouwensurplus resulterende in een kleiner of groter vrouwenoverschot voor de bevolking als geheel. Behalve deze algemeen geldende regel hebben echter in de Nederlandse Antillen vestiging en vertrek hun invloed op het geslachtsverhoudingscijfer doen gelden. In de jaren van grote immigratie op Curaçao was het aantal toestromende mannen veel groter dan het aantal vrouwelijke immigranten. Hierdoor ontstond op deze beide eilanden een voor een industrieel vestigingsgebied karakteristiek mannenoverschot, hetgeen pas in de periode 1957-1960 geleidelijk verdween. Omgekeerd vertoonden de afstotingsgebieden Bonaire en de Bovenwinden in dezelfde tijd een versterkt vrouwenoverschot, gevolg van de omstandigheid dat veel meer mannen dan vrouwen van deze eilanden vertrokken. Sinds de Tweede Wereldoorlog vertoonde de totale bevolking van het Land een mannenoverschot, maar in 1958 veranderde dit in een sindsdien stijgend vrouwenoverschot. Dit is een ontwikkeling waarvoor in de eerste plaats migratiebewegingen in de mannelijke bevolking verantwoordelijk gesteld moeten worden. Een tweede factor is de reeds vermelde grotere levenskans voor vrouwen, waardoor vooral in de oudere leeftijdsklassen een sterk vrouwenoverschot zal optreden, dat thans niet meer gecompenseerd wordt door een groot mannenoverschot in de economisch produktieve leeftijdsklassen. Ten slotte is op het bestaande vrouwensurplus van invloed de nog steeds aanwezige aantrekkingskracht van met name Curaçao, Aruba en Sint Maarten voor vrouwelijke migranten van omliggende Caribische eilanden zoals Grenada, Dominica, Sint Vincent, Guadeloupe en de Dominicaanse Republiek, die met achterlating van hun gezin waarvoor zij als kostwinster optreden, een werkkring vinden als dienstbode bij particulieren en in toenemende mate ook bij het hotelbedrijf.

Sectie 12: Bevolkingspiramiden

Leeftijdsopbouw en geslachtsverhoudingscijfers van de Nederlands-Antilliaanse bevolking kunnen grafisch worden voorgesteld door de zogenaamde bevolkingspiramide. Zo’n piramide wordt opgebouwd uit horizontale balkjes, voor iedere leeftijdsgroep één, waarvan de lengte afhankelijk is van het aantal personen in deze leeftijdsgroep. De as van de piramide vormt de scheiding tussen het mannelijk en het vrouwelijk deel van de bevolking. Men onderscheidt een drietal grondvormen:

a. de werkelijke piramide, spits toelopend vanaf een brede basis. Deze vorm is kenmerkend voor een groeiende bevolking en ontstaat dan ook, wanneer men de leeftijdsopbouw van de Antilliaanse bevolking in beeld brengt;

b. de bijenkorf- of granaatvorm, kenmerkend voor een stationaire, d.w.z. in aantal gelijkblijvende bevolking;

c. de ui- of urnvorm, welke karakteristiek is voor een bevolking met gedurende een reeks van jaren dalende geboortencijfers. Door wijzigingen in de factoren die de groei van de bevolking beinvloeden, kunnen tal van variaties op bovengenoemde grondvormen ontstaan

Terwijl de leeftijdsopbouw van de gezamenlijke bevolking van Curaçao en Aruba ultimo 1966 nog maar weinig van de piramidevorm afweek, vertoont de leeftijdsopbouw in 1981 al duidelijk een ommekeer waarbij geconstateerd kan worden, dat de smalle basis van de leeftijdsgroep van 0-5 jaar zich verder heeft versneld waarbij zelfs van een zich ontwikkelende ui-vorm gesproken kan worden. Deze ui-vormige leeftijdsopbouw kan verklaard worden uit het feit dat er een groeivertraging is opgetreden, veroorzaakt door de daling van het geboortencijfer in de afgelopen twee decennia. Het ligt voor de hand dat deze trend zich zal voortzetten.

Deze daling van het geboortencijfer wordt vooral veroorzaakt door het toenemend gebruik van voorbehoedsmiddelen en een algemene wens tot gezinsverdunning. Bij de zeer jonge moeders daalt de geboorte het minst. Op Curaçao waren in 1982 van de 3104 kinderen die geboren zijn 388 (12.5%) van moeders van 15-19 jaar. Van deze 388 kinderen waren er 329 (84.8%) onwettig. Van het totaal aantal geborenen was in 1982 48% onwettig. Dit percentage is de laatste jaren sterk toegenomen: de afname van de onwettige kinderen is duidelijk niet zo snel verlopen als de daling van het aantal wettige kinderen.

Sectie 13: Burgerlijke staat

Wat betreft de burgerlijke staat kan men op de Antillen naast ongehuwden, gehuwden, weduwnaars en weduwen en gescheidenen van echt, nog een categorie onderscheiden namelijk zij die niet wettig zijn gehuwd maar in concubinaat leven (kompañá). Men duidt deze staat in de statistiek aan met de term ‘samenwoning’, in de Engelse literatuur ook wel als common-law marriage of consensually married. Deze samenwoningsvorm komt in het Caribisch gebied zeer veel voor.

In deze huwelijksvorm zien verschillende schrijvers een historisch relict; anderen daarentegen beschouwen de samenwoning als een antwoord van het individu op bepaalde sociale en economische omstandigheden die hij vooralsnog niet vermag te wijzigen. Uiteraard spelen bij een classificatie naar burgerlijke staat, de leeftijdsopbouw en het geslachtsverhoudingscijfer van de bevolking een belangrijke rol. Het aantal ongehuwden zal immers groter zijn naarmate de jeugdige leeftijdsklassen sterker bezet zijn, met name de groep van 0 t/m 14 jaar. Deze omvat momenteel 29% in tegenstelling tot 1960 toen dit 42% bedroeg. In overeenstemming hiermee bedroeg het percentage ongehuwden in de bevolking ca. 65 % in 1960, terwijl dit in 1981 62,5% bedroeg. Een juister inzicht in de verhouding ongehuwden en anderen, verkrijgt men door eliminatie van de groep 0 t/m 14-jarigen. Dusdoende bleek in het jaar 1960 van de Curaçaosche bevolking van 15 jaar en ouder 43% ongehuwd te zijn, op Bonaire 41% en op de Bovenwinden 44%, terwijl dit in 1981 resp. 50%, 43% en 46% bedroeg. Opvallend is de grote stijging van het percentage ongehuwden van 15 jaar en ouder op Curaçao.

Ten aanzien van deze tabel kan nog het volgende worden opgemerkt. Het percentage ongehuwde vrouwen neemt aanvankelijk sneller af dan het percentage ongehuwde mannen; tot 30 jaar overheerst het percentage ongehuwde mannen. Dit wijst erop dat de huwelijksleeftijd voor vrouwen lager ligt dan voor mannen. De volkstelling 1960 berekende deze voor Curaçao op 28,6 jaar voor de mannen en 23,9 jaar voor de vrouwen. Ook op de overige bij deze volkstelling betrokken eilanden was de gemiddelde huwelijksleeftijd van de mannen hoger dan die van de vrouwen. In verband met het geringe aantal waarnemingen werd hiervan evenwel geen gemiddelde afgetrokken. Vanaf 30 jaar en ouder is het percentage ongehuwde vrouwen groter dan het percentage ongehuwde mannen. Dit wijst op een in de oudere leeftijdsklassen groter wordend vrouwenoverschot. Het is opmerkelijk dat in de gegevens van 1960 de leeftijdsklassen van 50 jaar en ouder, het percentage ongehuwde vrouwen hoger was dan in de voorgaande leeftijdsklassen, terwijl her percentage ongehuwde mannen een normaal neergaande lijn vertoonde. De volkstelling 1960 merkte dienaangaande op dat ‘de verklaring hiervoor ten dele zal moeten worden gezocht in het feit dat de relatieve huwelijksfrequentie in de loop der jaren is gestegen’. Dit opmerkelijke gegeven wordt echter in 1981 niet meer teruggevonden: het percentage ongehuwden van 50 jaar en ouder is bijna over de gehele linie gedaald. Het huwelijkscijjer of de nuptialiteit, d.w.z. het aantal huwelijken per jaar per duizend van de bevolking, vertoont in het afgelopen decennium een dalende tendens.

Ten aanzien van de gescheidenen kan opgemerkt worden dat het percentage scheidingen in de Nederlandse Antillen tussen 1960 en 1981 verdrievoudigd is. Het aantal gescheiden vrouwen op de Nederlandse Antillen is duidelijk veel groter dan het aantal gescheiden mannen.

  • Sectie 14: Beroepsbevolking

Een economisch belangrijke plaats in het geheel van de bevolking wordt ingenomen door de beroepsbevolking van een land. Hieronder verstaat men dat deel van de bevolking dat actief deelneemt aan het maatschappelijk produktieproces, maar ook diegenen die daarvan door bijzondere omstandigheden in principe tijdelijk zijn uitgesloten. Het is moeilijk de leeftijdsgrenzen van de beroepsbevolking nauwkeurig aan te geven, aangezien niet ieder op dezelfde leeftijd aan het produktieproces gaat deelnemen of zich daaruit terugtrekt. Men zou de leeftijdsgrenzen van de beroepsbevolking bij benadering kunnen stellen tussen 15 en 65 jaar.

In de Nederlandse Antillen is in het afgelopen decennium het percentage van de bevolking dat tot de jeugdigen behoort drastisch afgenomen. Daarentegen is de groep van de bevolking behorende tot de groep potentieel werkzamen zeer sterk gestegen. Aruba heeft deze stijging het best opgevangen zoals uit de werkloosheidspercentages per eiland blijkt. Van de totale Nederlands-Antilliaanse bevolking van 231.932 .mensen werken er 80.731 en zijn 15.462 werkzoekend (16,1 % van de beroepsbevolking is derhalve werkzoekend vergeleken met 14,6% in 1972). De stijging van het Antilliaanse werkloosheidspercentage komt geheel voor rekening van Curaccao. Daar steeg het werkloosheidspercentage van 13,8% naar 20,3%, terwijl het op de andere eilanden afnam; het sterkst op Aruba.

Onder 15-24-jarigen is de werkloosheid zeer hoog: 31,9% voor de Antillen en zelfs 39,3% voor Curaçao. Het percentage werkzoekenden is voor vrouwen veel hoger dan voor mannen: van de vrouwen is 22,6% werkzoekend en van de mannen 11,8%. Vooral op de Bovenwindse Eilanden zijn er relatief veel meer vrouwen werkzoekend dan mannen.

De relatieve omvang van de beroepsbevolking is uiteraard zeer sterk afhankelijk van de leeftijdsopbouw van de totale bevolking. In de Nederlandse Antillen kan alleen al op deze grond geen omvangrijke beroepsbevolking verwacht worden. Daarnaast kunnen ook andere factoren de omvang van de beroepsbevolking beïnvloeden: de aanwezige onderwijsfaciliteiten en de mate waarin daarvan gebruik wordt gemaakt; zo worden de verschillende vormen van voortgezet dagonderwijs door een hoog percentage van de jeugdigen bezocht. Deze omstandigheid draagt ertoe bij de gemiddelde leeftijd waarop de jeugdigen in de beroepsbevolking worden opgenomen, te verhogen. Omgekeerd worden hierdoor echter de lasten voor de economisch produktieven in aanzienlijke mate verzwaard.

Als tweede factor moet genoemd worden de omstandigheid dat velen, vooral onder degenen die werkzaam zijn bij de overheid of in de industrie, op betrekkelijk jonge leeftijd hun werkzaamheden beeindigen.

Sectie 15: Beroepsbevolking en pensioengerechtigde leeftijd

In de Nederlandse Antillen varieert de pensioengerechtigde leeftijd van 50 tot 60 jaar. Hierbij komt nog dat vooral onder invloed van de opgetreden rationalisatie van de olie-industrie in de afgelopen decennia veel werknemers vóór hun pensioengerechtigde leeftijd vervroegd konden uittreden. Na 1981 werd bij de Shell op Curaçao en de Lago op Aruba, onder invloed van de opgekomen economische malaise, gebruik gemaakt van een vervroegde uittreding. Door twee omstandigheden werd het aandeel van de werklozen in de beroepsbevolking snel groter, namelijk enerzijds door het toenemend aanbod van jeugdige arbeidskrachten, anderzijds de afnemende vraag in de industrie door rationalisering en automatisering zonder voldoende aanvullende c.q. vervangende werkgelegenheid. Als gevolg hiervan neemt de economische last van de actuele beroepsbevolking, die toch altijd reeds groot was, momenteel in zorgwekkende mate toe. De sociale voorzieningen die hierdoor noodzakelijk worden, zijn van grote invloed op de financieel-economische structuur van de Nederlandse Antillen. (Voor godsdienstige groeperingen zie Nederlandse Antillen).

 

Hoofdstuk 7: Literatuur

Literatuur:

  • Bureau voor de Statistiek te Curaçao, Statistisch Jaarboek 1961, 1965, 1966, 1974 en 1981;
  • De ontwikkeling van het inwonertal in het recente verleden en in de naaste toekomst (1967);
  • Documented Paper on the Netherlands Antilles for the Conference on Demographic Problems of the Area served by the Caribbean Commission (1957);
  • Gegevens Bevolkingsregister;
  • J. Hartog, Geschiedenis van de Nederlandse Antillen, deel I t/m V (1953-1981);
  • A. H. Hawley, The Population of Aruba (A report based on the Census of 1960);
  • Heron House Associates, Onze wereld in cijfers (1979);
  • Jaarverslagen van de verschillende Eilandgebieden sinds 1960;
  • J. Y. Keur en D. L. Keur, Windward Children, a study in human ecology of the three Dutch Windward Islands in the Caribbean (1960);
  • M. Kok, Nederlandse Antillen, Landendocumentatie 1977 nr. 3 Koninklijk Instituut voor de Tropen (1978);
  • Tweede Algemene Volks- en Woningtelling N.A. (1981);
  • L. P. Vermeulen, De Bevolkingsstructuur der Nederlandse Antillen (Tijdschrift Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap 1962);
  • Volkstelling 1960 van Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Uitgave van het Statistiek- en Planbureau Ned. Antillen (1961).

 

 

@: Beyísima

(Antigonon leptopus) of kolorita, koralita, of coral vine, plantesoort uit de familie der Polygonaceae. Klimplant met ranken; bladeren hart- of deltavormig, langgesteeld; bloemen rozerood (of in gekweekte vorm wit), in grote rijkbloemige trossen, die vaak uitlopen in ranken; noot driehoekig. Afkomstig uit Centraal Amerika; op de eilanden gekweekt en verwilderd. Beneden- en Bovenwindse Eilanden.

 

@: Bibá

zie @: Concubinaat.

@: Bibliotheekwezen

Het Algemeen Nederlands Verbond, dat